CConstaterende datReusel-De Mierden
Koppel je AI →
Document · PDF

[20.19429] - Bijlage: Cultuurhistorie uitgediept erfgoedkaart Reusel-De Mierden

Gemeenteraad 13 juli 2021, gemeente Reusel-De MierdenBij agendapunt: Raadsvoorstel erfgoedbeleid Reusel-De Mierden38.717 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Grote woonstalboerderij uit de Volle Middeleeuwen zoals deze in het Historisch Openlucht Museum van Eindhoven is nagebouwd. De verplaatsing van agrarische bewoning in de middeleeuwen van oostelijk Noord-Brabant van hoog (in de Merovingische tijd) naar laag (in de late middeleeuwen) lijkt vooral te maken te hebben met een verschuivend agrarisch accent ten gunste van veeteelt, samenhangend met de steeds verdere intensivering van akkerbouw. Er wordt steeds een agrarisch strategische positie gekozen die van belang is voor de aard van het agrarisch bedrijf van het moment (vooral akkerbouw, vooral veeteelt of een gemengd bedrijf). De intensivering van akkerbouw begint kort na 1000 en is zichtbaar in de vorm van mestkuilen op erven. In depressies worden in de volle middeleeuwen veekralen aangelegd en ook op kruispunten van wegen. In de opgravingen te Someren is dat fraai zichtbaar, waar zelfs een depressie met veekraal is opgenomen in de erfindeling. Die intensivering van veeteelt zal samenhangen met intensivering van akkerbouw. In de loop van de late middeleeuwen worden potstallen in de boerderijen aangelegd, te Best-Aarle zijn daar verschillende voorbeelden van gevonden. Tegelijkertijd is sprake van de opkomst van plaggendekken. De intensivering van de 47

akkerbouw zelf kan samenhangen met vier factoren: bevolkingsgroei, bodemverarming, perceelversnippering en marktproductie. De verplaatsing van bewoning in de twaalfde en dertiende eeuw naar lage gebieden zal primair samenhangen met intensivering van veeteelt voor de intensivering van de akkerbouw en de expansie van het cultuurland als geheel. Daarom gaat men in de late middeleeuwen vooral in lage gebieden wonen, maar soms ook hoog zoals te Best-Aarle. Een rol van betekenis bij die verplaatsing in die periode kan ook de toenemende marktafhankelijkheid zijn, maar ook de losmaking van verticale relaties met aristocraten. Markten komen namelijk niet toevallig juist op eind twaalfde en in de dertiende eeuw in oostelijk-Noord-Brabant (en in heel Europa). Het feit dat aristocratische woonplaatsen buiten gebruik raken einde dertiende en begin veertiende eeuw (Oerle, Bergeijk) en eind twaalfde eeuw worden gereorganiseerd, dan wel in de dertiende eeuw (1232?) worden overgenomen (Sint-Oedenrode), is geen aanwijzing voor de gedachte dat de machtsbasis van lokale heren in die periode goeddeels is verdwenen. De machtsbasis van lokale heren verdwijnt niet, maar verandert. In de dertiende en veertiende eeuw worden talloze kastelen en moated sites gesticht, hetgeen erop wijst dan hun rol, zeker op lokaal niveau, toeneemt.

De hertog van Brabant reduceerde de bovenlokale aspiraties van bepaalde families, zoals de graven van Rode, maar hun rol is daarmee op lokaal niveau zeker niet uitgespeeld. Veel edellieden worden dienstmannen van de hertog. Tevens ontstaan er nieuwe elitegroepen, zoals kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders en de stedelijke elite die zich op het platteland vestigen. 2.6.4

Aristocratische bewoningsplaatsen, grafvelden en kerken

Naast agrarische bewoningsplaatsen bestaan ook vroeg-aristocratische en aristocratische woonplaatsen. Een vroeg-aristocratische woonplaats is gevonden te Eindhoven-Blixembosch (datering 800-1050). Aristocratische bewoningsplaatsen uit de volle middeleeuwen (900-1250) betreffen Flachsiedlungen, motteburchten en waterburchten (omgrachte kastelen). In de late middeleeuwen (1250-1500) zien we naast motteburchten, die in deze tijd overigens al grotendeels verdwenen zijn, en waterburchten ook moated sites, maar ook andere kasteeltypen. Door de tijd heen is vaak sprake van complexen met per fase een of meer omgrachte eilanden. Op die eilanden kunnen woongebouwen en verdedigbare gebouwen staan ̶ die functies konden ook gecombineerd zijn ̶ , maar ook kerken en schuren (ook tiendschuren) en stallen. Naast bewoningsplaatsen bestaan ook grafvelden en cultusplaatsen (kerken). In de Merovingische tijd is sprake van collectieve grafvelden, nederzettingsgrafvelden en erfgrafveldjes. Grafvelden uit de Karolingische tijd zijn nog niet gevonden. In de volle middeleeuwen bestaan grafvelden die bij bestaande agrarische en aristocratische bewoningsplaatsen worden aangelegd. Kerken worden gelijktijdig met of na aanleg van het grafveld gebouwd. In de late middeleeuwen is de bewoning bij sommige kerken verdwenen en resteert alleen een eenzaam in de akkers gelegen kerk.

In die periode bestaan grafvelden bij kerken. Te Bergeijk wordt de aristocratische woonplaats in de tiende eeuw laag in het landschap aangelegd, terwijl die weer verdwijnt in de late dertiende en vroege veertiende eeuw. Dichtbij die woonplaats ligt in 1830 de dorpskern. Bij middeleeuws Oerle is hetzelfde waarneembaar. De aristocratische woonplaats uit de volle middeleeuwen raakt begin veertiende eeuw buiten gebruik, maar ligt wel op de plaats van de laatmiddeleeuwse dorpskern. Te Sint-Oedenrode zien we een Flachsiedlung die in de tiende eeuw wordt aangelegd. Nabij ligt, later, de laatmiddeleeuwse dorpskern, namelijk het marktplein. Te Gemert zien we een burchtterrein dat in de elfde eeuw is aangelegd, nabij ligt ook de laatmiddeleeuwse dorpskern. Wat betreft de vastlegging van bewoning kan er daarmee een verschil in de tijd bestaan tussen plaatsen met alleen agrarische bewoning en plaatsen met aristocratische bewoning waar (in elk geval) later een dorpskern komt te liggen. Bewoningsconcentraties met aristocratische bewoning kunnen aldus in de volle middeleeuwen zijn vastgelegd, terwijl die met (alleen) agrarische bewoning pas in de late middeleeuwen kunnen zijn gefixeerd.

48

Het is verder bekend dat de heide, bossen, vennen en beekdalen gemeenschappelijk werden gebruikt. Zeker aan het einde van de Middeleeuwen vormden ze het ‘onvervreemdbare bezit’ van de dorpsgemeenschap. Ze dienden voor het maaien van gras en verzamelen van strooisel, het kappen van hout, het steken van turf en het weiden van vee, nog los van een hele reeks andere activiteiten (zoals visvangst en het houden van bijen) die ‘gedeelde’ rechten over het buitengebied doen veronderstellen.

Impressie van bewoning in het plangebied Best-Aarle in de tweede helft van de elfde eeuw bezien vanaf het zuidoosten (Tekening Mikko Kriek). De reconstructie toont twee erven aan een ovaal akkerblok. Beide erven zijn omheind en voorzien van een poort. Op het zuidelijke, het oudste van de twee, vinden we een bijzonder groot huis met ruime opslagcapaciteit. Dit erf vormt waarschijnlijk de vroonhof van dit heerlijk goed. De oude akkerkern is afgebakend met een kleine houtwal. Het zuidelijke deel van het gebied is begroeid met een open loofbos van berk en els waarin in de ondergroei grasland en heide voorkwam. Omdat de leem zich hier redelijk dicht aan het oppervlak bevindt is dit gebied relatief vochtig. Mede daarom wordt het pas in de Late Middeleeuwen ontgonnen als bouwland. In deze fase wordt hier vee geweid en strooisel en heideplaggen gewonnen ter aanrijking van de mest (bron: Tol e.a. 2017).

2.7

Tot de Tachtigjarige Oorlog (1250 – 1570 n.Chr.)

K.A.H.W. Leenders 2.7.1

De middeleeuwse pioniers

De middeleeuwse pioniers die in deze streek aan het ontginnen sloegen, deden dat in een halfnatuurlijk landschap met sporen uit eerdere perioden met menselijke bewoning. In dat landschap was veel bos, maar er waren ook al dan niet bomenrijke moerassen, zandvlakten en verstuivingen, natte beekdalen en natuurlijke meren. De kwaliteit van het bos zal afgehangen hebben van de lemigheid en de vochtigheid van de bodem en ook van de intensiteit van het eerdere gebruik. We moeten ons het landschap waarin de pioniers een plekje zochten dus als een interessant mozaïek beschouwen.

49

Het ziet er naar uit dat de pioniers bij voorkeur op plekken met een rijke bosbodem zijn neergestreken, misschien in eerste instantie op (half-)natuurlijke open plekken in het bos. Veel dorpsnamen in de streek zijn inderdaad bosnamen. Namen op –rode duiden op bosrooiing. Ze zijn hier schaars. Dorps- en gehuchtnamen met daarin de elementen –heem of –zele verwijzen naar vroegmiddeleeuwse nederzettingen. Namen die het element –hoven bevatten zouden wat jonger zijn. Deze namen verwijzen naar de interne structuur van de vroege nederzettingen. Die werden weliswaar in hoofdzaak door boeren bevolkt, maar die waren vaak onderworpen aan de bezitter van het grootgrondbezit dat zij bewerkten. Die bezitter was aanvankelijk misschien de stichter van de ontginning of een directe opvolger daarvan en we mogen verwachten dat deze op een bijzondere nederzetting woonde: een gracht, wal of palissade er omheen en een beter huis dan de afhankelijke boer. Zo ver we weten woonden de boeren zelf verspreid over het gebied dat ze beakkerden voor hun “heer”. Hier en daar waren er kleine watergedreven molentjes: toponiemen als “Oude Molen” op plaatsen waar uit latere archieven geen molen bekend is, herinneren er nog aan. Na verloop van tijd raakte het landgoed verdeeld tussen erfgenamen.

Deze, maar ook al de eerdere eigenaren van het geheel, hebben in veel gevallen hun bezit omwille van hun zieleheil overgedragen aan kerkelijke instellingen. Dat begon al met Sint-Willibrord rond het jaar 700: wat hij zo verzamelde kwam later aan het klooster van Echternach. Ook in latere eeuwen ging dat voort en we zien daarbij een opvallend patroon. Tot de twaalfde eeuw waren het steeds ver weg gelegen kloosters en kerken die bezit in de streek verwierven. In de twaalfde eeuw komen daarvoor kloosters in de plaats die een stuk dichterbij lagen: Tongerlo, Averbode, Postel. Nog later duiken kerkelijke instellingen in het huidige Noord-Brabant op: de kapittels van Oirschot, Hilvarenbeek, Den Bosch bijvoorbeeld. Al deze kerkelijke

50

grootgrondbezitters moeten dus als secundaire eigenaar beschouwd worden, na die eerste groep ontginners en hun nazaten. De kerkelijke bezitters hebben de oorspronkelijke organisatie van het bezit overgenomen en later uitgebouwd met verdere ontginningen. Omdat van kerkenbouw in deze streek pas vanaf 1000 AD sprake lijkt te zijn, zullen zij ook vaak de eerste parochiekerk opgericht hebben. Zij lieten het beheer ter plaatse over aan een meier. Die meiers en de grote afstand tot vooral de oudste groep kloosters vormden een combinatie die tot een nieuwe ontwikkeling leidde: de meier ging zich als dorpsheer gedragen! Daar kwam bij dat de kloosters geen wereldlijke rechtsmacht konden uitoefenen. Daarvoor hadden ze een leke-voogd nodig. Allerlei graven en minder belangrijke lieden wierpen zich graag op als voogd, om vervolgens de oude kerkelijke bezitter vrijwel geheel te overvleugelen. Zo ontstaat er een nieuwe groep dorpsheren, bestaande uit kwade meiers en voogden. Deze resideerden in de regel ter plaatse en hadden dus weer een passende woning nodig: vroege kasteelvormen horen daarbij. Voor de kloosters resteerde dan het verpachten van gronden, het innen van cijns en tienden en het aanstellen van de pastoor. Een groepje abdijhoeven is daarvan in het terrein een typisch “spoor”.

In de twaalfde eeuw strekten een aantal graven hun macht over de streek uit, nadat in de voorgaande eeuw de bisschop van Luik iets dergelijks ondernomen schijnt te hebben. Verondersteld wordt dat sommige kerken onder zijn invloed gesticht zijn. De graven waar we daarna mee te maken hebben zijn die van Leuven (later hertog van Brabant); van Gelre (dat toen veel zuidelijker lag dan nu) en van Loon (nu ruwweg Belgisch Limburg). Vooral in de jaren 1180 – 1235 werd de streek grotendeels onder Brabants gezag gebracht, al bleef de Dommel nog een tijdje de oostgrens van de Brabantse invloed. Pas na 1300 rukte Brabant verder oostwaarts op, zodat het uiteindelijk ook Budel omvatte. Het nabij Bergeijk gelegen Gestel bleef Loons en werd in 1366 Luiks, maar Lommel was Brabants. Deze twee plaatsen zijn in 1807 tegen elkaar geruild.118

Jan I was hertog van Brabant van 1267 tot 1294. Bij zijn machtsontplooiing in noordelijke richting gebruikte de hertog een aantal methoden die elkaar aanvulden. Van de graaf van Gelre kocht hij in 1203 een deel van Kempenland. Daarbinnen zaten echter nog wat lokale heertjes. Als die niet bereid waren hun bezit in leen op te dragen aan de hertog, was er een ander middel: een in de nabijheid oprichten van woonplaatsen waar de inwoners vrij zouden zijn van de aloude horigheid. Zo hoopte de hertog de oude domeinen wat mensen betreft leeg te 118 Sanders, van Ham & Vriens (red.) 1996. 36.

51

zuigen. Dergelijke vrijheden werden kort voor 1212 opgericht in Oisterwijk, Arendonk, Turnhout, Herentals: alle vlak bij onze streek. Wat later kregen ook Eersel en Eindhoven dergelijke rechten en kennelijk ook Zand-Oerle. Tegen het midden van de dertiende eeuw werden de resterende horigen echter op grote schaal vrij en werkte dit instrument niet meer. De nadien opgerichte vrijheden betreffen eerder aan bestaande nederzettingen toegekende economische voorrechten zoals jaarmarkt of tolvrijdommen. 2.7.2

De middeleeuwse reorganisatie

De twaalfde eeuw (tot 1175/1185) is in oostelijk Noord-Brabant een bloeiperiode met de opkomst van veel nieuwe woonplaatsen, bevolkingsgroei, expansie van cultuurland, grotere agrarische bedrijven (erven met grote bijgebouwen) en versterkte communale sociaal-economische relaties als het gaat om veeteelt (en akkerbouw?). Parallel daaraan kan de intensivering van akkerbouw, via intensivering van veeteelt, de cultuurlandexpansie vanaf 1000 gezien worden als een middellange termijnproces. Dat middellange proces is zelf deel van een lange termijnproces: de verschuiving van woonplaatsen van hoog naar laag, bevolkingsgroei, verdichting van bewoning, uitbreiding van cultuurland en veranderingen in het agrarische bedrijf vanaf de vroege middeleeuwen. Aldus zijn – deels – drie processen zichtbaar in de middeleeuwen van oostelijk Noord-Brabant, die in bepaalde perioden hand in hand verlopen: 1. Een lange termijnproces 500-1500/1600 van de verschuiving van woonplaatsen van hoog naar laag, maar met uitzonderingen. Daarnaast zijn bevolkingsgroei, verdichting van bewoning, cultuurlandexpansie en wijzigende agrarische accenten aanwijsbaar. 2. Een middellange termijnproces 1000-1500/1600 van intensivering van akkerbouw via intensivering van veeteelt voor mestproductie.

Als gevolg van het verschuivende agrarische accent (steeds meer een nadruk op veeteelt) zien we telkens verplaatsing van agrarische woonplaatsen naar nieuwe agrarischstrategische locaties in landschap. In de periode 1000-1200 verschuiven bewoningsplaatsen naar depressies en andere natte zones, zoals beekdalvormige laagten. Vervolgens in de periode 1200-1500 naar woonlocaties in die laagten zelf. Te bedenken valt dat tussen 1000 en 1500/1600 ook locaties bij heidevelden steeds belangrijker worden indien men schapenmest wil gebruiken. 3. Een korte termijnproces 1175/1185-1300/1325 met veel veranderingen in korte tijd: •

verdwijning van agrarische woonplaatsen op de dekzandruggen.

•

opkomst van markten in opkomende steden en het platteland en zo een toenemende marktafhankelijkheid.

•

opname van grote delen van het studiegebied in het hertogdom Brabant.

•

verdwijning, herinrichting en/of overname van (een aantal) volmiddeleeuwse aristocratische woonplaatsen als gevolg van gewijzigde machtsverhoudingen tussen hertog en lokale heren (en zo meer vrijheid bij boeren).

•

opkomst van het verschijnsel stad zelf.

Over de vraag of landschappelijke veranderingen een rol in de laatmiddeleeuwse transitie spelen, zoals het verdwijnen van bossen en het ontstaan van steeds grotere heidevelden, en of de opkomst van de intensieve schapenhouderij aan de laatmiddeleeuwse transitie kan worden gerelateerd, kan op basis van het palynologische nauwelijks iets gezegd worden. Dat komt omdat naar verhouding weinig pollengegevens uit waterputten, waterkuilen, greppels of grachten voor deze periode beschikbaar zijn. Alleen twee pollendiagrammen uit ’s-Hertogenbosch laten duidelijk de landschappelijke gevolgen zien van de agrarische intensivering vanaf de late middeleeuwen. Vanaf ca. 1300-1400 stijgt daar het aandeel van cultuurindicatoren sterk. Er zijn aanwijzingen voor de continue verbouw van winterrogge en blijkbaar wordt de braakperiode afgeschaft. Uit macrorestenvondsten blijkt zeker dat vanaf het laatste kwart van de dertiende eeuw bemesting met stalmest plaatsvindt. Het afschaffen van de braakperiode gaat dus samen met stalmestbemesting. Vrijwel gelijktijdig stijgt ook het aandeel van struikhei enorm, ongetwijfeld als gevolg van de agrarische intensivering. Het is goed mogelijk dat de 52

uitbreiding van de heide te maken heeft met een toename van de schapenhouderij. Struikheidevegetaties zijn uitermate geschikte begroeiingen voor begrazing door schapen. Een andere verandering was dat in de voorgaande eeuwen geleidelijk het aanvankelijk overal wel aanwezige bos opgebruikt was. Waar men aanvankelijk het vee in het bos kon weiden en uit het bos allerlei bosstrooisel en vruchten kon halen, moest men zich nu met een veel kalere wildert tevreden stellen. Kale heide was het nog lang niet, maar de resterende bossen werden nu zuinig beheerd. Rond 1300 zou de hertog nog een aantal bossen voor de houtkap en ontginning verkopen en dat was het dan. De heer van Cranendonk richtte misschien een deel in als jachtpark (De Perk), de abdij van Tongerlo wist het Loons Bos zelfs voortdurend overeind te houden: het staat er nóg! Dergelijke oude restbossen zijn dus uiterst zeldzaam.

Eenzame kerktoren in Oostelbeers (september 2010) Archeologisch onderzoek heeft laten zien dat de vroeg- en hoogmiddeleeuwse nederzettingen in deze overgangsperiode “verlaten” werden. Dat wil zeggen: het aanvankelijk bewoonde akkergebied werd een onbewoond akkergebied. Kennelijk werden de boerderijen verplaatst naar de rand van de oude akkergebieden, zodat Kakebeeke’s “kransakkerdorpen” tot stand kwamen: groepen lintvormige gehuchten rond een centrale akker, met aan de andere kant vaak een beekdal dat ontgonnen werd om als hooiland te dienen. Maar… in sommige akkers stond al een kerk met kerkhof! Het stenen kerkgebouw werd niet verplaatst en ook de begraafplaats was onbewegelijk. Zo leidde deze ontruiming tot het ontstaan van de typische “eenzame kerken op de akker”. In enkele gevallen is er later (1500 en later) bij die kerk weer een nieuwe nederzetting gevormd, elders bleef die kerk daar eenzaam staan. Opvallend is dat de naam van de meestal kleine nederzetting bij de kerk in oude archiefstukken zelden gelijk blijft aan de dorps- of parochienaam. Veeleer heet die nederzetting “Kerk”, “Kerkeind” of 53

“Kerkhof”. Zelfs in een grote plaats als Oirschot is de naam van de dorpskern: “Kerkhof” en omdat de Latijnse weergave “Cymeterium” of “Atrium” luidt, weten we dat echt de begraafplaats bedoeld wordt en niet zomaar een veldje van de kerk. De parochie- of dorpsnaam was dus echt de naam van de hele gemeenschap en niet die van de hoofdkern – als die er al was. Pas in de negentiende eeuw gaat men de gemeenschapsnaam, die intussen gemeentenaam geworden is, systematisch toekennen aan de toenmalige hoofdkern. De nieuwe plaatselijke heren lieten nu grotere watermolens oprichten die de oude kleintjes al snel uit de markt maalden. Deze grote watermolens zijn vaak tot in de negentiende eeuw blijven bestaan en enkele bestaan nog steeds. Van andere herinnert alleen een toponiem Molenstraat, Molenbrug, Vloed (overstroomd gebied bovenstrooms van de molen) of een “molenwiel” (beekverbreding bij een stuw of molen) aan een dergelijke molen, als die bij de beek”normalisatie” niet verwoest zijn. Een watermolen laat in de regel tal van archeologische sporen na, waarbij ook de sluis- en stuwwerken niet vergeten mogen worden. Vanaf 1250 drong de windmolen door tot in deze streek. Die eerste windmolens waren houten standerdmolens. Ze werden graag midden op de akker of juist aan de rand ervan geplaatst, of op een heuvel in de hei.

In de bodem laten ze weinig sporen na: de molen stond op stenen poeren, maar soms wierp men een molenberg op. Bovendien hoort bij zo’n molen een krans van palen waaraan de staart van de molen vastgezet werd om de molen goed op de wind te houden. Die kransen, plus allerlei afval, moeten terug te vinden zijn. Standerdmolens hielden het alleenrecht tot na 1650. De domeingronden van de heren en de kloosters werden nieuw ingericht. Enkele grote stukken werden omgevormd tot pachtboerderijen. Deze pachthoeven markeren dus het oude bezit van de dorpsstichters en dorpsheren. Andere stukken werden tegen een jaarlijkse vergoeding (cijns) aan de voormalige horigen in gebruik gegeven of in leen uitgegeven aan familieleden of andere getrouwen. Alleen de directe omgeving van zijn woning en eventueel een jachtbos behield de heer zelf. De meier van de abdij bouwde soms ook een aanzienlijk onderkomen, zoals onder andere te zien is op zeventiende-eeuwse kaarten van Sterksel en de Hertheuvelsehoef bij Eersel. De akker zelf behield mogelijk het oude wegenpatroon terwijl de grond in blokken en later in toenemende mate in bloksgewijs gegroepeerde groepjes smalle stroken verdeeld werd. Het grondbezit lag hier erg door elkaar, maar ieders lapje grond werd slechts door kleine merktekens als een één voets greppel of een smalle ongeploegde rand aangegeven.

Buiten om de akker lag vaak een groene haag, soms op een wal, zeker daar waar er geen boerderijen tegen de akker lagen. 2.7.3

Het boerenland

De akker moest regelmatig bemest worden. De meststoffen werden geleverd door op stal gehouden vee: koeien, schapen. Om de koeienmest hanteerbaar te maken en te verrijken werd er achter de beesten strooisel van bos en later maaisel heide gegooid: dat nam de sappen op. De mest belandde daarna op een mesthoop op het erf. Ook allerlei huishoudelijk afval, keukenresten etc. belandde op de mesthoop. Uiteindelijk werd die mest op de akkers uitgereden. Dit bemestingssysteem heeft zich in de loop van de tijd geïntensiveerd. Men haalde toen niet alleen maaisel van de hei, maar stak ook de heideplag, of de plag van wegbermen. Zo kwam er ook zand in de mest terecht en uiteindelijk op de akkers. In de stal ontstond op den duur de potstal: een laagte waarin heel veel mest verzameld kon worden. De introductie van het bemesten met plaggen, en van de potstal hoeven niet gelijktijdig te zijn. Over beide dateringen is nog hevig debat. Plaggenbemesting lijkt vanaf 1500 steeds meer voor te komen, de potstal – al standaard aanwezig in de tweede-eeuwse Alphen-Ekerenboerderij – keerde misschien pas na 1700 terug.

54

Zicht vanaf de open akker ten zuiden van Budel op de kerktoren van Budel De plaggenbemesting had belangrijke landschappelijke gevolgen omdat deze een zandtransport betekende: van de hei en wegbermen via de stal naar de akkers. De grote oude dorpsakkers werden er door opgehoogd en men maakte van de gelegenheid gebruik om ze ook verder te egaliseren. Het resultaat is dat deze akkers nu hooggelegen platte plateaus zijn, met de boerderijen er in een vaak duidelijk lagere strook eromheen. Door het weghalen van begroeiing (gras en heide) verarmde de bodem van vooral de wildernis, die kennelijk op zandige bodems tegen 1300 in toenemende mate het karakter van heide verkregen had. Overigens: men noemde die wildernis aanvankelijk “tijm” of “gagel” en pas na 1300 “heide”: daar zie je ook een karakterverandering aan af. Tegen 1400 was de verarming kennelijk zover doorgeschoten dat het vegetatiedek sneuvelde en het zand in beweging kwam. Er ontstonden lopende zandduinen die plaatselijk de akkers en gehuchten gingen bedreigen. Als antwoord hierop werd de akkerwal ingezet. Door regelmatig onderhoud en bijplanten van struiken kon het zand tegengehouden worden waarbij die wal soms vele meters hoog werd. Een goed bewaarde akkerwal vertoont op de kruin eikenbomen (restanten van de oude akkerhaag), aan de duinzijde vaak een dennenbos en aan de dorpszijde nog steeds een akker.

Soms maakte men een “inlaagdijk”: dan is onder die wal nog oud akkerland terug te vinden. Niet alle duinen dateren echter van de late middeleeuwen. Vele dateren zelfs al uit het laatst van de jongste ijstijd, andere werden gevormd in eerdere stuifperioden. Oude akkergebieden die nu heel vlak zijn, blijken bij onderzoek vaak in de ondergrond erg geaccidenteerd te zijn. Dat is in de middeleeuwen en daarna allemaal gladgetrokken, maar wekt wel de indruk dat men in een toch wat golvend terrein begon met akkeren: een oud versleten duin dat in de naastliggende wildernis na 1400 weer “tot leven” kon komen maar in de akker alsmaar verder toegedekt werd? In de grote dorpsakkers bleef een enkele keer een laatste rest van een vennetje over. Dit fenomeen werd onder meer opgemerkt in de akkers tussen Casteren en Hoogeloon. Met het plaggensteken en de plaggenbemesting is men tot na 1900 doorgegaan, waarbij het proces steeds intensiever geworden lijkt. Bovendien werd er geleidelijk meer grond ontgonnen die óók bemest moest worden. Bovendien breidde men het akkerland uit door hooilanden met zand op te hogen. Dat zand kwam van de oude akkers, waardoor soms in die in het beekdal gevormde jongere akkers toch oude archeologica aangetroffen worden of een gelaagdheid die “op zijn kop” lijkt te liggen.

Het resultaat is dat in alle dorpen er een grote oppervlakte met plaggendek is (“enkeerdgrond” volgens de bodemkaart.) Deze dikke akkerdekken zijn voor de eronder liggende archeologica een goede bescherming. Een oude vuistregel luidt dat er ieder jaar één millimeter aan het akkerdek werd toegevoegd. Een akkerdek van 60 centimeter (niet ongebruikelijk) zou 600 jaar nodig gehad hebben, en dus rond 1300 begonnen zijn. Omdat de plaggenbemesting geleidelijk geïntensiveerd is, gaat deze vuistregel niet op. 55

In heel wat publicaties worden getallen genoemd als “voor iedere hectare akker had je X hectare hei nodig”. De basis voor die bewering is niet te traceren en voor het getal X worden uiteenlopende waarden opgegeven. In onderstaande grafiek is voor 200 dorpen uit het zandige deel van NoordBrabant en de provincie Antwerpen dat getal X berekend op basis van de gegevens van het kadaster uit 1832/34. Het is duidelijk dat de waarden erg uiteenlopend zijn, van 0,2 in Roosendaal en Nispen tot 8,6 in Putte bij Bergen op Zoom. In Veghel en Berkel-Enschot was het verhoudingsgetal vrijwel precies 1,0. De dorpen ten zuiden en westen van Eindhoven zitten hoger, van 1,75 voor Oirschot en Best tot 7,7 voor Borkel en Schaft. Dorpen die de beschikking hadden over veel vochtige graslanden hadden relatief veel meer akkerland (en minder heide) dan dorpen die dat grasland niet hadden. Voor de bemesting van de akkers was dat grasland blijkbaar ook van groot belang. In het bij Breda gelegen Princenhage werd in 1474 de waarde van hooiland per hectare hoger geschat dan goed bouwland! We moeten voor de bemesting in de periode tot 1900 dus zeker niet alleen naar de heide kijken! Een verhouding X van 7,7 betekent dat om de akker 50 cm op te hogen, de heide 6,5 cm verlaagd is als we wegbermen even vergeten. Zoiets is bodemkundig niet zichtbaar.

Maar een factor 1,75 zoals in Oirschot en Best wil zeggen dat de ruim 4000 hectare hei in die twee plaatsen dan gemiddeld 30 cm verlaagd zou zijn. Dat betekent op sommige plaatsen misschien een hele meter en elders niets. Toch meldt geen enkele bodemkaart dergelijke grove oude afgravingen. Ze waren er ook niet, men had ze daar niet nodig, men had dat mooie gras tussen de boompjes van de Mortelen! 2.7.4

Verdere uitbouw van de dorpen en hun cultuurland

Na de middeleeuwse transformatie stond de ontwikkeling niet stil. De regio zat midden in een periode van snelle bevolkingsgroei en dus van voortgaande ontginningen. Daarvoor werd de wildernis steeds meer aangesproken, maar allerlei lokale heren en niet te vergeten de hertog van Brabant verlangden daarvoor een jaarlijks vergoeding: de cijns van nieuwe gronden. Door al die uitbreidingen kwam er meer bouwland en minder heide, ofwel: onze verhouding X daalde. Dit leidde tot de behoefte om het gebruik van de woeste gronden voor de dorpelingen veilig te stellen. Het feit dat enkele kloosters hun deel van de woeste gronden daadwerkelijk afschermden voor lieden van elders versterkte deze behoefte bij de gewone dorpelingen.

56

In eerste instantie was de oplossing dat de boeren van een of meer gehuchten een deel wildernis samen tegen cijns innamen van de grondheer: een gebuurheike of vooraard. Vervolgens is de hertog van Brabant vooral in de jaren 1290 – 1335 in de dorpen waar hij grondheer was aan complete dorpsgemeenschappen gebruiksrechten op de wildernis gaan verkopen. Daar ontstaan dan de “gemeynten”, die zich als het ware om de eerdere gebuurheikes heen vouwden. Dit verkopen van gemeynten is een typisch hertogelijke activiteit. Behalve dat de gemeynte het oppervlakkig gebruik van de wildernis voor de dorpen veiligstelde, werd ook geregeld dat de wildernis niet verkleind kon worden zonder medeweten van het dorp. De buitengrens van de gemeynte werd in detail beschreven en vaak toen al of later voorzien van tal van grensmerken. Dat kunnen natuurstenen palen zijn, maar ook natuurlijke heuvels en vennen, opmerkelijke bomen of opgeworpen aardhopen. Zelfs oude grafheuvels konden als grensteken dienen. De ontginningen van voor de gemeyntevorming en ook die van daarna kregen in het veld, als ze veroverd werden op de wildernis, vaak de gedaante van een “kamp”. Dat zijn vaak wat afgeronde gehelen die met een levende haag omgeven waren en soms ook met een wal. Lang niet altijd stonden daar boerderijen in: soms was het puur een uitbreiding van het cultuurland.

Ook in de beekdalen werd ontgonnen, wat dan grasland, hooiland opleverde met vaak flinke begroeiing langs de scheidingssloten: de beemden. In deze streek was in de middeleeuwen en lang daarna de algemene benaming voor dergelijke met levende hagen omgeven akkers of beemden: “bucht” of “bocht”. Het woord “kamp” komt juist weinig voor: dat lijkt meer een woord uit wat noordelijker streken als Boxtel.

Breughel 1600-1700 BdH 20376 (PK) (prent, ets), 16e eeuwse Noord- en Zuid-Nederlandse grafiek, Prentenkabinet Museum Boijmans Van Beuningen De omheinde percelen binnen de bochten waren vaak van één of althans weinig eigenaren. Bovendien waren en bleven ze min of meer vierkant, zodat de boer ze bol kon ploegen. De akker komt dan in het midden een halve meter of meer hoger te liggen dan aan de randen. Dat bevorderde de afwatering en het vervroegde het begin van de groei van het gewas. Wanneer deze grondbewerking in zwang kwam is niet duidelijk. Vaak zijn deze bolle akkers in de laatste decennia weer belangrijk afgevlakt, zodat we aan nog duidelijke bolle akkers een belangrijke herinneringswaarde moeten toekennen.

57

De bevolkingsgroei werd deels opgevangen door uitbreiding en verdichting van de oude gehuchten. Daarnaast ontstonden er ook nieuwe, vaak op de rand van de heide. Deze gehuchten dragen in deze streek in een tiental gevallen namen als Heikant, Hei-eind, Heike. Ze dateren van de vijftiende en zestiende eeuw. Andere gehuchten lagen naast ontgonnen broekgebieden en werden daar ook naar genoemd: namen op “broek” en “rijt”. De bevolking groeide waarschijnlijk nog fors door tot omstreeks 1350. In andere streken decimeerden pestepidemieën de bevolking soms, maar hier merken we daar helemaal niets van. Wel lijkt de groei in de meeste dorpen te stoppen en blijven de bestuurlijke structuren tussen 1350 en 1550 in grote mate ongewijzigd. Pas tegen het eind van de vijftiende eeuw bloeit de economie blijkbaar weer op en neemt ook de bevolking toe. Dat is de tijd waarin heel wat dorpskerken geheel of deels vernieuwd werden en in tal van gehuchten een flinke kapel verrees. De eerste deftige boerderijen werden deels met baksteengevels verrijkt. Voor al dat bouwen waren bakstenen nodig die in plaatselijke en vaak tijdelijke steenovens gebakken werden. De benodigde leem werd ter plaatse gewonnen. Veldnamen als “Steenoven” en “Leemkuilen” herinneren daar nog aan. 2.7.5

Brabants Gouden Eeuw

De talloze imposante kerken en kerktorens in oostelijk Brabant zijn de stille getuige aan andere tijden. Ze herinneren aan de Brabantse Gouden Eeuw (de periode 15e/16e eeuw). In de Brabantse steden woonde een kapitaalkrachtige elite die haar weelde wilde tonen. Een gouden eeuw brak aan. De welvaart en culturele bloei waren overal zichtbaar: in de steden, de kerken, de kloosters, het hele Ommeland. In de Brabantse dorpen uitte de toegenomen welvaart zich in de bouw van vele kerken die zijn uitgevoerd in de stijl van de Kempense gotiek.119 De Gotische kerktorens in Noord-Brabant dateren uit de tweede helft van de 15e eeuw. Ook talloze kunstschatten geven aan dat de goud- en zilversmeden en de beeldhouwers volop werk hadden en de fraaiste voorwerpen voor hun opdrachtgevers vervaardigden. Gedurende de Beeldenstorm en de protestantse periode 1648-1798 zijn veel religieuze kerkschatten verloren gegaan of in het buitenland verkocht, maar het overgebleven materiaal geeft al een goede indruk hoe rijk de 15 e eeuw was. Hoewel het zuidelijk deel van het hertogdom natuurlijk rijker en meer verstedelijkt was, blijk er sprake te zijn van een geïntegreerde Brabantse economie, waarbij het rurale noorden als leverancier van grondstoffen, een complementaire functie vervulde voor hoogontwikkelde nijverheid in het geürbaniseerde zuiden.

Een substantieel deel van de verhandelbare agrarische productie uit het noorden vond zijn weg naar de Zuid-Brabantse steden. Hierbij wordt gedacht aan wol in het bijzonder, maar ook aan vlas, haver, levend rundvee, paarden en onbewerkte huiden.120 In de late middeleeuwen ging niet alleen verhandelbare agrarische productie van het noorden naar het zuiden, maar vonden ook veel nijverheidsproducten hun weg naar het zuiden. Aan het einde van de vijftiende eeuw rekende men in Antwerpen vooral op aanvoer van linnen uit ’s-Hertogenbosch, Hoogstraten, Zundert, De Kempen en Peelland. ’s-Hertogenbosch kende een specialiteit van koperen spelden en messen die tot in Spanje beroemd waren.121 Door de veelvuldige contacten ondergingen noorderlingen de invloed van de stedelijke cultuur van het zuiden. Deze nieuwe moderne samenleving die de toon aangaf in Europa bleef niet beperkt tot de Grote Vier (Antwerpen, Leuven, Brussel en Den Bosch): ‘Vlaanderen en iets later Brabant speelden een belangrijke rol in de moderniseringsgolf van de Europese samenleving, die gekenmerkt werd door de opkomst van stedelijke economieën in de hoge

119 Kolman, Meierink & Stenvert, p. 15, 20. 120 Hoppenbrouwers 2004, 116. 121 Van Uytven 2004.

58

middeleeuwen’.122 Er was een druk verkeer van personen en goederen, veelvuldige (handels)contacten en dus transmissie van cultuurelementen naar de kleinere steden in het hertogdom. Kortom, de levenswijze die behoorde bij een stedelijke economie kreeg navolging in de grote dorpen en kleinere steden.

De gotische schilderkunst, die zijn hoogtepunt vond in de miniaturen van de gebroeders Van Limburg, zijn adembenemend mooi en geven een prachtig beeld op het leven in Hertogdom Brabant ten tijde van de Gouden Eeuw.

Afbeelding: Uitsnede van een Brabantse atlas omstreeks 1688.123

122 Blom & Lamberts (red) 2006. 123 F. de Wit, Brabantiae pars Orientalis continens (Amsterdam 1688). Collectie: Atlas Van der Hagen (Koninklijke Bibliotheek, Den Haag).

59

2.7.6

Het wegennet

De dorpen lagen niet in isolatie. Alleen al hun relatie met ver weg gelegen kloosters wijst op langeafstandsverkeer. Bovendien werd de streek doorsneden door oude verkeersroutes, zoals de die van Antwerpen naar Roermond. Deze was tussen Turnhout en Achel een tolweg, met halverwege een marktplaats in Eersel. Later werden delen van deze route opgenomen in de route Breda – Maastricht. Dwars daarop liep de route tussen Den Bosch en Maastricht. We spreken hier van “routes” en niet van “wegen” omdat een dergelijke route in feite uit een groot aantal bundels van wegen bestonden. Op tolplaatsen, markten, bij voorden en bruggen kwamen die wegen samen om daarna weer uit te waaieren. Soms was er sprake van een “zomerweg” parallel aan een “winterweg”. De ervaring had dan geleerd welke baan in welk seizoen het best begaanbaar was. Immers, alle wegen waren zandwegen op misschien hier en daar een klein bestraat stukje in steden en grote dorpen. Die oude wegen hadden dus een heel ander karakter dan de moderne A2 of A67! In de late middeleeuwen trok de hertogelijke rentmeester jaarlijks vaste rondjes langs de dorpen om daar cijns op te halen. Hij kwam dan met 60.000 zilveren muntjes thuis. Hoe kwamen de boeren daaraan? Ze moesten hun producten ter markt brengen en ze daar voor geld, die muntjes, verkopen.

Niks autarkie, de boeren werkten ook in de veertiende eeuw al volop voor de markt, anders konden ze die rentmeester niet betalen! Naast de doorgaande grote wegen was er een verkeers- en handelsnetwerk dat op Den Bosch gericht was. Op plaatselijke (jaar)markten werden de landbouwproducten van de dorpen en gehuchten aangeboden. Van daaruit ging het naar grotere plaatsen zoals Oirschot, Eersel, Eindhoven of Weert en vandaaruit naar de grote steden Den Bosch of Roermond. De beken konden daarbij amper als waterweg dienen omdat ze te smal, te kronkelig en te rijk aan watermolens waren. Alleen vanaf Oisterwijk lijkt er scheepvaart op Den Bosch mogelijk geweest te zijn. Turfvaarten en scheepvaartkanalen zijn hier tot na 1800 nooit geweest. Het plaatselijke verkeer verliep tussen de boerderijen en gehuchten en hun landerijen, de kerk en de molen. De kerk en de molen waren vaak het centrum van een net van “kerkwegen”, “kerkpaden” en “molenwegen” dat naar alle zijden uitstraalde. Binnen de gehuchten was er vaak de gehuchtstraat waaraan de meeste boerderijen stonden. De talrijke beekjes en natte gebieden vormden een hindernis. Beken werden wadend overgestoken waar de beekbodem dat toeliet omdat deze stevig was of verstevigd kon worden: namen als Zandvoort, Houtvoort (met hout bestraat), Steenvoort (met keien bestraat) wijzen daar op. Bij een voorde moet je naar beneden en weer omhoog.

Om die helling wat minder steil te maken, werd de doorgang wat scheef op de beek gelegd. Dat levert een knik in de weg op die soms nog als herinnering aan een voorde voortbestaat. Een enkele keer werd de knik heel nadrukkelijk: er was dan een vrij lange passage door beek en beekdal. Dat heet een “langvoort”. Nog extremer wordt het wanneer men de weg een eindje door de beekbedding liet lopen. In Engeland zijn die situaties bekend als “waterlane”, hier als “waterstraat”, al zijn er ook waterstraten die alleen maar naar een water toelopen. In voetpaden volstond soms een rij palen in het water waar men overheen kon stappen (een waterstap) of een flinke plank. Bij wat zwaardere constructies moest het houten wegdek ondersteund, geschoord, worden: een schoor. De meest luxe overgangen waren al dan niet gemetselde bruggen. Kleine waterlopen en sloten werden soms door een buis (hout, later gemetseld) onder een weg of toerit door geleid: een heul of hool. Vooral bij voorden en bruggen zien we aan twee zijden vaak een wegenwaaier: alleen dáár kon men de beek oversteken. Brede natte gebieden in beekdalen en op de hei vroegen om een andere aanpak. Daar werd de weg opgehoogd, met ergens halverwege een voorde of brug. Dergelijke wegen heten hier steeds “dijk”. In tegenstelling tot de Hollandse dijken die het water keren, laten de Kempische dijken het water door.

Ze dienden allen maar om een nat gebied over te steken. Wegen in droge gebieden konden tot een holle weg worden. Daarbij kunnen vijf processen een elkaar aanvullende rol gespeeld hebben. Het verkeer, vooral met paarden bespannen wagens en complete 60

kuddes, deed het losse zand opspringen en wegwaaien. Bermen van wegen werden graag afgegraven om aan zand voor de potstal te komen of om met dat zand de eigenlijke wegbaan tonrond op te hogen. De akkers naast de weg werden door de plaggenbemesting geleidelijk hoger. De onbegroeide baan kon ook gemakkelijk uitstuiven maar het is ook denkbaar dan men in duingebieden van begin af aan de weg tussen de lastigste zandkoppen door gekozen heeft. Dat wekt ook de indruk van een holle weg. Mogelijk is op een aantal plaatsen de holle weg niet dieper geworden omdat een meer slijtvaste bodemlaag bereikt werd. Holle wegen getuigen soms van oude wegen die op geen enkele oude kaart staan aangegeven. 2.7.7

Wallen en landweren

Het boerenlandschap van de late middeleeuwen kende tal van walstructuren. Rondom de grote open dorpsakkers was in ieder geval een groene haag aangelegd, maar die stond soms ook op een aarden wal. De toegangen tot de akker waren met een hek afgesloten: het “akkerveken” dat in het “akkergat” hing. Soms laten dergelijke wallen zien hoe het akkerland in de loop van de tijd uitgebreid werd, zelfs wanneer dat intussen bebost is. Dit is bijvoorbeeld in Duizel het geval.

Dwarsprofiel door de lange wal van Knegsel (foto Henk Bongenaar) Wie een stukje van de wildernis, van de gemene gronden, in privé gebruik wilde nemen, moest die grond wel eerst afbakenen. Prikkeldraad was er niet en hakhout groeit zo hard niet. In eerste instantie groef men daarom een greppel en dan ontstaat er al gemakkelijk een walletje uit het uitgegraven zand. Daarop kon dan mooi het hakhout aangeplant worden. Dit levert uiteraard geen hoge dikke wallen op, maar wel smalle lage walletjes onder de hakhoutheggen. Ook oude bossen werden vanouds omwald, misschien niet zozeer om het wild er binnen te houden, maar puur als afbakening tegen agressief ploegende boeren: tot hier en niet verder. De wal om het Loons Bos is hiervan een voorbeeld. Op de grens tussen Brabant en Limburg komen tal van “landweren” voor zoals in Gemert, Bakel, Deurne, Budel en Valkenswaard. Een landweer is een kilometerslange wal, liefst met gracht en palissade of doornige struiken, waarmee men een landstreek tegen roofzuchtige (leger)benden kon afschermen. Op plaatsen waar er wegen doorheen liepen moest er ook een verdedigbare structuur zijn. In het naburig Limburg dateren de landweren uit de eerste helft van de vijftiende eeuw. In Budel markeert op de kadasterkaart een zwak gebogen lopende en 1900 meter lange sloot genaamd de “Weergracht” vermoedelijk een dergelijke landweer.

In Dommelen is een groot deel van de landweer in beeld gebracht bij opgravingen en markeert de landweer de grens tussen de gemeynte en het dorp. 124

124 Moerman 2014.

61

Bij Doonheide in Gemert waren de struiklekuilen voor de landweer duidelijk zichtbaar (zie reconstructie hieronder).125

Reconstructie van de landweer bij Doonheide in Gemert (tekening P. Becx).

2.7.8

Brandstofvoorziening

In de vroege en hoge middeleeuwen hadden de bewoners van de streek nog bossen beschikbaar om daar onder andere hun brandhout te halen. Nadat de meeste bossen verdwenen waren, bleven er twee brandstofbronnen over: de moeren en “eigen kweek”. Op veel plekken in de wildernis, zelfs daar waar wij het nu absoluut niet zouden verwachten, moet ooit veen gezeten hebben. Zo werd van een 84 hectare grote strook in de Oirschotse Heide, nu een bebost duinengebied, in 1466 gezegd dat 22% bestond uit uitgegraven turfplekken die vol water stonden. 126 Het veen is vaak al in de middeleeuwen door de boeren weggegraven en met turfgraven en baggeren is tot in de twintigste eeuw doorgegaan. Het veen waar het hier om gaat kwam voor in beekdalen, broeken en goren; maar ook in vennen in vlakke of duinenrijke delen van de hei. Het ging niet om onafzienbare veengebieden zoals in de Peel of westelijk Noord-Brabant, maar om betrekkelijk beperkte plekken. Daarom is hier van commerciële turfafgravingen geen sprake geweest: het ging steeds om “boerenvervening”. Wie kans ziet om het water uit een veen kwijt te raken, kan daarna het veen onder droge omstandigheden weggegraven. Dat zal hier niet vaak goed mogelijk geweest zijn. Er was een tweede methode: met een paar stevige kerels in één dag een flink gat in het veen graven. Zo’n gat bleef lang genoeg droog om erin te kunnen werken.

Dat leverde een stapel natte turf op die na een zomertje drogen de haard weer een winter kon laten branden. Landschappelijk was het gevolg dat een broek of

125 Bosman 2009. 126Enklaar, 1941, nr. 92.

62

goor vol oude turfgaten kwam te zitten. Die gaten gingen verlanden en dat leverde weer allerlei struiken bosachtige vegetatie op. Zo’n gebied kreeg soms een naam als “De Kuilen”of “De Putten”. Een derde methode was het baggeren, een bezigheid die vooral in vennen of eerder afgegraven veen handig was. Vanaf een bootje of misschien gewoon wadend door het water trok men met een baggerbeugel de veenlaag van de venbodem. De kletsnatte bagger werd ergens te drogen gelegd en later versneden tot turfjes. Dit leverde vaak de beste turf op: “klot” of “kliet” genaamd. Waar gebaggerd is, is de oude veenlaag verdwenen. Bij sommige boerderijen stond een apart turfhok, bij de andere werd de turf in een van de gebouwen opgeslagen. De “eigen kweek” van brandstof kreeg de vorm van de hakhoutteelt. Op de randen van de bochten en de grote dorpsakkers, maar ook tussen graslandpercelen in de broeken, goren en beekdalen, groeide allerlei hakhout: struiken van eik, els en andere houtige soorten die om de zes of acht jaar zo gekapt werden, dat ze weer uitliepen. Het hakhout werd zorgvuldig onderhouden door bijplanten van zelf gekweekte “heesters”. Het hakhout diende, naast brandstofvoorziening, allerlei doelen. In het veld was het een scheiding tussen percelen. Eenmaal gekapt leverde het blad voer op, de schors was bruikbaar als grondstof in het leerlooiproces.

Het eigenlijke hout was ook geschikt voor het maken en onderhouden van wanden van de boerderijgebouwen en hekken om de hof. Je kon er bonenstaken en hopstaken uit halen, etc.. Later is men in de heggen en vooral op de voorpootstroken ook grote bomen gaan zetten. Dat leverde bouw- en klompenhout op, naast opnieuw een stapel kleinhout dat weer allerlei gebruiksmogelijkheden had. Uiteraard waren de hakhoutstroken en de grote bomen erg beeldbepalend voor het uitzicht van het cultuurland van de gehuchten.

Staatse troepen schieten tijdens een gevecht een kerk in brand.[Uit: Uytven, R. van (red.), e.a., Geschiedenis van Brabant van het hertogdom tot heden, Zwolle/Leuven, 2004.]

2.8

De Tachtigjarige oorlog en zijn naweeën

De Tachtigjarige Oorlog, 1568 – 1648, heeft deze streek losgeweekt uit het oude hertogdom Brabant en tot onderdeel van Staats-Brabant gemaakt. Wie echter meent dat met de Vrede van Munster van

63

1648 de vrede en rust was weer gekeerd, heeft het mis. Nog tot een eind in de achttiende eeuw bleven bij tijd en wijle vreemde legerbenden de streek teisteren, gingen de dorpen gebukt onder de aflossing van in de oorlog aangegane leningen en werd zelfs de grens met de Zuidelijke Nederlanden diplomatiek betwist. De bevolkingsomvang was in de late zestiende eeuw erg teruggelopen. Ze herstelde weer wat, maar zeker tot 1750 was er van een echte groei geen sprake. De in hoofdzaak katholieke bevolking had bovendien te maken met de merkwaardige manier waarop men na 1648 omging met het begrip “godsdienstvrijheid”. Dit alles is reden om heel de periode 1568 – 1795 hier als één blok te bespreken.

2.8.1

De oorlog

De streek had vanaf 1572 te maken met rondtrekkende legerbenden, te beginnen met geuzen en soldaten die vanuit Weert opereerden. Dat was in een aantal dorpen reden om boerenschansen te bouwen. Daartoe werd een perceel omgeven met gracht en wal. De toegang werd een verdedigbare brug. De paar schansen die teruggevonden en herkend zijn, zijn echter zo klein, dat niet voorstelbaar is dat daar de bevolking van een heel gehucht, laat staan van het hele dorp, in ondergebracht kon worden. Misschien dienden ze alleen voor enkele afgelegen boerderijen. In 1576 kwamen Spaanse muiters op onvriendelijk bezoek127en zo zouden er nog veel plagen volgen. De bevolking bewapende zich en in 1576 kon men de volgende aantallen noteren: 128 Bewapende bevolking in 1576. Plaats

Vuurwapen

steek- of hakwapen

Totaal

Gemeente 1997

Bladel

103

180

283

Bladel

Casteren

41

Bladel

Hapert

59

Bladel

Hoogeloon

84

Bladel

Duizel

39

Eersel

132

Eersel

45

Eersel

72

113

Reusel-De Mierden

Eersel

33

99

Steensel Reusel

41

Dommelen

13

13

Valkenswaard

Valkenswaard

18

31

49

Valkenswaard

Aalst

12

18

30

Waalre

Waalre

13

19

32

Waalre

Woensel

74

135

209

Bron: Adriaenssen, 2007, 95. Vervolgens kwam de streek terecht in een episode waarin min of meer de tactiek van de verbrande aarde werd toegepast, vooral in 1580-1587. Dorpen ontvolkten, velen stierven of trokken weg naar verre streken om niet terug te keren. Adriaenssen schat dat de bevolking in de Meierij toen 68,5% terugliep!129 Bladel zag in 1583 bijna heel de veestapel verdwijnen, in Eersel bleven dat jaar van de 300 huizen er maar 3 overeind.130 Heeze, Leende, Bladel en Eersel en andere dorpen werden in 1590 als voorbeeld rigoureus gebrandschat en lagen in 1591 verlaten.131 Overigens heetten Hulsel, Maarheeze, Soerendonk en Bladel al in 1588 onbewoond te zijn.132 Veel was daar dus niet te halen. In Bladel was in 127 Adriaenssen 2007, 94. 128 Adriaenssen, 2007, 95. 129 Adriaenssen, 2007, 275. 130 Adriaenssen, 2007, 108. 131 Adriaenssen, 2007, 210, 243. 132 Adriaenssen, 2007, 244.

64

1583 reeds de helft van de 180 huizen onbewoond, in Lage Mierde was een derde van de huizen verwoest en de bevolking van Riethoven kromp tussen 1570 en 1600 met 40%.133 In Budel waren in 1590 inwoners in de kerktoren gevlucht, waar ook het archief lag. Dat belette de vijand niet de toren in brand te steken. Inwoners en archief verbrandden. Een ander deel van de administratie werd door de soldaten geroofd uit de sacristie.134 Het land bleef braak liggen of oogsten werden verbrand. Na deze diepe crisis moest er veel heropgebouwd worden en het is mogelijk dat daarbij gehuchten definitief verdwenen of een nieuwe vorm kregen. Tekenend is dat veel oude dorpsarchieven, met uitzondering van een paar oudere stukken, vaak niet verder teruggaan dan deze rampperiode. Het Twaalfjarig Bestand (1609 – 1621) betekende een hele verademing. Het voorzichtige herstel zette nu met kracht door en op veel plaatsen is er een brede opleving te zien. Men vond zelfs tijd en geld om kerken te herstellen. Anders dan gehoopt hernam de oorlog in 1621 weer. In 1629 viel Den Bosch in handen van de Republiek en deze claimde daarop de zeggenschap over de hele Meierij. Dit leidde tot een periode waarin zowel vanuit het zuiden als vanuit het noorden belasting geheven werd, naast de tussendoor opgelegde brandschattingen van loslopende legerbenden.

Voor de betaling van deze en eerdere oorlogslasten gingen de dorpen grote schulden aan waar ze nog tot ver in de achttiende eeuw last van hadden. Uiteindelijk werd bij de Vrede van Munster vastgelegd dat de Meierij inderdaad aan de Republiek werd toegewezen: ze ging deel uitmaken van Staats-Brabant. Na 1648 werd de streek af en toe toch weer overlopen door legers. Zo werd in 1672 het kasteel van Cranendonk door de Engelse opgeblazen! Samenvattend: vanaf 1572 kreeg men te maken met rondtrekkende legerbenden die brand stichtten en geld en onderhoud eisten. In de jaren 1580 – 1587 raakten heel wat dorpen geheel of deels ontvolkt en verwoest. Ook daarna bleef het tot 1609 nog bijzonder onveilig. In dit eerste deel van de oorlog werd veel vernield of beschadigd, inclusief dorpsarchieven. Het Twaalfjarig bestand bracht een korte economische opleving met herbouw, maar na 1629 zaten de dorpen weer tegen nieuwe problemen aan te kijken: naast opnieuw stroperijen ook een dubbele belastingheffing. 2.8.2

Herbouw

Mogelijk al enigszins na 1600, zeker tussen 1609 – 1621 en vooral na 1648 moet er veel herbouwd zijn. Het is dus te verwachten dat heel wat nu nog bestaande gebouwen in hun kern tot deze periode zullen teruggaan, al kunnen er hier of daar oudere bouwdelen bewaard gebleven zijn. Die zijn dan heel belangrijk en zeldzaam. De bouwwijze van het boerderijhoofdgebouw, het woonstalhuis, veranderde niet wezenlijk. Hooguit werd er op den duur meer baksteen verwerkt in de wanden van het woonhuis: de beginnende verstening van de boerderij. Bij de herbouw van de schuren kwam kennelijk een nieuw schuurtype in de mode: de Vlaamse schuur, waarin men langs de lange zijde van voor naar achter kon doorrijden met een beladen kar. Daarvoor moet dan het dak opwelven, wat deze schuren hun typische uiterlijk geeft. Dergelijke schuren waren zelfs exportproduct want de Eerselse timmerman Bartolomeus Jacob Jansen leverde in 1627 de gebintenconstructie voor de grote Vlaamse schuur van Gageldonk te Princenhage die er nog altijd staat.135 Behalve boerderijen moesten er ook woningen herbouwd worden voor landarbeiders, wevers en handelaren zoals de Teuten. Deels was daarbij de bouwwijze een sterk verkleind boeren woonstalhuis,

133 Adriaenssen, 2007, 271. 134 Adriaenssen, 2007, 152, 235. 135 Leenders 1977, 71.

65

deels bouwde men op andere wijze. De rijkdom van de opdrachtgever zal mede bepaald hebben hoeveel baksteen daarbij toegepast werd. Met de herbouw van kerken ging het moeizaam. De middeleeuwse kerkgebouwen waren overgedragen aan de vaak minuscule of zelfs ontbrekende protestantse gemeenten die voor herstel echt geen geld hadden. Wat er van die oude kerken overbleef hing dus af van de opgelopen schade en de omvang van de protestantse gemeente. De kerktorens waren vaak in beheer bij het dorp of daarvoor kon men nog wel eens een tiendheffer interesseren omdat de tiendklok erin hing. Bovendien zijn kerktorens vaak wat steviger gebouwd. Zo kan het dus gebeuren dat van een oude kerk alleen de toren de zeventiende en achttiende eeuw overleefd heeft. De wat grotere kapellen werden aan geestelijk gebruik onttrokken en – als ze daarvoor gunstig gelegen waren – soms als schooltje ingericht. De oude pastorie bleef soms in handen van de abdij die ook het patronaatsrecht en het tiendrecht van de parochie bezat. Financiële regelgeving maakte dat deze instellingen de opbrengsten van hun bezit niet uit Staats-Brabant mochten exporteren. Daarom werd dat geld onder andere gebruikt om de pastorie fraai uit te bouwen. Rond 1500 hadden enkele rijkere plaatsen zich al een stenen raadhuis gebouwd. Dat werd ook zover en zo vlug mogelijk hersteld.

In andere dorpen kwam er pas financiële ruimte voor een raadhuis in de tweede helft van de achttiende eeuw.

De Marskramer van Jeroen Bosch en een valkenier. Teuten en valkeniers waren twee belangrijke ondernemende beroepsgroepen. 2.8.3

Schuil- en schuurkerken, grenskapellen

De regelgeving op het gebied van de godsdienstvrijheid maakte dat de katholieken in 1648 hun kerk moesten afstaan aan de protestanten. Bovendien mochten ze geen nieuwe kerk stichten en mochten de priesters al helemaal niet herkenbaar over straat gaan. Aanvankelijk was de protestantse overheid daar heel streng in. In die periode zijn her en der, net over de toenmalige grens van Staats-Brabant, kapellen opgericht waar men wél de kerkelijke plichten kon vervullen. Soms werd daar zelfs een speciale weg naar aangelegd. “Kerkdijk” is dan een typische naam. Het meest bekend is wel de Achelse Kluis die uitgroeide tot een compleet landgoed en klooster. Na 1672 werden de regels minder streng nageleefd en trad een systeem van systematische omkoping van de schout in werking. Als men hem een bedrag toeschoof, kneep hij een oogje dicht. Maar als de schout wat meer wilde, deed het gewoon weer eens een inval… Het werd nu mogelijk ook op de gehuchten schuurkerken te bouwen, soms zelfs op verrassend korte afstand van de oude kerk. In de achttiende eeuw gaf de Raad van State zelfs toestemming om die schuurkerken volgens ingediende bouwtekening te verbeteren.

66

2.8.4

Dorpskomvorming

De middeleeuwse kerken hadden sinds de late dertiende eeuw vaak vrij eenzaam in de akker gestaan. In enkele plaatsen was er in de bloeiperiode rond 1500 een kleine dorpskom bij gevormd, maar nu die kerk in protestantse handen gevallen was, was daarbij niets meer te verdienen. Des te meer werd dat in de achttiende eeuw mogelijk nabij de schuurkerk. Daar ontstond soms een heuse nieuwe nederzetting. In die dorpskommen vinden we rond 1800 geen of weinig boeren, maar vooral verzorgers (smid, bakker, slager, herberg, bestuurders), verzorgden (“particulieren”, renteniers, weduwen) en in enkele dorpen ook handelaren, wagenvoerders en teuten. 2.8.5

Wegen

Het is weinig bekend, maar na 1650 is men het stelsel van doorgaande wegen in deze streek gaan verbeteren. Zeker op de heide werden ze rechtgetrokken, opgehoogd tot dijken, voorzien van een tonrond wegdek en met bomen beplant. Of daar enige coördinatie bij was is onbekend, maar het resultaat beviel zo goed, dat in 1697 verordonneerd werd om overal in de Meierij de wegen op die manier te verbeteren. Een jaartje later gaf de prins van Oranje als heer van Cranendonk aldaar eenzelfde bevel uit. In de loop van de daaropvolgende eeuw zijn zo hier en daar nog wegen op deze manier verbeterd. Zo kwam de Bredase Baan tussen Bladel en Bergeijk pas in 1788 aan de beurt! Geheel nieuw was het project om een “moderne” en zelfs bestrate weg aan te leggen van Den Bosch naar Maastricht. De zandbaan kwam een heel eind gereed (vanaf Valkenswaard zuidwaarts werd er in 1789 aan begonnen), maar de bestrating kwam in 1800 vanuit Den Bosch nog maar tot Best. Waar zo’n nieuwe weg gereed kwam, werd het stil op de oude middeleeuwse banen die erdoor vervangen werden. 2.8.6

Bebossing van de Meierij

In de tweede helft van de achttiende eeuw kwam bij landgoedeigenaren en weldenkende lieden die in deftige salons bijeenkwamen het idee op dat de uitgestrekte heidevelden maar van weinig nut waren. Men wilde ze ontginnen tot boerenland en er mensen op laten wonen en werken. Op hun landgoederen probeerden de heren een en ander uit om te ontdekken dat het mestprobleem te groot was. Wat wél lukte was om er bos van te maken. Zo kwam een nieuwe bebossingsgolf op gang, die min of meer bekroning vond in een ordonnantie van Maria Theresia uit 1772 voor de Zuidelijke Nederlanden die de bebossing van de heide beval. Een laatste bron van nieuwe bossen lijkt de uitputting van de alleroudste akkers te zijn. Het fenomeen werd bij Oerle en Den Hout (Oosterhout) eerder al opgemerkt, maar het trad ook op in Bergeijk, Westerhoven, Riethoven en Knegsel. Kennelijk was door 100 jaar of meer gebruik als akker de kwaliteit van die grond zover teruggelopen, ondanks alle bemesting, dat men over ging op het kweken van hakhout. De kadasterkaart van 1830 toont dan hakhoutbossen die net zo kleinschalig verkaveld zijn als de naastliggende akker, terwijl dat voor bos helemaal niet handig is! Nieuwe bossen op oude heide kenmerken zich echter steeds door grote ruime percelen. De bossen van de achttiende eeuw zijn veelal loofhoutbossen, met zo hier en daar een stukje met dennen.

Populieren werden op rij geplant op perceelsgrenzen en nooit in bossen. 2.8.7

Molens

De oude standerdmolen bleef het overheersende type. Heel wat molens zullen na 1600 herbouwd zijn. Sporadisch komen er geïmporteerde Hollandse achtkanters voor. Met baksteen gebouwde ronde molens komen in het Land van Breda vanaf 1676 voor. Hier in de Kempen…? Tot 1795 verhinderde de oude wetgeving dat er nieuwe graanmolens bijkwamen. De bestaande molens stonden soms ver van de bewoonde wereld, maar de inwoners waren toch verplicht daar hun graan te laten malen.

67

2.8.8

Grenskwesties

Volgens de Vrede van Munster uit 1648 hoorde heel de Meierij tot Staats-Brabant. Maar waar hield de Meierij op? De Raad van State meende dat ook Postel er bij hoorde, hoewel die abdij altijd onder de voogdij Mol gehoord had en dus tot het Kwartier van Antwerpen behoorde. Dat leverde een tegenclaim op: het Zuiden meende dat Bladel en Reusel bij Postel en dus de Zuidelijke Nederlanden hoorde. Elders langs de grens waren er kleine onduidelijkheden die herkenbaar aangegeven zijn op de beroemde kaart die de graaf van Ferraris in 1772 – 1777 van de Zuidelijke Nederlanden maakte. Pas in het Verdrag van Fontainebleau in 1785 werden deze kwesties opgelost. Reusel, Bladel en Lommel bleven bij het Noorden horen, Postel en Luyksgestel bij het Zuiden. Zo ver we weten heeft dit verdrag niet tot nieuwe grenspalen geleid. Bij de voorbereiding van dit verdrag werden er Ferrarisachtige kaarten gemaakt van Bladel en Reusel. 2.8.9

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=ReuselDeMierden&id=12324f8a-875e-4cca-9030-4ccb3c13d364