[20.19429] - Bijlage: Cultuurhistorie uitgediept erfgoedkaart Reusel-De Mierden
Tekst van het document
Naasting kerkelijk bezit
In Staats-Brabant werd alle kerkelijk bezit van binnen de Republiek gelegen kloosters en kerken door de Raad van State genaast. Omdat zij de claim handhaafden dat Postel tot Staats-Brabant behoorden, werden ook de Postelse hoeven genaast. Tot de genaaste bezitscomplexen hoorde ook het bezit van het bisdom Den Bosch. Dat was pas in 1559 opgericht en had later in de zestiende eeuw vooral veel bezit van de abdij Tongerlo overgenomen. Bezit van de kloosters van Averbode, Thorn en Echternach of Luikse kerken werd niet genaast omdat die instellingen buiten de Republiek gevestigd waren. De Raad van State gebruikte het aldus gevormde formidabel bezit aan land, altaren, cijnzen en tienden om de salarissen van predikanten en kosters-schoolmeesters van te betalen.136 Toch werden de aldus verworven boerderijen kennelijk eerst nogal verwaarloosd, kennelijk omdat men van plan was ze te verkopen. Zo lag de “Hoeve te Loon bij het bos”er in 1662 nogal armoedig bij: de schuur was afgebrand, de schoorsteen van het dak gevallen, het hek om de hof was kapot en ook de schop had een bar slecht dak.137 Een eerste verkoop vond al plaats voor 1558. In dat jaar werd een inspectietocht langs wat restte gemaakt, gevolgd door een tweede in 1662 die heel gedetailleerde beschrijvingen opleverde. In 1664 was er weer een grote verkoop, maar opnieuw ging niet alles van de hand, waaronder die hoeve te Hoogeloon.
In 1719 werd deze hoeve in erfcijns uitgegeven. Een hele reeks twaalfde-eeuwse domeinhoeven is via kloosters en deels het bisdom uiteindelijk bij de Raad van State terecht gekomen en daarna verkocht of vercijnsd. Door deze hoeven te herkennen, kunnen we dus terugkijken naar de ontstaansfase van onze dorpen! Zelfs wanneer daar nu misschien een modern bedrijf staat. 2.8.10 Visserij Al in de Middeleeuwen zijn er aanwijzingen voor georganiseerde viskwekerijen. Het gaat dan om de “weiers” die vaak van een klooster of plaatselijke heer waren. Een goed ingerichte weier bestond uit drie bassins in een dal met stromend water, waarin de vis opgekweekt werd. De Postelse Weier heette oorspronkelijk het Stakenvenne en werd voor het eerst vermeld in 1342. Het was toen een visvijver. In 1373 kwam het ven in handen van Postel dat de pastoor van Oerle leverde en het ligt voor de hand dat deze het ven als zijn viskweekplaats zal hebben beschouwd. Veel pastoors kweekten destijds hun eigen vis. Naast deze georganiseerde viskwekerij was er de visvangst in de grotere vennen. Bij Wintelre treffen we zelfs een Vismarkt aan. Vermoedelijk werd daar vis verhandeld die daarna in Eindhoven opgegeten werd. Deze visserijen zullen in de Tachtigjarige Oorlog wel schade geleden hebben, maar ze zijn daarna kennelijk weer hervat
136 BHIC, Archief Generaliteitsrekenkamer, 3512 (rekening 1677). 137 NAG, Archief Raad van State (toegang 1.011.19), 2157, Beschrijvingen van Staten-hoeven, 1662. Ongefolieerd, de eerste beschrijving.
68
2.8.11 Nieuwe ontginningen Al in de oorlogstijd en ook daarna hebben de dorpen delen van hun gemeynte verkocht om aan geld voor de oorlogbetalingen of aflossing van schulden te komen. Dat betekende nog niet direct ontginning, want de kopers konden die grond ook als hun “Privé heide” beschouwen: een Heikamp dus. Werd er wel ontgonnen, dan kon men rekenen op een aantal jaren belastingvrijdom. Belastingontduiking is van alle eeuwen en dus liet men tegen het verlopen van die belastingvrije periode het veld weer woest worden, om een ander veld te gaan ontginnen. Zo ontstond er een gebied met “onduidelijke” gronden: slecht ontgonnen en weer woest geworden en opnieuw half ontgonnen. Ach, men kon er zijn beesten op weiden en er plaggen halen en op die manier waren die gronden zonder veel investering toch ingeschakeld in het boerenbedrijf. Tegen het eind van de achttiende eeuw werd de ontginning wat systematischer aangevat. Opnieuw werden stroken uit de gemeynte verkocht. Nu werden ze netjes ingemeten en in rechte stroken verdeeld die aan de weer groeiende bevolking verkocht konden worden. Een typische benaming hiervoor is: Nieuwe Erven. Op sommige van deze ontginningen verrezen ook boerderijen. Nadat de wegen in de loop van de achttiende eeuw sterk verbeterd waren, had men de grote breedte van de oude banen niet meer nodig.
Daardoor konden ook die restruimten, die tot de gemeynte behoorden, verkocht worden. Soms leidde dit tot een dubbele rij boerderijen en woningen: een oude die op de rand van de brede baan gestaan had, en een nieuwe die langs de nieuwe smalle weg staat.
2.9
De periode 1800 – 1960
K.A.H.W. Leenders De inval van Franse troepen in 1793 luidde een twintigjarige periode met veel veranderingen in. Uiteindelijk ontstond daaruit het koninkrijk der Nederlanden waar in 1815 de Zuidelijke Nederlanden aan toegevoegd werden, waarna deze 15 jaar later weer hun eigen weg gingen. De grensafbakening tussen Nederland en België was pas in 1843 gereed. Vooral na 1900 onderging de streek ingrijpende veranderingen. 2.9.1
De kerken
De omwentelingen brachten voor de katholieken weer meer vrijheid. Ook moesten de kerkeigendommen opnieuw verdeeld worden tussen de katholieken en de protestanten. In de meeste plaatsen betekende dit dat de oude kerk – of wat er van over was – weer in katholieke handen kwam en de protestanten een nieuw bedehuis moesten zoeken. Een aantal nieuwe kerkgebouwen was het resultaat, mede omdat sommige oude kerken onbruikbare ruïnes waren. Nadat de strijd om de kerken gewonnen was, richtte de Kerk zich op de inrichting van kloostertjes van waaruit scholen voorzien werden met onderwijzend personeel. Zo vormde zich een klassiek geworden dorpscentrum: kerk, kerkhof, pastorie, klooster en school. Met daarbij natuurlijk een kroeg en banketwinkel. Toen ook dat geregeld was, werd de rest van het landschap gekerstend door de plaatsing van kapelletjes en wegkruisen. 2.9.2
De molens
Ook de molens werden vrijgemaakt. De oude heerlijke monopolies werden afgeschaft. Een molen oprichten vereiste nu vooral de verkrijging van een hinderwetvergunning. In de loop van de 19 e eeuw zijn er heel wat nieuwe windmolens opgericht. Meestal waren het stenengraanmolens, soms kocht men tweedehands ergens een molen. Vanaf het midden van de negentiende eeuw is men in de stenen windmolens stoommachines gaan bijplaatsen. Zo kon de molen ook bij windstilte draaien. Rond 1907 werden die soms vervangen door een zuiggasmoter en vervolgens door diesel of elektriciteit. Op den 69
duur maalden de molens hoofdzakelijk op motoren: het waren maalderijen geworden en nieuwe werden daarom ook als een gewoon fabriekspand gebouwd. 2.9.3
De grenzen
In het Keizerrijk Frankrijk had men het systeem van het grondkadaster tot in detail uitgewerkt en in uitvoering gebracht. Zo werd het toen Franse Weert al in 1808 en 1809 op de Franse wijze gekarteerd. Noord-Brabant hoorde toen enkele jaren tot het koninkrijk Holland en dat liet het kadasterwerk op z’n Hollands doen. In de archieven vinden we er nog registers van, kaarten zijn zeldzaam en het werk was nog lang niet af toen Noord-Brabant ingelijfd werd bij Frankrijk, eind 1809. In de “Hollandse” periode werden Luyksgestel en Lommel tegen elkaar geruild met het keizerrijk Frankrijk zodat het Grand Canal du Nord geheel in het keizerrijk zou kunnen worden aangelegd.138 De Fransen begonnen het kadasterwerk opnieuw en na 1813 werd dit werk voortgezet. Het werd per 31 december 1831 voltooid en is de basis voor het huidige kadastersysteem. Het maken van een kadaster begon met het afbakenen van de kadastrale gemeente. Ieder grensvak werd door de beide gemeente besturen en de kadastermensen in het veld nagelopen en vastgelegd. Problemen en geschillen kwamen zo aan het licht en konden op een hoger niveau vaak snel opgelost worden. Vervolgens werd het afgebakende gemeentegebied perceelsgewijs opgemeten, in kaart gebracht en van een beschrijvende tabel voorzien. Naast de stapel “minuutplans” werd er ook een overzichtskaart gemaakt.
Dit basismateriaal moest bewaard blijven en mocht niet meer veranderd worden. Toch zijn hier en daar minuutplans verdwenen en soms heeft men die later weer gereconstrueerd. Overzichtskaarten gingen vaker verloren en ook die werden later weer gereconstrueerd. Op die reconstructies staat niet meer het jaartal van afronding van het kadasterwerk, dat wel op de originelen stond. Dat maakt dat we die datum soms moeten schatten. In de meeste plaatsen werd het kadasterwerk in 1826 – 1830 afgerond. Bij het vaststellen van de kadastrale gemeentegrenzen werden al enkele onhandige situaties verholpen, zoals de lange spievormige uitloper van Eersel tot de paal Schoongars. Deze uitloper werd aan Bergeijk toegevoegd. Waar dat nodig was heeft men de gemeentegrenzen opnieuw gemarkeerd meestal met aardhopen, soms een extra grenspaal. Elders volstonden oude grenspalen of beken als afbakening in het veld. Grote veranderingen kwamen er pas bij het vastleggen van de grens tussen Nederland en België. Over grote lengte is dat de oude grens van Fontainebleau uit 1785, maar hier en daar zijn er onhandige situaties verholpen. De spievormige uitlopers van Bergeijk en Luyksgestel naar Schoongars werden afgekapt. Bergeijk kreeg er een nieuwe maar overal even brede uitloper in het noordoosten van Postel voor terug.
Een andere spievormige uitloper van Bergeijk werd eveneens voor een blokvorig stuk grond geruild. Ten zuiden van Budel werd een driehoek die tot Bocholt behoorde naar Weert overgeheveld. Daarbij werd ook de eerder nog met aardhopen afgebakende zuidgrens van Budel weer wat gewijzigd. De “hik” in die zuidgrens dateert dus van 1843. Langs de nieuwe grens werden vervolgens genummerde grote grenspalen gezet, met daartussen kleine grensstenen. Deze grenspalen zijn er veelal nog, ze functioneren nog steeds als grenstekens. Enkele zijn echter gestolen. De kadastrale gemeenten komen hier steeds overeen met de burgerlijke gemeenten. Wel werden al in het midden van de negentiende eeuw enkele kleine veranderingen in gemeentegrenzen doorgevoerd, maar in hoofdzaak bleven de gemeenten bijna een eeuw ongewijzigd. Daarna volgden wat nog veranderingen en samenvoegingen, tot de grote gemeentelijke herindeling die per 1 januari 1997 in werking trad.
138 Sanders, van Ham & Vriens (red.) 1996, 36.
70
2.9.4
Verkeer
De bestrating van de grote weg van Den Bosch naar Maastricht werd voortgezet en afgerond en er werden nog wat nieuwe kaarsrechte banen over de heide tussen de dorpen aangelegd, maar die bleven onverhard. In het midden van de negentiende eeuw konden de verbindingswegen tussen de dorpen verheven worden tot “provinciale weg”. Ze werden dan waar nodig van rare bochten ontdaan, bestraat en van bomen voorzien. De kaarten van rond 1900 laten zien dat er zo een netwerk van verharde wegen was ontstaan dat de dorpskernen verbond. Na 1900 werden binnen de gemeenten geleidelijk meer wegen verhard en tegen 1950 waren alle gehuchten ook over degelijke wegen bereikbaar. Na de kanalenbouwperiode 1807 – 1846 volgde een periode waarin spoorwegen gezien werden als een modern middel voor massatransport. De eerste stoomtrein op het vasteland van Europa reed in 1832 tussen Mechelen en Brussel. Nederland volgde in 1839 met de lijn Haarlem – Amsterdam. De eerste trein bereikte Noord-Brabant vanuit Antwerpen in 1854. Vooral in de jaren 1860 werd het spoornet in de provincie uitgebreid. De eerste spoorlijnen in de 9 gemeenten waren de lijnen Neerpelt – Eindhoven door Valkenswaard (1866) en Neerpelt – Roermond via het zuiden van Budel. Deze laatste was en is een deel van de IJzeren Rijn tussen Antwerpen en het Ruhrgebied en werd aangelegd in 1879.
In 1959 werd het oude spoorlijntje tussen Valkenswaard en Eindhoven, waarop tot in 1945 ook personenvoer was, opgeheven en vervangen door een omleiding over Geldrop en Heeze. 2.9.5
Nederzettingsontwikkeling
Rond 1800 hadden de oude dorpsgemeenschappen in de regel een min of meer duidelijke hoofdkern die zich als “dorp” presenteerde, naast een hele verzameling gehuchten daaromheen. In de toen 25 gemeenten waren er ongeveer 185 gehuchten, dat is gemiddeld ruim 7 per gemeente. Veel van de dorpen en gehuchten hadden het karakter van lintbebouwing met ergens een pleintje. Die lag oorspronkelijk op de rand tussen akker en beekdal, of akker en hei en bestond eerst uit boerderijen en woningen voor landarbeiders. In de grotere nederzettingen had je daarnaast ook allerlei “verzorgers”, renteniers, wevers en handelaren. In de loop van de negentiende eeuw is aan dit patroon niet veel verbeterd, al werden er in de lintbebouwing alsmaar woningen toegevoegd en kregen de grotere kernen naast de vernieuwde en vergrote kerk ook een pastorie, school, klooster en gemeentehuis, later aangevuld met een post- en telegraafkantoor. De vroege grote bevolkingsgroei in Valkenswaard en na 1900 ook in Waalre hangt samen met de van 1866 tot eind 1945 bestaande treinverbinding met Eindhoven én met de sigarenindustrie die er in 1864 begon. Op den duur was bijna een derde van de Valkenswaardse bevolking hierin werkzaam, zodat zowat heel de bevolking afhankelijk was van deze ene bedrijfstak. Aanvankelijk ging het om veel kleine bedrijfjes, maar later stonden er ook enkele forse fabrieken.
In Reusel kwam vanaf 1877 een uit meerdere bedrijven bestaande sigarenindustrie tot stand en in Budel vanaf 1893 de zinkfabriek met een eigen nederzetting voor de Waalse arbeiders. Dit zijn precies de dorpen met een bovengemiddelde groei in de negentiende eeuw.
71
Reclame Karel I Sigaren uit Reusel (bron: https://www.geschiedenisvalkenswaard.nl/artikel/2033/Sigarenindustrie-in-de-Kempen). Na 1900 zou de opkomst van de grote fabrieken in Eindhoven Aalst, Waalre en Valkenswaard tot gemakkelijk bereikbare woonplaatsen buiten de grote stad maken, terwijl in die plaatsen de sigaren nijverheid op volle kracht draaide. Hier zien we dan ook de veruit grootste bevolkingsgroei. Die bevolkingsgroei werd vooral opgevangen door het verdichten en uitbreiden van de lintbebouwing en door het bijbouwen van nieuwe straten en zelfs wijkjes. Zo raakten gehuchten met elkaar verknoopt of werden ze tot rand van de dorpsbebouwing. De andere dorpen en gehuchten hadden ook met verdichting en verlenging van de lintbebouwing te maken, maar in mindere mate. Na de oorlog werd door het bouwen van woonwijken getracht de lintbebouwing te stoppen. Die dorpse woonwijken verrezen vaak juist op de oudste akkers zodat de landbouw moest opschuiven naar jonger ontgonnen gronden. Op het “echte” platteland verrezen nieuwe boerderijen en tegen 1950 bereikte de boerderijdichtheid zijn maximum. Door schaalvergroting, verstedelijking en de stop op de ontginningen is het aantal agrarische bedrijven sindsdien dalende. In deze periode werd de “verstening” van de boerderij vrijwel voltooid.
Steeds meer delen van het woonstalhuis kregen een bakstenen wand en nieuwe boerderijen werden in toenemende mate geheel met bakstenen wanden gebouwd. De boerderijen bleven lange tijd in hoofdzaak uit meerdere gebouwen bestaan: een woonstalhuis, een schuur, bakhuis en nog wat bijgebouwen. Alleen de kleine boerderijen regen alles onder één dak. Na de Eerste Wereldoorlog kwamen nieuwe boerderijtypen in zwang. Werd aanvankelijk de zuivel op de boerderij zelfs bereid, in de negentiende eeuw verschenen er steeds meer melkfabriekjes waarin dat gecentraliseerd en gemechaniseerd kon gebeuren. Net als de graanmolens kregen ook deze melkfabriekjes een stoommachine als krachtbron.
72
2.9.6
Ontginningen
De traag maar gestaag voortgaande ontginning van de Noord-Brabantse zandgronden had in de Meierij in de periode 1650 – 1800 het cultuurland met de helft vergroot. Rond 1800 trad, gestimuleerd door de geblokkeerde import van graan, een kort ontginningsgolfje op. Het oude tragere tempo werd daarna hernomen, tot nieuwe ontwikkelingen zich aandienden. De woeste gronden waren in veel gevallen rond 1800 gemeentelijk eigendom geworden. De gemeenten werden gestimuleerd om dat eigendom zo rap mogelijk af te stoten. Bosbouw Door het voortdurende tekort aan mest, was het in de negentiende eeuw niet goed mogelijk de heide tot boerenland te ontginnen. Dergelijke ontginningen bleven dan ook beperkt van omvang. Wat wel lukte was het bebossen van de heide. Aanvankelijk plantte men vooral loofhout en ook dennen aan, maar toen de streek eenmaal ontsloten raakte met spoor- en kanaalverbindingen naar de kolenmijnen van Wallonië en later ook Belgisch en Nederlands Limburg, ging de den overheersen. In handzame mootjes gezaagd leverde de den immers zeer gewild stuthout voor de mijnen op. Vanaf de jaren 1870 was kunstmest bekend. Deze oplossing voor het mestgebrek drong in Noord-Brabant pas na 1900 echt door. De heide verloor niettemin al tegen het eind van de negentiende eeuw haar functie in de mesthuishouding geheel, want ze begon snel dichte te groeien.
Na 1900 werd de hei al niet met behulp van kunstmest tot boerenland ontgonnen, naast de voortgaande bebossing. Op dat boerenland verschenen weldra weer heggen en houtkanten, zodat ook de introductie van de kunstmest in eerste instantie bijdroeg aan het meer gesloten maken van het zandlandschap. De Utrecht Een grootschalige heideontginning in Reusel – De Mierden en Hilvarenbeek leidde tot het ontstaan van het landgoed De Utrecht. Het grootste deel daarvan werd tussen 1898 en 1940 aangekocht, ontgonnen en ingericht door de verzekeringsmaatschappij De Utrecht, tegenwoordig de AMEV. De huidige verschijningsvorm is kort na 1945 tot stand gekomen toen ook de laatste gedeelten werden ontgonnen. Dat het oostelijke gedeelte niet geheel is ingericht met productiebossen hangt nauw samen met een cultuuromslag van de verzekeringsmaatschappij omstreeks 1920. Behalve een winstgevend beleggingsobject wilde zij tevens het natuurlijke beeld van het oude Kempenlandschap bewaren en tegelijkertijd een fraai recreatiegebied creëren. Dit hing ook nauw samen met publicitaire doeleinden. Hierdoor kreeg het landgoed een tweeledige bestemming, enerzijds economisch en anderzijds recreatief, die een ruimtelijke weerslag had. De Utrecht weerspiegelt de omslag van puur ontginning van heide tot bos, naar landschapsbehoud, zoals die in de 20ste eeuw in Noord-Brabant optrad.
Vennen kenden aanvankelijk een subtiel evenwicht tussen natuurlijke processen zoals waterpeilschommelingen onder seizoensinvloed, verlanding door veenvorming, en menselijk ingrijpen zoals turfbaggeren, het wassen van schapen en het handhaven van de omringende heide. In de twintigste eeuw veranderde dat menselijk handelen van karakter. Het vennengebied op de Groote Heide (Heeze – Leende en Geldrop – Mierlo) werd gebruikt als oppervlaktewaterwingebied voor Eindhoven. In het vennengebied van Vessem werd een drinkwaterpompstation aangelegd. Dat eens zo waterrijke gebied heeft nu zeer droge gronden. Elders zijn veel vennen ontwaterd of hebben ze een lagere waterstand gekregen door de algemene daling van het grondwaterniveau. Vroeger hadden veel vennen een voedselarm karakter. Door het opdringen van de regelmatig bemeste ontgonnen gronden ging dat langzaam verloren waardoor de flora en fauna van de vennen veranderden. Ook de omgeving veranderde en heidevennen werden tot bosvennen.
73
Voor het ontginnen van het landgoed de Utrecht bij Hilvarenbeek werd een diepploeg voortgetrokken door een locomobiel ingezet (Bron: Zandstad.nl). 2.9.7
De heggen
De heggen rond akkers en bochten hadden vanouds een functie gehad als veekering en als producent van timmer, zaag-, gerief- en brandhout. Eikenhakhout leverde bovendien schors waaruit looistof gewonnen werd. Het was daarmee van belang voor de lederindustrie. Door onderhoud van de heggen zoals snoeien en bijplanten werd de veekerende functie in stand gehouden. Oordeelkundig oogsten van het zesjarig hout garandeerde een permanente houtvoorziening. De heggen konden pas verdwijnen toen voor al die functies goede alternatieven beschikbaar kwamen. Voor de scheidingsfunctie kwam rond 1900 het in 1883 uitgevonden prikkeldraad beschikbaar. Vanaf 1902 werd het ook binnen Noord-Brabant, te Aarle-Rixtel, gemaakt. Als brandstofleverancier werden de heggen hoofdzakelijk vervangen door de olie en de kolen die als retourvracht voor het mijnhout naar Noord-Brabant kwamen. Buurtspoorwegen, vrachtwagens en kanalen brachten de nieuwe brandstoffen het platteland op. De heggen leverden ooit ook hout voor het onderhoud van boerderij en gereedschappen. Maar de hoeven werden meer en meer van duurzaam materiaal gebouwd, terwijl gereedschap bij de smid te koop was. Bovendien kon de boer in de altijd nabije bossen wel wat hout halen of kopen. De lederindustrie schakelde vanaf 1904 over op chroomlooiing, waardoor ook de vraag naar schors verdween.
De heggen leverden vrij plotseling niets meer op, terwijl het onderhoud ervan vaak door ingehuurde specialisten gedaan werd. Die werden nu te duur en verdwenen van het veld. Heggen verwilderden, werden slecht gesnoeid en verloren hun ondoordringbaarheid of schoten hoog door. Hoewel daarmee de kwaliteit achteruit ging betekende dat nog geen verdwijnen. Vermoedelijk zijn heel wat heggen pas doelbewust gerooid toen ze door gebrek aan onderhoud er erg slecht aan toe waren.
74
3
Werkwijze Erfgoedkaart
De erfgoedkaart is een digitale opeenstapeling van gebieden en objecten (GIS-kaart). Hier zijn de te registreren "cultuurhistorische waarden" breed opgevat. Het gaat hierbij, conform de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart, om: -
historisch-geografische landschapselementen (oude akkers, wegen, vloeiweiden);
-
gebouwde elementen (watermolen, windmolen, schans, kapel, kruis);
-
historische bewoningskernen;
-
archeologische vindplaatsen;
-
gebouwde monumenten.
De cultuurhistorische inventarisatie van de erfgoedkaart gaat uit van een onderverdeling naar landschappelijk, historische en archeologisch thema en vervolgens naar subthema of nadere typering van het object of gebied. Dit is aantrekkelijker dan een rubricering volgens dimensionaliteit (punt - lijn - vlak) omdat het toelaat binnen een thema elementen te behandelen die onderling structureel samenhangen, maar toevallig een verschillende dimensionaliteit hebben. Door te werken met thema’s en subthema’s kan de diversiteit, eigenheid en complexiteit van het landschap beter worden gevangen. De afbakening van de gemeente volgens de huidige gemeentegrenzen komt hier en daar niet overeen met historische grenzen. Daarom beslaat de erfgoedkaart meer oppervlakte dan de huidige gemeente. In de catalogus van de cultuurhistorische inventarisatie van de erfgoedkaart (zie bijlage 1) worden de resultaten van de inventarisatie van de erfgoedkaart in detail beschreven. Binnen de hoofdindeling naar landschap, historie en archeologie, zijn alle geïnventariseerde gegevens onderverdeeld naar thema en naar type gebied of object (ofwel subthema genoemd). Elk object of gebied bezit een eigen “Uniek nummer” dat als volgt is opgebouwd: gemeentenummer.themanummer.subthemanummer.volgnummer (bijv. 1.14.4.085).
Bij het maken van de erfgoedkaart zijn de geïnventariseerde cultuurhistorische objecten en gebieden verdeeld naar thema en subthema. In totaal gaat het om 40 thema’s met bij het fysisch landschap 26 nadere typeringen of subthema’s, bij het historisch landschap 219 nadere typeringen en bij het archeologisch landschap 43 nadere typeringen; zie voor het overzicht van de opbouw van de inventarisatie van de erfgoedkaart, de tabel op de volgende pagina. Doel van de inventarisatie is om niet alleen een inventarisatie van nog zichtbare overblijfselen uit het verleden op te stellen, maar vooral een overzicht van voormalige elementen en structuren met hun landschapsgenetische context, ongeacht de mate waarin deze thans aan de oppervlakte nog zichtbaar zijn. Dit biedt de mogelijkheid om gericht archeologische waarden te beschermen (en bij onafwendbare vernietiging te onderzoeken), maar ook om de planvorming te adviseren over het bewaren en eventueel herstellen van cultuurhistorische waarden. Daarbij moet niet alleen gedacht worden aan stedenbouwkundige plannen, maar ook aan de planning rond landinrichting en natuurbeheer en natuurbouw.
Om de relaties tussen de fysische ruimte en hetgeen in de loop van de eeuwen door de mens tot stand is gebracht te begrijpen, wordt in het kader van deze inventarisatie een analyse gemaakt van zowel fysische (reliëf en bodem) als antropogene (grondgebruik, bewoning, percelering) landschapscomponenten en hun samenhang. Niet alleen de afzonderlijke historisch bepaalde landschapscomponenten, maar ook hun samenhang met reliëf en bodem worden door de moderne alles gelijkschakelende ontwikkelingen vaak in hun voortbestaan bedreigd. Wellicht kan in toekomstige planvorming ook die samenhang behouden blijven, wanneer informatie daarover eenmaal beschikbaar is.
75
Tabel 1: Thema’s en subthema’s die voor de Erfgoedkaart van Zuidoost-Brabant van toepassing (kunnen) zijn:
Thematische indeling fysisch landschap (thema 10 is vervallen) 01 Lage zandgronden 1. Lage zandgronden
02 Lage dekzandruggen 2. Lage dekzandruggen
03 Hoge dekzandruggen 3. Hoge dekzandruggen
04 Duinen en stuifkoppen 1. Akkerrandwal 2. Duin 3. Kamduinen 4. Uitblazingslaagte 5. Fort
05 Laagte op het Hoge 1. Pingo-ruïne 2. Andere laagte
06 Dalen op het Hoge 1. Dal 2. Rijt
07 Beken 1. Beekloop 2. Oude meander 3. Overstromingsgebied
08 Moeren op het Hoge 1. Ven 2. Moeras 3. Veengebied, actueel 4. Veengebied, verdwenen 5. Wijstgronden
09 Hei 1. Hei in 1840 2. Hei in 1900 3. Hei in 1930 4. Hei in 1950
11 Restbossen 1. Restbos 2. Ecologisch oud bos
16 Molens 1. Windmolen 2. Watermolen 3. Rosmolen 4. Torenmolen 5. Motormolen 6. Molenbiotoop 7. Molenberg 8. Molenwiel 9. Molenvloed 10. Watervluchtmolen 11. Water- en windmolen
17 Gehuchten 1. Groot dorp 2. Klein dorp 3. Groot gehucht 4. Klein gehucht 5. Huizengroep 6. Verspr aan str 7. Compact aan str 8. Verspreid
18 Heerlijkheden 1. Kasteel 2. Hoofdhoeve 3. Hoeve 4. Heerlijkheidsgebied 5. Relatie 6. Voorhof 7. Kasteelboerderij
20 Bosbouw 1. 1500-1750 2. 1750-1850 3. 1850-1900 4. 1900-1930
21 Oude akkers 1. Akkerwal 2. Besloten akker 3. Open akker 4. Steilrand
30 Woonwijk 1. Arbeidersbuurt 2. Company-town 3. Lintbebouwing 4. Stationswijk
31 Historische bouwkunst 1. Woonhuis 2. Boerderij 3. Villa 4. 5. Cafe Woonhuis met bedrijfsruimte 6. Bakhuis
Thematische indeling historisch landschap 15 Gegraven waterlopen 1. Kanaal 2. Molenloop 3. Sloot 4. Haven 5. Gracht 6. Sluis
12 Oude infrastructuur 1. Pre-historische wegen 2. Romeinse wegen 3. Voorde 4. Middeleeuwse hoofdweg
13 Doorgaande wegen 1. Doorgaande weg 2. Halte 3. Oude rijksweg 4. Railweg 5. Trekpad 6. Veer 7. voorde / brug 8. Plein 9. Poort 10. Spoorbrug 11. Tol(huis) 12. Holle weg 13. Jaagpad 14. Grenspost 15. Laanbeplanting
14 Lokale wegen 1. lokale weg 2 Voorde / brug
22 Ontginningssystemen 1. Veenontginning 2. Beekdalontginning 3. Bosontginning 4. Heideontginning
23 De beemden 1. Bocht 2. Dijk 3. Dijkputten 4. Dijksloot
24 Bestuurlijk 1. Galg 2. Gemeynte 3. Gevangenis 4. Grensmarkering
25 Militair 1. Begraafplaats 2. Blokhuis 3. Boerenschans 4. Fort
26 Kerkelijk 1. Kerk 2. Begraafplaats 3. Calvarieberg 4. Graf
27 Meubilair 1. Bijzondere boom 2. Fontein 3. Gedenkteken 4. Hek
28 Grondstofwinning 1. Boerenkuil 2. Peelbaan 3. Turfhok 4. Turfvaart
19 Landgoederen 1. Gracht 2. Herberg 3. Hoeve 4. Klooster 5. Laan 6. Landgoedgebied 7. Landhuis 8. Omgrachte hoeve 9. Ontginningsstructuur 10. Zichtlijn 11. Park 12. Tuin 13. Vijver 14. Villa 15. Wal 16. Overig 29 Industrieel 1. Arbeiderswoning 2. Brouwerij 3. Directeurswoning 4. Fabrieksgebouw
5. Populierenlandschap 6. Streepjesverkaveling
5. Eendenkooi 6. Hek
5. Raadhuis 6. Rechtbank
5. Kazemat 6. Linie
5. Heiligenbeeld 6. Kapel
5. Kinderkolonie 6. Poel
5. Moerput 6. Uitgelaagd perceel
5. Fabrieksterrein 6. Gezondheidszorg
5. Tuinwijk 6. Villawijk
7. Voorpootstrook 8. Zandontginning 9. Ruilverkaveling
7. Hooiland 8. Keetveld 9. Schouwsloot 10. Sluis 11. Wiel 12. Vloeiweiden
7. Schepenbank 8. Vrijheid 9. Diversen
7. Militair complex 8. Militair oefenterrein 9. Schans 10. Schietveld/berg 11. Schijnboot 12. Schootsveld 13. Tankgracht 14. Vesting 15. Vliegveld 16. Oefenlokaal 17. Landweer 18. Wal
7. Kapelleke 8. Klooster 9. Kloosterterrein 10. Kruiseik 11. Kruisweg 12. Lourdesgrot 13. Pastorie 14. Patronaat 15. Religieus groen 16. Schuilkerk 17. Seminarie 18. Stokske 19. Wegkruis 20. Mirakelkuil 21. Luihuis
7. Pomp 8. Schaapskooi 9. School 10. Sportterrein 11. Straatmeubilair 12. Ven 13. Ziekenhuis 14. Verhalen 15. Gasthuis/armenhuis 16. Kiosk 17. Waterput 18. Bank 19. Winkel 20. Gemeenschapshuis 21. Herberg 22. Hotel/restaurant
7. Zandwinput 8. Stuifzandwinning 9. Leemput 10. Steenoven 11. Droogloodsen 12. Waterputtenweg 13. Pompgebouw 14. Watertoren 15. Visvijvers 16. Vismarkt 17. Turfwinning
7. Hoge schoorsteen 8. Hopeest 9. Kantorenpark 10. Klokkengieter 11. Leerlooierij 12. Loods/pakhuis 13. Onderwijs 14. Pottenbakkerij 15. Smidse 16. Vlasrootput 17. Weverij
7. Wederopbouwwijk 7. Schuur/bijgebouw 8. Woonwijk 8. Koetshuis 9. Varia
37 Grondstofwinning 1. Kleiwinning 2. IJzerertswinning 3. Turfwinning
38 Industrie en nijverheid 1 Metaalbewerking 2 Pottenbakkerij 3 Steen/ pannenbakkerij 4 Vuursteenbewerking 5 (Houts)koolbranderij 6 Leerlooierij 7 Bierbrouwerij 8 (Water)molen 9 Onbepaald
39 Depot 1. Depot 2. Muntvondst
40 Onbekend 1. Onbepaald
Thematische indeling archeologisch landschap 32 Bewoning (inclusief verdediging) 1. Romeinse villa 2. Kasteel 3 Kamp 4 Schans 5 Wal/omwalling 6 Nederzetting 7 Borg/Stins/Versterkt huis 8 Moated site 9 Landweer 10 Onbepaald
33 Religie 1. Kerk 2. Kapel 3. Klooster
34 Begraving 1. Grafheuvel 2. Grafheuvelveld 3. Urnenveld 4. (Vlak)graf 4. Cultusplaats/ heiligdom/tempel 5. Grafveld 6. Kerkhof 7. Rijengrafveld 8. Onbepaald
35 Infrastructuur 1. Weg 2. Brug/voorde 3. Percelering/ verkaveling
36 Agrarische productie en voedselvoorziening 1. Akker/(moes)tuin 2. Celtic Field 3. Veekraal/ schaapskooi
76
3.1
Inventarisatie fysieke landschap
Op inventarisatiekaart van het fysieke landschap is een reconstructie van het natuurlijke landschap, voor de mens daar grote veranderingen in ging aanbrengen. De kaart is vooral van belang voor het inschatten van archeologische potenties en als basis voor de historisch-geografische ontwikkeling. Met een historischlandschappelijke analyse zijn ook de huidige verstedelijkte gebieden in de regio qua bodem geïnventariseerd. Deze gebieden zijn namelijk nooit beschreven in de standaard bodemkaarten of geomorfologische kaarten. Voor die bewerking is uitgegaan van de oude topografie en de samenhang tussen landschappelijke structuren uit 1838 met geomorfologische en bodemkenmerken, zoals die juist buiten het stedelijke gebied aanwezig zijn. Verdere verfijning is verkregen door gebruik te maken van de digitale hoogtegegevens. Omdat de mens in het landschap echter altijd al aan het werk is geweest, zowel door directe ingrepen als door gevolgen van ingrepen elders, is niet van één bepaalde tijdsperiode uitgegaan. Er is vooral praktisch te werk gegaan, waarbij de grote "kunstwerken" (ophogingen, afgravingen, kanalisaties etc.) buiten beschouwing zijn gebleven, evenals de in het platteland veel voorkomende kleine zandafgravingen.
De kaart van het fysieke landschap vertoont meerderde thema’s, genummerd 01 tot en met 11 (thema 10 is vervallen, omdat deze in onze regio niet voorkomt of niet bekend is). Thema nr
Thema naam
01
De lage zandgronden
02
De lage dekzandruggen
03
De hoge dekzandruggen
04
Duinen en stuifkoppen
05
Laagte op het Hoge
06
Dalen op het Hoge
07
Beken
08
De moeren op het Hoge
09
Hei in 1794
10
Hei in 1650
11
Restbossen
Tabel 1. Thema’s fysieke landschap De beschrijving van de reconstructie van het fysisch landschap is opgenomen in de bijgevoegde catalogus van de cultuurhistorische inventarisatie van de erfgoedkaart (bijlage 1). 3.2
Inventarisatie historisch landschap
Bij de reconstructie van het historische landschap wordt niet uitgegaan van een kaartbeeld dat bij één welgekozen moment in het verleden hoort. Het is een opeenstapeling van landschappelijke elementen uit ruwweg de zeven eeuwen tussen 1200 en 1900, voor zover we daar enig zicht op hebben. Dat betekent dat ook de functieveranderingen in zicht komen die een zelfde object of gebied in die lange tijd kan hebben ondergaan. De reconstructie van het historische landschap wordt ook hier beschreven volgens thema’s en subthema’s. Deze thema's zijn gekozen op basis van de belangrijkste vormende krachten in het historische landschap 77
in de regio. Gehuchten zijn een typisch fenomeen in Zand-Brabant. Andere thema's zijn meer van algemene aard, zoals lokale en doorgaande wegen, kerkelijke en bestuurlijke objecten, molens en kanalen. Onder het thema "meubilair" zijn allerlei uiteenlopende elementen van het landschap samengebracht die niet onder een van de voorgaande thema’s geplaatst konden worden. Denk aan bijzonder boom, gedenkteken, zandwinput, e.d. Bij de reconstructie van het historisch landschap zijn niet alleen terreinkenmerken, gebouwen, wegen en wateren opgenomen, maar ook volksverhalen en andere bijzondere herinneringen kunnen er een plaats in vinden als ze aan een aanwijsbare plek verbonden zijn. Ieder element krijgt een beschrijving, waarin de geschiedenis van die plek kort geschilderd wordt. De thema’s worden volgend op het fysieke landschap doorgenummerd van thema 12 t/m 31. Thema nr.
Thema naam
12
Oude infrastructuur
13
Doorgaande wegen
14
Lokale wegen
15
Gegraven waterlopen
16
Molens
17
Gehuchten
18
Heerlijkheden
19
Landgoederen
20
Bosbouw
21
De oude akkers
22
Ontginningssystemen
23
De beemden
24
Bestuurlijk
25
Militair
26
Kerkelijk
27
Meubilair
28
Grondstofwinning
29
Industrieel
30
Woonwijk
31
Historische bouwkunst
Tabel 2. Thema’s historisch landschap Het voordeel van deze opzet is dat de “relicten” van onderdelen van het historische landschap beter te begrijpen zijn en dat bij het beschrijven ervan een relevant verhaal gevonden wordt. Doordat de reconstructie van het historische landschap ligt op de ondergrond van de reconstructie van het natuurlijke landschap, is het bovendien eenvoudig om de relatie tussen beide te zien. Je ziet bijvoorbeeld in één oogopslag of een weg op een rug ligt, in een laag gebied of net op de overgang tussen hoog en laag. De beschrijving van de reconstructie van het historisch landschap is voor elke desbetreffende gemeente afzonderlijk opgenomen in de bijgevoegde catalogus van de cultuurhistorische inventarisatie van de erfgoedkaart (bijlage 4).
78
3.3
Inventarisatie archeologisch landschap
De kaart van het archeologisch landschap verschaft kennis over de plaats en aard van nog aanwezige waarden en kennis van de plaats waar deze niet (meer) aanwezig zijn of niet verwacht worden. Op detailniveau kan deze kennis veelal pas verkregen worden door inventariserend onderzoek binnen plangebieden. Het streven bij de vervaardiging van de archeologische verwachtingen- en waardenkaart, die uit de inventarisatie voortvloeit, is echter om deze kennis ten behoeve van preventief beleid op hoofdlijnen in beeld te brengen en voor zover mogelijk te detailleren in gebieden waar de meeste ruimtelijke druk op staat. Hiertoe is allereerst zoveel mogelijk uitputtend geïnventariseerd van wat er archeologisch bekend is uit het onderzoeksgebied: welke onderzoeken zijn er uitgevoerd, welke vondsten zijn gedaan, welke gebieden hebben een bepaalde archeologische waarde of zijn aangewezen als monument. Al deze informatie is verzameld in een database, die gekoppeld is aan de fysieke kenmerken van het betreffende gebied en op grond waarvan verwachtingen over mogelijk aanwezige archeologie benoemd konden worden (verwachtingsmodel). Om de beschikbare vindplaatsgegevens te kunnen gebruiken in het verwachtingsmodel zijn de gegevens eerst verwerkt, waarbij ze opnieuw zijn ingedeeld naar datering en complextype.
Voor de onderverdeling naar perioden is gekozen voor een zo algemeen mogelijke indeling die in belangrijke mate op de indeling van ARCHIS is gebaseerd. Waar dit niet het geval is, is ervoor gekozen de gegevens zoveel mogelijk wel zo in te delen. Dit heeft geleid tot een indeling zoals hieronder is weergegeven. Voor onderhavig onderzoek is een onderscheid gemaakt tussen de volgende archeologische perioden 139: 1. Midden Paleolithicum (300.000 - 35.000 jaar geleden); 2. Laat Paleolithicum (35.000 - 9.600 jaar geleden); 3. Mesolithicum (9.600 jaar geleden - 4.900 voor Chr.); 4. Neolithicum (4.900 - 2.000 voor Chr.); 5. Bronstijd (2.000 - 800 voor Chr.); 6. IJzertijd (800 - 12 voor Chr); 7. Romeinse tijd (12 voor Chr. - 450 na Chr); 8. Vroege Middeleeuwen (450 - 1.050 na Chr.); 9. Volle en Late Middeleeuwen (1.050 - 1.500 na Chr.); 10. Nieuwe tijd (1.500 na Chr. - heden). Helaas kan een aantal vindplaatsen niet exact op periode gedateerd worden. Voor deze vindplaatsen is de periode 'onbepaald' toegevoegd. Indeling in bovenstaande perioden betekent ook dat een aantal vindplaatsen zijn samengevoegd.
139 Brandt, R.W., E. Drenth, M. Montforts, R.H.P. Proos, I.M. Roorda & R. Wiemer, 1992: Archis. Archeologisch Basis Register. Versie 1.0. Amersfoort. Lanting, J.N. & J. van der Plicht, 1995/1996: De 14C-chronologie van de Nederlandse pre- en protohistorie, II: Laat-paleolithicum, Palaeohistoria 37/38, 71-127. Lanting, J.N. & J. van der Plicht, 1997/1998: De 14C-chronologie van de Nederlandse pre- en protohistorie, II: Mesolithicum, Palaeohistoria 39/40, 99-162. Lanting, J.N. & J. van der Plicht, 1999/2000: De 14C-chronologie van de Nederlandse pre- en protohistorie, III: Neolithicum, Palaeohistoria 41/42, 1-111. Lanting, J.N. & J. van der Plicht, 2001/2002: De 14C-chronologie van de Nederlandse pre- en protohistorie, IV: bronstijd en vroege ijzertijd, Palaeohistoria 43/44, 117-262. Lanting, J.N. & J. van der Plicht, 2005/2006: De 14C-chronologie van de Nederlandse pre- en protohistorie, V: midden- en late ijzertijd, Palaeohistoria 47/48, 241-428.
79
Op grond van de vindplaatsgegevens kan het archeologisch landschap worden onderverdeeld in 9 thema’s, 32 tot en met 40, met daaronder weer diverse subthema’s (ook wel complextype geheten in de archeologie: nederzetting, grafveld, grafheuvel, kasteelheuvel, rituele depositie, etc.). 140 Thema nr
Thema naam
32
Bewoning (inclusief verdediging)
33
Religie (cultus/heiligdom)
34
Begraving
35
Infrastructuur
36
Agrarische productie en voedselvoorziening
37
Grondstofwinning
38
Industrie en nijverheid
39
Depot
40
Onbekend
Tabel 3. Thema’s archeologisch landschap Dit archeologische landschap sluit qua opzet en indeling aan op de lagen van het fysisch en historisch landschap, waardoor een eenduidig geheel ontstaat. We zien bijvoorbeeld ook een overlap in begrippen op plaatsen waar zowel archeologische vondsten zijn gedaan van bijvoorbeeld een kerk of kasteel en waar deze fysiek ook nog steeds aanwezig is.
3.4
De basis voor de erfgoedkaart
Om een reconstructie te kunnen maken van het fysisch, historisch en archeologisch landschap van de gemeente Reusel-De Mierden zijn verschillende stappen uitgevoerd, die hieronder nader zullen worden beschreven. Allereerst zijn in ArcGIS zoveel mogelijk basisgegevens verzameld waarmee een digitale basisatlas tot stand is gebracht. De basisatlas vormde daarmee de ruggengraat van onze inventarisatie, de geografische kapstop waaraan alle informatie opgehangen werd. De atlas was vooral ook een hulpmiddel om allerlei informatie te koppelen aan een oud of nieuw plekje op de kaart en daarnaast bevatte de atlas zelf ook zoveel informatie dat analyse hiervan hielp bij het opstellen van de eindproducten. Hieronder volgt een overzicht van de digitale bronnen die zijn gebruikt in de basisatlas tbv de inventarisatie van de erfgoedkaart: -
Actuele topografie (Top10NL (Copyright © 2019, Dienst voor het kadaster en openbare registers, Apeldoorn)
-
GBKN en de kadastrale ondergrond (gemeente);
-
Google maps;
-
Actuele topografie: Top10 kaart van Topografische Dienst Nederland;
-
Actueel Hoogtebestand Nederland, AHN-3, versie 2014-2019;;
-
Hoogtekaarten van voor de ruilverkaveling (1:10.000 bij Top Dienst/Kadaster);
-
Geomorfologische kaart (schaal 1:50.000);
-
Bodemkaart (schaal 1:50.000 en deels schaal 1:10.000/25.000);
-
1790: Kaart van de Meierij van ’s-Hertogenbosch door Hendrik Verhees;
140 Wit, G. de & A. Sloos, 2008: De interpretatie van archeologische waarnemingen in Archis. Een concept voor een nieuwe set complextypen (= Rapportage Archeologische Monumentenzorg, 165), Amersfoort)
80
-
Kadaster 1832;
-
1838: Manuscriptkaarten TDN, opgenomen 1837 en 1839. Oorspr. Schaal 1:25.000. Afgedrukt in: Wolters-Noordhoff. Grote Historische Atlas van Nederland 1:50.000. Deel 4: Zuid-Nederland 1838 1857. Groningen, 1990;
-
Topografie ca 1845: Voordt-Pieck, L. van der, M. Kuijl. Statistiek der provincie Noord-Braband volgens de uitkomsten van het kadaster bij deszelfs invoering. Maastricht, 1845 (Geografisch Etablissement F. Desterbecq);
-
Topografie kaarten TDN (Bonnekaartjes) ca 1900 en 1930. Historische Atlas van Noord-Brabant. Chromotopografische Kaart des Rijks oorspronkelijke schaal 1:25.000. Afgedrukt in: Wieberdink, G.L. (samensteller). Historische Atlas van Noord-Brabant. Chromotopografische Kaart des Rijks 1:25.000. Den Ilp, 1989;
-
Cultuurhistorische Waardenkaart Noord-Brabant, editie 2006, 2010 en 2016;
-
Aardkundige waardenkaart van Noord-Brabant;
-
Historisch Grondgebruik Nederland digitaal 50m raster (Alterra);
-
Topografie ca 1948 (Topografische Kaart 1:50.000);
-
Topografie ca 1985: Wolters-Noordhoff. Grote Provincie Atlas 1:25.000. Noord-Brabant/Oost. Groningen, 1990;
-
Topografische kaarten TDN 2004: ANWB Topografische Atlas 1:25.000. Noord-Brabant. Den Haag, 2005 (2e druk);
-
Ontgrondingenkaart Provincie Noord-Brabant 1950-1998;
-
Veiligheidsrisicokaarten Zuidoost-Brabant voor grootschalige ondergrondse infrastructuur;
-
Bodemsaneringen en stortplaatsen Provincie Noord-Brabant (Bodemloket.nl en https://kaartbank.brabant.nl/viewer/app/Stortplaatsen);
-
BAG bestanden;
-
Luchtfoto’s (oud en nieuw);
-
Beschermde landgoederen en stads- en dorpsgezichten (RCE);
-
Rijks- en gemeentelijke monumenten (RCE en gemeente).
In een aantal gevallen zijn ook oudere historische kaarten gedigitaliseerd. Het gaat daarbij om detailkaarten van laatmiddeleeuwse hoevencomplexen als Hoeve Kuilenrode in De Mierden. De bronnen die daarvoor zijn gebruikt zijn te vinden in de erfgoedcatalogus (bijlage 1). Het grote werk voor het maken van de reconstructie van het archeologisch en historisch landschap zat in het verzamelen van informatie uit bestaande literatuur: regionale en lokale tijdschriften, boeken en rapporten doorlezen, van voor naar achter, van eerste tot laatste jaargang. Bij het lezen van een dergelijk soms schijnbaar onnozel artikel moet je je steeds afvragen: wáár speelt zich dit af? En bovendien: zit hier iets in dat voor onze cultuurhistorische inventarisatie van belang is? De publicaties zijn doorgenomen met het oog op de vulling van onze inventarisatie. Ieder eraan onttrokken brokje informatie geeft óók aan wáár de plek in kwestie was en uit welke publicatie de informatie geplukt is. Het opsporen van cultuurhistorische waarden in het landschap leidde vaak naar mogelijke archeologische gegevens in de bodem. Door het samenvoegen van de informatie in één catalogus en op één kaart werd al snel de wisselwerking tussen de twee takken duidelijk.
Bij het reconstrueren van het historisch landschap doken bijvoorbeeld plekken op die archeologisch interessant zijn, zoals oude voorden, omgrachte oude hoeven, wallen en schansen. Deze elementen zijn vervolgens in de verwachtingen- en waardenkaart verwerkt.
81
4
Actualisatie archeologie
4.1
Inleiding
Om te komen tot een betrouwbare en actuele archeologische verwachtingen- en waardenkaart te komen, is het noodzakelijk te inventariseren welke onderzoeken de afgelopen jaren zijn uitgevoerd en welke vondsten gedaan zijn, kortom wat de huidige stand van kennis is aangaande de archeologie in de Kempen. De gegevens die tijdens de inventarisatie verzameld worden, geven inzicht in de locatie van archeologische vindplaatsen binnen de gemeente en daarmee inzicht in de geschiedenis van de gemeente vanaf de prehistorie. We moeten ons daarbij realiseren dat de huidige dorpen met hun historische middelpunten (vaak de kerk) in zekere zin pas een recent fenomeen zijn. Pas in de loop van de middeleeuwen kreeg het cultuurlandschap de vorm zoals we die kennen vanaf het begin van de 20e eeuw: een dorp met in het centrum de kerk en/of oude hoeves met bijhorende akkers en daaromheen de restanten van woeste gronden. In de tijd voor de bouw van de kerken en de vorming van de huidige dorpen, waren vaak heel andere elementen –vaak onderdelen van het natuurlijke landschap - bepalend voor de inrichting van het cultuurlandschap. De Kempen kent bijzondere archeologische vindplaatsen die typisch zijn voor de archeologie van NoordBrabant en uniek voor de Nederlandse archeologie: -
Steentijd vindplaatsen die in onze heidegebieden vaak nog uitzonderlijk goed bewaard zijn,
-
prehistorische grafheuvels en urnenvelden die eeuwenlang het Brabantse landschap tekenden in zowel het geestelijke als fysieke leven,
-
een Romeinse cultuuromslag die zorgde voor een grootschalige landbouwkundige inrichting van het landschap met de eerste dorpjes en een heuse villa,
-
4.2
4.2.1
middeleeuwse hoeven, kerken en grafvelden die nog altijd ons beeld van Brabant domineren.
Analyse archeologische onderzoeken 2011 t/m 2019 in de gemeente ReuselDe Mierden Inventarisatie
Van 2011 tot en met 2019 zijn er in de gemeente Reusel-De Mierden 66 archeologische onderzoeken uitgevoerd binnen 56 plangebieden. Ter vergelijking, in de periode 2001 – 2010 waren dat er in totaal 55. De oppervlakten van de plangebieden varieerde van 100 m2 tot en met 22 ha. Het merendeel van de archeologische onderzoeken betreft bureau- en booronderzoeken (34 en 15 %), gevolgd door proefsleuven (15 %). Het aantal proefsleuven is daarmee sterk gedaald ten opzichte van de periode 2001-2010 toen het nog ruim 36 % was van het totale aantal archeologische onderzoeken. En dat is opvallend want je zou verwachten dat het aantal booronderzoeken minder was geworden, zoals dat ook in de gemeente Bladel zichtbaar was.141 Omdat met de gespecifieerde archeologische verwachtingen- en waardenkaart van de gemeente beter inzichtelijk is geworden waar welke archeologische verwachting aanwezig is, is een booronderzoek minder geschikt als onderzoeksmethode maar kan beter direct worden overgegaan tot een
141 ODZOB Advies Archeologische Monumentenzorg 2017 – nr. 33: Analyse archeologische onderzoeken 2011 t/m 2014 in de
gemeente Bladel, 2017.
82
proefsleuvenonderzoek. Booronderzoek is op de zandgronden feitelijk alleen geschikt om grootschalige en diepe verstoringen vast te stellen. Opgravingen komen, zoals te verwachten is, minder voor. Niet alle vooronderzoeken leiden uiteindelijk tot een waardevolle archeologische vindplaats. In vijf gevallen is sprake geweest van een opgraving in de vorm van een archeologische begeleiding. Hiervoor werd gekozen vanwege de specifieke omstandigheden van het te ontwikkelen project waarbij regulier archeologisch onderzoek in de vorm van proefsleuven/opgraving niet mogelijk was zoals natuurontwikkeling, sanering van zinkassen en vervanging van riolering. In twee gevallen werd direct na de aanleg van proefsleuven gekozen om een doorstart naar een gedeeltelijke opgraving te maken. Dit laatste komt steeds vaker voor bij kleinschalige projectgebieden waar planaanpassing (en daarmee behoud van mogelijke archeologie in de bodem) vrijwel niet mogelijk is.
Bureauonderzoek
8%3% 21% 3% 15%
Bureau- en booronderzoek
12%
Booronderzoek
38%
Proefsleuven
Onderzoekstype
Aantal
Bureauonderzoek
14
Bureau- en booronderzoek
25
Booronderzoek
8
Proefsleuven
10
Proefsleuven met doorstart
2
naar opgraving Archeologische begeleiding
5
Opgraving
2
Eindtotaal
66
Tabel 4 en grafiek met een weergave van de verschillende archeologische onderzoekstypen in aantal en percentage uitgevoerd in Reusel-De Mierden van 2011 t/m 2019. In bijlage I is een overzicht opgenomen van alle archeologische onderzoeken die in Reusel-De Mierden zijn uitgevoerd van 2011 tot en met 2019. Bij drie plangebieden waren al voor 2011 archeologische vooronderzoeken uitgevoerd; deze zijn in deze lijst niet meegenomen. In de lijst met onderzoeken zijn naast een literatuurlijst ook de resultaten van de onderzoeken en de selectieadviezen en -besluiten opgenomen. In de meeste gevallen kon er worden ingestemd met het selectieadvies van de uitvoerder. Slechts in vijf gevallen week het selectiebesluit af van het selectieadvies en werd aanbevolen om (ander) vervolgonderzoek uit te voeren. In vier gevallen was uiteindelijk toch geen vervolgonderzoek noodzakelijk omdat de vindplaats behouden kon blijven door het plan aan te passen of doordat de archeologische laag niet werd geraakt. Van negen onderzoeken is het selectiebesluit niet bekend omdat het rapport, voor zover we weten, niet beoordeeld is door de gemeente/ODZOB. In twee gevallen komt dat vermoedelijk doordat de provincie in het kader van de ontgrondingenwet bevoegd gezag is.
De onderzoekstypen in zwart in bovenstaande tabel betreffen de diverse stadia van verkennend, karterend en/of waarderend vooronderzoek in de cyclus van de Archeologische Monumentenzorg om de archeologische waarde in voldoende mate te kunnen vaststellen. Welk soort archeologisch onderzoek waar nodig is, is afhankelijk van de specifieke archeologische verwachting en de geplande bodemingreep. De rode onderzoekstypen betreffen de onderzoeken wanneer behoud van archeologische waarden in de bodem zelf niet mogelijk is. De archeologische resten worden dan opgegraven waarbij archeologische resten uit de bodem worden verwijderd. Bij archeologische begeleiding wordt het opgraven gecombineerd met civiele werkzaamheden en kan alleen in uitzonderlijke gevallen worden toegepast. De aard van de archeologische resten, de locatie en de wetenschappelijke vraagstellingen 83
bepalen de te hanteren opgravingsmethode. Een nederzetting uit de steentijd vereist een andere benadering dan een kasteelterrein uit de middeleeuwen. Sinds 2007, het jaar waarin de Wet op de Archeologische Monumentenwet van kracht werd, is er een geleidelijke toename van het archeologisch onderzoek, maar een grote omvang heeft het niet gekregen. Van 2007 tot en met 2009 werden er in de Kempen- en A2 gemeenten gemiddeld 17 onderzoeken per gemeente per jaar uitgevoerd. Het gemiddelde aantal proefsleuvenonderzoeken lag daarbij op ruim 2,5 per gemeente, terwijl het gemiddeld aantal opgravingen en archeologische begeleidingen op ruim één stond per gemeente. Voor de periode 2011-2019 is het gemiddeld aantal onderzoeken in Reusel-De Mierden gedaald naar zeven met gemiddeld slechts één proefsleuvenonderzoek per jaar. Bij de meeste plangebieden wordt er, ondanks de meer gespecificeerde archeologische verwachting van de gemeentelijke verwachtingen- en waardenkaart, nog steeds gekozen voor een bureau- en/of booronderzoek als eerste onderzoekstap. In slechts één geval werd er direct overgegaan tot een proefsleuvenonderzoek. De daling van het aantal archeologische onderzoeken voor 2016 zal te maken hebben met de economische crisis waardoor er minder bouwactiviteiten plaatsvonden. De dip van 2017 lijkt dan weer de voorzichtige opmars van de economische groei te weerspiegelen.
De afgelopen drie jaar is het aantal archeologische onderzoeken sterk gegroeid. Dat er niet meer archeologische onderzoeken zijn uitgevoerd sinds 2011 lijkt echter ook een gevolg de doorwerking van het archeologiebeleid. Door het vaststellen van oppervlakte- en dieptegrenzen op de archeologische beleidskaart en in de erfgoedverordening, werd voorkomen dat er voor elke ontwikkeling archeologisch onderzoek noodzakelijk was.
Tabel 5 Overzicht van de diverse soorten en aantallen archeologische onderzoeken verdeeld over de jaren 2011-2019. 4.2.2
Archeologisch onderzoek naar plangebied
In slechts twaalf plangebieden (circa 20 %) zijn twee of meer opeenvolgende (voor)onderzoeken uitgevoerd. Het merendeel hiervan betreft bureau- en/of booronderzoeken gevolgd door een proefsleuvenonderzoek. In tien plangebieden zijn bij het archeologisch proefsleuvenonderzoek vindplaatsen aangetroffen. Opvallend is dat bij zeven plangebieden de informatie die voort kwam uit archeologisch onderzoek erg beperkt was. Er werden in veel gevallen slechts flarden van ontginnings- of bewoningssporen aangesneden, maar het kwam ook voor dat het archeologisch onderzoek niet goed werd uitgevoerd. Bij Lensheuvel en bij De Baan werden sporen uit de nieuwe tijd verwacht, maar werden ze door de onderzoekers gezien als verstoringen en daardoor niet onderzocht. Zo werd bij de Lensheuvel de blusvijver niet als zodanig 84
herkend. Dat de kwaliteit en daarmee de informatiewinst uit archeologisch onderzoek sterk samenhangt met de ervaring en kennis van de archeoloog in het veld, bleek ook uit de opgraving aan de Leendestraat in Hooge Mierde. Op basis van het proefsleuvenonderzoek werd een nederzetting uit de ijzertijd en middeleeuwen vermoed, maar die werd uiteindelijk niet gevonden. Wel de periferie van een nederzetting uit de ijzertijd. Beter proefsleuvenonderzoek had hier dit onnodige vervolgonderzoek kunnen voorkomen. Proefsleuven Bureau- en Naam
Bureau-
plangebied
onderzoek onderzoek
Breedven
met
boor-
Boor-
Proef-
onderzoek sleuven
doorstart
Archeologisch
Opgravin
opgraving
e begeleiding
g
Eindtotaal
1
Brouwketel
1 1
Buitenman
1 1
1
Buspad
1
1
De Baan 4-6
1
1
1
1
2
De Kanten en Vooreind
1
De Wildert 4 Gildeterrein
1
Groote Cirkel
1
1
2 2 1 1
Herdersdreef
1
1
Hondsbos 21
1
1
Hoogemierdeweg 37
1
Hoogmierdseweg
1
Hoogstraat 1b
1
Hoolstraat 1 Kailakkers 2b
1 1
2
1
1
1
1
Kattenbos Kruisstraat 108
1
2
1
1
1
1
Kuilenrode
1
Lage Mierdsedijk
1
1 1
2
Landgoed De Utrecht
1
1
1
1
De Utrecht Natuurbegraafpla ats Landgoed De Utrecht- Blusvijver
1
1
Landgoed De UtrechtMoerbleek Langvoort 2a - 4 Leendestraat
1
1 1
1 1
1
85
Lensheuvel
1
1
Lindenhof
1
1
Lindestraat
1
1
Meirweg
1
Mierdseweg 16c Mierdseweg 18
1
1
1
1
1
Mierdseweg 53
1
1
Molenberg
1
1
Molenstraat
1
Postelsedijk
1
1
1
1
1
1
3
Postelsedijk 1517 Raamsloop
1
Reeneik Richelpad
1 1
1
1
1
Roobeemd
1
Sleutelstraat
1
Smidsstraat
1
't Holland
1
1
2 1
1
1
Vooreind
1
Voort
1
1
1
2
Weijererf
1
Wellenseind
1
1
Wilhelminalaan
1
1
1
Wilhelminalaan 87 a-b
1
Windpark Zandhorst
1
1
1
1
1
Lensheuvel ong.
1
1
Lensheuvel 91
1
1
Buitenman 2
1
1
Meirweg 1a
1
1
Eindtotaal
14
25
8
10
2
5
2
66
Tabel 6 Overzicht van de doorlopen archeologische onderzoeken per plangebied. De rood gemarkeerde plangebieden hebben twee of meer onderzoekstappen doorlopen. 142
142 In werkelijkheid zijn ook in plangebieden Leendestraat, Weijererf en Wilhelminalaan 87 meer onderzoekstappen
uitgevoerd dan hier weergegeven. Deze zijn echter voor 2011 uitgevoerd en derhalve hier niet opgenomen. 86
Grafiek waarin wordt weergegeven of de archeologische onderzoeken per plangebied wel of geen vindplaats hebben opgeleverd.
4.2.3
Opbrengst
Van vrijwel alle archeologische onderzoeken is per plangebied en daarmee per onderzoekscyclus nagegaan of het onderzoek een archeologische vindplaats heeft opgeleverd of niet. Van zeven van de in totaal 66 archeologische onderzoeken was geen rapport bij de gemeente/ODZOB beschikbaar. Of dit onderzoek resultaat heeft opgeleverd is dan ook niet bekend. Op deze zeven archeologische onderzoeken na, zijn alle onderzoeken ter beoordeling aan de regioarcheoloog voorgelegd. Bij de 49 overgebleven plangebieden waar archeologische onderzoeken zijn uitgevoerd, heeft ruim een kwart (13x in onderstaande grafiek) een vindplaats opgeleverd. In 15 gevallen is nog niet bekend of daar een vindplaats aanwezig is, omdat hier alleen nog maar een inventariserend bureau- en/of booronderzoek heeft plaatsgevonden. In 21 plangebieden is geen sprake van een vindplaats. Hier werd door middel van boringen, proefsleuven of een archeologische begeleiding vastgesteld dat de bodem sterk verstoord was of werden er geen archeologische vondsten gedaan. In dertien plangebieden werd een vindplaats aangetroffen.
Het gaat hier om vindplaatsen met sporen van bewoning (nederzettingen en/of boerenerven) uit de late prehistorie aan Weijererf en de Molenstraat in Reusel en bij De Kanten in Hulsel, een bijzonder grote Romeinse nederzetting bij Weijererf (één van de grootste in de regio), een nederzetting uit de middeleeuwen aan de Molenstraat, een huisplaats uit de nieuwe tijd aan de Voort in Reusel en een molen met vrijwel complete molensteen, ook aan de Molenstraat in Reusel.
Tabel 7 met overzicht van de aangetroffen archeologische vindplaatsen in de periode 2011 -2019 met een korte toelichting:
87
Locatie
Toelichting
Datering en
Archeologische
complextype
verwachting
Op basis van de gespecificeerde archeologische verwachting voor het gebied waren sporen uit de Nieuwe tijd te verwachten. Daar dient dan ook voldoende onderzoek naar te worden gedaan door het couperen van sporen en het eventueel uitbreiden van proefsleuven. Dat is echter niet gebeurd waardoor we vragen blijven houden over de precieze aard en datering van de sporen. Het aardewerkspectrum wat uit Hooge Mierde -
sporen komt, toont toch aan dat er oudere
bewoning uit
De Baan 4-6
bewoning (15/16e eeuw) aanwezig is.
begin nieuwe tijd
hoog
Het onderzoek heeft aannemelijk gemaakt dat tenminste de deelgebieden A en B vanaf de Late
nederzetting uit
Middeleeuwen in gebruik waren als akkerland.
late ijzertijd
Daarnaast zijn er aanwijzingen voor een
en/of Romeinse
nederzetting in deelgebied B uit de Late IJzertijd tijd en akker uit en/of de Romeinse tijd. Vermoedelijk strekken
late
Hulsel - De Kanten deze nederzettingsresten zich verder noord- en
middeleeeuwen
en Vooreind
oostwaarts uit.
en nieuwe tijd
Hooge Mierde -
De sporen bestaan uit enkele (paal)kuilen en
nederzetting
De Wildert
greppels en lijken te dateren uit de 20e eeuw.
nieuwste tijd
Lage Mierde -
Er zijn grondsporen en vondsten uit de Nieuwe
hoog
periferie
Hoogemierdseweg tijd gedaan, die in verband gebracht kunnen
verkaveling
37
nieuwe tijd
worden met landgebruik.
hoog hist.kern
middelhoog
De aangetroffen sporen binnen het plangebied Hooge Mierde -
bestaan uit esgreppels, een greppel en recente
akker/moestuin
Kailakkers 2b
vergravingen. Vondsten ontbreken.
uit nieuwe tijd
hoog
In het onderzoeksgebied bevinden zich twee vindplaatsen, namelijk ontginningsgreppels uit de 19e eeuw (verspreid over het onderzoeksgebied) en zandwinningskuilen (in
ontginningsporen
Reusel - Lage
het noorden van het onderzoeksgebied) uit
en zandwinning
Mierdsedijk
vermoedelijk de 19e eeuw.
uit de nieuwe tijd middelhoog
Er zijn bij het archeologische onderzoek twee
periferie ijzertijd
vindplaatsen onderzocht: de periferie van een
nederzetting en
Hooge Mierde -
nederzetting uit de ijzertijd en greppels uit de
middeleeuwse
Leendestraat
middeleeuwen.
percelering
hoog
In het onderzoeksgebied zijn enkele archeologische sporen teruggevonden waaronder de poel op het plein, uit de Nieuwe tijd. Het grootste deel van het onderzochte Reusel
riooltrace was echter verstoord tot op de
poel (blusvijver)
natuurlijke ondergrond. Door gebrekkig
uit nieuwe tijd
arch waardevol 88
Locatie
Toelichting
Datering en
Archeologische
complextype
verwachting
onderzoek is echter geen informatie over het verleden naar boven gekomen.
Bij het proefsleuvenonderzoek zijn drie vindplaatsen aangetroffen. Het betreft onder andere een gedeelte van een huisplattegrond uit de Midden-Bronstijd t/m Vroege-IJzertijd (1800500 v. Chr.), een paalkuil uit de Vroege
bewoning uit de
Middeleeuwen en vergravingen uit de Nieuwe
midden-Bronstijd,
tijd. Bij de opgraving is vervolgens een deel van
late prehistorie
een nederzetting uit de prehistorie en
en middeleeuwen
Reusel -
middeleeuwen en een molenplaats met
en een molen uit
Molenstraat
molensteen uit nieuwe tijd opgegraven.
de nieuwe tijd
hoog
Tijdens het onderzoek zijn slechts twee antropogene sporen aangetroffen. Beide sporen
kuilen uit late
Reusel -
zijn kuilen uit de Late Middeleeuwen of Nieuwe
middeleeuwen of
Sleutelstraat
Tijd.
nieuwe tijd
hoog
Er is sprake van één vindplaats, die zich bevindt ter hoogte van de zone waarvoor een hoge verwachting voor sporen uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd geldt. Hier zijn Reusel - Voort
sporen van een boerderij teruggevonden die op
Huisplaats uit de
de kadastrale minuut van 1832 staat afgebeeld.
nieuwe tijd
hoog
bewoning uit de ijzertijd, deel
Reusel - Weijererf
Bij de opgraving zijn bewoningssporen
Romeinse
gevonden uit de ijzertijd en Romeinse tijd
nederzetting en
waarbij de sporen uit de Romeinse tijd