[20.14434] - Toelichting bestemmingsplan _3-8-2020
Tekst van het document
Daarvoor reguleert het waterschap het grond- en oppervlaktewater; • Natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten door deze waterlopen goed in te richten en te beheren; • Schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen; • Mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven, door onder meer recreatief gebruik. Het waterschap staat voor een aantal complexe uitdagingen, die zij in veel gevallen niet alleen kan realiseren. Deze uitdagingen geven invulling aan de verbinding van water met de maatschappelijke ontwikkelingen. Daarom zet het waterschap sterk in op samenwerking. In het Waterbeheerplan nodigt het waterschap waterpartners, stakeholders, boeren, burgers en bedrijven nadrukkelijk uit om gezamenlijk te werken aan slimme, innovatieve oplossingen voor de complexe wateropgaven. Dit betekent onder meer dat het waterschap de bestaande samenwerking met al de partners in het gebied wil uitbreiden en ‘grenzeloos’ organiseren vanuit de kracht van ieders rol en verantwoordelijkheid.
4.2.2
Bestaande waterhuishoudkundige situatie
4.2.3
Beoogde waterhuishoudkundige situatie
In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende perceelsloten. Op het bedrijf wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. Er is sprake van good-house-keeping management. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Op het bedrijf vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het niet-verontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelsloten. In de beoogde waterhuishoudkundige situatie blijft het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd worden op het gemeentelijk riool. Er is geen sprake van een toename in huishoudelijk afvalwater afkomstig van het bedrijf. Voor het lozen van afvalwater uit een spuitplaats is een slib/olieafscheider noodzakelijk waarvan de afvoer op het drukriool moet worden aangesloten.
Zoals aangegeven is waterschap de Dommel de beheerder van de kwaliteit en kwantiteit van het grond- en oppervlaktewater binnen het plangebied. Door middel van de Keur van Waterschap de Dommel, die in werking is getreden op 1 maart 2015, is bepaald dat bij ontwikkelingen waarbij nieuwe bebouwing wordt opgericht of erfverharding wordt aangebracht, mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Deze mitigerende maatregelen kunnen onder andere bestaan uit het treffen van een retentievoorziening. De Keur van Waterschap de Dommel schrijft voor dat voor een toename van minder dan 2.000 m² verhard oppervlak geen mitigerende maatregelen nodig zijn. Deze mitigerende Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied, Herdersdreef 3 Reusel’
22
maatregelen zijn wel van toepassing bij elke toename van het verhard oppervlak, indien de locatie ligt in een keurbeschermingsgebied of attentiegebied. De projectlocatie ligt niet in een keurwaterbeschermingsgebied of attentiegebied en omdat er geen toename van verharding is dient er geen compenserende maatregel getroffen te worden om het hemelwater op te vangen. De beoogde situatie zal waarschijnlijk zelfs een positief effect hebben op de waterhuishouding, omdat overtollige agrarische bedrijfsbebouwing verdwijnt. Hierdoor is er sprake van een afname in oppervlakteverhardingen. Dit brengt een afname in puntlozing met zich mee. Neerslag kan op deze gronden dus direct infiltreren in de bodem.
4.2.4
Spuitzones
In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn om een spuitvrije zone aan te houden. Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om de drift te voorkomen. Met de beoogde ontwikkeling worden geen woningen of andere gevoelige functies opgericht waarvoor het nodig is om een spuitzone in acht te nemen. De bedrijfswoning blijft als zodanig in gebruik. De akkerbouwactiviteiten zullen niet wijzigen ten opzichte van de bestaande situatie. De akkerbouwactiviteiten betreffen het telen van gewassen, geen boom- of fruitteeltbedrijf welke gebruik maakt van gewasbeschermingsmiddelen. In de omgeving zijn tevens geen boomgaarden aanwezig. Akkerbouwgewassen worden altijd neerwaarts bespoten, wat de drift (indien deze al bestaat) aanzienlijk beperkt.
Tot slot is er tussen de woning en de akker een haag gesitueerd, welke een gepaste overdrachtsmaatregel is om eventuele drift te voorkomen. Het is dus niet noodzakelijk om voor de beoogde ontwikkeling een spuitzone in acht te nemen. 4.3 Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.
4.3.1
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: • Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; • Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; • Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan.
Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied, Herdersdreef 3 Reusel’
23
natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied.
Natuur Netwerk Brabant (NNB)
Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Verordening de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de themakaart ‘natuur en landschap’ van de Iov is het plangebied gedeeltelijk gelegen ter plaatse van Natuur Netwerk Brabant – ecologische verbindingszone. Dit is reeds uiteen gezet in paragraaf 3.2.3. De regels van de Interim omgevingsverordening stellen hierover dat een bestemmingsplan moet voorzien in regels om de ecologische verbindingszone te behouden en versterken.
In deze partiele herziening van het bestemmingsplan is de bestemming ‘Groen’ opgenomen ter plaatse van de ecologische verbindingszone, zodat invulling wordt gegeven aan de voorwaarden van de Iov.
4.3.2
Wet natuurbescherming
In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming.
Gebiedsbescherming
De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk gelegen bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is reeds beschermd in het Barro en provinciale verordening. In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Kempenland-West, Kampina en Oisterwijkse Vennen en Regte Heide en Riels laag. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning i.h.k.v. Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Elke ruimtelijke ontwikkeling kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er zijn namelijk verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht spelen hierbij een belangrijke rol.
Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten.
Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht
Al jaren is er in Natura 2000-gebieden een overschot aan stikstof (ammoniak en stikstofoxiden). Dit kan schadelijk zijn voor de natuur. Het belemmert ook vergunningverlening voor economische activiteiten. Om de stikstofproblemen aan te pakken is de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) opgesteld. Op 1 juli 2015 is de PAS in werking getreden. Gedurende de looptijd van de PAS hebben overheden en maatschappelijke partners samengewerkt om de stikstofuitstoot te verminderen en daarmee ook Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied, Herdersdreef 3 Reusel’
24
economische ontwikkelingen mogelijk te maken. Rijk, provincies en natuurorganisaties hebben maatregelen genomen om de natuur te herstellen, door bijvoorbeeld stikstofrijke grondlagen te verwijderen. Agrarische ondernemers hebben maatregelen genomen in hun bedrijfsvoering, zoals mest aanwenden met weinig stikstofverliezen en het gebruik van aangepast voer. Door deze combinatie van maatregelen ontstond er ontwikkelingsruimte voor nieuwe economische activiteiten. Middels het rekenprogramma AERIUS Calculator kon de stikstofdepositie van een ruimtelijke ontwikkeling op omliggende Natura-2000 gebieden worden berekend. Voor een initiatief kon op basis van deze berekening een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming worden afgegeven wanneer: de ontwikkeling een afname of in ieders geval geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg had; de ontwikkeling een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg had er voor die gebieden ontwikkelingsruimte beschikbaar was. Op 29 mei 2019 is door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan inzake vergunningverlening in het kader van de Wet natuurbescherming op basis van de PAS. De uitspraak stelde dat de voorgestelde bron- en herstelmaatregelen en het autonoom gebruik van de PAS onvoldoende was onderbouwd.
Hierdoor was niet verzekerd dat de maatregelen leidden tot een daling van de depositie en een verbetering van de beschermde gebieden. Ook de AERIUS Calculator is daarbij buiten werking gesteld. De veronderstelde ontwikkelingsruimte kon daardoor niet meer worden uitgegeven. Op 16 september is een eerste actualisatie van de AERIUS Calculator beschikbaar gesteld. Deze nieuwe versie heeft niet meer de specifieke functionaliteiten van de PAS. Daarnaast zijn in de nieuwe versie onderliggende gegevens, rekenmodellen en emissiefactoren geactualiseerd. Wanneer middels de geactualiseerde AERIUS Calculator kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Vanuit een worst-case scenario is middels de nieuwe versie van AERIUS Calculator berekend of er als gevolg van de verkeersbewegingen sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000gebieden. Als worst-case scenario is berekend dat op één dag alle 16 vrachtwagens in gebruik zijn en dat alle werknemers deze vrachtwagens op de locatie komen ophalen en wegbrengen. De 16 vrachtwagens zullen 32 zware verkeersbewegingen van en naar het bedrijf tot gevolg hebben. Tevens zal er sprake zijn van 32 verkeersbewegingen met lichte motorvoertuigen. Dit betreft het woonwerkverkeer van het personeel van en naar het bedrijf.
De verkeersbewegingen vinden plaats over buitenwegen. In de beoogde situatie zullen de verkeersbewegingen echter een stuk lager liggen, aangezien niet alle vrachtwagens in gebruik zullen zijn en de chauffeurs komen op werkdagen niet elke dag op de locatie. Uit de rekenresultaten blijkt dat de eventuele toename in stikstofemissie geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, zie Bijlage 3. Hieruit kan worden geconcludeerd dat het initiatief met zekerheid geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000gebieden in de omgeving zal hebben.
Overige storingsfactoren
Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft ‘Vennen, heiden en moerassen rond Turnhout’, wat ligt op een afstand van circa 1,6 kilometer. Met dit bestemmingsplan wordt de agrarische bedrijfsbestemming gewijzigd naar een kleinschalige transportbasis en er zullen op het bedrijf geen dieren meer gehouden worden. De vergunning voor het houden van dieren is ingetrokken op 21 augustus 2018. Er zijn dan ook geen negatieve effecten te verwachten op de beschermde natuurgebieden als gevolg van verzuring en vermesting door stikstof in de lucht. Gezien de grote afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied leidt de beoogde ontwikkeling verder niet tot andere voorkomende storende factoren, zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering van soortensamenstelling.
Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied, Herdersdreef 3 Reusel’
25
Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten.
Bescherming van soorten
De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren.
In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: • Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); • Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); • Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Herdersdreef 3, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de te slopen bebouwing beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen moeten altijd voorkomen worden en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten dient zo veel mogelijk voorkomen te worden. De te slopen bebouwing werd intensief gebruikt ten behoeve van het akkerbouwbedrijf.
Van, naar en tussen de opstallen vinden veelvuldig bewegingen plaats met machines en werktuigen. De gronden grenzend aan het bouwvlak worden gebruikt ten behoeve van landbouwwerkzaamheden en transportwerkzaamheden. Door al deze activiteiten is er ter plaatse voortdurend sprake van verstoring. De aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten is daardoor niet te verwachten. De sloopwerkzaamheden zullen naar verwachting dan ook niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Aanvullend is door middel van de ‘Effectenindicator soorten’ van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gekeken of realiseren van de beoogde situatie een bedreiging vormt voor de beschermde diersoorten. Bij de beoogde ontwikkeling is er sprake van de activiteit ‘Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’ en de activiteit ‘slopen’. Uit de effectenindicator blijkt dat het onwaarschijnlijk is dat er negatieve effecten op treden bij de geselecteerde activiteit, zie onderstaande afbeelding. Er wordt geen aanwezigheid van beschermde soorten verwacht en derhalve is er geen ontheffing noodzakelijk in het kader van de Wet natuurbescherming.
Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied, Herdersdreef 3 Reusel’
26
Afbeelding 10: Conclusie ‘Effectenindicator soorten’ 4.4 Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde bedrijfsopzet moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.
4.4.1
Cultuurhistorie en aardkunde
Uit de cultuurhistoriekaart van de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat het plangebied niet in een cultuurhistorisch vlak of een aardkundig waardevol gebied ligt, zie Afbeelding 11. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of aardkundig waardevol gebied.
Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied, Herdersdreef 3 Reusel’
27
Afbeelding 11: Uitsnede themakaart ‘cultuurhistorie’ Iov Noord-Brabant, plangebied rood omcirkeld en met aanduiding aangegeven 4.4.2
Archeologie
De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunningen voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d. In het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2009’ heeft het plangebied geen aanduiding omtrent archeologische (verwachtings)waarden. Er is door Reusel-De Mierden in samenwerking met de vier kempengemeenten door Kempengemeenten door Samenwerkingsverband Regio Eindhoven (SRE) een erfgoedkaart en archeologisch beleidsplan opgesteld. Het plangebied is gelegen in categorie 6: Gebied met een lage archeologische verwachting, zie Afbeelding 12. De kans op behoudenswaardige archeologische relicten wordt op deze locatie klein geacht. Om die reden is een archeologisch onderzoek alleen vereist bij bestemmingsplanwijzigingen en projectbesluiten van projectgebieden die groter zijn dan 25.000m² en dieper gaan dan 0,4 meter onder maaiveld bij agrarisch bestemde gronden. Voor de beoogde ontwikkeling is dus geen archeologisch onderzoek nodig.
Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied, Herdersdreef 3 Reusel’
28
Afbeelding 12: Uitsnede Erfgoedkaart A2- en Kempengemeenten 4.5 Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: • Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; • Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit.
Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: • Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. • Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Het plangebied ligt in omgevingstype ‘rustig buitengebied’, vanwege de ligging in het buitengebied met binnen 300 meter van de locatie geen bedrijvigheid. Een transportbedrijf met een bruto oppervlakte groter dan 1.000 m² behoort tot milieucategorie 3.2. Voor een bedrijf uit deze milieucategorie, liggend in rustig buitengebied, is de minimale richtafstand 100 meter. Deze richtafstand van 100 meter is gesteld voor wat betreft het aspect geluid. Uit paragraaf 4.7 van deze toelichting blijkt dat de beoogde bedrijfsactiviteiten naar aard en omvang zijn te beschouwen als een categorie 2 ontwikkeling.
De dichtstbij liggende woning van derden aan de Buizerd 13 bevindt zich op een afstand van circa 380 meter van de gebouwen en voorzieningen van het beoogde kleinschalige transportbasis. Op grond hiervan kan worden gesteld dat ruimschoots wordt voldaan aan de richtafstanden. Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied, Herdersdreef 3 Reusel’
29
4.6 Geur De Wet geurhinder en veehouderij betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. Voor kleinere bedrijven zijn deze regels opgenomen in het Activiteitenbesluit. De wetgeving heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. Indirect heeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: a. Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabij gelegen veehouderijen? b. Is ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? In dit geval is sprake van een bestemmingswijziging van een veehouderij naar een kleinschalige transportbasis. Het is van belang om te bepalen of deze bestemmingswijziging niet zorgt voor een belemmering van veehouderijbedrijven in de omgeving. Dit is het geval wanneer er nieuwe geurgevoelige objecten worden opgericht binnen een straal van 50 meter rondom een veehouderij.
Daarnaast ook wanneer er geurgevoelige objecten worden opgericht binnen de geurcontour van een veehouderij waar dieren worden gehouden waarvoor bij ministeriële regeling geuremissiefactoren zijn vastgesteld. Met de beoogde ontwikkeling worden geen nieuwe geurgevoelige objecten opgericht. De woning is en blijft een woning die tot 19 maart 2000 onderdeel uitmaakte van een veehouderij. Daarom gelden alleen vaste afstanden. De bedrijfsbebouwing is niet bestemd voor menselijk verblijf en wordt derhalve niet beschouwd als geurgevoelig. Op grond van artikel 3 lid 2 van de Wet geurhinder en veehouderij bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij, 50 meter buiten de bebouwde kom. Vanuit de veehouderijenkaart van de provincie Noord-Brabant blijkt dat de dichtstbijzijnde veehouderij ten opzichte van het plangebied is gelegen aan de Buizerd 1 op een afstand van circa 420 meter. Er wordt dus ruimschoots voldaan aan de vaste afstanden. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling met zekerheid niet zorgt voor een belemmering van de veehouderijbedrijven in de omgeving. Er worden geen nieuwe geurgevoelige objecten opgericht en het plangebied is op voldoende grote afstand van de omliggende veehouderijbedrijven gelegen.
4.6.1
Woon- en leefklimaat
Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat er ter plaatse van de bedrijfswoning sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur. Met de beoogde ontwikkeling wordt geen nieuw geurgevoelig object opgericht, de bestaande bedrijfswoning blijft als zodanig in gebruik. Om het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur ter plaatse van het plangebied nader te beschouwen wordt gebruik gemaakt van de achtergrondbelastingkaart, opgesteld door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant. Deze kaart is bijgewerkt op 27 maart 2019 en kan daartoe als vrij recentelijk en accuraat worden beschouwd. Uit Afbeelding 13 blijkt dat ter plaatse van het plangebied de kwaliteit van de leefomgeving voor wat betreft het aspect geur redelijk goed is. Het woon- en leefklimaat in de omgeving is verbeterd als gevolg van de volledige sanering van de varkenshouderijtak aan de Herdersdreef 3 te Reusel. Een intensieve veehouderij zal ter plaatse planologisch niet meer worden toegestaan. Er kan derhalve geconcludeerd worden dat er ten aanzien van het aspect geur geen belemmeringen zijn voor het beoogde initiatief.
Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied, Herdersdreef 3 Reusel’
30
Afbeelding 13: Uitsnede achtergrondgeurbelastingkaart ODZOB 4.7 Geluid De Wet geluidhinder is sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. In de Wet geluidhinder is bepaald dat voor locaties in het bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting wordt onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. In deze situatie is geen sprake van een nieuwe geluidgevoelige bestemming, het betreft de functiewijziging van een veehouderij naar een kleinschalige transportbasis. De bedrijfswoning betreft een reeds bestaand geluidsgevoelig object in het kader van de Wgh. In de inrichting vinden wel activiteiten plaats die een geluidsuitstraling hebben naar de omgeving. Er is een akoestisch onderzoek opgesteld waaruit blijkt dat de geluidbelasting naar de omgeving in de beoogde situatie zeer beperkt is. Het akoestisch onderzoek, uitgevoerd door Greten Raadgevende Ingenieurs, is opgenomen in Bijlage 6.
Uit het akoestisch onderzoekt blijkt dat in de beoogde situatie een minimale overschrijding van 1dB zal optreden in de avondperiode als gevolg van het afblazen van remlucht. Daarnaast treedt er in de nachtperiode een maximale overschrijding op van 5dB als gevolg van de pieken van het rijden en opirekken van zware motorvoertuigen. In de dagperiode wordt op een richtafstand van 30 meter de normstelling van de LAr,LT, LA,max) en de indirecte hinder gerespecteerd. Met betrekking tot het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, het maximaal geluiddrukniveau alsmede de indirecte hinder geldt dat de normstelling op alle geluidgevoelige bestemmingen overal wordt gerespecteerd. Er kunnen aarden wallen geplaatst worden om te kunnen voldoen aan de gestelde richtwaarden in de avond- en nachtperiode. Echter kan op indicatief financieel niveau gesteld worden dat het plaatsen van dergelijke aardenwallen niet in verhouding staan ten opzichte van de optredende overschrijding. De maatregel dient tevens niet toegepast te worden voor omliggende woningen, omdat zonder deze maatregelen al geen sprake is van enige overschrijding bij de geluidgevoelige bestemmingen
Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied, Herdersdreef 3 Reusel’
31
(woningen). Het plaatsen van de aarden wallen zal dan dus gedaan worden om de natuur te beschermen voor piekgeluiden. De hinder als gevolg van de piekgeluiden van de vrachtwagens in de avond- en nachtperiode zal nihil/verwaarloosbaar zijn aangezien: • ter plaatse van de referentiepunten zich enkel agrarische landbouwgrond bevindt. Dit zal in de nabije toekomst gehandhaafd blijven; • de frequentie waarmee deze activiteit optreedt gering is; • het betreft hier zeer korte piekniveaus (lage expositietijd, piek treedt enkele seconden op); • de activiteiten vinden plaats in de randen van de nacht; • het uitsluiten van deze periode is niet wenselijk en zal de bedrijfsvoering dusdanig hinderen aangezien er sprake is van noodzakelijke activiteiten, namelijk het continue in kunnen zetten van zware motorvoertuigen; • de noodzakelijke toepassing van overdrachtsmaatregelen in de vorm van aarden wallen naar verwachting bezwaren van financiële aard, stedenbouwkundige aard en (technische) uitvoerbaarheid ontmoeten; • de grenswaarde van het wettelijk kader op 30 meter te allen tijde gerespecteerd wordt en derhalve geluidgevoelige bestemmingen op een richtafstand van 30 meter mogelijk zijn. Gezien bovenstaande wordt het bevoegd gezag gevraagd alle berekende waarden uit het akoestisch onderzoek te vergunnen. Aan de oostzijde van het plangebied zal tevens een aarden wal worden aangelegd.
Dit is op basis van geluidwetgeving niet noodzakelijk, maar om de piekgeluiden in de avond- en nachtperiode naar het oosten zo veel mogelijk te beperken is er toch voor gekozen om deze aarden wal wel aan te leggen. De geluidbelasting naar de omgeving is in de beoogde situatie zeer beperkt en conform het akoestisch onderzoek blijkt dat het bedrijf naar aard en omvang te beschouwen is als een categorie 2-bedrijf vanuit de Staat van Bedrijfsactiviteiten. 4.8 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn geïmplementeerd op het gebied van grenswaarden voor diverse stoffen. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico's van luchtverontreiniging. Voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn in bijlage 2 bij de Wm bepaalde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Deze milieukwaliteitseisen betreffen grenswaarden van concentraties voor zwaveldioxide, stikstofoxiden (NO x als NO2) zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen. Bij een ruimtelijke procedure moet onderzocht worden of het effect van een nieuw initiatief relevant is voor de luchtkwaliteit.
Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; • een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Er is geen relevantie als aannemelijk kan worden gemaakt, dat de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO 2 en PM10. In de agrarische sector is voornamelijk de emissie van fijnstof bepalend voor de luchtkwaliteit op de omgeving. Fijnstof, zowel PM10 en PM2,5 komt voornamelijk door emissie van huid-, mest-, voer- en strooiseldeeltjes uit de stallen. Dit gebeurt continu (24 uur per dag). De belangrijkste bron bij een veehouderij zijn de stallen.
Aangezien de agrarische bedrijfsactiviteiten binnen de inrichting zijn gestaakt en de stallen worden gesloopt kan worden aangenomen dat de beoogde bestemmingswijziging voor een verbetering van de luchtkwaliteit zorgt. De agrarische verkeersbewegingen zullen ook worden beëindigd. Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied, Herdersdreef 3 Reusel’
32
4.8.1
Niet in betekenende mate
Vanuit een worst-case benadering zal worden getoetst of de verkeersaantrekkende werking van de beoogde bedrijfsopzet NIBM is. Als worst-case scenario is berekend dat op één dag alle 16 vrachtwagens in gebruik zijn en dat alle werknemers deze vrachtwagens op de locatie komen ophalen en wegbrengen. De 16 vrachtwagens zullen 32 zware verkeersbewegingen van en naar het bedrijf tot gevolg hebben. Tevens zal er sprake zijn van 32 verkeersbewegingen met lichte motorvoertuigen. Dit betreft het woon-werkverkeer van het personeel van en naar het bedrijf. Dit resulteert in een weekdaggemiddelde van 64, waarvan 50% vrachtverkeer. Uit de berekening van de NIBM-tool, Afbeelding 14, blijkt dat bij een toename van 64 verkeersbewegingen van en naar de inrichting de bijdrage aan de fijnstofconcentratie nog NIBM is. Hierbij moet opgemerkt worden dat dit aantal ver boven de verwachte feitelijke situatie ligt. Het is niet de verwachting dat de kleinschalige transportbasis werkelijk 64 voertuigbewegingen aantrekt, aangezien niet alle vrachtwagen in gebruik zullen zijn en de chauffeurs komen niet elke dag op de locatie. Bovendien nemen de agrarische bedrijfsactiviteiten en de bijbehorende verkeersbewegingen af. De beoogde ontwikkeling heeft dus met zekerheid geen significante negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving.
Afbeelding 14: Berekening NIBM-tool 4.8.2
Woon- en leefklimaat
Op grond van de Wet zijn grenswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3. Vanaf 1 januari 2015 geldt een grenswaarde voor PM 2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde is opgenomen in de Wet milieubeheer en bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Voor de kortdurende blootstelling van de mens aan piekconcentraties van NO 2 geldt een grenswaarde van 200 μg/m3 voor het uurgemiddelde van NO2. Het RIVM heeft Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland waarop de achtergrondconcentratie van fijnstof PM10, PM2,5 en NO2 ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat geraadpleegd kan worden. De jaargemiddelde fijnstofconcentratie binnen het plangebied is conform de GCN-kaart voor fijnstof PM10 18,18 μg/m3, voor PM2,5 11,2 μg/m3 en voor NO2 13,06 μg/m3, zie Afbeelding 15. Ten aanzien van de luchtkwaliteit zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied, Herdersdreef 3 Reusel’
33
Afbeelding 15: Uitsnede GCN-kaart fijnstof PM10, PM2,5 en NO2 4.9 Landschappelijke inpassing Een kwaliteitsverbetering van het landschap in de vorm van een zorgvuldige inpassing is verplicht op grond van gemeentelijk en provinciaal beleid. Dit is reeds uiteen gezet in paragraaf 3.2.2 en 3.3.1. Er is derhalve een zorgvuldig landschappelijk inpassingsplan opgesteld voor het plangebied, dat is toegevoegd als Bijlage 1. Het plangebied is gelegen ter plaatse van een grootschalig jong heideontginningsgebied met functies welke gerelateerd zijn aan agrarische activiteiten. In de omgevingsvisie van de gemeente Reusel-De Mierden is opgenomen dat er bij transformaties van (intensieve) veehouderijen een robuuste landschappelijke inpassing met aandacht voor ecologie en cultuurhistorie plaats dient te vinden. Vrijkomende agrarische bebouwing kan worden getransformeerd naar een passende schaal die naadloos aansluit op de omgeving. Een kwaliteitsverbetering van het landschap in de vorm van een zorgvuldige inpassing is tevens verplicht op grond van provinciaal beleid. Dit is reeds uiteen gezet in paragraaf 3.2.2 en 3.3.1. Het plangebied zal zorgvuldig landschappelijk worden ingepast, zodat de ruimtelijke kwaliteiten van het landschap behouden blijven en waar mogelijk versterkt worden. Tegelijkertijd worden hiermee de bedrijfsactiviteiten aan het zicht onttrokken voor de omgeving.
In onderstaande afbeelding is een situatieschets van de beoogde bedrijfsopzet opgenomen. In Bijlage 1 is het landschappelijk inpassingsplan als aparte bijlage toegevoegd.
Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied, Herdersdreef 3 Reusel’
34
Afbeelding 16: Situatieschets beoogde bedrijfsopzet Het perceel is al omgeven door landschapselementen. Zo is er aan de noordzijde van het plangebied een bestaande bosschage aanwezig. Ten westen van de bedrijfsbebouwing is een bomenrij aanwezig langs de straat die in eigendom is van de gemeente. Deze elementen zullen als zodanig in stand worden gehouden. Aan de zuidzijde van het bedrijf bevindt zich een struweelhaag. Ten zuiden van het bedrijf wordt een houtsingel aangeplant. Aan de oostzijde van het bedrijf zal een aarden wal van 6 meter hoog en 54 meter lang worden aangelegd om de piekgeluiden in de avond- en nachtperiode richting het oosten zoveel mogelijk te beperken. Op de aardenwal zal struweelsingel aangeplant worden. De omliggende bomenrij en de aarden wal zullen zorgen voor een passende inpassing van het bedrijf voor de omliggende gronden. Om het open heidegebied niet verloren te laten gaan wordt een aan te planten fruitboomgaard in een dierenweide gerealiseerd. Aansluitend op de bestaande bosschage aan de noordzijde komt een aan te planten bosrand. De aan te planten bosrand wordt tevens gerealiseerd aan de straatzijde van de dierenweide. Op deze manier wordt het plangebied zorgvuldig landschappelijk ingepast met beplanting die passend is in de omgeving.
4.10 Bodemkwaliteit Bij ruimtelijke projecten dient de aanwezige bodemkwaliteit te passen bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Indien de bodemkwaliteit (humane) risico’s met zich mee brengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico’s zijn beheerst of weggenomen door sanering. Een historisch en verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 dient te worden uitgevoerd wanneer de bestemming en/of gebruik wordt gewijzigd én wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. De bedrijfswoning en het kantoor met de kantine worden momenteel al als zodanig gebruikt. Hier is het gebruik dus reeds gericht op het verblijf van mensen voor 2 uur of langer per dag. De loodsen zijn niet gericht op het verblijf van mensen voor 2 uur of langer per dag. Bovendien blijven de activiteiten die hier worden ondernomen
Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied, Herdersdreef 3 Reusel’
35
hetzelfde, namelijk opslag van en onderhoud aan machines en werktuigen. Er wordt ook geen nieuwe bebouwing opgericht of nieuwe gebruik gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. Op het bedrijf werd de locatie gebruikt voor agrarische bedrijfsactiviteiten met als nevenactiviteit transportactiviteiten. In de beoogde situatie worden de agrarische bedrijfsactiviteiten gestaakt en de kleinschalige transportbasis wordt als hoofdactiviteit voortgezet. Binnen de bedrijfsvoering van het agrarisch bedrijf vonden slechts enkele bodembedreigende activiteiten plaats. Deze activiteiten hadden betrekking op de opslag van mest en voer ten behoeve van de veehouderij. Op een veehouderijbedrijf zijn bovendien doorgaans kleine gebruikshoeveelheden medicijnen, reinigings- en ontsmettingsmiddelen aanwezig. Er is geen eindsituatieonderzoek gedaan na beëindiging van de veehouderij, omdat de (mogelijke) bodembedreigende activiteiten ter plaatse van de loods niet zullen wijzigen. De kleine gebruikshoeveelheden medicijnen, reinigings- en ontsmettingsmiddelen op de voormalige veehouderij werden opgeslagen in afsluitbare (koel)kasten. Door gebruik te maken van zeer reguliere voorzieningen, zoals vloeistofkerende vloeren, lekbakken en afgesloten kasten werd het bodembedreigende risico ter plaatse verwaarloosbaar gemaakt.
Door visuele controle, de aanwezigheid van absorptiemiddelen en de aanwezigheid van de bodembeschermende voorzieningen is het bodemrisico nog verder teruggebracht. Ten behoeve van de nevenactiviteiten is destijds een loods ingericht. Onderhoud aan hulp- en werktuigen kan als bodembedreigend worden aangemerkt. Ten behoeve van deze functie zijn bovendien kleine gebruikshoeveelheden smeerolie en afgewerkte olie aanwezig. Deze worden opgeslagen in afsluitbare kasten en lekbakken. De loods blijft in de beoogde situatie gehandhaafd. Het gebruik verandert hier niet. Door gebruik te maken van de reeds aanwezige zeer reguliere voorzieningen, zoals vloeistofkerende vloeren, lekbakken, absorptiemiddelen, visuele controle en afgesloten kasten blijft ook het bodembedreigende risico van het beoogde gebruik van de loods verwaarloosbaar. Bij beëindiging van de bedrijfsactiviteiten zal een nulsituatie-onderzoek van de bodem worden uitgevoerd. Ten aanzien van het aspect bodem zijn er derhalve geen bezwaren voor de gewenste ontwikkeling. 4.11 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen).
Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute.
4.11.1 Regelgeving
De regelgeving rondom externe veiligheid is opgenomen in diverse besluiten en regelingen. Besluiten en regelingen, waarin de aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd voor Herdersdreef 3 te Reusel kunnen zijn: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. In onderstaand kader worden deze risico’s nader uitgelegd. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een bepaalde horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door te stellen dat
Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied, Herdersdreef 3 Reusel’
36
een (fictief) persoon zich 24 uur per dag gedurende een heel jaar onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt. De plaatsgebonden risicocontour is een contour waarbij alle punten met een gelijk risico met elkaar verbonden worden. Deze punten worden bepaald door de kans van optreden van diverse ongeval scenario’s. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is 10-6 per jaar en geldt voor nieuwe situaties. Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten worden toegevoegd en ook nieuwe beperkt kwetsbare objecten, zijn in beginsel niet toegestaan. Als het plaatsgebonden risico 10-8 per jaar is, wordt het als verwaarloosbaar beschouwd. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico wordt behalve de ongevalfrequentie en het aantal transporten van gevaarlijke stoffen, tevens bepaald door de hoeveelheid aanwezige mensen in de nabijheid van een mogelijk ongeval. Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de hoeveelheid aanwezige mensen. Naarmate de groep slachtoffers groter wordt, moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn. Bij het bepalen van het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde, hiervoor zijn geen vaste contouren beschikbaar.
Invloedsgebied Gebied aan weerszijden van een weg, spoorweg of binnenwater waar ten hoogste 1% van de in dat gebied aanwezige personen kan overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval op die weg, spoorweg of binnenwater waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor wat betreft risicobedrijven is het invloedsgebied het gebied, dat in het Reglement externe veiligheid inrichtingen is bepaald, waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico.
Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken.
4.11.2 Toetsing aan beleid
Afbeelding 17: Uitsnede risicokaart Nederland (plangebied rood omcirkeld) Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Gezien de aard van de voorgenomen transportactiviteiten van hout en melk op de planlocatie is het Bevi niet van toepassing. De werkzaamheden omvatten niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Uit de risicokaart blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten aanwezig zijn op of nabij het plangebied. Er ontstaan daardoor geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling op het plangebied. De dichtstbijzijnde Bevi inrichting is gelegen op meer dan 1 kilometer, zie Afbeelding 17.
Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied, Herdersdreef 3 Reusel’
37
Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De ontwikkeling ligt buiten de invloedsfeer van zowel het spoortraject als de rijkswegen en enkele provinciale wegen. Daarom is verdere beoordeling aan het Bevt niet van toepassing. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van kracht geworden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. In het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied 2009’ is in de nabijheid geen dubbelbestemming voor aanwezige buisleidingen opgenomen. In de omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen die van invloed zijn op het plangebied. Een verantwoording van het groepsrisico op grond van het Bevb is dus niet aan de orde. Conclusie Ten aanzien van het aspect externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen binnen het plangebied. In de beoogde ontwikkeling worden in het plangebied minder dan 50 personen toegevoegd en de afstand van de beoogde ontwikkeling tot aan een risicobron bedraagt meer dan 750 meter. Derhalve is het standaardadvies van de Veiligheidsregio BrabantZuidoost toegevoegd, zie Bijlage 9.
4.12 Verkeer en parkeren Binnen het plangebied dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg.
Verkeersrouting
Het plangebied is gelegen aan de Herdersdreef. Zoals reeds benoemd in paragraaf 4.3.2 van deze toelichting zullen bij het worst-case scenario 32 zware verkeersbewegingen en 32 verkeersbewegingen met lichte motorvoertuigen per dag plaatsvinden van en naar het bedrijf. De transportbewegingen zullen plaatsvinden via de route Herdersdreef – Voorste Heikant - Postelsedijk/ Sleutselstraat en vice versa. De transportbewegingen zullen niet plaatsvinden via de Buizerd. De andere wegen zijn geschikt voor grote transportvoertuigen en daarmee wordt overlast op de Buizerd voorkomen. De verkeersbewegingen van zwaar vervoer vinden voornamelijk plaats aan het begin en het einde van de werkweek. Alle vrachtwagens komen hoofdzakelijk in het weekend op locatie te staan. Kortgezegd komen de chauffeurs op werkdagen niet elke dag op de locatie, behalve in het begin en het einde van het weekend. In de beoogde situatie zal het aantal verkeersbewegingen per dag dus veel lager liggen dan in het worst-case scenario. Gemiddeld, in de drukkere maand mei, rijden er 8 vrachtwagenbewegingen per dag van en naar de locatie aan de Herdersdreef. In Bijlage 8 is een overzichtstabel van alle vervoersbewegingen in mei en juli 2018 opgenomen.
In deze tabel is een totaaloverzicht gemaakt van het aantal vervoersbewegingen per maand, het gemiddeld aantal vervoersbewegingen per week en het gemiddeld aantal vervoersbewegingen per dag. Hieruit blijkt dus dat de vervoersbewegingen in realiteit lager zullen zijn dan in het worst-case scenario. Tot slot zijn de agrarische bedrijfsactiviteiten komen te vervallen, waarmee de zware agrarische verkeersbewegingen tevens zijn komen te vervallen.
Parkeren
Er is genoeg ruimte nodig voor het manoeuvreren en rangeren van de vrachtwagens en het parkeren van 16 trucks inclusief bijbehorende opleggers. Er zullen 16 parkeerplaatsen voor de vrachtwagen op het terrein gerealiseerd worden met de afmetingen van 25 of 6 meter bij 3,5 meter. Tevens zal het parkeren van de auto’s van het personeel op eigen terrein plaatsvinden. Het parkeren zal niet plaatsvinden op of langs de openbare weg. Voor de inrichting van de parkeerplaatsen is gebruik gemaakt van de richtlijnen van het CROW. Een transportbedrijf wordt conform de CROW-parkeernormen 2012 als arbeidsextensief/ bezoekersextensief bedrijf gezien. Er komen relatief weinig werknemers en relatief weinig bezoekers op het bedrijf. De totale bruto vloeroppervlakte van het bedrijf bedraagt 2.132 m². De locatie bevindt zich in het buitengebied. Daar geldt voor een transportbedrijf een minimale parkeernorm van 0,8 parkeerplaats per 100 m² bvo en een maximale parkeernorm van 1,3 parkeerplaats per 100 m² bvo.
Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied, Herdersdreef 3 Reusel’
38
Echter is hier sprake van een uitzonderingssituatie. De CROW-richtlijnen gaan uit van landelijk geldende situaties. In uitzonderingssituatie kan en mag hiervan worden afgeweken. In de beoogde situatie is de parkeerdruk namelijk relatief fors lager dan de landelijk geldende richtlijnen aangeven. Veel medewerkers zullen namelijk begin van de week de vrachtwagen ophalen en deze aan het einde van de week terugbrengen. Deze werknemers laten hun personenauto niet op het bedrijf geparkeerd staan. Daarnaast zijn zelden alle 16 vrachtwagens tegelijk in gebruik, waardoor er minder parkeerplaatsen voor personeelsleden nodig zijn. Tot slot kunnen de parkeerplaatsen ten behoeve van de vrachtwagens in gebruik worden genomen door personenauto’s als de personeelsleden met de vrachtwagen van het bedrijf vertrekken. Derhalve zijn er 12 parkeerplaatsen op het eigen terrein aangelegd ten behoeve van het personeel. De afmetingen van deze parkeerplaatsen bedragen circa 6 bij 3 meter. Er wordt afgeweken van de parkeernormen, omdat er anders een overschot aan parkeerplaatsen aangelegd zal worden die niet gebruikt gaan worden. Op deze wijze wordt een efficiënt ruimtegebruik binnen de bedrijfsbestemming nagestreefd. De beoogde ontwikkeling vormt geen belemmering voor wat betreft het aspect parkeren. Het parkeren ten behoeve van de bedrijfswoning zal plaatsvinden op de oprit behorende bij de woning.
Conform de CROW-parkeernormen 2012 dient bij een vrijstaande woning in het buitengebied een parkeernorm van 2,0 tot 2,8 parkeerplaats aangehouden te worden. Er is op de oprit behorende bij de woning voldoende ruimte om deze parkeerplaatsen te realiseren. In de separaat bijgevoegde Bijlage 1 zijn de benodigde parkeerplaatsen ingetekend. 4.13 Technische infrastructuur In of nabij het plangebied liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden (zoals te zien op de risicokaart in Afbeelding 17). Dit aspect vormt derhalve geen belemmering. 4.14 Volksgezondheid Gezondheidsrisico’s zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Bij blootstelling wordt er gekeken hoeveel ziekteverwerkers een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt. Iedere veehouderij moet voldoen aan diverse wet- en regelgeving voor diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aan- en afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc.
Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning dus niet verleend worden. Er mag vanuit worden gegaan dat de grenswaarden die in de wet zijn opgenomen de volksgezondheid in voldoende mate beschermen.
4.14.1 Onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden
Op 7 juli 2016 is het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) gepubliceerd, dat in opdracht van de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Economische Zaken (EZ), op advies van de Gezondheidsraad, was uitgevoerd. Uit dit onderzoek wordt duidelijk dat er sprake is van positieve en negatieve gezondheidseffecten ten gevolge van het wonen in de nabijheid van veehouderijen. Als positief wordt beschouwd dat mensen die rondom veehouderijen wonen minder astma en allergieën hebben. Voor melkvee- en varkenshouderijen zijn de effecten op de volksgezondheid naar de omgeving zeer beperkt vanwege de beperkte emissies van met name fijnstof. Bedrijven waar paarden of schapen gehouden worden zijn in de onderzoeken niet meegenomen. Endotoxine in de (fijn)stof emissie uit intensieve veehouderijen is wel een relevante component gebleken voor luchtwegklachten. Dit resulteert in de volgende negatieve effecten: Een verhoging van het risico op pneumonie (longontsteking), met name in de nabijheid van pluimveehouderijen; Verhoogd voorkomen van luchtwegklachten en een verminderde longfunctie in relatie tot dichtheid van veehouderijbedrijven rond de woning, ongeacht het type bedrijf;
Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied, Herdersdreef 3 Reusel’
39
Een verlaagde longfunctie na dagen en weken van verhoogde ammoniakconcentraties. De effecten worden waarschijnlijk niet door ammoniak zelf veroorzaakt maar zijn mogelijk het gevolg van omzetting in secundair fijnstof. Het VGO onderzoek maakt duidelijk dat gezondheidseffecten worden veroorzaakt door de combinatie van emissies van fijnstof, aan stofdeeltjes gebonden endotoxine en ammoniak-secundair fijnstof uit de veehouderijen. Endotoxine wordt gezien als een goede indicator voor blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Derhalve wordt een maximale endotoxinewaarde van 30 EU/m³ geadviseerd. De emissie van stofdeeltjes met endotoxine is in zes veel voorkomende stalsystemen met vleesvarkens, leghennen en vleeskuikens gemeten. Met een verspreidingsmodel is berekend of de voorgestelde endotoxinewaarde van 30 EU/m³ werd overschreden. De onderzoekers concludeerden dat bij individuele pluimveestallen de geur en fijnstof norm niet kunnen voorkomen dat de door de Gezondheidsraad geadviseerde endotoxinegrenswaarde, onder lokale omstandigheden, wordt overschreden.
4.14.2 Handelingsperspectieven veehouderij en volksgezondheid
Naar aanleiding van het eerste VGO-onderzoek wordt momenteel door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, een landelijk toetsingskader ontwikkeld voor endotoxine. In afwachting hierop is door het ondersteuningsteam van bestuurders van gemeenten in Brabant in 2016 de notitie ‘Handelingsperspectieven veehouderij en volksgezondheid: endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Aan de hand van deze notitie kan het risico van de verspreiding van endotoxinen van uitbreidende veehouderijen beoordeeld worden. Gemeenten en provincie willen uit voorzorg voorkomen dat door lopende en nieuwe aanvragen de endotoxine advieswaarde van de Gezondheidsraad wordt overschreden. Daar waar de advieswaarde al wordt overschreden willen ze voorkomen dat de overschrijding toeneemt. Een standstil van de emissie fijnstof-endotoxine is dus gewenst. Bij voorkeur wordt er een reductie van de emissie bereikt. Om de relatie bronsterkte fijnstof en aan te houden afstand om te voldoen aan de door de Gezondheidsraad geadviseerde endotoxinegrenswaarde van 30 EU/m³ te kunnen berekenen zijn voor vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens formules afgeleid uit het rapport van Erbrink (2016). Omgekeerd kan vanuit een omgevingsbewuste benadering worden bepaald of ter plaatse van een nieuw gevoelig object voldaan kan worden aan de adviesgrenswaarde van 30 EU/m³.
Het VGO onderzoek gaat uit van een endotoxine risicogebied indien 15 veehouderijen (of meer) zijn gelegen binnen een kilometer van een gevoelig object. In de praktijk blijkt dit dat dit aantal echter niet hanteerbaar is. In de notitie wordt derhalve een locatiegerichte specifieke benadering voorgesteld, omdat blijkt dat ook bij kleinere clusters (binnen 250 meter) cumulatie speelt vanwege de grote omvang van de veehouderijen, de hiermee gepaard gaande emissie van fijnstof-endotoxine en de geringe afstanden naar te beschermen objecten. De cumulatie van endotoxinen is echter (nog niet) kwantitatief te bepalen, daarom is in het kader van een omgevingsbewuste benadering een zogenaamde ‘Cumulatieve toets’ opgesteld. Dit betreft een stappenplan t.b.v. de uitbreiding van een veehouderij, maar kan in het kader van de omgekeerde werking ook voor het realiseren van nieuwe gevoelige objecten worden doorlopen. De eerste vraag van dit stappenplan is of er in de omgeving van het plangebied meerdere veehouderijen zijn gelegen met een hoge fijnstof-endotoxine emissie. Voor het afbakenen van de ‘omgeving’ wordt aangesloten bij de clusters van 250 meter die voortvloeien uit de locatiegerichte specifieke benadering. Op grond van de regeling beoordeling luchtkwaliteit (Rbl), aldus vastgesteld d.d.