[20.19422] - Bijlage
Tekst van het document
1 Zie https://www.cultureelerfgoed.nl/onderwerpen/subsidie-woonhuismonumenten/woonhuissubsidieinstandhoudingssubsidie-of-lening 2 Instandhoudingsplicht (Artikel 10.18 Erfgoedwet en 11 lid 1 Monumentenwet 1988 in overgangsrecht Erfgoedwet).
20
BOUWSTENEN VOOR DE TOEKOMST opgenomen in het instructiebesluit worden gehanteerd. 3 Verder gebeurt het aanwijzen van gemeentelijke monumenten straks via het omgevingsplan. 5.
De taken en bevoegdheden van de huidige monumentencommissie of commissie voor welstand en monumenten vervallen van rechtswege bij inwerkingtreding van de Omgevingswet. De gemeente moet dan een nieuwe gemeentelijke adviescommissie instellen. De minimale wettelijke taak van de gemeentelijke adviescommissie is het uitbrengen van advies over vergunningaanvragen met betrekking tot rijksmonumenten (uitgezonderd archeologische rijksmonumenten). Gemeenten kunnen er voor kiezen meer taken toe te bedelen aan deze adviescommissie.
6.
De gemeente wordt verantwoordelijk voor de vergunningverlening voor het verstoren van archeologische rijksmonumenten, in het geval er sprake is van een meervoudige aanvraag (dus als er ook nog andere omgevingsvergunningen nodig zijn voor samenhangende activiteiten).
7.
In de Omgevingswet is geregeld dat in het geval van archeologische toevalsvondsten van algemeen belang niet alleen de minister van OCW, maar ook de gemeente bodemverstorende werkzaamheden kan stilleggen.
8.
De instandhoudingsplicht houdt bij de Omgevingswet een ‘zorgplicht’ in dat een ieder moet zorgdragen dat het monument zodanig wordt onderhouden dat het behoud ervan gewaarborgd is. De gemeente heeft hierin een toezichts- en handhavende taak.
9.
Het toetsingskader voor een sloopvergunning binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht moet in het omgevingsplan worden opgenomen.
10. Gemeenten moeten via een Omgevingsloket op uniforme wijze de gegevens vanuit de bronnen ontsluiten, en deze bovendien vertalen naar gebruikstoepassingen. Dit heet het Digitale Stelsel van de Omgevingswet (DSO). Bedoeling van dit stelsel is dat initiatiefnemers, belanghebbenden en het bevoegd gezag straks met een klik op de kaart alle beschikbare informatie met rechtsgevolgen kunnen raadplegen, die nodig is voor het gebruik van de Omgevingswet. Een digitale databank met cultuurhistorische waardenkaart waarop al het erfgoed bij elkaar gebracht is, is hiervoor een beproefd instrument.
3.3
Beschermen van erfgoed in het omgevingsplan
Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Artikel 13.6 Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) geeft aan gemeenten de mogelijkheid om in het omgevingsplan maatwerkregels te stellen ter invulling van de specifieke zorgplicht. Voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt, zal een toereikend beschermingsregime opgenomen moeten worden in het omgevingsplan. Ook kan de gemeente in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen over archeologisch onderzoek. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente ook rekening houden met bepaalde uitgangspunten die worden opgelegd vanuit het Rijk en/of provincie. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)) en de provincie kan instructieregels voor de gemeente opnemen in de omgevingsverordening. Deze gaan over: 1.
ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten
2.
gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand
3 Het gaat daarbij om regels die in het omgevingsplan moeten worden opgenomen voor: het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van in het plan beschermde monumenten; het voorkomen van verplaatsen van zulke monumenten, tenzij voor het monument noodzakelijk; het bevorderen van het gebruik van monumenten; het voorkomen van aantasting van het karakter van beschermde dorps- en stadsgezichten en van cultuurlandschappen door sloop van bestaande gebouwen, bouw van nieuwe of andere veranderingen; het conserveren / in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur ‘in situ’.
21
BOUWSTENEN VOOR DE TOEKOMST
1)
3.
aantasting van de omgeving van een beschermd monument
4.
aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen
5.
conserveren en in stand houden van archeologische monumenten
Een in het omgevingsplan (voor)beschermd monument of archeologisch monument mag niet ontsierd, beschadigd of gesloopt worden. Om invulling hieraan te geven kan de gemeente bijvoorbeeld een verbod in het omgevingsplan opnemen om beschadiging of vernieling door andere activiteiten of vandalisme te voorkomen. Een ander voorbeeld is dat de gemeente een vergunningstelsel in het omgevingsplan kan opnemen. Dit vergunningstelsel verbiedt dan om zonder omgevingsvergunning een gemeentelijk monument te slopen, te verstoren, te wijzigen of het zo te herstellen of te gebruiken dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.
2)
Leegstand betekent op termijn verval. Daarom moet de gemeente leegstand van monumenten zoveel mogelijk voorkomen. Daarvoor kan mogelijk een wijziging in gebruik (herbestemming) nodig zijn of aanpassing aan hedendaagse eisen. Dit uiteraard rekening houdend met de monumentale waarden.
3)
De gemeente moet aantasting van de omgeving van in het omgevingsplan beschermde monumenten voorkomen ter bescherming van die monumenten. Het gaat daarbij niet zozeer om het voorkomen van de aantasting van de omgeving op zich, maar om een aantasting die het desbetreffende monument ontsiert of beschadigt. Het verrichten van activiteiten of de aanwezigheid van een (bouw)werk in de omgeving van een beschermd monument kan bijvoorbeeld het aanzicht en de waardering van dat monument negatief beïnvloeden. Naast het voorkomen van achteruitgang heeft het opwaarderen van de directe omgeving van een beschermd monument een positieve invloed op de waardering en beleving ervan. Artikel 7 van het verdrag van Granada verplicht daarom tot maatregelen om de kwaliteit van de openbare ruimte rond beschermde monumenten en in beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen te verbeteren.
4)
De gemeente kan in het omgevingsplan daarvoor in aanmerking komende stads- en dorpsgezichten beschermen. Dit doet de gemeente vanwege hun schoonheid, de onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang van de samenstellende onroerende zaken of hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde. Op vergelijkbare wijze kan de gemeente in het omgevingsplan ook (delen van) cultuurlandschappen beschermen. De gemeente moet de aantasting van het karakter van beschermde stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen voorkomen. Het kan hier bijvoorbeeld ook gaan om aantasting van de groenaanleg en (water)structuren die onderdeel uitmaken van de te beschermen karakteristieken van het beschermd gezicht.
5)
De gemeente moet de op haar grondgebied aanwezige archeologische monumenten inventariseren en analyseren. Vervolgens moet de gemeente in het omgevingsplan rekening houden met de bekende en aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Hierbij is het uitgangspunt conserveren en in stand houden. Aantoonbaar te verwachten betekent dat de verwachting gebaseerd moet zijn op relevante archeologische, bodemkundige of historische informatie. Conserveren en in stand houden doet de gemeente bij voorkeur in de bodem: behoud in situ. Het doel daarvan is om het bodemarchief als bron van kennis van ons verleden en van cultuurbeleving beschikbaar te houden voor komende generaties. Dit kan de gemeente bijvoorbeeld doen door een verbod op bodemverstorende activiteiten op te nemen in het omgevingsplan voor locaties waar dat nodig is. Een belangrijk instrument in het omgevingsplan is een archeologische onderzoeksplicht bij activiteiten die een (te verwachten) archeologisch monument kunnen verstoren. 22
BOUWSTENEN VOOR DE TOEKOMST
In de Interim Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant (geconsolideerd 1-3-2020)4 zijn ook instructieregels opgenomen. Met deze regels kan de provincie een opdracht geven aan gemeenten over onderwerpen die zij in het bestemmingsplan moeten opnemen of aan het waterschap over de manier waarop ze hun taken uitvoeren. Het gaat voor Reusel-De Mierden om instructieregels die betrekking hebben op aardkundige waarden, cultuurhistorisch waardevol gebied en complexen van cultuurhistorisch belang.
Uitsnede uit de kaart van de Interim Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant met daarop geprojecteerd de aardkundige en cultuurhistorische waarden. 5 In de instructieregels wordt aan gemeenten voorgeschreven om voor deze gebieden van provinciaal belang in het bestemmingsplan/ omgevingsplan passende regels op te nemen ter bescherming van de aardkundige of cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. Daarnaast zijn ontwikkelingen hier mede gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de aardkundige en cultuurhistorische waarden en kenmerken zoals beschreven in de Aardkundig Waardevolle Gebiedenkaart Noord-Brabant6 en de Cultuurhistorische Waardenkaart van Noord-Brabant.
4 https://noord-brabant.tercera-ro.nl/MapViewer/Default.aspx?id=NLIMRO9930InterimOvrgc-0320 5 Zie ook: https://noordbrabant.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=1dab0b45b3234fffa8090a4bc8ae06f8 6 https://noordbrabant.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=ae83285be89f4501b60b1346cf9c3acd
23
BOUWSTENEN VOOR DE TOEKOMST Voor complexen van cultuurhistorisch belang is verder bepaald dat alleen de bestaande bebouwing en de bestaande planologische gebruiksactiviteit zijn toegelaten, tenzij nieuwvestiging van functies bijdraagt aan het behoud of het herstel van het cultuurhistorisch karakter van het complex en past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarin het complex is gelegen.
3.4
Bescherming in de praktijk
Bescherming vindt plaats door in het omgevingsplan een vergunningstelsel op te nemen. Voor bepaalde ingrepen betekent dit dat vanwege de mogelijke aanwezige waarden een omgevingsvergunning noodzakelijk is dan wel dat er aanvullende eisen worden gesteld aan de reeds verplichte omgevingsvergunning. Voordat er aan een initiatiefnemer een omgevingsvergunning kan worden verleend, moet eerst worden vastgesteld wat de archeologische of cultuurhistorische waarde van het terrein of gebouw is. Als dat nog niet bekend is, kan de gemeente van de vergunningaanvrager verlangen om archeologisch dan wel cultuurhistorisch onderzoek te laten verrichten. De gemeente kan dan bijvoorbeeld voor ingrepen van een bepaalde omvang van de aanvrager verlangen dat (nader) waarderend cultuurhistorisch (bijv. bouwhistorisch) onderzoek wordt verricht ten einde de cultuurhistorische waarde van het gebied beter te kunnen vast stellen en daardoor meewegen. De kosten daarvan komen voor rekening van de aanvrager. Bij de vergunningsaanvraag dient de eindrapportage van het waarderend onderzoek mee ingediend te worden. Op basis van de onderzoeksresultaten neemt de gemeente een besluit over het verlenen van een vergunning en kan de gemeente randvoorwaarden stellen aan de omgevingsvergunning. Ook de kosten van deze maatregelen komen voor kosten van de initiatiefnemer.
Beschermen van erfgoed betekent overigens niet dat er niks meer mag veranderen aan een beschermd of waardevol object. Als de cultuurhistorische of monumentale waarden van een object of pand worden gerespecteerd is het geen probleem om wijzigingen aan te brengen. Bij een vergunningaanvraag wordt getoetst of deze waarden niet onevenredig worden aangetast. Als dat wel het geval is, vind een belangenafweging plaats, waarbij wordt gekeken of de andere belangen dermate zwaarwegend zijn dat zij aantasting van de cultuurhistorische waarden rechtvaardigen.
De oude pastorie in Lage Mierde, inmiddels getransformeerd tot groepsaccommodatie (bron: https://www.tipreusel-demierden.nl).
24
BOUWSTENEN VOOR DE TOEKOMST
Actiepunten:
In de omgevingsvisie moet worden aangegeven hoe de gemeente met zijn erfgoed omgaat en de instandhouding ervan voor de lange termijn waarborgt.
De gemeente moet aantasting van (de omgeving van) beschermde rijks- en gemeentelijke monumenten, cultuurhistorische en archeologische verwachtingswaarden voorkomen door het opnemen van instructie- en/of maatwerkregels in het omgevingsplan.
De gemeente kan in het omgevingsplan daarvoor in aanmerking komende stads- en dorpsgezichten en (delen van) cultuurlandschappen beschermen.
Met ingang van de Omgevingswet moet de gemeente een gemeentelijke adviescommissie instellen. De minimale wettelijke taak van de gemeentelijke adviescommissie is het uitbrengen van advies over vergunningaanvragen met betrekking tot rijksmonumenten (uitgezonderd archeologische rijksmonumenten).
De gemeente wordt verantwoordelijk voor de vergunningverlening voor het verstoren van archeologische rijksmonumenten, in het geval er sprake is van een meervoudige aanvraag.
In de Omgevingswet is geregeld dat in het geval van archeologische toevalsvondsten van algemeen belang niet alleen de minister van OCW, maar ook de gemeente bodemverstorende werkzaamheden kan stilleggen.
De instandhoudingsplicht houdt bij de Omgevingswet een ‘zorgplicht’ in dat een ieder moet zorgdragen dat het monument zodanig wordt onderhouden dat het behoud ervan gewaarborgd is. De gemeente heeft hierin een toezichts- en handhavende taak.
Het toetsingskader voor een sloopvergunning binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht moet in het omgevingsplan worden opgenomen.
Via de Interim Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant zijn instructieregels opgenomen waardoor gemeenten verplicht zijn om voor gebieden van provinciaal belang in het bestemmingsplan/ omgevingsplan passende regels op te nemen ter bescherming van de aardkundige of cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.
Bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden vindt plaats door in het omgevingsplan een vergunningstelsel op te nemen waardoor voor bepaalde ingrepen een omgevingsvergunning noodzakelijk is. De gemeente kan in dat kader van de vergunningaanvrager verlangen om archeologisch dan wel cultuurhistorisch onderzoek te laten verrichten.
25
BOUWSTENEN VOOR DE TOEKOMST
Kerk van Lage Mierde (boven) en grenskantoor aan de Turnhoutseweg (onder)
26
BOUWSTENEN VOOR DE TOEKOMST
4
Versterken eigen karakter
4.1
Inleiding
Reusel-De Mierden heeft een prachtig buitengebied met een divers landschap met landgoederen, bossen, heideontginningen, oude akkers, gehuchten, boerderijen en lange brede beekdalen. Sommige landschappen zoals de open akkergebieden, ontwikkelden zich de afgelopen eeuwen in een langzaam tempo en zijn relatief kwetsbaar voor veranderingen. Andere plaatsen kregen in korte tijd een geheel ander aanzien en karakter door menselijk ingrijpen, denk aan de jonge heideontginningen. Om het karakter van Reusel-De Mierden te versterken wordt ingezet op de historische eigenheid van gehuchten, wijken, dorpen en het buitengebied. Oude plekken scheppen ruimte voor nieuwe ideeën. Jong en oud voelt zich namelijk aangetrokken tot het verleden. Daar maakt de gemeente gebruik van. De erfgoedkaart geeft volop handvatten voor het (her)gebruik van het verleden voor de toekomst. Weten wat de cultuurhistorische kwaliteit is van de gemeente is niet alleen relevant voor het ruimtelijk beleid. Het cliché ‘onbekend maakt onbemind’, is nog steeds ook op erfgoed van toepassing. Het kennen van de cultuurhistorische waarden en de daarbij behorende gebruiken en verhalen van een gebied, is noodzakelijk voor welke vorm van erfgoedbeleid dan ook. Zonder de kennis over het gebied, is het uitdragen ervan richting gebruikers en bewoners van het gebied niet mogelijk.
De basis van dit beleid bestaat daarom uit het benoemen van de erfgoedwaarden van de gemeente en het samenbrengen van de cultuurhistorische kennis in een erfgoedkaart met bijbehorende archeologische en cultuurhistorische waarden- en verwachtingenkaarten, zie hiervoor het rapport Cultuurhistorie uitgediept. De erfgoedkaart van de gemeente Reusel-De Mierden nader bekeken met bijlagen waaronder de erfgoedcatalogus. Als inwoners van Reusel-De Mierden trots zijn op hun woonplaats, zijn zij ook (meer) bereid zorg te dragen voor hun erfgoed. Hieronder wordt een korte inleiding op de geschiedenis van Reusel-De Mierden en haar kerkdorpen gegeven. Voor een uitgebreide beschrijving van de bewoningsgeschiedenis wordt verwezen naar de toelichting op de erfgoedkaart en de bijhorende catalogus van de cultuurhistorische inventarisatie. 7 De kaarten met de toelichting zijn te raadplegen via https://odzob.nl/kaarten-erfgoed-archeologie
4.2
Historie Reusel-De Mierden
De huidige gemeente Reusel-De Mierden werd op 1 januari 1997 gevormd uit de gemeenten Hooge en Lage Mierde (4672 hectare) en Reusel (3106 ha.). Verder nog twee kleine hoekjes van Bladel en Netersel (4 ha) en Hilvarenbeek (20 ha), terwijl er 4 ha verloren ging aan Hilvarenbeek en 45 ha aan Bladel. Deze oude gemeenten hadden sinds hun vorming rond 1810 geen veranderingen meer ondergaan. Voordien bestond Hooge en Lage Mierde uit de afzonderlijke dorpsgemeenschappen van Hooge Mierde, Lage Mierde en Hulsel. In historische zin bestaat de huidige gemeente dus uit vier oude “dorpen”. 4.2.1
Reusel
Uit archeologische opgravingen in het midden van de negentiger jaren is gebleken dat er in de 8e eeuw rond de oude kerk van Reusel al een nederzetting was. Opgravingen rond de oude kerk aan de Wilhelminalaan, die begonnen zijn in 1997, hebben duidelijk gemaakt dat er een romaanse kerk in Reusel heeft bestaan. Deze is waarschijnlijk voorafgegaan door een houten kerkje, waar de ligging van de oudst gevonden graven op wijst. De romaanse kerk wordt vermeld in een document uit de 12e
7 Zie rapport “Cultuurhistorie uitgediept. De erfgoedkaart van de gemeente Reusel-De Mierden nader bekeken”.
27
BOUWSTENEN VOOR DE TOEKOMST eeuw. Vanouds waren de kerken in Reusel toegewijd aan Maria. In de Middeleeuwen werd hier een wonderbaarlijk Mariabeeldje vereerd. Aan deze praktijk kwam omstreeks het jaar 1600 een einde. De tufstenen romaanse kerk werd geleidelijk aan uitgebreid met bakstenen delen en is in de 14e eeuw vervangen door een gotische kerk die tot 1897 bleef bestaan. De kerken waren gesitueerd bij de huidige bushalteplaats.
Het dorp Reusel op de kaart van Van der Voordt-Pieck uit 1840. Reusel wordt in 1173 genoemd als Rosolo en Rosele en in 1179 als Rosule. Waarschijnlijk is de naam afgeleid van rus-ilo, dat is: de ruisende beek. Reusel is voor een groot deel een tiendakkerdorp. De kerk stond centraal in de open akker tussen de ver afgelegen gehuchten, met daarbij slechts één huis. Het dorp Reusel vult een ruimte tussen enkele grote open akkergebieden. De structuur dateert grotendeels uit de Late Middeleeuwen (1250-1500), toen de oudtijds verspreide bewoning zich verplaatste naar de randen van de akkercomplexen. De hoge heerlijkheid behoorde aan de hertog van Brabant, de lage en grondheerlijkheid al vanaf de twaalfde eeuw aan het klooster van Postel. Voor de ontwikkeling van Reusel is het klooster van Postel zeer belangrijk geweest. De witheren van Postel hadden Reusel in de 12e eeuw voor 5/6 deel in handen. Door hen werden pachtboerderijen gesticht met vooral schapen. Tien procent van de opbrengst van de boerderij moest aan Postel afgedragen worden (tienden). De wol ging naar de Hertogen van Brabant voor de lakenhandel (wollen stof). De mest van de schapen was cruciaal om de schrale zandgronden blijvend te kunnen gebruiken. Voorbeelden van Postelse pachtboerderijen zijn de Godshuishoeve ten Loven, Rouwenbochthoeve,
28
BOUWSTENEN VOOR DE TOEKOMST hoeve ten Breugel, huis ten Eijnde, hoeve, Nieuwenhuise (Verbrande hoeve) en hoeve ten Pole. Rondom deze boerderijen ontstonden vanaf 1200 de Reuselse gehuchten zoals de Rouwenbocht, Heikant, Weijereind/Kippereind, Weijereind, voort, Hoeven, Lensheuvel en Rijpershoek. In 1580 werd het dorp door oorlogsgeweld in het kader van de Tachtigjarige Oorlog verwoest en is een tijdlang verlaten geweest. Na de Vrede van Munster en jaren van procederen door de witheren van Postel en Floreffe en de Koning van Spanje kwam er een opsplitsing van Belgisch en Nederlands Brabant (1672). In het verdrag van Fontaine Bleau van 1785 werd vastgesteld dat Reusel onder de Republiek hoorde. De overwinning van de Hollanders was een ramp voor Staats Brabant en vooral voor de grensdorpen. De Hollanders voerden zware belastingen in terwijl de streek last had van oorlogen en plunderingen door bendes soldaten, die plunderend en brandschattend regelmatig een spoor van ellende trokken in Reusel en omgeving. Deze bendes konden hun gang gaan omdat het garnizoen die de orde moest handhaven in Den Bosch gelegerd was. De puur agrarische samenleving leed bittere armoe en er heerste veel angst in die tijd. Onder de Fransen van Napoleon (1798-1815) werd de ongelijkheid voor de katholieken opgegeven en kwam de kerk van Reusel weer in handen van de pastoor.
In de tweede helft van de 19e eeuw maakt Reusel door toedoen van pastoor van der Wee een enorme ontwikkeling door. Hij zorgde ervoor dat er een zuster klooster (1879) en een fratersklooster (1884) inclusief weeshuizen en een nieuwe kerk kwam. De zusters en fraters brachten in Reusel veel verbeteringen tot stand op het gebied van lager en middelbaar onderwijs, gezondheidszorg, cultuur, ouderenzorg, oprichting van verenigingen en deelname aan maatschappelijke organisaties en dorpsactiviteiten. In 1995 zijn de zusters en in 2008 zijn fraters uit Reusel vertrokken. Reusel was oorspronkelijk een agrarisch dorp, maar dit veranderde toen eind 19e eeuw een tramverbinding met Eindhoven en Turnhout tot stand kwam en de eerste sigarenfabrieken begonnen. In totaal hebben er een dertigtal bestaan, al zijn die nooit allemaal gelijktijdig in bedrijf geweest. Alleen de Karel I sigarenfabrieken uit 1928 in Reusel herinnert nog aan die tijd. Deze is al decennialang gesloten maar het gebouw bestaat nog steeds. Door het gebruik van kunstmest en de coöperatieve samenwerking tussen de boeren zoals beroepsvoorlichting en onderwijs, de boerenleenbank, de zuivelfabriek nam de agrarische sector een grote vlucht. In de jaren ’20 en ’30 van de 20e eeuw wordt begonnen met het ontginnen van de heidevelden. In 50 jaar tijd werden in Reusel bijna alle woeste gronden in cultuur gebracht.
Al deze ontwikkelingen zorgen ervoor dat de gehuchten die eens rondom de pachtboerderijen waren ontstaan naar elkaar toe groeien. Reusel leed zwaar onder de bombardementen en beschietingen van de Tweede Wereldoorlog. De langdurige beschietingen van Reusel tussen van 24 t/m 28 september 1944 werd door veel Reuselnaren in schuilkelders met angst en bidden afgewacht. Velen moesten tussen de beschietingen door toch nog vluchten naar veiliger oorden. Vele tientallen Engelse en Duitse soldaten vonden in die dagen de dood. Ook 16 Reuselnaren werden slachtoffer van het oorlogsgeweld.
4.2.2
Hooge en Lage Mierde
De vroegste vermelding van de naam Mierde dateert van rond 1200 en luidt Mirta of Myrtha. De naam is waarschijnlijk afgeleid van mier ‘moeras’ en betekent waarschijnlijk de plaats van de moerassen. Kerkelijk maakte Hooge Mierde in de Middeleeuwen één parochie uit met Lage Mierde en de abdij van Floreffe bezat aldaar reeds vóór 1201 het patronaatsrecht. Dit hield het recht tot benoeming van pastoors in en was vooral ook van belang met het oog op de tienden. In 1212 verwierf de abdij van 29
BOUWSTENEN VOOR DE TOEKOMST Averbode van Theodoricus, heer van Altena, de tienden te Mirta alsmede de hofstede Culitrode. De naam Culitrode luidt thans Kuilenrode. In 1298 nam de hertog van Brabant deze bezittingen van de abdij van Averbode onder zijn bescherming waarna hij ze 1331 verkoopt aan de ingezetenen van Mierde. In de tijd van de onderdrukking van godsdienst door de Hollanders bezaten de inwoners van Hooge Mierde een grenskapel op Arendonks grondgebied op ongeveer 90 meter van de Biesenvenpaal. De pastoor had onderdak gevonden op de pastorie van Arendonk. Van daaruit bediende hij zijn parochianen in de grenskerk. Na de komst van de Fransen in 1672 werd een tegenover de oude kerk van Hooge Mierde staande schuur ingericht als kerk. In de 18de eeuw werd vervolgens een nieuwe kerkschuur gebouwd. De oude, aan de H. Joannes van de Latijnse Poort toegewijde kerk, was - sinds de sluiting in 1648 - danig in verval geraakt. Toen pastoor Dominicus Peeters haar in 1800 terugkreeg, zag hij er voorlopig niets in. Alleen de toren met zijn hoge spits was nog bruikbaar. Men besloot voorlopig de schuurkerk te blijven gebruiken. Bij Kuilenrode aan de Poppelse dijk lag de pastorie van de pastoor van Hooge Mierde. In 1861 is de pastorie afgebroken. Voor zover de oude materialen nog goed waren, gebruikte hij die om een mooie pastorie bij de kerk te bouwen.
Waar ooit de pastorie stond, ligt nu nog een akker met een vest, een brede sloot en daar wordt nog steeds puin gevonden. In Lage Mierde kregen de gelovigen in 1803 hun in vervallen staat verkerende kerk terug. De oude kerk dateerde uit het einde van de 15e eeuw. Het voornaamste hiervan overgebleven gedeelte is de toren, die in het begin van onze eeuw stomp en met een lage kap gedekt was. In 1869 onderging de driebeukige kruiskerk een belangrijke restauratie. Het betrof hier onder andere herstel van het bovenlicht, verfraaiing van pilaren en gewelven terwijl er ook nog nieuwe kerkramen en andere versieringen werden aangebracht. Bijzonder is het gehucht Vloeieind, dat ligt opgesloten tussen twee beken, de Stroom en de Reusel. De sfeer wordt gevormd door twee met elkaar verbonden driehoekige pleintjes met bijbehorende bebouwing en lindebomen. Het bebouwingsbeeld met overwegend langgevelboerderijen dateert met name uit de periode 1875-1950. De driehoekige pleinen zijn onverhard. Kenmerkend is verder de kassei- en klinkerbestrating. Direct buiten Vloeieind beginnen de veldwegen, die over de voormalige Molenheide en Hulselse heide - sinds lang in weiden en akkerland herschapen - naar Reusel leiden. Hooge Mierde kende weinig of geen burgers of notabelen, behalve de onderwijzer en de pastoor. Hierdoor heeft het langer geduurd voordat er van enige burgerwoningen sprake was.
De eerste golf van modernisering werd doorgevoerd, evenals in Lage Mierde, met de komst van de Boerenleenbank. De eerste “uitbreiding” ontstond in de huidige St. Cornelisstraat. Daar werden na de Eerste Wereldoorlog de eerste burgerwoningen gebouwd. In de jaren ’30 ontstonden verspreid in het dorp “sigarenmakerswoningen”. Dit waren vrijstaande huizen, meestal met een “Franse kap”, gebouwd door sigarenmakers. Aan de huidige Gagel ontstonden de eerste ontginningen in deze periode. Het werd een mengeling van boerderijen en burgerwoningen. De verplaatste boerderijen tijdens de ruilverkaveling gingen naar de Luther en de Haarweg. Door de eerste nieuwbouw in de St. Cornelisstraat is het dorpscentrum verschoven van de Smidsstraat-Kerkstraat-Hoogstraat naar het huidige Myrthaplein. Het dorp Lage Mierde kende tot het einde van de 19e eeuw een vrij statisch huizenbestand. In tegenstelling tot de twee andere kernen, Hooge Mierde en Hulsel, was er echter wel het raadhuis gevestigd. Ook was er vanaf het midden van 19e eeuw een onevenredig groot aantal douanebeambten gehuisvest. De eerste uitbreiding ontstond rond 1900. De bouw van Sigarenfabriek Jamayca aan de 30
BOUWSTENEN VOOR DE TOEKOMST huidige Draaiboom en het huis van burgemeester Goudsmits aan de huidige Hoogemierdseweg 7 zijn de eerste aanzetten geweest. Tot aan het midden van de 20e eeuw werden de Draaiboom en de Hoogemierdseweg geleidelijk aan bebouwd, grotendeels met burgerwoningen. Vanaf 1960 verkopen de boeren hun boerderijen in de dorpskernen en kunnen door de uitvoering van de ruilverkaveling in de voormalige heidegebieden een nieuwe moderne boerderij bouwen.
De dorpen Hooge en Lage Mierde en Hulsel op de kaart van Van der Voordt-Pieck uit 1840. 4.2.3
Hulsel
Het dorp Hulsel bestaat al minimaal 1310 jaar. Een opgraving aan de noordkant van Hulsel op de Kerkekkers in 2008 heeft dit aangetoond. Het archeologische onderzoek leverde onder meer een waterput op die in het jaar 698 in gebruik is genomen en deel uitmaakte van een Merovingische nederzetting, bestaande uit een grote boerderij met een schuur. Mogelijk hebben we te maken met een oudere fase van de middeleeuwse nederzetting uit de 8e – 12e eeuw die in het midden van de jaren ’80 van de vorige eeuw werd ontdekt bij opgravingen rond de oude kerklocatie aan de Smeelakkers. Hier werden onder andere twee huisplattegronden uit de Karolingische periode gevonden en aardewerk uit de Merovingische periode. De nederzettingsresten op de Kerkekkers kunnen in elk geval in de 6e eeuw tot het begin van de 8e eeuw geplaatst worden. De nederzetting is niet geheel opgegraven maar loopt verder door in noordelijke en westelijke richting. Hulsel is onder de naam Hulislaum in 710 voor de eerste keer in een schenkingsakte aan Willibrordus vernoemd. Volgens Van Berkel en Samplonius is de naam waarschijnlijk afgeleid van laum, bosjes op hoge zandgrond en de oude boomnaam van de hulst. Hulsel was een hertogsdorp, na 1648 een Statendorp, in het kwartier van Oisterwijk in de Meierij van ´s-Hertogenbosch. 31
BOUWSTENEN VOOR DE TOEKOMST
Hulsel is een klein dorp met lintbebouwing, bestaande uit kerk, pastorie, school en een twintigtal boerderijen en huizen. Dorpsuitbreiding bleef lang uit. Burgerwoningen werden er niet of nauwelijks gebouwd. Meestal vernieuwde men bestaande boerderijen. Tussen 1900 en 1930 bouwden enkele boeren nieuwe boerderijen aan de huidige Bladelsedijk. Pas met de komst van de ruilverkaveling kwam er nieuwbouw. In tegenstelling tot de andere twee kernen, kun je in Hulsel niet van echte ontginningen in de voormalige heide spreken. Er werden nieuwe woningen gebouwd aan de Hoef, maar dat waren burgerwoningen, geen boerderijen. Nieuwbouw ontstond “achter de Kerk” aan de St. Clemensdreef en in de jaren ’70 aan de van Wagenbergstraat. Uitbreiding van boerderijen ontstond in deze periode aan de Molendijk. Daar werden een aantal ontginningsboerderijen gebouwd. Uitzonderlijk is de bouw van een groot filiaal van de Boerenbond aan het Vooreind 16a als vervanging van ’t Stumke (het Stoompje, het voormalige “pakhuis”) wat gestaan heeft tot in de jaren ’60 aan de kruising Willibrordlaan-Kanten. Met de bouw van een nieuwe school annex gemeenschapshuis ’t Drieske heeft Hulsel in die periode een nieuwe dorpskern gekregen. De oude lag op de kruising Kerkweg-Willibrordlaan hoewel het dorp voornamelijk lintbebouwing heeft.
4.3
Vergroten historisch besef
Erfgoed geeft atmosfeer en sfeer aan de kernen en het landschap; iedere kern heeft er volgens de Toekomstvisie 2030 een eigen karakter door. Dit is van belang voor de aantrekkelijkheid van de leefomgeving maar ook voor de toeristische en recreatieve aantrekkingskracht. Omdat meer mensen hun vrije tijd in de directe woon- en leefomgeving doorbrengen, is er gelukkig steeds meer aandacht voor de kwaliteit van die omgeving. De belevingswaarde van een omgeving is een belangrijke factor voor mensen om zich daar te vestigen. De historische waarde van Vloeieind is algemeen bekend. De inwoners van dit historische gebied zijn zich bewust van de cultuurhistorische waarden. Ze zijn trots om in zo’n prachtig gebied te mogen wonen. Ze koesteren de historische omgeving en er is draagvlak voor behoud hiervan. Dat geldt helaas niet voor al het erfgoed van Reusel-De Mierden. Veel erfgoed wordt niet als zodanig herkend en als gewoon ervaren. Inwoners zijn zich niet bewust van de bijzondere kwaliteiten die van het erfgoed uitgaan. Eerst op het moment dat een of meerdere belangrijke historische gebouwen of andere relicten verdwenen zijn ontstaat het besef. Maar dan is het vaak te laat. Het belangrijkste instrument tot behoud van erfgoed blijft het creëren van bewustwording en draagvlak bij inwoners en eigenaren van erfgoed.
Als mensen begrijpen hoe het landschap en de bebouwde omgeving ontstaan zijn, kan dat voor meer betrokkenheid zorgen. Het verhaal van de plek is dan een katalysator voor gesprek en samen werking tussen ruimtelijke initiatiefnemers en andere betrokkenen, zoals omwonenden. Cultureel erfgoed kan bijdragen aan inventieve oplossingen voor ruimtelijke, sociaaleconomische en maatschappelijke opgaven. Door het verhaal van de plek te onderzoeken en te doorgronden kan een ontwerp een zinvolle en herkenbare nieuwe laag en betekenis toevoegen. Cultureel erfgoed verhoogt zo de ruimtelijke kwaliteit. Ook kunnen oude technieken een hernieuwde, innovatieve toepassing krijgen. Voor het overbrengen van de verhalen van Reusel-De Mierden aan de inwoners is het wenselijk om een communicatie- en marketingstrategie op te stellen. Om een zo groot aantal inwoners te bereiken is het zaak dat bij het uitdragen van het verhaal van Reusel-De Mierden zoveel mogelijk moderne en laagdrempelige middelen worden ingezet. Denk daarbij aan o.a. plaatselijke bladen, lokale televisie, internet en Facebook. Interesse en draagvlak ontstaan niet in een keer. Het is net als bij reclame een kwestie van vaak onder de aandacht brengen alvorens daadwerkelijk interesse ontstaat. Ook de 32
BOUWSTENEN VOOR DE TOEKOMST Erfgoed Geowiki waar de erfgoedkaart van Reusel-De Mierden in is opgenomen, kan hierbij worden gebruikt. Daarnaast kan erfgoed beleefbaar worden gemaakt door de letterlijke ontsluiting van het erfgoed. Dat betekent dat het erfgoed publiek toegankelijk wordt gemaakt, bijvoorbeeld tijdens de Open Monumentendagen.
De Erfgoed Geowiki op de smartphone. Het vertellen van het verhaal van de plek en de geschiedenis van de gemeente zijn belangrijk bij het versterken en doorgeven van onze trots aan de jeugd. In dit kader is het van belang dat jongeren via onderwijsprojecten in aanraking komen met cultureel erfgoed. De jeugd heeft immers de toekomst. Cultureel erfgoed biedt een schat aan bronmateriaal voor het onderwijs en het gebruik ervan sluit goed aan bij het omgevingsonderwijs. Uitgangspunt van erfgoededucatie is de wens om de betekenis van erfgoed werkelijk te laten doordringen tot leerlingen door het verhaal van het landschap, de monumenten en ander erfgoed uit de omgeving van kinderen aan te laten sluiten bij hun belevingswereld. Ook hier kan de Erfgoed Geowiki een belangrijke rol vervullen doordat kinderen zelf informatie in de vorm van onder meer filmpjes, aan deze website kunnen toevoegen. Ook ten aanzien van erfgoededucatie is het wenselijk om samenwerking met de historische verenigingen in Reusel-De Mierden te zoeken. De historische verenigingen en de gemeente zouden in samenwerking met de basisscholen projecten kunnen ontwikkelen ten behoeve van het omgevingsonderwijs over cultuurhistorisch erfgoed.
4.4
Het beleven van erfgoed
Voor velen heeft de kwaliteit van de leefomgeving iets te maken met historische wortels. Het zorgt dat je je makkelijker thuis voelt omdat je je met iets in je omgeving kunt verbinden. Vaak zien we die wortels in de vorm van ankerpunten in het landschap als oude gebouwen, een boom of een pad, waaraan een historisch verhaal of gebeurtenis is verbonden. Ook is het ontdekken, herkennen en beleven van het verleden, vooral in de eigen omgeving, gewoon leuk, spannend en interessant. Het is dan goed om gebruik te maken van die historische wortels bij de inrichting van gebieden en ze terug te laten komen in de aan te leggen en verder in te richten woonwijk. Het beter beleefbaar maken van erfgoed kan in fysieke zin door bij de herinrichting van historische dorpskernen en historische waardevolle gebieden een passende bestrating, groenaanleg en straatmeubilair aan te brengen. Ook bij het (her)ontwikkelen van nieuwe (woon)gebieden is het eveneens wenselijk om gebruik te maken van bestaande historische kwaliteiten, zoals wegen, beplantingen, hoogteverschillen, etc. Verder kunnen archeologische vondsten en sporen van gebouwen zichtbaar worden gemaakt in het straatbeeld, bijvoorbeeld door markerende bestrating, een voorbeeld hiervan is de oude kerk in het park in Hulsel en de oude kerk op de plek van het busstation in Reusel.
Voor het visualiseren van erfgoed kan gebruik worden gemaakt van de erfgoedkaart die toegankelijk is via de website van de Omgevingsdienst.
33
BOUWSTENEN VOOR DE TOEKOMST
In Hulsel heeft de Heemkundekring De Mierden Hulsel een aantal karen geleden de fundering van de verdwenen middeleeuwse kerk weer opgebouwd (bron: https://jozefvanderheijdenfoto.blogspot.com/2018/01/hulsel-was-1140-jaar-parochie-hulsel.html). Jaarlijks worden er vele archeologische en cultuurhistorische onderzoeken gedaan in de gemeente ten behoeve van ruimtelijke ontwikkelingen. Deze onderzoeken leveren verhalen op over de geschiedenis van de gemeente Reusel-De Mierden. Te vaak nog verdwijnen deze verhalen na het onderzoek in de kast. De kennis wordt niet openbaar, laat staan inzichtelijk. Nieuwe verworven kennis zal een vast onderdeel moeten worden binnen de projectontwikkeling van de gemeente, waarvoor aan de voorkant van het proces aandacht wordt gevraagd en financiële middelen voor moeten worden gereserveerd. In dit stadium moet ten eerste voldoende budget worden gereserveerd voor het doen van deskundig onderzoek, voor het uitwerken van het onderzoek en voor het delen van het onderzoek. Het cultuurhistorische verhaal kan een plek meerwaarde en betekenis geven. Voor externe partijen zal de gemeente stimuleren dat tijdig onderzoek wordt uitgevoerd door de meerwaarde van het historisch karakter te benadrukken en waar nodig aanvullende eisen in de vorm van cultuurhistorisch onderzoek, aan de vergunning te stellen.
Naast de inpassing in de openbare ruimte kan de bewustwording over het historisch decor op andere manieren worden vergroot. Laagdrempelige publicaties van de onderzoeksuitkomsten vinden we een belangrijk onderdeel van het delen van de kennis. Het is eenvoudig de wetenschappelijke informatie uit onderzoeksrapporten samen te vatten in een goed leesbare en aantrekkelijke tekst. Hiervoor kan ook gebruikt worden gemaakt van digitale platforms. Wij gaan intern bij onze eigen projecten en extern bij de projecten van anderen sturen op deze vertaalslag van rapport naar openbare erfgoedbeleving en/of laagdrempelige vertaling van de informatie voor geïnteresseerden. De gemeentelijke website biedt een goede plaats voor eventuele digitale publicaties. Dit sluit de inzet van gedrukte exemplaren die op openbare plekken te verkrijgen zijn niet uit. Het zichtbaar maken van het verleden kan op verschillende manieren in de openbare ruimte, zowel fysiek als virtueel:
De opgegraven huizen maar ook de vondsten zelf kunnen in verschillende vormen terug worden gebracht: – in de vorm van speeltoestellen zoals bijvoorbeeld gedaan is in Enkhuizen of Someren: 34
BOUWSTENEN VOOR DE TOEKOMST
- als kunstobject in het straatbeeld zoals in Den Haag en Montfort is gedaan:
- in de vorm van groene (beplanting) of natuur-/baksteen markeringen:
Om het rijke maar verre en daarmee onbekende verleden echt tot leven te laten komen, kan gedacht worden aan het maken van virtuele historische reconstructies, waarbij je via animaties zelf dit verleden kunt ontdekken. Stap terug in de tijd van de Romeinen die hier ooit woonden en werkten. Ontsluiting hiervan kan via een eigen website (zoals in Boxmeer en Cuijk is gedaan) maar ook via de Erfgoed Geowiki.
35
BOUWSTENEN VOOR DE TOEKOMST
4.5
Erfgoed en economie
De ruimtelijke kwaliteit van het landschap buiten de dorpskernen wordt door bewoners en bezoekers zeer gewaardeerd. Deze kwaliteit zorgt voor een economisch gezond gebied, waarin mensen willen (blijven) investeren. Het helpt daarnaast om de waardering van de eigen inwoners voor het gebied te behouden. Het is daarom van belang dat er bij ontwikkelingen wordt nagedacht over hoe de nieuwe ontwikkelingen zich het beste voegen binnen de aanwezige ruimtelijke kenmerken van het gebied. Het gaat daarbij om de specifieke gebiedseigen kenmerken die voortvloeien uit het gebruik van het gebied door de eeuwen heen. Voor iedere regio is dat anders en dat vraagt om maatwerk. In het ruimtelijk kwaliteitsbeleid wordt vanuit het erfgoedbeleid daarom bijgedragen aan het formuleren van overzichtelijke gebied specifieke criteria. De cultuurhistorische ruimtelijke karakteristieken maken op die manier, als één van de belangen, onderdeel uit van de afwegingen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Uit de criteria zullen duidelijk de verschillen en overeenkomsten tussen kernen, linten en het landschap naar voren komen. Het is daarbij niet de bedoeling gebieden op slot te zetten of de bekende ‘stolp’ over het gebied te plaatsen. Om de gemeente Reusel-De Mierden gezond te houden zijn ontwikkelingen nodig en de criteria zijn daar ook op gericht.
Het belang van erfgoed zal worden gecombineerd met het belang van andere beleidsvelden, zoals economie, recreatie en toerisme, zodat het een bijdrage kan leveren aan het versterken van de identiteit van de gemeente Reusel-De Mierden. Om de ruimtelijke kwaliteit te kunnen versterken zal in het nieuwe ruimtelijke kwaliteitsbeleid nadrukkelijk aandacht worden besteed aan de ruimtelijke karakteristieken van het erfgoed. De te ontwikkelen richtlijnen ondersteunen en versterken de karakteristieken van het landschap, de bebouwingslinten en historische kernen. De gemeente Reusel-De Mierden heeft een groot aantal toeristische trekpleisters en vindt het belangrijk om de toeristische mogelijkheden in Reusel-De Mierden samen met inwoners en ondernemers verder uit te bouwen. Toerisme en recreatie leveren een belangrijke bijdrage aan de versterking van de economische diversiteit van de gemeente. De ruimtelijke kwaliteit, de herkenbaarheid en identiteit van de afzonderlijke kernen wordt versterkt door het benadrukken van de kwaliteiten van het aanwezige erfgoed. De emotie die een straat met een hoge cultuurhistorische en ruimtelijke kwaliteit oproept, lokt het winkelend publiek. Een combinatie van een karakteristieke winkelstraat en een goed winkelaanbod (beleidsgebied economie) maakt de kernen zowel voor de inwoners als eventuele dagjesmensen een interessante plek om te verblijven.
Door verbindingen te leggen tussen natuurrecreatie, cultuurhistorie/musea, wandelen en fietsen met horeca ontstaan ‘cross overs’ die nieuwe kansen bieden. Nieuwe kansen kunnen daarbij natuurlijk ook worden gecreëerd door leegstaande monumenten een toeristische bestemming te geven, zoals bijvoorbeeld een bed & breakfast of horecagelegenheid. Het leggen van verbindingen is één van de speerpunten van beleid. Erfgoed vormt een belangrijk onderdeel van dit beleid. Het erfgoed kan verder een effectieve bijdrage leveren aan de uitwerking van het beleid op gebied van toerisme en recreatie, door o.a. wandel- en fietsroutes die langs de mooiste plekjes en het bijzondere erfgoed van Reusel-De Mierden leiden. De erfgoedkaart kan via de Erfgoed Geowiki worden aangevuld met de verhalen van Reusel-De Mierden. Er kunnen o.a. wandelingen en fietsroutes langs interessante plekken worden ontwikkeld, waarbij de mobiele telefoon via GPS informatie geeft over de plek. Dat kan een tekstje zijn, maar ook een foto van de vroegere situatie, een gesproken verhaal of zelfs een (historisch) filmpje! Zo kan het leven van vroegere dagen eventjes opnieuw tot leven worden gebracht in woord en beeld. Daarnaast kan ook gebruik worden gemaakt van traditionele middelen zoals het
36
BOUWSTENEN VOOR DE TOEKOMST plaatsen van informatieborden bij monumenten en ander erfgoed. Op deze wijze wordt het erfgoed interessant voor toeristen en het grotere publiek.
Tijdens de eerste Wereldoorlog werd in 1915 een scheidslijn, in de vorm van een elektrische draadversperring aan de Belgisch - Nederlandse grens gemaakt. In de bossen van Reusel Zuid heeft de heemkundekring van Reusel een klein stukje van deze dodendraad nagemaakt (bron: https://www.tipreusel-demierden.nl/nl/home/item/1748-de-reuselse-dodendraad/).
Actiepunten:
Opstellen communicatieplan om te zorgen dat de historische verhalen van Reusel-De Mierden aan de inwoners worden overgedragen.
Combineren van erfgoed met het belang van andere beleidsvelden, zoals economie, recreatie en toerisme, zodat het een bijdrage kan leveren aan het versterken van de identiteit van de gemeente Reusel-De Mierden.
In het opstellen van het ruimtelijke kwaliteitsbeleid wordt nadrukkelijk aandacht besteed aan de ruimtelijke karakteristieken van het erfgoed.
Ondersteunen en initiëren van ontwikkelingen en projecten die bijdragen aan de erfgoedbeleving binnen de gemeente; hierbij wordt uitdrukkelijk gezocht naar samenwerking met andere partijen.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt vooraan in het proces gestuurd op het inzichtelijk en beleefbaar maken van cultuurhistorische en archeologische waarden in de openbare ruimte.
Erfgoed in overleg met regiogemeenten en de VVV meer ontsluiten via wandel- en fietsroutes (over gemeentegrenzen heen) met bewegwijzering.
Bevorderen dat de Erfgoed Geowiki wordt aangevuld en uitgebreid in samenwerking met de heemkundeverenigingen en de VVV.
37
BOUWSTENEN VOOR DE TOEKOMST
Zicht op Hooge Mierde vanuit de Smidsstraat (boven) en arbeiderswoningen met sigarenfabriek Karel I op de achtergrond aan de Turnhoutseweg (onder).
38
BOUWSTENEN VOOR DE TOEKOMST
5
Erfgoed verankeren
5.1
Archeologische monumentenzorg
Omdat in het bodemarchief meer dan 99 % van onze nog onbekende geschiedenis is opgeslagen en het lezen van dit archief door het op te graven, maar één keer mogelijk is, moet dit goed gebeuren. Om hier zorgvuldig mee om te gaan is er een aantal spelregels opgesteld. Deze komen samen in de cyclus van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). De AMZ-cyclus kent diverse stadia van verkennend, karterend en/of waarderend onderzoek in de vorm van bureau- en booronderzoek tot proefsleuven welke zijn vastgelegd in de protocollen en leidraden van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (zie schema hieronder). Of het geheel of delen van deze trechterende cyclus doorlopen moet worden is per gebied en per ontwikkeling vanwege de specifieke aard van de te verwachten archeologische waarden vrijwel altijd verschillend.
De verschillende processtappen van de archeologische monumentenzorg (Bron: Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie SIKB)
39
BOUWSTENEN VOOR DE TOEKOMST Om te weten te komen of er sprake is van archeologische waarden in een gebied waar een ontwikkeling gaat plaatsvinden, is maatwerk maar bovenal lokale/regionale kennis nodig. Na elke onderzoeksfase volgt een beslismoment waarin vastgesteld wordt of de archeologische waarde in voldoende mate is vastgesteld en of deze behoudens-/onderzoekswaardig is. Centraal daarin staat de potentiële kenniswinst die daarbij te behalen valt. Geen nader onderzoek als er geen kenniswinst is te behalen. Alleen indien behoud in de bodem niet mogelijk is, kan de gemeente eisen dat het terrein wordt opgegraven. De initiatiefnemer betaalt hiervoor de kosten. De archeologische verwachtingen- en waardenkaart geeft een vlakdekkend overzicht van alle bekende en verwachte archeologische waarden en verwachtingen binnen het grondgebied van de gemeente Reusel-De Mierden waaraan het archeologische beleid van de gemeente is gekoppeld. In 2011 heeft de gemeente Reusel-De Mierden al vrijstellingsgrenzen vastgesteld voor archeologisch onderzoek die gelden voor de verschillende aanwezige archeologische verwachtingen- en waarden binnen de gemeente.8 Het archeologiebeleid van 2020 borduurt hier op voort en maakt onderscheid in 7 gebiedscategorieën, zie onderstaande tabel. De vrijstellingsgrenzen zijn bepaald voor zowel de diepteingreep als de oppervlakte-ingreep (zie tabel 1).
Archeologisch onderzoek wordt noodzakelijk geacht zodra beide vrijstellingsgrenzen overschreden worden. Hoe hoger de archeologische verwachting, des te groter is de kans dat archeologische waarden bij bodemingrepen aangetroffen worden. In gebieden met een lage verwachting bestaat er alleen bij grootschalige ingrepen een gerede kans op het aantreffen van archeologische resten. De oppervlaktecriteria voor de plangrenzen zijn dan ook gebaseerd op de archeologische trefkans. Hoe kleiner deze is, hoe groter een onderzoeksgebied moet zijn om een redelijke kans te creëren archeologische relicten aan te treffen. Daarnaast is ook bewust rekening gehouden met maatschappelijke afwegingen. Particuliere ontwikkelingen zijn doorgaans beperkt van omvang (tot max. 200 m²). Om de burger niet overmatig te belasten met de verplichting om (soms kostbaar) archeologisch (voor)onderzoek te laten uitvoeren bij de bouw of verbouw van een woning, is in gebieden met een hoge archeologische verwachting – historische kern een maximale ondergrens van 250 m² vanuit maatschappelijk, maar in veel gevallen ook archeologische overwegingen, acceptabel. Tabel 1 Categorieën en bijhorende vrijstellingsgrenzen gemeente Reusel-De Mierden DubbelCat.
Naam
bestemming archeologie
Ontgravingen dieper dan
Totaal te vergraven oppervlak in m2
1
Beschermd monument
Ja
0 cm
0 m2
2
Archeologische waarden
Ja
40 cm
100 m²
Ja
40 cm
250 m²
3
Hoge verwachting, historische kern
4
Hoge verwachting
Ja
40 cm
500 m²
5
Middelhoge verwachting
Ja
40 cm
2500 m²
7
Lage verwachting
Nee
Vrijstelling
Vrijstelling
7
Geen verwachting
Nee
Vrijstelling
Vrijstelling
Om te bepalen of een aanpassing van de ondergrenzen in oppervlak en diepte noodzakelijk is, is een analyse gemaakt van de archeologische onderzoeken die de afgelopen jaren binnen de gemeente zijn uitgevoerd (zie bijlage 2 van de toelichting op de erfgoedkaart). Daarbij is gekeken naar de geldende archeologische verwachting en of en hoe vaak de verschillende archeologische onderzoeken vondsten 8 Beleidsplan Archeologische monumentenzorg (inclusief erfgoedkaart en erfgoedverordening) gemeente Reusel-De Mierden 2011.
40
BOUWSTENEN VOOR DE TOEKOMST en/of nieuwe kennis hebben opgeleverd. Uit de evaluatie is gebleken dat de opgenomen ondergrenzen naar behoren functioneren en dat hier geen aanpassingen nodig zijn. De gemeenten heeft echter de wens om een aantal ondergrenzen aan te passen en zo overeen te laten komen met de vigerende bestemmingsplanregels. In het archeologiebeleid uit 2011 was een variabele dieptegrens opgenomen van 30 cm en 50 cm –mv bij esdekken. Na afweging van enerzijds maatschappelijke en economische belangen en anderzijds de archeologie, wil de gemeente deze dieptegrens graag aanpassen naar een generieke diepte van 40 cm –mv voor heel Reusel-De Mierden. Normaal agrarisch grondgebruik blijft hierdoor mogelijk zonder dat archeologisch onderzoek hoeft te worden verricht. Diepwoelen, omwoelen, diepploegen, egaliseren etc. zijn activiteiten die niet vallen onder normaal agrarisch grondgebruik. Indien men hierbij dieper gaat dan 40 cm -mv is een omgevingsvergunning voor de activiteit aanleggen noodzakelijk. Een andere aanpassing in de ondergrenzen betreft het vrijgeven van gebieden met een lage archeologische verwachting. In het archeologiebeleid uit 2011 was hiervoor nog een eis tot archeologisch onderzoek opgenomen indien er bodemingrepen plaatvonden over een groter oppervlak dan 2,5 ha en dieper dan 40 cm –mv.
Opgraving van een Romeinse waterput in Reusel-Weijererf in 2011.
5.2
Archeologische verwachtingen- en waarden
Op de archeologische verwachtingen- en waardenkaart zijn de in de gemeente aanwezige archeologische waarden en archeologische verwachtingen aangegeven. Binnen het grondgebied van Reusel-De Mierden zijn zeven zones van archeologische verwachtingen of waarden toegekend: 1)
(Wettelijk beschermde) archeologische monumenten
2)
gebieden met archeologische waarde
3)
gebieden met een hoge archeologische verwachting, historische kern
4)
gebieden met een hoge archeologische verwachting
5)
gebieden met een middelhoge archeologische verwachting
6)
gebieden met een lage archeologische verwachting
7)
gebieden zonder archeologische verwachting.
41
BOUWSTENEN VOOR DE TOEKOMST In het bestemmings-/omgevingsplan zullen alleen aan de categorieën 1 tot en met 5 door middel van een dubbelbestemming of aanduiding instructie- dan wel maatwerkregels verbonden moeten worden. Voor categorieën 6 en 7 geldt dit niet omdat hier geen onderzoeksplicht aan is verbonden. In bijlage 2 is een handleiding voor de archeologische verwachtingen- en waardenkaart van de gemeente Reusel-De Mierden opgenomen waarmee aan de hand van een schema en stappenplan kan worden bepaald wanneer archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Een beschrijving van de archeologische vindplaatsen, onderzoeken, verwachtingen en waarden is te vinden in de toelichting op de erfgoedkaart en de bijbehorende bijlagen. 5.2.1
Wettelijk beschermde archeologische monumenten
Van deze gebieden staat op basis van archeologisch onderzoek of waarnemingen vast dat hier belangrijke archeologische resten in de grond zitten. Het merendeel van deze terreinen vallen onder de vergunningplicht van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE). Ook zijn er drie archeologische monumenten toegevoegd omdat hier sprake is van belangrijke archeologische resten in de bodem. Het gaat om de middeleeuwse kerklocaties met begraafplaatsen van Reusel, Hooge en Lage Mierde.9 5.2.2
Gebieden van archeologische waarde
Hiertoe behoren die delen van de gemeente waar op basis van óf archeologisch onderzoek, óf de bekende archeologische waarnemingen en/of de bekende historische gegevens van het terrein (vrijwel) vaststaat dat hier belangrijke archeologische resten in de grond zitten. Ook de niet wettelijk beschermde archeologische monumenten (AMK-terreinen) vallen hieronder. Een aantal terreinen worden tot de categorie archeologisch waardevol gerekend op basis van reeds bekende archeologische waarnemingen of op grond van historische gegevens. Voor Reusel-DE Mierden betreft dit bijvoorbeeld een omgrachte hoeve bij Kuilenrode in Reusel-De Mierden, waarvan op basis van archeologisch dan wel historisch onderzoek de archeologische potentie inmiddels is vastgesteld. 5.2.3
Gebieden met een hoge archeologische verwachting - historische kernen
Hieronder vallen de historische bekende gehuchten en woonlinten zoals deze staan aangegeven op de kadasterkaart van 1832 waar met grote waarschijnlijkheid archeologische resten verwacht kunnen worden. De verwachting wordt bevestigd door de deels nog aanwezige historische bebouwing in de vorm van boerderijen. 5.2.4
Gebieden met een hoge archeologische verwachting
Hieronder vallen die delen van de gemeente waar op basis van de in het model gebruikte aantallen met grote waarschijnlijkheid archeologische resten verwacht kunnen worden. Het grootste deel van alle bekende archeologische vindplaatsen in de Kempen is afkomstig uit deze zones. Ook de bij de verschillende archeologische onderzoeken bekend geworden vindplaatsen zijn veelal gelegen in zones met een hoge archeologische verwachting. 5.2.5
Gebieden met een middelhoge archeologische verwachting
Binnen deze zones kunnen terreinen liggen waar door erosie of uitloging alle archeologische waarden verdwenen zijn, naast terreinen waar door afdekking met plaggen eventueel aanwezige archeologische waarden juist zeer goed geconserveerd zijn. Het betreffen hier voornamelijk de zogenaamde veldpodzolgronden. Deze gronden zijn vooral gelegen in de (voormalige) heidegebieden. De prehistorische vindplaatsen geven aan dat bewoning in de prehistorie mogelijk is geweest. Deze kunnen echter wel opgeruimd zijn door de hier in de 19e en 20e eeuw uitgevoerde ontginningen, de aanwezige bedrijfsterreinen en natuurlijke bodemprocessen als verstuiving en uitloging. 9 De kerklocatie van Hulsel is een beschermd archeologisch Rijksmonument.
42
BOUWSTENEN VOOR DE TOEKOMST
De archeologische waarden- en verwachtingenkaart van Reusel-De Mierden van 2020
43
BOUWSTENEN VOOR DE TOEKOMST 5.2.6
Gebieden met een lage archeologische verwachting
Binnen deze zones kunnen wel archeologische waarden aangetroffen worden. Echter, op basis van de geomorfologie en de bodemkundige kenmerken van het terrein (beekdal, beekeerd, vlakvaaggronden, e.d.) of vanwege het verwachte incidentele en extensieve gebruik van de zones (depositielocaties, veeweiden, grondstofwinning, e.d.) zijn dergelijke arealen moeilijk archeologisch te onderzoeken. Recente inzichten wijzen er ook op dat vooral beekdalen in een zeer dunne spreiding bijzondere vondsten kunnen bevatten, welke echter wegens hun geringe aantal meestal alleen bij grootschalige werkzaamheden aangetroffen zullen worden. 5.2.7
Gebieden zonder archeologische verwachting
Dit zijn locaties waarvan bekend is dat ze door de mens grootschalig verstoord zijn. Het gaat om terreinen waarvan is vastgesteld dat de archeologie verdwenen of diepgaand verstoord is door ontgronding, egalisatie (met drainage), nieuwbouw, (snel)wegen, ondergrondse leidingen, sanering, opgravingen of diepe grondbewerking bij bepaalde gewasteelt.
5.3
Nadere beleidsafwegingen archeologie
5.3.1
Plangebied versus bodemverstorende ingreep10
Bij het bepalen van de onderzoeksverplichting dient uitgegaan te worden van de omvang van de feitelijke bodemverstoring in het plangebied. Uitgaande van de omvang van de bodemverstoring voorkomt in veel gevallen dat bij relatief kleine (vaak particuliere) ingrepen ten opzichte van grote(re) plangebieden een onderzoeksplicht ontstaat voor het volledige plangebied, terwijl de feitelijke ontwikkeling misschien maar de bouw van één huis betreft. Bij het te berekenen van het verstoringsoppervlak, wordt boven het te bebouwen oppervlak een marge 5-10 % opgeteld om de feitelijke omvang van de bouwput, de aan te leggen kabels en leidingsleuven en dergelijke qua verstoring mee te rekenen. Indien de ondergrens overschreden wordt en archeologisch (voor)onderzoek dus noodzakelijk is, dient wel het gehele plangebied inventariserend onderzocht te worden. Bij bestemmingsplannen (nieuwe, herzieningen of wijzigingen) dient steeds het gehele plangebied onderzocht te worden, ongeacht de vermoedelijke- bodemroering. Dit principe wordt gehanteerd om bij het aantreffen van (behoudenswaardige) archeologische resten planaanpassing door bijvoorbeeld verplaatsen van de bodemverstorende ingrepen mogelijk te maken zonder dat bijkomend onderzoek op de nieuwe verstoringslocatie noodzakelijk is.
Bij concrete plannen (omgevingsvergunningen diverse activiteiten) wordt als eerste de omvang van de bodemroering bepaald. Overschrijdt deze de oppervlakte-ondergrens én de diepte-ondergrens niet, dan is er geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. Worden beide gestelde ondergrenzen overschreden, dan dient het gehele plangebied middels een vooronderonderzoek (doorgaans een bureau- en booronderzoek) onderzocht te worden. In het kader van eventueel vervolgonderzoek (proefsleuvenonderzoek, opgraving en/of begeleiding) dient het onderzoeksgebied afgestemd te worden op het verstoringsgebied (wat kan kleiner kan zijn dan het plangebied). Op plangebieden waarvoor een bepaalde archeologische waarde geldt, maar die qua bodemingreep beneden de vrijstellingsdrempel voor onderzoek vallen, blijft de dubbelbestemming onverminderd van kracht. Indien uit (voor)onderzoek is gebleken dat geen archeologische waarden in het (plan)gebied meer te verwachten zijn, kan de dubbelbestemming Waarde-Archeologie van de verbeelding verwijderd
10 Van de Water 2016.
44
BOUWSTENEN VOOR DE TOEKOMST worden. Bij bestemmingsplanwijziging kan bovendien archeologie altijd (weer) als dubbelbestemming worden meegenomen. 5.3.2
Bodemingrepen met een geleidelijk effect
Een aparte categorie vormen de bodemingrepen die een geleidelijk effect hebben op de dieper liggende archeologische resten. Het betreft dan met name bodemingrepen die de afvoer van grond met zich meebrengt die niet opnieuw wordt aangevuld. Hierbij kan gedacht worden aan het afplaggen van heide in het kader van natuurbeheer en -ontwikkeling, buxusteelt, (laan)bomenteelt en graszodenteelt. Maar ook activiteiten die kunnen leiden tot een cumulatief aantasten van het archeologische bodemarchief. Hierbij kan gedacht worden aan: diepploegen, aspergeteelt, drainagesystemen aanleggen, enz. Deze ingrepen kunnen leiden tot een ongeziene en ongewenste verstoring van de archeologische resten zonder dat grondverzet plaatsvindt. In dergelijke gevallen is het belangrijk in het kader van een vergunning eerst vast te stellen wat het effect van de ingreep (op de langere termijn) kan zijn op de eventueel aanwezige archeologische ondergrond. Dit kan gebeuren door bijvoorbeeld het bestuderen van bewijsvoering om historische verstoringen vast te stellen of het vaststellen van de dikte van de bouwvoor of het beschermende akkerdek en de diepteligging van de archeologisch relevante laag met behulp van verkennende boringen en/of profielputjes.