CConstaterende datReusel-De Mierden
Koppel je AI →
Document · PDF

[20.19428] - Bijlage 6 regionale onderzoeksagenda regio zuidoost-brabant

Gemeenteraad 13 juli 2021, gemeente Reusel-De MierdenBij agendapunt: Raadsvoorstel erfgoedbeleid Reusel-De Mierden66.417 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 8

Met het oog op de aanwezigheid van organische resten is het belangrijk dat beekdalen die opgevuld zijn met organische sedimenten en geflankeerd door dekzandruggen of rivierduinen met laatpaleolithische of mesolithische bewoningssporen nader worden onderzocht. Op de hooggelegen delen zullen eventuele voedselresten meestal worden aangetroffen in de vorm van gecalcineerd bot en verkoold botanisch materiaal. Vooral vuurhaarden bieden mogelijkheden voor het verzamelen van deze materialen. 4.4.2. Neolithicum Een centraal onderzoeksthema voor het Neolithicum is de introductie en toenemende betekenis van akkerbouw en veeteelt. De vroegste aanwijzingen voor akkerbouw bestaan uit verkoolde resten van ‘uitheemse’ planten ofwel cultuurgewassen die zijn aangetroffen in de vulling van kuilen in LBK nederzettingen in het lössgebied van Zuid-Limburg. Onverkoolde resten vereisen specifieke conserveringsomstandigheden; ze zijn bekend uit het Duitse lössgbied (in een waterput te ErkelenzKückhoven) maar tot dusver nog niet uit Nederland. Uit een nederzetting van de Rössen-cultuur te Maastricht-Randwijck zijn alleen verkoolde botanische resten bekend die wijzen op een continuering van de traditie van akkerbouw in de LBK. Tijdens het Neolithicum was de akkerbouw enkele eeuwen lang beperkt tot het Zuid-Limburgse gebied.

Algemeen wordt aangenomen dat ten tijde van de Michelsbergcultuur de agrarische bestaanwijze ook op de zandgronden van Brabant en Limburg gemeengoed is. Onderzoek van drie in Nederland onderzochte nederzettingen (Maastricht-Klinkers, Maastricht-Vogelenzang en Heerlen-Schelsberg) heeft uitgewezen dat ook voor de Michelsbergcultuur kan worden gesproken van een agrarische bestaanswijze. Omdat het aantal opgegraven nederzettingen klein is en alleen verkoolde resten zijn bewaard, blijft het echter moeilijk om aspecten van het akkerbouwsysteem in het Midden-Neolithicum van Zuid-Nederland nader te specificeren (welke vorm van akkerbouw?). Systematische bemonstering en analyse van ‘kansrijke’ sporen voor paleobotanisch onderzoek is nodig om deze en andere vragen in relatie tot de voedseleconomie in de toekomst te kunnen beantwoorden. Aldus moet onder meer een antwoord worden gegeven op de vragen ‘Hoe verliep de ontwikkeling van de ploeglandbouw en wanneer werd die geïntroduceerd?’ en ‘Hoe verandert de verhouding akkerbouw–veeteelt binnen de agrarische economie?’ Onverbrand dierlijk materiaal van de hogere zandgronden is alleen bekend van venen, beek- en rivierdalen. Uit nederzettingscontext komt vrijwel uitsluitend verbrand botmateriaal (bijv. HeerlenSchelsberg).

Door de slechte conserveringsomstandigheden in vindplaatsen van de Trechterbekercultuur op de zandgronden van Nederland zijn gegevens over veeteelt en andere aspecten van de voedseleconomie in dit gebied schaars. Op de pleistocene zandgronden dient elke aanleiding voor het onderzoeken van kenmerken en ontwikkelingen van de voedseleconomie en het akkerbouwsysteem in het Neolithicum te worden

20 juni 2020

pagina 24 van 116

REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT

aangegrepen. In verband met de analyse van stuifmeel en macroresten is het van belang dat natuurlijke laagtes, zoals beekdalen en pingoruïnes, bij het onderzoek worden betrokken. Opgraving en analyse van ‘nieuwe’ vindplaatsen zijn nodig om te kunnen vaststellen of de gegevens van deze vindplaatsen vergelijkbaar zijn met wetland-vindplaatsen in West-Nederland, en zo ja: op welke punten. 4.4.3. Vraagstellingen bij voedseleconomie, relatie mens en milieu Punten van aandacht bij het ‘voedseleconomie, relatie mens en milieu’ zijn:  het belang van jacht- en visvangst, strategieën die daarbij werden gehanteerd, specialisatie vs breedspectrum economie, regionale en chronologische trends in het gebruik van dierlijke en plantaardige voedselbronnen, en de introductie van cultuurgewassen en veeteelt als onderdeel van een agrarische bestaanswijze.

Vragen van onderzoek voor het Paleolithicum en Mesolithicum zijn:  Waaruit bestond de fauna in een bepaalde periode of gebied, welke jachtzoogdieren kwamen er voor en welke vissen en vogels?  Welke rol speelden jacht, visvangst en het verzamelen van plantaardige producten in de lokale voedseleconomie? En welke strategieën werden er toegepast bij jacht en visvangst?  Welke rol spelen ‘persistent places’ en wat zijn daarvan de kenmerken en context? (Deze vraag geldt ook voor andere perioden.) Voor vroeg- en middenneolithische vindplaatsen zal toekomstig onderzoek moeten bijdragen aan het nader specificeren van het aandeel van jacht, landbouw en veeteelt in de voedselvoorziening. Voor een goede beoordeling van de gegevens is het belangrijk dat genoemde componenten worden bestudeerd in relatie tot landschappelijke ontwikkelingen. Omdat onverbrande archeozoölogische resten in vindplaatsen op de zandgronden van HoogNederland ontbreken (met uitzondering van rivier- en beekdalen), is een vergelijking tussen de voedseleconomie van gemeenschappen in de wetlands en die op de pleistocene zandgronden niet goed mogelijk. In de droge delen van Nederland bieden verbrande botresten wel een mogelijkheid om overeenkomsten of verschillen met West-Nederland vast te stellen.

We dienen ons daarbij echter wel af te vragen of de verbrande resten een representatief beeld geven van de oorspronkelijk aanwezige botassemblages. Omdat het botmateriaal sterk gefragmenteerd is (en dus van geringe grootte) zullen er uitgebreide zeefprogramma’s nodig zijn om representatieve steekproeven te kunnen verzamelen. Om een beeld te krijgen van de voedselbereiding kunnen ook gebruikssporen op stenen artefacten met elkaar worden vergeleken. Welke activiteiten van voedselbereiding kunnen er op basis van gebruikssporenonderzoek aangetoond worden? En in hoeverre wijzen regionale verschillen in de locatiekeuze, omvang en aard van vindplaatsen op verschillen in de voedseleconomie? Op welke wijze werden in de prehistorie plantaardige en dierlijke bronnen gebruikt in het levensonderhoud en als grondstof voor voorwerpen en welke rol speelden deze bronnen in uitwisseling en ruil? (NOaA vraag 4) In algemene zin wordt verondersteld dat in de loop van het laat-paleolithicum en mesolithicum een steeds breder spectrum aan plantaardige en dierlijke (voedsel-)bronnen wordt benut en dat mens in de loop der tijd zelfs bewust ingrijpt in milieu om condities voor preferente planten en dieren te bevorderen.

Vooralsnog baseren deze veronderstellingen zich vooral op veranderingen in natuurlijk milieu (verbeteren van klimaat en gevolgen voor landschap, fauna en vegetatie) en veel minder op de studie van dierlijke en plantaardige resten afkomstig uit archeologische sites. Echter, recent botanisch onderzoek heeft aanwijzingen opgeleverd voor ruim gebruik van plantaardige bronnen. Slechts bij hoge uitzondering, vooral op de hogere pleistocene gronden van Noord-, Midden- en Zuid-Nederland, worden organische resten in archeologische context opgegraven. Het onderzoek van kleine fragmenten verbrand bot afkomstig uit een Federmesser-vindplaats bij o.a. Doetinchem en Wierden leverde nieuwe informatie op over het aandeel klein wild, achtergrondfauna en zoetwatervis in de voedselvoorziening. (Proxy) data ten aanzien van gebruik landschap en ingrepen in het landschap kunnen verkregen worden uit organische afzettingen in of nabij de vindplaats. In vergelijking met het laat-paleolithicum zijn gegevens over de voedseleconomie en het bewust ingrijpen in het landschap voor het mesolithicum talrijker. Maar voor deze periode geldt dat de beeldvorming sterk wordt bepaald door een zeer klein aantal, zorgvuldig opgegraven (goed geconserveerde, met sedimenten overdekte) vindplaatsen in West-Nederland (bijvoorbeeld Hardinxveld-Giessendam).

Operationalisering Doe gebruikssporenonderzoek op anorganische en organische artefacten. Kijk naar de herkomst van de verschillende materialen en voorwerpen. Besef dat analyse van het voormalige landschap en milieu

20 juni 2020

pagina 25 van 116

REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT

essentieel zijn. Verzamel en analyseer paleo-ecologische (proxy) data uit gerelateerde of nabijgelegen organische contexten/afzettingen. Verzamel en analyseer naast anorganische ook (verbrand of verkoold) organisch materiaal. Gebruik resultaten om meer inzicht te krijgen in het type voedsel dat men at en de materialen (zoals hout, bast, huiden en bot) die men tot z'n beschikking had. Denk er aan, dat als data schaars zijn (bijvoorbeeld op de Pleistocene zandgronden) ook weinig zeer informatief kan zijn. Richt je daarom vooral in dergelijke situaties niet alleen op sporen die op het oog veel materiaal bevatten (nat of verkoold), maar ook op kleine concentraties in spoorvullingen en bodemlagen. Analyseer voedselresiduen (aangekoekte resten, phytolieten, etc). Onderzoek menselijke en dierlijke resten op isotopenverhoudingen voor informatie over het dieet, denk ook aan het onderzoek van sporenelementen zoals ijzer en vanadium die inzicht kunnen verschaffen in de consumptie van specifieke voedingsmiddelen. Ten aanzien van de consumptie van plantaardig voedsel: onderzoek eventueel aanwezige parenchymresten (van knollen, wortels, vruchten). Onderzoek bij structuren met veel onverkoold hout (bijv. fuiken, vlechtwerk) op basis van een afdoende grote steekproef of sprake is van bosmanagement.

Hoe veranderde de bestaanswijze gedurende het laat-mesolithicum tot en met de midden-bronstijd? (NOaA vraag 7) Omstreeks 5300 BC koloniseerden de landbouwers van de Lineaire Bandkeramiek (LBK) het Limburgse lössgebied, In de rest van Nederland vond de introductie van de landbouw circa een millennium later plaats en lijken neolithische elementen (akkerbouw, veeteelt, aardewerk) geleidelijk een plaats te hebben gekregen in de broad spectrum bestaanseconomie van laatmesolithische jagers en verzamelaars. De aard en snelheid van deze transformatie lijkt van plaats tot plaats te verschillen. Gespecialiseerde (?) exploitatie van natuurlijke voedselbronnen was waarschijnlijk vooral in de ecologisch rijke en gevarieerde peri-mariene zone (IJssel-Vecht en Rijndelta) nog lang belangrijk. Tevens lijkt het erop dat in deze delen sprake is van een zeker ‘conservatisme’, innovaties werden toegevoegd aan een bestaand repertoire maar vervingen dit niet. Amkreutz heeft voor de wetlands van Nederland een model geschetst waarin beargumenteerd wordt dat deze overgang veel meer is dan alleen het overnemen van ‘neolithische’ elementen in de bestaanswijze.

Voor de overige (pleistocene) delen van Nederland is dit proces nog verre van duidelijk, bijvoorbeeld over de aard, datering en betekenis van de vroegste agrarische activiteiten, de neolithisering in het Pleistocene achterland en de interactie tussen groepen in het kustgebied en die in het binnenland (Rössen, Michelsberg, La Hoguette, relatie Swifterbant en TRB etc.) bestaan nog veel vraagtekens. Vraag blijft vanuit welke richting(en) de ‘innovaties’ Nederland bereiken. Een onbegrepen verschijnsel is ook de verspreiding (via het Maasdal, IJsseldal?) van (onderdelen van) de neolithische levenswijze na de LBK richting het noorden en noordwesten. Operationalisering Een goed chronologisch raamwerk is cruciaal. Dateer (gesloten) vondstcontexten absoluut en relatief en/of door middel van stratigrafisch onderzoek. Analyseer de typologische en technologische karakteristieken van de verschillende materiaal categorieën (anorganische en organische artefacten) en breng die met elkaar in verband. Analyseer en dateer botanische monsters uit veen en archeologische sporen op het Pleistoceen om vast te stellen of er aanwijzingen zijn voor de start van akkerbouw (houtskool, pollen, macroresten). Grondbewerking en akkerbouw/tuinbouw: micromorfologie is een cruciale techniek in goed geconserveerde snel begraven vindplaatsen.

Vergelijk typo- en technologische karakteristieken van anorganische en organische artefacten van verschillende vindplaatsen. Bepaal de landschappelijke context van verschillende vindplaatsen vast en onderzoek of er verschuivingen optreden. Analyseer intra- en inter-site patronen door ruimtelijke analyses van vondsten en sporen. Grondsporen uit begin van deze periode zijn vaak moeilijk (en soms pas op dieper niveau) herkenbaar. Onderzoek de verhouding tussen wilde en gedomesticeerde diersoorten, kijk ook naar de verhouding vogel-vis-zoogdier. Neem zeefmonsters (2 mm en voor de vissen ook 1 mm) om verbrande dierlijke resten en resten van vogels en vis te kunnen onderzoeken. Onderzoek of men al gebruik maakte van trekkracht, melk en wol. Sites met stratigrafie bieden de mogelijkheid meer inzicht te krijgen in de volgorde van het ten tonele verschijnen van gedomesticeerde dieren en planten. Verschijnen gedomesticeerde dieren inderdaad eerder dan planten (akkerbouw) (Hardinxveld-Giessendam De Bruin; Almere-Hoge Vaart)? Kafresten (monsters voor botanische macroresten) leveren informatie over lokale productie van graan (maaswijdte 0,25 mm). Ook koolstof- en stikstofisotopenonderzoek (vooral d15N) kan inzicht geven in dieetverandering.

4.5.

Begravingen en deposities van menselijke resten

In Nederland is het aantal voegprehistorische vindplaatsen dat menselijke skeletvondsten heeft opgeleverd bijzonder klein. Elke nieuwe vondst van een grafveld, losse begraving of depositie van menselijke resten is

20 juni 2020

pagina 26 van 116

REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT

dan ook van grote betekenis. Het is essentieel dat fysisch-antropologen worden ingezet bij de beschrijving en interpretatie van de skeletvondsten. Uit het oogpunt van kennisvermeerdering kan ook (hernieuwd) onderzoek van skeletmateriaal dat in de 20ste eeuw is opgegraven nieuwe inzichten opleveren. Toepassing van nieuwe methoden van analyse (DNA onderzoek, onderzoek naar stabiele isotopen) maakt het mogelijk aspecten van prehistorische samenlevingen (zoals familieverbanden, mobiliteit en dieet) te bestuderen die tot voor kort nog ver buiten het bereik van archeologisch onderzoek lagen. Gezien de snelheid waarmee nieuwe technieken ontwikkeld worden, kunnen op dit terrein nog belangrijke resultaten worden verwacht. 4.5.1. Midden- en Laat-Paleolithicum Van Nederlandse bodem zijn geen begravingen of goed gedateerd menselijk skeletmateriaal uit het Paleolithicum bekend. Er kan van worden uitgegaan dat menselijk skeletmateriaal uit deze periode in veruit de meeste gevallen is vergaan als gevolg van postdepositionele processen. Een en ander betekent echter niet dat er geen begravingen of losse menselijke beenderen uit het Paleolithicum bewaard kunnen zijn; in de diepere ondergrond kan plaatselijk sprake zijn van gunstige conserveringsomstandigheden voor menselijk en dierlijk botmateriaal, bijvoorbeeld in kalkrijke milieus in (voormalige) rivier- en beekdalen. 4.5.2.

Mesolithicum Onze kennis van de omgang met doden in het Mesolithicum is beter dan die over het Paleolithicum. Bekend zijn de grafkuilen (overigens zonder skeletresten) van Mariënberg, opgegraven in associatie met een groot aantal haardkuilen. Een andere vindplaats op de Oost-Nederlandse zandgronden is Dalfsen, waar kleine fragmenten gecalcineerd menselijk bot in een haardkuil werden aangetroffen. Een vergelijkbare vondstsituatie is bekend van een groot mesolithisch nederzettingsterrein bij Oirschot in Noord-Brabant. Van bijzondere betekenis zijn enkele inhumaties uit het Laat-Mesolithicum / Vroeg-Neolithicum te Hardinxveld-Giessendam (Polderweg en De Bruin). Een van de inhumaties bevatte de resten van het skelet van een vrouw (‘Trijntje’). Met een datering van omstreeks 5500 v.Chr is dit de oudste skeletvondst die momenteel van Nederlandse bodem bekend is. De weinige begravingen getuigen van een aanzienlijke variatie in de wijze waarop met overledenen werd omgegaan. Dit sluit aan bij het beeld dat we kennen van opgravingen elders in Noordwest-Europa en ook voor latere perioden zo kenmerkend is. 4.5.3. Neolithicum Vergeleken met de oudere perioden is er over de omgang met de doden in het Neolithicum meer bekend. Het aantal vindplaatsen met menselijke skeletresten verschilt sterk per periode en per regio.

Grafvelden (met vlakgraven) zijn kenmerkend voor de LBK; er komen zowel inhumaties als crematies met bijgiften (aardewerk, dissels, oker) voor. Het was waarschijnlijk gebruikelijk om de doden, vooral kinderen, in kuilen binnen de nederzetting te begraven. Gegevens over het grafritueel van andere vroegneolithische tradities van de zuidelijke zand- en lössgronden ontbreken echter. Formele begraafplaatsen (in de zin van grafvelden) zijn niet bekend uit de Michelsbergcultuur. In Nederland zijn menselijke resten uit de Michelsbergcultuur alleen bekend van de vuursteenmijnen van Rijckholt. In buitenlandse vindplaatsen (o.a. België en Duitsland) zijn wel begravingen van menselijke resten aangetroffen in nederzettingen, aardwerken, grotten en vuursteenmijnen. De skeletresten zijn vaak vergezeld van andere materialen, zoals complete potten, maalstenen, kettingen van dierentanden en runderhoorns. Soms lijkt het wel om afval te gaan waar de menselijke botresten dan deel van uitmaken. Een opvallend verschijnsel uit de periode van de Stein-groep is de grafkelder van Stein. Hier werden crematieresten van verscheidene individuen en diverse bijgiften aangetroffen.

Hoewel er geen andere eenduidige graven van de Stein-groep van Nederlandse bodem bekend zijn, moet er rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat het bij de vondst van losse potten en grote kuilen gaat om niet herkenbare (inhumatie-) begravingen. Bij de neolithische skeletresten die uit het buitenland bekend zijn gaat het in de meeste gevallen om collectieve inhumatiegraven in megalithische monumenten en (soms) grotten. De graven werden regelmatig bezocht, waarbij eerdere bijzettingen opgeruimd of herplaatst werden. Uit het Neolithicum zijn ook aanwijzingen bekend voor het bestaan van een andere vorm van rituele expressie dan het grafritueel, te weten het offeren of beter gezegd: de rituele depositie van artefacten, zoals stenen- en vuurstenen bijlen, aardewerk en menselijke en dierlijke skeletresten. Op de pleistocene gronden vormen losse vondsten van of in depots aangetroffen stenen bijlen een belangrijke vondstcategorie. De landschappelijke context van de vindplaatsen (beekdalen, moerassige laagten) alsmede hun voorkomen buiten de context van nederzettingen vormt een aanwijzing voor moedwillige (intentionele) deposities. In sommige gevallen gaat het om complete, gepolijste bijlen, maar ook halffabrikaten van bijlen komen voor.

In de zand- en lössgronden van Nederland is de kans klein dat er mesolithische en neolithische begravingen met onverbrande skeletresten worden aangetroffen. Het is wel mogelijk dat concentraties

20 juni 2020

pagina 27 van 116

REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT

gecalcineerd botmateriaal of haardkuilen gecalcineerde menselijke resten bevatten. In waterverzadigde bodems in beek- en rivierdalen kunnen ook onverbrande menselijke resten worden verwacht. 4.5.4. Vraagstellingen bij begravingen en deposities van menselijke resten In het verleden zijn gecalcineerde botfragmenten zelden systematisch op soort (dier/mens) onderzocht. Door middel van uitwerking van ‘oud onderzoek’ kan op dit punt nog een inhaalslag worden gemaakt. Indien er inhumaties worden aangetroffen is het van groot belang dat houding, oriëntatie, geslacht, leeftijd en gezondheidstoestand van de overledene worden gedocumenteerd. Daarnaast kunnen menselijke resten aanwijzingen opleveren over de lokale demografie (mannen, vrouwen, kinderen) en leeftijdsopbouw. Dergelijke gegevens kunnen worden geanalyseerd in relatie tot gegevens over paleogeografie, voedselbronnen en seizoen van bewoning.

Algemene onderzoeksvragen zijn:  zijn er aanwijzingen voor begravingen of cultische deposities van menselijke resten en zo ja: waaruit bestaan deze?  Speelden dieren of dierlijke producten een rol in religie en cultus en wat was hun betekenis daarin?  Zijn er aanwijzingen voor het herplaatsen en opruimen van menselijke resten?  En indien het DNA van menselijke skeletdelen intact genoeg is voor genetisch onderzoek: welk beeld levert isotopenonderzoek op over het dieet van de mensen en de omgeving waarin deze mensen opgroeiden?  Voor stabiele isotopen-onderzoek en aDNA-onderzoek kunnen ook losse gebitselementen van belang zijn. De analyse van grafgiften is hierboven al aangestipt, maar wordt hier benadrukt als methode om nadere informatie te verkrijgen over de behandeling van de overledene als aanwijzing voor bijvoorbeeld zijn/haar sociale status. Indien grafgiften uit exotische materialen zijn gemaakt, kan dit informatie opleveren over uitwisseling en supraregionale contacten. Tenslotte: met het oog op het voorspellen van locaties van grafvelden en geïsoleerde graven is het van belang de locatie van deze archeologische verschijnselen ten opzichte van (gelijktijdige) nederzettingen te analyseren.

Op welke wijze werd in de vroege prehistorie omgegaan met de overledenen (context en kenmerken van het ‘dodenbestel’)? (NOaA vraag 9) Uit de vroege prehistorie kennen we slechts een bescheiden aantal vondsten die inzicht bieden in omgang met de overledenen. De eerste echte aanwijzingen hiervoor dateren uit het mesolithicum. Uit deze periode kennen we zowel crematies als inhumaties waarbij de omgang met de overledene op verschillende manieren vorm heeft gekregen (kuil met crematieresten en bijgiften, inhumaties in gestrekte en in zithouding). Echter ook worden incidenteel ‘losse’ skeletdelen gevonden. Kortom, er lijkt een brede variatie te bestaan in omgaan met de doden. De aanwijzingen hiervoor komen met name van vondsten uit nederzettingscontext. Veel is nog onduidelijk, de omgang met de doden in het laat-paleolithicum en het midden-paleolithicum is zelfs nog volledig onbekend in Nederland. Daarnaast is het onduidelijk of, en zo ja met wat voor soort handelingen het afscheid van de doden gepaard ging. Tenslotte is het onbekend in hoeverre ook mensen werden begraven en of gecremeerd in andere delen van het landschap dan de plekken die we nu als ‘nederzetting’ beschouwen. Operationalisering Registreer zeer nauwkeurig de ligging van menselijke botresten al dan niet binnen vondst en/of spoorconcentraties. Registreer mogelijke fasering in ontstaan en vulling van (graf-)kuilen.

Denk ook aan inzet van micromorfologie om potentiële gefaseerde vulling en of herbegraving van resten vast te stellen. Stel relatie tussen landschap of nederzetting met menselijke resten vast. Realiseer dat onderzoek in het veld en het laboratorium van dergelijke vondsten specialisten werk voor fysisch‑antropologen is. Licht indien mogelijk graven, bijzettingen, crematieresten ‘en bloc’ voor zorgvuldige opgraving onder laboratorium omstandigheden. Gezien het beperkte aantal menselijke resten uit de vroege prehistorie, bemonster bij voorkeur in het veld, voor (toekomstig) DNA-onderzoek en sla de monsters zo snel mogelijk op in een vriezer bij -20°C, om verdere degradatie van het DNA te beperken (zie voor praktische tips DNA-bemonstering: KNA, OS11).) Onderzoek van houtskool uit (of gerelateerd aan) crematiegraven levert informatie over houtgebruik en eventuele selectie van houtsoorten. Bij voorkeur 50-100 stuks houtskool per context. Let in het veld ook op verkoolde voorwerpen/grafgiften (met name bij hoofd en voeten). Deze kunnen compleet zijn (‘en-bloc’ bergen). Onderzoek de aanwezigheid van restanten van maaltijden voor de dode of als onderdeel van het grafritueel. Bloemen (< stuifmeel ) en kleurstoffen (oker) kunnen daarvan ook deel uitmaken.

20 juni 2020

pagina 28 van 116

REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT

4.6.

Culturele tradities, sociale relaties en interactie

4.6.1. Midden-Paleolithicum Voor het Midden-Paleolithicum wordt onderscheid gemaakt in drie belangrijke culturele tradities: het Acheuléen, het Micoquien en het Moustérien. De afgelopen jaren is het besef gegroeid dat bepaalde werktuigvormen (zogenaamde gidsartefacten) een lange ‘doorlooptijd’ kennen. Daarmee lijkt hun daterende waarde, maar ook hun betekenis in termen van afzonderlijke culturele tradities veel minder groot te zijn dan vroeger werd aangenomen. Onderzoek van buitenlandse vindplaatsen heeft recentelijk duidelijk gemaakt dat de toeschrijving aan een bepaalde culturele traditie ter discussie kan worden gesteld - zelfs bij opgegraven en ‘gesloten’ vondstcomplexen. Informatie over bovenregionale contacten, mobiliteit en omvang van territoria van Neanderthalers kan worden ontleend aan het voorkomen en de herkomst van exotische grondstoffen. Een voorbeeld is het algemeen voorkomen van Zuid-Limburgse vuursteen in middenpaleolithische vindplaatsen in het Duitse Rijnland, ca. 120 km ten zuiden van de natuurlijke voorkomens van het vuursteen. 4.6.2. Laat-Paleolithicum en Mesolithicum Het chronologische kader van het Laat-Paleolithicum is aanzienlijk beter en verfijnder dan die voor het Midden-Paleolithicum. Desondanks zijn de relaties in tijd en ruimte tussen laatpaleolithische culturele tradities alleen op hoofdlijnen bekend.

Voor het Laat-Glaciaal, een periode van hooguit 5000 jaar, worden vijf culturele tradities onderscheiden: Magdalénien, Hamburg-traditie, Creswell-traditie, Federmessertraditie en Ahrensburg-traditie. Het onderscheid is voornamelijk gebaseerd op typologische kenmerken van stenen werktuigen in het algemeen en van stenen pijlspitsen en hun aandeel in assemblages in het bijzonder. Het is echter de vraag of aan verschillen in vuursteentypologie en -technologie in alle gevallen een culturele betekenis kan worden toegedicht. Een goed voorbeeld hiervan zijn verschillen in opvatting over het voorkomen van Creswell-spitsen in laatpaleolithische vindplaatsen in Zuid-Nederland en België. De opvatting dat deze vindplaatsen een aparte culturele traditie, de Creswell-traditie, weerspiegelen, wordt niet door iedereen gedeeld. Verscheidene auteurs wijzen op het voorkomen van vaak kleine aantallen Creswell-spitsen in Federmesser-context (en sporadisch ook in Hamburg-context). Zij zien dan ook geen reden om van een aparte culturele traditie te spreken. Vraagstukken die ook internationaal aandacht krijgen betreffen de relatie tussen het Magdalénien en de Hamburg-traditie en die tussen de Creswell-traditie en de Federmesser- traditie.

Maar ook het voortbestaan van de Federmesser-bewoning in het Late Dryas stadiaal en chronologische en ruimtelijke relaties tussen late Federmesser-vindplaatsen en vroege Ahrensburg-vindplaatsen vormen actuele onderzoeksthema’s. Er zijn steeds meer aanwijzingen dat de opvatting die uitgaat van synchroniteit tussen culturele tradities en biostratigrafische eenheden (bijv. de Federmesser-traditie en het Allerød-interstadiaal) niet langer houdbaar is. Chronologische grenzen tussen culturele tradities zijn minder scherp dan voorheen werd aangenomen en ook veranderingen in vuursteentypologie en - technologie voltrokken zich in werkelijkheid geleidelijker of zijn minder markant dan voorheen werd verondersteld. De overgang van de Ahrensburg-traditie naar het Vroeg-Mesolithicum is hiervan een voorbeeld. Nader onderzoek naar de bijdrage van de Ahrensburgtraditie aan de ‘microlithisering’ van de vuursteenindustrie van het Mesolithicum is nodig. Ook het chronologische kader van het Mesolithicum is niet vrij van problemen. Vooral in de loop van de jaren zeventig en tachtig van de 20ste eeuw zijn er relatieve chronologieën opgesteld die in veel gevallen zijn gebaseerd op de typologie van werktuigen. Door de toegenomen beschikbaarheid van 14C-dateringen (zowel van reeds lang geleden als recentelijk onderzochte vindplaatsen) hebben deze chronologieën sterk aan betekenis ingeboet. 4.6.3.

Neolithicum Het chronologische kader voor het Vroeg- en Midden-Neolithicum is beduidend meer gedetailleerd dan dat voor de voorafgaande perioden. Ondanks – of misschien dankzij? - deze mate van detail is het niet eenvoudig om culturele relaties exact te duiden. De homogeniteit in materiële cultuur wijst er mogelijk op dat de sociale relaties en interactie tussen de bewoners van LBK-nederzettingen binnen één en dezelfde regio (Siedlungskammer) intensief waren. Binnen het gehele verspreidingsgebied van de LBK kunnen diverse van dergelijke Siedlungskammer worden aangewezen op basis van versiering van het aardewerk, de verbouwde gewassen, typen werktuigen, huistypen en de lay-out van nederzettingen. Er treden echter duidelijke verschillen op tussen Siedlungkammer. Het wijst erop dat contacten over grotere afstand minder intensief waren dan tussen de nederzettingen van een en dezelfde regio. De regio’s maakten echter wel deel uit van uitgebreide netwerken, waarin grondstoffen, werktuigen en sieraden - al dan niet met een symbolische of prestigieuze waarde – over lange afstanden werden uitgewisseld. Ook binnen de Michelsbergcultuur kunnen op basis van stilistische kenmerken van het aardewerk regionale groepen onderscheiden worden. De Nederlandse vindplaatsen lijken meer verwant te zijn aan de

20 juni 2020

pagina 29 van 116

REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT

Rijnlandse groep dan aan de Noord-Franse/Belgische groepen. Aanwijzingen hiervoor zijn de overeenkomst in aardewerkvormen en het overwegende gebruik van kwarts als verschralingsmiddel. Andere kenmerken van de materiële cultuur, zoals de vuurstenen artefacten, maar ook bestaanswijze en site-typen zijn daarentegen over grote gebieden vergelijkbaar. In de loop van het Neolithicum ontstaan uit de interactie tussen lokale (mesolithische) groepen onderling en tussen deze groepen en vroege landbouwers ‘nieuwe’ culturele groepen, zoals de Hazendonk-groep, de Vlaardingencultuur en de Stein-groep. Hun oorsprong en onderlinge relaties zijn echter niet helder: 4.6.4. Vraagstellingen bij culturele tradities, sociale relaties en interactie Om de vroegprehistorische culturen of culturele tradities chronologisch en ruimtelijk beter te kunnen begrenzen, is het nodig om de kenmerken, datering en variatiebreedte van de materiële cultuur nader te bepalen. Hieronder valt bijvoorbeeld het onderzoek van stilistische en technologische kenmerken van het aardewerk en de (vuur-)steenindustrie.

Welke chronologische en ruimtelijke ontwikkelingen kunnen bij deze materiaalcategorieën worden waargenomen? Wat zijn de overeenkomsten en verschillen in de materiële cultuur van de culturele tradities uit de vroege prehistorie? Welke inzichten kunnen aan de materiële cultuur worden ontleend over de herkomst en identiteit van prehistorische jagers en verzamelaars en van vroeg-agrarische gemeenschappen? Is er sprake van bovenregionale contacten, verwantschapsrelaties of beïnvloeding van andere culturen of culturele tradities en wat zijn hiervoor concreet de aanwijzingen? Een fenomeen dat aandacht verdient is de aanwezigheid van vroegneolithische elementen buiten het verspreidingsgebied van de nederzettingen en soms in een duidelijk mesolithische context, waaronder asymmetrische ‘LBK’-pijlspitsen, bandkeramische dissels en Rössener Breitkeile op de Zuid-Nederlandse zandgronden.

Hoe dienen deze vondsten te worden geïnterpreteerd – dat wil zeggen in termen van relaties tussen neolithische gemeenschappen en naburige mesolithische jagerverzamelaars? In hoeverre wijzen ze op bovenregionale contacten in de vorm van uitwisseling van geschenken of zelfs roof? Zijn asymmetrische pijlspitsen met hol geretoucheerde basis (‘LBK-spitsen’) van origine neolithisch of moeten ze worden beschouwd als elementen die zijn overgenomen uit het lokale Mesolithicum? Wat is de betekenis van vroeg-neolithische, non-bandkeramische aardewerkvondsten in een bandkeramische context en daarbuiten? (NOaA vraag 119) Aardewerkproductie is één van de wezenlijke kenmerken van het neolithicum. Voor Nederlands vroegste neolithicum (A) was lange tijd het idee dat lieden van de Lineairbandkeramische Cultuur (LBK) een neolithisch totaalpakket als één geheel en als iets volledig nieuws het Zuid-Limburgse lössgebied binnen brachten (vaste woonplaatsen, grote huizen, gedomesticeerde planten en dieren, aardewerk , geslepen stenen hakwerktuigen etc.). Dit staat meer en meer ter discussie. Vooral in zuidelijk Nederland, lijken er gelijktijdig met de LBK andere, archeologisch nog nauwelijks grijpbare, gemeenschappen te zijn geweest die óók de kunst van het pottenbakken beheersten, en wie weet wat nog meer.

Meer nog dan bij het zogeheten Limburg aardewerk laat het vroege voorkomen (vanaf fase Ia: älteste Bandkeramik) ruimte voor de veronderstelling dat gemeenschappen die La Hoguette aardewerk produceerden eerder arriveerden dan de LBK. La Hoguette vondsten worden soms begeleid door Begleitkeramik. Dat wordt (schaars) ook in LBK-nederzettingen gevonden, of (vaker nog) geïsoleerd. Een situatie waarin verschillende aardewerk-producerende gemeenschappen overlappend en gelijktijdig in hetzelfde gebied aanwezig zijn, vraagt dringend om verklaringen (identiteit, datering, herkomst, onderlinge relaties, kenmerken materiële cultuur, einde even abrupt als LBK?). Operationalisering Wees alert op afwijkende scherven en mesolithisch ogend vuursteen. Laat tijdig specialisten naar ‘verdachte’ vondsten kijken. Extra interessant zijn vindplaatsen buiten nederzettingen. Raadpleeg ter vergelijking particuliere en museale collecties met vondsten uit het onderzoeksgebied. Meestal zijn dat oppervlaktevondsten of toevalsvondsten bij ontgrondingen. Opvallend vaak worden vondsten aangetroffen in opgevulde natuurlijke depressies of boomvallen. Bij het aantreffen van non-bandkeramisch materiaal: Houd bij de vondst van (mogelijk) non-bandkeramisch aardewerk bij het bergen en behandelen (o.a. schoonmaken) rekening met de mogelijkheid van aankoeksels en andere, minder zichtbare voedselresten. Analyseer die.

De vondstcontext is cruciaal. Resten van één pot kunnen over meerdere sporen verdeeld zijn. Let ook op aanwijzingen voor opspit of intrusie (kenmerken kuilvulling en individuele scherven; slijpplaatonderzoek). Beschrijf gedetailleerd het vondstassemblage waarvan non-bandkeramische vondsten deel uitmaken. Neem van vondstcontexten zeefmonsters voor paleobotanisch onderzoek en stel vast of er afwijkingen zijn t.o.v. het ‘doorsnee’ LBK soortenspectrum. Bepaal zo scherp mogelijk de typochronologische datering aan de hand van begeleidend fijnwandig LBK aardewerk en vergelijk die met eventuele andere sporen die fragmenten van hetzelfde stuk vaatwerk bevatten, of andere nonbandkeramische potten. Dateer de vondst(context) zo mogelijk ook absoluut (C14).

20 juni 2020

pagina 30 van 116

REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT

5.

LATE PREHISTORIE (2900 – 12 v.Chr.)10

5.1.

Inleiding

In dit hoofdstuk staat het bodemarchief van het Brabants zandgebied in de late prehistorie centraal. Onder late prehistorie verstaan wij de periode van het Laat-Neolithicum tot en met de IJzertijd, dat wil zeggen van 2800 tot 12 v.Chr. In vergelijking met andere regio's in Nederland was de intensiteit van archeologisch veldwerk met een laatprehistorische component tot ongeveer 1980 steeds laag; daarna werd de intensiteit echter hoog tot zeer hoog – althans in de zandgebieden van Brabant en Limburg. Er kunnen verschillende fasen worden onderscheiden. De vroegste fase, die in oorsprong teruggaat tot 19de-eeuwse antiquarische grafheuvelonderzoekers, kenmerkt zich door de gedeeltelijke opgraving van grafheuvels en urnenvelden. Het hoogtepunt, qua intensiteit en niveau van onderzoek, werd bereikt in de jaren vijftig van de vorige eeuw met als bekendste voorbeeld het onderzoek van Glasbergen naar de grafheuvelgroep tussen Toterfout en Halve Mijl. Een tweede fase begint rond 1960 en wordt vooral gekenmerkt door nederzettingsonderzoek. De vele dorpsuitbreidingen in deze periode brachten vele nederzettingssporen aan het licht. Een bekend (en eerste) voorbeeld is de opgraving Haps.

Vanaf de late jaren tachtig van de 20ste eeuw is een verschuiving waarneembaar naar steeds grootschaliger onderzoek waarbij wordt getracht inzicht te krijgen in de gehele bewoningsgeschiedenis van grote arealen onder essen, zoals in Oss, Someren en Weert. Dit heeft voor de late prehistorie niet alleen nieuwe urnenvelden en enkele grafheuvels opgeleverd, maar ook vele erven en nederzettingen. In deze derde fase is de intensiteit van onderzoek uitzonderlijk hoog: drie universiteiten en sinds enige jaren ook een aantal commerciële bedrijven voeren opgravingen uit.

5.2.

De wordingsgeschiedenis van het landschap

De contouren van regionale vegetatiegeschiedenissen en bodemkundige ontwikkelingen op de zandgronden tekenen zich sinds de vijftiger jaren steeds duidelijker af. Voor de late prehistorie wordt er van uitgegaan dat de mens de belangrijkste factor was in de wordingsgeschiedenis van het landschap. In het bijzonder het kappen van bos en het in gebruik nemen van arealen voor landbouw hadden structurele gevolgen voor vegetatie, bodemontwikkeling en hydrologie. Op basis van (micro-)regionale verspreidingspatronen van nederzettingen en grafvelden is recentelijk voor Zuid-Nederland een model ontwikkeld dat de demografische dynamiek tijdens het laatste millennium v.Chr. beschrijft en in verband brengt met modellen over bodemkundige ontwikkelingen en vegetatiegeschiedenis. Dit model is in belangrijke mate gebaseerd op de vaststelling dat er in de loop van de IJzertijd sprake was van een contractie van de bewoning op de meer leemhoudende bodems. Dit proces is (bij de huidige stand van onderzoek) vooral zichtbaar in zuidoostelijk Brabant. In de toekomst moet vooral de relatie tussen de bewoningscontractie en de secundaire podsolering van de minder leemhoudende bodems (het ontstaan van haar- en veldpodzolen uit moderpodzolen als gevolg van boskap) verder onderbouwd worden.

Secundaire podsolisering verslechtert de mogelijkheden voor landbouw, maar het is nog onvoldoende duidelijk hoe die podsolering zich in de tijd verhoudt met veranderingen in de locatiekeuzes. Dit vereist structureel bodemkundig onderzoek bij opgravingen van nederzettingsterreinen, met als doel om meer inzicht te krijgen in de bodemkundige geschiedenis van het terrein. Cruciaal is het vaststellen van leemgehaltes door de analyse van korrelgrootteverdelingen van bodems in en rond bewoningsarealen: woonde men op leemarme of leemrijke bodems (ook binnen escomplexen kan hierin aanzienlijke variatie bestaan)? Bovendien mag niet bij voorbaat worden uitgesloten dat er (restanten van) intacte bodemhorizonten terug te vinden zijn. Dit geldt met name voor terreinen die sinds de (post)Middeleeuwen niet meer als akkerareaal werden gebruikt. Wanneer er podsoleringsverschijnselen worden waargenomen, moet worden onderzocht of er een stratigrafische relatie met de bewoningssporen kan worden vastgesteld. Ook relevant in het kader van de bovenbeschreven modellen zijn vragen over de vegetatiegeschiedenis. De algemene trend in de late prehistorie is dat het landschap langzaam opener wordt (o.a. door antropogene factoren): het percentage land dat met dicht bos bedekt is neemt af en het aantal open arealen met heide, licht bos of andere open vegetatie neemt toe.

Over eventuele regionale variatie in dit patroon is echter nog weinig bekend. Het gaat daarbij specifiek om de volgende vragen:

10

Gerritsen, F., P. Jongste & L. Theunissen, 2006: De late prehistorie in Noord-, Oost- en Zuid-Nederland en het

rivierengebied, Amersfoort (NOaA hoofdstuk 17, versie 1.0), (www.noaa.nl).

20 juni 2020

pagina 31 van 116

REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT

In welke mate was er in verschillende perioden regeneratie van bos mogelijk, en hoe werd dit door runder- en schapenteelt beïnvloed?  Wanneer, op welke bodems en in welke mate leidden antropogene en natuurlijke factoren tot secundaire podsolering en veranderende vegetaties?  En vooral: in welke mate trad regeneratie van bodems en vegetatie op in perioden met een demografische teruggang op lokale of microregionale schaal? Voor dergelijke vragen is het nodig dat bij opgravingen een gerichte onderzoeksstrategie gehanteerd wordt om díe bodemkundige en paleobotanische gegevens te verzamelen die relevante en dateerbare informatie opleveren. Momenteel leidt het analyseren van pollendiagrammen te vaak tot een bevestiging van het bestaande beeld van de langetermijnontwikkeling. Er is dan ook grote behoefte aan lokale vegetatiegeschiedenissen die in verband kunnen worden gebracht met de bewoningsgeschiedenis van de directe omgeving. Hiervoor moet actief gezocht worden naar restanten van veenpakketten tussen of nabij laatprehistorische bewoningssporen, met name in depressies, beekdalen en intacte opvullingspakketten van pingoruïnes.

5.3.

De ontwikkeling van het laatprehistorische cultuurlandschap

Op de zandgronden en in het centrale rivierengebied is de ontwikkeling van het laatprehistorische cultuurlandschap een belangrijk en leidend thema van onderzoek. De kennis over de ontwikkeling van het laatprehistorische cultuurlandschap is echter grotendeels beperkt tot die delen van het landschap die in het verleden het meest intensief zijn gebruikt en ingericht – dat wil zeggen nederzettingsarealen, grafvelden en in mindere mate akkercomplexen. Veel minder systematisch onderzocht en daarom minder goed bekend, zijn de ontwikkelingen in zones van het landschap die vooral extensief gebruikt zijn. Er zijn voldoende redenen (archeologische en niet-archeologische) om aan te nemen dat dergelijke ‘marginale’ zones in sociale, rituele, kosmologische én economische zin een integraal onderdeel van het cultuurlandschap vormden. Dat betekent dat met gericht onderzoek naar dergelijke zones wezenlijke nieuwe inzichten te verwachten zijn in de geschiedenis van mens-landschapsrelaties en de achterliggende sociale, economische en ideologische processen. Er is op verschillende manieren behoefte aan verfijning van het zwervende erven-model. Het is niet duidelijk in hoeverre er sprake is van intraregionale en diachrone variatie in de afstand waarover en de frequentie waarmee erven verplaatst werden. Verschillende vragen roepen om antwoorden.

Wat is het karakter van de erven in het Laat-Neolithicum en de Vroege Bronstijd? Waar ligt het begin van de ontwikkeling van het zwervende erven-systeem? Zijn er verschillen in het systeem van huisverplaatsingen tussen de Midden-Bronstijd en urnenveldentijd? In Zuid-Nederland lijken afstand en frequentie van de huisverplaatsingen af te nemen in de Midden- en Late IJzertijd, maar dit idee is gebaseerd op een beperkt aantal opgravingen waarbij zowel erven uit de vroege als de latere fasen van de IJzertijd werden onderzocht (met name Oss en Someren). Interessant is ook of de laatglaciale delen van het ZuidNederlandse landschap, zoals de Maasafzettingen bij Lomm en Boxmeer, een ander bewoningspatroon vertonen dan de dekzanddelen. Om beter zicht te krijgen op deze kwesties is het nodig door te gaan met het opgraven van grote, aaneengesloten arealen, met name in microregio's waar al kennis over de bewoningsgeschiedenis aanwezig is. Behalve de diachrone variatie in het zwervende erven-patroon is er behoefte aan een beter inzicht in de locatie van huizen en erven in het cultuurlandschap. Dit vereist stelselmatig blootleggen van arealen rond de huisplattegronden en erven.

Tot op welke afstand van de huizen treffen we spiekers, kuilen en greppels aan? En andersom, wanneer er concentraties spiekers of kuilen worden aangetroffen: liggen deze in de directe nabijheid van een huisplattegrond, of moeten we ons ook buiten de erven plekken in het landschap voorstellen die voor opslag en andere activiteiten gebruikt werden? Ook wat de landschappelijke relaties tussen erven en (het gelijktijdige) grafvelden betreft, zijn er meer vragen dan antwoorden. Bestonden er in de Midden-Bronstijd in Zuid-Nederland werkelijk ruimtelijk gescheiden locaties (gebieden benut als bewonings- en akkerarealen en aparte begravingszones) op relatief grote afstand van elkaar? Bij onderzoek op de hogere delen van het landschap moet eveneens aandacht besteed worden aan natte zones, zoals depressies en opgevulde vennen. Hoewel deze niet in alle gevallen archeologische sporen of materiaal zullen bevatten, kunnen dergelijke zones niet bij voorbaat afgeschreven worden. Er kunnen afvaldumps (bij gunstige omstandigheden met geconserveerd organisch materiaal) en ritueel gedeponeerd materiaal voorkomen, alsmede drenkkuilen en waterputten. Het zal uitgezocht moeten worden of de erven tussen de akkers lagen. Weer biedt grootschalig onderzoek de beste mogelijkheden op dit vlak.

De pilotstudy’s die momenteel worden uitgevoerd naar het herkennen van archeologische fenomenen in het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) doen vermoeden dat het AHN een belangrijk instrument kan zijn bij het in kaart brengen van celtic fields. Om de ruimtelijke relaties tussen laatprehistorische bewoning en akkercomplexen te bestuderen, zou het AHN als onderdeel van het bureauonderzoek binnen de AMZ-

20 juni 2020

pagina 32 van 116

REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT

cyclus geraadpleegd moeten worden, juist wanneer het een locatie betreft buiten de oude akkerlanden met plaggendekken. Het archeologische onderzoek op de zandgronden van Zuid-Nederland is vanuit een landschapsarcheologisch perspectief weliswaar grootschalig te noemen, maar beperkt in variatie. De aandacht heeft zich, begrijpelijkerwijs, bijna volledig geconcentreerd op die zones waar sporen van bewoning, beakkering, en begraven geconcentreerd zijn. Om beter inzicht te krijgen in de geleding en ontwikkeling van het cultuurlandschap als geheel in de late prehistorie is het echter nodig om ook de ordening en het gebruik van minder intensief gebruikte landschapszones te bestuderen. Daarvoor komen vooral de beekdalen (inclusief beekdalflanken) en hoger gelegen natte zones in aanmerking. In dat kader zijn de relevante thema's voor de late prehistorie: depositiepraktijken (zowel rituele deposities als het dumpen van afval), de archeologie van wegen en oversteekplaatsen en transport over water. Aangezien grootschalig onderzoek in beekdalen technisch en financieel gezien problematisch is en de momenteel toegepaste prospectiemethoden in beekdalen weinig betrouwbaar zijn, moeten creatieve strategieën ontwikkeld worden om bij ingrepen in beekdalen het bodemarchief veilig te stellen dan wel te onderzoeken.

Zo zou de aandacht zich in eerste instantie vooral kunnen richten op geselecteerde zones, bijvoorbeeld zones waarvan bekend is dat er zich historische oversteekplaatsen dan wel nederzettingen of grafvelden hebben bevonden. Daar de kennis over het gebruik van beekdalen in de late prehistorie nog zeer beperkt is, is elke vorm van basaal, inventariserend onderzoek al zeer waardevol. Wat voor archeologisch materiaal treft men aan? Op welke manier is het in het beekdal terecht gekomen (afval, (rituele) deposities, constructies)? Zijn er sporen van de exploitatie van beken en beekdalen te herkennen (bijv.

steigertjes, visweren en kuilen voor winning van leem, ijzeroer)? Onderzoeksvragen:  Hoe heeft de visvangst zich technologisch en economisch ontwikkeld? (Deze vraag geldt ook voor andere perioden.)  Welke rol speelt de exploitatie van natuurlijke voedselbronnen (inclusief jacht en visserij) na de introductie van de landbouw? (Deze vraag geldt ook voor andere perioden.)  Wat is de betekenis, datering en context van grafheuvels, akkersystemen en cultusplaatsen in het laat-prehistorische landschap en welke rol speelden deze in het nederzettingssysteem? Wat is hun rol in de locatiekeuze van erven en/of nederzettingen? Is dat incidenteel of komt dat vaker voor? Waar lagen de graven gesitueerd ten opzichte van nederzettingen of oudere graven? Is een relatie te leggen tussen nederzettingen en graven op basis van dateringen van beide?  Hoe verhoudt de laat-prehistorische bewoning van het dekzandgebied van oostelijk Noord-Brabant zich tot de gelijktijdige bewoning in de kleigebieden langs de Maas? Welke overeenkomsten zijn er zichtbaar en/of welke verschillen? En wat is de betekenis daarvan? Hoe verandert dit in de loop van de tijd? Hoe verloopt de ontwikkeling van het laat-prehistorische cultuurlandschap in relatie tot akkercomplexen (ligging, omvang, gebruik, mobiliteit)? (NOaA vraag 32) De ontwikkeling van het laat-prehistorische cultuurlandschap is een belangrijk en leidend

thema van onderzoek. De term cultuurlandschap vatten we in ruime zin op: het gehele landschap dat door mensen bewoond wordt, dat meer of minder intensief ingericht wordt, en waaraan betekenissen gegeven en ontleend worden. De ontwikkeling van het cultuurlandschap is nauw verweven met de studie van de bewoningsgeschiedenis. Het gaat daarbij om de ruimtelijke en sociale relatie van gebruikte plekken in het landschap; huisplaatsen op erven, erfafscheidingen, veekralen, weidegebieden, grafmonumenten, depositielocaties, akkercomplexen, inclusief de routes die deze verbinden (infrastructuur). Dit geheel kan vanuit één tijdsperiode worden bezien (bijvoorbeeld de midden-ijzertijd van Hijken) of vanuit een diachroon perspectief waar bij de nadruk meer ligt op de ontwikkeling (bijvoorbeeld ijzertijd/Romeinse tijd rondom Oss). Duidelijk is, dat vooral wat betreft de periode voorafgaande aan de midden-bronstijd B (vóór 1500 voor Chr.) de kennis over het cultuurlandschap nog zeer ontoereikend is. Operationalisering Het is zaak informatie uit zoveel mogelijk verschillende bronnen te vergaren en integreren. Belangrijk zijn nauwkeurige dateringen, liefst C14-dateringen van kortlevend materiaal (verbrand bot, verkoolde graankorrels of riet). Sommige elementen van het cultuurlandschap zijn veel slechter archeologisch zichtbaar dan andere.

Akkers, weidegronden, depositiezones of routes zijn meestal niet eenvoudig te lokaliseren. Het landschappelijk ‘lezen’ van de directe omgeving van woonplaatsen is hierbij belangrijk: de aanwezigheid van vruchtbare (leemrijke) gronden voor de akkers, het voorkomen van natte zones (beekdalen, kwelrijke locaties of venige plekken) voor deposities, voordes. Of lineair georiënteerde grafmonumenten voor routes. Verandering van kavelpatronen en gelijktijdigheid, kunnen aan de hand van

20 juni 2020

pagina 33 van 116

REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT

versnijdingen en systematische datering van sporen (greppels, sloten ed.) in kaart worden gebracht. Let op akkerlagen. Een belangrijk vertrekpunt bij landschapsreconstructie is de mate van bebossing/ontbossing . Hiervoor is vooral pollenonderzoek geschikt. Onderzoek van botanische macroresten levert informatie over de inrichting, de structuur en het gebruik van het landschap. Zo kan op basis van akkeronkruiden afgeleid worden of sprake was van teelt van zomergraan en/of wintergraan, en aanwijzingen voor bemesting kunnen onderzocht worden op basis van akkeronkruiden maar ook isotopen van verkoolde voedselgewassen, m.n. δ15N. In het geval van grote hoeveelheden onverkoold hout (bijv. fuiken, vlechtwerk), kan onderzocht worden of sprake was van bosmanagement.

5.4.

Chronologie

Structurele monstername uit betrouwbare context van organisch materiaal (hout, houtskool, graan, bot, aankoeksels) zal meer en betere data opleveren voor het absoluut dateren van overblijfselen uit de late prehistorie. Deze data kunnen, in combinatie met relatieve gedateerde resten, een steviger basis bieden voor een groot aantal onderzoeksthema's. Er is behoefte aan het ontwikkelen van betrouwbare en nauwkeurige aardewerktypochronologieën. Dat geldt voor het verfijnen van reeds bestaande typologieën, zoals de toetsing van de chronologische indeling van het aardewerk van de Enkelgrafcultuur en de IJzertijdfasering zoals die is opgesteld voor Oss. Maar ook voor discussies over de oorsprong en ontwikkeling van bepaalde aardewerktypen (zoals klokbekers, wikkeldraad-en Hilversum-aardewerk) zijn dateringen uit gesloten context onmisbaar. Dat geldt vooral voor perioden waar nauwelijks typochronologieën voorhanden zijn, zoals voor de Late Bronstijd. Met scherpere chronologieën kunnen we meer grip krijgen op tal van bestaande onderzoeksthema's, zoals de chronologische verankering van huistypologieën, de horizontale stratigrafie van huisplaatsen en erven of van grafmonumenten binnen een grafveld of begravingen binnen een heuvel (biografische aspect), of van de eventuele effecten van een klimaatsverslechtering rond 800 v.Chr.

Daarnaast vormen scherpere chronologieën weer een basis voor het formuleren van nieuwe onderzoeksvragen. De meest gangbare dateringsmethode is die van het radioactieve 14C-analyse. Het is daarbij van belang te streven naar absolute dateringen van monsters met een geringe eigen levensduur; dat wil zeggen: liever graankorrels dan houtskool uit een haard. In de laatprehistorische archeologie biedt botanisch materiaal, en dan in het bijzonder jaarringen van bomen, de meest nauwkeurige bron van datering. Niet alleen dendrochronologisch onderzoek aan eiken, maar ook aan andere loofhoutsoorten kunnen belangrijke gegevens over de absolute datering verschaffen. Daarnaast vormen jaarringen het beste uitgangspunt voor 14C wiggle match dateringen, waarbij een reeks 14C-metingen met bekende intervallen worden uitgevoerd en vergeleken met de kalibratiecurve. In situaties waar de 14C-methode niet kan worden toegepast kan optisch gestimuleerde luminescentie (OSL) uitkomst bieden. Hoewel de methode nog in de kinderschoenen staat en de lijst van voorwaarden lang is (zoals aanwezigheid van minerale zandkorrels, voldoende bleking en permanente afdekking), zijn de toepassingsmogelijkheden legio - vooral voor zandige milieus (overstoven karrensporen, archaeologica begraven onder rivierzand, volgestorte greppels of het binnendeel van aardewerk).

Voor het onderzoeksthema locatiekeuze en bewoningsdynamiek in de late prehistorie is de absolute datering van individuele structuren en erffasen essentieel. De huidige typologieën vormen bijvoorbeeld geen goede grondslag voor de datering van (huis)plattegronden. Alleen op basis van goed gedateerde structuren kunnen we grip krijgen op de chronologieën van nederzettingen en woonplaatsen. De archeologisch goed identificeerbare en definieerbare huisplattegronden vormen daarvoor de belangrijkste indicator. De nadruk van veel onderzoek ligt echter vooral op de erven. Behoudens enkele uitzonderingen is het echter moeilijk om erven ruimtelijk te identificeren, vanwege de palimpsestsituatie van veel terreinen met laat-prehistorische nederzettingen en woonplaatsen. Daarbij hebben we nauwelijks grip op het concept erf in deze periode. De belangrijkste vraag die hieruit naar voren komt is: • Wat is de (absolute) datering van de individuele huisplattegronden, bijgebouwen, waterputten en kuilen en hoe lang waren deze in gebruik? Wat zijn hun constructie-technische kenmerken, wat kunnen we zeggen over de (functionele) indeling en de betekenis daarvan?

20 juni 2020

pagina 34 van 116

REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT

5.5.

Archeologische verschijningsvormen van huishouden en lokale gemeenschap

5.5.1. Huizen: constructie en typologie De kennis van huisconstructies op de zandgronden vóór het midden van de Midden-Bronstijd is uiterst beperkt. De afwezigheid van of schaarste aan huisplattegronden uit het Laat-Neolithicum en de Vroege Bronstijd wordt waarschijnlijk in belangrijke mate veroorzaakt door postdepositionele processen die de sporen van deze huizen hebben uitgewist. Een alternatieve verklaring, namelijk dat men in minder permanente structuren woonde en zich vaak verplaatste, is minder waarschijnlijk, maar kan niet uitgesloten worden. Er is een gerede kans dat er in de toekomst vroege huisplattegronden op de zandgronden worden aangetroffen. Zodra er vroege huisplattegronden worden vermoed, dient de opgravingsstrategie zo te worden aangepast dat er zoveel mogelijk informatie verzameld kan worden. In elk geval moet er een volledig programma worden uitgevoerd van couperen, afwerken van sporen, bemonsteren, zeven van kuilvullingen en uitvoerige rapportage. Op plekken waar (bijvoorbeeld door proefsleuven) de locatie van een huisplattegrond bekend is of te verwachten, is het nuttig om - voordat de cultuurlaag of bovenlaag boven het leesbare vlak is verwijderd - een hoger gelegen vlak aan te leggen en vondsten vaksgewijs te verzamelen.

Toch is het zaak om bij nederzettingssporen uit de Midden-Bronstijd en vroeger niet teveel gefixeerd te zijn op het lokaliseren van huisplattegronden; ook kuilen en complexen van kuilen die met een zekere regelmaat aangetroffen dienen serieus te worden genomen (óók in PvE’s!). Het mag duidelijk zijn dat het niet of slechts ten dele couperen en afwerken van sporen de schaarse kansen om nederzettingen uit deze periodes te onderzoeken sterk inperken. Ook bij proefsleuvenonderzoek zou er voldoende gecoupeerd moeten worden om mogelijke vroege sporen te kunnen traceren. In Zuid-Nederland is de afwezigheid van huisplattegronden die met zekerheid in de Late Bronstijd gedateerd kunnen worden opvallend (in Oost- en Noord-Nederland zijn huisplattegronden uit de Late Bronstijd beter bekend). Die afwezigheid wordt wellicht voor een deel veroorzaakt door de slecht onderbouwde dateringen van huisplattegronden uit de Midden-Bronstijd en Vroege IJzertijd. Het is niet onmogelijk dat een deel van de plattegronden die alleen op basis van typologische kenmerken zijn gedateerd eigenlijk afkomstig is uit de Late Bronstijd. De structurele inzet van 14C-analyse zou hier op den duur vruchten kunnen afwerpen.

Ook andere oorzaken voor de afwezigheid van late-bronstijdhuizen moeten overwogen worden, zoals een tijdelijke fase van niet-permanente bewoning, huisconstructies met zeer ondiepe sporen of de locatie van nederzettingen buiten de landschapszones (essen) waarin het meeste onderzoek plaatsvindt. Omdat veel onderzochte urnenvelden uit de heidevelden graven hebben opgeleverd uit de Late Bronstijd, is het minder waarschijnlijk dat er in deze periode sprake was van een afname van de bevolking op regionale schaal. Voor de IJzertijd zijn we redelijk op de hoogte van huisconstructies en typologische ontwikkelingen. Wat onze kennis over de indeling van woonstalhuizen betreft, is er zeker nog behoefte aan meer voorbeelden van huisplattegronden met haarden, stalboxen, afscheidingen e.d. Een openstaand probleem is ook het wel of niet voorkomen van gebouwen die uitsluitend voor menselijke bewoning werden gebruikt of alleen voor vee. 5.5.2. Huistypen: dateringen Vanwege de gebruikelijke schaarste aan mobilia met duidelijke daterende waarde is het bij nederzettingsonderzoek op de zandgronden vaak de typologie van huizen die de beste aanwijzingen geeft voor de datering en fasering van bewoningsarealen.

Ondanks het feit dat er vele huisplattegronden uit de late prehistorie zijn opgegraven, is de typologische ontwikkeling slechts op hoofdlijnen bekend en zijn de meeste huistypen slechts zeer globaal te dateren. Zelfs van goed herkenbare huistypen waarvan inmiddels vele tientallen exemplaren zijn opgegraven en gepubliceerd (zoals het Haps-type) zijn begin- en einddatering niet op betrouwbare gegevens gebaseerd. De beste manier om hier verandering in te brengen is de systematische inzet van 14C-analyse. Daarbij dient er gericht te worden gezocht naar 14C-monsters die een duidelijke relatie hebben met een huisplattegrond. De temporele relatie tussen het monster en de bewoningsfase van het huis moet daarbij vanzelfsprekend kritisch bekeken worden en expliciet aan de orde komen in de rapportage. Ondanks dat de zeggingskracht van individuele dateringen beperkt is en er aan 14C-analyse ook de nodige haken en ogen zijn, ontstaat er op den duur een gegevensbestand dat inzicht biedt in begin en einddateringen van huistypen. Waar de vondstomstandigheden dat toelaten, moeten monsters natuurlijk ook dendrochronologisch gedateerd worden. Indien er sprake is van restanten van houten voorwerpen en constructiehout van huizen en andere structuren zou er nadrukkelijk moeten worden gekozen voor meer 14C-dateringen en dendro-monsters - zelfs van een aantal uit dezelfde structuur.

Daardoor kan een beter inzicht gekregen worden in de duur van het gebruik van een huisplaats.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=ReuselDeMierden&id=f4645cdb-f63a-4a86-b81a-8619ac5b1e6f