[20.19422] - Bijlage
Tekst van het document
In het kader van de vergunningaanvraag of bestemmingswijziging dient dan ook telkens afgewogen te worden of het uitvoeren van een archeologisch (voor)onderzoek wenselijk dan wel noodzakelijk is. 5.3.3
Plangebied met verschillende archeologische waarden
Indien binnen een plangebied waarvoor een omgevingsvergunning wordt aangevraagd volgens de archeologische verwachtingen- en waardenkaart verschillende archeologische waarden voorkomen, dan geldt de hoogste aanwezige waarde met bijbehorende vrijstellingsdrempel ter bepaling van de onderzoeksverplichting. Slechts als de hoogste waarde een zeer beperkt deel uitmaakt van het plangebied (< 10 %), kan na afweging worden besloten om de oppervlakteondergrens te hanteren die het grootste deel uitmaakt van het plangebied.
5.4
Duurzaam behoud van het bodemarchief
Het voornaamste uitgangspunt van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is om er naar te streven waardevolle archeologische resten voor toekomstige generaties in de bodem te behouden. Het komt dan ook steeds vaker voor dat besloten wordt om archeologische vindplaatsen in de bodem te bewaren (behoud in situ) waarmee duur archeologisch onderzoek wordt voorkomen. Dat er steeds meer behoud van archeologie plaats vindt, is duidelijk een teken dat de archeologiewetgeving voldoet. In vier van de 56 plangebieden waar archeologie speelde in de afgelopen 9 jaar in Reusel-De Mierden, was sprake van behoud in situ door het plan aan te passen of doordat de archeologische laag niet werd geraakt. Dat de meeste vindplaatsen echter niet in de grond bewaard blijven, komt niet per se door een gebrek aan maatschappelijk draagvlak of politieke onwil. Onderliggende redenen zijn vooral praktisch en financieel van aard: ontwikkelaars gaan niet gauw kostbaar waarderend onderzoek uitvoeren, als niet zeker is of een plan tot uitvoering komt. Bij behoud komen echter ook duidelijke richtlijnen voor goed behoud in situ om de hoek kijken.
Wanneer is er sprake van een goede bewaring? Kan er zomaar grond opgehoogd worden bij een vindplaats? Zijn schroefpalen ter voorkoming van vergraving van de bodem, een goed alternatief? Vanuit de behoudsdoelstelling is het van belang dat bij het ontwerp en de voorbereiding van nieuwbouwplannen in gebieden waar archeologische waarden aanwezig zijn, in een zo vroeg mogelijk stadium onderzocht wordt in hoeverre archeologische resten via civieltechnische maatregelen in situ 45
BOUWSTENEN VOOR DE TOEKOMST kunnen worden veiliggesteld. Bij inpassingsmaatregelen en archeologiesparend bouwen kan concreet gedacht worden aan het vermijden van de aanleg van (parkeer)kelders, het toepassen van zogenaamde zettingsvrije constructies, het bouwen op bestaande funderingen of het toepassen van draagconstructies boven archeologisch waardevolle lagen. Bij projecten in archeologisch waardevolle gebieden of zones met een hoge verwachting kan de gemeente, daar waar redelijkerwijs mogelijk, archeologische maatregelen opnemen in het programma van eisen van het ontwerp. Om behoud in situ in goede banen te leiden en het voor iedereen inzichtelijk te maken wanneer er sprake kan zijn van goed behoud, zijn voorwaarden voor behoud in situ opgesteld zie bijlage 3. Deze zijn gebaseerd op landelijke studies maar zijn afgestemd op de landschappelijke en archeologische situatie in de regio Zuidoost-Brabant. De stappen om te komen tot een archeologievriendelijk bouwplan zijn idealiter als volgt: 1. Vooroverleg, voorafgaand aan het indienen van de vergunningaanvraag: a)
Informatie-uitwisseling tussen gemeente en initiatiefnemer bouwplan.
b)
Archeologisch rapport plangebied
c)
Risico-inventarisatie bouwplan
d)
Planaanpassing tot archeologievriendelijk bouwplan
2. Vergunningprocedure Het bouwplan wordt in het kader van de vergunningprocedure onder andere op het aspect archeologie getoetst. De gemeente beslist of het bouwplan voldoende is aangepast en uitgevoerd kan worden. Een voorwaarde waaronder de vergunning wordt verleend kan zijn dat bepaalde ingrepen archeologisch begeleid worden of dat delen van de vindplaats die verstoord raken voorafgaand aan de bouw opgegraven worden. In het uiterste geval kan een vergunning worden geweigerd. Als geen vooroverleg over het bouwplan is gevoerd zal het overleg, een eventuele planaanpassing of onderzoek binnen de vergunningtermijn moeten plaatsvinden. De initiatiefnemer loopt daarmee het risico dat het ingediende bouwplan te schadelijk gevonden wordt, waardoor een opgraving voorafgaand aan de bouw nodig is. Of dat een vergunning niet verleend wordt omdat planaanpassing niet meer binnen de termijn uitgevoerd kan worden.
5.5
Gebouwde monumentenzorg en cultuurhistorie
De gemeente is gebonden aan de wettelijke verplichtingen ten aanzien van de zorg voor cultuurhistorische waarden. Zo heeft zij een verplichting ten opzichte van de instandhouding van rijksmonumenten en moet er bij grote en kleine ruimtelijke ontwikkelingen getoetst worden hoe is omgegaan met het behoud van cultuurhistorische waarden. Bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan (omgevingsplan) heeft de gemeente zelf ook de verplichting dit in beeld te brengen. De Cultuurhistorische Waardenkaart vormt hiervoor de basis. Daarnaast kan de gemeente vastleggen dat een advies van de commissie ruimtelijke kwaliteit benodigd is. Om de cultuurhistorische waarden te kunnen beschermen en mee te kunnen wegen, zal in veel gevallen net als bij archeologie een omgevingsvergunning noodzakelijk zijn. Hierbij wordt onder andere getoetst op basis van wat er in de erfgoedverordening staat en vanaf 2022 in de beoordelingsregels van het omgevingsplan. Door zo vroeg mogelijk in het proces rekening te houden met het eventueel aanwezige erfgoed en de omgang ermee, wordt de afweging transparant voor initiatiefnemers, in plaats van dat het een frustratie is aan het einde van het proces. Daarbij kan door
46
BOUWSTENEN VOOR DE TOEKOMST vroeg in het proces deel te nemen aan de ruimtelijke afweging, tijdig nagedacht worden over hoe erfgoed ontwikkelingen kan versterken en onmogelijkheden worden omgevormd tot kansen. Voor het afgeven van een omgevingsvergunning is een zorgvuldige afweging nodig tussen de aangevraagde wijziging of geplande ontwikkeling en de consequenties die deze wijziging of ontwikkeling heeft op de monumentale- en cultuurhistorische waarden van het pand of gebied. Wat betekent het bouwen van nieuwe woningen voor de cultuurhistorische waarde zoals aangeduid op de erfgoedkaart? Bij wijzigingen in monumenten en ensembles is er specifieke aandacht nodig om het historische beeld en structuur te behouden en te versterken. Dit geldt ook voor de instandhouding van cultuurhistorisch waardevolle objecten. De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien de cultuurhistorische waarden niet worden geschaad en bij de activiteit monumenten/slopen alleen als het belang van de monumentenzorg zich daar niet tegen verzet. In het geval van aanwezige cultuurhistorische waarden kan aan initiatiefnemers van ingrijpende ontwikkelingen om aanvullend onderzoek worden gevraagd. Dit kan afhankelijk van de werkzaamheden cultuur-, architectuur- of bouwhistorisch onderzoek betreffen.
De kennis uit het onderzoek kan vervolgens worden ingezet voor kaderstelling bij ontwikkelingen of om de ontwikkeling in harmonie met de aanwezige cultuurhistorische waarden uit te voeren. Voor wat betreft de inhoudelijke aspecten van de aanvraag voor het wijzigen van erfgoed zijn met name details van belang. Deze details komen in een aantal momenten in de vergunningprocedure tot uiting. Daarbij is de intake van de aanvraag een belangrijk moment. Bij de intake en de ontvankelijkheidtoets moet worden gecheckt of alle relevante details van de te wijzigen onderdelen zijn toegevoegd. Om dit te kunnen beoordelen moeten medewerkers inzicht hebben in de cultuurhistorische waarden van het monument in relatie tot de wijzigingen. Dit vraagt deskundigheid ten aanzien van erfgoed. Om te voorkomen dat belangrijke details over het hoofd worden gezien, is een gedegen ambtelijke voorbereiding van de beoordeling dan ook noodzakelijk.
5.6
Gemeentelijke monumenten
Reusel-De Mierden heeft op dit moment een gemeentelijke monumentenlijst met 15 gemeentelijke monumenten. Deze bevinden zich op één monument na, dat in Hulsel is gelegen (pastorie), in de kern van Reusel. Het betreft de kerk en pastorie met tuin en begraafplaats en het fraterhuis met woonhuizen aan de Groenstraat. Door de concentratie van monumenten in Reusel kan het beeld ontstaan dat er in de andere kernen geen behoudenswaardig erfgoed aanwezig is. Dat is zeker niet het geval en blijkt wel uit de quickscan van beeldbepalende panden in het buitengebied die begin 2020 is gemaakt. Uit deze beschrijvingen van de circa 70 panden blijkt dat er nog volop gebouwen in aanmerking komen voor de status van gemeentelijk monument op basis van de architectuur-, bouw-, landschappelijke/stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden, zie verder de toelichting op de erfgoedkaart. De cultuurhistorische inventarisatie maakt, na de selectie van de waarden, een onderscheid tussen zeer hoge (potentiële monumenten) en hoge (beeldbepalende of karakteristieke) cultuurhistorische waarden. De objecten met een zeer hoge cultuurhistorische waarde komen in aanmerking voor een status als gemeentelijk monument. De bedoeling is dat ook de bebouwde gebieden nog worden gescand en beschreven. Dit gebeurt in overleg met de heemkundekringen.
De gemeente is voor het behoud van de meest waardevolle cultuurhistorische objecten. Daarbij zullen, op enkele uitzonderingen na, deze objecten ook ruimtelijk het meest tot de verbeelding spreken. Het zijn immers de diamantjes binnen de ruimtelijke structuur en zijn daarmee een inspiratiebron voor toekomstige ontwikkelingen en hergebruik. We starten daarom met een inhaalslag voor de aanwijzing
47
BOUWSTENEN VOOR DE TOEKOMST van monumenten in de kernen en het buitengebied. De aanwijzing zal plaatsvinden via een functieaanduiding11 en via regels in het omgevingsplan.
De cultuurhistorische waardenkaart van Reusel-De Mierden van 2020
11 Gemeenten moeten ervoor zorgen dat de regels in het omgevingsplan leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2, eerste lid, Omgevingswet). De functieaanduiding is daarvoor een goed hulpmiddel. Een functieaanduiding geeft aan wat de bedoeling is binnen een bepaalde locatie: de beoogde functie. Bijvoorbeeld wonen, detailhandel, kantoor, dienstverlening, bedrijven, verkeer of natuur. Zo'n locatie kan ook een bredere functieaanduiding hebben, zoals 'gemengd gebruik' met daaronder activiteiten zoals wonen en (lichte) bedrijvigheid. Ook kan een functieaanduiding zich richten op één specifiek aspect, zoals de aanduiding 'gemeentelijk monument'.
48
BOUWSTENEN VOOR DE TOEKOMST
5.7
Cultuurhistorische waarden
Op de Cultuurhistorische Waardenkaart zijn de in de gemeente aanwezige cultuurhistorische waarden van lokaal, regionaal en bovenregionaal belang aangegeven. Voor de gemeente Reusel-De Mierden onderscheiden we drie verschillende waarden: 1.
Beschermd rijksmonument;
2.
Beschermd gemeentelijk monument;
3.
Object of gebied met cultuurhistorische waarde, waaronder beeldbepalende panden.
De cultuurhistorische waarden kunnen verder worden getypeerd naar verschillende typen objecten of gebieden welke veelal een specifieke omschrijving in planregels vragen. Het gaat om: -
Cultuurhistorische ensembles
-
Aardkundige waarden
-
Historische bouwkunst
-
Historische stedenbouw
-
Historische geografie
-
Historisch groen
Een beschrijving van de afzonderlijke gebouwen, objecten en gebieden is te vinden in de toelichting op de erfgoedkaart en de bijbehorende bijlagen.
5.7.1
Cultuurhistorische ensembles
De waardering van de cultuurhistorie gaat uit van losse elementen en van ensembles. Ensembles zijn groepen van historisch landschappelijke elementen die een nauwe samenhang hebben. Een landgoed is zo’n ensemble: een centraal huis met siertuin, moestuin, vijver, park, boerderijen, lanen en dreven, een stuk bos en misschien enkele “follies”: verrassende sierelementen. Het ensemble van dat landgoed vat dat alles weer samen zoals het ook bedoeld is en functioneerde, namelijk als een echt landgoed. Ensembles kunnen zowel bestaan uit meerdere gebouwen die tot een geheel horen zoals een klooster of landgoed, maar het kan ook gaan om één element. Zo'n "element" is dan een ensemble op zich, terwijl elders een ensemble uit een rij apart genoemde elementen is opgebouwd. In Reusel-De Mierden gaat het om 15 ensembles, waaronder Vloeieind, landgoed De Utrecht, akkercomplex Hulsel en de Peelsche Heide. In de ensembles zijn de cultuurhistorische vlakken en complexen van provinciaal belang geïntegreerd. Voor de cultuurhistorische ensembles zal in het bestemmings-/omgevingsplan een beschermende regeling opgenomen moeten worden. Het gaat hierbij deels om instructieregels vanuit de provinciale omgevingsverordening. In de beschrijving van de ensembles (zie bijlage 2 van de toelichting op de erfgoedkaart) wordt ingegaan op de samenhang van de losse punten, lijnen en vlakken.
Ze bestaan steeds uit een aantal naar type verschillende onderdelen die elkaar aanvullen en tot een boeiend geheel maken. Samen hebben ze een geschiedenis, vertellen ze een verhaal en zijn ze dus ook makkelijker te beschermen. Deze ensembles vragen bijzondere zorg. Hun kracht kan achteruitgaan door het vernietigen van één of meer onderdelen. Zorgvuldige planning en aanvulling van "gaten" in het ensemble kan de kracht er juist van vergroten. Onderhoud maar zeker ook ontwikkeling zal de ensembles in de toekomst moeten behouden. Ensembles lenen zich ook voor een educatief element: een plaquette met uitleg en opname in fiets- of wandelroutes-met-uitleg. Geïsoleerde elementen hebben een lagere waarde dan elementen die met andere elementen relevante relaties hebben of daarmee zelfs een uitgesproken ensemble vormen. Wanneer elementen uit een ensemble aangetast worden, daalt daarmee de waarde van het hele ensemble en van de andere onderdelen daarvan. 49
BOUWSTENEN VOOR DE TOEKOMST 5.7.2
Aardkundige waarden
De provincie Noord-Brabant heeft in Reusel-De Mierden twee aardkundig waardevolle gebieden aangewezen. Het gaat om de Mispeleindsche Heide op de Midden-Brabantse dekzandrug die vooral vanwege de daar aanwezige duincomplexen wordt geroemd. Het andere gebied is een voormalig veengebied in het zuiden van Reusel – De Mierden dat oorspronkelijk deel uitmaakte van de Postelse Moeren, maar nu als “Reuselse Moeren” bekend staat. Dit gebied wordt gezien als een voorbeeld van levend hoogveen zoals vroeger veel voorkwam in Noord-Brabant. Het is ecologisch interessant omwille van de actieve hoogveenvorming. Voor de aardkundige waarden zal in het bestemmings-/omgevingsplan een beschermende regeling opgenomen moeten worden. Het gaat om instructieregels vanuit de provinciale omgevingsverordening.
De onlangs tot gemeentelijk monument benoemde pastorie en kerk van Reusel met pastorietuin (bron: Eindhovens Dagblad d.d. 16 juni 2020). 5.7.3
Historische bouwkunst
Voor de (voorbeschermde) rijks- en gemeentelijke monumenten en de waardevolle historische bouwkunst zullen in het bestemmings-/omgevingsplan maatwerkregels worden opgenomen. De instandhouding van de hoofdvorm kan met een omgevingsvergunning voor het slopen worden beschermd. Ook kunnen andere voor het gebied of voor het gebouw specifieke karakteristieke kenmerken zoals nokrichting, ligging, bebouwingsstructuren en maatvoering worden beschermd. Dit is mogelijk door het leggen van bouwvlakken, bouwaanduidingen, figuren en maatvoering op de verbeelding. Bestemmingen en regels ter bescherming van bouwhistorische waarden kunnen als ruimtelijk relevant worden gezien en ter bescherming van bouwhistorische waarden kunnen regels worden gesteld in het omgevingsplan. De grondslag hiervoor is te vinden in artikel 13.6 Bal.
50
BOUWSTENEN VOOR DE TOEKOMST 5.7.4
Historische stedenbouw
Ook voor de historische stedenbouw met cultuurhistorische waarde zullen in het bestemmings/omgevingsplan maatwerkregels opgenomen moeten worden. In bepaalde gebieden is sprake van een bebouwingsstructuur die sinds jaar en dag op een bepaalde manier is opgebouwd. Per gebied zijn hierin verschillende kenmerken en karakteristieken te onderscheiden. Het is belangrijk om de ruimtelijke opbouw van het gebied te behouden. Er kan sprake zijn van verspreide of dichte tot half open bebouwingsstructuren. Een bebouwingsstructuur kan worden vastgelegd door middel van het vastleggen van de plaats van de bebouwing in bouwvlakken en het werken met gevellijnen. Op open plekken in de structuur wordt dan geen bouwvlak gelegd of krijgen de gronden een bestemming waarbinnen bebouwing niet is toegestaan. 5.7.5
Historische geografie
Onder historische geografie met een cultuurhistorische waarde vallen verschillende thema’s zoals akkers en landgoederen. Afhankelijk van de aanwezige kwaliteiten kunnen bepaalde beschermende maatwerkregels worden opgelegd. Een functieaanduiding ‘specifieke vorm van waarde - open gebied’ behoort ook tot de mogelijkheden. Om de openheid van het gebied te beschermen kunnen beperkende bouwregels worden opgenomen waarin bebouwing wordt tegengegaan. Daarnaast kan het aanbrengen van opgaande beplanting worden gekoppeld aan een omgevingsvergunning voor het aanleggen. 5.7.6
Historisch groen
Voor het historisch groen met cultuurhistorische waarde zullen in het bestemmings-/omgevingsplan maatwerkregels worden opgenomen. Historische beplanting, zoals parken, laanbeplanting, waardevolle bomen, zullen specifiek bestemd dienen te worden als ‘Historisch groen’. Waardevolle bomen kunnen ook worden aangeduid met de functieaanduiding ‘monumentale boom’. Bebouwing kan binnen deze groenstructuren worden tegengegaan in de bouwregels. Voor verschillende werken en werkzaamheden, zoals voor het aanleggen van verharding en het verwijderen van beplanting, kan het vereiste van een omgevingsvergunning voor het aanleggen worden opgenomen.
5.8
Basisregels archeologie en cultuurhistorie omgevingsplan
Rijks- en gemeentelijke monumenten als ook objecten of gebieden met cultuurhistorische waarden, waaronder de aardkundige waarden en ensembles, zullen via instructie- en maatwerkregels in het omgevingsplan moeten worden opgenomen ter bescherming van de aanwezige cultuurhistorische waarden. Daarnaast wordt voorgesteld om voor de Rijks- en gemeentelijke monumenten ook een functieaanduiding op te nemen in het omgevingsplan. In bijlage 4 zijn de basisregels voor archeologie en cultuurhistorie opgenomen die bij het opstellen van het omgevingsplan binnen de gemeente Reusel-De Mierden als uitgangspunt kunnen worden gebruikt.12 De regels zijn afgestemd op de verschillende categorieën archeologische en cultuurhistorische waarden en verwachtingen. In de toelichting van het omgevingsplan zal op basis van de erfgoedkaart een cultuurhistorische paragraaf dienen te worden opgenomen. Hierin wordt het volgende beschreven en/of weergegeven:
de ondergrond in het plangebied voor zover relevant voor de historische situatie;
de bewoningsgeschiedenis en/of de stedenbouwkundige geschiedenis van het gebied;
de aanwezige monumenten en andere karakteristieke bebouwing of relicten;
het archeologische/cultuurhistorisch onderzoek naar de waarden;
12 De regels moeten voldoen aan de Standaard toepasbare regels (STTR) voor opname in het Omgevingsloket. Daarbij is het mogelijk om extra informatie toe te voegen aan de toepasbare regels, zoals toelichtingen.
51
BOUWSTENEN VOOR DE TOEKOMST
de (relicten van) historische terreininrichting en het landschap (verkaveling, begroeiing, wallen, sloten, bolle akkers, steilranden, holle wegen etc.);
het gemeentelijke beleid ten aanzien van archeologische en cultuurhistorische waarden en/of verwachtingen;
tot slot wordt een motivering gegeven van de wijze waarop in het eventuele ruimtelijk ontwerp wordt omgegaan met de eventueel aanwezige waardevolle archeologische en cultuurhistorische relicten.
Actiepunten:
Behoud van archeologische resten in de grond (behoud in situ) moet voldoen aan de gemeentelijke richtlijnen en de maatregelen ter bescherming en behoud van de archeologische resten moeten worden opgenomen in de voorwaarden van de vergunning.
Opnemen van objecten, gebieden, structuren, e.d. met een beeldbepalende cultuurhistorische waarde in het bestemmingsplan (omgevingsplan) en erfgoedverordening.
Initiatiefnemers bij ontwikkelingen stimuleren en waar nodig verplichten tot het doen van onderzoek naar de aanwezige erfgoedwaarden.
Opstarten inhaalslag aanwijzing gemeentelijke monumenten.
De actuele basisregels archeologie en cultuurhistorie door vertalen in bestemmings/omgevingsplan inclusief de nieuwe ondergrenzen in oppervlakte en diepte.
Stuifduin bij het Zwartven, het op een na hoogste punt van Brabant. De oorspronkelijke heide werd in stand gehouden met schapen. Door gras te plaggen en bomen te rooien is het landschap weer in zijn oude glorie hersteld (bron: https://www.tipreusel-demierden.nl). 52
BOUWSTENEN VOOR DE TOEKOMST
Januskop aan de Kleine Cirkel (boven) en sporen van turfwinning bij het Beleven (onder).
53
BOUWSTENEN VOOR DE TOEKOMST
6
Verbeteren van de kwaliteit van erfgoed
6.1
Loketfunctie
Bewustwording en draagvlak voor erfgoed is ook belangrijk voor het in stand houden en het verbeteren van de kwaliteit van het erfgoed. De regelgeving omtrent erfgoed is complex en onderhoud en restauratie van monumenten en erfgoed vraagt specifieke kennis. Het onderhouden van een gebouwd monument is niet eenvoudig. Onderhoud, restauratie en herbestemming van erfgoed is gecompliceerd. Veel eigenaren zijn niet op de hoogte van alle regels en subsidie- en financieringsmogelijkheden. Om eigenaren te helpen bij de instandhouding van monumenten en waardevol erfgoed en bewustwording en draagvlak bij de eigenaar te creëren is het wenselijk om eigenaren goed te informeren en met hun in gesprek te gaan. Eigenaren van rijks- en gemeentelijke monumenten, panden met een beeldbepalend karakter of een andere soort erfgoed moeten met hun vragen op een centrale plek terecht kunnen. De gemeente is het eerste aanspreekpunt voor al hun vragen over financiering, ontwikkeling en subsidies. Deze vragen zijn vaak maatwerk die vanachter een bureau lastig zijn te beantwoorden. Dit betekent dat wij om de eigenaren goed te kunnen adviseren, indien noodzakelijk, een persoonlijk bezoek zullen afleggen aan de locatie waarover de vraag gaat. Een bezoek op locatie geeft een beter beeld van de vraag.
Door de eigenaren bewust te maken van waarden, de weg te wijzen, mee te denken en te faciliteren bij het onderhoud en restauratie ontstaat wederzijds begrip, hetgeen indirect ten goede komt aan een betere planvorming en instandhouding van erfgoed. Algemene informatieavonden zijn vaak een geschikt middel om het eerste contact met eigenaren tot stand te brengen en de drempel naar de gemeente te verlagen. Daarnaast is het wenselijk om ook professionals zoals architecten, makelaars en notarissen van de juiste informatie te voorzien door o.a. een kaart en informatie van rijksmonumenten en gemeentelijke erfgoed op de website te plaatsen, zodat deze bij aan-, verkoop en verbouwing van panden kan worden geraadpleegd en het gemeentelijke loket wordt ontlast. Er is slechts een beperkt aantal architecten dat gespecialiseerd is in monumentenzorg. Veel plannen voor verbouwingen en restauraties van monumenten worden echter gemaakt door architecten die niet goed op de hoogte zijn van alle aspecten van de monumentenzorg. Het is zinvol om (wellicht in samenwerking met andere regiogemeenten) een informatieavond voor architecten te organiseren. Door heldere communicatie met deze doelgroep kan duidelijk worden gemaakt aan welke eisen een in te dienen aanvraag voor het wijzigen van een monument moet voldoen alsmede welke subsidie en financieringsmiddelen er bestaan.
Doordat de architect beter is geïnformeerd, kan belangrijke tijdwinst voor zowel de architect, klant als gemeente worden geboekt. Vaak ontbreekt het aan de voorkant van een vergunningsproces aan informatie, waardoor plannen soms op en neer gaan tussen de gemeentelijke monumentencommissie en de initiatiefnemer om uiteindelijk tot een aanvaardbaar plan te komen.
6.2
Herbestemming van erfgoed
Oude gebouwen geven sfeer en karakter. Vaak zijn het juist de gebouwen met een specifieke functie, zoals boerderijen, kerken, kloosters en fabrieken die een sterke eigen identiteit hebben en daarmee karakter geven aan een bepaald gebied binnen de gemeente. De gebouwen zijn vaak typologisch sterk verbonden met hun oorspronkelijke functie, wat het hergebruik van dit soort gebouwen niet altijd eenvoudig maakt als de functie (op die plek) ophoudt te bestaan. Vanuit het rijk is er voor erfgoed
54
BOUWSTENEN VOOR DE TOEKOMST momenteel een mogelijkheid een subsidie aan te vragen voor herbestemmingsonderzoek en het winden waterdicht houden van de gebouwen tijdens de onderzoeksperiode.13 Gebouwd erfgoed dat niet wordt onderhouden of leeg staat, raakt in verval. Het kan alleen in stand worden gehouden als het erfgoed een bestemming heeft. Hiervoor is een actieve rol voor de gemeente weggelegd. Eigenaren van leegstaande monumenten moeten actief worden benaderd om over te gaan tot restauratie en herbestemming. Om inzicht te krijgen in de staat van al het gebouwde erfgoed is het wenselijk om dit te inventariseren. Dat kan o.a. door het opstellen van een lijst en door middel van een enquête waarin aan eigenaren wordt gevraagd of hun pand op kortere of langere termijn leeg komt te staan en er plannen bestaan voor verbouwingen of restauraties. Op basis van de lijst en enquête kan met eigenaren in gesprek worden gegaan. Door de eigenaren in een vroeg stadium bewust te maken van waarden, de weg te wijzen, mee te denken en te faciliteren bij de herbestemming, het onderhoud of de restauratie van hun pand ontstaat wederzijds begrip, hetgeen indirect ten goede komt aan een betere planvorming en instandhouding van erfgoed. De komende jaren zullen vooral verouderde agrarische (VAB), religieuze en industriële complexen vrijkomen, waaronder ook gebouwen uit de wederopbouwperiode.
Deze complexen beslaan veelal grote oppervlakten en maken daardoor een essentieel onderdeel uit van de dorpsgeschiedenis met alle bijhorende verhalen en ruimtelijke kwaliteit. Het is wenselijk en ook mogelijk om in bestemmings/omgevingsplannen ruimere mogelijkheden op te nemen voor herbestemming van leegstaand gebouwd erfgoed. Uiteraard zal daarbij rekening moeten worden gehouden met het monument en de omgeving. Voor erfgoed dat het waard is te behouden, ook als dit geen formele status als beschermd rijks- of gemeentelijk monument heeft, zullen wij de eigenaren ondersteunen. Voor de gemeente is daarnaast een rol weggelegd in het meedenken met de eigenaren en (waar mogelijk) faciliteren van ontwikkelingen. We kunnen nog meer inspelen op de veranderende woonbehoeften. Er is bijvoorbeeld meer vraag naar seniorencomplexen of juist woningen met werkruimte aan huis voor de toenemende groep zzp-ers. Erfgoed kan hierin een rol spelen doordat deze vaak ook geen standaard plattegronden hebben en dus kunnen beantwoorden aan een bijzondere woonbehoefte. Zeker het erfgoed met een groot oppervlak, zoals boerderijen met bijgebouwen of voormalige fabrieksgebouwen hebben potentie om vanuit een nieuwe visie geschikt te maken voor deze doelgroepen.
De rol van de gemeente is dan vooral gelegen in het kijken hoe wensen in overeenstemming met alle belangen die spelen bij een dergelijke ontwikkeling kunnen worden gerealiseerd. Dit vraagt van onszelf integraal denken, flexibiliteit en oplossingsgerichtheid. Niet onbelangrijk binnen het hele verhaal van de herbestemming is ook de duurzaamheid die wij in het hergebruik van erfgoed zien. In plaats van sloop, waarbij waardevol bouwmateriaal verloren gaat, willen we bijdragen aan het duurzame behoud ervan. Dit staat los van de innovatie die nodig is om de gebouwen goed bewoonbaar te maken naar de maatstaven van deze tijd. Ook daarin deinzen we als gemeente niet terug om over onconventionele manieren na te denken over verduurzaming. Het oude ontwerp van een gebouw biedt vaak vele aanknopingspunten om een gebouw aantrekkelijker te maken om in te wonen. Denk bijvoorbeeld aan het aanbrengen van luiken en het terugbrengen van compartimentering in gebouwen. Teruggrijpen op oude ideeën levert vaak zowel binnen als buiten het gebouw een fraaiere oplossing. Het betekent overigens niet dat een gebouw in de toekomst niet verduurzaamd kan worden, maar het vraagt om andere oplossingen dan nieuwbouw. De bouwfysische opbouw van oude gebouwen is niet berekend op de huidige systemen, waardoor het gebouw ernstige schade op kan lopen.
Wij gaan bij herbestemming daarom tevens inzetten op het duurzaam hergebruik van de gebouwen. 13 Zie https://www.cultureelerfgoed.nl/onderwerpen/subsidie-herbestemming-monumenten.
55
BOUWSTENEN VOOR DE TOEKOMST
Omdat de komende jaren vooral veel monumentale en cultuurhistorisch waardevolle boerderijen vrij zullen komen, is in 2019 het Boerderijenfonds opgericht om particulieren te helpen bij het behoud van hun erfgoed. Het doel van het Boerderijenfonds is bewustwording te stimuleren met betrekking tot hergebruik van agrarisch erfgoed, alsook het hergebruik van agrarisch erfgoed concreet te bevorderen door subsidieverstrekking. Eigenaren van agrarisch erfgoed kunnen een aanvraag indienen bij het Boerderijenfonds. Op www.boerderijenfonds.nl is alle informatie over de werking van het fonds te vinden. Zo wordt beschreven wie er een aanvraag kan indienen en is te lezen waaraan een aanvraag moet voldoen om in behandeling te worden genomen.
De voormalige Karel I Sigarenfabriek aan de Turnhoutseweg in Reusel is rijksmonument en inmiddels in gebruik als bedrijfsverzamelgebouw.
6.3
Bouwhistorisch onderzoek
Bij gemeentelijk erfgoed is vaak sprake van een summiere beschrijving en waardestelling, omdat meestal alleen de buitenzijde van het pand beschreven is. Om duidelijkheid te krijgen over de specifieke waarden van een monument, is het in de meeste gevallen wenselijk om voorafgaande aan de planvorming een bouwhistorisch onderzoek of verkenning te laten uitvoeren. Of in het pand nog oude kelders, schouwen of constructieonderdelen, zoals balklagen of oude kapconstructies aanwezig zijn, is in de meeste gevallen niet bekend. De diepgang van het onderzoek is afhankelijk van de ingreep en de vraag welke monumentale waarden in geding zijn. Bouwhistorisch onderzoek omvat het zoeken naar alle relevante gegevens, en de analyse en de interpretatie daarvan, die kunnen leiden tot de beschrijving van de bouw – en gebruiksgeschiedenis van bouwwerken of structuren. Er worden verschillende vormen van bouwhistorisch onderzoek onderscheiden op grond van de diepgang van de werkzaamheden. Het doel van bouwhistorische onderzoek is: -
signalering van historische bouwwerken en structuren; 56
BOUWSTENEN VOOR DE TOEKOMST -
documentatie van historische bouwwerken en structuren (bouw-, verbouwings –en gebruikersgeschiedenis)
-
bouwhistorische waardestelling van historische bouwwerken en structuren, ten behoeve van een (in cultuurhistorisch opzicht) beter beheer of als voorbereiding van een restauratie, verbouwing of herbestemming. Door het bepalen en vastleggen van bouwhistorische waarden kan worden voorkomen dat deze door onwetendheid verloren gaan;
-
advisering bij verbouwingen van bouwwerken en structuren;
-
vergroting van kennis van de geschiedenis van het bouwen / verbouwen
-
procesvoortgang en tijdswinst vanwege de transparantie over de waardenstelling van de te behouden onderdelen.
De belangrijkste conclusies uit het bouwwerk of de structuur zelf wordt getrokken uit de bouwmassa, de gevels, de constructie, de toegepaste materialen, de bewerking van de materialen en de afwerking van het interieur, met inbegrip van alle sporen van wijziging en toevoeging. Uit kaartmateriaal, literatuur en archieven kunnen eveneens bouwhistorische conclusies over bouwwerken worden getrokken; de mate van diepgang waarin dit gebeurt hangt af van de onderzoeksvraag. Het is de bedoeling dat de medewerkers van de gemeente een bezoek brengen aan het pand om een eerste inschatting te maken van de aanwezige waarden in relatie tot de gewenste wijzigingen en consequenties voor de waarden. Wanneer geen monumentale waarden in het geding zijn, of een beperkte ingreep plaatsvindt, zal geen of slechts een beperkt onderzoek nodig zijn. Slechts in een beperkt aantal, meer gecompliceerde, gevallen zal een onderzoek door een deskundige moeten plaats vinden. Uitgangspunt is dat het onderzoek in een zo vroeg mogelijk stadium wordt verricht, zodat het kan dienen als leidraad voor de planvorming. Tevens vormt het waardenstellend onderzoek van de medewerker van de gemeente of externe deskundige een toetsingskader voor de beoordeling van aanvragen voor wat betreft de specifieke monumentale waarden van een pand.
6.4
Gemeentelijke richtlijnen archeologisch/cultuurhistorisch/bouwhistorisch onderzoek
In haar rol van bevoegd gezag ziet de gemeente er op toe dat bij de uitvoering van alle vormen van archeologisch onderzoek wordt gewerkt conform de (standaard)richtlijnen zoals vastgelegd in het gemeentelijke erfgoedbeleid en de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). Dit gemeentelijke toezicht geldt ook voor cultuurhistorisch en bouwhistorisch onderzoek wat steeds vaker binnen de gemeenten voorkomt. Hier waren nog geen richtlijnen voor opgesteld vanuit de gemeente in tegenstelling tot archeologie. Deze richtlijnen voor archeologisch/cultuurhistorisch/bouwhistorisch onderzoek zijn te vinden in bijlage 5 en zijn bedoeld om het zorgvuldig omgaan met erfgoed verder te professionaliseren. Dat raakt veel belanghebbenden en betrokkenen; van eigenaar, onderzoeker, ontwerper, toezichthouder tot en met beheerder. Het gaat om het nemen van afgewogen beslissingen. De cultuurhistorische waarde is daarbij een essentieel onderdeel. De richtlijnen zijn in eerste instantie bedoeld voor eigenaren/beheerders van een cultuurhistorisch waardevol object, gebied of gebouw, de onderzoekers die de waarden van een vaststellen, en toetsers die veranderingen beoordelen en/of daarvoor vergunning verlenen. De resultaten leveren in woord en beeld inspiratie en uitgangspunten op voor het ontwerpproces.
57
BOUWSTENEN VOOR DE TOEKOMST
6.5
Regionale Onderzoeksagenda Erfgoed
Cultuurhistorie en archeologie geven een kijk op de (lokale) historie en vormen een deel van ons verleden. Historische sporen zijn uniek; bij verstoring / verwijdering zonder nadere kartering, zijn ze voor altijd verloren. Daarnaast zijn en worden in gemeente archeologische vondsten gedaan die op nationaal niveau van belang zijn. De erfgoedkaart verbeeldt de huidige stand van kennis over archeologie en cultuurhistorie en de keuzes die gemaakt zijn bij het aanwijzen van gebieden met hoge waarden of een hogere of minder hoge verwachting. De resultaten van het onderzoek leveren een bijdrage aan de geschiedschrijving van de gemeente en de regio. Door toekomstig onderzoek kunnen bestaande lacunes geleidelijk worden opgevuld, maar zullen ongetwijfeld nieuwe vragen gesteld worden. Dit zal zijn invloed hebben op onze waardering van individuele monumenten, het bodemarchief en historische gebieden. Een regelmatige evaluatie van de onderzoeksresultaten kan leiden tot een bijstelling van de archeologische verwachtingen- en waardenkaart. De Kempengemeenten beschikken sinds de vaststelling van het archeologiebeleid in 2011 over een Regionale Archeologische Onderzoeksagenda, die gebruikt wordt bij het formuleren van onderzoeksvragen bij proefsleuvenonderzoeken en opgravingen. Deze onderzoeksagenda was gebaseerd op de in 2006 gelanceerde Nederlandse Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA).
De stand van kennis is sindsdien echter sterk toegenomen en is een nieuwe Nationale Onderzoeksagenda Archeologie 2.0 beschikbaar. Ook verscheen eind 2018 het syntheseonderzoek naar de bewoningsgeschiedenis van Oost-Brabant vanaf de late prehistorie tot en met de late middeleeuwen,14 en zijn er inmiddels nog veel meer syntheseonderzoeken vanuit de RCE beschikbaar. 15 Met deze nieuwe kennis is het mogelijk om de onderzoeksagenda verder in te kleuren gericht op de Kempenregio.
Publicatie over het syntheseonderzoek naar de bewoningsgeschiedenis van Oost-Brabant vanaf de late prehistorie tot en met de late middeleeuwen uit 2018. 14 E. Ball & R. Jansen, 2018: Drieduizend jaar bewoningsgeschiedenis van oostelijk Noord-Brabant. Synthetiserend onderzoek naar locatiekeuze en bewoningsdynamiek tussen 1500 v.Chr. en 1500 n.Chr. op basis van archeologisch onderzoek in het Malta-tijdperk (NAR 61), Amersfoort. 15 https://www.cultureelerfgoed.nl/onderwerpen/bronnen-en-kaarten/overzicht/synthese-archeologischeonderzoeksrapporten.
58
BOUWSTENEN VOOR DE TOEKOMST
Omdat ook het bouwhistorisch en cultuurhistorisch onderzoek toe zal gaan nemen, is ervoor gekozen om de archeologische onderzoeksagenda aan te vullen met onderzoeksvragen gericht op bouwhistorie en cultuurhistorie van de Kempen, zodat ook op deze terreinen meer gericht onderzoek kan plaatsvinden. De onderzoeksagenda is te vinden in bijlage 6 bij deze beleidsnota en geeft aan wat bekend is aan archeologische en historische informatie over de gemeente/regio en welke informatie nog ontbreekt. Zo wordt aangegeven in welke gebieden (bijvoorbeeld oude dorpskernen en beekdalen) extra aandacht nodig is voor archeologie en/of cultuurhistorie teneinde meer te weten te komen over de lokale historie. Zoveel mogelijk wordt aangegeven wat in de uitvoeringspraktijk de meest geschikte methoden zijn om deze vragen te onderzoeken en te beantwoorden.
6.6
Toezicht en handhaving
Het is niet alleen zaak dat tijdens de planvorming en vergunningprocedure zorgvuldig met monumentale waarden en details wordt omgegaan, maar ook tijdens de uitvoering. Dit kan worden bewerkstelligd door voorafgaande aan de aanvang van de bouwwerkzaamheden met de eigenaar en aannemer een overleg te voeren waarbij het bouwplan en de uitvoering in relatie tot de vergunning in detail worden afgestemd en belangrijke details en restauratietechnieken worden doorgesproken. Ook is het noodzakelijk dat de toezichthouder door de planbeoordelaar nauwkeurig op de hoogte wordt gesteld van de kritische details en uitvoeringstechnieken. Het is wenselijk dat zowel de plantoetser als toezichthouder bij het afstemmingsoverleg met de opdrachtgever en uitvoerende partijen aanschuiven. Tijdens dit afstemmingsoverleg kan tevens worden vastgelegd op welke momenten terugkoppeling plaats vindt met de gemeente. De instandhoudingsplicht uit de Erfgoedwet (en straks de Omgevingswet) houdt in dat een eigenaar van een rijksmonument zorgt dat het monument zodanig onderhouden wordt dat instandhouding van het object en de monumentale bouwkundige elementen gewaarborgd is. Een eigenaar voldoet niet aan de instandhoudingsplicht wanneer onderdelen van het monument aantoonbaar niet onderhouden zijn en de eigenaar langdurig nalaat om het noodzakelijke onderhoud uit te voeren.
Achterstallig onderhoud aan dak, aan de constructie maar ook aan schilderwerk leidt tot verval, waardoor het behoud van het monument niet verzekerd is. Het maakt niet uit of de verwaarlozing opzettelijk of onbewust gebeurt. Met de instandhoudingsplicht kan een gemeente een eigenaar aanspreken die zijn rijksmonument niet onderhoudt. In het uiterste geval kan de gemeente handhavend optreden om het noodzakelijke onderhoud af te dwingen. Deze handhaving moet proportioneel zijn. Dit houdt in dat de gemeente niet moet wachten tot een alomvattende restauratie nodig is, maar zij moet ook niet bij elk ontbrekend likje verf bij de eigenaar op de stoep staan. De gemeente bewaakt het ‘algemeen maatschappelijk belang’ van het erfgoed. Daarom is een actieve rol van de gemeente van belang. De Omgevingswet biedt daarvoor de ruimte. We gaan mogelijkheden onderzoeken om erfgoed binnen het handhavingsbeleid meer aandacht te geven. De gemeente kan, als bevoegd gezag, een bestuurlijke boete opleggen bij overtreding van erfgoedregels. Dat kan gaan om regels op gemeentelijk, provinciaal en rijksniveau die betrekking hebben op cultureel erfgoed. Zowel voor beschadiging en vernieling (actief ) als onthouden van noodzakelijk onderhoud (passief) en het niet melden van een archeologische toevalsvondst geldt deze regel.
59
BOUWSTENEN VOOR DE TOEKOMST
Actiepunten:
actief benaderen, informeren en stimuleren monumenteneigenaren;
staat van monumenten en restauratiebehoefte in beeld brengen middels een quickscan;
maatwerkgesprekken met eigenaren inzake subsidie- en fiscale en financiële mogelijkheden;
informatieavonden organiseren (per doelgroep);
ruimere mogelijkheden opnemen in bestemmings-/omgevingsplan om herbestemming van leegstaande monumenten mogelijk te maken;
bouwplan en de uitvoering in relatie tot de vergunning vooraf afstemmen tussen gemeente en eigenaar;
mogelijkheden onderzoeken om erfgoed binnen het handhavingsbeleid meer aandacht te geven.
60
BOUWSTENEN VOOR DE TOEKOMST
Schuur bij Elzenstraat 1 (boven) en langgevelboerderij een Braakhoek 3 (onder).
61
BOUWSTENEN VOOR DE TOEKOMST
7
Organisatie en Financien
Alvorens dit beleidsplan wordt uitgedragen naar inwoners en erfgoedeigenaren is het noodzakelijk om binnen de gemeentelijke organisatie de neuzen in één richting te zetten. Medewerkers in alle geledingen van de organisatie moeten kennis nemen van het erfgoedbeleid, zich bewust worden van de rol en waarde van erfgoed en (gaan) handelen in de geest van deze beleidsnota. Dit zal meer inzet vragen van de medewerker erfgoed. Bovenal zal de door vertaling van het erfgoedbeleid in het omgevingsplan vragen om structurele uitbreiding. Naast overduidelijk incidentele projecten, zoals het aanwijzen van gemeentelijke monumenten en het opstellen van een cultuurhistorische waardenkaart, gaat het verder om structurele zaken zoals de klantcontacten en advisering over monumentenvergunningen, bestemmingsplannen en subsidies. Hieronder volgt een kort overzicht van de eisen aan de gemeentelijke organisatie met betrekking tot erfgoed en wordt kort ingegaan op de kosten en baten (leges, subsidie en bestuurdlastenvergoeding).
7.1
Eén adviescommissie voor omgevingskwaliteit
In de Omgevingswet vervalt de commissie op het gebied van de monumentenzorg. Deze gaat op in de gemeentelijke adviescommissie, die minimaal tot taak heeft te adviseren over de aanvragen om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit, voor zover het andere dan archeologische monumenten betreft. Binnen deze commissie worden in ieder geval enkele leden deskundig op het gebied van de monumentenzorg betrokken bij de advisering over een (rijks)monumentenactiviteit. Een gemeente kan zelf de verantwoordelijkheid nemen om er een brede commissie voor omgevingskwaliteit van te maken, die ook aspecten van bijvoorbeeld cultuurhistorie, welstand, landschap, stedenbouw en infrastructuur behandelt. In de Omgevingswet wordt een aantal kwaliteitseisen voor die advisering opgenomen, zoals de koppeling aan het beleid, deugdelijke motivering, openbaarheid en verantwoording in een jaarverslag. Met de intrede van de Omgevingswet op 1 januari 2022 verandert de welstand/monumentencommissie van Reusel-De Mierden, die wordt ingehuurd vanuit de ODZOB, dan ook in een commissie voor omgevingskwaliteit. Dat betekent dat de gemeenten voor deze deadline een instellingsbesluit moet nemen, inclusief taakomschrijving en werkwijze voor de nieuwe, verbrede “gemeentelijke adviescommissie”. Daarbij kan ook de samenstelling qua disciplines en specialismes veranderen.
Het college van B&W vraagt de commissie advies bij een aanvraag omgevingsvergunning voor een (rijks)monumentenactiviteit maar kan dat ook doen bij mogelijke aantasting van cultuurhistorische waarden. Gemeenten worden geacht het welstandstoezicht achteraf geleidelijk af te bouwen. De nieuwe adviescommissie moet zo veel mogelijk ingezet worden om initiatiefnemers aan de voorkant van het proces te adviseren en hen uit te dagen om hun plannen met zo veel mogelijk kwaliteit en consensus te realiseren.
7.2
Kwaliteitseisen en kennisborging
De provincie ziet er op toe dat vergunningverlenende instanties, te weten gemeentelijke overheden en omgevingsdiensten voldoende deskundigheid en ervaring in huis hebben om de vergunningen te kunnen verlenen. Daartoe moeten de instanties krachtens de Wabo voldoen aan de Kwaliteitscriteria
62
BOUWSTENEN VOOR DE TOEKOMST 2.216. Met betrekking tot cultuurhistorie geldt dat onderstaande activiteiten binnen de overheid uitgevoerd moeten worden:17 1. Adviseren t.a.v. cultuurhistorische aspecten in het kader van omgevingsvergunningen, toezicht en handhaving op het gebied van monumenten, cultuurhistorie in bestemmingsplannen, beschermde stads- en dorpsgezichten en archeologie. 2. Beoordelen van de aanvraag aan cultuurhistorische, monumentale en archeologische waarde 3. Toetsen aan de cultuurhistorische waarde uit het bestemmingsplan, de erfgoedverordening, de erfgoedwet en de wet ruimtelijke ordening. 4. Opstellen van voorschriften voor omgevingsvergunning. 5. Inhoudelijk adviseren bij bezwaar en beroep. 6. Adviseren ten aanzien van omgevingsvergunningaanvragen (activiteit wijzigen monument, slopen beschermd stads- en dorpsgezicht), cultuurhistorische aspecten in het kader van de omgevingsvergunning (activiteit bouwen, aanleggen en afwijken bestemmingsplan), cultuurlandschappelijke aspecten in het kader van de omgevingsvergunning en handhaving. 7. Beoordelen van de aanvraag aan cultuurhistorische waarden en cultuurhistorisch onderzoek, ruimtelijke analyse, bouwhistorisch onderzoek en waardenstellingen: interpreteren van waarden. 8.
Toetsen van de aanvraag aan de Erfgoedwet, erfgoedverordening, cultuurhistorische aspecten uit het bestemmingsplan (niet zijnde archeologisch), technische uitvoeringsvoorschriften voor monumenten en aan de doelstelling van het instrument beschermd gezicht en het ter bescherming strekkend bestemmingsplan en ruimtelijk kwaliteitsbeleid. 9. Maken van cultuurhistorische analyses en waardenstellingen ten aanzien van monumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en cultuurhistorische aspecten (landschap en bebouwing) in het bestemmingsplan en het vertalen naar ruimtelijke uitgangspunten. 10. Opstellen van voorschriften voor de omgevingsvergunning en inhoudelijk adviseren bij bezwaar en beroep. 11. Adviseren ten aanzien van archeologische aspecten in het kader van omgevingsvergunningen, toezicht en handhaving. 12. Beoordelen van archeologisch onderzoek en waardenstelling in het kader van de omgevingsvergunning. 13. Toetsen van aanvraag omgevingsvergunning aan de hand van vastgelegde archeologische verwachtingswaarden in het bestemmingsplan, de erfgoedverordening, de Erfgoedwet en de Wet Ruimtelijke Ordening. 14. Opstellen van voorschriften voor de omgevingsvergunning en inhoudelijk adviseren bij bezwaar en beroep. 15. Maken van archeologische analyses en waardenstellingen en het vertalen van archeologische (verwachtings-)waarden naar ruimtelijke uitgangspunten.
De opleidingseisen van de erfgoedmedewerker conform de Kwaliteitscriteria 2.2 varieert per activiteit van HBO erfgoedopleiding/monumenten of HBO Bouwkunde tot WO archeologie. Dat laatste komt neer op een universitair opgeleide archeoloog wat een zware eis is. De reden hiervoor is dat de gemeente als vergunningverlener meestal de beslissende stem heeft in de archeologische monumentenzorg cyclus in Nederland. Om vergunningaanvragen te kunnen beoordelen is specialistische archeologische kennis noodzakelijk. Archeologisch onderzoek in het kader van de vergunningverlening wordt in Nederland namelijk uitgevoerd door gecertificeerde bedrijven onder leiding van een seniorarcheoloog. Deze seniorarcheoloog dient volgens de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) te
16 Kwaliteitscriteria 2.2 (2019) Deel B Voor vergunningverlening, toezicht en handhaving krachtens de Wabo, versie 1 juli 2019 (uitgave IPO en VNG). 17 Zie https://www.infomil.nl/onderwerpen/integrale/wet-algemene/vth-0/
63
BOUWSTENEN VOOR DE TOEKOMST voldoen aan een afgeronde universitaire opleiding Ma archeologie (of doctoraal). Hij/zij dient daarnaast kennis te hebben van de KNA protocollen, 6 jaar werkervaring met gravend onderzoek waarvan 3 jaar als archeoloog in een leidinggevende functie en 6 relevante publicaties op zijn naam te hebben staan. Een gelijkwaardige (aan de uitvoerende archeoloog) wetenschappelijke archeologische opleiding wordt voor de taken vergunningverlening, maar ook toezicht en handhaving dan ook als een noodzaak gezien om de inhoudelijke kwaliteit van archeologische aspecten en een archeologisch onderzoek te kunnen beoordelen. Het toetsen en beoordelen van archeologische aspecten en onderzoeken in het kader van omgevingsvergunningen, erfgoedverordening of Erfgoedwet, kan dan ook het beste gebeuren onder leiding van een archeoloog op vergelijkbaar universitair niveau. Binnen de gemeente Reusel-De Mierden is het taakveld erfgoed ondergebracht bij de beleidsmedewerker monumentenzorg. De taken voor erfgoed bestaan hoofdzakelijk uit het uitvoeren en coördineren van erfgoed gerelateerde zaken als voorlichting en educatie, het selecteren en waarderen van monumentale zaken en archeologie in het ruimtelijke ordeningsproces en het onderhouden van contacten met het beleidsveld.
In de praktijk wordt voor de archeologietaak, maar ook voor de cultuurhistorie, de regioarcheoloog van de ODZOB als deskundige namens het bevoegd gezag op ad hoc basis ingehuurd. Voor de gebouwde monumentenzorg en cultuurhistorie wordt de deskundigheid vanuit de ODZOB nog in beperkte mate benut. De ondersteuning gebeurt veelal op projectbasis waarbij de deskundige of specialist op afstand zit. Om de inzet van de deskundigen vanuit de ODZOB meer structureel te regelen, kan de inzet van de erfgoed deskundigen in het ODZOB werkprogramma opgenomen worden. De raakvlakken van erfgoed met de andere beleidsterreinen worden meer en meer inzichtelijk. De waarde van erfgoed wordt daardoor in steeds breder kader erkend. Dat heeft tot gevolg dat erfgoed een bredere inbedding moet krijgen binnen gemeentelijke organisatie, omdat deze beleidsmedewerker niet van alle zaken inhoudelijk op de hoogte kan zijn en blijven. De beleidsmedewerker erfgoed zal zich als een spin in het web moeten opstellen, om voor de integrale verbinding tussen de beleidsvelden te zorgen. Ook zal worden onderzocht of het mogelijk is om de specialiste(n) vanuit de ODZOB bijvoorbeeld één dagdeel per week in het gemeentehuis te laten werken. Daarbij kan er zowel werk voor de gemeente zelf worden uitgevoerd als voor andere gemeenten.
Het gaat erom meer vertrouwen te kweken en uitwisseling van kennis te genereren met collega-ambtenaren vanuit ruimtelijke ordening en vergunningverlening.
7.3 7.3.1
Kosten gemeentelijke erfgoed taak Bestuurslastenvergoeding
De taken die de gemeente heeft op het gebied van erfgoed, zorgt voor extra kosten die samenhangen met onder meer het opstellen en onderhouden van de erfgoedkaart, de uitvoering en vertaling van het erfgoedbeleid en het adviseren en toezicht houden inzake erfgoed in bestemmingsplannen en vergunningen (waarbij deskundigheid ingehuurd moet worden). Ter compensatie van de bestuurslasten die de gemeentelijke organisatie moet maken vanuit de archeologiewetgeving, ontvangen gemeenten al sinds 2007 structureel €6,35 miljoen euro bestuurslastenvergoeding en vanaf 2008 structureel €1,25 miljoen extra tegemoetkoming excessieve kosten in het gemeentefonds. Dit middel (financiën) is echter bij veel gemeenten niet bekend en wordt daardoor niet gebruikt. Ook in Reusel-De Mierden niet. Er is een rekenformule waarmee je kunt berekenen hoe groot het bedrag is dat weliswaar ‘niet geoormerkt’ is, maar wel te benoemen valt. Ook de verdeling van de excessieve kosten kunnen zo per gemeente gespecificeerd worden. Archeologievergoedingen binnen de uitkering aan het
64
BOUWSTENEN VOOR DE TOEKOMST gemeentefonds vallen onder het subcluster Kunst dat valt onder het cluster Cultuur en Ontspanning. In Reusel-De Mierden ging het in 2016 om: Bestuurslastenvergoeding: Aantal woonruimten (1667) x vermenigvuldigingsfactor €0,58 x €1,423 (uitkeringsfactor voor 2016) = € 1375,84 Excessieve kostenvergoeding: Aantal woonruimten (1667) x vermenigvuldigingsfactor €0,11 x €1,423 (uitkeringsfactor voor 2016) = € 260,94 Om deze gelden intern aan te kunnen wenden voor archeologie, dienen deze te worden geoormerkt. Geadviseerd wordt om dit bedrag veilig te stellen door de bestemming daarvan vast te leggen in bijvoorbeeld het erfgoedfonds zodat daarmee de gestelde ambities in dit beleid al een financiële start krijgen. 7.3.2
Leges
Voor het aanvragen van een omgevingsvergunning of wijziging van een bestemmingsplan kunnen leges in rekening worden gebracht bij de aanvrager. Ook kunnen bepaalde advieskosten, zoals die voor archeologie, worden doorberekend in de leges. Het betreft terugkerende taken die samenhangen met het adviseren inzake bestemmingsplannen, vergunningen en het beoordelen van archeologische rapporten en het toezien op de uitvoering van archeologisch onderzoek:
Beoordelen van Programma’s van Eisen (controle onderzoeksvragen, prospectiestrategie en – methode) voor alle uitvoerende onderzoeken in de gemeente. In de regel betreft het onderzoeken in het kader van nieuwe (ontwikkelingsgerichte) bestemmingsplannen of onderzoeken in het kader van omgevingsvergunningen.
Beoordelen van de rapportages die het resultaat zijn van uitgevoerde onderzoeken en op basis daarvan besluiten of en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn.
Selecteren van archeologische waarden op grond van een afgerond vooronderzoek en een uitgebracht selectieadvies.
Formuleren van de eisen aan de maatregelen, die gericht zijn op het beschermen (behoud in situ) of het opgraven (behoud ex situ) van geselecteerde waarden.
Omdat de Rijksbijdrage in het gemeentefonds niet voldoende is om de bestuurskosten te compenseren, brengt de gemeente voor de uitvoering hiervan leges via de gemeentelijke legesverordening in rekening bij de aanvrager van de vergunning. 7.3.3
Projectkosten archeologie
De Wet op de Archeologische Monumentenzorg legt de financiële last van archeologisch onderzoek en behoud primair bij de veroorzaker van de bodemverstoring (verstoorder-betaalt-principe). Hieronder vallen kosten van archeologische onderzoek (incl. opgraven), het opstellen van de daarbij vereiste Programma’s van Eisen, de conservering van vondsten, het opstellen van de onderzoeksrapporten en het nemen van maatregelen ter bescherming en inpassing van archeologische waarden ten laste van de initiatiefnemer. De gemeente sluit in het kader van de gebiedsontwikkeling regelmatig exploitatieovereenkomsten af met particuliere projectontwikkelaars en grondexploitanten. Het is belangrijk dat de overeenkomst helder aangeeft wie de kosten voor het archeologisch onderzoek draagt en de eventuele bijkomende risico’s voor zijn rekening neemt. Het komt in de praktijk nogal eens voor dat de overeenkomst wel afspraken over het archeologische vooronderzoek bevat, maar dat afspraken over hoe om te gaan met de uitkomst van dat onderzoek ontbreken. Als uit het vooronderzoek blijkt dat er sprake is van behoudenswaardige archeologische resten, dan kunnen de kosten van inpassing en/of opgraving wel eens veel hoger uitvallen dan die van het vooronderzoek. Uitgangspunt van het gemeentelijk archeologiebeleid is dat de kosten van alle archeologische werkzaamheden gedekt zijn, waarbij 65
BOUWSTENEN VOOR DE TOEKOMST gestreefd wordt naar maximaal behoud van archeologische waarde in combinatie met zo min mogelijk kosten. Het verstoorder-betaalt-principe komt niet in andere vormen terug in de regelgeving. Wanneer er dus geen Malta-proof bestemmingsplan is, zijn er, afgezien van de mogelijkheden via de MER-procedure en de ontgrondingenvergunning, geen mogelijkheden om kosten die samenhangen met archeologisch onderzoek te laten dragen door of te verhalen op de verstoorder. Wanneer tijdens bouwwerkzaamheden bijvoorbeeld een archeologisch monument wordt gevonden (toevalsvondst), terwijl men daar niet gericht naar op zoek was, kunnen eventueel door de gemeente gemaakte kosten voor onderzoek en opgravingen niet worden verhaald op de bouwonderneming of de eigenaar van het terrein. Bij toevalsvondsten geldt het verstoorder-betaalt-principe derhalve niet. Vooralsnog wordt afgezien van een regeling voor compensatie van (excessieve) kosten vanwege archeologie. Excessieve kosten zijn kosten die in een uitzonderlijk geval zo hoog zijn dat deze redelijkerwijs niet geheel voor rekening van een initiatiefnemer zouden moeten blijven. Tot op heden is in Reusel nog geen sprake geweest van excessieve kosten bij archeologisch onderzoek. Daarom wordt uitgegaan van een ad-hoc beoordeling van eventuele verzoeken om vergoeding van excessieve kosten.
Mocht in de toekomst blijken dat er toch behoefte is aan zo’n regeling, dan kan dit altijd nog worden aangepast. Bij de ad-hoc beoordeling zal onder meer gekeken worden naar het financiële belang en de draagkracht van de verstoorder, de moeite die de verstoorder heeft genomen om kosten te voorkomen en de maatschappelijke belangen. Indien een kostenvergoeding op zijn plaats is, kan deze worden betaald ten laste van de begrotingspost onvoorzien via raadsbesluit.
De erfgoedkaart is al sinds 2011 digitaal toegankelijk via de website van de ODZOB: https://odzob.nl/kaarten-erfgoed-archeologie 7.3.4
Onderhoud erfgoedkaart
Het is voor de gemeente strategisch en organisatorisch van groot belang om zelf steeds over een zo volledig mogelijk en actueel overzicht van de samenstelling van het eigen erfgoed te kunnen beschikken. De erfgoedkaart is in dat kader een belangrijk instrument, dat echter up-to-date moet worden gehouden. Alle relevante informatie uit archeologisch, cultuurhistorische en bouwkundig onderzoek binnen de gemeente dient beschikbaar te komen voor de verdere ontwikkeling van het
66
BOUWSTENEN VOOR DE TOEKOMST gemeentelijk beleid. Alle nieuwe informatie moet daarbij in een goed functionerend informatiesysteem terechtkomen en gebruikt worden voor het actualiseren van de gemeentelijke erfgoedkaart. Het onderhoud van de erfgoedkaart en het opzetten en hosten van de Erfgoed Geowiki wordt al sinds 2011 en 2014 verzorgd door de ODZOB. Voor het onderhoud van de erfgoedkaart is jaarlijks structureel € 4.000,- gereserveerd; voor de Erfgoed Geowiki is jaarlijks € 750,- gereserveerd.
7.4
Financiële stimulans
De gemeente Reusel-De Mierden heeft geen subsidiemiddelen beschikbaar voor monumenten. Ze zal in haar beleidskeuze rekening moeten houden met het opzetten van een lokaal subsidiefonds voor gebouwde monumenten of voor alle cultuurhistorische aspecten, een erfgoedfonds. Bij een erfgoedfonds kan gedacht worden aan subsidie voor het onderhoud en beheer van cultuurhistorisch waardevolle elementen als akkerranden, open bolle akkers, hakhoutwallen, heggen, gebouwen, oude zandwegen of archeologische monumenten. Ook kan het fonds worden ingezet als stimulans om cultuurhistorie terug te brengen in het landschap bij nieuwe ontwikkelingen.18 Naast het bieden van subsidies is het mogelijk om indirecte financiële ondersteuning te bieden. Dit is mogelijk door verruiming van functies op te nemen in het bestemmingsplan voor eigenaren van monumenten en monumentale zaken. Het verruimen van de planregels biedt meer mogelijkheden tot een passende herbestemming. Het gebruik van een monument (met een herbestemming) zal een financiële waardevermeerdering opleveren voor eigenaren. Het is bij een financiële stimuleringsregeling voorstelbaar om een systematiek op te zetten, waarbij vooral welwillende monumenteigenaren worden beloond, zodat de gelden effectief en efficiënt worden ingezet.
Actiepunten:
College instellingsbesluit laten nemen voor 1 januari 2022, inclusief taakomschrijving en werkwijze voor de nieuwe, verbrede “gemeentelijke adviescommissie”.
Inzet van deskundigen vanuit de ODZOB meer structureel regelen via het jaarlijkse werkprogramma.
Onderzoeken of het mogelijk is om de specialiste(n) vanuit de ODZOB bijvoorbeeld één dagdeel per week in het gemeentehuis te laten werken.