[20.19428] - Bijlage 6 regionale onderzoeksagenda regio zuidoost-brabant
Tekst van het document
We kunnen ons voorstellen dat vertegenwoordigers van tal van lokale groepen op deze plaatsen bijeenkwamen ten tijde van religieuze festivals en dat in de nabijheid van de tempel handel werd gedreven. Dergelijke vindplaatsen zijn niet alleen van belang op grond van hun zeldzaamheid, maar ook en vooral omdat zij een grote hoeveelheid mobilia (metaal, aardewerk, bot) kunnen opleveren met een enorm potentieel aan gegevens over de toenmalige samenleving en voorstellingswereld. Het onderzoek in Empel heeft bijvoorbeeld gegevens opgeleverd over elitenetwerken in de Late IJzertijd (munten), de etnogenese van Eburonen en Bataven (munten), martialiteit en de relatie tussen inheemse groepen en het Romeinse leger (militaria), voorstellingen omtrent de levenscyclus van individuen (deposities van militaria) en de verbreiding van de schriftcultuur (zegeldoosjes). Indien het in de toekomst mocht voorkomen dat dergelijke vindplaatsen worden ontdekt, maar niet, of niet adequaat kunnen worden beschermd, moeten zij compleet en met de grootst mogelijke zorg worden opgegraven door instellingen met voldoende ervaring in het onderzoek van cultusplaatsen en vanuit actuele wetenschappelijke vraagstellingen. Gezien de zeldzaamheid van grote monumentale cultusplaatsen verdient bescherming de voorkeur.
Indien er moet worden opgegraven dient het onderzoek met de grootst mogelijke zorgvuldigheid te gebeuren. Belangrijk is het verkrijgen van contextgegevens over metaalwaar, aardewerk en bot (alles inmeten), aangezien onderzoek naar het precieze gebruik van cultusplaatsen elders niet is/kon worden verzameld.
6.6.2. Rituele deposities Andere vormen van rituele deposities, die niet aan cultusplaatsen zijn gebonden, kunnen worden onderverdeeld in verschillende soorten. Fenomenen als bouwoffers en paardengraven in nederzettingen zullen bij zorgvuldig nederzettingsonderzoek niet over het hoofd worden gezien. Verder kan er in of bij nederzettingen sprake zijn van deposities van bronzen vaatwerk of muntschatten. Soms betreft het rituele deposities, maar het kunnen ook waardevolle zaken zijn, die in tijden van nood in de grond verstopt zijn. Tenslotte is er in de Romeinse tijd sprake van rituele deposities in natte contexten, zoals beken en venen (de grote complexen uit rivieren komen hieronder ter sprake). Aan deze categorie is nog weinig aandacht besteed, maar het is duidelijk dat juist muntschatten tot dit complextype gerekend kunnen worden. Het is slechts mogelijk ze te vinden door een intensieve begeleiding van werkzaamheden in beekdalen (met name bij voordes) en andere natte contexten, waar Romeins en prehistorisch materiaal samen wordt aangetroffen. Vondsten van ‘losse’ munten en muntschatten zijn in ruime mate bekend, maar contextgegevens zijn uiterst schaars en verdienen de grootst mogelijke aandacht (positie in het landschap, horizontale en verticale verspreiding, verdeling in (paal)kuil.
Dezelfde gegevens dienen ook te worden verzameld voor bouwoffers, vondsten in beekdalen, etc. Naast de grote tempels, kunnen deposities van allerhande voorwerpen in rivieren worden gezien als uitingen van bovenlokale gemeenschappen. Voorbeelden van dit soort complexen zijn die van Kessel-Lith, Nijmegen en bij de samenvloeiing van Roer en Maas (Roermond). Hier vinden we deposities van mensen (menselijk bot), zwaarden, gordelhaken, bronzen vaatwerk en wat dies meer zij. Ook in het Dommeldal tussen Nuenen en Eindhoven zijn aanwijzingen voor rituele deposities. In de toekomst kunnen deposities in rivieren ontdekt worden bij baggerwerkzaamheden en de winning van zand en grind; het is belangrijk te melden dat deze deposities kunnen samengaan met de verspoelde resten van nederzettingen en tempelterreinen. Gezien de zeldzaamheid van dit soort vindplaatsen dient er de grootst mogelijke aandacht aan te worden besteed wanneer zij onverhoopt aangesneden worden. In dit type contexten speelden dieren of dierlijke producten vaak een belangrijke rol.189 Alvorens ons te wagen aan de betekenis van dit soort vondsten zal eerst moeten worden vastgesteld of er inderdaad sprake is van een al dan niet intentionele rituele depositie. In dergelijke gevallen is een goede toetsing van mogelijke hypothesen alleen
20 juni 2020
pagina 48 van 116
REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT
mogelijk via een geïntegreerde aanpak waarbij de vondsten in hun context bestudeerd worden, gebruikmakend van de verschillende expertisen. Indien rituele deposities aan het licht komen tijdens baggerwerken e.d. is het belangrijk ook aandacht te besteden aan kleine voorwerpen van metaal, aardewerk en bot (deze zijn in het verleden vaak niet opgemerkt). Verder moet worden getracht zoveel mogelijk gegevens te verzamelen over de context en de datering van de vondsten.
6.7.
Materiële cultuur
Een thema dat de komende decennia ook zeer relevant zal blijven, is de studie van de materiële cultuur in de meest ruime zin. Tot voor kort bestond in de archeologie van de Romeinse tijd in zekere zin te weinig aandacht voor het vondstmateriaal. In vergelijking met bijvoorbeeld Duitsland lag de nadruk meer op grondsporen en grootschalige opgravingen. Vondstmateriaal blijft onverminderd belangrijk voor het dateren en met name voor regio’s verder van de limes is het belangrijk dat specifieke typologieën worden opgesteld. Voor onder meer aardewerk wordt het echter hoog tijd meer onderzoek te doen naar economische aspecten. Nauwkeurige analyses van de baksels kunnen informatie opleveren over de herkomst en verspreiding van bepaalde aardewerkgroepen en -types, waardoor inzicht wordt verkregen in productie- en handelsnetwerken. In vergelijking met bijvoorbeeld Engeland, maar inmiddels ook met België, is onze kennis daarvan minimaal. Kennis over de herkomst van specifieke producten uit zuidwest Nederland (Waaslands aardewerk) en ‘Bataafs’ (grijs) aardewerk, maar ook van gladwandige, gesmookte en ruwwandige producten, in combinatie met analyses van verspreidingspatronen, stelt ons misschien in staat meer te weten te komen over de economie en uitwisselingsnetwerken in het onderzoeksgebied en veranderingen daarin.
Studie van uitwisselingsnetwerken en de relaties en processen die hierin een rol spelen, geven inzicht in de waardering van de mobilia door de verschillende gemeenschappen, de relaties tussen groepen onderling, de rol van vici en steden in de netwerken en de relaties tussen productie- en handelscentra. Niet alleen aardewerk is hiervoor een bron van gegevens, maar ook metaalwaar, bouwmateriaal en andere goederen. Vondstmateriaal blijft ook onverminderd belangrijk voor het dateren, maar onderzoek van andere aspecten moet nog grotendeels van de grond komen. De studie van metaalvondsten is inmiddels al wat verder ontwikkeld, mede door de opkomst van de detectorarcheologie in de jaren tachtig. Vooral de grotere complexen metaalvondsten kunnen veel gegevens opleveren over meer ‘abstracte’ onderwerpen als monetarisering (munten), levenscyclus en martialiteit (wapens, beslag), geletterdheid en ‘latinisering’ (zegeldoosjes, stili), de constructie van lokale gemeenschappen (munten, grafvondsten), etc. Ten aanzien van de metaalvondsten is het van belang dat op elke opgraving systematisch wordt gezocht met detectoren. Studie aan voorwerpen van been en gewei geeft inzicht in het specifiek aan de bewerking van sommige categorieën voorwerpen gewijde ambacht en in de culturele aspecten die gerelateerd zijn aan de verschillende verschijningsvormen van deze voorwerpen.
Onderzoek naar de herkomst en verspreiding van aardewerk en andere goederen kan inzicht opleveren in de economische netwerken waarin lokale groepen participeerden, alsmede de variatie daarin in tijd en ruimte. Over de organisatie van de productie weten we weinig en van veel niet-keramisch materiaal is onbekend of het ook in Nederland is geproduceerd. In de toekomst zal de nodige aandacht moeten worden besteed aan productie. Deze vond vaak plaats in speciale complexen of vici, maar kan eventueel ook op lokaal niveau worden aangetroffen. Het betreft pottenbakkersovens, (dakpan)ovens, sporen van ijzerwinning en -productie, houtskoolbereiding en grondstoffenwinning. Dat sporen van dergelijke fenomenen tot nu toe nauwelijks zijn gevonden, hangt wellicht samen met het feit dat daar gericht naar moet worden gezocht buiten de nederzettingen. Vondstmateriaal dient in opgravingsrapporten ook zo te worden ontsloten, dat de lezers ook aanknopingspunten worden gegeven voor een verdere analyse van de herkomst. Complexen met sporen van ambachtelijke activiteiten verdienen de grootst mogelijke aandacht, zowel binnen rurale nederzettingen (vici én villa’s), maar ook daarbuiten (off-site). Wat zijn de aard en herkomst van sier- en gebruiksvoorwerpen uit de periode c.
400-600 AD? (NOaA vraag 113) Op het grensvlak van Romeinse tijd en Vroege Middeleeuwen treden op allerlei terreinen grote veranderingen op. De studie daarvan wordt bemoeilijk door het feit dat de materiële cultuur uit deze periode nog niet in haar volle breedte en ook nog niet gedetailleerd genoeg bekend zijn. Sommige soorten sier- en gebruiksvoorwerpen (zoals vaatwerk) kunnen ook niet goed gedateerd worden, of er bestaat twijfel aan de dateringsrange. Ook over herkomst en productiewijze is soms weinig bekend. Vooralsnog is het denkbaar dat hiaten en discontinuïteit slechts schijn zijn: een artefact van een gebrekkig archeologisch instrumentarium.
20 juni 2020
pagina 49 van 116
REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT
Operationalisering Wees met name in Romeinse en vroegmiddeleeuwse context alert op afwijkende materiaalgroepen en voorwerpen. Beschrijf ze en maak ze zichtbaar in de rapportage. Harde en zachte dierlijke materialen: doe een beroep op specialistische kennis. Niet alle handgevormde aardewerk met uitzondering van ‘kogelpot’ is prehistorisch. In deze periode komen behalve Hessens-Schortens keramiek ook andere vormen en beter afgewerkte baksels voor, waaronder rheinweser-germanische Keramik en nordseeküstennahe Keramik (zie van Enckevort & J. Hendriks 2017). Vertrouw niet blind op gepubliceerde dateringsranges. Benut de meest actuele typo-chronologische inzichten. Test ook die. Zet systematisch onafhankelijke, natuurwetenschappelijke dateringsmethoden in. Welke rol speelden Romeinse nederzettingen, gebouwen, tempels, infrastructuur en andere structuren nadat ze hun primaire functie hadden verloren? (NOaA vraag 62) De locatie van diverse nederzettingen en gebouwen uit de Romeinse tijd werd vanaf de laat-Merovingische of Karolingische tijd opnieuw gebruikt. Ook werd Romeins bouwmateriaal verzameld en hergebruikt. De (locatie van de) voormalige Romeinse forten van Utrecht (Domplein) en Woerden vormden de bakermat voor vroeg stedelijke en religieuze ontwikkeling vanaf respectievelijk de 7e en 8e eeuw.
De voormalige principia van het fort van Woerden is in de 8e eeuw gebruikt voor begraving, waarschijnlijk voor de lokale of regionale elite. Op de locatie van de tempel van Elst-Centrum verrees rond de 8e eeuw een eerste kerk. De aard, schaal en het precieze tijdstip van het opnieuw in gebruik nemen van nederzettingen en gebouwen uit de Romeinse tijd in de vroege middeleeuwen verdient nader onderzoek. Het is niet duidelijk in hoeverre er sprake is van continuïteit in bewoning of gebruik van de plek en of de voormalige functie een rol speelde in het hergebruik van de locatie. Ook de rol van de in de Romeinse tijd aangelegde infrastructuur is onvoldoende bekend. De castella waren in de vroege middeleeuwen vermoedelijk in bezit van de Frankische koningen en lijken een sleutelrol te hebben gespeeld bij de kerstening van Nederland. Dagobert I (623-639) schonk de eerste kerk en het castellum op het Domplein in Utrecht (Traiectum) aan de bisschop van Keulen. En Willibrord stichtte kerken in onder meer Woerden en Utrecht. Een hypothese die nader onderzoek verdient, is in hoeverre hierbij sprake is van een door de Frankische koningen gestuurde strategie om de Friezen te onderwerpen.
En beperkte deze strategie zich alleen tot de castella of betrof deze ook andere nederzettingen? Operationalisering Om een beeld te krijgen van het "Nachleben" van Romeinse resten moet in de eerste plaats aandacht besteed worden aan jongere vondsten ter plaatse. Aard, datering en vondstomstandigheden kunnen uitwijzen welke rol Romeinse nederzettingen, gebouwen, tempels en structuren hebben vervuld nadat ze hun primaire functie hadden verloren. Belangrijk is ook, op andere locaties te letten op de aanwezigheid (en context) van Romeins vondstmateriaal in secundaire (Laat-Post-romeinse) context, en te proberen de (waarschijnlijke) oorsprong te achterhalen. Daarvoor moet dit materiaal nauwkeurig gedetermineerd en gedateerd worden. Dit geldt in het bijzonder voor bouwmaterialen. Van natuursteen dient de steensoort en (oorspronkelijke) herkomst te worden bepaald, zodat vergelijking mogelijk is met in-situ bouw puin. Wat betreft infrastructurele (o.a. wegen) en landschappelijke structuren (o.a. verkaveling) is het van belang te onderzoeken in hoeverre latere activiteiten hierop aansluiten, qua locatie en oriëntatie. Waar vandaan en hoe werden in de Romeinse tijd uiteenlopende bouwmaterialen aangevoerd? (NOaA vraag 66) Tot de Romeinse tijd werden gebouwen opgetrokken van lokaal (of microregionaal) beschikbare bouwmaterialen als hout, twijgen, leem, zoden, riet, etc.
In de Romeinse tijd werden uiteenlopende bouwmaterialen (ook) aangevoerd, zoals natuursteen, baksteen, hout, grind, kalk etc. Dat geldt met name voor de limeszone en (delen van) het gebied binnen de rijksgrenzen. Genoemde materialen werden gebruikt voor gebouwen, havenwerken, wegen, bruggen, beschoeiingen etc. Er bestaat nog geen volledig beeld van de aard, omvang en herkomst van bouwmaterialen in de Romeinse tijd, en ook niet van eventuele regionale, context- en periode-specifieke verschillen. Duidelijk is dat met name voor monumentale (deels) stenen gebouwen veel bouwmateriaal nodig was dat niet lokaal beschikbaar was. Massaler wellicht nog dan de import van (bak)steen, was de aanvoer van constructiehout. In dichtbevolkte gebieden zoals de limeszone was dergelijk hout vermoedelijk al snel niet meer in voldoende mate lokaal voorradig. Aangenomen wordt dat vervoer over water een belangrijke rol speelde. Maar het is niet uit te sluiten dat ons beeld wordt vertekend door de relatief goede conservering van archeologische contexten in waterrijke gebieden. Er moeten ook overslagplaatsen zijn geweest, van waaruit partijen bouwmateriaal werden vervoerd naar hun eindbestemming.
Operationalisering Probeer de aard en herkomst van zowel gebruikt als ongebruikt bouwmaterialen zo nauwkeurig mogelijk vast te stellen: natuursteen (petrologie), baksteen (stempels, kleisamenstelling: mineralogie), hout
20 juni 2020
pagina 50 van 116
REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT
(dendrologie/dendrochronologie), grind (soortenspectrum), kalk etc. Gebruik hierbij ook contextinformatie. Welke aanvoerroute is waarschijnlijk in het licht van de vindplaats, het herkomstgebied en de ligging van historische land- en waterwegen? Bepaal het moment van gebruik, verwerking en depositie aan de hand van de vondstcontext. Onderzoek of bouwhout in opslag is geweest. Voor opslag is het hout meestal ontschorst om aantasting door insectenvraat te voorkomen. Bij natuursteen dienen (geïmporteerde) steensoorten zo nauwkeurig mogelijk gedetermineerd te worden. De determinatie (bijv.) 'kalksteen' volstaat niet, want geeft geen informatie over herkomst.
6.8.
Productie, distributie en consumptie van voedsel
In de late prehistorie vindt in de landbouw een geleidelijke overgang plaats van een extensief celtic fieldsysteem, via meer intensieve varianten daarvan, naar akkersystemen van onbekende vorm in de Romeinse tijd. Het langzamerhand plaatsvast worden van de nederzettingen zal onder meer hiermee samenhangen. Het probleem dat veldsystemen uit de latere prehistorie en de Romeinse tijd op de zandgronden tot nog toe praktisch onbekend zijn, is moeilijk op te lossen. Het onderzoek rond Oss heeft echter veelbelovende resultaten opgeleverd; hier konden grote arealen met proefsleuven en vlakdekkende opgravingen onderzocht worden. De resultaten moeten hier op microregionaal niveau nog verder worden onderzocht. In alle toekomstige onderzoeken dient men gespitst te zijn op greppels en andere vormen van percelering uit de Romeinse tijd. Zoals eerder opgemerkt kan het nut van het standaard bemonsteren op verkoolde zaden in inheemsRomeinse nederzettingen betwist worden; het spectrum van verbouwde granen en onkruidensembles is nu immers in hoofdlijnen bekend. Over de relatie tussen de verbouw van specifieke graansoorten en de aard of de plaats van een nederzetting binnen de nederzettingshiërarchie is daarentegen veel minder bekend. Ook over andere voedselgewassen en importen als specerijen weten we nog onvoldoende.
Wellicht is op dit gebied nog veel te winnen door het ontwikkelen van efficiënte monsterstrategieën. In ieder geval is wel belangrijk attent te blijven op bijzondere contexten die nieuwe gegevens kunnen opleveren (ook ten aanzien van pollen en dierlijk bot). Voor de zandgronden blijft verder de potstal (of beter de verdiepte stal) de volle aandacht verdienen. Hoewel de ontwikkeling van dit staltype zal zijn ingegeven door de wens om meer mest te kunnen verzamelen, is het nog onduidelijk of er in deze periode al sprake was van een systeem van plaggenbemesting. De archeobotanische onderzoeken hebben tot nu toe geen eenduidige aanwijzingen voor het aanbrengen van gras- of heideplaggen, stro of strooisel kunnen aantonen. Bij toekomstige onderzoeken moet er daarom gericht bemonsterd blijven worden (eventueel ook micromorfologisch). Het blijkt dat verdiepte stallen in de eerste helft van de tweede eeuw verschijnen en in de periode daarna steeds talrijker worden. Een eerste vraag is waarom de stallen dieper worden in de tweede eeuw.
Was er een grotere voedselproductie voor een groeiende bevolking nodig, of begonnen de bodems op de zandgronden tekenen van uitputting te vertonen? De tweede vraag is waarom de stallen in sommige nederzettingen zeer diep (Lieshout-west) of zeer groot zijn (Brandevoort) en in andere (vrijwel) geheel ontbreken, zoals in de micro-regio’s Oss en Weert-Nederweert. Heeft dit te maken met een relatief kleine of juist grotere bodemvruchtbaarheid, of zijn er andere verklaringen? Dezelfde vragen zijn van toepassing op de lange en korte staldelen met soms onbegrepen functies. Archeozoölogisch en -botanisch onderzoek, verricht in samenhang met de studie van gebouwplattegronden (huizen, stallen en spiekers), perceleringen en paleogeografische informatie, kan een beter inzicht opleveren in de middelen van bestaan van de bewoners (akkerbouw, veeteelt en visserij) en de daarmee samenhangende voedseleconomie. Van belang daarbij is de differentiatie tussen de verschillende gebieden en de – al dan niet door Romeinse invloeden veroorzaakte – ontwikkelingen in de tijd, de relatie tot een veranderende of door mensenhand veranderde landschappelijke context en de mogelijke uitwisseling van vee en voedsel met militaire of daaraan gerelateerde groepen uit het limesgebied.
Naast economische kunnen daarbij ook andere, culturele factoren een rol spelen zoals (smaak)voorkeuren en eettaboes, de (emotionele) band tussen mens en dier (bijv. paard en hond als kameraad), status, etc. Over deze onderwerpen is wat verspreide informatie en een enkel overzicht beschikbaar, maar algemene studies ontbreken nagenoeg geheel. Het combineren van de relatieve frequentie van landbouwhuisdieren en het patroon van slachtleeftijden biedt mogelijkheden om de functie van deze dieren en hun belang binnen het agrarische systeem vast te stellen (bijv. vlees, melk, wol, tractie, mest). In het geval van het rund, dat bijna overal het meest voorkomende dier is, zouden zulke gegevens de indicator kunnen zijn voor een primair op akkerbouw dan wel op veeteelt gerichte economie. Archeozoölogische gegevens doen vermoeden dat in de economie van het gebied ten zuiden van de Rijn en langs de limes veeteelt de hoofdrol speelde. Hoe we ons die economie in de verschillende regio’s moeten voorstellen en hoe die zich verhoudt tot zaken als de mogelijke vraag naar landbouwproducten door het leger, is grotendeels onduidelijk. De grootte van de landbouwhuisdieren is een relevante archeozoölogische indicator voor de mate
20 juni 2020
pagina 51 van 116
REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT
waarin de inheemse agrarische bedrijfsvoering was verweven met de Romeinse economie. Daarmee is het tegelijk een indicator voor de mate van romanisering. Voor paarden lijkt er een relatie te bestaan tussen de grootte van het dier en de aard van de nederzetting en de regio. Voor andere diersoorten hebben we hier geheel geen inzicht in. Vanwege de grote bevolkingsdichtheid in het Bataafse gebied (vooral door de aanwezigheid van legerbases) zal de vraag naar voedsel hier sterk hebben verhoogd. Door aanvoer van dieren op de hoef uit het achterland en mogelijk ook uit de gebieden ten noorden van de rijksgrens werd mogelijk in die behoefte voorzien. Gegeven het feit dat dieren uit verschillende regio’s en typen nederzettingen in grootte verschillen, biedt vergelijkend metrisch onderzoek – niet alleen gericht op het vaststellen van schofthoogtes – mogelijkheden om hier meer zicht op te krijgen. Het al of niet voorkomen van hoornloze schedels van runderen kan een aanwijzing zijn voor import uit het kustgebied. Voor het rivierengebied bestaat de indruk dat runderen – de belangrijkste vleesleveranciers – vooral op latere leeftijd werden geslacht. Het is dan ook zeer de vraag of vlees een belangrijke rol speelde in de dagelijkse voeding. Het combineren van archeobiologische studies met gegevens over gebouwplattegronden, perceleringen, paleogeografie, e.d.
kan inzicht opleveren in de schaal van de voedseleconomie. Dat hierbij de militaire nederzettingen betrokken moeten worden spreekt voor zich. De criteria voor waardering en selectie die zijn geformuleerd in de KNA voldoen goed, mits zij goed doordacht worden toegepast. In de komende jaren zal bij de waardering en selectie van Romeinse vindplaatsen in het rivierengebied en Zuid-Nederland een evenwicht moeten worden gezocht tussen zeldzaamheid en kennislacunes enerzijds en het al ‘redelijk bekende’ anderzijds. Eerder is gewezen op complextypen die vanwege de zeldzaamheid altijd hoog gewaardeerd moeten worden en op regio’s en complextypen waarover we nog te weinig weten (bijvoorbeeld grafvelden in de löss of nederzettingen in het Maasdal). Het is echter zo dat ook ten aanzien van de nederzettingen en grafvelden in de oostelijke helft van Brabant, waar relatief veel onderzoek heeft plaatsgevonden, nog veel vragen bestaan. Dit betekent dus dat inheemse nederzettingen niet een lage of middelhoge waardering mogen krijgen omdat er al zoveel zijn onderzocht.
Wél is het zo dat er bij het waarderen vooral op moet worden gelet of vindplaatsen in een microregionale en landschappelijke context kunnen worden geplaatst (ensemblewaarde), of dat er sprake is van fenomenen, contexten of vondsten die specifieke onderzoeksvragen op kunnen lossen (gericht/extensief onderzoek op compleet vrijgelegde terreinen). Welke materiële, socio-economische en landschappelijke effecten hadden de opkomst en later het wegvallen van Romeinse netwerken (materieel en immaterieel) en afzetmarkten? (NOaA vraag 59) Het Romeinse rijk was een van bovenaf georganiseerde staatssamenleving die afhankelijk was van goed functionerende instituties, structuren en netwerken. Dit uit zich ondermeer in de aanleg van wegen, het creëren van een grensverdediging (limes), de stichting van steden, de aanleg van havens, de bouw van tempels en het heffen van belastingen. Steden en leger moesten bevoorraad worden. Een markteconomie kwam tot stand. Dit bracht schaalvergroting en verregaande specialisatie met zich mee, die ondermeer in de landbouw tot uitdrukking komt (ontstaan villa’s).
Een en ander betekende in de vroeg-Romeinse tijd een ingrijpende verandering in gebieden die tot dan toe tribaal georganiseerd waren, en hooguit op regionaal niveau (soms) enige mate van centrale organisatie kenden, en een gemengde agrarische bedrijfsvoering die (vermoedelijk) grotendeels zelfvoorzienend was. De aard van deze veranderingen, en eventuele regionale en diachrone variatie, is nog slechts ten dele bekend. Dat geldt nadrukkelijk ook voor de periode vanaf de derde eeuw waarin de Romeinse structuren uiteen vallen. Maar niet allemaal en overal tegelijkertijd. En misschien denken we tot dusver wel te zwart-wit en ‘Romano-centrisch’. In de IJzertijd waren er in Nederland immers ook al uitgestrekte, systematisch aangelegde akkercomplexen waar geen enkele Romeinse invloed aan te pas is gekomen. Systematisch en grootschalig is niet per definitie Romeins. Operationalisering Belangrijk is de studie van de materiële cultuur. De herkomst-/productiegebieden van de verschillende vondstcategorieën geven aan in welke uitwisselingsnetwerken een vindplaats opereerde en welke veranderingen hier in de loop der tijd in optraden. Bij aardewerk en bouwkeramiek is van belang dat het baksel en de grondstoffen die gebruikt zijn geanalyseerd worden om productieplaatsen te kunnen onderscheiden.
Daarnaast kunnen slijpplatenanalyse en chemische analyse van de samenstelling van het baksel worden uitgevoerd. Maak onderscheid tussen primair en secundair gebruikte materialen. Bij metaal, bouwkeramiek en natuursteen is een belangrijk aandachtspunt in hoeverre sprake is van secundair gebruik en waarvandaan het materiaal in dat geval aangevoerd is. Op een (micro)regionale schaal moet gekeken worden naar de aard en onderlinge relaties tussen nederzettingen en met aanwezige infrastructuur en de veranderingen die hierin optreden. Is sprake van gemengde zelfvoorzienende landbouw of specialisatie en/of surplusproductie? Of een verschuiving van het een naar het ander? Kijk wat betreft de veeteelt naar soortensamenstelling, leeftijdsopbouw en type skeletelementen. Specialisatie in de akkerbouw kan blijken uit (afwezigheid)
20 juni 2020
pagina 52 van 116
REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT
dorsafval, smal spectrum aan lokaal aangeteelde voedselgewassen en veel/grote opslagstructuren (horrea). Let op (variatie in) aanwijzingen voor lokale ambachtelijke productie: ambacht-gerelateerde structuren, grondstoffen, productieafval, halffabricaten. Kijk naar (veranderingen in) het gebruik van grondstoffen en de herkomst daarvan. Voor het vaststellen van de herkomst van houten vaten is gecombineerd onderzoek nodig: houtsoort , jaarringen, merktekens (brand- en slagstempels, ritsingen), vorm en volume. Bepaal door middel van pollenonderzoek (incl. non-pollen palynomorfen zoals sporen van mestschimmels) in welke mate sprake is van bebossing/ontbossing/herbebossing. Bepaal de datering en herkomst van constructiehout.
6.9.
Chronologie
Het dateren van structuren en vondsten uit de Romeinse tijd in het rivierengebied en Zuid-Nederland levert meer problemen op dan menigeen geneigd is te denken. Een klein deel van de Romeinse vondsten, zoals gestempelde of gedecoreerde terra sigillata of munten, kan min of meer nauwkeurig worden gedateerd. Echter, in praktijk bevinden zulke (redelijk) goed te dateren voorwerpen zich meestal niet in een gesloten context met andere voorwerpen of sporen. Omdat vaak niet duidelijk is aan welke pre- en postdepositionele processen de dateerbare voorwerpen hebben blootgestaan, blijft hun betekenis voor de datering van waterputten, huizen, graven, e.d. vaak ongewis. Aardewerk speelt nog steeds een belangrijke rol bij de datering van structuren en sporen uit nederzettingen en grafvelden. Grondsporen leveren doorgaans echter weinig scherven op; daarbij komt dat een groot deel van de scherven bestaat uit ‘opspit’ en ‘nederzettingsruis’. Derhalve bestaat steeds het gevaar dat structuren te vroeg, of vondsten juist te laat gedateerd worden (bijvoorbeeld een tweede-eeuws huis met alleen handgevormd aardewerk of La Tène-armbanden in midden-Romeinse sporen). Het dateringsprobleem doet zich met name voor in de laatste fase van de Late IJzertijd en de eerste eeuw n.Chr., omdat het merendeel van de vondsten uit die periode bestaat uit slecht dateerbaar handgevormd aardewerk.
De begindatum van nederzettingen is doorgaans moeilijk vast te stellen. Structuren en sporen uit de late tweede en derde eeuw zijn vaak wel goed te dateren aangezien er in deze periode niet alleen meer aardewerk circuleert, maar ook omdat veel huizen (op de zandgronden) zijn voorzien van verdiepte stallen (echte artefact traps). In veel gevallen is het moeilijk te zeggen tot hoe ver in de derde eeuw het materiaal ‘doorloopt’. Bij datering op basis van alleen aardewerk is de chronologische resolutie van nederzettingsperioden gemiddeld ca. 75 jaar. De datering van graven is over het algemeen iets minder moeilijk, maar ook hier bestaat in de eerste eeuw n.Chr. een probleem. Handgevormd aardewerk en ander ‘inheems’ materiaal komt namelijk opvallend weinig voor in combinatie met ‘Romeins’ materiaal. De datering van graven is steeds sterk afhankelijk van niet-keramisch materiaal en het totale aantal voorwerpen. Dit laatste verschilt nogal per grafveld, niet alleen vanwege post-depositionele processen, maar ook door regionale variaties in het grafritueel. In de toekomst zal moeten worden gewerkt aan een verfijning van de datering van aardewerk. Tijdens opgravingen kunnen daarvoor verschillende gegevens worden verzameld. Vooral het materiaal uit goed gedateerde structuren is belangrijk: kuilen, waterputten en verdiepte stallen bevatten vaak grotere aardewerkcomplexen.
Mogelijk biedt het verder ontwikkelen van een typochronologie van het handgevormde aardewerk uit de Late IJzertijd en vroeg-Romeinse tijd interessante perspectieven. Daarnaast zou er meer moeten worden gedaan aan de typologie van het gedraaide gebruiksaardewerk, dat veel meer voorkomt dan bijvoorbeeld terra sigillata. De bekende standaardwerken behandelen voornamelijk materiaal uit de legerbases van de limes; het aardewerk in Zuid-Nederland is echter voor een groot deel afkomstig uit het rivierengebied (grijs aardewerk), het westen van België (Waaslands aardewerk), het Maasdal en België/Noord-Frankrijk. Omdat de datering van structuren en sporen op basis van uitsluitend aardewerk altijd moeilijk zal blijven, verdienen alle andere materiaalcategorieën aandacht. Mede daarom is systematische metaaldetectie tijdens alle fasen van de opgraving zo belangrijk (zie boven). Ook dendrochronologische dateringen zijn zeer belangrijk voor het dateren van structuren en het faseren van nederzettingen; daarnaast bieden ze aanknopingspunten voor de chronologie van het aardewerk. Daarom moet elke geschikte context in ZuidNederland en het rivierengebied bemonsterd en geanalyseerd worden. Dendrochronologische dateringen zijn bijzonder waardevol in de vroeg-Romeinse tijd, wanneer alleen handgevormd aardewerk circuleert.
Verder kunnen ze specifieke fenomenen dateren, zoals het begin van de aanleg van verdiepte stallen. Tenslotte helpt de dendrochronologie ons een beter beeld te krijgen van bijvoorbeeld het opgeven van veel nederzettingen in de eerste helft van de derde eeuw of de periodisering van de laat-Romeinse bewoning.
20 juni 2020
pagina 53 van 116
REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT
7.
MIDDELEEUWEN EN VROEGMODERNE TIJD (400-1850 n.Chr.)12
7.1.
Inleiding
Meer dan andere archeologische disciplines is de middeleeuwse archeologie het vak waar interdisciplinaire verbanden worden gelegd met (cultuur)historische nevenwetenschappen, zoals de bouwhistorie, de historische geografie en de op geschreven en beeldende bronnen gebaseerde geschiedwetenschap. Een geïntegreerde cultuurhistorische benadering is zowel voor het onderzoek als de archeologische monumentenzorg een leidraad voor de toekomst. Basis voor alles blijft het archeologische handwerk. Ook in de toekomst is sterke behoefte aan materiaalstudies en aan fysisch-antropologisch, ecologisch en ander natuurwetenschappelijk onderzoek. Meer dan voorheen richt het middeleeuwse onderzoek zich op samenhang, hetgeen in ruimtelijk opzicht blijkt uit gebiedsgerichte benaderingen. Dit betekent dat, aansluitend op de landschapsarcheologische vraagstelling, in die gebieden niet alleen naar sporen van bewoning en begraving moet worden gezocht, maar ook naar andere vormen van landgebruik en naar aanwijzingen voor landinrichting en landschapsontwikkeling. In temporeel opzicht krijgen naast synchrone ook diachrone relaties een sterk accent.
Tendensen voor toekomstig onderzoek die zich nu manifesteren, zijn de toenadering tussen de ‘rurale’ en ‘urbane’ archeologie (onderzoek naar de archeologie van de stad en de relatie stad - platteland), de nadruk op landschapsarcheologie en de nieuwe nadruk op cultuurprocessen (christianisering, identiteit, uitwisseling). Binnen de nederzettingsarcheologie krijgt de dorpskernarcheologie terecht steeds meer nadruk. Hier is niet alleen sprake van een onderzoekslacune, maar ook van een toenemende bedreiging van het bodemarchief. Ook het beekdalonderzoek staat de laatste jaren sterk in de belangstelling. Aangezien veel nederzettingen in of langs rivier- of beekdalen zijn ontstaan, biedt dit onderzoek veel perspectief.
7.2.
Geogenese en cultuurlandschap
Het Brabantse zandgebied is een relatief vlak gebied. Het wordt gekenmerkt door veelal zuidwestnoordoost gerichte dekzandruggen met daartussen een bekenstelsel. In het centrale en zuidelijke deel van het zandgebied hebben de beken overwegend brede, ondiepe dalen. Daartussen bevinden zich de voor bewoning en beakkering geschikte dekzandeilanden van verschillende omvang. Dit stelsel van dekzandeilanden lijkt zeer bepalend geweest te zijn bij vestigingskeuzes. In West-Brabant bevinden zich smalle beekdalen met steile hellingen. In het zuidwestelijke zandgebied en in de Peel lagen bij het begin van de Middeleeuwen uitgestrekte venen. Globaal kan men stellen dat het lokale patroon bestond uit overstromingsgevoelige beekdalen, hoger gelegen woonakkergebieden (de dekzandeilanden) en de daartussenin gelegen afwisselend natte en droge relatief onvruchtbare vlaktes. De Romeinse tijd liet een parklandschap na met grassen en heideachtige planten in de onderlaag, dat zich weer tot bos ging verdichten. In de nabijheid van de nederzettingen was de grond echter intensief gebruikt, waardoor op enkele plaatsen verstuivingen waren opgetreden. Els, hazelaar en eik waren de voornaamste boomsoorten. De bossamenstelling lijkt echter van plaats tot plaats sterke verschillen vertoond te hebben, afhankelijk van de aard van het bodemmateriaal, met name de lemigheid, en van de gebruiksgeschiedenis.
Het bos regenereerde vooral op de dekzandeilanden. In de beekdalen overheerste een broekbos. De regeneratie van het bos was in de buurt van ’s-Hertogenbosch al begonnen in de eerste helft van de 2e eeuw of iets later en tot in de eerste helft van de 7e eeuw kende de regio ’s-Hertogenbosch een hoog boompollen percentage. De vroegmiddeleeuwse mens heeft zich waarschijnlijk op open plekken in de bosachtige omgeving op de dekzandeilanden gevestigd. Wegens de gunstige waterhuishouding werden de hoge delen van de dekzandeilanden het eerst in gebruik genomen. De hoogten van de grote dekzandruggen, zoals de Midden-Brabantse dekzandrug en de hoogten van de waterscheiding tussen de op de Maas en de op de Schelde afwaterende beken, lijken te zijn gemeden. Natte gebieden werden in de Vroege Middeleeuwen (500-1000) slechts beperkt gebruikt. Er was kleinschalige akkerbouw, waarbij rogge werd verbouwd. Rogge is waarschijnlijk in de Laat-Romeinse tijd geïntroduceerd door Germaanse kolonisten. De nadruk lag op beweiding van open plekken in de bossen met vermoedelijk vooral runderen en varkens. Het bos speelde dus een belangrijke rol bij de keuze van de vestigingsplaats. Na de tweede helft van de 7e eeuw tot in de
12
Arts, N., H. Stoepker, F. Theuws e.a, 2008: De Middeleeuwen en Vroegmoderne tijd in Zuid-Nederland, Amersfoort
(NOaA hoofdstuk 22, versie 1.0), (www.noaa.nl).
20 juni 2020
pagina 54 van 116
REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT
Volle Middeleeuwen is er een toename van de graanverbouw en een ontwikkeling van de heide, na 1000 versnelde het occupatie- en ontbossingsproces. De begrazingsdruk nam toe en het bos ging snel achteruit. Wel zien we in de Late Middeleeuwen een uitbreiding van de den. Het grootste deel van het bos bleef weidegebied, andere delen werden als hakhoutbos beschermd tegen het vee. Weer andere delen werden gereserveerd voor de elite om als jachtbos te dienen. De bossen op de dekzandeilanden werden in cultuurland omgezet en op de natte en droge vlaktes ontstond een heidelandschap met verspreide bomen en struiken. Wat voor vegetatie zich in die gebieden bevond, voordat ze vrijwel vlakdekkend met heide waren begroeid, is nauwelijks bekend. In late middeleeuwen droegen grote schaapskudden bij aan de uitbreiding van de heidevelden. De heidevelden werden vanaf wellicht de 14e eeuw ook gebruikt voor het steken van plaggen die vermengd met mest op de akkers werden opgebracht. De plaggenlandbouw wordt verantwoordelijk gesteld voor het rond 1400 ontstaan van sommige zandverstuivingen. Tussen 1000 en 1300 heerste er een relatief droog klimaat. Hierdoor kan het beheer van de heide uit balans zijn geraakt. Niet alle zandverstuivingen hebben overigens een laatmiddeleeuwse datering. Tevens worden in de 11e en 12e eeuw de beekdalen intensiever in gebruik genomen.
Dit hield waarschijnlijk verband met de verdwijning van het eiken-beuken- en eiken-berken bos op de hoge gronden, de kap van het broekbos en het ten gevolge daarvan uitbreiden van blauwgraslanden. Door de verdwijning van het eiken-beukenbos verdween een voedselbron voor varkens. De veeteelt kan zich meer op runderteelt zijn gaan richten, wat leidde tot een grotere behoefte aan hooi als veevoer. In de 14e eeuw was er mogelijk een stagnatie in de ontginningen, maar in de 15e eeuw werd weer land in cultuur gebracht. In de periode 1770-1950 vonden grootschalige ontginningen van de heidevelden plaats en werden stuifzanden gefixeerd. Toekomstig onderzoek op het gebied van de Zuid-Nederlandse middeleeuwse archeologie kan zich vanuit de landschapsarcheologische benadering verder richten op de relatie en interactie tussen mens en het biotische en abiotische landschap en op de veranderingen die hierin vanaf de vroegste bewoning tot in de Nieuwe Tijd zijn opgetreden. Aspecten als locatiekeuze, vormen van landgebruik en exploitatie en omvorming van landschap komen hierbij aan de orde. Het landschap is daarbij op te vatten als een ruimtelijk gegeven, waarin en waarop culturele en natuurlijke processen sporen achterlaten die de activiteiten van latere menselijke bewoners of gebruikers beïnvloeden en beperken. Het te onderzoeken landschap is niet alleen het in strikte zin bewoonde deel.
Het gaat ook om de onbewoonde of anders gebruikte delen, zoals bouw- en weiland, bos en heide, open water en moeras, wegen en infrastructuur, markeringspunten en de in een latere periode van landgebruik nog aanwezige relicten uit het verleden. In toenemende mate richt het onderzoek zich op beek- en rivierdalen. Van oudsher is bekend dat dit strategische locaties zijn bij het ontstaan van bewoning en infrastructuur. Beekdalen kunnen ook relicten bevatten als bruggen, depots, afvaldumps en ambachtelijke werkplekken, zoals plaatsen van ijzerverwerking. Ook watermolens zijn karakteristieke elementen in de beekdalen. Bij de vraag naar de aanwezigheid van resten van bewoning en landgebruik in beekdalen dient men zich niet te laten bedriegen door de huidige landschappelijke situatie. Gebieden die in de pre- en protohistorie nog bewoond waren, waren dat in de Middeleeuwen niet meer. Zeker in de Late Middeleeuwen en vroegmoderne tijd was er frequent wateroverlast. De algemene verschijningsvorm ‘landschap’ kan in aan aantal kleinere eenheden onderverdeeld worden ten aanzien waarvan specifiek onderzoek kan plaats vinden. Het betreft: de vegetatie, de bossen, de akkergebieden, de hooi- en weidegebieden in de natte delen van het landschap, de heidevelden, de stuifzanden, de veengebieden, de waterhuishouding, de infrastructuur.
In alle gevallen geldt dat het noodzakelijk is dat voor elke regio de stand van kennis inzake de hieronder genoemde elementen en landschapsdelen geïnventariseerd wordt en dat paleogeografische reconstructies worden vervaardigd. Onderzoeksvragen: In hoeverre klopt de veronderstelling dat het stelsel van dekzandeilanden zeer bepalend is geweest bij de vestigingskeuze? In hoeverre klopt het huidige, regionaal gedifferentieerde beeld van de vegetatieontwikkeling in de Vroege Middeleeuwen en hangt die inderdaad sterk samen met de aard van het bodemmateriaal en de gebruiksgeschiedenis? In hoeverre moet het beeld worden bijgesteld dat de vroegmiddeleeuwse mens zich waarschijnlijk op open plekken in de bosachtige omgeving op de dekzandeilanden gevestigd? In het verlengde daarvan, tot op welke hoogte onderschrijven nieuwe archeologische ontdekkingen het idee dat de hoogten van de grote dekzandruggen, zoals de Midden-Brabantse dekzandrug, en de hoogten van de waterscheiding tussen de op de Maas en de op de Schelde afwaterende beken, door mensen
20 juni 2020
pagina 55 van 116
REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT
zijn gemeden? En in welke mate werden natte gebieden in de Vroege Middeleeuwen gebruikt; was dit inderdaad slechts in beperkte mate, zoals nu wordt verondersteld? In hoeverre klopt het volgende economische beeld van de Vroege Middeleeuwen in ZuidNederland? o Kleinschalige akkerbouw met vooral roggeteelt. (Rogge is waarschijnlijk in de LaatRomeinse tijd geïntroduceerd door Germaanse kolonisten.) en een nadruk op beweiding van open plekken in de bossen met vermoedelijk vooral runderen en varkens, hetgeen inhoudt dat het bos een belangrijke rol speelde bij de keuze van de vestigingsplaats. o Een groei van de graanverbouw na de tweede helft van de 7e eeuw tot in de Volle Middeleeuwen gepaard gaande met de toename heide, hetgeen na 1000 het occupatie- en ontbossingsproces versnelde, de begrazingsdruk deed toenemen en het bos achteruit deed gaan. o Een uitbreiding van de den binnen het laat-middeleeuwse bos, dat goeddeels weidegebied bleef. Andere delen werden als hakhoutbos beschermd tegen het vee en weer een andere component werd gereserveerd voor de elite om als jachtbos te dienen. o De uitbreiding van heidevelden in de Late Middeleeuwen ten gevolge van grote schaapskudden o Het gebruik van de heidevelden vanaf wellicht de 14e eeuw voor het steken van plaggen die vermengd met mest op de akkers werden opgebracht.
o Het ontstaan van zandverstuivingen door het voornoemde plaggensteken rond 1400. o Een relatief droog klimaat tussen 1000-1300, hetgeen wellicht verantwoordelijk was vor een verstoorde balans in het heidebeheer. o Een intensiever beekdalgebruik in de 11e en 12e eeuw ten gevolge van de verdwijning van het eiken-beuken en eiken-berkenbos (en een toename van blauwgraslanden) en daarmee een gewijzigde economie die zich meer richt op runder- dan varkenshouderij, met dientengevolge een grotere behoefte aan hooi als veevoer. o Een mogelijke stagnatie in de ontginning van land. o Grootschalige ontginningen van heidevelden in de periode 1770-1950 en de fixatie van stuifzanden. Wat zijn de aanwijzingen dat beek- en rivierdalen strategische locaties waren bij het ontstaan van bewoning en infractuur? Wat voor soort archeologische relicten zijn de beek- en riverdalen aanwezig?
De vegetatie Onze kennis van de elkaar in hoog tempo opvolgende landschappelijke vegetatieveranderingen is tot op heden voor een belangrijk deel gebaseerd op cultureel archeologische en historische gegevens. Op veel punten is dit beeld niet compleet en moet het aangevuld worden met archeobotanische onderzoeksgegevens. Met name palynologische informatie over (post)middeleeuwse landschappelijke ontwikkelingen is schaars. Het bodemarchief met deze informatie is zeer beperkt of wordt bedreigd. Zo is (post)middeleeuws veen vrijwel overal verdwenen of het wordt alsnog met de bovengrond verwijderd in het kader van natuurontwikkeling in beekdalen. Ook worden bodems van vennen met hun waardevolle palynologische archieven door beheersmaatregelen ernstig bedreigd. Wenselijk is dat er meer regionaal gericht onderzoek komt naar de vegetatiegeschiedenis van enkele voorbeeldgebieden. Bij grootschalig onderzoek dient bewust naar waardevolle afzettingen van veen of anderszins gezocht te worden. Bij nieuw onderzoek dient vooral aandacht te worden besteed aan vegetatieontwikkeling, vegetatiediversiteit en indicatoren voor verschillende agrarische strategieën.
Onderzoeksvragen: Wat leert de palynologie over de (post)middeleeuwese landschappelijke ontwikkelingen? Wat was de vegetatieontwikkeling? Wat was de biodiversiteit? Welke palynologische indicatoren zijn er voor agrarische strategieën en wat behelsden die?
7.2.1. De bossen Bossen spelen in de vroege fase van de middeleeuwse bewoning een cruciale rol. Zij lijken evenwel in de loop der eeuwen als gevolg van ontginning en houtkap voor een belangrijk deel te verdwijnen. Er moet onderzoek worden verricht naar het bosbestand (en verscheidenheid daarin) in de verschillende regio’s in de verschillende perioden en de gedifferentieerde wijze van omgang met het bos door verschillende groepen bewoners. Dit onderzoek moet gecombineerd worden met een studie naar houtgebruik ten behoeve van de bewoning (de constructie van waterputten en gebouwen). Op een beperkt aantal plaatsen
20 juni 2020
pagina 56 van 116
REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT
bleven gedurende de Middeleeuwen, en soms zelfs tot op heden, bossen bestaan. Waarom bleven sommige bossen bestaan en de andere niet? Hangt dit samen met de mate van lemigheid van de bodem? Zeker waar die bossen er nu nog zijn, mogen daarin, naast de rijke vegetatie van oude bossen, sporen van middeleeuws en ouder bosbeheer verwacht worden? Te denken valt aan wallen, wegen, greppels, hoeven in het bos (boswachterswoningen), sporen van bodembewerking en eeuwenoude hakhoutstoelen. Aanverwante thema’s zijn de regeneratie van het bos in de vroege middeleeuwen en herplant in de vroegmoderne tijd, waaronder de aanleg van parken en landgoederen en het bosgebruik i.v.m. vroegindustriële processen (bijv. houtskoolmeilers). Onderzoeksvragen: In hoeverre moet de stelling worden genuanceerd dat bossen vanaf de Vroege Middeleeuwen ten gevolge van ontginning en houtkap zijn verdwenen, gelet op eventuele chronologische en geografische verschillen, biodiversiteit en gedifferentieerde omgangswijze met het bos door diverse menselijke groepen? Bevatten ‘oude’ bossen sporen van middeleeuws en ouder bosbeheer zijn en welke zijn dit? Wat zijn de aanwijzingen voor de regeneratie van het bos in de vroege middeleeuwen en voor herplant in de vroegmoderne tijd (de aanleg van parken en landgoederen) In hoeverre hangt de exploitatie van het bos samen vroeg-industriële processen (bijv.
houtskoolmeilers)? De akkergebieden Ten aanzien van de akkergebieden moet onderzoek worden verricht naar de wijze waarop zij tot stand kwamen, alsmede naar de structuur en het gebruik in verschillende regio’s in verschillende periodes. Onderzoek moet worden gedaan naar de aard van de bodem bij ontginning (moderpodzol of anders), de wijze waarop ontgonnen werd (bijv. eenmalig heel diep spitten en daarna niet meer zo diep bewerken), de wijze waarop de akker verzorgd werd (ploegen, spitten, wieden), de wijze waarop de akker bemest werd (met of zonder plag; met of zonder huis- of stadsafval), naar beddenbouw (vanaf 1600 algemeen, maar wellicht al vanaf 1400?), naar de wijze waarop de akkers werden omgrensd (niet fysiek, met stenen stokken, hagen of wallen etc.), naar bolle akkers (wanneer en hoe?), naar het afschuiven van (een deel van het akkerdek naar beekdalen (wanneer en hoe?), naar het verschil in bodem en akkerbeheer bij open akkers en heiningakkers/kampen.
Ten aanzien van de individuele akkeromgrenzingen die dikwijls in de vorm van dubbele greppels worden waargenomen, kan een reeks vragen worden gesteld: werd er daadwerkelijk een wal opgeworpen, of werd de akker bij ontginning (of later) uitgegraven, of bestaat de "wal" uit ingewaaid zand? Ontstond de heg uit wilde opslag onder de bescherming van een hek, of werd de heg aangeplant? Waren er begeleidende greppels langs de haag bij de wel of niet aanwezige wal? Werd aan de akkerzijde van een haag een grasbaan gehouden en is die in de opbouw van de akkerbodem terug te vinden? In wat voor landschap werd de wal opgeworpen? In welke periode(n) werden heggen, met of zonder wal, aangelegd of gevormd? Een speciaal aandachtsgebied zijn de akkerrandwallen die om gehele akkercomplexen gelegen zijn. Dat zijn soms heuse duinformaties met een lengte van meer dan een kilometer op de grens tussen de voormalige heide (meestal een stuivend deel daarvan) en het cultuurland. Natuurkrachten speelden hier duidelijk een rol, maar ook de mens moet er invloed op uitgeoefend hebben.
Komen de akkerrandwallen voort uit het opstuiven van al geruime tijd aanwezige heggen met of zonder wallen, of werden die heggen en wallen eerst aangelegd toen het haast te laat was? Is het zo dat de eikenbomen die boven op de akkerrandwallen groeien in wezen dezelfde planten zijn die er in de Middeleeuwen stonden? In dat geval zijn het genetisch interessante eiken! Zit onder de akkerrandwal een oude akker, of werd de oude akker helemaal niet overstoven? Hoe hangt de maat van hakhoutstoelen samen met de ouderdom van plant en wal? Tenslotte is het van groot belang na te gaan op welke wijze de open akkercomplexen, zoals we die kennen van het vroegste kadastrale kaartmateriaal, tot stand kwamen. Dat lijkt een proces van de 13e tot 15e eeuw te zijn, maar hoe dat proces zich precies heeft afgespeeld is niet bekend. Archeologisch onderzoek lijkt aan te tonen dat er een complexe relatie bestond tussen privé-eigendom en percelering, communale gebruiksvormen en intensivering van de productie. Dit onderdeel van het akkeronderzoek kan bijdragen aan de kennis van belangrijke processen als de vercommercialisering van de landbouw en de opkomst van een markt voor landbouwproducten in de late Middeleeuwen. Bij opgravingen op akkercomplexen worden dikwijls uitgebreide resten van akkergreppels en gehele systemen van spitsporen ontdekt.
Tot op heden hebben deze resten (als de jongste in het opgravingsvlak) nog veel te weinig aandacht gekregen. Het is van belang dat van een reeks opgravingen deze jongste horizon aan sporen uitgewerkt en geïnterpreteerd wordt door ze onder andere te vergelijken met de percelering op de kadastrale minuutkaarten van ca. 1830.
20 juni 2020
pagina 57 van 116
REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT
Algemene Onderzoeksvragen: Wat waren de genese en de structuur van het akkergebied en in welke mate is er daarbij sprake van regionale differentiatie? Wat was het type bodem (moderpodzol of anders?) op het moment van ontginning? Wat was de ontginningswijze (bijv. eenmalig heel diep spitten en daarna niet meer zo diep bewerken)? Wat was de bewerkings en -onderhoudswijze van de akker (ploegen, spitten, wieden)? Werd de akker bemest en hoe (met of zonder plag; met of zonder huis- of stadsafval)? Wanneer kwam beddenbouw in zwang en vanaf wanneer deze algemeen? Wanneer, hoe en waarom werd overgegaan op bolle akkers? Wanneer, hoe en waarom werden delen van het akkerdek afgeschoven naar het beekdal? Hoe werden akkers begrensd ((niet fysiek, met stenen stokken, hagen of wallen etc.)? Wat waren de verschillen in bodem en akkerbeheer tussen open akkers en heiningakkers/kampen? Vragen ten aanzien van individuele akkeromgrenzingen: Werd er daadwerkelijk een wal opgeworpen of werd de akker bij ontginning (of later) uitgegraven, of bestaat de ‘wal’ uit ingewaaid zand? Ontstond de heg uit wilde opslag onder de bescherming van een hek, of werd de heg aangeplant? Waren er begeleidende greppels langs de haag bij de wel of niet aanwezige wal? Werd aan de akkerzijde van een haag een grasbaan gehouden en is die in de opbouw van de akkerbodem terug te vinden? In wat
voor landschap werd de wal opgeworpen? In welke periode(n) werden heggen, met of zonder wal, aangelegd of gevormd? Vragen ten aanzien van akkerrandwallen: Komen de akkerrandwallen voort uit het opstuiven van al geruime tijd aanwezige heggen met of zonder wallen, of werden die heggen en wallen eerst aangelegd toen het haast te laat was? Is het zo dat de eikenbomen die boven op de akkerrandwallen groeien in wezen dezelfde planten zijn die er in de Middeleeuwen stonden? Zit onder de akkerrandwal een oude akker, of werd de oude akker helemaal niet overstoven? Tot op welke hoogte hangt de maat van hakhoutstoelen samen met de ouderdom van plant en wal? Vragen ten aanzien van open akkercomplexen: Op welke wijze en wanneer kwamen de open akkercomplexen, zoals we die kennen van het vroegste kadastrale kaartmateriaal, tot stand? Wat was de relatie tussen privé-egendom, percelering, communale gebruiksvormen en intensivering van de productie? De hooi- en weidegebieden De ontginning en het gebruik van de lage, natte delen van het landschap zijn nog niet lang onderwerp van archeologisch onderzoek. De ontginning tot hooi- en weidegronden ging dikwijls gepaard met andere activiteiten, zoals veenwinning, waterbeheer (sluizen, dammen, afsnijdingen etc.) en de bouw van bijvoorbeeld watermolens.
Omdat voor de ontginning greppels gegraven werden, is het via archeologisch onderzoek goed mogelijk de perceleringsstructuur te onderzoeken. Tegelijkertijd moet, zoals bij de akkercomplexen, onderzocht worden hoe percelen werden omgrensd en wat voor omgreppelingen en omwallingen werden aangelegd. In Brabant komen ook enkeerdgronden in beekdalen voor. Deze verdienen speciale aandacht en moeten onderzocht worden op dezelfde wijze als de esdekken van de akkergebieden. Voor hooi- en weidegebieden moet, evenals voor akkergebieden, nader onderzoek gedaan worden naar de totstandkoming van de gebieden, de relatie tussen percelering, communale gebruiksvormen en privébezit. Hiervoor kunnen dezelfde onderzoekstechnieken worden aangewend. Onderzoeksvragen: Op welke wijze weren de natte zones binnen het landschap gebruikt en in hoeverre kan binnen dit gebruik chronologisch en geografisch gedifferentieerd worden? In welke mate wijken enkeerdgronden in beekdalen af van de enkeerdgronden op de hogere landschapsdelen (chronologie, wijze van ontginning, bewerking en onderhoud, bemesting etc.)? Wat is de geschiedenis van de hooi- en weidegebieden, de relatie tussen percelering, communale gebruiksvorm en privébezit?
7.2.2.
De heidevelden
20 juni 2020
pagina 58 van 116
REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT
De datering van de vorming van de heide is een belangrijke onderzoeksactiviteit. De vorming van het heidelandschap blijkt een langdurig proces met meerdere fasen te zijn. Werd er al heide gevormd tijdens de neolithische periode of werd er heide gevormd tijdens de vrij intensief bewoonde IJzertijd en Romeinse periode? Wat bleef er van die oude heide over rond 1000 AD en wanneer werd de middeleeuwse heide gevormd? Waarom worden er pas schapen vanaf ca. 1300/1350 vermeld en niet eerder? Waarom spreken de oudste beschrijvingen van de woeste grond (daterend van 1250 - 1330) van tijm en gagel, maar amper van heide? Een afzonderlijk vraagstuk is de wijze waarop de aanvankelijk vermoedelijk vrij ruige en met struiken begroeide "wildert" zich ontwikkelde tot het open heidelandschap van de 19e eeuw. Behalve deze vragen ten aanzien van de vorming van heidevelden is het van belang na te gaan hoe zij werden gebruikt. Hierbij moet niet alleen aan begrazing gedacht worden. De heidevelden leverden ook grondstoffen. Een interessant onderzoeksprobleem is de zandhaling voor de potstal. Er is een probleem met het idee dat men op de heide zand haalde (apart of als onderdeel van plaggen), dat via de potstal omwerkte tot mest en met die mest de enkeerdgronden opbouwde. Nog afgezien van de dateringproblemen van de enkeerdophoging en van de potstal, doet zich een volumeprobleem voor.
Met behulp van profielen van het grootschalige nederzettingsonderzoek en eventueel booronderzoek op geselecteerde akkers is het volume van grondverplaatsing vast te stellen (rekening houdend met een correctie voor de in het akkerdek verwerkte oorspronkelijke bodem). Dan kan ook nagegaan worden over welke oppervlakten die grond gewonnen is (met verschillende windieptes als uitgangspunt) en wat de intensiteit van de bodemingrepen was. Wanneer er intensief gegraven is op de hei, is dat wellicht op de bodemkaarten te zien. Er lijkt geen sprake te zijn van een vaste verhouding tussen de oppervlakte akkerland en heide in 1832; niet in de zanddorpen van Noord-Brabant en niet in die van Antwerpen. Dit probleem houdt mogelijk ook verband met het optreden van zandverstuivingen. Onderzoeksvragen: Wanneer begon de vorming van de heide en in hoeverre zijn binnen deze ontwikkeling fluctuaties aanwijsbaar? Deelvragen daarbij zijn: o Werd er al heide gevormd tijdens de neolithische periode of werd er heide gevormd tijdens de vrij intensief bewoonde IJzertijd en Romeinse periode? o Wat bleef er van die oude heide over rond 1000 AD en wanneer werd de middeleeuwse heide gevormd? o Waarom worden er pas schapen vanaf ca.
1300/1350 vermeld en niet eerder? o Waarom spreken de oudste beschrijvingen van de woeste grond (daterend van 1250 1330) van tijm en gagel, maar amper van heide? o Op welke wijze ontwikkelde de aanvankelijk vermoedelijk vrij ruige en met struiken begroeide "wildert" zich tot het open heidelandschap van de 19e eeuw? In hoeverre werd op de heide zand gehaald (apart of als onderdeel van plaggen), dat via de potstal werd omgewerkt tot mest en met die mest de enkeerdgronden opbouwde? Deze vraag moet worden gezien in het licht van het eerder genoemde volumeprobleem dat zich bij de algemeen gekoesterde ideeën voordoet. In hoeverre kan de constatering van geen vaste verhouding tussen de oppervlakte akkerland en heide in 1832 in tijd worden geëxtrapoleerd?
7.2.3. De stuifzanden Van belang is na te gaan wanneer stuifzanden ontstonden. Bij archeologisch onderzoek kan gemakkelijk vastgesteld worden of ter plaatse verstuiving optrad en in welke periode dat gebeurde. Door de resultaten van dergelijke waarnemingen te verzamelen, kan een beter beeld verkregen worden van de chronologie van de zandverstuivingen en van hun oorzaken. Onderzoeksvraag: In hoeverre zijn stuifzanden een antropogeen verschijnsel? 7.2.4. De veengebieden Het onderzoek van de ontginning van de veengebieden, ten behoeve van hun agrarische exploitatie of ten behoeve van veenwinning, kent al een zekere traditie. Niettemin moeten beide vormen van veenontginning nader onderzocht worden om chronologie, organisatie en gevolgen beter te begrijpen. Vormen van veenwinning zijn onder andere moernering en zoutwinning. Bij agrarische exploitatie van het veen kan gedacht worden aan beakkering, hooiwinning en beweiding met schapen en andere beesten en het daartoe oprichten van stellen (verhoogde stallingsplaatsen). Bewoning van lage veengebieden verdient, evenals wellicht andere activiteiten die sporen konden nalaten, zoals de aanleg van lage kaden, wegen, sloten, nader onderzoek.
20 juni 2020
pagina 59 van 116
REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT
Onderzoeksvragen: Wanneer zijn de veengebieden ontgonnen en met doel en hoe (zowel ontginningswijze als sociale organisatie van de ontginning) gebeurde dit? Wat waren de landschappelijke, economische en sociale gevolgen van de veenontginning? 7.2.5. De waterhuishouding Het onderzoek van de waterhuishouding in Zuid-Nederland bevindt zich nog in de kinderschoenen. Dit onderzoek kent verschillende aspecten: grondwatervariatie en -beheer, waterwinning, beheer van oppervlaktewater en ontwatering. Een hiermee samenhangend aspect dat onderzocht moet worden, is de genese van de ontwatering. Hoe natuurlijk zijn de beken? Vooral de bovenlopen lijken vaak gegraven of vergraven tot rechte sloten. Hoe en waar zijn deze te herkennen? Wat is de ouderdom van de aanpassingen? Liet men de beek na verloop van tijd weer meanderen? Werden beken anderszins gereguleerd via stuwen, molens, zijtakken? Werd er al in de middeleeuwen aan bevloeiing van weiden gedaan (denk hierbij bijvoorbeeld aan toponymie)? Wat zijn de oorzaken en gevolgen van overstroming en sedimentatie in beek- en rivierdalen? Met water samenhangende verdedigings- en vestingwerken, waaronder waterlinies, inundatiegebieden met forten en schansen moeten eveneens onderzocht worden. Een apart probleem behelst de bevaarbaarheid van de Maas, de zijrivieren en de beken in de middeleeuwen en vroegmoderne tijd.