[20.19428] - Bijlage 6 regionale onderzoeksagenda regio zuidoost-brabant
Tekst van het document
Hout was in het verleden één van de belangrijkste grondstoffen (brandstof, bouw- en constructiemateriaal). De meeste vragen die met behulp van houtonderzoek worden onderzocht, zijn dan ook van technologische aard. In combinatie met bijvoorbeeld dendrochronologisch onderzoek levert houtonderzoek echter ook inzicht op in vragen over handel en transport. Daarnaast levert houtonderzoek een bijdrage aan onderzoek naar het gebruik van het landschap, zoals de samenstelling en exploitatie van bosbestanden.
3.2.
Onderzoeksthema’s
3.2.1. Domesticatie, introductie en verdwijnen van cultuurgewassen (thema 1) Domesticatie speelde in dit thematrio altijd een ondergeschikte rol, aangezien veel van de herkenbare cultuurgewassen buiten Nederland zijn gedomesticeerd. Het is waarschijnlijk nog te vroeg om de domesticatie van groenten, kruiden en fruit in de komende jaren onder de loep te nemen, aangezien juist voor de domesticatiegeschiedenis van deze cultuurgewassen de inzet van nieuwe technieken (DNA- en chemisch onderzoek) nodig is. Deze nieuwe technieken zijn echter nog niet zo ver ontwikkeld dat zij ingebed kunnen worden in lopend onderzoek. Met het oog op de toekomstige beschikbaarheid van nieuwe technieken wordt sterk aanbevolen om botanische resten van groenten, kruiden en fruit (d.w.z. zaden, vruchten en hout) in de komende jaren veilig te stellen voor nader onderzoek. Naast deze groep cultuurgewassen verdient de graansoort spelt (Triticum spelta) dezelfde aandacht, aangezien onlangs is vastgesteld dat dit gewas ook een Europese variant heeft gehad, die te herkennen is 8
Brinkkemper, Kooistra, van Haaster, van Beurden & Bunnik 2005.
20 juni 2020
pagina 11 van 116
REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT
op basis van erfelijk materiaal. Ook dit cultuurgewas dient in de komende jaren dus met behulp van DNA te worden onderzocht. Daarvoor kan ook graan worden gebruikt dat bij eerder onderzoek is aangetroffen; bij archeobotanische resten is verontreiniging met recent menselijk DNA namelijk niet zo desastreus als bij humane archeologische resten. Ondanks het feit dat in de afgelopen vijftien jaar veel informatie over de geschiedenis van cultuurgewassen beschikbaar is gekomen, zijn er nog veel lacunes. Zo kan er van de meeste regio’s nog geen overzicht worden gemaakt van de geschiedenis van de cultuurgewassen. Bij het gangbare projectmatige onderzoek komt de komende jaren vanzelf meer informatie over de introductie en het verdwijnen van cultuurgewassen beschikbaar. Hiermee kan in synthetiserend opzicht een grote stap voorwaarts worden gemaakt. Samengevat ligt de nadruk bij thema 1 de komende jaren op: het verzamelen van botanisch materiaal van groenten, kruiden en fruit (zowel hout als zaden en vruchten) voor toekomstig DNA- en chemisch onderzoek. Doel hiervan is het verkrijgen van inzicht in de domesticatie van deze voedselplanten het verzamelen van spelttarwe uit de verschillende perioden voor toekomstig aDNA-onderzoek, teneinde te achterhalen om welk van de twee soorten spelttarwe het gaat (de oorspronkelijke dan wel Europese variant) 3.2.2.
Landschapsgeschiedenis (thema 2) Hoewel palynologisch onderzoek al veel informatie over de landschapsgeschiedenis in Nederland heeft opgeleverd, is de palynologische kennis over de pleistocene gebieden (zandgronden en het lössgebied) schaars. In de komende jaren zou bij archeologisch prospectieonderzoek de archiefwaarde van beekdalen voor palynologisch onderzoek meer aandacht moeten krijgen. Voor ecologisch onderzoek naar de ontwikkeling van het landschap en de vegetatie zijn natuurlijke afzettingen nodig, die rijk zijn aan organisch materiaal, waaronder veen. Beekdalen en vennen zijn traditioneel de plaatsen waar dit materiaal bewaard is gebleven. Indien in het plangebied dergelijke natuurlijke organische afzettingen worden aangetroffen, zal onderzocht moeten worden of ze geschikt zijn voor ecologisch archeologisch onderzoek. Natuurlijke afzettingen van jonge datum zijn schaars als gevolg van afgravingen, turfwinning en oxidatie van veen. Hoewel turfwinning in Nederland niet meer voorkomt, worden de afzettingen van jong materiaal nog steeds sterk bedreigd door afgravingen en verlaging van de grondwaterstand. Het verdient aanbeveling om tijdens archeologische prospecties ook rekening te houden met de archiefwaarde van jonge natuurlijke afzettingen. Sinds enkele jaren wordt ook het veilig gewaande botanisch archief van pingo-ruïnes en vennen bedreigd.
De meeste pingo-ruïnes bevinden zich in de drie noordelijke provincies; veel vennen zijn te vinden op de Brabantse zandgronden. Het gaat hier om belangrijke natuurlijke archieven met informatie over de vegetatie in het verre en nabije verleden. Hun archeobotanische waarde wordt echter bedreigd door natuurontwikkelingsprojecten: het geaccumuleerde sediment wordt namelijk afgraven om weer een schone en nutriënten-arme situatie te creëren met een bijzondere bijbehorende vegetatie. Wat betreft het thema landschapsgeschiedenis is het van belang dat de ingezette integratie van fysische geografie, bodemkunde, micromorfologie, bodemchemie, archeologie en de andere ecologische disciplines wordt doorgezet. Het zou goed zijn als (afhankelijk van de projectvraagstelling) een interdisciplinaire groep onderzoekers wordt samengesteld. Dit betekent dat voorafgaand aan het onderzoek, in het PvE, zal moeten worden vastgelegd wat het detailniveau van het landschapsonderzoek moet zijn, met de daarvoor benodigde onderzoeksdisciplines. Samengevat ligt bij thema 2 de komende jaren de nadruk op: het verkrijgen van informatie over de pleistocene gebieden (zandgronden en lössgebied) palynologisch onderzoek aan jonge (postromeinse) afzettingen de veiligstelling van het botanisch en archeologisch archief van pingoruïnes en vennen het opbouwen van een databank voor palynologische gegevens 3.2.3.
Agrarische bedrijfsvoering en voeding (thema 3) Over akkerbouwmethoden en de verbouwde graansoorten in de verschillende delen van Nederland is het nodige bekend. Omdat dit thema tot op heden niet interdisciplinair is benaderd, is de kennis echter nog sterk gefragmenteerd. Wat betreft de agrarische bedrijfsvoering moet er de komende meer worden gestreefd naar een geïntegreerde aanpak van onderzoek, waarbij alle archeologische aspecten in dit thema worden meegenomen. Dit vergt voor zowel de archeoloog als de botanisch specialist een meer themagerichte werkwijze. Tot ver in de Nieuwe tijd speelt de behoefte aan hout voor brandstof en constructies een belangrijke rol in de exploitatie van het landschap. In het onderzoek tot nu toe is dit aspect echter onderbelicht gebleven. In toekomstige studies over landgebruik zal hier dan ook meer aandacht aan moeten worden besteed.
20 juni 2020
pagina 12 van 116
REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT
Ook de inrichting van het agrarisch bedrijf op erfniveau verdient de komende jaren extra aandacht. Onderzoek van plantenresten in relatie tot activiteitengebieden op voormalige nederzettingsterreinen kan inzicht verschaffen in allerlei aspecten van menselijk handelen. Voorwaarde is evenwel dat de archeologische sporen niet door latere sporen zijn verstoord en dat botanisch materiaal bewaard gebleven is. In de meest gevallen zijn met name verkoolde plantenresten geconserveerd. Dat betekent dat een dergelijk onderzoek alleen zinvol is als een erf en de gebouwen door brand zijn verwoest. Een belangrijk onderdeel van het thema voeding is het voedselpatroon van de mens en de rol daarin van plantaardige (gecultiveerde en verzamelde) producten door de tijd heen. Met name voor de vroege prehistorie is een vrij breed scala bekend van in het wild verzamelde voedselen gebruiksplanten. Het beeld is echter verre van compleet. Want hoewel botanisch onderzoek vaak wel de potentie van de natuurlijke vegetatie weergeeft, is inzicht het daadwerkelijke gebruik ervan alleen mogelijk als resten van gebruiks- en voedingsplanten in verkoolde of anderszins bewerkte toestand, ofwel buiten hun natuurlijke verspreidingsgebied worden aangetroffen.
De ‘zoektocht’ kan dus gewoon voortgezet worden! Met introductie van cultuurgewassen vanaf het Neolithicum wordt de interactie tussen mens en natuur eigenlijk pas duidelijk zichtbaar. De mens produceert vanaf die tijd zelf (gedeeltelijk) zijn voedsel en wordt minder afhankelijk van wat de natuur hem te bieden heeft, hoewel het verzamelen van voedsel in het wild daarnaast altijd (in meer of mindere mate) is blijven bestaan. Over de verhouding tussen het gebruik van plantaardige en dierlijke producten zijn nauwelijks gegevens bekend. Om deze lacune op te vullen is een goede samenwerking tussen de verschillende specialismen van groot belang. Elektronenmicroscopie, isotopen-, DNA- en biochemisch onderzoek zullen in de toekomst belangrijke onderzoeksmethoden vormen die aanvullende informatie kunnen verschaffen over de samenstelling van de voeding. Ook etnografisch onderzoek naar voedingsgewoonten en de wijze van exploitatie van voedselbronnen zou in de toekomst meer aandacht moeten krijgen.
Samengevat zal in de komende jaren de aandacht uit moeten gaan naar: geïntegreerd onderzoek van het landgebruik de behoefte aan hout, zowel voor brandstof als voor constructie het verkrijgen van informatie op erfniveau over de functie van gebouwen en de locatie van specifieke activiteiten het onderzoeken van amorfe voedingsresten met behulp van elektronenmicroscopie om informatie over het menu van de mens te verkrijgen het veiligstellen van amorfe plantenresten voor toekomstig isotopen-, DNA- en biochemisch onderzoek 3.2.4. Handel (uitwisseling), nijverheid en techniek (thema 4) Dit thema zal de komende jaren op de agenda van archeobotanici blijven staan, omdat er nog zo weinig over bekend is. De informatie over handel kan lopende het onderzoek worden verzameld; daarvoor is geen aanpassing in de werkwijze nodig. Archeobotanische informatie over nijverheid komt altijd voort uit bijzondere contexten en vondstomstandigheden. Het gaat hierbij meestal om incidentele situaties die door hun bijzondere karakter doorgaans vanzelf de juiste aandacht krijgen. Ook voor dit thema zijn geen extra aanpassingen nodig, behalve oplettende archeologen en botanici. In het botanisch onderzoek is het thema techniek voornamelijk voorbehouden aan alles wat met hout te maken heeft. In het verleden heeft hout in archeologisch verband niet altijd de aandacht gekregen die het verdient.
Daarom is ons inzicht in de technologische kennis van de mens op dit gebied nog relatief gering. Een ernstige belemmering voor het houtonderzoek is het ontbreken van een nationale database. De informatie over hout als brandstof en als grondstof voor constructies is versnipperd over vele bekende en minder bekende publicaties. Deze grote lacune heeft de aandacht van de botanisch specialisten van de ROB en BIAX Consult, die zich tot taak hebben gesteld om in de komende jaren een houtdatabase op te zetten analoog aan die van RADAR. Samenvattend dient in de komende jaren de nadruk te liggen op: de betekenis van hout voor handel en nijverheid; hout als grondstof voor technische constructies; de ontwikkeling van een nationale database voor hout; selectief houtgebruik; het toepassen van bepaalde houtsoorten voor bepaalde doeleinden. 3.2.5. Sociale en religieuze aspecten van voeding (thema 5) Binnen het botanisch onderzoek is dit thema dermate nieuw, dat niet alleen het onderzoek de aandacht verdient, maar ook de betrouwbaarheid van de uitspraken hierover nog zorgvuldig moeten worden afgewogen. Om ervaring met deze materie op te doen willen wij ons in de komende jaren tot twee thema’s beperken waarnaar al enig onderzoek is gedaan.
20 juni 2020
pagina 13 van 116
REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT
Voor de Romeinse tijd bestaat inmiddels enig inzicht in de keuze voor de locatie van nederzettingen, militaire gebouwen en complexen, tempels, grafvelden, e.d. Kennis over de begroeiing rondom de verschillende soorten complexen is echter schaars. Als er al onderzoek naar verricht is, dan heeft het zich vaak beperkt tot de registratie van aanwezige soorten. Onderzoek naar de contemporaine perceptie van het landschap (o.a. de vegetatie) staat nog helemaal in de kinderschoenen. Zo weten we bijvoorbeeld niet hoe de tuinen van de Romeinse villa’s in Nederland er uit zagen en evenmin of er sprake was van aanplant rond de villa. Ook over ligging van religieuze plaatsen in de vegetatie is weinig bekend. Dat geldt ook voor de begroeiing op tempelhoven. Hoe staat het bijvoorbeeld met de aanwezigheid van bomen (in de inheemse cultuur belangrijke elementen) op tempelhoven? Om de genoemde aspecten goed te kunnen onderzoeken is het van belang dat daarnaast ook de ‘natuurlijke’ vegetatie wordt gereconstrueerd. Het tweede thema waar de komende jaren aandacht aan moet worden besteed, is de rol van voeding als middel tot sociale differentiatie binnen een samenleving. Dit blijkt vooral een interessant onderzoeksaspect in stedelijke en militaire context in de Romeinse tijd, de Middeleeuwen en de Nieuwe tijd.
3.3.
Vraagstellingen
In deze paragraaf worden nadere vraagstellingen geformuleerd die gebruikt kunnen worden voor toekomstig onderzoek. Ze dienen als handvat bij het schrijven en beoordelen van PvE’s en Plannen van Aanpak. Wanneer, waar, in welke mate en onder welke omstandigheden groeide cultuurgrond weer dicht met bos (bosregeneratie)? (NOaA vraag 16) Met name agrarische activiteiten hadden grote gevolgen voor de mate van bebossing. Wat dit betreft was waarschijnlijk sprake van een grote mate van regionale en temporele variatie. Ontbossing was wellicht nergens een ononderbroken, lineair proces. Zeker op lokaal en regionaal niveau moet rekening worden gehouden met bosherstel, en met toename van het bosareaal. Over dit verschijnsel, en over de achterliggende al dan niet antropogene factoren, is nog weinig bekend. Op lokaal niveau hangt bosregeneratie waarschijnlijk samen met (variatie in) nederzettingsmobiliteit, op regionaal niveau eerder met afnemende bevolkingsdichtheid en veranderingen in locatiekeuze en de aard van het agrarisch grondgebruik. Stijging van de grondwaterspiegel waardoor landbouwgrond onbruikbaar werd, natuurlijk of door de mens veroorzaakt, kan ook een rol hebben gespeeld.
Met name in de Laat-Romeinse tijd en het begin van de Vroege Middeleeuwen lijkt op grote schaal bosregeneratie te zijn opgetreden op voormalige landbouwgrond, met name ten zuiden van de (voormalige) Romeinse rijksgrens. Operationalisering Botanische datasets die (ook) de laat-romeinse en vroeg middeleeuwse perioden omvatten zijn schaars. Neem en onderzoek archeo(paleo)botanisch monsters uit (vermoedelijk) goed geconserveerde (vochtige) archeologische contexten en natuurlijke afzettingen zo dicht mogelijk bij (mogelijk) overgroeide landbouwgronden. Dateer pollendiagrammen gedetailleerd. Stel de verhouding boompollen (AP)-nietboompollen (NAP) vast. Maak hierbij, als het (paleo)landschap daar aanleiding toe geeft, onderscheid tussen landschappelijke zones (zoals hoog-droog versus laag-nat). Kwantificeer ook de verhouding natuurlijke soorten – cultuurgewassen. Let op de aanwezigheid van soorten die (mogelijk) wijzen op menselijke invloed: pioniers, lichtminnende soorten en akker- en graslandkruiden. Probeer veranderingen in de tijd vast te stellen.Onderzoek door middel van pollen en non-pollen palynomorfen (bijv. schimmelsporen, algen) in stratigrafisch verband of er sprake is van afname van indicatoren voor open landschappen (incl. hazelaar bij boompollen) en toename (primaire) bosindicatoren.
Bepaal of dit gepaard gaat met een afname van antropogene indicatoren (zowel pollen als bijv. mestschimmels). Waar, op welke wijze en in welke vorm beïnvloedde de mens het landschap (of onderdelen daarvan) en vegetatie vóór de grootschalige introductie van akkerbouw? (NOaA vraag 10) Vooral uit het buitenland, maar inmiddels ook van aantal plekken in Nederland (Zutphen, Rotterdam) is informatie beschikbaar die erop wijst dat de mens al vóór de introductie van de akkerbouw invloed had op de natuurlijke omgeving, met name de vegetatie. Hierbij is te denken aan het planmatig creëren van open plekken, door middel van brand, om wild aan te trekken dat vervolgens bejaagd kon worden. Dit zou met name langs open water zijn gedaan omdat het wild daar kwam om te drinken. Door het creëren van openheid werden plantensoorten bevoordeeld die als voedselbron belangrijk waren (hazelaar). Over de precieze aard van deze beïnvloeding van de natuurlijke vegetatie, hoe dit werd gedaan en wat precies de achterliggende motieven waren, bestaat veel onduidelijkheid. Ook is niet altijd duidelijk of specifieke
20 juni 2020
pagina 14 van 116
REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT
vegetatieveranderingen (zoals aangetoond door palynologisch onderzoek) een antropogene oorzaak hebben. Voorbeelden zijn het voorkomen of de uitbreiding van licht minnende soorten bomen en planten (open plekken), en soorten die kenmerkend zijn voor verstoorde bodems of de aanwezigheid van mest. Dat geldt ook voor het buiten nederzettingscontext voorkomen van macroscopisch en microscopisch houtskool (en verkoold riet) in natuurlijke bodems en sedimenten. Alleen door dit soort fenomenen in een ruimere context te plaatsen, zijn antropogene achtergronden aannemelijk te maken. Operationalisering Onderzoek die delen van het landschap waar deze vraag beantwoord kan worden. Dat betekent in veel gevallen dat ook de lage delen van het landschap in de nabijheid van de vindplaats onderzocht moeten worden op gelijktijdige (botanische) indicatoren, gecombineerd met dateringsonderzoek (14C, OSL). Doe gecombineerd onderzoek aan macroresten, hout en houtskool en pollen en niet-pollen palynomorfen in stratigrafisch verband om een beeld te krijgen van veranderingen in de mate van bebossing, het voorkomen van brandindicatoren en van mestschimmels. Doe onderzoek naar kevers en mijten om vast te stellen of er mest is gebruikt. Kijk naar veranderingen in soortenspectra om vast te stellen voor welke doeleinden men de natuurlijke vegetatie beïnvloedde of zelfs manipuleerde.
Onderzoek in het geval van de aanwezigheid van structuren met grote hoeveelheden onverkoold hout (bijv. fuiken, vlechtwerk) de relatie tussen leeftijd en diameter van een afdoende grote steekproef om de aan- of afwezigheid van bosmanagement aan te tonen. Geo-genese, wordingsgeschiedenis Welke informatie geven macroresten, pollen, hout, houtskool en eventueel diatomeeën over de wilde flora van het gebied? Wat zegt de samenstelling van de flora over het lokale milieu en de verschillende landschapselementen? Welke mogelijkheden hadden de verschillende landschappen (de kust, het brakwatergebied, het zoete water, etc.) in potentie te bieden voor bijvoorbeeld het verzamelen van wilde planten of de uitoefening van akkerbouw en veeteelt? Met name op palynologisch gebied bieden beekdalen informatie die tot nu toe nauwelijks geëxploreerd is.
Welke informatie bevatten deze natuurlijke archieven over de invloed van de mens op het landschap in de beekdalen zelf, maar ook in de omliggende pleistocene gebieden waar dergelijke informatie niet bewaard is gebleven? Toenmalig cultuurlandschap Zijn er aanwijzingen voor akkerbouw, het houden van vee of gebruik van lokale houtbestanden? Zo ja: wat was de schaal van deze activiteiten? Om welke akkerbouwgewassen gaat het? Wat was de invloed van menselijke activiteiten en bewoning op het biotische landschap? Hoe reageerden de bewoners op (zowel door de natuur als door de mens veroorzaakte) veranderingen van het landschap? Hoe is de ligging van nederzettingen, grafvelden, religieuze plaatsen, etc. in het (cultuur)landschap? Hebben bij de keuze voor die locatie ook andere dan uitsluitend economisch-rationele overwegingen een rol gespeeld? Relevante postdepositionele processen Hoe is het materiaal geconserveerd? In welke conserveringsklasse kunnen de verschillende archeobotanische resten worden ingedeeld? Zijn er aanwijzingen dat het biologische materiaal door bioturbatie of andere oorzaken van (sub-) recente oorsprong is? Methoden en technieken De kwaliteit van het archeobotanisch onderzoek is in hoge mate afhankelijk van een correcte bemonstering en verdere verwerking van de monsters. Per botanische materiaalgroep bestaan hierin belangrijke verschillen.
Voor uitgebreide informatie wordt verwezen naar de CvAKhandleiding veldarcheologie. Pollenmonsters dienen waar mogelijk in profielen genomen te worden door middel van pollenbakken. Verontreiniging met recent pollen dient voorkomen te worden door met ‘verse’, in horizontale richting schoongeschaafde profielen te werken en schoon gereedschap te gebruiken. De verdere behandeling van pollenmonsters kan uitsluitend in specialistische laboratoria plaatsvinden. Ook monsters voor diatomeeën kunnen veelal in profielen bemonsterd worden.
20 juni 2020
pagina 15 van 116
REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT
Monsters voor botanische macroresten en houtskool worden over het algemeen uit sporen genomen. Hier geldt dat het best bemonsterd kan worden na het couperen, als er ook een goed overzicht is van eventuele gelaagdheid van een spoor. Op een opgravingsvlak dat al enige tijd open ligt waaien zaden in vanuit de omgeving. Daarom dient ook hier het mogelijk verstoorde oppervlak verwijderd te worden voor bemonstering. Voor onderzoek aan constructiehout verdient het aanbeveling de palen compleet te bemonsteren, of in ieder geval een zo compleet mogelijke doorsnede voor jaarringenonderzoek (zie hiervoor verder het NOaA-hoofdstuk dendrochronologie) en de punt voor bewerkingssporen. Voor opslag gedurende langere tijd dienen alle typen botanische monsters in emmers of twee lagen plastic verpakt te worden. Aan de buitenzijde van de emmer of tussen de lagen plastic wordt een (leesbaar!) vondstkaartje aangebracht dat goed zichtbaar moet zijn. Verdere verwerking van monsters (zeven, flotteren, e.d.) dient afgestemd te worden met de specialist die de monsters verder gaat verwerken. De mogelijkheden voor het inzetten van vernieuwende technieken als DNA- en isotopenonderzoek, scanning electronenmicroscopie e.d. kunnen over het algemeen pas bepaald worden na een eerste archeobotanische analyse.
Indien specifieke vraagstellingen op dit gebied al in het PvE zijn voorzien, dan moet er al voorafgaand aan de opgraving contact worden opgenomen met de betreffende specialist, omdat hier zeer strikte eisen aan de bemonstering gesteld kunnen worden.
Chronologie Botanische resten zijn vanwege hun organische aard te dateren met behulp van 14C-analyse. Opmerkelijk vroege vondsten van cultuurgewassen verdienen het om op deze wijze te worden gedateerd, omdat ze belangrijke informatie kunnen opleveren over de introductie van deze cultuurgewassen in ons land. Voor de volgende perioden en regio’s is in Nederland nog sprake van een lacune in de chronologische kennis. De belangrijkste daarvan zijn: het Paleolithicum en het Mesolithicum: elke vorm van archeobotanisch onderzoek, in het hele land; Steingroep en Klokbekercultuur: in Zuid-Limburg en de rest van het land; het Neolithicum van pleistocene gebieden in Noord-, Oost- en Zuid-Nederland; rurale nederzettingen uit de 14de/15de eeuw (hele land).
Lokale gemeenschap Geeft de soortensamenstelling een indicatie voor het wel of niet plaatsvast zijn van de nederzettingen? Zijn er botanische indicatoren voor seizoensbewoning? Waren de nederzettingen gespecialiseerd, bijvoorbeeld gericht op exploitatie van specifieke natuurlijke en/of gecultiveerde voedselbronnen? Zijn er aanwijzingen voor lokale productie van voedselgewassen? Zijn er aanwijzingen voor import van voedingsmiddelen? Geeft het botanische materiaal aanwijzingen voor differentiatie van activiteiten binnen de nederzetting? Zo ja: zijn er gespecialiseerde activiteitenzones aan te wijzen? Geeft het botanisch materiaal aanwijzingen voor sociale verschillen binnen een site? In hoeverre is er sprake van ambachtelijke activiteiten (inclusief houtbewerking) binnen de nederzetting? Is de keuze voor de locatie van nederzettingen en landbouwgronden te verklaren uit de mogelijkheden voor exploitatie van natuurlijke vegetaties (akkerbouw, veeteelt, exploitatie van bosbestanden)? Welke informatie leveren plantaardige resten over het begrafenisritueel? Speelden bomen, planten of plantaardige producten een rol in religie en cultus? Zo ja: wat was hun betekenis daarin? Speelde het natuurlijke landschap en de vegetatie een rol in religie en cultus? Zo ja: wat was de betekenis daarvan? Zijn er in het botanische materiaal aanwijzingen voor ontregeling van de
sociale en economische orde als gevolg van calamiteiten (overstromingen, misoogsten, oorlog, etc.)? Bovenlokale gemeenschap Is er sprake van lokale surplusproductie? Is er sprake van consumptie of opslag op een schaal die de doorsnee-nederzetting overtreft? Kan op basis van activiteiten die binnen een nederzetting hebben plaatsvonden (bijv. ambacht, gespecialiseerde productie e.d.; zie § 3.6) ook worden vastgesteld of er sprake is geweest van hiërarchische of andersoortige verbanden tussen nederzettingen?
20 juni 2020
pagina 16 van 116
REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT
In het geval van een militaire context of stad: is er sprake van over grote afstanden aangevoerde voedingsmiddelen? Of zijn de voedingsmiddelen afkomstig uit de nabije omgeving en van de lokale rurale bevolking betrokken? Zijn er ter plaatse voedingsmiddelen geproduceerd door de militairen c.q. de stedelingen Geeft het botanische materiaal aanwijzingen voor sociaal-economische differentiatie tussen nederzettingen? Is er sprake van een onderscheid tussen stad en platteland, en zo ja: wat is de relatie tussen beide, met name op het gebied van productie en consumptie van voedingsmiddelen? Geeft het botanische materiaal aanwijzingen voor religieuze en/of symbolische handelingen en praktijken? Welke informatie geeft archeobotanisch onderzoek over gezondheid en hygiëne, bijvoorbeeld door middel van resten van darmparasieten in pollenpreparaten?
Productie, distributie en consumptie van mobilia Zijn er werktuigen of andere gebruiksvoorwerpen vervaardigd van hout of ander plantaardig materiaal (zoals vezels)? Van welke soorten maakte men daarbij gebruik en met welke bewerkingsmethoden? Indien hout bewaard gebleven is: hoe zijn de constructies van gebouwen, waterputten, schepen e.d. gemaakt? Waar komt het in constructies gebruikte hout vandaan? Is er sprake van handel en/of transport over lange afstand? Dergelijk onderzoek is deels het domein van de dendrochronologie (zie het NOaA-hoofdstuk ‘Dendrochronologie), maar ook de gebruikte houtsoorten geven hierover informatie.
Is er sprake van technische veranderingen en ontwikkelingen in de loop der tijd? Zo ja: welke? Werden er producten vervaardigd op basis van plantaardige grondstoffen (textiel, medicijnen, verf, brandstof, etc.)? Zo ja, waar komen deze grondstoffen vandaan (akkerbouw, verzamelen uit het wild, import, etc.)? Wat is de herkomst van plantaardige producten en/of grondstof(fen) en hoe vond de eventuele uitwisseling daarvan plaats? Productie, distributie en consumptie van voedsel Wat was het aandeel van akkerbouw en veeteelt in het voedingspatroon? Werden er voedselplanten uit het wild verzameld? Zo ja, wat was het aandeel daarvan in de lokale (voedsel)economie? Werden er plantaardige producten uit het wild verzameld voor andere doeleinden dan voeding (bijv.
verfstoffen, (eiken)schors, vezels en/of bast voor touw, etc.)? Zo ja, hoe werden die verwerkt en tot welke producten? Zijn er aanwijzingen voor regionale specialisatie? Wat was de invloed van het verzamelen op het landschap (inclusief de wateren)? Tot welke producten en/of gerechten werden plantaardige grondstoffen verwerkt? Werden er plantaardige producten uitgewisseld met groepen buiten de nederzetting (interlokaal, regionaal, etc.)? Wat kan DNA-onderzoek bijdragen aan de kennis over de domesticatiegeschiedenis van granen en fruit, alsmede van groenten en knollen/wortels waarvan de wilde verwanten van nature in ons land voorkomen?
20 juni 2020
pagina 17 van 116
REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT
4.
VROEGE PREHISTORIE (ca. 35.000-2.800 v.Chr.)9
4.1.
Inleiding
In het archeologische onderzoek van de vroege prehistorie in Nederland spelen etnografische modellen en gegevens van buitenlandse vindplaatsen wellicht een nog belangrijker rol dan in het onderzoek van latere perioden. Ten eerste is dit het gevolg van de enorme tijdsdiepte van het bodemarchief uit de vroege prehistorie (meer dan 300.000 jaar). Hierdoor kan niet (of alleen met de nodige aannames) worden gesproken van ‘gelijktijdigheid’ van archeologische fenomenen. Hoe verder we in tijd teruggaan, hoe groter het probleem van chronologische resolutie. Ten tweede zijn vroegprehistorische vindplaatsen in lang niet alle regio’s vertegenwoordigd of zijn we aangewezen op één of een klein aantal opgegraven en goed gedocumenteerde vindplaatsen. In de volgende paragrafen worden vijf overkoepelende thema’s beschreven, die voor het onderzoek van vindplaatsen en landschappen uit de vroege prehistorie relevant worden geacht.
4.2.
Vroegste bewoningsgeschiedenis van Nederland
De oudste sporen van bewoning in Noordwest-Europa zijn ca. 500.000 jaar oud en bekend van het Engelse Boxgrove en Mauern in Duitsland. In Nederland dateren de oudste vondsten in ieder geval uit de periode vóór de vorming van de stuwwallen in de Saale-ijstijd, ca. 150.000 jaar geleden. Tijdens de late fase van het Midden- en het Laat-Pleistoceen verblijven er Neanderthalers (Homo neanderthalensis) in NoordwestEuropa - zij het op niet-permanente basis. In Nederland is van continue bewoning vermoedelijk pas vanaf het begin van het Holoceen sprake, vanaf het Vroeg-Mesolithicum, ca. 10.000 jaar geleden. De volgende onderwerpen zijn van belang voor het thema ‘kolonisatie en vroege bewoningsgeschiedenis’: de vroegste bewoning van Nederland door Neanderthalers; kolonisatie en verspreiding van laatpaleolithische tradities na het Weichsel glaciaal maximum (ca. 18.000 jaar geleden); de komst van voedselproducerende gemeenschappen in het Vroeg-Neolithicum. Al deze onderwerpen zijn onlosmakelijk verbonden met het onderzoek naar ontwikkelingen in klimaat, landschap, vegetatie en fauna.
Onderzoeksvragen: Wat zijn de herkomst, mobiliteit en territorium en omvang van groepen Neanderthalers en welke relaties zijn aantoonbaar met andere gebieden buiten Nederland? Waar, in welke fasen van het Pleistoceen en onder welke landschappelijke en klimatologische omstandigheden verbleven vroege hominiden in Nederland? 4.2.1. Laat-Paleolithicum en Mesolithicum Er is nog weinig bekend over de aard van de bewoning en de verspreiding van laatpaleolithische groepen in relatie tot veranderingen in klimaat, fauna en vegetatie. Voor de periode 35.000-20.000 v.Chr. (Aurignacien, Gravettien) zijn de aanwijzingen voor bewoning bijzonder schaars. Sporen van menselijke bewoning in de millennia rond het Weichsel glaciaal maximum (ca. 18.000 jaar geleden) ontbreken in Nederland zelfs volledig. Na 15.000 v.Chr. verblijven er eerst jagers, vissers en verzamelaars van het Magdalénien en van de Hamburg-traditie in (delen van) Nederland, later gevolgd door die van de Creswelltraditie, de Federmesser-traditie en de Ahrensburg-cultuur. Of, wanneer en op welke wijze deze laatpaleolithische tradities met elkaar in contact stonden is nog verre van duidelijk.
Hetzelfde geldt voor het moment waarop deze tradities op het Nederlandse toneel verschijnen en of het verschijnen ervan het resultaat is van culturele veranderingen binnen het gebied zelf, of van migraties van groepen naar ‘nieuwe’ gebieden (kolonisatie). Dezelfde vragen zijn ook van toepassing op de overgang van het Laat-Paleolithicum naar het Vroeg-Mesolithicum en van het Laat-Mesolithicum naar het Vroeg-Neolithicum. De verplaatsingen van groepen mesolithische jagers, vissers en verzamelaars vanuit het Noordzeebekken naar het huidige vasteland werden vermoedelijk veroorzaakt door het volstromen van de Noordzee. Hoewel er al de nodige gegevens beschikbaar zijn, blijft het noodzakelijk om verder onderzoek te verrichten naar de geografische verspreiding, landschappelijke inbedding en datering van laatpaleolithische en mesolithische vindplaatsen in de dekzandgebieden van Hoog-Nederland. 9
Deeben, J., H. Peeters, D. Raemaekers, E. Rensink en L. Verhart, 2006: De Vroege prehistorie, Amersfoort (NOaA
hoofdstuk 11, versie 1.0), (www.noaa.nl).
20 juni 2020
pagina 18 van 116
REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT
Regionale inventarisaties en analyses dienen te worden verfijnd dan wel te worden geïnitieerd. Daarnaast dient er adequaat te worden gereageerd op vondsten die tijdens niet-archeologisch graafwerk per toeval aan het licht komen op enkele meters diepte. Dan kan door middel van het verrichten van waarnemingen in bouwputten e.d. en eventueel het uitvoeren van een opgraving. Resultaten van regionaal onderzoek van oppervlaktevindplaatsen op de pleistocene zandgronden kunnen daarbij als inspiratiebron worden gebruikt voor de analyse van door sedimenten afgedekte vindplaatsen en landschappen uit de steentijd. 4.2.2. Neolithicum De overgang van het Laat-Mesolithicum naar het Vroeg-Neolithicum is vanouds een belangrijk aandachtsveld in de Nederlandse archeologie. Het verschijnen van de cultuur met Lineaire Bandkeramiek (LBK) in Zuid-Limburg wordt algemeen in verband gebracht met de LBK-kolonisatie van het Centraal- en Noordwest-Europese lössgebied. Over de bewoningsgeschiedenis van Nederland in het Vroeg- en MiddenNeolithicum bestaat nog veel onduidelijkheid. Hoewel er op basis van kenmerken van de materiële cultuur verscheidene culturen en groepen worden onderscheiden, is het inzicht in de verspreiding daarvan in tijd en ruimte nog beperkt.
Voor het grootste deel van de zandgebieden van Zuid-, Oost- en Noord-Nederland geldt dat de conserveringsomstandigheden voor archeologische resten slecht tot matig zijn. Vanwege de talrijke neolithische oppervlaktevindplaatsen zijn deze gebieden echter van groot belang voor onderzoek, bijvoorbeeld voor het vaststellen van de geografische ‘reikwijdte’ van neolithische culturen. Vanuit het oogpunt van conservering dient bij toekomstig onderzoek alert te worden gereageerd indien er aanwijzingen zijn voor neolithische vindplaatsen onder esdekken, stuifzanden, veendekken of vindplaatsen die ingebed zijn in beek- of rivierafzettingen. Dergelijke vindplaatsen kunnen nieuwe inzichten opleveren in het proces van neolithisering. 4.2.3. Vraagstellingen bij de vroegste bewoningsgeschiedenis Voor een beter begrip van de vroegste bewoning van Nederland verdient het verzamelen van archeologisch, maar ook van archeozoölogisch materiaal in goede geologisch-stratigrafische context alle aandacht. Een belangrijke activiteit in dit verband is het inspecteren van profielwanden in droge ontsluitingen en het verzamelen en documenteren van artefacten, faunaresten (zowel resten van grote zoogdieren als microfauna) én hun geologisch/stratigrafische context.
Onderwerpen van onderzoek zijn onder andere: de samenstelling van de fauna in relatie tot de klimatologische omstandigheden, het lokale milieu en de ouderdom van de bodemlagen met vondsten. Van grote betekenis in dit verband zijn vondstsituaties die zowel paleolithische artefacten als faunaresten opleveren. De samenhang tussen beiden biedt inzicht in de klimatologische omstandigheden en natuurlijke omgeving waarin de paleolithische mens heeft geleefd. Het huidige bestand van laatpaleolithische, mesolithische en neolithische vindplaatsen bestaat voornamelijk uit oppervlaktevindplaatsen. Het is dan ook van belang dat er regionale studies worden uitgevoerd van de verspreiding, aard, ouderdom en interpretatie van deze vindplaatsen. Daarbij dienen periode- en cultuurspecifieke elementen in materiële cultuur (stenen artefacten, aardewerk en grondstoffen) nauwkeurig te worden beschreven. Deze precisering kan bijdragen aan een beter begrip van chronologische en ruimtelijke trends in de bewoning van gebieden.
De volgende vragen zijn in dat kader van belang: Wat zijn de functie en datering van de vindplaatsen? Is er op één en dezelfde locatie sprake van verscheidene fasen? Zo ja: welke? In hoeverre wijzen de gegevens op continuïteit of juist onderbreking of abrupte beëindiging van bewoning? Het beantwoorden van deze vragen werpt mogelijk nieuw licht op de bewoningsgeschiedenis van regio’s in de vroege prehistorie. Ook verschillen in aantallen sites per regio of cultuur verdienen een verklaring, zoals het verschil tussen de Rössen-cultuur (weinig vindplaatsen) en de Michelsbergcultuur (veel vindplaatsen) in Zuid-Nederland. Wat het neolithisatieproces betreft, zijn onderzoeksvragen van belang die gericht zijn op het voorkomen van vroegneolithisch aardewerk en andere artefacten: Wat zijn de kenmerken van de vindplaatsen, van hun landschappelijke ligging en van de materiële cultuur? Is het aardewerk een product van ge-‘neolithiseerde' mesolithische jagers, vissers en verzamelaars of van neolithische groepen? Is er sprake van continuïteit of discontinuïteit in bewoning na de LBK? In het geval van discontinuïteit, wat is de tijdsduur van het hiaat in bewoning? Welke landschappelijke zones werden in het laat-mesolithicum en vroeg-neolithicum gebruikt voor bewoning, jacht, akkerbouw en veeteelt?
20 juni 2020
pagina 19 van 116
REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT
4.3.
Hoe veranderde de bestaanswijze gedurende het laat-mesolithicum tot en met de middenbronstijd?
Gebruik van het landschap en nederzettingssystemen
In het onderzoek naar het gebruik van het landschap en nederzettingssystemen staan de volgende aspecten centraal: de locatie, aard, omvang en functie van vindplaatsen, en de mobiliteit en ruimtelijke organisatie van prehistorische samenlevingen. Voor verscheidene Europese gebieden zijn hierover modellen voor het Paleolithicum en Mesolithicum opgesteld, die geïnspireerd zijn op etnoarcheologisch en etnografisch onderzoek. Voor een Nederlandse bijdrage aan de modelvorming, maar ook voor het toetsen van bestaande modellen dient te worden gekeken naar de specifieke fysisch-geografische kenmerken van ons land (delta van Rijn en Maas, Fries-Drents keileemplateau, etc.) alsmede naar de kenmerken van de vindplaatsen (locatiekeuze, omvang, samenstelling, etc). Op basis hiervan kan inzicht worden gekregen in de periode- of regiospecifieke kenmerken van paleolithische en mesolithische nederzettingssystemen. Ons inzicht in patronen van ruimtegebruik zal vooral kunnen worden verbeterd door een toename van de hoeveelheid goed opgegraven, uitgewerkte en gepubliceerde vindplaatsen. Het gaat dus om een intensivering van de inspanningen (ook wat betreft uitwerking en rapportage) en een verbetering van de kwaliteit van het onderzoek.
4.3.1. Laat-Paleolithicum en Mesolithicum Het thema ‘gebruik van het landschap en nederzettingssystemen’ heeft in studies van het LaatPaleolithicum en Mesolithicum de nodige aandacht gekregen. Vindplaatsen uit het Magdalénien zijn op vindplaatsniveau onderzocht en geanalyseerd in een bredere Noordwest-Europese context van mobiliteitspatronen. Vergelijkbaar onderzoek is uitgevoerd voor de Ahrensburg-cultuur en voor de Federmesser-traditie. Desondanks is er voor de individuele culturele tradities uit het LaatPaleolithicum nauwelijks een typologie van nederzettingen ontwikkelt. Aangezien tent- of hutplattegronden in laatpaleolithische (en mesolithische) vindplaatsen nagenoeg ontbreken, is er wat de aard en omvang van de woonstructuren betreft vooralsnog sprake van een duidelijke kennislacune. Het is opmerkelijk dat mesolithische vindplaatsen in de regel niet beter zijn geconserveerd, maar dat er voor deze periode wel een meer omvattende nederzettingstypologie beschikbaar is. Bij het ontwikkelen van modellen van mesolithisch landschapsgebruik en nederzettingssystemen is vooral gebruik gemaakt van gegevens van (vaak niet compleet onderzochte) vindplaatsen op de pleistocene zandgronden. In alle gevallen is de archeologische basis van de modellen in kwalitatieve en kwantitatieve zin erg smal.
Een van de redenen is dat in de geanalyseerde vindplaatsen organische resten ontbreken en aanwijzingen voor hutplattegronden zeer schaars zijn. Ook is er in het verleden te weinig aandacht besteed aan site formation-processen. Als gevolg van het hergebruik van locaties is er in veel gevallen sprake van een accumulatie van materialen, de zgn. ‘palimpsest-vindplaatsen’ (= vindplaatsen waarvan de vondsten niet of nauwelijks in bewoningsfasen kunnen worden onderscheiden). Bovendien zijn de geanalyseerde vindplaatsen afkomstig uit slechts een beperkt aantal landschappelijke zones. Recent onderzoek in beekdalen en rivierterrassen heeft duidelijk gemaakt dat er sprake is van een grote diversiteit in de wijze waarop het landschap werd gebruikt. Ten slotte moeten we rekening houden met grote regionale verschillen. Deze zijn nog maar zeer gedeeltelijk in kaart gebracht (Zutphen, regio Venray, Vlootbeekdal). Het bekende regionaal onderzoekspotentieel wordt vooral gevormd door oppervlaktevindplaatsen: Magdalénien-vindplaatsen in het Limburgse lössgebied en het aangrenzende zandgebied, en vindplaatsen van de Federmesser- en Ahrensburg-tradities in de zandgebieden van Noord-, Midden- en Zuid-Nederland. De verspreiding van deze vindplaatsen op de pleistocene, hogere gronden is vooral gebonden aan dekzandruggen.
In Noord-Brabant of Midden-Limburg zijn laatpaleolithische (maar ook mesolithische) vindplaatsen vooral bekend van de zuidoostelijke en oostelijke flanken van deze ruggen, hetgeen te maken kan hebben met beschutting tegen noordwestelijke winden. De analyse van nederzettingslocaties en continuïteit en discontinuïteit in gebruik van deze locaties kan tevens een bijdrage leveren aan de reconstructie van de voedselvoorziening. Dergelijke vondstsituaties bieden goede perspectieven voor het onderzoek van goed geconserveerde vindplaatsen (locatiekeuze factoren, intra-site patronen), maar ook voor het verzamelen van paleoecologische gegevens in relatief gave context. Ook in laatglaciale riviersedimenten kunnen vindplaatsen zijn ingebed die kortstondige activiteiten weerspiegelen, bijvoorbeeld de bewerking van een vuursteenknol. 4.3.2.
Neolithicum
20 juni 2020
pagina 20 van 116
REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT
Gegevens over het gebruik van het landschap en nederzettingssystemen in het Vroeg-Neolithicum zijn bekend uit het lössgebied (LBK, Rössen-cultuur) en Laag-Nederland (Swifterbant-cultuur). De stand van kennis is echter zeer onevenwichtig verdeeld. Ons beeld van het LBK-nederzettingssysteem is hoofdzakelijk gebaseerd op de resultaten van grootschalige opgravingen op het lössplateau van Graetheide, en op de Aldenhovener Platte en in het Merzbachtal in het aangrenzende Duitse lössgebied. Verder zijn er twee LBKvindplaatsen bekend van het Maasdal (Itteren, Nattenhoven) en zijn aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van een bewerkingsplaats van vuursteen (atelier) (Banholt). Bij de opgraving van een vindplaats van de Rössen-cultuur te Maastricht-Randwyck zijn geen huisplattegronden gevonden. Uit het aangrenzende Duitse gebied zijn daarentegen wel huisplattegronden van de Rössen-cultuur bekend: het gaat daarbij om grote trapeziumvormige huizen die in concentraties gegroepeerd zijn. De nederzettingen lagen, evenals die van de LBK, hoofdzakelijk op de löss. In Nederland zijn er voor het Vroeg-Neolithicum aanwijzingen dat de bewoning zich uitbreidde naar regio’s die niet door de LBK zijn bewoond.
Losse aardewerkvondsten, bijvoorbeeld uit de Roerstreek en de gemeente Gennep, duiden op kleinschalige activiteiten buiten nederzettingscontext en op een langdurige traditie in het gebruik van specifieke landschappen. Het aantal vindplaatsen van de Michelsberg-cultuur is beduidend groter dan die uit de laatste fase van het Vroeg-Neolithicum (Rössen-cultuur). In Zuid-Nederland gaat het daarbij in de meeste gevallen om oppervlaktevindplaatsen met typerende vuurstenen werktuigen, waaronder exemplaren die vervaardigd zijn van gemijnde vuursteen van het type Rijckholt. Variaties in landschappelijke ligging, in de hoeveelheid vondsten en het karakter van de vondstspreidingen wijzen op verschillende site-typen, waaronder permanent bewoonde nederzettingen en kortstondig gebruikte nederzettingen of kampementen. De gangbare opvatting op dit moment is dat er ten tijde van de Michelsbergcultuur werd gewoond in (onversterkte) nederzettingen, bestaande uit een enkele huisplaats. Men bleef op dezelfde plek wonen zolang de levensduur van het huis het toeliet, of totdat de grond was uitgeput. Vervolgens bouwde men elders een nieuw huis waarna het proces zich herhaalde. Door de schaarste aan huisplattegronden uit het Midden-Neolithicum (ook in België en Duitsland) is het echter moeilijk om dergelijke opvattingen voor de pleistocene zandgronden te toetsen.
In het oog springende fenomenen uit het Midden-Neolithicum zijn de vuursteenmijnen in Rijckholt en het aardwerk in Heerlen-Schelsberg (Michelsbergcultuur), de grafkelder van Stein (Stein-groep) en de hunebedden in Noord-Nederland (Trechterbekercultuur). Aardwerken zijn in het buitenland wel onderzocht, maar nog steeds bestaat er onduidelijkheid over hun functie: vluchtburcht, versterkte nederzetting, ritueel en ceremonieel centrum? Over de relatie tussen deze aardwerken en de talrijke oppervlaktevindplaatsen (die in de meeste gevallen vermoedelijk het restant zijn van nederzettingen) kunnen we slechts speculeren. Voor de zandgebieden van Nederland geldt dat de hoeveelheid gegevens over het landschap en nederzettingssystemen op vindplaatsniveau minimaal en fragmentarisch is. In het merendeel van de gevallen gaat het om oppervlaktevindplaatsen die zijn verploegd en waarvan de waarde voor intra-site ruimtelijke analyses gering is. Desondanks zijn de gegevens van groot belang voor vragen die uitstijgen boven het niveau van de vindplaats (i.e. het nederzettingssysteem): de verspreiding van de honderden bekende vindplaatsen biedt immers een goed uitgangspunt voor het bestuderen van kwesties als sitelocatie en de wijze waarop specifieke onderdelen van landschappen werden gebruikt.
Op de zandgronden van Nederland is de diversiteit aan materiaalcategorieën minder groot als gevolg van slechte conserveringsomstandigheden. Omdat grondsporen en organische resten op de hogere zandgronden in de regel ontbreken, zijn hier analyses en vergelijkingen op basis van site-locatie en kenmerken van het lithische materiaal van belang. Dergelijke analyses kunnen een waardevolle bijdrage leveren aan onze kennis van nederzettingstypen en -systeem in het Midden-Neolithicum. Met het oog daarop dienen ook minder goed geconserveerde vindplaatsen uit deze periode die buiten de wetlands zijn gelegen als waardevol te worden aangemerkt. 4.3.3. Vraagstellingen bij landschap en nederzettingssystemen Bij het beantwoorden van vragen over landgebruik en nederzettingssystemen verdient de relatie tussen (paleo)landschappelijke kenmerken, locatiekeuze en nederzettingsfunctie van vindplaatsen de volle aandacht. Dit geldt voor alle perioden van de vroege prehistorie. Ook de relatie tussen nederzettingssysteem en voedseleconomie is in dat opzicht van belang. Door die relatie tussen nederzettingssysteem en voedseleconomie voor elke periode te analyseren en de resultaten van de verschillende perioden met elkaar te vergelijken wordt inzicht verkregen in de wijze waarop de mens het landschap door de tijd heen heeft gebruikt.
Een belangrijke vraag daarbij is of de verspreiding en datering van vindplaatsen wijzen op een langdurig en continu gebruik van bepaalde typen landschappen (bijv. lösslandschap versus dekzandlandschap) of van specifieke zones binnen deze landschappen (bijv. dekzandruggen versus beekdalen).
20 juni 2020
pagina 21 van 116
REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT
Welke landschapszones werden voor bewoning of andere activiteiten benut? Kunnen er in de keuze voor de locatie van nederzettingen en andere site-typen regionale of chronologische patronen worden herkend? Is de keuze voor de locatie van nederzettingen en landbouwgronden te verklaren uit de mogelijkheden voor visserij, jacht, veeteelt en akkerbouw? Specifieke aandachtspunten op site-niveau zijn de functionele interpretatie van sporen en structuren (bijv. haardkuilen, oppervlaktehaarden, woonstructuren) en de ruimtelijke verspreiding van mobilia rondom of in de nabijheid van dergelijke sporen en structuren.
Wat zijn de ruimtelijke en inhoudelijke kenmerken van verspreidingen van artefacten, sporen en structuren? Wijzen ze op differentiatie van activiteiten binnen nederzettingen? Zo ja: welke activiteitsgebieden kunnen worden onderscheiden? En indien er sprake is van archeozoölogisch materiaal: geeft de soortsamenstelling en de elementverdeling een indicatie van de tijdelijke dan wel permanente aard van de nederzettingen? Wat zijn de aanwijzingen voor seizoensbewoning en voor eventuele specialisatie van nederzettingen, bijvoorbeeld gericht op visvangst of jacht? Zijn er in de nabijheid van een nederzetting afvallagen of dumpzones aanwezig en wat is de locatie, omvang en samenstelling ervan? Een actueel vraagstuk voor het Mesolithicum is de aanwezigheid en functie van grote aantallen haardkuilen. Haardkuilen zijn vooral bekend zijn van Noord-Nederlandse vindplaatsen en ontbreken vrijwel volledig in mesolithische vindplaatsen ten zuiden van de grote rivieren. Ten aanzien van het Neolithicum valt op dat veruit het grootste deel van de bekende sites als nederzetting zijn te typeren. Dit is voor een deel het gevolg van de wijze waarop vindplaatsen in het verleden voor opgraving werden geselecteerd (waarbij de keuze viel op de meer vondstrijke locaties). Andere typen vindplaatsen zijn slecht sporadisch door middel van opgraving onderzocht en daarmee slecht bekend.
Voor een completer beeld van vroegere nederzettingssystemen zijn deze vindplaatsen echter van groot belang en dienen dan ook te worden geselecteerd voor nader onderzoek. Relevant voor alle perioden zijn vragen met betrekking tot de conservering van grondsporen, site-typen, landschappelijke ligging en locatiekeuze. Maar ook: welke typen sites kunnen we onderscheiden op enige afstand van de nederzettingen en wat is de aard van deze sites? Op basis van welke criteria kan het onderscheid worden gemaakt tussen nederzettingen, kortstondig gebruikte kampementen en andere sitetypen? Wanneer, waar en onder welke landschappelijke en klimatologische omstandigheden verschijnen de verschillende laat-paleolithische culturen en culturele tradities op het toneel? Wat is hun geografische en chronologische reikwijdte, en wat zijn de onderlinge relaties? (NOaA vraag 3) Aan het einde van het Pleniglaciaal (Magdalénien) en in het Laat-Glaciaal (Hamburg-cultuur, Federmesser Gruppen, Ahrensburg-cultuur) verblijven jagers-verzamelaars uit het laat-paleolithicum in verschillende delen van Nederland. Op basis van de huidige gegevens en vooral resultaten van dateringsonderzoek lijkt er geen sprake van een directe relatie tussen periode(n) van kolonisatie en perioden van klimaatsverbetering.
In Nederland kennen we vooralsnog geen vindplaatsen uit het relatief warme Bøllinginterstadiaal, terwijl de bewoning van jagers en verzamelaars van de Ahrensburg-cultuur samenvalt met het koude Jonge Dryas-stadiaal. Op basis van analyses van de materiële cultuur, de ligging van vindplaatsen in het landschap en resultaten van dateringsonderzoek kunnen de onderlinge culturele relaties tussen en geografische verspreiding van laat-paleolithische groepen nader onderzocht worden. Een internationaal perspectief, waarbij ook gegevens uit omringende landen in ogenschouw worden genomen, verdient daarbij de voorkeur. Operationalisering Besef dat onderzoek naar deze periode bij uitstek multidisciplinair is waarbij kennis vanuit vakgebieden, zoals archeologie, geologie, bioarcheologie etc. samenkomen en dat dit onderzoek een internationale blik vraagt. Realiseer dat archeologische onderzoek naar de steentijd niet op zichzelf staat en dat analyse van het voormalige landschap en milieu (fauna en vegetatie) eveneens belangrijk is. Registreer de stratigrafische, lithologische, geologische inbedding van archeologisch resten. Dateer verschillende lithologische eenheden (14C, OSL, TL etc.). Bij het aantreffen van oker: het is mogelijk (door middel van gecombineerd CRD, XRF, micromorfologie etc.) onderscheid te maken tussen lokaal in de bodem gevormd en gedeponeerd materiaal.
Analyseer alle aspecten van de materiële cultuur (grondstofstudies, typologische en technologische kenmerken van stenen artefacten). Beschouw de vondsten in relatie tot de ligging van vindplaatsen in het landschap. Dateer vondstcomplexen en sedimenten waarin deze worden gevonden om o.a. onderlinge (culturele) relaties tussen en geografische verspreiding van laat-paleolithische groepen nader te onderzoeken. Ga uit van een internationaal perspectief, waarbij ook gegevens uit omringende landen in ogenschouw worden genomen. Analyseer paleo-ecologische (proxy) data uit gerelateerde of nabijgelegen
20 juni 2020
pagina 22 van 116
REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT
organische contexten/afzettingen, en betrek non-pollen palynomorfen (zoals algen- en schimmelsporen) daarbij. Denk daarbij ook aan mollusken en/of insekten. Isotopenonderzoek naar de herkomst van de mens kan informatie opleveren met betrekking tot de onderlinge relaties tussen verschillende culturele groepen en in hoeverre mobiliteit/migratie een rol heeft gespeeld bij het verschijnen van de verschillende paleolithische culturen. Welke landschappelijke zones werden in het laat-mesolithicum en vroeg-neolithicum gebruikt voor bewoning, jacht, akkerbouw en veeteelt? (NOaA vraag 8) Veranderingen in levenswijze en voedselvoorziening samenhangend met 'neolithisering' kwamen niet alleen tot uitdrukking op het niveau van nederzettingen, graven en (hierin aanwezige) materiële cultuur, maar ook in het gebruik van het natuurlijke landschap in zijn totaliteit. Buiten de context van nederzettingen en grafvelden kunnen zgn. off-site verschijnselen (inclusief archeozoölogische en archeobotanische resten, dunne vondstspreidingen van specifieke stenen artefacten, aanwijzingen voor akkers) informatie verschaffen over veranderingen in de wijze van gebruik en exploitatie van uiteenlopende landschappelijke zones, en mogelijke verschillen daartussen.
Kustmilieus en beek- en rivierdalen, met toegang tot open water en een grote diversiteit aan voedselbronnen, maar ook als natuurlijke corridors van mobiliteit, transport en informatie uitwisseling, speelden mogelijk een sleutelrol in dit proces. Maar ook uit het oogpunt van conservering zijn deze landschappelijke zones belangrijk: de kans op het aantreffen van organische resten uit de vroege prehistorie is daar groter dan op de hogere gelegen pleistocene gronden. Operationalisering Stel de ‘uitgangssituatie’ vast in het laat-mesolithicum wat betreft nijverheid (zoals vuursteen-, hout-, huidenbewerking etc.), voedselvoorziening, nederzettingssysteem, landgebruik en grondstofvoorziening. Beschrijf samenstelling en verspreiding van enerzijds laat-mesolithische en anderzijds vroeg- en middenneolithische vindplaatsen en losse vondsten in relatie tot landschappelijke kenmerken. Stel vast of er sprake is van permanente of seizoensbewoning. Interpreteer de gegevens in termen van gebruik van specifieke landschapzones, inclusief akkerbouw, veeteelt en houtgebruik. Kijk daarbij naar de aanwezigheid van spit- en ploegsporen, omheiningen, drinkkuilen enz. Waar het gaat om grondbewerking en akkerbouw/tuinbouw is micromorfologie een cruciale techniek in goed geconserveerde snel begraven vindplaatsen.Beschrijf archeozoölogische en archeobotanische kenmerken (o.a.
verhouding tussen wilde en gedomesticeerde dier- en plantensoorten en de verhouding tussen dier- en plantensoorten van het land en uit het water). Bemonster waar mogelijk (ook) natuurlijke afzettingen buiten de nederzetting, om de aard en reikwijdte van menselijke invloed te bepalen. Neem zeefmonsters (2 mm, voor vis 1 mm) voor het verzamelen van vis en vogelresten. Ook isotopenonderzoek van menselijke skeletresten verschaft inzicht in het dieet (aandeel van plantaardige en dierlijke (land of marien) voedselbronnen) (Fernandes et al 2014). Isotopen kunnen ook inzicht geven in migratie van personen en aanwijzingen geven voor het gebruik/bewoning van uiteenlopende regio's (Smits & Van der Plicht 2009; Smits 2010).
4.4.
Voedseleconomie, relatie mens en milieu
De mogelijkheden voor de bewoning van Nederland in het Midden- en Laat-Pleistoceen en in de eerste helft van het Holoceen waren in hoge mate afhankelijk van het klimaat, het abiotische landschap, de vegetatie en de fauna. Voor jagers, vissers en verzamelaars uit het Paleolithicum en Mesolithicum hadden veranderende natuurlijke omstandigheden directe gevolgen voor de aard, de dichtheid en de beschikbaarheid van natuurlijke (voedsel)bronnen. Er waren specifieke technologische, sociale en andere vaardigheden nodig om deze bronnen succesvol te exploiteren en te kunnen overleven onder de wisselende klimatologische omstandigheden in onze streken. Belangrijke kwesties binnen thema 3 zijn: de relatie tussen de mens en het natuurlijke milieu, de veranderingen in het aanbod van bronnen en de gevolgen daarvan voor de voedselvoorziening, evenals de introductie en betekenis van gedomesticeerde planten en dieren in de loop van het Neolithicum. Deze onderwerpen kunnen worden bestudeerd tegen de achtergrond van de ontwikkelingen in de samenstelling van de fauna en de vegetatie tijdens het Middenen Laat-Pleistoceen en in het begin van het Holoceen (zie thema 1). 4.4.1.
Laat-Paleolithicum en Mesolithicum Door de afwezigheid van organische resten op de hogere en goed ontwaterde delen van het Nederlandse landschap is er nauwelijks iets bekend over de voedselvoorziening in het LaatPaleolithicum en het Mesolithicum (specialisatie, breed-spectrum-economie, seizoensgebonden exploitatie, etc.). Vanwege de slechte conserveringsomstandigheden worden alleen - en dan nog slechts bij uitzondering - kleine fragmenten gecalcineerd bot aangetroffen. De analyse daarvan kan echter antwoord
20 juni 2020
pagina 23 van 116
REGIONALE ONDERZOEKSAGENDA REGIO ZUIDOOST-BRABANT
geven op de vraag welke diersoorten door prehistorische jagers, vissers en verzamelaars werden geëxploiteerd. Daarnaast wordt hier gewezen op het belang van verkoolde plantaardige resten uit haarden. Het kan daarbij zowel om voedselresten als om resten van brandhout gaan. Resten van plantaardig voedsel waren lange tijd alleen bekend in de vorm van (fragmenten van) verkoolde hazelnootdoppen en waternoten. Onderzoek van verkoolde botanische resten uit haardkuilen in de Groninger Veenkoloniën heeft echter ook aanwijzingen opgeleverd over het gebruik van andere, mogelijke plantaardige voedselbronnen, zoals wortelstokken. Ook het onderzoek van gebruikssporen op vuurstenen en andere werktuigen kan een bijdrage leveren aan ons beeld van het gebruik van planten en dieren. Mesolithische sites met faunamateriaal waren in Nederland lange tijd bijzonder zeldzaam. Recentelijk zijn faunaresten in stratigrafische context aangetroffen in vroegmesolithische (Zutphen) en laatmesolithische (Jardinga, Hardinxveld-Giessendam) opgravingen. Vooral de opgravingen Polderweg en De Bruin in Hardinxveld-Giessendam hebben een uitzonderlijk rijk gegevensbestand opgeleverd van talrijke laatmesolithische zoogdier-, vis- en vogelresten, alsmede talrijke resten van plantaardige voedselbronnen.
Daarmee is het beeld van de voedseleconomie van laatmesolithische gemeenschappen die op donken in een typisch wetland-landschap bivakkeerden ongekend gedetailleerd geworden. Zo zijn er aanwijzingen voor de gevolgde jachtstrategieën (actief vs passief, selectief vs niet-selectief) en de periode (seizoen) van bewoning. Op de vindplaats De Bruin zijn behalve laatmesolithische ook vroegneolithische bewoningsfasen gedocumenteerd. Daaronder bevonden zich ook resten van ‘landbouwhuisdieren’ (runderen, varkens, schapen en geiten). De variaties in het soort en aandeel van dieren in de verschillende bewoningsfasen bieden uitgelezen mogelijkheden om ontwikkelingen in de voedseleconomie van gemeenschappen in de wetlands in detail te bestuderen. In Zand-Brabant kan onverbrand archeozoölogisch en archeobotanisch materiaal vooral worden aangetroffen in de lagere en natte delen van het landschap, waaronder depressies die met veen zijn opgevuld, evenals (verlande) beek- en rivierdalen. Bij het voorbereiden van het veldwerk (bureauonderzoek) dienen dergelijke locaties dan ook structureel te worden betrokken, eventueel gevolgd door steekproefsgewijs veldwerk in deze laagtes zelf.