[20.19428] - Bijlage 6 regionale onderzoeksagenda regio zuidoost-brabant
Tekst van het document
20 juni 2020
pagina 35 van 116
REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT
Aangezien er nog betrekkelijk weinig detailinformatie beschikbaar is over de typologie, constructiewijzen en dateringen van huistypen, blijft het nodig om huisplattegronden volledig op te graven en inclusief vondstmateriaal te publiceren. Geen enkel laatprehistorisch huistype is zodanig goed gedocumenteerd dat het het besluit rechtvaardigt een bewoningsareaal met huisplattegronden uit de Bronstijd of IJzertijd alleen in het horizontale vlak te documenteren (dat wil zeggen zonder couperen) of zelfs zonder onderzoek op te geven. Gegevens over huistypen uit het Laat-Neolithicum en de Vroege Bronstijd zijn bijzonder schaars; elke mogelijkheid die tot kennisvermeerdering op dit gebied kan leiden, dient dan ook met beide handen te worden aangegrepen. 5.5.3. Biografie van huis en erf Sinds enkele jaren beseffen we dat huizen en erven op verschillende manieren betekenisvol zijn geweest voor de bewoners. De betekenissen omvatten veel meer dan functionele waarden (het huis als bescherming tegen weer en wind); huizen representeren kosmologische ordeningen of zijn uitingen van status en identiteit. Een manier om meer inzicht te krijgen in deze (sociale en culturele) betekenissen is het bestuderen van de levenscyclus of biografie van een individueel huis, of het reconstrueren de typische levenscyclus van huizen uit een bepaalde periode.
Wat doet men met, in en rond huizen vanaf het moment van bouw tot na het verlaten en afbreken of instorten ervan? Hoe verhouden die activiteiten zich tot de levenscyclus van de bewoners? Zowel ‘functionele’ activiteiten zijn relevant voor de levenscyclus van een huis (bouw, reparatie of uitbreiding van huizen, bijgebouwen en spiekers) als activiteiten die (in onze ogen) niet functioneel zijn (zoals bouwoffers, verlatingsrituelen e.d.). De aandacht voor dergelijke archeologische zaken is recentelijk sterk toegenomen, maar er is nog geen goed zicht op basale zaken als variatiebreedte en chronologische en regionale verschillen. Het is dan ook de moeite waard om deze onderzoekslijn voort te zetten. Dat geldt zowel voor regio’s waar nog weinig aandacht is geweest voor de biografie van huis en erf, als voor regio’s waar voortgebouwd kan worden op een (klein) gegevensbestand. In het veld en bij rapportage vraagt dit om speciale aandacht voor reparatie-, uitbreidings- en verlatingssporen van huisplattegronden en bijgebouwen, alsmede voor deposities in paalgaten en kuilen.
Waar in een (paal-)kuil komt materiaal voor? Kan worden vastgesteld of het materiaal daar gedeponeerd is voor het oprichten van de paal of juist na het uittrekken ervan? Wat zijn de aanwijzingen voor de wijze waarop een huis of bijgebouw aan zijn einde is gekomen (vervallen en ingestort, afgebroken, in brand gestoken?). Welke houtsoorten werden er gebruikt? Wat was de levensduur van het huis? Zijn er binnen of rond het huis kuilen met deposities? Wat daarbij als een depositie kan worden aangemerkt is deels een definitiekwestie. We moeten er wel rekening mee houden dat intentionele deposities niet altijd hebben bestaan uit hele potten of complete stenen of metalen voorwerpen. Er zijn aanwijzingen dat er (in bepaalde perioden) geïsoleerde graven werden aangelegd in de directe omgeving van huizen. Dit fenomeen verdient verder onderzoek, zowel in het kader van de studie van ‘afwijkend’ grafritueel, het grafritueel in perioden zonder duidelijke grafvelden en -monumenten, als in het kader van de biografie van huis en erf. Om de mogelijkheid uit te sluiten dat graf en een huis uit verschillende perioden stammen zouden dergelijke graven standaard in aanmerking moeten komen voor 14C-datering.
Voor het zo volledig mogelijk documenteren van de biografie van huis en erf is het niet alleen belangrijk dat de sporen op het erf in detail worden onderzocht, maar ook dat er rond de huisplattegrond een ruim areaal wordt blootgelegd, zodat het erf in zijn geheel gedocumenteerd kan worden. Onderzoeksvragen: Wat vertellen structuren, fasering van de nederzetting en materiële cultuur ons over het dagelijkse leven van de toenmalige bewoners van de nederzettingen? Hoe, waar en wanneer ontstaan plaatsvaste dorpen? (Deze vraag geldt ook voor andere perioden.) Wat zijn de aanwijzingen voor seizoenbewoning en voor specialisatie van nederzettingen? (Deze vraag geldt ook voor andere perioden.) Indien een erf en/of nederzetting evident ruimtelijk is vast te stellen: Hoe zagen erven er uit in de late prehistorie, hoe waren deze ingericht en wat was hun omvang? Wat is de bestaansduur van het erf? Is er sprake van een één- of meerfasig erf? Wat is de indeling en samenstelling van een nederzetting? Wat is de omvang en is er sprake van een gestructureerde uitleg van de gebouwen? Is er sprake van omgreppeling en/of aanleg van greppels in het omringende landschap? Zijn er op meer plaatsen in oostelijk Noord-Brabant plaatsvaste woonplaatsen uit de periode midden-bronstijd B en ijzertijd te vinden? Zo ja, hoe ziet de nederzetting er uit in verschillende fasen van de midden- en late
bronstijd en ijzertijd? 5.5.4.
Arealen buiten de erven
20 juni 2020
pagina 36 van 116
REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT
Er moet gebruik gemaakt worden van mogelijkheden om de inrichting van het cultuurlandschap buiten de woonplaatsen te bestuderen. De aanwezigheid van prehistorische loopoppervlakken heeft er voor gezorgd dat ook sporen van ondiepe greppels, hekwerken en palissaden bewaard zijn gebleven. Zo zijn er voor de Midden-Bronstijd inmiddels enkele opgravingen beschikbaar die ons een blik gunnen op intensief en dynamisch ingerichte arealen buiten de erven (Zijderveld). Voor de IJzertijd is dergelijk onderzoek nog niet uitgevoerd maar wel wenselijk. Zowel in Zuid- als in Noord-Nederland zijn er vanaf de Late IJzertijd aanwijzingen voor nederzettingsterreinen (Oss, Noordbarge) en niet-bewoonde terreinen (enclosures Noord-Nederland, Weert) die door greppels en wallen omgeven werden. Het is nog onbekend of in het rivierengebied en Oost-Nederland sprake is van vergelijkbare fenomenen. Om daar meer inzicht in te krijgen is het nodig dat tevoren de randzones van nederzettingen systematisch worden verkend en greppelsystemen in kaart gebracht.
Onderzoeksvragen: Wat was de economische bestaansbasis van de prehistorische nederzettingen? Welke akker- en tuinbouwproducten werden lokaal geproduceerd en zijn daarin veranderingen waarneembaar? Zijn er aanwijzingen voor niet lokaal geproduceerde cultuurgewassen (import)? Welke gebruiksplanten werden in de natuurlijke omgeving verzameld? Zijn er aanwijzingen voor bemesting van de prehistorische akkers? Hoe zag de veestapel er uit en zijn daarin veranderingen waarneembaar, in het bijzonder ook op de overgang naar de Romeinse tijd?
5.6.
Productie, distributie en gebruik van mobilia
De productie van mobilia speelt zich in de late prehistorie voor een belangrijk deel af op lokaal niveau. De nadruk ligt daarbij op de vervaardiging van gebruiksgoederen (aardewerk, vuurstenen en natuurstenen werktuigen). De gebruikte grondstoffen zijn vaak regionaal voorhanden. Het lijkt erop dat er in de het LaatNeolithicum nog sprake is van interregionale distributie van natuursteen en vuursteen, maar dat er in de Brons- en IJzertijd steeds vaker lokaal materiaal wordt gebruikt – met uitzondering van gebieden die van nature geen lithisch materiaal opleveren (zoals het rivierengebied). Daar wordt gebruik gemaakt van materiaal dat afkomstig is uit de randzones van de pleistocene gronden. Van grotere afstand worden vanaf het Laat-Neolithicum metaal (brons, ijzer) en barnsteen in het gebied geïmporteerd. Hoewel de late prehistorie doorgaans veel cultureel vondstmateriaal oplevert - vooral in vergelijking met de periode daarvoor - is het onderzoek daarvan beperkt. Systematisch onderzoek naar de inheemse productie van koperen, bronzen of ijzeren voorwerpen is nog nauwelijks van de grond gekomen. De vondst van een gietmal uit de Midden-Bronstijd tijdens de opgraving Oss-Horzak toont aan dat dit thema een grote potentie heeft.
Afgezien van enkele studies over laat-neolithisch aardewerk ontbreekt het aan gedetailleerde kennis over de typochronologische ontwikkeling van potvorm, afwerking, technologie en decoratie van laatprehistorisch aardewerk. Dat heeft voor een belangrijk deel te maken met de beperkte ontsluiting van gegevens in opgravingsverslagen en materiaalstudies. Omdat het aardewerk uit de late prehistorie vaak weinig specifieke vormkenmerken heeft die tot eenduidige dateringen kunnen leiden, wordt in opgravingsverslagen vaak volstaan met een presentatie van de diagnostische scherven. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Frankrijk wordt er in de Nederlandse publicaties onvoldoende ruimte ingeruimd voor systematische aardewerkbeschrijvingen. Toch zijn die wezenlijk om uiteindelijk tot betere en meer gedetailleerde typologieën te kunnen komen. Onduidelijk is de rol van werktuigen en gebruiksvoorwerpen van organische materialen (hout, been en gewei). De schaarse voorbeelden zijn voornamelijk afkomstig uit contexten waarin de conserveringsomstandigheden goed genoeg zijn (rivierengebied, beekdalen, enz.). Om meer inzicht te krijgen in het gebruik van dit soort voorwerpen is een systematisch onderzoek noodzakelijk - en dan voornamelijk de aan- of afwezigheid van bewerkings- en gebruikssporen op het materiaal.
Tussen de leden van de sociale groepen en de sociale groepen onderling worden mobilia uitgewisseld. Daarbij denken we voor de late prehistorie met name aan wederkerige uitwisseling (reciprociteit) en redistributie. Behalve materiële goederen kunnen er immateriële goederen (diensten), huwelijkspartners of vee zijn uitgewisseld. Bij het onderzoek naar briquettage-materiaal voor de distributie van zout in de IJzertijd zal zoölogisch onderzoek kunnen uitwijzen of er vanuit het achterland dieren werden aangeleverd in ruil voor de levering van zout uit de kustgebieden. Dit zou met name kunnen worden afgelezen uit de vergelijking van af- of aanwezigheid van bepaalde diersoorten in het botmateriaal van de kustgebieden en het achterland, of een opmerkelijke, niet natuurlijke leeftijdsopbouw van de veestapel. Net als landschap en vindplaats kunnen ook mobilia vanuit een biografisch perspectief bestudeerd worden om inzicht te krijgen in de sociaal-ideologische contexten waarin een object in circuleerde.
20 juni 2020
pagina 37 van 116
REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT
Voorwerpen kunnen op verschillende momenten op verschillende wijzen worden gebruikt, betekenis worden gegeven en aangepast of vernietigd. De levensloop van een voorwerp kan niet alleen door bestudering van het voorwerp zelf worden vastgesteld (slijtage, bewerking etc.) maar ook uit de context waarin hij uiteindelijk in terechtgekomen is. Vooral bij objecten die in de late prehistorie in verschillende contexten opduiken (nederzettingen, graven en rituele contexten) kunnen vragen gesteld worden over hun functie en hun betekenis. Vondstmateriaal uit huisplaatsen dat in aard, samenstelling (metalen voorwerpen, menselijke skeletresten, bijzondere voorwerpen) of context (kuilen, brandkuilen) afwijkt van het gangbare nederzettingsafval verdient daarbij extra aandacht. Onderzoeksvragen: Waaruit bestaat de materiële cultuur in en rondom de sporen behorend tot de structuur? Wat is de context daarvan? Waaruit bestaat de materiële cultuur in waterputten en kuilen? Waar komen niet-lokale grondstoffen van gebruiksvoorwerpen vandaan? (Deze vraag geldt tevens voor andere perioden.)
5.7.
Productie en distributie van voedsel
In de late prehistorie wordt het agrarische bestaan gekenmerkt door kleine sociale groepen die leven van akkerbouw en veeteelt. Hun dieet zal zijn aangevuld door de opbrengst van jacht en het verzamelen van zaden, noten en bessen - hoewel de aanwijzingen daarvoor beperkt zijn. De vraag naar het aandeel van jacht en het verzamelen in het voedselpatroon in de late prehistorie is niet het enige aspect dat nader onderzoek verdient; interessant is ook de vraag naar de betekenis van deze vorm van voedselverzamelen – zowel binnen de sociale gemeenschap als tussen sociale groepen onderling. Jacht en verzamelen zullen (meer dan de agrarische activiteiten) hebben geleid tot contacten met andere personen en groepen, vooral op plaatsen waar niet-gedomesticeerde voedselbronnen waren geconcentreerd (rivieren, kreken, meren). Het ontbreekt nog aan systematisch onderzoek naar de aard van de akkerbouw en de verhouding tussen veeteelt en akkerbouw en de ontwikkelingen daarin gedurende de late prehistorie. Dergelijk onderzoek is in veel gevallen echter problematisch, omdat het in hoge mate afhankelijk is van een goede conservering van zoölogisch en botanisch materiaal. Het vermoeden bestaat dat het aandeel van de veeteelt in de loop van de Bronstijd steeds groter werd.
Dit vermoeden is echter vooral gebaseerd op de ontwikkeling van het woonstalhuis (die doet vermoeden dat er steeds meer rundvee werd gehouden) en niet zozeer op botanische en zoölogische gegevens. Archeobotanisch onderzoek heeft nog geen evenredig, landsdekkend beeld opgeleverd van de voedseleconomie in de late prehistorie: de meeste informatie is afkomstig uit het holocene deel van WestNederland. Over het Laat-Neolithicum en de Late Bronstijd in de pleistocene gebieden zijn nauwelijks gegevens voorhanden. De beschikbare data doen vermoeden dat het assortiment cultuurgewassen in de loop van de late prehistorie aanzienlijk diverser werd. Of dat inderdaad het geval is zou in de toekomst nader onderzocht moeten worden. Ook vragen als waar de gewassen werden verbouwd, wat de omvang van de akkers was, hoe lang ze in gebruik bleven en de ontwikkeling van de ploeglandbouw in de late prehistorie vragen om antwoorden. Daaraan gerelateerd blijft ook de vraag actueel in welke mate de akkerbouw in de Brons- en vooral de IJzertijd werd beïnvloed door bodemdegradatie (zandgronden) en/of klimaatsverslechtering (vernatting). In het eerste geval wordt de heidevorming, die mogelijk in de IJzertijd inzette, in verband gebracht met aanwijzingen voor bemesting in het botanische materiaal.
In het tweede geval ligt de nadruk op de teelt van meer vochtresistente cultuurgewassen in de tweede helft van het tweede millennium v.Chr. Onderzoeksvragen: Waar, wanneer en in welke mate verschijnen plaatsvaste, al dan niet gecompartimenteerde (zoals Celtic Fields), landbouwgronden, en hoe werden deze gecultiveerd? Welke veranderingen treden op in de methode, omvang en locatie van de opslag van voedsel? (Deze vraag geldt tevens voor andere perioden.) Hoe lang waren huizen, bijgebouwen en waterputten in gebruik? (Deze vraag geldt tevens voor andere perioden.) Hoe verloopt de ontwikkeling van het laat-prehistorische cultuurlandschap in relatie tot akkercomplexen (ligging, omvang, gebruik, mobiliteit)? Hoe, binnen welke context en met welk doel werden ruimte afgebakend en grenzen gemarkeerd? (Deze vraag geldt voor aller contexten en alle perioden.) Wat was de rol van dieren en dierlijke producten in uitwisselingsnetwerken? (Deze vraag geldt ook voor andere perioden.)
20 juni 2020
pagina 38 van 116
REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT
5.8.
Waar en hoe werd zout gewonnen, verwerkt en gedistribueerd? (Deze vraag geldt tevens voor andere perioden.)
Rituele praktijken, inclusief depositiepraktijken en grafritueel
5.8.1. Rituele praktijken De laatste jaren heeft de archeologie van het ritueel zich ontwikkeld van een marginaal onderwerp tot een thema dat van aanzienlijk belang wordt geacht om structuur en ontwikkeling van prehistorische samenlevingen te begrijpen. Naast de studie van het grafritueel - dat al langer veld van onderzoek is staan thema's als deposities in natte contexten en op natuurlijke plaatsen en deposities rond huis en erf momenteel sterk in de belangstelling. Hoewel we ons voor de prehistorie in een weinig gunstige positie bevinden waar het gaat om het begrijpen van de inhoudelijke aspecten van rituele praktijken (betekenis, symboliek), bieden materiële cultuur en landschappelijke context vele aanknopingspunten om de bredere rol van rituele praktijken in sociale en ideologische domeinen te bestuderen. Als voorbeeld kan hier genoemd worden het voorkomen van deposities met een mogelijk ritueel karakter waarmee momenten van de bouw of het verlaten van woonstalhuizen werden gemarkeerd.
Hoewel de rijke symbolische wereld die achter de gedeponeerde voorwerpen schuilgaat ons grotendeels ontgaat, bieden de ruimtelijke en temporele contexten mogelijkheden om uitspraken te doen over de rol van de rituele handelingen voor zaken als de overdracht van bezit, claims en kennis, de constructie en deconstructie van persoonlijke en collectieve identiteiten, of machtspolitieke strategieën. Het is voor alle fasen van de latere prehistorie gewenst dat deze thema's een steviger theoretische en empirische basis krijgen. Hierbij zijn vele invalshoeken mogelijk. Enkele voorbeelden zijn: de formele en structurele relaties tussen deposities van goederen in graven en in andere contexten, in verschillende perioden depositiepraktijken van metaalwaar en van niet-metalen artefacten, alsmede hun landschappelijke situering de nog onduidelijke ontstaansgeschiedenis van ingerichte cultusplaatsen, inclusief de relaties tussen cultusplaats en grafritueel/grafmonument variatie in het grafritueel in de verschillende perioden (inmiddels beproefde technieken als crematierestenanalyse en nog weinig toegepaste technieken zoals DNA-onderzoek kunnen hierbij nieuwe informatie en gezichtspunten verschaffen) de biografie van grafmonumenten (de veranderende betekenissen van zichtbare grafmonumenten in het landschap van het Laat-Neolithicum tot in de moderne tijd) Speciale aandacht verdient de
constatering dat in het archeologisch zichtbare grafritueel op de pleistocene gronden van Laat-Neolithicum tot en met Midden-Bronstijd ca. 80-90% van de overledenen ontbreekt. Ook voor het thema depositiepraktijken lijkt het zinvol de tradities in verschillende regio's met elkaar te vergelijken.
5.8.2. Cultusplaatsen en deposities op ‘natuurlijke’ plekken In Zuid-Nederland zijn er verschillende cultusplaatsen uit de Midden- en Late IJzertijd bekend in de vorm van vierkante of rechthoekige omgreppelde terreinen. Een mogelijke voorloper uit Nijmegen-Kops Plateau dateert uit de overgang Late Bronstijd/Vroege IJzertijd. Waar zich mogelijkheden voordoen om meer van dergelijke cultusplaatsen te onderzoeken, moet dat zeker worden gedaan. Zowel vragen naar de grootte, datering, en inrichting van het omgreppelde terrein zijn daarbij van belang, als vragen naar de aard van de activiteiten die zich in of rond de cultusplaats hebben afgespeeld. Voor de aard van de activiteiten zijn vooral de mobilia uit greppels en kuilen van belang. Deze moeten dus volledig worden opgegraven en inclusief stratigrafische informatie gedocumenteerd worden. Om vast te stellen hoe lang een cultusplaats in gebruik is geweest kan het van belang zijn om de snelheid van opvulling van de greppels te onderzoeken, bijvoorbeeld door micromorfologisch onderzoek.
Voor de interpretatie van omgreppelde terreinen die mogelijk als cultusplaats zijn gebruikt is het tenslotte essentieel dat de ruimtelijke context in ogenschouw wordt genomen: bevindt het omgreppelde terrein zich binnen of in de nabijheid van een grafveld, van gelijktijdige erven, of in een verder ‘lege’ omgeving? Laatprehistorische deposities in natte contexten staan de laatste jaren meer in de belangstelling dan vroeger. Hierdoor hebben we inmiddels enig inzicht in zaken als de variatiebreedte in de typen gedeponeerde materialen, de relatie tussen categorieën van voorwerpen en specifieke zones in het landschap en de langetermijntransformaties in de depositiepraktijken. Aangezien ons huidige kennisniveau bijna geheel gebaseerd is op toevalsvondsten kunnen nieuwe vondsten met goed gedocumenteerde vondstcontext van grote waarde zijn. Dit geldt bijvoorbeeld voor deposities van stenen bijlen uit het LaatNeolithicum. Losse bijlen zijn ruimschoots bekend, maar over de context is nauwelijks iets te achterhalen.
20 juni 2020
pagina 39 van 116
REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT
Zeldzaam zijn ook depots waarin stenen en bronzen voorwerpen zijn gecombineerd. Gezien de huidige ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening en natuurontwikkeling zijn beekdalen en beekoverstromingsvlaktes de landschapszones waar op dat gebied het meeste van te verwachten valt. Ook in zones met veel kwel kunnen echter deposities voorkomen. Belangrijk zijn vragen naar de gedeponeerde materialen zelf: komen er meerdere artefacten bij elkaar voor, en zo ja: hoe zijn ze ten opzichte van elkaar gedeponeerd; zijn er (mogelijk slecht bewaarde) artefacten van organisch materiaal bij (bewerkt of onbewerkt hout, been, zaden, wol, textiel etc.)? Ook de gebruikte houtsoort (functioneel of niet?) kan belangrijke aanknopingspunten opleveren voor een symbolische betekenis. E ven belangrijk zijn vragen naar de context: ligt het materiaal in een kuil, is de plek gemarkeerd (bijv. aanwezigheid van verticaal hout), is het materiaal destijds gedeponeerd in stromend water, een verlande, moerassige bedding, een ven, een gebied met kwel, e.d.? Hoe zag de lokale vegetatie eruit? Zijn er uit de nabije omgeving laatprehistorische nederzettingen, grafmonumenten, andere deposities of (pre-)historische oversteekplaatsen bekend? Overigens hoeft het bij vondsten van artefacten in natte contexten niet alleen te gaan om ‘rituele’ deposities.
In natte depressies, in restgeulen van waterloopjes of in beekdalen grenzend aan nederzettingsterreinen kan er ook sprake zijn van dumps van afvalmateriaal. Dit materiaal bevindt zich dan weliswaar in een secundaire context en heeft dus misschien minder waarde voor typochronologische studies (uitzonderlijke gevallen van dumps met herkenbare en gedocumenteerde stratigrafie daargelaten), maar ze kunnen wel veel gevarieerder en rijker zijn dan artefactenassemblages die in nederzettingen worden aangetroffen.
5.8.3. Grafritueel en grafmonumenten Het grafritueel van de laatprehistorische gemeenschappen heeft een lange onderzoekstraditie. We zijn dan ook redelijk goed geïnformeerd over de archeologisch zichtbare aspecten van het grafritueel in verschillende periodes en regio's. De periode vóór de Midden-Bronstijd is overal minder goed bekend. Resten van (mogelijke) brandstapels zijn nog zeer zeldzaam. Tot voor kort werd er algemeen van uit gegaan dat na een overgangsperiode in de Bronstijd crematie de standaard behandelingswijze van de doden was. Nu blijkt uit enkele grafvelden uit de Vroege en Midden-IJzertijd met gunstige vondstomstandigheden dat ook inhumatie voorkwam, zoals in Geldermalsen en Lent (Waalsprong). Dit moet worden opgevat als een waarschuwing dat ook in gebieden waar de conservering van onverbrand bot slecht is, rekening dient te worden gehouden met een grotere variatie in het grafritueel dan tot dusver werd aangenomen. Of dit consequenties heeft voor de reconstructie van de grootte van lokale gemeenschappen of schattingen van regionale bevolkingsdichtheden is nog geheel onbekend. Andere aanwijzingen voor dodenrituelen die van de standaard afwijken zijn de losse menselijke botten die vrij vaak in nederzettingscontexten worden aangetroffen (tussen afval, als deposities in kuilen en paalsporen).
Op de zandgronden zijn het ook hier weer de natte zones, restgeulen en beekdalen waar de kans op niet-gecremeerde menselijke resten het grootst is. Ook in dat opzicht moeten die zones onderzocht worden als integraal onderdeel van bewoningsarealen. In de negentig jaren zijn in Zuid-Nederland een aantal urnenvelden uit de Vroege IJzertijd en het begin van de Midden-IJzertijd in detail onderzocht. In dit gebied zijn we dan ook veel beter dan voorheen geïnformeerd over de ontwikkeling van en de variatie in het grafritueel, demografische aspecten, landschappelijke situering van grafvelden, e.d. Voor Zuid-Nederland geldt dat de overgang van de grafheuveltradities van de Midden-Bronstijd naar de urnenvelden belangrijke vragen oproept en dat er grote behoefte is aan onderzoek van grafvelden met een late-bronstijdcomponent. Maar ook onderzoek naar de vroegere fase, het grafritueel in het Laat-Neolithicum en de Vroege Bronstijd, zou hierin een plaats moeten krijgen. Het gebruikelijke model voor de urnenveldentijd op de zandgronden is dat een lokale gemeenschap van een handvol huishoudens gedurende vele generaties hetzelfde grafveld gebruikte. Dit lijkt een geldig model, maar er zijn aanwijzingen dat er misschien meer variatie in dit patroon bestond.
Zo is er het al langer bekende voorbeeld van Oss, waar wel graven, maar geen geclusterd urnenveld is aangetroffen dat bij de erven uit de Vroege IJzertijd en het begin van de Midden-IJzertijd hoort. Ook zijn er enkele urnenvelden (Beegden, Breda, Eindhoven) die door hun kleine omvang een afwijking van het model suggereren. Ze zijn ofwel zeer kort in gebruikt geweest, hebben aan een kleinere of deelgemeenschap toebehoord, ofwel ze dateren uit een overgangsfase waarin het gebruik van urnenvelden werd opgegeven. Om dit verder uit te zoeken is het nodig steeds zo goed mogelijk geïnformeerd te raken over het totale aantal begravingen en de begin- en einddatering van het grafveld. Dit vereist grootschalig, liefst integraal onderzoek van het grafveld en de inzet van zowel absolute (14C-dateringen op houtskool en gecremeerd bot) als relatieve dateringsmethoden (urnen en grafgiften, evt. stratigrafie). De publicaties van de urnenvelden van Someren en Mierlo-Hout tonen hoe de combinatie van beide methoden ook bij beperkte
20 juni 2020
pagina 40 van 116
REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT
datasets kan leiden tot een afbakening in de tijd en een reconstructie van de ruimtelijke ontwikkeling van het grafveld. Geïsoleerde crematiegraven of diffuse groepjes graven kunnen vooral in de Midden- en Late IJzertijd, maar mogelijk ook in andere perioden worden verwacht. Meestal gaat het daarbij om graven zonder sporen van omgreppeling of andere markering. Deze graven zijn van groot belang om onze beperkte kennis van het grafritueel na de urnenveldentijd te vergroten. Nu 14C-dateringen op gecremeerd bot betrouwbaar blijken te zijn, is het zaak dat dergelijke graven systematisch worden gedateerd met behulp van 14C-analyse. Bovendien is het belangrijk om steeds wanneer dergelijke graven worden aangetroffen de ruimtelijke context in beeld te brengen. Liggen de graven in de buurt van (gelijktijdige of oudere) erven, in de randzones van nederzettingen, bij oudere grafvelden? Een thema van onderzoek dat zich de laatste tien jaar heeft ontwikkeld, is de biografie of langetermijngeschiedenis van grafmonumenten. Hierbij worden alle aan het monument gerelateerde activiteiten, van de aanleg tot het slechten van de heuvel of het restaureren ervan vandaag de dag, bestudeerd om de steeds veranderende culturele betekenissen van het monument in beeld te krijgen en te plaatsen in de context van maatschappelijke en culturele ontwikkelingen.
De latere perceptie van en omgang met grafmonumenten blijkt archeologisch traceerbaar aan de hand van een veelheid aan mogelijke sporen in of rond het monument. Het is van belang deze steeds zo volledig mogelijk te documenteren, ook wanneer het grafmonument zelf geëgaliseerd is. Het kan daarbij gaan om sporen van activiteiten voorafgaand aan het opwerpen van de heuvel, latere ophogingen, paalstellingen, secundaire begravingen, deposities van mobilia in greppels en kuilen, egalisatie, overbouwing met nederzettingssporen of beakkering, gebruik in historische tijden als grensmonument, galg, e.d.
20 juni 2020
pagina 41 van 116
REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT
6.
ROMEINSE TIJD (12 v.Chr. - 400 n.Chr.)11
6.1.
Inleiding
Er is door de jaren heen veel onderzoek verricht naar de Romeinse periode. Vanaf de late jaren zeventig van de 20ste eeuw nam het grootschalige nederzettingsonderzoek op de zandgronden van Brabant en Limburg een grote vlucht. In veel gevallen vormden omvangrijke bouwactiviteiten rondom de moderne dorpen de aanleiding tot een opgraving. Bij de uitbreiding van de bestaande woonkernen kwamen nederzettingssporen tevoorschijn vanonder de plaggendekken die vanaf de Late Middeleeuwen waren opgeworpen op de meest vruchtbare delen van het zandgebied. De onderzoekers waren geïnteresseerd in de bewoningsgeschiedenis, het agrarische systeem en de sociale organisatie. Daarnaast vormde de plaats van de inheemse gemeenschappen in het Romeinse Rijk een onderwerp van onderzoek. De grootschalige opgravingen op de zandgronden begonnen in 1974 met de opgravingen (vanuit de Rijksuniversiteit Leiden) in Oss. Deze opgravingen gaven de aanzet tot een lange reeks nederzettingsonderzoeken in de regio Oss, die nog steeds niet is afgesloten. Ook vanuit de Vrije Universiteit te amsterdam werden belangrijke opgravingen gedaan, onder meer in Hoogeloon-Kerkakkers (1980-1988), Riethoven-Heesmortel (ontdekking 1964, opgraving 1982-1994) en Duizel. Een belangrijke ontdekking tijdens deze opgravingen was dat de paalkuilen van de zware middenstaanders van huizen in doorsnede de vorm hadden van een ‘revolvertas’.
Dit maakte het mogelijk om huisplattegronden te herkennen die voorheen niet als zodanig waren herkend, aangezien alleen de sporen van de middenstaanders resteerden. Latere, belangrijke nederzettingsopgravingen vonden plaats in Oosterhout, Moergestel, Venray-Hoogriebroek, Lieshout-Nieuwenhof, Mierlo-Hout/Helmond-Brandevoort, WeertLaarderweg en -Kampershoek, Lieshout-Beekseweg, Nederweert-Rosveld, Breda-West en Venray-De Hulst. Wat de bruikbaarheid van het enorme gegevensbestand van deze en andere opgravingen echter beperkt, is het kleine aantal eindpublicaties. Hierdoor zijn veel gegevens over de bewoningsgeschiedenis en de nederzettingsstructuur nauwelijks toegankelijk. Een neveneffect van de beperkte hoeveelheid publicaties is dat er weinig gegevens beschikbaar zijn over de materiële cultuur, in het bijzonder het aardewerk. Op een aantal plaatsen, zoals rond Oss, bij Weert/Nederweert, Lieshout en Breda, werden zeer grootschalige onderzoeken op terreinen van tientallen hectares gecombineerd met kleinere opgravingen. Dit heeft een gedetailleerd beeld opgeleverd van het inheems-Romeinse bewoningspatroon en het cultuurlandschap van de betreffende micro-regio’s. Desondanks zijn er enkele gebieden op de Zuid-Nederlandse zandgronden waar we over nederzettingen nog niet veel weten, zoals het uiterste oosten van Brabant rond de Peel.
6.2.
Romanisering
Romanisering is al enige decennia het belangrijkste onderzoeksthema binnen de archeologie van de Romeinse tijd in Nederland en zal onverminderd actueel blijven. Romanisering - het proces van sociale en culturele verandering in niet-Romeinse samenlevingen als gevolg van contact met de Romeinse cultuur – omvat in feite twee aspecten: cultuuroverdracht en cultuurovername. De aard van de romanisering in elke regio kan nader worden geanalyseerd door de studie van de materiële cultuur in het algemeen, het grafritueel, eventuele veranderingen in het agrarische systeem, etc. Evenals romanisering is ook ‘deromanisering’ of ‘germanisering’ in de vierde en vijfde eeuw een belangrijk en interessant thema. Over de Laat-Romeinse bewoning in Zuid-Nederland en het rivierengebied is in vergelijking met de MiddenRomeinse periode relatief weinig bekend. Uit schriftelijke bronnen weten we dat de Germanen vanaf het einde van de derde eeuw de Rijn overstaken. De vele brandsporen die bij de Romeinse villa’s zijn teruggevonden, worden veelal aan hun invallen en plundertochten toegeschreven. Ook het grotendeels verdwijnen van de bewoning in Zuid-Nederland in de derde eeuw wordt vaak met deze invallen in verband gebracht. Daarentegen is bekend dat bevriende Germaanse stammen zich in het gebied te zuiden van de Rijn vestigden.
Nederzettingssporen zijn ondermeer aangetroffen op het villa-terrein van Voerendaal-Ten Hove, in Gennep en recentelijk in Holtum en Goirle. Het karakter van deze nederzettingen is niet geheel duidelijk: gaat het om Germanen die zich binnen het Romeinse Rijk mochten vestigen om te dienen in de hulptroepen en zo het achterland te bevolken en verdedigen? Of hadden deze Germaanse nederzettingen een economische functie en hadden de bewoners tot taak de agrarische productie weer in gang te zetten? Ook de rol van de Romeinen bij deze vestigingen en de relatie tussen de nieuwkomers en de
11
Enckevort, H. van, T. de Groot, H. Hiddink & W. Vos, 2006: De Romeinse tijd in het Midden-Nederlandse rivierengebied
en het Zuid-Nederlandse dekzand- en lössgebied, Amersfoort (NOaA hoofdstuk 18, versie 1.0), (www.noaa.nl).
20 juni 2020
pagina 42 van 116
REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT
achtergebleven is onduidelijk. Dit proces van germanisering zal de komende jaren verder moeten worden geanalyseerd.
6.3.
Wordingsgeschiedenis van het landschap
De geologie en geomorfologie van het dekzandgebied zijn voor de Romeinse tijd en de prehistorie in hoofdlijnen dezelfde. Op dit moment wordt de landschappelijke geleding van het dekzandgebied in de Romeinse tijd verklaard uit ontwikkelingen in de Vroege IJzertijd. In deze periode was de bewoning verspreid over alle droge delen van het landschap, terwijl deze in de Romeinse tijd geconcentreerd was op de plaatsen waar later (vanaf de Late Middeleeuwen) de plaggendekken ontstonden. De verklaring die hiervoor is gegeven, is dat de relatief arme zandgronden in de urnenveldenperiode uitgeput waren geraakt door de celtic field-landbouw, waardoor een proces van secundaire podsolering in gang werd gezet. De inheems-Romeinse bewoning zou zich concentreren op de wat meer leemrijke en dus vruchtbaarder bodems. De tweedeling van het landschap op de dekzanden zoals die tot in het begin van de 20ste eeuw bestond (akkercomplexen met daaromheen enorme arealen woeste grond met heide, vennen, venen en zandverstuivingen) zou dus al in de prehistorie zijn ontstaan. In de toekomst zal de ontwikkeling van landschap en bewoning in Zuid-Nederland moeten worden onderzocht op basis van gegevens uit het gebied zelf.
Zo hebben recente opgravingsgegevens uitgewezen dat inheems-Romeinse nederzettingen zich soms op leemarme, gepodzoleerde bodems bevinden die pas een paar eeuwen geleden in de akkercomplexen zijn opgenomen. Anderzijds zijn er voorbeelden van nederzettingen in geïsoleerde arealen met moderpodzolen in de ‘heidezone’. Kortom, de landschappelijke variatie moet in de Romeinse tijd groter zijn geweest dan de oudste topografische kaarten doen vermoeden. Binnen het grootschalige, micro-regionale nederzettingsonderzoek zal meer aandacht moeten worden besteed aan paleogeografie. Tijdens opgravingen zouden meer en betere gegevens kunnen worden verzameld over de bodems op en rond opgravingsterreinen, de hydrologie en de vegetatie. Het laatste is alleen mogelijk, wanneer goede contexten voor palynologisch onderzoek voorhanden zijn, maar de analyse van profielen, hoogtemetingen (microreliëf, hydrologie) en leemgehaltes kunnen zonder veel moeite op een hoger niveau worden gebracht. Op die manier moet het mogelijk zijn meer inzicht te krijgen in de wijze waarop het landschap in de Romeinse tijd werd geëxploiteerd en ingericht en de verschuivingen daarin in de loop van de tijd. Een belangrijke vraag is bijvoorbeeld of in de Romeinse tijd sprake is geweest van een verdere degradatie van bodems.
Deze kwestie speelt een rol in een verklaringsmodel over het einde van de bewoning op de zandgronden in de derde eeuw n.Chr.
6.4.
Het cultuurlandschap
Bij de keuze voor het gebruik en de inrichting van het landschap liet de mens zich in het verleden niet altijd leiden door dezelfde economisch-rationele keuzes die wij zo vanzelfsprekend vinden. We dienen dus rekening te houden met de contemporaine perceptie van het landschap, zoals ideeën over de kosmologische ordening van de wereld, waarin ook het bovennatuurlijke een plaats heeft. Dit aspect kan onder meer worden onderzocht door analyses van de specifieke locaties en patronen van vindplaatsen in het landschap, in het bijzonder van cultusplaatsen en rituele deposities in natte contexten, en de ligging van vindplaatsen ten opzichte van andere vindplaatsen. Belangrijk is voorts de notie dat de mens ook al in het verleden in een cultuurlandschap woonde dat eeuwen bewoond was en waarin diverse relicten uit vroegere perioden aanwezig waren. Er werd een eigen interpretatie en waardering gegeven aan deze oude elementen; ze werden geïncorporeerd in het contemporaine landschap of juist vernietigd. In het licht hiervan is in het onderzoek een belangrijke plaats weggelegd voor het begrip ‘culturele biografie’, waarbij door middel van onder meer archeologisch, historischgeografisch, historisch-bouwkundig en historischecologisch onderzoek het ‘levensverhaal’ van - in dit geval - het cultuurlandschap geschreven wordt.
Om inzicht te krijgen in de voortdurend veranderende beleving, omgang en inrichting van het cultuurlandschap en de oudere vindplaatsen daarin dient een langetermijnperspectief te worden gehanteerd. Het perspectief bij uitstek voor het onderzoek van het cultuurlandschap is dat van de microregio. Voorbeelden van deze benadering en hun grote potentieel zijn met name de onderzoeken in de microregio’s rondom Oss, Weert-Nederweert, Someren en Laarbeek. In deze gebieden kunnen vindplaatsen dankzij grootschalige opgravingen en inventarisaties worden vergeleken (synchroon en diachroon) met naburige vindplaatsen, zodat uitspraken over het cultuurlandschap, nederzettingspatroon en demografie mogelijk worden. In Brabant is onderzoek verricht naar de locatie van vindplaatsen op macroniveau 161 en in enkele microregio’s (d.w.z. rond grotere opgravingen) naar de locatie van inheems-Romeinse nederzettingen. Het gaat
20 juni 2020
pagina 43 van 116
REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT
daarbij echter meer om een kartering van vindplaatsen op een bodem- of geomorfologische kaartondergrond dan om een analyse op cultuurlandschappelijk niveau. Het onderzoek van het cultuurlandschap in een specifieke historische of archeologische periode kan de volgende stappen omvatten. Een eerste stap is de kartering van archeologische vindplaatsen, een tweede de poging de locatie te verklaren (of in elk geval precies te omschrijven) met behulp van bodemkunde, geomorfologie/(micro-)reliëf, klimaatgeschiedenis, etc. Na de analyse van de locatie van vindplaatsen ten opzichte van elkaar en van het landschap, kan een volgende stap bestaan uit een analyse van de demografie en het agrarisch potentieel. Het spreekt vanzelf dat het onderzoek van het cultuurlandschap (dat per definitie meerdere vindplaatsen dient te omvatten) alleen vanuit een microregionaal of regionaal perspectief kan plaatsvinden. Verder kan een dergelijk onderzoek niet zonder een langetermijnperspectief; de ontwikkelingen in de prehistorie hebben het Romeinse cultuurlandschap immers mede vormgegeven. Het betekent ook dat de aanwezigheid van prehistorische monumenten moet worden meegewogen. Een probleem voor het dekzandgebied is dat er nauwelijks sporen zijn aangetroffen buiten de nederzettingen, grafvelden en een enkele cultusplaats.
Buiten de nederzettingsarealen (off-site) zou men graag greppelsystemen willen vinden die helpen de akkers en weiden te lokaliseren, maar tot op heden hebben we daar niet of nauwelijks informatie over. Dat is echter vooral het gevolg van het feit dat er tot een jaar of tien geleden nauwelijks onderzoek werd verricht op het terrein net buiten een nederzetting of grafveld. Recente onderzoeken in de microregio Laarbeek hebben onlangs twee ‘Romeinse wegen’ (zandwegen met aan weerszijden een greppel) opgeleverd. Het onderzoek van wegtracé’s als structurerende elementen in het dekzandlandschap heeft dus zeker potentie, ook omdat ten aanzien van dit onderwerp steeds meer resultaten worden geboekt via het onderzoek van voordes in beekdalen. Zo kwam er tijdens een ontgronding in het dal van de beek de Lei (nabij Riel en Goirle) met zekerheid één en mogelijk twee houten beekovergangen (brug?) uit de late prehistorie aan het licht.
6.5.
Archeologische verschijningsvormen van de lokale gemeenschap
6.5.1. Nederzettingen Als het gaat om lokale gemeenschappen en hun nederzettingen, is het belangrijk kort stil te staan bij het beeld dat Jan Slofstra in 1991 van het nederzettingssysteem in Zuid-Nederland schetste. Hij signaleerde een scherp contrast tussen de nederzettings- en agrarische systemen in de Late IJzertijd en de Romeinse tijd. In de eerste periode is sprake van celtic fields en ‘zwervende’ boerderijen van het type Oss-Ussen 5. Vanaf de vroegste Romeinse tijd worden nederzettingen plaatsvast en zien we meer solide huizen van het Alphen-Ekeren type. De nederzettingshiërarchie heeft small rural settlements aan de basis en kent verder enclosed rural settlements, rurale centra ofwel vici en de proto-urbane centra die in de loop van de Romeinse tijd tot echte steden uitgroeien. Binnen de groep van de enclosed rural settlements zijn al in de pre-Flavische periode indicaties te vinden voor eliteresidenties, die in sommige gevallen uitgroeiden tot echte villa’s maar elders vaak niet ‘verder’ komen dan wat Slofstra als proto-villa’s betitelt. Het nederzettingssysteem weerspiegelt als het ware het hiërarchische patronage-systeem. Dit systeem bestond al in de late prehistorie en wordt in de Romeinse tijd van extra treden voorzien, namelijk die van de (Gallo)Romeinse elite en de keizerlijke familie.
De bewoners van de eliteresidenties in Zuid-Nederland vormen de intermediairs met de hoogste niveaus, doordat zij ook als decuriones van de civitates fungeren. De afhankelijke bevolking woonde in de huizen en kleine nederzettingen rond de residenties van elites. In het beschreven model is elke nederzetting op basis van morfologische kenmerken grofweg te plaatsen op een bepaald niveau van een (supra-)regionale nederzettingshiërarchie en gaat het uit van een nederzettingsgeschiedenis die op hoofdlijnen gelijk is voor heel Zuid-Nederland. Het onderzoek dat na 1991 is verricht heeft echter duidelijk gemaakt dat er sprake is van een enorme verscheidenheid in ruimte en tijd, zowel wat betreft de nederzettingen en bewoningspatronen als de grafvelden. Elke nederzetting heeft een specifieke uitleg, soms specifieke varianten van het Alphen-Ekerenhuis en nederzettingen worden op verschillende momenten gesticht en soms ook compleet verplaatst. Het aantal voorbeelden van ‘proto-villa’s’ (Alphen-Ekeren-huizen met bijzondere architectonische toevoegingen) op de zandgronden is vooralsnog beperkt gebleven en in het rivierengebied juist tamelijk groot.
Ook het type van de enclosed rural settlement is op de zandgronden zeldzaam (Oss-Westerveld, Hoogeloon) en in het rivierengebied groter, terwijl het in het laatste gebied niet zonder meer een hoog niveau in de nederzettingshiërarchie vertegenwoordigt. Het blijft de opgave voor de komende jaren om te onderzoeken in hoeverre de bewoning in Zuid- en Midden-Nederland zich ontwikkelde vanuit lokale factoren (zoals het landschap) dan wel bovenregionale factoren (romanisering, toenemende oriëntatie op de markt, etc.). Dit onderzoek is voor wat betreft de veldwerkcomponent het meest vruchtbaar vanuit een microregionaal perspectief.
20 juni 2020
pagina 44 van 116
REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT
Ondanks dat er op veel plaatsen grootschalig onderzoek is verricht, is over zoiets ‘basaals’ als de ontwikkeling van het Alphen-Ekeren-huis te weinig bekend. Daarom is aandacht nodig voor daterend materiaal en daterende constructieve details (vorm middenstijl-kuilen, dragende functie wand); hetzelfde geldt voor waterputten: er zijn te weinig goed-opgegraven voorbeelden (grondwater mag geen excuus zijn) zodat er nog weinig bekend is over bijvoorbeeld de constructietechniek. Het lijkt erop dat bewoning op de zandgronden van Noord-Brabant na de teruggang tussen ca. 225 en 250 een tijdlang minimaal of zelfs geheel afwezig was. Uit de Laat-Romeinse tijd zijn wel enkele muntschatten bekend en in bijvoorbeeld Geldrop, Bergeijk en Lierop zijn huisplattegronden of andere bewoningssporen aangetroffen. Dendrochronologische gegevens van Laat-Romeinse vindplaatsen in Zuid-Nederland en Noord-België suggereren dat de bewoning zich heeft beperkt tot een korte episode rond het begin van de vijfde eeuw.
Onderzoeksvragen: Hoe is de overgang van de late ijzertijd naar de Romeinse tijd te kenschetsen in de archeologische neerslag? Welke veranderingen zijn er zichtbaar in de bouw van huizen, waterputten en bijgebouwen, de herkomst en het gebruik van gereedschap en gebruiksvoorwerpen en het bewerken van de gronden? Welke veranderingen zijn zichtbaar in het voedingspatroon en agrarische economie? Is er sprake van economische surplusproductie in nederzettingen en waar bestaat deze dan uit? Zijn er aanwijzingen voor de bewoning van Romeinse nederzettingen door slaven of vrije (pacht)boeren? Na 270 lijkt vrijwel elke nederzetting in Oost-Brabant te zijn verlaten. Zijn er aanwijzingen te vinden voor het bewust verlaten van nederzettingen in de vorm van uitgegraven staanders, de ontmanteling van waterputten en het bewust deponeren van voorwerpen en afval (van het huis) in de verdiepte delen van het huis? Niettemin zijn er ook plaatsen aan te wijzen waar continuïteit van bewoning en begraving is aangetoond.
Waarom zijn deze plekken niet verlaten? Welke veranderingen treden er op in het botanische landschap als veel nederzettingen na circa 270 zijn verlaten? Is er sprake van bos- en misschien zelfs bodemherstel? Hoe verhouden eventueel bos- en bodemherstel zich tot de bodemtypen in de verschillende microregio’s? De verdiepte delen in de huizen kunnen als stal in gebruik zijn geweest maar ook als een verdiept huisdeel. De variabele diepte en de al dan niet rechte vorm zijn mogelijk aanwijzingen voor een verschillend gebruik. Kunnen chemische analyse, micromorfologisch onderzoek, maar ook andere specialistisch onderzoeken, meer inzicht geven in het gebruik en daarmee de functie van deze verdiepte huisdelen? Zijn er ook vergelijkingen te trekken met vergelijkbare gebouwen in andere landen als Duitsland en Denemarken waar ook verdiepte vloeren in huizen zijn aangetroffen? Om vast te kunnen stellen of er sprake is van differentiatie tussen de nederzettingen, is het van belang om onderzoek te doen naar de indeling en samenstelling van de nederzetting.
Is er sprake van een rechthoekige uitleg van de gebouwen, afwijkingen in de huizenbouw en/of materiaalgebruik, een gezamenlijk erf/plein, gezamenlijke waterput, bijgebouwen en/of kuilen aan de rand van nederzetting? Is er sprake van perceelindeling, al dan niet zichtbaar? Is er sprake van Romeinse maatvoering in de huizenbouw, indeling van de percelen en dergelijke? Een verdere ontwikkeling en toepassing van de horizontaal-stratigrafische analyse, waarbij meer architectonische en stedenbouwkundige kennis van de Romeinse tijd wordt ingebracht, kan duidelijk maken of nederzettingen daadwerkelijk van elkaar verschillen. Het moerasgebied de Peel was blijkbaar niet goed bewoonbaar, maar lijkt ook niet volledig te zijn verlaten. Het had zelfs speciale betekenis, getuige vondsten als de gouden helm en de sierschijf. Hoe werd het veengebied de Peel met natuurlijke bronnen van water (wijst), ijzeroer (nabij de Peelrandbreuk) en hoogveen in de late ijzertijd en Romeinse tijd gebruikt? Hier en daar wordt bij archeologisch onderzoek wel eens een stukje oude weg aangetroffen, maar het blijft dan vaak onduidelijk of het een lokaal pad is, een regionale weg of een grote doorgaande verbinding. Een fundamenteel probleem is dat je een ‘route’ niet kunt opgraven, maar de daarvan deel uitmakende wegen moeten wél te vinden zijn.
Hoe zagen de primaire en secundaire verbindingen in het gebied eruit? Is er een patroon te destilleren uit de enkele stukjes gevonden infrastructuur, die bestaan uit bruggen/dijken, zandwegen en beken? In hoeverre waren de beken in Brabant bevaarbaar en bruikbaar voor scheepvaart en daarmee vervoer van goederen? Wat is de (absolute) datering van de individuele huisplattegronden, bijgebouwen en waterputten en hoe lang waren deze in gebruik? Wat zijn hun constructie-technische kenmerken, wat kunnen we zeggen over de indeling en de betekenis daarvan? Waaruit bestaat de materiële cultuur in en rondom de sporen van de structuur? Wat is de context?
20 juni 2020
pagina 45 van 116
REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT
Wat is de aard, datering, functie, betekenis en ontwikkeling van (partiële) Romeinse steenbouw? (NOaA vraag 61) Nederland lag aan de rand van het Romeinse rijk en uitsluitend het Zuid-Limburgse Lössgebied maakte deel uit van het sterk geromaniseerde villla-landschap. In dit perifere grensgebied, en met name in het gebied ten noorden van Zuid-Limburg, waren stenen gebouwen schaars en zien we verspreid allerlei mengvormen tussen houtbouw en steenbouw, die in uiteenlopende vormen een samengaan van inheemse en Romeinse bouwtradities illustreren (o.a. Rijswijk, Hoogeloon, Houten, Ewijk, Overasselt, Cothen). Dit interessante verschijnsel doet zich met name in rurale context voor, in mindere mate in steden en militaire versterkingen want die zijn in de regel meer volgens een vast, Romeins, stramien gebouwd. In het rivierengebied zijn tot dusver de meeste voorbeelden bekend, deels uitsluitend als oppervlaktevindplaatsen. Aard, datering, functie en ontwikkeling van de betreffende gebouwen zijn in veel gevallen onbekend. Operationalisering Verzamel losse stukken bouwmateriaal (steen en baksteen) systematisch, zodat de verspreiding in beeld kan worden gebracht. Onderscheid categorieën. Probeer uit de stratigrafische context af te leiden in hoeverre post-depositionele verplaatsing is opgetreden. Leidt de datering af uit de context.
Probeer vast te stellen of het materiaal deel uitmaakte van het gebouw en zo ja, van welk deel. Of is sprake van secundair gebruik voor een ander doel? Relateer verspreidingspatronen aan structurele informatie (locatie binnen de nederzetting, positie binnen of ten opzichte van gebouwstructuren). En: in hoeverre reflecteert de gebouwplattegrond Romeinse invloed, die zich kan hebben vertaald in de toepassing van (bak)steen? In hoeverre maakt de positie van (in-situ) (bak)steen lokaal gebruik als bouwmateriaal aannemelijk? Probeer de functie van het gebouw vast te stellen (structurele en (bio)archeologische indicaties). Om de functie/gebruik van de steenbouw te bepalen is het belangrijk te letten op (eventueel afgedekte) oude loopoppervlakken en daarmee geassocieerd vondstmateriaal. Hieruit kan soms afgeleid worden wat de (primaire/secundaire) functie van ruimtes was. Voor de ontwikkeling en fasering moet zorgvuldig worden gelet op aanhechtingen en oversnijdingen en (ook hiervoor) contextgebonden analyse van het vondstmateriaal. Geïmporteerde steensoorten dienen zo nauwkeurig (macroscopisch) mogelijk gedetermineerd te worden. Kalksteen' alleen volstaat niet, want dit geeft geen onvoldoende informatie over de herkomst.
Welke invloed hadden Romeinse centra (steden, versterkingen, vici,) op hun omgeving? (NOaA vraag 64) Het nederzettingssysteem in de Romeinse tijd was in vergelijking met het zuidelijker gelegen Noord-Gallië weinig ontwikkeld en gestratificeerd. Naast een beperkt aantal stedelijke, rurale en militaire centra bestond het overgrote deel van de nederzettingen net als in de voorafgaande Late IJzertijd uit landelijke nederzettingen, bestaande uit een aantal boerderijen. Alleen in het Limburgse lössgebied ontstond een villalandschap, zoals dat ook uit het aangrenzende Belgische, Franse en Duitse gebied bekend is. Noviomagus (Nijmegen) en Forum Hadriani (Voorburg) waren belangrijke bestuurlijke, economische, ambachtelijke en rituele centra. Deze steden en de versterkingen langs de Rijn wordt een belangrijke rol toegeschreven in de Romanisering van het omringende platteland. Van de rurale centra (vici) is veel minder bekend en in een aantal regio’s lijken deze helemaal te ontbreken (bijvoorbeeld het centrale deel van het Brabants zandgebied). De stad-platteland relaties in de Romeinse tijd en de relaties tussen de centrale plaatsen onderling en met hun omgeving is een belangrijke thema voor toekomstig onderzoek. Netwerken kunnen verschillende schaalniveaus hebben gehad: lokaal, (micro)regionaal, provinciaal. Deze vraag beperkt zich tot het lokale en (micro-)regionale niveau.
Hieronder vallen aspecten als handel en uitwisseling, ambacht en specialisatie, belastinginning, rekrutering van soldaten en de rol van infrastructuur. Aandachtspunt is ook de mogelijke rol die het leger en veteranen hadden bij de inrichting van het platteland en de bouw van specifieke nederzettingen of complexen (tempels, villa’s). Operationalisering Onderzoek in hoeverre er bij nederzettingen in de buurt van de Romeinse versterkingen, vici en steden verschijnselen waarneembaar zijn, die herleidbaar zijn tot genoemde Romeinse vestigingen of -meer in het algemeen- sterke Romeinse invloed. Hierbij is te denken aan (materiële expressies van) bouwwijze (en materiaalgebruik), nederzettingsstructuur, economische activiteit, sociale differentiatie, voedingspatroon (en eetcultuur), grafbestel etc. Zoek naar aanwijzingen voor agrarische surplusproductie. Dierlijk materiaal: vergelijk soortenspectra, leeftijdsopbouw en schofthoogtes met data van andere vindplaatsen. Bestudeer in hoeverre er bij binnenlandse centra schelpdieren en vis van de kust worden aangevoerd. Botanische resten: zoek naar aanwijzingen voor specialisatie in de akkerbouw (eenzijdig soortenspectrum) en surplusproductie (exceptioneel veel opslagcapaciteit). Onderzoek palynologisch in hoeverre het landschap vooral rondom Romeinse stichtingen veranderde door grootschalige ontbossing en ontginning.
20 juni 2020
pagina 46 van 116
REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT
6.5.2. Grafvelden Graven en grafvelden worden nog steeds wel bij toeval aangetroffen, maar steeds vaker ook in het kader van grootschalig archeologisch onderzoek. Grafvelden op het Romeinse platteland zijn opgegraven bij Hoogeloon-Kaboutersberg, Mierlo-Hout-Ashorst, Someren-Waterdael, -Terhofstadtlaan, WeertMolenakkerdreef, -Kampershoek en Nederweert-Rosveld. Van de bovengrondse architectuur van de graven is nog maar weinig bekend. Het bekendst zijn de greppels of ringsloten waarmee het grafareaal in veel gevallen omsloten is. Het is vooralsnog onduidelijk wat de verschillen tussen rechthoekige en ronde grafarealen te betekenen hebben (mannelijk vs. vrouwelijk?). Binnen de ringsloot lag dikwijls een grafheuvel - maar of deze ook nog gemarkeerd is geweest met palen of stenen monumenten is veelal niet meer na te gaan. In een monografie uit 2003 doet Henk Hiddink een poging om het grafritueel in de Late IJzertijd en Romeinse tijd in Zuid-Nederland te karakteriseren en in te bedden in recente benaderingswijzen. Hij constateert dat het aantal goed bekende vindplaatsen, ondanks het grote aantal opgravingen, vooralsnog zeer beperkt is. Op de meeste grafvelden zijn één of meer van de volgende deficiënties van toepassing: 1) de vindplaats is niet gepubliceerd; 2) de vindplaats is niet compleet onderzocht; 3) de crematieresten (incl.
dierlijk bot!) zijn niet (goed genoeg) onderzocht; 4) de gegevens over het grafritueel (graftypen, artefacten, (on)verbrand etc.) zijn te beperkt; en 5) de bijbehorende nederzetting(en) is/zijn niet (compleet) opgegraven. Grafvelden spelen een rol bij de (re)constructie van lokale gemeenschappen. Een belangrijke notie voor het onderzoek van grafvelden is dat ook de locatie in het (cultuur)landschap deel uitmaakt van het grafritueel (ligging aan de rand of juist het centrum van het territorium, positie ten opzichte van oudere urnenvelden). Een van de punten die bij toekomstige opgravingen en analyses aandacht behoeft, is het ‘grafritueel als proces’. Het gaat hierbij om een reconstructie van de rituelen die (eventueel ook lange tijd na de bijzetting), op een grafveld hebben plaatsgevonden. Informatie hierover kan onder meer worden verkregen door het nauwkeurig in kaart brengen en bergen van de grafinhoud, het zorgvuldig verzamelen van aanlegvondsten om verschillen tussen grafdeposities en rituele maaltijden en offers te kunnen onderscheiden, het integraal en laagsgewijs zeven van graven (volgorde waarin componenten in het graf zijn gedeponeerd), een analyse van het houtskool (samenstelling brandstapel), dierlijk botmateriaal (vleesbijgiften) en de behandeling van de bijgiften ((on)verbrand, intentioneel verzameld of ‘per ongeluk’ in graf terecht gekomen).
Van belang is verder dat dierlijk en menselijk skeletmateriaal, vondsten en het spoor geïntegreerd bestudeerd worden en dat er een hechte samenwerking is tussen de archeoloog en de specialisten. Dit soort analyses draagt niet alleen bij aan een grotere kennis over de rituelen rond dood en begraving, maar ook over de formatieprocessen, en vormen daarmee een cruciale stap die uitgevoerd moet worden alvorens graven en grafvelden worden vergeleken in studies naar de ‘romanisering’ en de sociale organisatie van lokale gemeenschappen. In voorkomende gevallen moet de nodige aandacht worden besteed aan zeldzame fenomenen binnen grafvelden, zoals brandplaatsen, inhumaties (waaronder babyen kindergraven), resten van grafheuvels, monumentale randstructuren (en andere Gründergräberachtige fenomenen) en niet-grafkuilen (offers, dumps brandstapelmateriaal, rituele maaltijden). Er bestaat een grote variatie binnen het grafritueel in Zuid-Nederland. De grafvelden hebben goed beschouwd slechts enkele overeenkomsten, zoals het feit dat crematies overheersen en inhumaties nauwelijks voorkomen, het ontbreken van busta en een spaarzaam voorkomen van urnen.
De verschillen tussen grafvelden hebben betrekking op het al dan niet voorkomen van randstructuren, de vorm daarvan, de verhouding van de verschillende graftypen (en daarmee verhouding onverbrande versus verbrande bijgiften), de aardewerkassemblage, de soorten dierlijk bot, percentage graven met een munt, etc. Het is momenteel nog niet geheel duidelijk hoe ‘lokaal’ het grafritueel is. Kortom: hoe groot zijn de verschillen tussen naburige grafvelden? Dit zal onderzocht moeten worden aan de hand van nieuwe opgravingen in de nabijheid van reeds onderzochte vindplaatsen. Er zijn aanwijzingen dat het lokale karakter van het grafritueel in de Romeinse tijd blijft bestaan. Dit suggereert, samen met het voortbestaan van dezelfde graftypen, dat het grafritueel nauwelijks ‘romaniseert’, terwijl de grote verschillen tussen de materiële cultuur van de Late IJzertijd en de Romeinse tijd op het eerste gezicht op het tegendeel duiden.
6.6.
Cultusplaatsen en rituele deposities
6.6.1. Cultusplaatsen De tempel in het centrum van Elst was lange tijd de enige tempel waarover iets bekend was. Na Elst zijn in het begin van de jaren zestig twee kleine tempels in de vicus van Cuijk blootgelegd; begin jaren tachtig kwam daar nog het heiligdom van Maastricht-Derlon bij. Een belangrijk moment in het cultusplaatsen-
20 juni 2020
pagina 47 van 116
REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT
onderzoek was de vaststelling van ‘openluchtheiligdommen’ zonder tempelgebouw. Over de private heiligdommen in Nederland weten we heel weinig. In deze paragraaf staan de cultusplaatsen van lokale gemeenschappen centraal: de openluchtheiligdommen zonder monumentale steenbouw. Openluchtheiligdommen zijn in Nederland uiterst zeldzaam; het enige overtuigende voorbeeld is die van Hoogeloon-Kerkakkers. Gezien de zeldzaamheidswaarde dient elke vindplaats van dit type zorgvuldig te worden onderzocht. Openluchtheiligdommen kunnen zowel binnen de nederzetting worden aangetroffen als daarbuiten. Derhalve kunnen ze alleen worden opgespoord door middel van een dicht net van proefsleuven (vindplaatsdiameter 20-25 m!). Ze zijn pas in het opgravingsvlak te herkennen door omgreppelingen, bijzondere palenrijen en –configuraties, en door (kleine) concentraties van munten, fibulae en andere metalen voorwerpen. Lokale cultusplaatsen kunnen eigenlijk alleen worden gevonden bij proefsleuvenonderzoek buiten de nederzettingen en grafvelden (vooral in de off-site) of in zeer gunstige gevallen met behulp van de metaaldetector; zij zijn zeer zeldzaam en per definitie hoog te waarderen. Rituele complexen die het lokale belang overstijgen, betreffen sites met monumentale stenen tempels, zoals die bekend zijn uit Elst-centrum, Empel, Kessel-Lith en Nijmegen.