CConstaterende datReusel-De Mierden
Koppel je AI →
Document · PDF

[20.19429] - Bijlage: Cultuurhistorie uitgediept erfgoedkaart Reusel-De Mierden

Gemeenteraad 13 juli 2021, gemeente Reusel-De MierdenBij agendapunt: Raadsvoorstel erfgoedbeleid Reusel-De Mierden38.717 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

73 Drenth 2016. 74 Drenth 2009, 242. 75 Hiddink 2014b. 76 Slofstra 1991. 77 Weerden 2008; Bink 2011. 78 Roymans 1991, 68. 79 Arnoldussen et alii 2016.

23

IJzertijdboerderijen in het Historisch Openluchtmuseum. De fysieke aanwijzingen voor akkergronden, in de vorm van grondsporen, zijn nog steeds beperkt voor de late prehistorie. Op een vijftal vindplaatsen uit de (met name de vroege) ijzertijd zijn ploegsporen teruggevonden. Gelijktijdigheid tussen bewoning en akkers wordt verondersteld voor Geldrop-Luchen, Engelen-Kraanvogel en - Noord en Herpen-Wilgendaal.80 Hier liggen de akkers op korte afstand van het erf. Voor de vindplaats Vlijmen-De Grassen concluderen de opgravers dat een erf uit vroege ijzertijd ná verlating in gebruik is genomen als akker. Locatiekeuze voor een akker werd hier dus bepaald door een

80 Resp. De Leeuwe 2010; Mooren 2006; De Koning et al. 2003; Ball & Jansen 2002.

24

verlaten erf. Ingebruikname van oude erven voor het inrichten van akkers en/of tuinen wordt ook voor enkele westelijk Noord-Brabantse vindplaatsen verondersteld.81 Een veel gehoorde theorie over de relatie tussen nederzettingen en urnenvelden is dat de urnenvelden de foci ofwel plaatsvaste sites in het landschap waren waaromheen de nederzettingen ‘zwierven’, het zogenoemde zwervende erven-model.82 De urnenvelden zouden de collectieve identiteit van de lokale gemeenschappen hebben gesymboliseerd en uitdrukking te hebben gegeven aan territorialiteit. Grond zou geclaimd dan wel het bezit ervan zou gelegitimeerd zijn door met behulp van bovengronds zichtbare graven van de (vermeende) voorouders aan te geven dat land al lang in bezit van de familie dan wel de eigen sociale groep was. Dit model voor de Late Bronstijd en de IJzertijd heeft inmiddels de nodige kritiek gekregen en gewezen is op de diverse aanwijzingen voor meer plaatsvaste woonplaatsen en stabielere erven.83 De term ‘plaatsvaste nederzettingsarealen’ wordt daarbij in de mond genomen. Overigens is kortgeleden naar aanleiding van de site Baarle-Nassau-Klein Bedaf tevens gewezen op het vermoedelijke voorkomen van plaatsvaste nederzettingen in de Midden-Bronstijd.84 Ook de ontdekkingen op de al eerder genoemde site Ekkersrijt doen plaatsvastheid vermoeden.

Hoewel veel erop wijst dat de lokale gemeenschappen in de Late Bronstijd en IJzertijd op de ZuidNederlandse Pleistocene gronden vooral zelfvoorzienende eenheden waren, betekent dit niet dat zij in splendid isolation leefden. Contacten met andere sociale groepen elders waren er wel degelijk, getuige onder meer het feit dat zout uit het West-Nederlandse kustgebied en tefrieten maalstenen uit het Midden-Rijngebied werden betrokken. Daarnaast was er een netwerk waarin behalve de Nederrijnse grafheuvelcultuur de Hallstatt-cultuur in Centraal-Europa deelnam.85 Op deze manier verwierf men in Zuid-Nederland metalen voorwerpen, zoals bronzen en ijzeren zwaarden evenals bronzen ketels en situla’s. Naar het zich laat aanzien, waren binnen de genoemde regio deze contacten vooral of exclusief in handen van de elite. Met de bovengenoemde voorwerpen konden de bezitters zich onderscheiden van de andere leden van de eigen gemeenschap dan wel hun hoge sociale positie benadrukken. Bij de verspreiding van deze prestige-items of statusobjecten valt het overigens op dat zij sterk gebonden zijn aan de loop van de Rijn en vooral de Maas. Voor de Kempen kan slechts gewezen worden op een bronzen zwaard uit Bergeijk (zie figuur hieronder).86

Bronzen zwaard uit Bergeijk daterend tussen 995 en 900 v.Chr. (bron: RMO Leiden). Op basis van het aantal en de omvang van urnenvelden evenals het aantal gelijktijdig bewoonde huizen in een nederzetting – men gaat doorgaans uit van twee à drie exemplaren, waarbij het gemiddelde aantal bewoners per boerderij op 6 wordt geschat -, is een schatting gemaakt van de bevolkingsdichtheid aan het begin van de Vroege IJzertijd. De uitkomst is 3 tot 4,5 personen per km 2. Ter vergelijking vandaag de dag ligt de dichtheid op ca. 400 personen/km2.

81 Ball et al. 2016, 438-39. 82 Schinkel 2005; zie Ball en Jansen (2018) voor meer uitleg over dit model. 83 Ball en Jansen 2018. 84 Van der Veken en Müller 2016. 85 Roymans 1991; Van der Vaart-Verschoof 2017. 86 Roymans 1991, fig. 6.

25

Impressie van een boerenerf in de late IJzertijd met rondom raatakkers (bron: U. Glimmerveen). Het bovengeschetste beeld voor de Vroege en het begin van de Midden-IJzertijd geldt in hoofdlijnen ook voor de Midden- en Late IJzertijd (resp. ca. 500-275/250 v.Chr. en 275/275-12.Chr.). Vele gebruiken en tradities werden voortgezet, hoewel niet altijd in ongewijzigde vorm. Lijkverbranding bijvoorbeeld bleef de norm, maar ingeval van structuren die de bijzettingen omgaven, overheersten niet langer ronde of ovale greppels, maar vierkante en rechthoekige greppels. 87 In de loop van de IJzertijd werd het grondplan van huizen in Zuid-Nederland veranderd: van drieschepig in de Vroege IJzertijd naar tweeschepig in de Midden- en Late IJzertijd.88 Zuid-Nederland stond tijdens de Midden- en Late IJzertijd duidelijk onder zuidelijke invloed. Een deel van het aardewerk uit de 5e eeuw en het begin van de 4e eeuw is duidelijk geïnspireerd op vormen van de Noord-Franse Marne-cultuur. Wellicht mogen inhumatiebegravingen uit Zuid-Nederland, zoals die aangetroffen te Someren-Waterdael89, vanwege de afwijkende lijkbehandeling toegeschreven worden aan Noord-Franse immigranten.90 Uit Zuid-Nederland kennen we verscheidene cultusplaatsen uit de Midden- en Late IJzertijd in de vorm van vierkante of rechthoekige omgreppelde terreinen.

Cultushandelingen of rituele praktijken zijn verweven met uiteenlopende aspecten van het dagelijkse leven. Ze maken bijvoorbeeld deel uit van het begravingsritueel, maar ook van het bouwen van een huis, de aanleg van een waterput of het verlaten van een huis en/of erf.91 Daarnaast zijn er ook zogenaamde ‘cultusplaatsen’; afgebakende ruimtes bedoeld voor rituele handelingen. In het algemeen lijken deze gerelateerd te zijn aan – of in ieder geval op korte afstand te liggen van – nederzettingen of grafvelden.92 Te Nijmegen-Kops Plateau is wellicht een voorganger met een stenen afbakening uit de overgang van de Late Bronstijd naar de Vroege IJzertijd.93 Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd zijn er voor de Nederlandse IJzertijd verscheidene vondsten aanwijsbaar die als depots kunnen worden geïnterpreteerd. Dit wordt onder meer verondersteld voor bronzen sieraden die in een natte context zijn aangetroffen, zoals beekdalen,

87 Hessing & Kooi 2005, 651. 88 Hiddink 2014b; Schinkel 2005. 89 Kortlang 1999, 150 en fig. 8. 90 Van den Broeke & Hessing 2005. 91 Gerritsen 2003, 95-104; Van den Broeke 2002; Van Haasteren 2011. 92 Zie voor een overzicht Fontijn 2002. Recente voorbeelden dateren uit de (vroeg-)Romeinse tijd. Bekendste voorbeelden uit ijzertijd zijn enkele cultusplaatsen in Oss-Ussen (Van der Sanden 1998). 93 Gerritsen 2003, 150-167.

26

samenvloeiingen van beken en rivieren, vennen en wijstgronden.94 In de Kempen ontbreken ze tot dusver, maar dit lijkt eerder een kwestie van toeval dan een oorspronkelijke afwezigheid te zijn.

2.4

Romeinse tijd (12 voor Chr. – 450 na Chr.): een periode van groei en vooruitgang95

Ria Berkvens 2.4.1

Continuïteit van late ijzertijd naar vroeg-Romeinse tijd?

Rond 50 v.Chr. viel ons gebied in handen van de Romeinen. Voor het eerst worden deze streken vermeld in historische bronnen. Julius Caesar beschrijft de strijd die hij hier voert tegen de Eburonen, een opstandige stam uit deze contreien, die door de Romeinse troepen volledig in de pan worden gehakt. Tot nu toe ontbreken overtuigende archeologische bewijzen van de door Caesar beschreven Gallische oorlogen met massaslachtingen halverwege de eerste eeuw v. Chr. Ook hoe de door historische bronnen genoemde grootschalige verhuizing van Germaanse stammen als de Bataven en Texuandri in de eerste eeuw voor Chr. precies voorgesteld moet worden, blijft een belangrijke onderzoeksvraag voor de komende jaren. Vooral het aantonen van veranderingen in materiele cultuur, de wijze van voedselvoorziening en bouwtradities op basis van scherpe dateringen blijft nodig, want er is nog te weinig zicht op de veranderingen die zich hebben afgespeeld in de eerste eeuw voor Chr. In het algemeen lijken locatiekeuze en bewoningsdynamiek – en alles wat daar mee samenhangt – veel minder grote verschillen te vertonen voor én na het begin van de jaartelling dan is verondersteld. In grote delen van oostelijk Noord-Brabant zijn pas in de loop van de eerste eeuw grote veranderingen te zien in huizenbouw, uitleg van nederzettingen en de import van gebruiksgoederen.

Tot die tijd blijft de huizenbouw en de erfsamenstelling zeker in het zuiden nog sterk geënt op ijzertijdtradities met gemengde boerenbedrijven en kleinschalige landbouw. Grote veranderingen zien we vooral vanaf circa 70 n. Chr., na de Bataafse Opstand, wanneer het Romeinse bestuur zijn invloed en bemoeienis op oostelijk Noord-Brabant vergroot.96

Gouden munt, toegeschreven aan de Gallische stam de Ambiani (rond Amiens in Frankrijk), gevonden in Bladel.

94 Van den Broeke 2001. 95 Berkvens 2018. 96 Van der Linde 2016; Ball et al. 2016.

27

De verspreiding van de inheemse stammen in het noordelijk frontiergebied van Gallia Belgica rond 20/30 na Chr. (naar Slofstra 1991,185). 2.4.2

Vroeg Romeinse tijd

In Nederland begint de Romeinse tijd in 12 v.Chr., toen alle stammen in Nederland, inclusief die ten noorden van de grote rivieren, door de Romeinse veldheer Drusus waren onderworpen. Vanaf het midden van de 1e eeuw n.Chr. werd de Rijn de noordgrens van het Romeinse Rijk in West-Europa. Rond de jaartelling woonden hier verschillende groepen, die leefden in een redelijk georganiseerde maatschappij van lokale leiders en stammen. Deze groepen werden opgenomen in het Romeinse Rijk en integreren langzaam in de nieuwe Romeinse maatschappij. Langzaam komt het gebied onder het Romeinse bestuur tot grote bloei. De Texuandri, zoals de bewoners van de Zuid-Nederlandse en NoordBelgische zandgronden vanaf de eerste eeuw heten, worden administratief ingedeeld bij de Civitas Tungrorum, met thans het Belgische Tongeren als hoofdstad. In de Late IJzertijd waren de stamoudsten en leden van de elite verantwoordelijk voor de interregionale contacten. Uit de geschreven bronnen is bekend dat de leiders van verschillende stammen onderling verdragen en huwelijken sloten en geschenken en goederen uitwisselden.97 De macht van de elites berustte in belangrijke mate op bezit van grondstoffen, goederen en kostbaarheden (agrarische producten, vee, slaven, goud).

Goederen en kostbaarheden verkreeg men door tribuut (belasting) te heffen, maar vooral ook door het houden van raids (plundertochten) bij naburige stammen. Hierdoor was het nodig dat een leider een gevolg van krijgers aan zich bond. Hij moest zich kunnen beroepen op een voorname afstamming, succesvol zijn in de strijd en ten slotte vrijgevig betonen tegenover zijn krijgers. De hele samenleving was doortrokken van elitaire gedragscodes en de bijbehorende krijgshaftigheid. Tegen deze achtergrond werd deze regio ingelijfd in het Romeinse Rijk en werd de Kempen onderdeel van een honderd km brede grenszone tussen de Rijn en het Gallische achterland. Dit gebeurde vooral na de Bataafse opstand. Omdat dit gebied nooit door een paar Romeinse legioenen gecontroleerd kon worden, schakelde men (gebruik makend van de al heersende krijgshaftige instelling) inheemse groepen in. De stammen in de hedendaagse Benelux en aangrenzende Duitse Moezel- en Rijngebied leverden in de Vroeg Romeinse tijd maar liefst 5 alae (cavalerie) en 31 cohortes (infanterie), in totaal zo’n 18.000 manschappen.98 Dit impliceert dat mannen 97 Roymans 1990 98 Roymans 1995, 1996

28

uit talloze families in het Romeinse leger dienden en dat het krijgshaftige karakter van de samenleving lang in stand bleef.

Veel Romeinse legionairs werden gerekruteerd bij de lokale bevolking. Deze krijgshaftigheid komt tot uiting in het voorkomen van graven met wapens in de 1e eeuw n.Chr.99 Een dergelijk krijgersgraf is bijvoorbeeld aangetroffen in Someren. Het gaat om een graf uit de Augusteïsche of Tiberische periode, waarbij de dode is begraven met bijgiften als een Romeins zwaard, een schaar, een scheermes en een kruik. Hij was bijgezet in de greppel van een ouder graf, een zogeheten langbed binnen een urnenveld dat toen al een paar eeuwen buiten gebruik was. 100 Ook bij Bladel is een graf gevonden uit de periode voor 50 na Chr. In dit graf zijn geen wapens mee begraven, maar wel Romeinse producten die in die periode uitsluitend via contacten met het leger verkregen kunnen zijn.101 Daarna komen een tijdlang geen wapengraven meer voor. Pas in de vierde eeuw, worden ze weer aangetroffen.102 In de meeste nederzettingen in oostelijk Noord-Brabant is in de vroeg-Romeinse tijd sprake van een verspreid nederzettingspatroon met een uitleg waarbij huizen parallel naast elkaar lagen en meestal dezelfde oriëntatie hebben. Met name in de Maaskant zijn veel nederzettingen omgreppeld, een fenomeen dat we ook al zagen in de late ijzertijd.

Het aantal nederzettingen groeit sterk vanaf het begin van de jaartelling, waarschijnlijk als gevolg van de vraag naar voedselmiddelen en gebruiksgoederen vanuit steden, legerkampen en de vici. Nederzettingen komen in heel oostelijk Noord-Brabant al voor vanaf het begin van de eerste eeuw en bestaan dan uit drie tot vier erven. In het laatste kwart van de eerste eeuw n.Chr. worden huizen steevast op hetzelfde erf herbouwd en lijken nederzettingen te zijn ingedeeld in percelen, hoewel erfscheidingen, zoals die in Uden-Noord, maar zelden worden aangetroffen. Mogelijk zien we hier de gevolgen van gewijzigde bezitsverhoudingen en/of afhankelijkheidsrelaties die volgden op de reorganisatie van de civitates na de Bataafse opstand. 2.4.3

Romeinse overheersing

De Romeinse aanwezigheid heeft in het gebied ten zuiden van de Rijn ruim vier eeuwen geduurd en deze resulteerde in ingrijpende veranderingen voor de inheemse samenleving van onder andere de Noord-Brabantse zandgronden. De Romeinen introduceren hier een groot aantal technische innovaties, waarbij gedacht kan worden aan gereedschappen, landbouwwerktuigen, dakpannen, waterleiding, glas, 99 Hiddink 2004 100 Roymans en Kortlang 1993, 33 101 Slofstra 1982, 99-100 102 Van Ginkel en Theunissen 2009

29

vloerverwarming, badhuizen en een uitgebreid wegennet. Voor het eerst werd met geld betaald in plaats via de traditionele ruilhandel. Een van de meest gebruikte goederen, aardewerk, werd voortaan geïmporteerd vanuit pottenbakkerijen, zoals in het Duitse Rijnland en uit het huidige Frankrijk. Een wezenlijk verschil met het inheemse aardewerk, waarvan de productie in de eerste eeuw zelfs geheel werd gestaakt, was dat het hardgebakken Romeinse aardewerk op de draaischijf was gemaakt, in tegenstelling tot het handgevormde zachtgebakken inheemse aardewerk. Ook is de invloed van de Romeinen op de inheemse agrarische economie zeer groot geweest. Er werden nieuwe gewassen ingevoerd, die sindsdien lokaal zijn verbouwd, waaronder peer, perzik, druif, selderij en walnoot en tamme kastanje. Ook in de veestapel veranderde veel, zoals onder andere de introductie van de kip.

Zuidoost-Brabant maakt vanaf circa 70 n.Chr. deel uit van de Romeinse provincie Germania Inferior en ligt daarbij in de Civitas Tungrorum met als hoofdstad Tongeren. Afhankelijk van de landschappelijke omstandigheden werd in de Romeinse tijd gekeken naar de verschillende mogelijkheden voor economische exploitatie van gronden en grondstoffen in de diverse (micro-)regio’s. Nieuwe nederzettingen als Helmond-Mierlo-Hout, Lieshout–Nieuwenhof, Uden-Noord, Veghel-Scheifelaar en Nistelrode-Zwarte Molen worden geïnterpreteerd als (grootschalige) gespecialiseerde bedrijven vergelijkbaar met de bedrijfsmatig ingerichte villa’s op de lössgronden. Een

30

akkerbouwbedrijf zal meer opleveren op de meer leemrijke, vruchtbare en niet te natte gronden, terwijl een veeteeltbedrijf voldoende hooi- en weidegronden tot zijn beschikking moet hebben. Rond Eindhoven, Uden en Weert is mogelijk nauwelijks sprake van akkerbouw, maar wel van veeteelt. Het hoge aantal graslandpollen wijst op weilanden en het gebrek aan cultuurgewassen laat tegelijkertijd zien dat er weinig geakkerd werd. Ook waterputten in Best-Aarle hebben aanwijzingen opgeleverd voor het grote belang van veeteelt. Mogelijk hadden deze Aarlese gemeenschappen zich in de loop van de Romeinse tijd zich in belangrijke mate gespecialiseerd in het houden van vee. Het uitgestrekte moerasgebied de Peel lijkt in de Romeinse tijd uitgestorven. Sporen van bewoning of begraving ontbreken hier volledig in tegenstelling tot de zones rondom het moerasgebied, waar volop bewoning plaats vond. De moeraszones en hoogveen zullen niet aantrekkelijk zijn geweest als woongebied, maar mogelijk des te meer als religieus landschap.103 2.4.4

Erf en nederzetting in de Romeinse tijd104

De belangrijkste elementen op een agrarisch erf in de Romeinse tijd zijn de boerderij met daar omheen de bijgebouwen en een waterput. Vergelijkbaar met eerdere perioden lijkt er geen sprake van een gestandaardiseerde inrichting en de aanwezigheid en aantallen van bijgebouwen, waterputten en woonhuizen verschilt sterk per nederzetting. Het is ook niet altijd duidelijk of er binnen een nederzetting sprake is van meerdere individuele erven of dat er sprake is van één samengesteld erfcomplex. In het laatste geval vormen meerdere boerderijen samen één agrarisch bedrijf. Deze nieuwe nederzettingsvorm, die in uitzonderlijke gevallen uitgroeide tot een villa rustica of groot landbouwbedrijf met een stenen hoofdgebouw, zijn een duidelijke verandering ten opzichte van de late prehistorie. Het inrichten van grootschaligere bedrijven hangt mogelijk samen met de verdeling van grond(bezit) en het zo optimaal mogelijk exploiteren van de bestaansbronnen in de Romeinse tijd waar we vanuit archeologische bronnen echter nog maar weinig grip of bewijs voor hebben. Deze herverdeling lijkt ook de oorzaak te zijn van het nog sterker concentreren van huizen in de Romeinse tijd.

Hoewel erfafscheidingen veelal ontbreken, lijken de huizen door de tijd heen veelal op dezelfde plek of daar direct aansluitend gebouwd te worden, ook al was daar beperkt ruimte of was er sprake van een slechte ondergrond (zoals bij het overbouwen van oude waterputten). De erven lijken daarmee systematisch verdeeld te zijn over percelen land. Dit lijkt ook te gelden voor de in Reusel-Zuid deels opgegraven grote nederzetting.105 Dit beeld wordt goed zichtbaar in de onderzochte delen van Romeinse dorpen (vici) in de vorm van lintbebouwing, zoals zichtbaar in Cuijk en Venlo, waarbij lange percelen dwars op de straat worden ingericht met lange smalle huizen aan de voorzijden en werkruimten achterin op het perceel. Na 70 n.Chr. ontstaan in oostelijk Noord-Brabant ook grotere, planmatig aangelegde nederzettingen die gericht waren op het produceren voor de markt, zoals Nistelrode-Zwarte Molen, Hoogeloon en OssWesterveld, waarbij verkavelingssystemen rond de erven en de nederzetting wijzen op landindeling. In het zuiden vindt rond 150-200 n.Chr. een bouwgolf plaats wanneer de nederzettingen in Oerle-Zuid, Helmond-Mierlo-Hout en Veghel-Scheifelaar worden gesticht. In deze periode verandert ook de indeling van de nederzetting in Lieshout-Nieuwenhof naar een axiale indeling en wordt de villa van Hoogeloon uitgebreid.

Er worden nieuwe nederzettingen gesticht op plekken waar eerder geen bewoning plaatsvond.

103 De vondst van de helm bij Helenaveen, als onderdeel van een militaire uitrusting (waaronder een leren patrouilletent), duidt op een bewuste depositie in een natte context. Een gebruik wat blijkbaar al eerder in het gebied voorkwam, getuige de vlakbij gevonden sierschijf van Helden uit de eerste eeuw v.Chr. 104 Berkvens 2018. 105 Bij De Hoef in Hulsel wijzen vondsten ook op de aanwezigheid van een Romeinse nederzetting.

31

Plattegrond van de Romeinse nederzetting van Reusel-Zuid die in gebruik was vanuit de late IJzertijd tot bijna het eind van de 3e eeuw n.Chr. Deze nederzettingen verschilden fundamenteel van hun voorgangers uit de latere ijzertijd en vroegRomeinse tijd. Dat kan ook bijna niet anders, als men bedenkt dat de verovering door de Romeinen zorgde voor de komst van groepen nieuwe bewoners, de herverdeling van grondbezit, het betalen van belastingen, het ontstaan van een markteconomie en de groei van slavenarbeid en afhankelijke arbeiders. In sommige gevallen lijkt zelfs sprake te zijn van een bedrijf dat bestond uit diverse gebouwen met werk- en woonfuncties, zoals in de nederzettingen van Oerle-Zuid, LieshoutNieuwenhof, Helmond-Mierlo Hout en Nistelrode-Zwarte Molen. De dicht op elkaar gesitueerde huizen met bijgebouwen zijn hier gegroepeerd rond een open plaats waarbij gezamenlijk gebruik werd gemaakt van één of meer waterput(ten). De axiale symmetrie van deze nederzettingen komt sterk overeen met villa-terreinen, de villa rustica, waarbij naast het hoofdgebouw meerdere rijen met bedrijfsgebouwen aanwezig waren.

Het is goed mogelijk dat het hier dan ook gaat om grote boerenbedrijven, gesticht door de staat of grootgrondbezitters en verpacht aan pachters, waarbij naast een woonhuis, werkruimten en/of stallen, ook onderkomens aanwezig waren voor de al dan niet afhankelijke landarbeiders. Daarnaast zijn er nog andere aanwijzingen voor grootschalige productie in de vorm van structuren voor opslag en ambachtelijke activiteiten, die aan de randen van diverse nederzettingen voorkomen. De grote hoeveelheid gestempelde dakpannen en de maatvoering in de nederzettingen NistelrodeZwarte Molen en Oss-Westerveld wijzen op de invloed van het Romeinse leger. Deze bouwgolf valt niet alleen samen met de bouw van de tempels bij Empel, Kessel en Cuijk aan het einde van de 1e en begin van de 2e eeuw, maar ook met de verbetering van de wegenstructuur in de Limes. Ervaring en de benodigde kennis om in steen en volgens Romeinse bouwschema’s te bouwen was in eerste instantie waarschijnlijk niet bij de lokale bevolking aanwezig. Dat gold ook voor de bouw van een villa in steen zoals in Hoogeloon. Deze vormt tot nu echter nog de enige stenen villabouw in oostelijk Noord-Brabant en zal in de 2e eeuw n.Chr. gebouwd zijn door stedelijke ambachtslieden, vermoedelijk uit Tongeren.

De villa van Hoogeloon fungeerde als verzamelbedrijf op regionale schaal, waarbij omringende afhankelijke pachtnederzettingen vee teelden voor de stedelijke markt via de pachtheer, de 32

villaeigenaar. De villa diende als centrale plaats van waaruit transporten richting de markt (vermoedelijk Tongeren) plaatsvonden. De transformatie van omgreppelde nederzetting in de 2 e eeuw tot een villa met steenbouw heeft, in tegenstelling tot de zuidelijkere lössgronden en het rivierengebied, in oostelijk Noord-Brabant zelden plaatsgevonden. Volgens Roymans, Hiddink en Derks106 zou dit te wijten zijn aan de Texuandriese bewoners die hun prehistorische stamidentiteit koesterden en door de slechte bereikbaarheid van dit vermeende afgelegen gebied. Hoe de prehistorische identiteit van de Texuandri zich echter verhoudt tot de veronderstelde verdrijving van de oorspronkelijke inheemse Eburonen uit dit gebied, is niet duidelijk. Naast deze middelgrote villa van Hoogeloon worden er villa-nederzettingen zonder stenen hoofdgebouw onderscheiden. Het gaat hierbij om nederzettingen met axiale indeling en met porticushuizen of andere typen hoofdgebouwen, waarin Romeinse maatvoering, (bak)steen, vensterglas en/of ijzeren nagels in de constructie werden gebruikt. Dit gespreide en diverse beeld van de nederzettingen in het onderzoeksgebied reflecteert de complexe Romeinse maatschappij, die zowel inzette en stuurde op de exploitatie van het natuurlijke landschap door grootgrondbezitters als door afhankelijke pachters en zelfstandigen.

Het zorgde voor sociaaleconomische welvaart voor haar inwoners en daarmee politieke rust in dit deel van het Rijk.

Reconstructie van de planmatig aangelegde Romeinse nederzetting bij Helmond-Mierlo-Hout, gesticht in de tweede helft van de 2e eeuw n.Chr. en in gebruik tot circa 250 n.Chr. Eén van de zijden werd afgesloten door een langgerekte spieker of spiekerij (De Jong et al. 2015, 126, afb. 75). De opname van oostelijk Noord-Brabant binnen het Romeinse rijk en het daarbij horende imperiumwijd verbreid informatie- en handelsnetwerk, bracht op veel vlakken voor de inwoners veranderingen met zich mee. Naast andere bouwstijlen, zien we de veranderingen vooral in het gebruik van nieuwe producten en materialen als draaischijfaardewerk, muntgeld, vensterglas, natuursteen, ijzeren nagels en grofkeramisch bouwmateriaal. Hoewel het effect hiervan pas duidelijk zichtbaar wordt in de archeologische neerslag in de loop van de eerste eeuw, zal het begin al liggen in de eerste eeuw vóór Chr. als het zich beperkt tot de leden van de plaatselijke aristocratie. In de loop van de eerste eeuw en het begin van de tweede eeuw n.Chr. begon het nederzettingslandschap op het platteland van Zuidoost-Nederland langzaam, maar zeker niet overal gelijktijdig te veranderen. De meeste nederzettingen in oostelijk Noord-Brabant lijken te hebben bestaan uit gemengde en deels zelfvoorzienende boerenbedrijven, gerund door vrije of afhankelijke boeren, waarbij men naast het houden van vee ook deed aan akker- en tuinbouw.

Een deel van de opbrengst werd in de vorm van 106 Hiddink & Roymans 2015, 46; Roymans & Derks 2015a, 12-18.

33

belastingen overgedragen aan de Romeinse autoriteiten. Het grote scala aan niet-lokale producten, zoals veel aardewerk, specifieke etenswaar, dakpannen, maal- en slijpstenen, bepaalde gereedschappen, sieraden, glas en soms zelfs terracotta beeldjes, die in deze nederzettingen voorkomen, zal via de verkoop van eigen producten, op de markt zijn verkregen. De aard van deze producten en daarmee de economische specialisatie van de boeren is moeilijk te achterhalen door het gebrek aan eenduidige en grote aantallen zoölogische en botanische resten. Ook over eventuele ambachtelijke productie weten we weinig. Naast de kleinere boerenbedrijven ontstaan in de loop van de vroege en midden-Romeinse tijd ook grotere boerenbedrijven die zich gaan richten op een bepaalde vorm van veeteelt of akker-/tuinbouw. Vooral na 70 n.Chr. groeit de markteconomie wat blijkt uit het verdwijnen van handgevormd aardewerk en de opkomst van de munteconomie. In de regio rond Best, Uden en Weert wijst het hoge aantal graslandpollen op overvloedige graslanden en wordt als bestaansbasis van de nederzettingen dan ook hoofdzakelijk gedacht aan veeteelt. Of het hier dan om runderen of om schapen of geiten dan wel varkens gaat, is nog de vraag.

Voor de villa van Hoogeloon en de omliggende nederzettingen wordt uitgegaan van grootschalige teelt van runderen vanwege een grote veekraal met drenkkuil en de afwezigheid van een graanopslag. De runderen werden enerzijds gefokt voor het vlees en anderzijds voor het gebruik als lastdier. Botanische analyse wijst overproductie van graan in ieder geval af, maar het telen van kruiden, groenten, fruit en noten op grotere schaal, is niet uit te sluiten. Om een goed product te garanderen was kennis nodig, wat zeker bij bijvoorbeeld de productie van draaischijfaardewerk, niet in de provincie aanwezig zal zijn geweest. Hiervoor zal een beroep zijn gedaan op vaklieden in de steden, vici of het leger. De productie werd verder afgestemd op de vraag vanuit de markt, zoals het meer produceren van het bij de Romeinen geliefde varkensvlees.

Reconstructietekening van de Romeinse villa van Hoogeloon (tekening M. Kriek).

34

Reconstructie van een Romeinse waanstalboerderij zoals ze ook in Reusel-Zuid zijn aangetroffen. 2.4.5

Grafritueel

Naast grote langdurig in gebruik zijnde grafvelden komen ook nieuwe en soms kortstondig gebruikte kleinere begraafplaatsen als ook losse begravingen voor. De grote grafvelden zijn vaak al vanaf de midden of late ijzertijd in gebruik waarbij een vrijwel continu gebruik van begraven zichtbaar is tot in de midden en zelfs laat-Romeinse tijd, zoals bijvoorbeeld in Someren-Waterdael III. Oudere urnenvelden worden ook geregeld hergebruikt in de Romeinse tijd, waarbij soms bestaande grafheuvels worden gerespecteerd, maar soms wordt er ook bewust overheen gebouwd. Binnen het grafritueel overheersen de crematies; inhumaties komen nauwelijks voor, net als het gebruik van urnen. Verschillen zijn zichtbaar in het al dan niet voorkomen van randstructuren, de vorm daarvan, de verhouding van de verschillende graftypen (en daarmee de verhouding onverbrande versus verbrande bijgiften), de aardewerkassemblage, de soorten dierlijk bot, percentage graven met een munt, etc. In de Romeinse tijd lijken grafkuilen niet meer altijd gemarkeerd door een grafheuvel, maar van deze bovengrondse architectuur van de graven is nog maar weinig bekend. Het bekendst zijn de greppels of ringsloten waarmee het grafareaal in veel gevallen omsloten is. Het is vooralsnog onduidelijk wat de verschillen tussen rechthoekige en ronde grafarealen te betekenen hebben (mannelijk vs. vrouwelijk?).

De meest toegepaste manier van dodenbestel was cremeren, waarbij de dode op een brandstapel werd verbrand, al dan niet met bijgiften, waarna de dode werd bijgezet in een kuil. Deze vorm komt in de meeste grafvelden van oostelijk Noord-Brabant voor. Meer monumentale graven zoals een tumulus of graftoren komen ook voor, maar duidelijk in mindere mate, waarbij ook kleine en grotere varianten voorkomen. Hoogeloon-Kabouterberg en Esch-Hoogkeiteren zijn grafvelden die horen bij villabewoners, terwijl het grafveld van Cuijk-Grotestraat hoorde bij de vicus van Ceuclum. Vooral in Cuijk is het cultuurverschil tussen de bewoners in de vicus en de landelijke nederzetting zichtbaar in de bijgiften, door de vergelijking met het grafveld van Cuijk-Heeswijkse Kampen. Op slechts enkele kilometers afstand van elkaar lijken twee verschillende werelden te bestaan waarbij de inwoners van 35

Ceuclum volop deelnamen aan de Romeinse cultuur en het economisch zichtbaar goed hadden, terwijl de inwoners van Cuijk-Heeswijkse Kampen nog zichtbaar 100 jaar achterliepen in welvaart. Misschien zien we hier wel het verschil in Romeinse staatsburgers en al dan niet vrije boeren, landarbeiders en slaven.

Reconstructie van de kabouterberg bij Hoogeloon met in de hoek de stenen Romeinse graftoren die dateert uit het begin van de 2e eeuw na Chr. De toren moet ongeveer 7 meter hoog zijn geweest. Het monument is het eerste exemplaar dat aangetroffen is op het platteland in Nederland en wel in de directe nabijheid van een Romeinse villa (bron: http://www.vu.nl). Grafvelden liggen vaak op de flank van een dekzandrug, grenzend aan een ven of een zone met natte veldpodzolen van bijvoorbeeld een beekdal. Deze natte plekken speelden blijkbaar een rol in de wereld van de goden wat in Dinther-Retsel duidelijk werd door de vondst van intentioneel gedeponeerde bekers aan de rand van het ven. De grafvelden lagen op veel plekken waarschijnlijk nabij of naast doorgaande wegen, hoewel dat lang niet overal vastgesteld kan worden door het gebrek aan archeologische zichtbaarheid van de wegen. Alleen in Cuijk-Grotestraat is hier duidelijk sprake van, en bestaan er vermoedens van wegen bij Hoogeloon-Kabouterberg, Nederweert-Rosveld en Best-Aarle door de rechtlijnige oriëntatie van graven. 2.4.6

Infrastructuur

In de loop van de eerste eeuw na Chr. worden door de Romeinen wegen aangelegd bij Cuijk en Boxmeer, tempels gebouwd in Empel, Cuijk en Kessel-Lith en een vicus bij Cuijk. De resten van wegen die in oostelijk Noord-Brabant tot nu toe zijn gevonden, zeggen vooralsnog niets over lokale verschillen of over primaire en secundaire verbindingen in het gebied. Buiten de brug bij Cuijk en de doorgaande weg van Nijmegen naar Xanten langs de Maas bij Cuijk en Boxmeer, is er over de infrastructuur in oostelijk Noord-Brabant nog maar heel weinig bekend. Het Maltaonderzoek van de afgelopen vijftien jaar heeft slechts één weg opgeleverd in Lieshout- Beekseweg en LieshoutNieuwenhof Noord. Deze bestond uit twee bermgreppels met een tussenliggende ruimte van 6,5 tot 8 m. Verder zullen op sommige plekken de wegen met grind verstevigd zijn geweest. 107 Het merendeel van de waterlopen in oostelijk Noord-Brabant bestond uit beken die maar beperkt bevaarbaar zijn

107 Hiddink & Roymans 2015, 48-50.

36

geweest. Alleen daar waar de stroom breed genoeg was, zal scheepvaart hebben plaats gevonden. De rest van de beken vormden smalle stroompjes met veel veengroei. Deze beken werden op plekken waar de beek het smalste was, overgestoken. Deze voorden dateren vaak al uit de latere prehistorie. De gevonden brugconstructies bij Hoogeloon, Stamproy en Haelen, laten een damconstructie met of zonder duiker zien, waarbij een houten bekisting opgevuld was met zand, stenen en plaggen en de twee meter brede weg bedekt was met planken of boomstammen.108

Reconstructie van de Romeinse dam met brug over de Kleine Beerze bij Hoogeloon. 2.4.7

Religie

De geloofsbeleving lijkt in belangrijke mate ongewijzigd met de komst van de Romeinen. Deels was dit lokaal geregeld, deels regionaal. Een voorbeeld van een lokaal heiligdom is een vierkante omheining aangetroffen in Hoogeloon. Volgens Slofstra gaat het om een zogenaamde Viereckschanse, een heilige plaats.109 De cultusplaats Empel (Eburoons) is een voorbeeld van een regionaal heiligdom. 110 De oudste vondsten dateren vanaf de Midden/Late IJzertijd. Uit stuifmeelonderzoek blijkt dat het vermoedelijk in aanvang ging om een locatie in de open lucht midden in een eikenbos. In de 1e eeuw na Chr. wordt een tempel neergezet. De aangetroffen vondsten en de herkomst van de aangetroffen munten bevestigen het regionale karakter.111 Wel worden de lokale godheden geromaniseerd. Dit is bijvoorbeeld te zien aan de vondst van een verzilverd bronzen plaatje waarin een veteraan uit het Romeinse leger de naam Hercules Magusanus heeft gegrift. De lokale god Magusanus is vereenzelvigd met de Romeinse god Hercules. Vanaf de Late Bronstijd treedt het verschijnsel op van bronsdeposities in natte contexten, vooral in rivieren en moerassen. Zij bestaan voornamelijk uit bijlen, speerpunten en soms zwaarden. Deze deposities worden meestal aangetroffen in de grote rivieren Maas, Schelde en Rijn. Helaas ontbreken de context en vondstomstandigheden in de meeste gevallen.

Voor dit verschijnsel bestaan twee verklaringen. Ten eerste kunnen zij gezien worden als offers voor de bestendiging van de relatie met voorouders, goden en geesten. Een tweede mogelijkheid is dat zij giften vormen die samenhangen met funeraire tradities.112 In het verlengde daarvan is de vernietiging van kostbaar bezit een uitingsvorm van competitie tussen lokale groepen en hun leiders, waarbij de elite aan prestige kan winnen. Dit kan overigens ook bereikt worden door rijke bijgiften mee te geven aan de doden. In deze periode ontbreken de bijgiften echter, en lijken de natte contexten eerder toneel van sociale competitie. 113 In de

108 Hiddink & Roymans 2015, 45-86. 109 Slofstra 1982, Slofstra en van de Sanden 1997 geven een algemeen overzicht. 110 Roymans en Derks (red) 1994. 111 Roymans en Derks, 1994 112 Hartog, 2002. 113 Roymans / Kortlang 1999, 53-57.

37

Kempen en in de Peel lijken ze gebonden te zijn aan heel specifieke landschappelijke situaties. Hoewel de meeste urnenvelden en grafveldjes werden aangelegd in de nabijheid van vennen, depressies en de kleinere beekdalen, vonden intentionele deposities blijkbaar plaats langs de hoofdwaterlopen in het gebied: de Dommel, Beerze en Aa. Daarnaast is er een groep deposities die ruimtelijk gezien min of meer samenvalt met de randen van de grote veengebieden, maar in beide gevallen lijkt het verspreidingspatroon daarvan dat van de urnenvelden en grafvelden in ruimtelijk opzicht te respecteren. Mogelijk vonden de deposities dus plaats langs bepaalde delen of ‘trajecten’ van het stroomgebied. De associatie van beekdalen met rituele praktijken, zoals het begrafenisritueel en deposities, verdween pas met de kerstening. Vanaf dat moment werden de doden meer en meer begraven in de gewijde grond van de kerk en het kerkhof. Dat impliceerde ook dat de plaats van begraven samenviel met de plaats van samenwonen, die - zoals we zagen - in de lange periode daarvoor min of meer gescheiden posities in het landschap innamen. Met het ‘plaatsvast’ worden van de nederzettingen in de Vroege Middeleeuwen, was op lokaal niveau zelfs sprake van een echt centrum, waarvan het belang door de centrische ordening van de ruimte rond de kerk en het kerkdorp nog eens werd onderstreept.

De positie van de beekdalen in het ruimtegebruik van de lokale gemeenschappen veranderde. Ze behoorden vanaf dat moment tot de marge van de bewoonde ruimte.

2.5

De Laat-Romeinse tijd en de vroeg Merovingische tijd (c. 300- 575): een duistere periode

Een bijzonder aandachtspunt is de dramatische demografische terugval in de Noord-Brabantse regio in de loop van de 3e eeuw. Vrijwel iedere landelijke nederzetting in de Kempen wordt in deze fase verlaten. De datering is opmerkelijk: al voor de befaamde politieke en militaire crisis van de tweede helft van de 3e eeuw. Over de diepere oorzaken van de ontvolking bestaat nog volop discussie. Vanaf 175 is al een terugval te zien, waarschijnlijk als gevolg van invallen van Germanen. Veel nederzettingen, zoals Hoogeloon-Kerkakkers kwamen deze klap aanvankelijk te boven. De villa verdween, maar de nederzetting bleef bestaan. Hoewel met het afval van de villa een nieuwe voorname woning gebouwd werd, werd de welvaart van de tweede eeuw niet meer gehaald. De opleving duurde kort, want tussen 200 en 270 werden de meeste vindplaatsen definitief verlaten. Bij opgravingen in Reusel-Kruisstraat blijkt uit de jaarringen van een houten waterput dat deze uit 240 na Chr. dateert. Na het in onbruik raken van de waterput is nog een huis aangelegd op dezelfde locatie. Dat betekent dat de bewoning hier nog tot zeker tot 270 na Chr. doorgelopen zou hebben. Gezien de algehele ontvolking lijkt er sprake te zijn van een van hogerhand opgelegd gedwongen vertrek. In het Maasdal continueert de bewoning plaatselijk zoals in Cuijk waar in de 4e eeuw een castellum en een brug over de Maas worden gebouwd.

Hoewel het er nog altijd op lijkt dat het grootste deel van oostelijk Noord-Brabant in het laatste kwart van de 3e eeuw verlaten is, zijn er wel aanwijzingen dat het gebied niet volledig werd opgegeven. De laat-Romeinse graven in de grafvelden van Someren-Waterdael en Nederweert-Promopark laten zien dat niet het hele platteland ontvolkt was. Wel lijken de bewoners een andere woonplaats in het landschap te hebben opgezocht dan voorheen. Mede door het beperkte aantal bekende nederzettingen is er relatief weinig bekend over de bewoning in deze periode. Het duurt in ieder geval enkele eeuwen voordat de bevolking van Zuidoost-Brabant weer significant zou gaan toenemen.

38

Impressie van een Romeins boerenerf in Veldhoven- Zilverakkers (bron M. Kriek). Uit de periode 260-300 n.Chr. dateren nog enkele muntvondsten maar de bewoning ontbreekt geheel.114 De meest opvallende muntvondst is een Romeinse muntschat met 2598 munten uit de 3 e, 4e en 5e eeuw die werd aangetroffen langs de weg tussen Hapert en Casteren. De schat bevatte munten van o.a. de Romeinse keizers Tetricus I, Julianus, Valentinianus I, Honorius en Arcadius. De meest opvallende Laat-Romeinse vondst is wel een vergulde zilveren helm die in het veen van de Peel even ten westen van Helenaveen bij Deurne is aangetroffen. De helm dateert uit ca. 320 na Chr. In teksten van Laat-Romeinse auteurs wordt de indruk gewekt dat de streek die met Toxiandria wordt aangeduid, en die vooral met oostelijk Noord-Brabant wordt vereenzelvigd, een rol speelt in de ‘Germanisering’ van het Romeinse Rijk omdat de Franken zich hier in de vierde eeuw zouden hebben gevestigd. Het oude beeld van Germaanse aanvallen en vijandelijke kolonisatie als belangrijk element in de val van het Romeinse rijk staat vandaag de dag echter ter discussie. De archeologie kan in belangrijke mate bijdragen aan het internationale debat betreffende de transformatie van het Romeinse rijk, door nauwkeurig na te gaan op welke wijze in de Laat-Romeinse tijd de bewoning, het landschap en de materiële cultuur veranderen.

Deze veranderingen kunnen vervolgens geïnterpreteerd worden in het licht van nieuwe opvattingen over interculturele contacten tussen bewoners binnen en buiten het Romeinse rijk, over etnische identiteiten, over uitwisseling en migratie. Het heeft lang geduurd voordat archeologisch iets te zien was van de Laat-Romeinse tijd in NoordBrabant terwijl in veel handboeken Toxandria genoemd wordt. Met de ontdekking van nederzettingen uit de late vierde en vijfde eeuw te Gennep, Geldrop, Bergeijk, Alphen, Goirle en Breda-West kwam enig licht in deze duistere periode. De vondsten lieten zien dat er een belangrijke kolonisatiebeweging op gang kwam in de late vierde eeuw en dat de nederzettingen die daarbij ontstonden vrijwel allen weer werden verlaten rond het midden en in de tweede helft van de vijfde eeuw. Met deze kennis bleek het mogelijk een eerste algemeen beeld van de Laat-Romeinse tijd te schetsen. Het debat gaat onder andere over de herkomst van de kolonisten. Daarover bestaan globaal twee visies. In de traditionele opvattingen gaat het om ‘Germanen’ van over de Rijngrens. Voorstanders van deze mening wijzen op de identieke huisplattegronden die aan beide zijden van de Rijngrens voorkomen en het handgemaakte aardewerk dat ten zuiden van de Rijn in gebruik is. Een dergelijke opvatting gaat uit van een homogene ‘Germaanse’ (materiële) cultuur, die ‘meeverhuist’ met de kolonisten.

De weinige nederzettingen die tot op heden opgegraven zijn, laten echter nog een grote differentiatie in omvang, ruimtelijke organisatie, huis- en erfvormen zien. Sommige huizen lijken op die in het noorden, andere niet. 114 Aarts 2000, 95

39

Vermoedelijk is een beeld van kolonisten uit het noorden te eenvoudig en moet rekening worden gehouden (de tweede visie) met meer complexe processen waarin bevolkingsbewegingen in verschillende richtingen gecombineerd met culturele veranderingen en nog moeilijk reconstrueerbare uitwisselingsnetwerken het beeld bepalen. Daarbij moet niet worden uitgesloten dat het initiatief niet zozeer lag bij de ‘Germaanse’ groepen als wel bij de Romeinse staat die een politiek van ‘geadministreerde vestiging’ van bevolkingsgroepen voert. Na het nagenoeg ineenstorten van de Romeinse infrastructuur en bewoning in de tweede helft van de derde eeuw is er een periode van minstens 80 jaar (c. 300-380 n.Chr.) waarin het oosten van NoordBrabant nagenoeg onbewoond bleef. Deze periode wordt gevolgd door de genoemde bewoningsfase van c. 380 tot 480 n.Chr., waarna wederom een periode van ontvolking aanbreekt. Op sommige plaatsen is echter van bewoning sprake zoals in Breda-West waar vanaf c. 470 n.Chr. een kleine nederzetting tot tenminste aan het begin van de zevende eeuw blijft bestaan. De ontvolking van de vroege Merovingische tijd duurt van c. 480 tot 575 n.Chr. Nederzettingen en begravingen uit deze periode zijn tot op heden zeer zeldzaam. In de Kempen is tot op heden alleen bewoning uit de vierde en de vijfde eeuw (‘de duistere eeuwen’) bekend uit Bergeijk en Geldrop.

In beide gevallen gaat het om zeer fragmentair materiaal. Begravingen uit die tijd zijn alleen van Geldrop bekend (enkele zeer vage crematiegraven).

Een bijzonder Merovingisch drinkglas uit een graf in Bergeijk (links), een reconstructie van een Merovingisch krijgersgraf uit Meerveldhoven (rechts) en Merovingische kralen uit een graf bij Casteren (onder) (bron: Thuis in Brabant.nl en Ginkel & Theunissen 2009).

40

Vanaf c. 575 n.Chr. wordt de streek opnieuw gekoloniseerd zoals blijkt uit de grafvelden die door de nieuwe kolonisten worden aangelegd. Begravingen uit deze kolonisatiefase zijn bekend uit de vroegste fasen van circa vijf Kempense grafvelden. Een van de bekendste voorbeelden daarvan is het grafveld van Meerveldhoven en Veldhoven-Oeienboschdijk en Zilverakkers. Deze grafvelden zijn aangelegd door zeer kleine groepen (drie tot vijf families of huishoudens) die verspreid in het woon-akkergebied gevestigd zijn, maar gezamenlijk een grafveld in stand houden.

2.6 Volop beweging in de Middeleeuwen (575 – 1500 na Chr.)115 2.6.1

Vroege Middeleeuwen (575-100 n.Chr)

Na deze duistere periode werd het open heidelandschap langzaam vervangen door een vrij dicht bebost landschap. De bewoning in deze periode bevindt zich op de hoge, vruchtbare delen van het landschap en bestaat uit kleine, verspreid in het landschap gelegen nederzettingen van een of twee boerderijen. De bosbodems op de hogere delen waren relatief droog en bevatten veel humus (moderpodzol). Dat bosgebied, waaraan het achtervoegsel “-lo” nog herinnert, vinden we terug in toponiemen met bijvoorbeeld Loo. Na kap of platbranden waren deze vruchtbare bodems geschikt voor primitieve landbouw. Doordat de grond relatief snel uitgeput raakte, had deze vorm van landbouw een zeer tijdelijk karakter dat het primitieve braakstelsel genoemd werd, wat een tijdelijke verkaveling opleverde. Naast het weiden van varkens in bossen, akeren of eikelen genoemd, liet men ook vaak rundvee in de bossen grazen. Waarschijnlijk leidde gecombineerde landbouw en –veeteelt tot de geleidelijke verdwijning van het bos, zodat er in de Volle Middeleeuwen nog nauwelijks iets van over was. Wat overbleef waren zwaar verarmde en uitgeloogde bodems die deels met heide begroeid raakten.

Reconstructie van een vroegmiddeleeuwse boerderij in Brugge – Sint Andries.

115 Ball & Janssen 2018; Huijbers 2018A en B.

41

Na 650 worden deze streken opgenomen in het Frankische rijk. Uit de Karolingische tijd (circa 750900) zijn in Noord-Brabant verschillende vindplaatsen bekend. Aangenomen wordt dat de nederzettingen zelfvoorzienend waren. De meeste ervan hebben eeuwenlang bestaan. De grootste waarneembare veranderingen bestaan slechts uit de vervanging van oude gebouwen door nieuwe, met als gevolg dat de archeologische ondergrond regelmatig bestaat uit een wirwar van elkaar overlappende plattegronden van allerlei houten gebouwen. De veestapel bestond uit runderen, varkens, schapen, geiten, kippen en tamme ganzen. Het vee werd naar de vochtige en grasrijke beekdalen gedreven. Schapen werden gehoed op de heide. De akkers lagen op de hogere gronden, waar rogge, gerst, haver en vlas werd verbouwd. Na enkele jaren graan verbouwd te hebben, kwam de akker een jaar braak te liggen. Het onkruid dat er groeide en de herfstbladeren zorgden voor enige bemesting, zodat de vruchtbaarheid van de akkers herstelde. Rond 700 na Chr. komt de zogenaamde domeinstructuur tot ontwikkeling. Kleine nederzettingen raken buiten gebruik en de bewoning concentreert zich in grotere nederzettingen. In deze periode worden ook de eerste kerken gesticht in de regio.

Gedurende de Karolingische tijd, van circa 750 tot circa 900 na Chr., ontwikkelde dit nederzettingspatroon zich verder, waarbij verspreid in het landschap kleine, geïsoleerde ontginningsnederzettingen werden gesticht als satellieten van de centrale nederzettingen. De inrichting van de domeinen gaat gepaard met grootschalige ontginningen, waardoor het landschap een meer open karakter kreeg. Grondbezit betekent macht. Niet meer iedereen heeft dezelfde rechten op de bestaansbronnen. Er ontstaan allerlei afhankelijkheidsrelaties. De samenleving bestond behalve de adel en de vrije boeren uit grote groepen horige boeren. Kenmerkend voor het middeleeuwse bestuur is het feodale leenstelsel. Dit betekende dat een groot deel van de landerijen van de heer in bruikleen werden gegeven aan zijn leenmannen. Deze horigen moesten daarvoor in de plaats het land bewerken en producten en diensten leveren aan de leenheer. Gedurende de Vroege Middeleeuwen werden gestorvenen begraven op het erf bij hun huis of in kleine grafvelden. Veel vroegmiddeleeuwse grafvelden in de Kempen zijn net buiten de oude akkergebieden aangetroffen, op relatief hooggelegen locaties (bijvoorbeeld Hoogeloon-Broekeneind, Bergeijk, Veldhoven-Oeienboschdijk).

Ofschoon het hier om een gekerstende samenleving gaat, gaf men de doden nog allerlei voorwerpen mee, zoals wapens, sieraden, aardewerk (gevuld met voedsel) en in sommige gevallen ook kostbaarheden zoals met zilver ingelegde ijzeren voorwerpen of een gouden munt. Dergelijke graven waren echter slechts voor een klein deel van de samenleving, voorbehouden vermoedelijk alleen aan de elite. Vaak werden er op de domeinen kloosters of kerken gesticht door schenkingen van adellijke eigendommen. Later werden de doden begraven in gewijde grond in en rondom de parochiekerk van de domeincentra zonder noemenswaardige bijgiften. Begraafplaatsen uit deze regio kennen we uit Bladel, Bergeijk, Dommelen, Veldhoven en Geldrop. 116

116 Verwers 1998, p. 130-133.

42

Een klein archeologisch onderzoek in 1978 bij de Sint –Martinuskapel van Dommelen, leidde tot de ontdekking van een vroegmiddeleeuwse nederzetting en begraafplaats (Ginkel & Theunissen 2009). 2.6.2

Aard en dynamiek van erf en nederzetting in de middeleeuwen

In oostelijk Noord-Brabant is de vroegste middeleeuwse bewoning vaak te vinden op plaatsen die vanaf de late middeleeuwen niet of nauwelijks meer bewoond zijn. In het bestaande beeld, gebaseerd op onderzoek in de Kempen, zou in de kolonisatiefase van de vroege middeleeuwen sprake zijn van zwervende erven met akkers in een boslandschap, gevolgd door aanleg van geconcentreerde nederzettingen die tot in de volle middeleeuwen bestaan. Naast de geconcentreerde nederzettingen zouden zowel in de laat-Merovingische als Karolingische tijd opnieuw geïsoleerde erven bestaan. Tussen 875 en 950 zou het aantal nederzettingen en de omvang van bestaande nederzettingen sterk afnemen. Vanaf de volle middeleeuwen neemt het aantal soorten nederzettingen toe evenals de omvang daarvan. Omgrachte woonplaatsen komen op, naast gehuchten en verspreide erven. Dit bewoningspatroon houdt stand tot zeker 1200, waarna verplaatsing optreed van woonplaatsen. Tot nog toe is over die verplaatsing weinig bekend omdat laatmiddeleeuwse nederzettingen nauwelijks zijn onderzocht. Een vraag is wanneer en waarom die verplaatsing optreedt. Die verplaatsing is deel van de zogenaamde laatmiddeleeuwse transitie, maar over het verloop van die transitie tasten we grotendeels nog in het duister.

Kunnen we voor de Zuid-Nederlandse zandgronden spreken van één transitie of verliepen de laatmiddeleeuwse veranderingen overal anders? De aard van de agrarische woonplaatsen in de vroege en volle middeleeuwen varieert van relatief kortdurig bestaande éénledige nederzettingen uit de volle middeleeuwen tot woonplaatsen die eeuwen lang, vanuit de vroege tot in de volle middeleeuwen hebben bestaan en meerdere gelijktijdige erven hebben omvat. Qua samenstelling zien we in de Merovingische tijd minimaal een huis en een waterput, soms bijgebouwen en soms erfbegravingen. Voor de Karolingische tijd bestaat hetzelfde beeld, maar dan zonder erfbegravingen. In de volle middeleeuwen is er altijd een huis, een waterput en een of meer bijgebouwen. Soms zien we in die periode greppels om erven. Het gaat om greppels die erven indelen en afscheiden. Verder zijn er soms langwerpige kuilen op erven. De indeling van erven in de vroege middeleeuwen vertoont, overeenkomstig erven uit late prehistorie en Romeinse tijd, geen duidelijk patroon. In de Merovingische tijd liggen waterputten soms bij de lange zijde van het huis (Nistelrode, Geldrop), soms overhoeks (Dommelen). Bijgebouwen liggen soms bij de korte zijde van het huis (Dommelen, Gassel, Geldrop), soms bij de lange zijde (Nistelrode). In de

43

Karolingische tijd liggen waterputten soms overhoeks (Geldrop, Dommelen) ten opzichte van het huis, soms bij de lange zijde (Dommelen), soms bij de korte zijde (Nistelrode). Bijgebouwen liggen bij de korte zijde (Dommelen), soms bij de lange zijde (Nistelrode). In de volle middeleeuwen is er meer uniformiteit, met name tussen 1125 en 1250. Er is dan sprake van dwarsgeplaatste bijgebouwen bij de zijde van het huis met de waterput en tevens bij die zijde van het huis waar de haard ligt. Overhoeks van het huis zijn, met de lengterichting van het huis mee, bijgebouwen aan de andere korte zijde van het huis gebouwd. Bij de lange zijde van het huis liggen soms veekralen en soms zijn er toegangen tot het erf waarneembaar.

Overzicht van de opgegraven middeleeuwse nederzetting in Geldrop.

Reconstructie van een Karolingisch erf bij Amersfoort (De Bergkamp).

44

Wat huizen betreft kan gesteld worden dat er In de vroege middeleeuwen rechthoekige huizen zijn en in de volle middeleeuwen bootvormige. Een overgangstype daartussen is eveneens aanwijsbaar. Te Nistelrode-Zwarte Molen II is een huis gevonden dat bootvormig is en mogelijk al uit de achtste eeuw dateert. Het is daarmee het oudste bootvormige huis in het Maas-Demer-Scheldegebied tot dusver. In de periode 1200-1600 wordt voor het eerst gefundeerd op poeren. Dat zien we ook in een stedelijke context. In steden als ’s-Hertogenbosch, Utrecht, Zutphen, Venlo en Bergen op Zoom wordt vanaf de periode 1300-1575 gebouwd op poeren. Omdat poeren vaak geen sporen in de bodem achterlaten zullen van de gevonden erven niet alle gebouwen zijn overgeleverd. Op agrarische erven zien we in de gehele late middeleeuwen huizen gefundeerd op zowel poeren als met ingegraven palen. Het gaat vooral om driebeukige huizen, soms tweebeukige. Het laatste huistype van de volle middeleeuwen wordt tot zeker 1350 gebouwd. Vanaf circa 1350, maar waarschijnlijker vanaf circa 1450 verschijnen potstallen in huizen. Met de aanleg van potstallen verandert de lengte-breedteverhouding van het huis. Huizen worden relatief langer en smaller. Met de bouw van huizen met brede potstallen verandert de indeling van huizen. De potstal komt tegen een korte zijde aan te liggen, daar waar die eerder in een (verbrede) zijbeuk lag.

Wat de overige erfelementen betreft kan worden waargenomen dat erven in de dertiende eeuw vooral kleine bijgebouwen hebben. Er is mogelijk sprake van een overgang van grote naar kleine bijgebouwen op erven tussen de twaalfde en dertiende eeuw. In de veertiende eeuw zijn vaker grotere bijgebouwen op erven zichtbaar, zoals in Nederweert, Best en Sterksel. Voor het eerst komen ook erven voor zonder bijgebouwen, namelijk in Best. Ofwel de verschillen tussen erven worden groter naar aantal en omvang van bijgebouwen ten opzichte van de dertiende eeuw. Vervolgens lijken bijgebouwen te ontbreken in de vijftiende eeuw, maar deze waarneming is echter gebaseerd op slechts één opgraving. In de zestiende eeuw is opnieuw sprake van variatie naar omvang van bijgebouwen op erven. Op erven komen tot zeker 1450 mestkuilen voor, soms op het erf en soms in bijgebouwen. Vanaf 1450 liggen mestkuilen in huizen: potstallen. Wanneer erven uit de twaalfde tot en met zestiende eeuw worden vergeleken is een tendens waarneembaar waarbij de bijgebouwen steeds kleiner worden of zelfs op erven ontbreken. 2.6.3

Verplaatsing van bewoning

Wanneer de aanvangs- en einddata van agrarische bewoningsplaatsen samen worden beschouwd blijkt het dat reeds vanaf de vroege middeleeuwen verplaatsing van bewoning plaatsvindt, niet pas vanaf de volle middeleeuwen of pas in de overgang van de volle naar de late middeleeuwen. We zien bijvoorbeeld veel einddata van bewoningsplaatsen in de twaalfde eeuw. In elke eeuw van de periode 1200-1600 zien we de aanleg van nieuwe bewoningsplaatsen. Dat geeft aan dat in elke eeuw bewoning eerder op een andere plaats lag en dat dus van dynamiek sprake is binnen de late middeleeuwen zelf. Alleen over de Karolingische tijd bestaat wat onduidelijkheid; er zijn geen woonplaatsen bekend die aanvangen of eindigen in de negende eeuw. Parallel aan verplaatsing van woonplaatsen zien we in de vroege, volle en late middeleeuwen het naast elkaar bestaan van verschillende typen woonplaatsen (naar bestaansduur en samenstelling). Met name aangaande de volle middeleeuwen zijn we daarover goed geïnformeerd. Een mooi voorbeeld is Someren, waar zowel geïsoleerde erven, kleine meerledige als ook grote meerledige nederzettingen in elkaars nabijheid voorkomen. In het grootschalig onderzoek van een middeleeuws landschap in Someren zien we geen duidelijke verandering van de locatie van bewoningsplaatsen door de periode 450-1250 heen ten opzichte van de hoogteligging.

Wel zien we een duidelijke verplaatsing van bewoningsplaatsen vanuit, in de vroege middeleeuwen aangelegde kernen (bewoningsplaatsen met meerledige nederzettingen), naar volmiddeleeuwse bewoningsplaatsen (met kleine meerledige en met éénledige nederzettingen). Die uit de volle middeleeuwen liggen deels in een langgerekt patroon op de rand van een langgerekte laagte 45

waarin de huidige dorpskern ligt. Deels liggen ze ook verder van die rand af, zowel met geïsoleerde erfplaatsen langs wegen als met geconcentreerde erfplaatsen bij kruispunten. De laatmiddeleeuwse bewoning kan op de plaats van de dorpskern liggen, maar ook tussen de volmiddeleeuwse bewoningsplaatsen en de dorpskern in. Hier kan sprake zijn van een herhaling van het volmiddeleeuwse bewoningspatroon in het laatmiddeleeuwse en latere patroon, uitgaande van de oudste kadasterkaart. In totaliteit is te Someren sprake van een verplaatsing van bewoning van oost naar west. Te Nistelrode is zichtbaar dat vanaf de Karolingische tijd bewoning lager komt te liggen dan daarvoor. Tevens is daar sprake van een overgang van kort bestaande bewoningsplaatsen (ca. 125 jaar) naar een lang bestaande (ca. 425 jaar), dus van relatief dynamische naar langdurig plaatsvaste bewoning. De bewoning uit de late middeleeuwen ligt westelijk van die uit de volle middeleeuwen. Ook hier is dus van een verplaatsing sprake van oost naar west. In Beek (Beek en Donk, microregio Laarbeek) lag de bewoning uit de vroege en volle middeleeuwen bij de rand van het hoogste gebied van het dekzandeiland. De laatmiddeleeuwse bewoning op het dekzandeiland van Beek ligt bij de randen van twee lage gebieden, een beekdal en een beekdalvormige laagte.

Te Best-Aarle zien we dat laatmiddeleeuwse bewoning hoger ligt dan volmiddeleeuwse bewoning. De bewoning daar is vanaf de vijftiende eeuw tot op het heden op één plaats gefixeerd. De bewoningsverplaatsing te Best-Aarle moet niet lineair worden beschouwd (hoog naar laag, laag naar hoog), maar in het licht van een excentrische beweging vanuit akkerkernen naar buiten, samenhangend met expansie van het landbouwareaal. Dit is wellicht een van de sleutels tot het begrijpen van de verplaatsing van de bewoning in de overgang van de volle naar de late middeleeuwen, maar ook bij het begrijpen van verplaatsing in algemeen tussen de vroege middeleeuwen en de nieuwe tijd. In Hulsel-Kerkakkers zien we ook verschuiving van de bewoning van hoog naar laag. Hier begint de bewoning al in de vierde-vijfde eeuw en liep waarschijnlijk door tot in de 12e eeuw.117

Hulsel-Kerkakkers: verplaatsing van de middeleeuwse bewoning van noordwest naar zuidoost nabij de later middeleeuwse kerk.

117 De Leeuwe 2008; Huijbers 2018A.

46

Een belangrijke onderzoeksvraag van de afgelopen jaren was wanneer er een overgang van zwervende erven naar stabiele bewoning plaatshad in de periode tussen 800 en 1200. In de eerste plaats moeten we vaststellen dat niet van zwervende erven sprake was in de vroege tot en met late middeleeuwen, er was continu sprake van stabiele bewoning, zij het met verschillen (kort, middellang en lang bestaande woonplaatsen). ‘Kort’ bestaande woonplaatsen bestonden bijvoorbeeld geen 25 jaar zoals in het zwervende ervenmodel, maar eerder 75 jaar (op basis van compleet opgegraven exemplaren). In de tweede plaats is sprake van fixatie van bewoning vanaf de tiende eeuw bij aristocratische woonplaatsen en waarschijnlijk vanaf de late middeleeuwen bij bewoningsconcentraties met alleen agrarische woonplaatsen, hoewel daar in archeologische zin nog weinig over bekend is. Verder moet worden opgemerkt dat in Oost-Brabant ook plaatsen bestaan waar nauwelijks sprake is van verplaatsing, zoals te Son en Oss. Daar zien we bewoning vanaf de vroege middeleeuwen tot en met nu op dezelfde plaats. Daarvan is wellicht ook sprake te Sint-Oedenrode en Bergeijk, waar spaarzaam Karolingische bewoning op de aristocratische woonplaatsen is aangetroffen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=ReuselDeMierden&id=12324f8a-875e-4cca-9030-4ccb3c13d364