CConstaterende datRenswoude
Koppel je AI →
Document · PDF

K4. Concept UPLG 5 juli 2023

Gemeenteraad 12 december 2023, gemeente RenswoudeBij agendapunt: Ingekomen stuk K. Reacties Utrechts Programma Landelijk Gebied 1.0 (UPLG)36.908 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Op zoek naar nieuwe instrumenten in relatie tot grond In het huidige landbouwmodel wordt de boer overwegend gedwongen om tegen steeds lagere kosten te produceren. Het resultaat is schaalvergroting en ­intensivering. Om de doelen uit het UPLG te kunnen halen streven we juist naar extensivering van het grondgebruik. Met de huidige grondprijzen is dat heel lastig te realiseren. Daarom is het van belang dat de rekening van extensivering niet alleen op het bord van de boer gelegd worden. Als dat gebeurt zal het resultaat zijn dat alleen de allergrootste bedrijven overeind blijven en dat veel van onze ­‘gewone’ boeren de transitie niet kunnen meemaken. We moeten daarom op zoek naar andere vormen van grondeigendom. Eén van de mogelijkheden is dat er meer mogelijkheden komen voor grondgebruik, zonder de noodzaak van aankoop van dure grond voor de individuele boer. In den lande zijn voorbeelden te vinden van aanpakken die hierbij denkbaar zijn. Een van die voorbeelden is de recent gestarte Grondcoöperatie Rijkdom in Friesland. Doel is dat de boer grond extensiveert met hulp van een particuliere investeerder.

78

De helft van het eigendom berust bij de boer en de andere helft bij de investeerder. Gedeeld eigendom dus. Wij gaan op zoek naar de mogelijkheden van dergelijke modellen in de provincie Utrecht en naar manieren om dit te ondersteunen. Flankerend beleid voor compensatie vermogensschade en inkomensschade Om gefundeerd beslissingen te nemen in gebiedsprocessen over te nemen maatregelen is het relevant om vóóraf inzichtelijk te hebben welke maatregelen welke financiële consequenties hebben, zowel op het inkomen als op het vermogen. Utrecht onderzoekt of een Friese systematiek1 hierbij helpend is, waarbij vóóraf inzichtelijk is welke compensatie er is bij welke maatregel.

6.5 Instrumentenkoffer in wording Om de gebiedsprocessen te faciliteren is een goed gevulde instrumentenkoffer van belang. Het ontwikkelen van de instrumentenkoffer is een iteratief proces waarbij de behoefte van de gebieden centraal staat. In het huidige overzicht van instrumenten staan regelingen die deels bestaand zijn, deels in ontwikkeling of soms alleen nog maar gewenst zijn. De lijst is niet compleet en is een momentopname. Vanuit de adaptiviteit van het programma en de input vanuit gebiedsprocessen verwachten we dat de instrumentkoffer in ontwikkeling blijft. Juridische borging van de instrumenten is hierbij een belangrijk aandachtspunt. Eén loket en één algemene subsidieregeling aanpak Landelijk Gebied Utrecht kiest voor één loket zodat overzicht ontstaat welk instrumentarium ­beschikbaar is. We zetten in op het opstellen van een algemene subsidieregeling Gebiedsgerichte aanpak Landelijk Gebied waaronder alle doelstellingen van het UPLG een plek krijgen en alle toepasbare regelingen staan vanuit de verschillende overheidslagen. Landbouwmenukaart en de Utrechtse Monitor Duurzame Landbouw De provincie Utrecht heeft naar voorbeeld van enkele andere provincie de Utrechtse Monitor Duurzame Landbouw ontwikkeld. Het is een leertool en ­‘meetinstrument’ in de omslag naar een meer duurzame vorm van landbouw zoals natuurinclusieve kringlooplandbouw.

Het doel is om prestaties te stimuleren (via bijv. kennisoverdracht), w ­ aarderen (door inzicht te bieden in wat bereikt is) en belonen (financieel). Agrariërs ­kunnen op basis van een integrale set van Kritische Prestatie Indicatoren zichzelf ‘­ monitoren’ en zien hoe hun bedrijfsvoering eruitziet in vergelijking met die van ­anderen. Op deze manier kunnen zij verbeterstappen identificeren. Ook de ­overgang naar nieuwe gewassen, voedselgewassen of bijvoorbeeld biobased bouwmaterialen kan worden ondersteund. Tevens kan het instrument gebruikt worden voor studiegroepen en coaching om van elkaar te leren.

6.6 De Utrechtse Stikstof Depositiebank De Utrechtse stikstof depositiebank is bedoeld om schaarse depositieruimte rechtmatig, doelmatig, verantwoord én gebiedsgericht toe te delen en werkt via uitgesteld extern salderen van depositieruimte ten behoeve van ontwikkeling en legalisaties. Extern salderen is het gebruiken van stikstofdepositieruimte voor een andere activiteit, die vrijkomt door het geheel of gedeeltelijk intrekken van een vergunning. Dit is een van de weinige mogelijkheden om op dit moment een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming te verlenen. In deze bank kan stikstof depositieruimte worden gereserveerd voor ­programma’s, projecten, tijdelijke projecten en proefprojecten met een maatschappelijke ­meerwaarde. In een gebiedsproces kunnen afspraken worden gemaakt over de verdeling van de in een gebied vrijgemaakte stikstofruimte, die niet nodig is voor het herstel van de natuur. Afgesproken kan worden dat depositieruimte binnen een gebied beschikbaar blijft.

6.7 Natuur beschermen en ontwikkelen en behoud en herstel biodiversiteit Natuur is een provinciale kerntaak sinds het decentralisatieakkoord natuur in 2011. In de Omgevingsvisie en provinciale Natuurvisie is onze ambitie neer­ gelegd ter uitvoering van die wettelijke taken en opgaven. Het UPLG geeft hier een ­belangrijke impuls aan. Uitvoering van de natuur- en bosopgave is essentieel ­gezien de urgentie vanuit de staat van de biodiversiteit en de noodzaak tot behoud en versterking hiervan, ook vanuit de wettelijke verplichting. Dit doen we zowel door het inzetten van financieel en juridische instrumentarium: subsidies ­handhaving en vergunningverlening.

1 Zie bijlage 4 Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

79

Daarnaast wordt met name de grondstrategie ingezet en ook de borging en ­bescherming in de Ruimtelijke ordening (omgevingsvisie, omgevingsverordening). Het UPLG moet bijdragen aan het versnellen in de realisatie van de natuurdoelen die in de Omgevingsvisie zijn vastgelegd: het behoud en herstel van biotopen, en leefgebieden en het in een gunstige staat van instandhouding brengen van Vogel en Habitatrichtlijnsoorten en van de met uitsterven bedreigde of speciaal gevaar lopende van nature in Nederland in het wild voorkomende dier- en planten­soorten, de zogenaamde rode lijst soorten binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Voor onze negen Natura 2000-gebieden zijn Natuurdoelanalyses (NDA’s) ­opgesteld. De NDA’s maken duidelijk dat de tot nu toe genomen maatregelen in de Natura 2000-gebieden nog niet voldoende zijn. Uit de NDA’s blijkt dat voor alle gebieden - naast de al uitgevoerde of geplande maatregelen - ook n ­ ieuwe ­maatregelen nodig zijn. Over dat laatste zal de onafhankelijke Ecologische ­Autoriteit na beoordeling een bindend advies uitbrengen. Omdat dit advies ­bindend is, zullen de NDA’s binnen gebiedsprocessen dan ook als bindend kader worden gehanteerd. Voor natuurontwikkeling, beheer en kwaliteitsmaatregelen zijn v­ erschillende ­subsidieregelingen beschikbaar. We houden deze bestaande subsidie-­ instrumenten tegen het licht.

We onderzoeken of aanvullend instrumentarium noodzakelijk is voor het realiseren van onze natuuropgave of dat het bestaand instrumentarium beter moet worden afgestemd op de opgaven uit het UPLG. Voor het realiseren van de (nu deels nog indicatieve) opgaven uit het UPLG zal aanvullende financiering nodig zijn. Om goed gebruik te kunnen maken van het instrumentarium is het daarnaast belangrijk de natuurmonitoring beter op orde te krijgen. Naast subsidies zijn ook bescherming via het ruimtelijk spoor, handhaving van ­bestaande (rijks)regels en vergunningverlening en daaruit voort­vloeiende ­compensatie belangrijke instrumenten. Bestaande natuur en waardevolle ­bossen ­bestendigen we en nieuwe natuur brengen we onder dezelfde ruimtelijke ­bescherming van ons Natuurnetwerk in de Omgevingsverordening. De Omgevingswet (voorheen Wet natuurbescherming) zetten we zo nodig in om beschermde soorten en leefgebieden tegen ongewenste ontwikkelingen en activiteiten te ­beschermen.

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

6.8 Ruimtelijk instrumentarium Doelstellingen worden pas behaald als ze ook in de praktijk zijn gebracht via ruimtelijke inpassing. Hiervoor is vaak vastlegging nodig via het ruimtelijk ­instrumentarium. Er wordt verkend hoe RO- instrumentarium, waaronder de ­provinciale Omgevingsverordening, beter benut kan worden voor het behalen van de doelstellingen van het UPLG. De provincie werkt intern nauw samen met het traject van het ruimtelijk voorstel zodat het eigen provinciale beleid van de Omgevingsvisie straks aansluit op de opgaven en keuzes voor het landelijk gebied. Extern is de rol van gemeenten essentieel vanwege de koppeling van voorgenomen activiteiten aan de omgevingsplannen van gemeenten. Als gezamenlijke overheden willen we richting gebiedsprocessen vanuit de gezamenlijke opgave te redeneren. Zo helpen we elkaar om mogelijkheden te scheppen voor een leefbaar en toekomstbestendig landelijk gebied. Te denken valt aan verruimingen van het omgevingsplan voor nevenactiviteiten voor agrariërs zodat zij hun verdienmodel kunnen aanvullen vanuit een andere activiteit.

6.9 Beheer en inrichting De financiële impact van maatregelen in de beheerfase is voor een agrariër of particuliere eigenaar een minstens zo belangrijke overweging als de financiering van het nemen van de maatregel zelf. Nu met het UPLG de scheiding tussen landbouw en natuur steeds verder vervaagt, komt bijvoorbeeld de agrariër steeds meer in positie vanuit zijn kracht als natuurbeheerder. Bij deze rol hoort een passende vergoeding, die meer inhoudt dan compensatie van gemaakte kosten. Langjarige afspraken horen bij deze vergoedingen, zodat een agrariër voor langere tijd zicht heeft op zijn of haar financiële positie bij het kiezen voor agrarisch natuurbeheer.

80

De provincie Utrecht wil zich sterk maken voor een ANLb-pakket dat hogere vergoedingen kent en een groter aantal hectares beslaat en ook een langere looptijd heeft dan de huidige 6 jaar (12 jaar of langer) zodat agrariërs meer zekerheden hebben op langere termijn. In onze provincie is veel ervaring met agrarisch natuurbeheer. De provincie Utrecht is trots op de vele voorbeelden van agrariërs die met veel zorg een rol vervullen in het vergroten van de biodiversiteit op hun percelen. Hiervoor willen we een voorstel doen in het transitiefonds omdat een passende vergoeding noodzakelijk is om de transitie te bespoedigen en recht te doen aan inspanningen van agrariërs voor natuurdoelen. Dit biedt terrein beherende organisaties kansen om te experimenteren met natte teelten of begrazingsbeheer met vee. Boeren krijgen zo de mogelijkheid om agrarisch natuurbeheer een structureel deel van het inkomen te laten zijn. Agrarische collectieven hebben een grote rol in het uitvoeren van het beheer. Voor functieverandering en inrichting van natuur is het meest in het oog springende financiële instrument is de Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap (SKNL). Voor de beheerfase van natuur is er de Subsidieverordening Natuur en Landschap (SNL). Op dit moment is de vergoeding vanuit de SNL niet kostendekkend.

Deze ontoereikendheid van vergoedingen is niet zonder consequenties; veel van de natuurherstelopgaven komen hieruit voort. Om voor de toekomst investeringen in natuur en biodiversiteit te waarborgen, is een passende en kostendekkende vergoeding noodzakelijk. Hiervoor hebben we een post opgenomen in de kostenraming van dit UPLG. Het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid is steeds meer gericht op vergoedingen van groene en blauwe ecosysteemdiensten. Ook de Subsidieregeling Natuur en Landschap (SNL) biedt kansen. Daarbij wordt (in overleg met LNV) ook gekeken naar mogelijkheden om buiten het NNN-beheersvergoedingen toe te kennen aan bijvoorbeeld gerealiseerde groenblauwe dooradering of nieuw bos

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

81

7 Onderzoek en monitoring 7.1 Monitoring als instrument in het lerende programma

Samenhang

Realisatie van de UPLG doelen via gebiedsprocessen in een langjarig en iteratief proces. Met een adaptieve en lerende aanpak spelen we in op nieuwe kennis en inzichten. Monitoring is hierbij een instrument dat ons inzicht moet geven in waar we staan onderweg naar het doelbereik, maar ook welke stappen er nodig zijn om hier te komen vanuit dit inzicht. De duiding van de monitoring zegt ons n ­ amelijk ook waarom we staan waar we staan en geeft ons richting in wat we hiervan ­kunnen leren.

Begrip Figuur 41

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

1 Kennismodel; van data tot inzicht (uit: Startversie PPLG Noord-Holland)

82

Figuur 4 laat zien hoe we vanuit data stappen zetten om tot inzicht te komen welke bijsturing nodig is. De monitoring voorziet ons van data. Door deze data betekenis te geven en te duiden vanuit onze ervaringen, komen we tot het inzicht welke stappen nodig zijn om te komen tot doelrealisatie.

7.2 Monitoring op doelen (kwantitatief) en op inspanningen (kwalitatief) Het NPLG is gericht op het halen van de onontkoombare doelstellingen. Doelbereik is voor de provincie Utrecht ook een relevant gegeven omdat het ook de verantwoording is van de besteding van maatschappelijk geld. Toch is niet enkel het doelbereik relevant. Vaak zijn er vooraf vele stappen die gezet worden die helpen om tot doelbereik te komen. Vaak zit dit in het doen van inspanningen op de randvoorwaarden om te komen tot draagvlak. Dit draagvlak is nodig voordat we kunnen overgaan tot het nemen van maatregelen. De maatregelen zelf leiden vervolgens tot concrete resultaten die meetbaar zijn via het doelbereik. De provincie Utrecht wil daarom naast het meten van de doelen ook aandacht hebben voor de inspanningen via een kwalitatieve monitoring. Dit kan ook zijn middels de duiding van de monitoring op doelen. We willen dat monitoring niet enkel een administratieve handeling is, maar dat het werkelijk bijdraagt aan het sneller bereiken van resultaat in gebiedsprocessen. Met deze vorm van monitoring doen we recht aan het lerende karakter van het programma. Het kan namelijk ook zo zijn dat een genomen maatregel niet het gewenste effect heeft gehad of dat er andere resultaten worden bereikt. Monitoring op inspanningen kan ons daarom inzicht verschaffen in succesfactoren.

Belangrijk element van het monitoren is ook leren en ontwikkelen. Meten is niet alleen een validatieproces, het is ook het gesprek aangaan en elkaar begrijpen. Wij willen dan ook goed luisteren naar de elementen van meten en monitoren die voor de betrokkenen in gebiedsprocessen van belang zijn.

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

7.3 Aansluiten bij bestaande monitoringsprogramma’s De basis van monitoring ligt ook in het onderling vertrouwen hebben in de ­gegevens. Idealiter vindt in gebiedsprocessen Joint fact finding plaats. In de tijd zal hier misschien niet altijd ruimte voor zijn. Het is daarom extra belangrijk dat we niet overal het wiel opnieuw hoeven uit te vinden, maar dat we zoveel mogelijk aansluiting vinden op gevalideerde systemen. De provincie Utrecht zoekt daarom ook voor de monitoring actief de samenwerking op met het Rijk en andere overheden, de kennisinstellingen en andere partners. Zo volgen we de voortgang, resultaten en effecten van ons beleid en de maatregelen die we nemen. We starten niet bij nul. Het UPLG brengt allerlei bestaande programma’s samen en brengt daarmee ook allerlei bestaande monitoringssystemen samen. Het s­ treven is zoveel mogelijk aan te sluiten bij monitoring die al gebeurt, zoals voor s­ tikstof door het RIVM (Wsn), het waterkwaliteitsportaal voor de KRW, de ­bestaande ­monitor Klimaatbeleid + KEV en de Natuurpact en Uitvoeringsprogramma Natuur, inclusief de actualisatie en uitbreiding van de natuurmonitoring door BIJ12. Zo wordt in alle provincies zoveel mogelijk vergelijkbaar gemonitord, zoals via het systeem ‘VHR Compleet’ en het registratiesysteem SOMERS voor de veen­ weidegebieden in ons land. Zo wordt optelbaarheid en vergelijkbaarheid geborgd.

We volgen daarbij het te ontwikkelen handboek monitoring van het Rijk. Dit handboek biedt handvatten voor de informatievoorziening voor de maatregelmonitoring in het Meerjarenprogramma Transitie Landelijk Gebied, in de vorm van een jaarlijks te actualiseren programmaboek. De doelen van het UPLG zijn breed en zullen vanuit de verschillende onderdelen én vanuit het totaal worden gemonitord om bij te kunnen sturen. Ook binnen in de provincie zelf zoeken we de samenwerking op met bijvoorbeeld de m ­ onitoring van het ruimtelijk beleid. In het eerste kwartaal van 2024 is de eerste versie van deze overkoepelende monitor van het omgevingsbeleid verwacht. De i­nsteek is dat deze monitor voor het Omgevingsbeleid ‘gevuld’ gaat worden met de ­monitoringsgegevens vanuit de onderliggende programma’s zoals het UPLG. ­Helder is dat de monitor een groeimodel is en verder wordt uitgebouwd als meer informatie en data beschikbaar komt.

83

Daarbij is het van belang aan te geven wat de indicator is in de monitoring. De doelen vertalen we het liefst naar zo concreet mogelijke indicatoren. Een indicator is een meetbare waarde die gezien kan worden als afgeleide of vertaling van de betreffende doelstelling. Van alle indicatoren zou je moeten uitwerken hoe die worden gemeten, welke data daarvoor verzamelend wordt en met welke frequentie en door wie dat gebeurt. Een duidelijke nulmeting vanuit het referentiejaar is nodig om helder te hebben waar we vandaan komen en liefst werkende met een streefwaarde zoals een restemissie zodat duidelijk is waar we naartoe bewegen.

7.4 Bijsturen via fasering De provincie Utrecht volgt de aanbeveling van Remkes om in 2025 en 2028 een tussentijdse stand van zaken op te maken. Wij sluiten met onze monitoringsystematiek aan bij de opzet die momenteel wordt ontwikkeld door de nationale Regieorganisatie Transitie Landelijk Gebied (RTLG). Hiermee wordt geborgd dat alle betrokkenen zowel binnen als buiten onze provincie de beschikking hebben over de juiste en gevalideerde gegevens. De monitoring vanuit RTLG is hét instrument waarmee bestuurlijk kan worden bijgestuurd op voortgang van maatregelen en doelbereik. Deze gegevens gebruiken we ook om de gebiedsprocessen te voorzien van de benodigde basisinformatie.

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

84

8 Kostenraming 2035 8.1 Kostenraming Deze paragraaf geeft op hoofdlijnen financieel inzicht op Themaniveau van het NPLG. Het Rijk stelt met het Transitiefonds Landelijk gebied middelen beschikbaar om de transitie in het landelijk gebied tot en met 2035 te realiseren. Het fonds is onderverdeeld in Rijksbeleid en Provinciaalbeleid. Voor de provincies (inclusief waterschappen en gemeenten) is € 24,3 miljard beschikbaar gesteld en zal op basis van de aangeleverde PPLG’s worden verdeeld. De planning zoals deze er nu ligt is, dat in begrotingsjaar 2024 de eerste uitkering uit dit fonds zal plaatsvinden. De bedragen zijn gebaseerd op voorlopige inschattingen. Er is geen rekening ­gehouden met mogelijke financiële effecten als meerdere doelen gecombineerd worden. Aan de andere kant zullen er ook prijsopdrijvende effecten mogelijk zijn. Daarom hebben we nu bij het eindbedrag een bandbreedte van +25% tot -25% ­opgenomen (zie tabel 2). De totale kostenraming van dit concept UPLG versie 1.0 komt uit op een bedrag van 3,7 miljard euro tot 2035. Uitgaande van een bandbreedte van -25% tot + 25% betekent dit een bandbreedte van 2,8 miljard euro tot 4,6 miljard euro. In het vervolgtraject zullen de aannames en daarmee de bedragen verfijnd worden. Een aantal posten hebben we in de achterliggende tabel (zie bijlage 5) op pm gezet omdat daar nog geen kostenraming van is te geven.

Z­ odra we meer inzicht hebben in de te verwachten kosten van deze posten gaan we h­ ierover in gesprek met het Rijk. De genoemde bedragen zijn exclusief middelen die vanuit eigen provinciale ­bijdragen worden ingezet, met andere woorden het gaat om extra middelen, die noodzakelijk worden geacht om de transitie in de Provincie Utrecht vorm te geven. In onderstaande tabel zijn alle maatregelen vertaald naar wat de verwachte uitgaven gaan zijn. In deze tabel is geen inflatie opgenomen. De inflatie wordt doorberekend op het fonds en zal evenredig opgehoogd worden voor de provincies. Deze financiële onderbouwing is opgesteld met de beschikbare kennis van dit moment, de daad­werkelijke kosten van uitvoering en investeringen gaan hiervan afwijken. Er is uitgegaan van aannames, waaraan bedragen zijn gekoppeld. Uiteindelijk zullen er per gebied gebiedsplannen komen, waarin op integrale wijze de diverse thema’s met elkaar verbonden worden.

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

85

Belangrijk om te melden is dat de maatregelen gericht op de reductie van stikstof­ emissies vrijwel uitsluitend de veehouderij als doelgroep hebben. De aanpak die voor de sector wordt ontwikkeld bevat veel maatregelen die direct of indirect gericht zijn op stikstofreductie. De dekking voor deze maatregelen zijn opgenomen in het landbouwdeel van de kostenraming. Onder eenmalige kosten wordt verstaan de uitgaven die tijdens de transitie w ­ orden gemaakt en daarna naar verwachting niet herhaald worden. Onder structurele ­kosten wordt in deze tabel verstaan met name beheerlasten die het gevolg zijn van de eenmalige maatregelen. Het bedrag in deze kolom bestaat uit het jaarlijkse bedrag x 12 jaar (=de looptijd van het Transitiefonds: 2024-2035). De proceskosten opgenomen in de tabel bestaan uit bijdrage voor het faciliteren van de gebieds­ processen, extra formatie intern en extra formatie voor waterschappen, gemeenten, landbouw- en natuurorganisaties. Naast de thema’s uit het NPLG is het volgende thema opgenomen in het financiële overzicht: Fonds Vitaliteit Landelijk Gebied. Naast het treffen van maatregelen om de natuurlijke omgeving gezond te houden, vinden we het welzijn van de bewoners en ondernemers in het gebied belangrijk. Daarom hebben we in de kostenraming opgenomen dat €100 miljoen ingezet kan worden voor een Fonds Vitaliteit Landelijk Gebied.

Met deze middelen wordt de leefbaarheid van het landelijk gebied en het welzijn van haar bewoners een integraal onderdeel van het UPLG-proces. Het Fonds Vitaliteit Landelijk Gebied koppelen we aan de gebiedsprocessen, zodat de ideeën hiervoor direct samenhangen met de behoeften vanuit de gebieden. De ­precieze ­invulling van het fonds is nog in ontwikkeling (zie verder hoofdstuk 11 van dit ­concept UPLG).

8.2 Beheerlasten na 2036 De opgenomen structurele lasten beperken zich niet tot de periode 2024-2035. Ook vanaf 2036 zullen structurele beheermiddelen nodig zijn, om het NPLG duurzaam te benutten. Deze noodzakelijke middelen moeten uit het Landbouwakkoord komen, of uit Rijksmiddelen en maken nadrukkelijk geen deel uit van het UPLG. Op dit moment loopt er in opdracht van het Ministerie van LNV een onderzoek, in het kader van artikel 2 van de Financiële-verhoudingswet. De bekostiging van ­wijzigingen in het takenpakket van de medeoverheden is geregeld in artikel 2 van deze wet. Wij gaan ervan uit dat de toegenomen structurele lasten worden mee­ genomen in dit onderzoek.

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

8.3 Aanvullende financiële bronnen Naast het Transitiefonds Landelijk Gebied zijn er nog andere financieringsbronnen. In de eerste plaats de eigen provinciale middelen voor het bestaande beleid. Daarnaast eigen middelen, waarvoor we cofinanciering ontvangen. Denk hierbij aan het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB-NSP) en overige Rijksmiddelen, zoals het Klimaatpact, Specifieke Uitkering (SPUK) Natuur en de SPUK voor Bodemdaling Veenweidegebied en voor PAS-melders. En tenslotte de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting (Lbv-plus). De SPUK Maatregel gerichte aankoop en beëindiging veehouderijen nabij natuurgebieden tranche 2 (MGA-2) staat op de planning.

8.4 Risico’s Er kleven tal van risico’s aan het uitvoeren van het UPLG. Zonder uitputtend te zijn, gaat het in ieder geval om de volgende grote risicocategorieën, die in de loop van de komende periode gemitigeerd moeten worden: • Omgevingsrisico’s (politiek en maatschappelijk landschap) à ontbreken van voldoende draagvlak, kan grote gevolgen hebben voor de uitvoerbaarheid van maatregelen. De resultaten kunnen alleen worden behaald met alle relevante maatschappelijke partners. Dit geldt ook als bestuurlijke standpunten en besluitvorming uitblijven. Uiteindelijk kunnen gebiedsprocessen hierdoor vertragen of zelfs stranden. • Juridische risico’s à de vraag is of het implementeren van nieuwe instrumenten voldoende juridisch houdbaar is. Mochten de instrumenten niet houdbaar blijken bij de rechter, dan heeft dit effect op de resultaten, maar ook op het draagvlak in de gebieden. • Technische risico’s à een belangrijke pijler om de resultaten te behalen is ook weggelegd voor innovatie. In de praktijk moet bewezen worden of deze innovaties die resultaten behalen, die aan de voorkant worden benoemd. • Financiële risico’s à in deze fase gaat het om globale inschattingen, gezien de grote onzekerheden. Bedragen kunnen lager of hoger uitvallen. Indien er onvoldoende middelen vanuit het Transitiefonds beschikbaar komen, moeten er keuzes worden gemaakt.

Financiële risico’s ontstaan ook, omdat nog niet duidelijk is, of kosten declarabel zijn, terwijl resultaten -als gevolg van vrijwilligheid- niet volledig gehaald kunnen worden. • Organisatorische risico’s à samen met de gebiedspartners is veel capaciteit nodig om deze complexe opgave te realiseren. Er is veel afstemming nodig, om processen snel en zorgvuldig te doorlopen. Onvoldoende afstemming kan gevolgen hebben voor draagvlak en uiteindelijk voor de resultaten.

86

Kostenraming Verbetering waterkwaliteit

Te verwachten kosten 2024-2035 € 0,53 miljard + PM

Maatregelen verbeteren waterkwaliteit

-

Maatregelen klimaatbestendigheid watersysteem

-

Natuurversterking en -herstel

€ 1,29 miljard

Maatregelen beheer nieuwe stijl

-

Maatregelen natuurherstel Natura 2000 gebieden

-

Maatregelen NNN

-

Vogel en Habitatrichtlijn; VHR Natuur, VHR agrarisch en VHR GBDA

-

Maatregelen nieuwe en vitale bossen

-

GroenBlauweDoorAdering (GBDA)

-

Maatregelen versterking weidevogelgebieden

-

Maatregelen versterken agrarisch natuurbeheer

-

Reductie stikstofdepositie

€ 0,08 miljard

Maatregelen verplaatsing bedrijven

-

Maatregelen realisatie overgangszones N2000 gebieden

-

Klimaat (mitigatie)

€ 0,27 miljard

Maatregelen vermindering broeikasgassen uit veenbodems

-

Maatregelen reductie uitstoot methaan veehouderij

-

Toekomstbestendige landbouw en veeteelt

€ 0,77 miljard + PM

Maatregelen verduurzaming landbouw en veeteelt

-

Maatregelen extensief grondgebruik

-

Randvoorwaardelijke zaken

€ 0,73 miljard

Onderzoek en monitoring, Kennisdeling

-

Fonds Vitaliteit landelijk gebied

-

Proceskosten

-

Totale kosten

€ 3,67 miljard + PM

Bandbreedte -25% en +25%

€ 2,75 - € 4,58 miljard

Tabel 2 Kostenraming 2024-2035 (de uitgebreide tabel is te vinden in bijlage 5) Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

87

9 Maatregelpakketten ­(samenvatting) 9.1 Inleiding Het Rijk heeft aangegeven dat tegelijkertijd met het indienen van het concept UPLG-1.0 er op 1 juli tenminste twee maatregelpakketten moeten worden ingediend. Daarbij is aangegeven dat het nadrukkelijk gaat om het geven van een overzicht van de maatregelen die vanuit de samenhang van de NPLG-opgaven effectief zijn en op korte termijn (tussen 2024 en 2030) kunnen worden toegepast. Alle provincies gaan hier verschillend mee om. Vanuit de provincie Utrecht dienen we parallel aan dit UPLG zes maatregelpakketten in. Vanuit het Rijk is aangegeven dat ook later dit jaar (en komende jaren) nog nieuwe maatregelpakketten ingediend kunnen worden. Zo zijn we voornemens in het najaar in elk geval nog een zevende maatregelpakket in te dienen met de titel ‘Grond als motor’. Dit om te laten zien dat we volop aan de slag willen en daar ook het budget vanuit het Transitiefonds voor nodig hebben. Dit hoofdstuk geeft een samenvattende toelichting op deze zes maatregelpakketten. De ingevulde formats die voor de maatregelpakketten ingediend gaan worden bij het Rijk hebben we niet opgenomen in dit UPLG, dat zou te omvangrijk zijn. Maar ze gaan wel direct mee richting het Rijk bij het indienen van dit UPLG. We dienen het concept-UPLG versie 1.0 en de zes maatregelpakketten in als één samenhangend geheel bij het Rijk begin juli.

De totale som van de benodigde budgetten voor deze zes maatregelpakketten is integraal onderdeel van de totale Kostenraming 2035 (zie hoofdstuk 8), het zijn dus geen budgetten die daarbij opgeteld moeten worden. De zes maatregelpakketten vormen voor de provincie Utrecht het eerste concrete verzoek voor budget uit het Transitiefonds jaarschijf 2024, zodat we snel een start kunnen maken.

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

88

9.2 Tabel maatregelpakketten In deze eerste tranche dient de provincie Utrecht zes maatregelpakketten in bij het Rijk. De pakketten verschillen in focus (primair doel) en op schaalniveau ­(gebied of globaal).

Maatregelpakket

Focus

Benodigd budget

1. Groenblauwe linten en scheggen en boerensloten

Dit pakket focust zich primair op het realiseren van NNN, VHR-agrarische natuur, de provinciale Bossenstrategie, droge en natte ecologische verbindingen, het realiseren van GBDA in het landelijk gebied, beekherstel en beheer levendige boerensloten volgens KRW en transitie naar circulaire, natuurinclusieve en klimaatneutrale landbouw.

117 (tot 2030)

2. Reductie broeikasgasuitstoot Veenweide

Maatregelen vanuit de Regionale Veenweidestrategie die genomen kunnen worden om de zomergrondwaterstand te verhogen en zo (primair) broeikasgassen uit veenweide te reduceren.

270 (tot 2030)

3. Landbouw

De focus van dit pakket is provinciebreed en ligt op doelsturing en het stimuleren van duurzaam ondernemerschap.

87 (t/m 2028)

4. Natuurdoelanalyse Natura 2000-gebieden

Dit pakket betreft maatregelen die ervoor zorgen dat de gunstige staat van instandhouding van de Natura 2000-gebieden worden gehaald en dat verslechtering wordt voorkomen.

213 (tot 2030)

5. Heuvelrug en Flanken

Dit pakket richt zich op het watersysteem van de Utrechtse Heuvelrug om de effecten van klimaatverandering zoveel mogelijk op te vangen, zodat de Utrechtse Heuvelrug weer functioneert als een spons: water wordt langer vastgehouden en verdroging wordt tegengegaan.

40 (tot 2028) + 100-150 (vanaf 2028)

6. Beekdalen

Dit pakket is gericht op het grootschalig herstel van de beekdalen ter verbetering van de waterkwaliteit en robuust watersysteem.

51 (deels tot 2028 en deels vanaf 2028)

Tabel 3: De zes maatregelpakketten die worden ingeleverd bij het Rijk, samengevat op doel en totale kosten.

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

89

9.3 Toelichting op de maatregelpakketten Pakket 1: Groenblauwe linten en scheggen en boerensloten Het maatregelpakket groenblauwe linten en scheggen realiseert de doelen binnen het NPLG aan de hand van een divers instrumentarium. Het richt zich met name op het realiseren van groenblauwe dooradering (GBDA) door het landelijk gebied en tussen stad en land, met stevige bijdragen aan de natuur-, water- en klimaatdoelen. Het gaat hierbij om de volgende maatregelen: • Opgaande houtige beplanting • Landgebruik voor koolstofvastlegging • Areaal ten behoeve van weidevogels aansluitend op NNN • Droge en natte ecologische verbindingen • Gunstige staat instandhouding conform de VHR • Hydrologienatuur • Bosareaal • Zoetwaterbeschikbaarheid combineren met verbetering waterkwaliteit conform KRW • Hydrologie natuur en waterkwaliteit conform KRW, onder meer in aangewezen beken • Levendige boerensloten door natte ecologische verbindingen en reductie gewasbeschermingsmiddelen in combinatie met beheer De maatregelen gaan prioritair landen in de Zuidelijke Eemvallei, Hollandsche IJssel, Kromme Rijn Linielandschap en verbindingen en in het Noorderpark. In deze gebieden is realisatie op korte termijn haalbaar. Daarnaast omvat dit maatregelpakket twee horizontale maatregelen (door de provincie heen): rond beekherstel en levendige boerensloten.

Dit horizontaal pakket is daarmee onlosmakelijk verbonden met de gebiedsaanpak maar wordt apart gespecificeerd omdat het financieel, organisatorisch en geografisch kader anders is dan die van de gebiedsaanpak. De totale kosten voor de maatregelen zijn geraamd op €117 miljoen. Pakket 2: Reductie broeikasgasuitstoot Veenweide Dit pakket omvat maatregelen die genomen kunnen worden in de veenweidegebieden. Met de komst van het NPLG landen er veel opgaven in de veenweide die integraal en gebiedsgericht opgepakt moeten worden. Door er integraal naar te kijken kan de synergie tussen de opgaven benut worden. Opgaven kunnen gestapeld worden waar dat mogelijk is, maar er moeten ook keuzes gemaakt worden want niet alles kan overal. We gaan hierbij uit van

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

de bodem (het soort veen en de hoogteligging binnen het peilvak) en van het watersysteem. Dit maatregelpakket betreft primair maatregelen die ervoor zorgen dat de zomergrondwaterstand in de veenweidegebieden omhoog gaat. Ook gaat het daarnaast om flankerende maatregelen die nodig zijn om genoemde maatregelen goed te laten functioneren, negatieve neveneffecten te beperken en om meerdere doelen tegelijk te bedienen. Het grootste deel van deze maatregelen komt voort uit de doelen voor de veenweide uit het Klimaatakkoord en moeten in 2030 zijn genomen. De maatregelen zijn beschreven in de Regionale Veenweidestrategie Utrechtse Veenweide (2022) en verder uitgewerkt in het Uitvoeringsprogramma Regionale Veenweidestrategie Utrechtse Veenweide (2022). De geraamde kosten van het pakket zijn overgenomen van de RVS. De geraamde totale kosten van het maatregelpakket uit de RVS vanaf 2020 tot en met 2030 bedraagt ca. €300 miljoen (bij prijspeil 2021). Ca. €32 miljoen daarvan is gedekt uit de optelsom van middelen uit de provinciale begroting, een deel uit de Impulsgelden Veenweide die de provincie heeft ontvangen van het Rijk (2021). Dit betekent dat naar schatting nog ca. €270 miljoen benodigd is uit het Transitiefonds Landelijk Gebied. Er zijn verschillende maatregelen die genomen kunnen worden om de zomergrondwaterstand in veenbodems te verhogen.

Voorlopig zetten we met name in op de verhoging van het slootpeil, al dan niet in combinatie met de aanleg van waterinfiltratiesystemen (WIS). Dit is op dit moment de best bewezen techniek. Bij blijvend landbouwkundig gebruik zijn deze maatregelen te beschouwen als een no regret-maatregel (mits goed uitgevoerd en beheerd) voor de reductie van de uitstoot van broeikasgassen uit veenbodems. Echter we kijken met dit pakket verder dan CO2 -equivalenten afkomstig uit de veenbodems. De maatregelen in dit pakket kunnen gecompleteerd worden met maatregelen uit de overige maatregelpakketten (zoals bijvoorbeeld met het landbouw pakket en het pakket Groenblauwe linten en scheggen en boerensloten), om tot een zo integraal mogelijke uitwerking te komen in het veenweidegebied (zie ook paragraaf 9.4). Pakket 3: Landbouw Dit eerste maatregelpakket voor de landbouw binnen het UPLG is samengesteld om op korte termijn resultaat te boeken op de UPLG-doelen. De focus van dit pakket is provincie-breed en ligt op doelsturing en het stimuleren van duurzaam ondernemerschap. Het bestaat uit ‘no-regret’ maatregelen waarbij ingezet wordt op het verspreiden van kennis en het belonen van verduurzamen van de huidige landbouwpraktijk.

90

Het belangrijkste instrument hiervoor is de Utrechtse Monitor Duurzame Landbouw (UMDL). Daarnaast zetten we in op voer en managementmaatregelen. Hier wordt ondersteuning en kennisontwikkeling gestimuleerd waar agrariërs snel mee aan de slag kunnen om ammoniakemissies te reduceren en toe te werken naar een duurzamere bedrijfsvoering. Als toevoeging op de managementmaatregelen worden er ook fondsen vrijgemaakt ten behoeve van de structuurversterking in de landbouw, om een uitbreiding van weidegang mogelijk te maken. Ook gaat de provincie een landbouwloket openen om informatie beter beschikbaar te maken en tegelijkertijd beter bereikbaar te worden voor agrariërs. Met dit pakket doen we in de provincie ook ervaring op met betrekking tot innovatie en extensivering. Zo wordt het Fieldlab Boeren met Perspectief ondersteund om met innovatieve stalsystemen aan de slag te gaan. Op kleine schaal worden ‘polderprocessen’ begeleid, waar dankzij de inzet van gronden van stoppers een duurzaam toekomstperspectief voor blijvers kan worden geschetst. Om deze maatregelen uit te kunnen voeren is financiering uit het transitiefonds noodzakelijk.

De financiering voor het eerste jaar van de Utrechtse Monitor Duurzame Landbouw (UMDL), de voer- en managementmaatregelen, de structuurversterking ten behoeve van uitbreiding weidegang en het initiatief van coöperatie Boeren met Perspectief komt totaal uit op een bedrag van € 20.665.000. Voor de jaren die volgen zal de financiering per jaar € 22.245.000 kosten. Tot en met 2028 zijn de kosten van de maatregelen geraamd op ca. € 87 miljoen. Pakket 4: Natuurdoelanalyse Natura 2000-gebieden Dit maatregelpakket betreft maatregelen die ervoor zorgen dat de gunstige staat van de instandhouding van de Natura 2000-gebieden wordt gehaald en dat verslechtering wordt voorkomen. In dit maatregelpakket gaat het om de maatregelen die buiten de Natura 2000-gebieden uitgevoerd moeten worden zoals functieverandering en inrichting, hydrologie en onderzoek naar hydrologie en connectiviteit. Het gros van deze maatregelen komt voort uit de doelen beschreven in het Aanwijzingsbesluit en in het Beheerplan per Natura 2000-gebied. De maatregelen zijn beschreven in de natuurdoelanalyses per gebied, zo is duidelijk geworden waar en in welke mate stikstof-reducerende maatregelen en andere maatregelen voor de natuur nodig zijn.

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

De maatregelen per Natura 2000-gebied staan uitvoerig beschreven in de natuurdoelanalyse. De kosten van de maatregelen worden tot 2030 geraamd op ca. € 213 miljoen, met een verdeling over de jaren. Voor de begroting is een bedrag voor onderzoek naar de maatregelen opgenomen maar niet voor de maatregelen die daaruit voortvloeien. Dit maatregelpakket heeft een groot doelbereik op de natuurdoelen en ons eigen gestelde doel gericht op klimaat en water. De natuuropgaven zullen een grote invloed hebben op het agrarisch gebruik in de overgangszones in de nabijheid van de natuurgebieden maar zullen ook kansen geven. Die kansen hebben te maken met het klimaatbestendig maken van het gebied bij steeds meer droge zomers. Ander waterbeheer waarbij natuur en landbouw samen opgaan is hard nodig om ook die droge periodes in de zomer en nattere periodes in de winter goed door te komen zonder extra verlies van productie en biodiversiteit. Opgaven in het veenweidegebied, de Utrechtse heuvelrug (Blauwe Agenda) en KRW-opgaven kunnen daar in ruime mate aan bijdragen. Pakket 5: Heuvelrug en Flanken De basis voor dit maatregelpakket is beschreven in het Ambitiedocument Blauwe Agenda. Een deel van de maatregelen uit de bijbehorende uitvoeringsagenda is opgenomen.

Het doel van de Blauwe Agenda is om het watersysteem van de Utrechtse Heuvelrug meer robuust te maken om zodoende de effecten van klimaatverandering zoveel mogelijk op te kunnen vangen. Door meer water te infiltreren en vast te houden (door o.a. gerichte peil en bodemverhoging en realiseren van nieuw bos) wordt de beschikbaarheid van water voor alle functies (natuur, landbouw, drinkwater, stedelijk gebied) vergroot en de gevolgen van wateroverlast beperkt. Op de lage flanken werken we toe naar een robuuster en toekomstbestendig watersysteem door het ontvlechten van het landgebruik. Dit alles leidt tot een groenblauw dooraderd gebied met vochtige (broekbossen), schone sloten, waardevolle landschapselementen en een watersysteem waarbij de Utrechtse Heuvelrug weer functioneert als een spons: water wordt langer vastgehouden en verdroging wordt tegengegaan.

91

De kosten op de korte termijn (tot 2028) worden geschat op ca. €40 miljoen, op de middellange termijn (vanaf 2028) wordt toegewerkt naar grotere ingrepen waarvoor we denken uiteindelijk aanvullend ca. €100 - 150 miljoen nodig te hebben. Pakket 6: Beekdalen Dit maatregelpakket pakken we op in nauwe samenwerking met de provincie Gelderland en waterschap Vallei en Veluwe. Het is gericht op het grootschalig herstel van de beekdalen ter verbetering van de waterkwaliteit en voor een robuust bodem- en watersysteem. Ook de beekdalen zijn prioritair gebied. Het heeft betrekking op het gebied rond de beken in de Gelderse Vallei. De precieze afbakening is nog niet bekend, dit is mede afhankelijk van studie van de WUR over de invloed van grondwater op de waterkwaliteit van het oppervlaktewater in de Gelderse Vallei. Ook is het afhankelijk van de mogelijkheden in het gebied (gebiedsproces) en van de bredere watersysteemaanpak. Het pakket richt zich op drie type maatregelen. Daarbij gaat het om een herinrichting van de beken, het verbeteren van de waterkwaliteit door (o.a.) ecologisch beheer van bufferstroken en de verbetering van het watersysteem voor tijden van droogte en de opvang van piekbuien. Vooral in de bovenlopen en de toevoerende haarvaten is het watersysteem gebaat bij het langer vasthouden van water.

In het gebied van de benedenlopen zullen maatregelen genomen moeten worden als gevolg van hogere grondwaterstanden. De totale eerste schatting van de kosten worden op dit moment geraamd op ca. € 51 miljoen voor dit pakket.

9.4 Samenhang tussen de maatregelpakketten De bovenstaande beschreven pakketten dienen in samenhang bekeken te worden. Al verschillen ze grotendeels qua gebied en focus, ze bevatten maatregelen die in meerdere gebieden toepasbaar zijn en genomen kunnen worden. De ingediende pakketten completeren elkaar met verschillende maatregelen die kunnen leiden tot een (grotere) integrale uitwerking in het desbetreffende gebied. In deze paragraaf geven we aan hoe de maatregelpakketten in samenhang bekeken kunnen worden.

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

Het landbouwpakket gaat als een breinaald door de andere maatregelpakketten heen en draagt daarmee bij aan het doelbereik van alle andere ingediende pakketten. Met voer- en managementmaatregelen wordt beoogd emissies van ammoniak en broeikasgassen te beperken. Via de Utrechtse Monitor Duurzame landbouw belonen we boeren voor goede milieuprestaties op basis van een set Kritische Prestatie Indicatoren (KPI’s). Hiermee worden inspanningen beloond die bijdragen aan het doelbereik van andere maatregelpakketten. Voorbeelden zijn de beperking van uitspoeling van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen (beekdalen), waterkwantiteit (veenweide) en de realisatie van landschapselementen (groenblauwe linten, scheggen en boerensloten). Het ‘groenblauwe linten en scheggen en boerensloten’ pakket richt zich met name op vier specifieke gebieden in de provincie om de kwaliteit van natuur en water te verbeteren en tussen stad en land. Dit pakket kan de combinatie zoeken met maatregelen uit het landbouwpakket (zoals extensivering) of het veenweidepakket (zoals WIS) waardoor er mogelijk meer ruimte vrijkomt voor GBDA aan de randen van natte percelen. Daarnaast zorgen maatregelen in het Heuvelrug en Flanken-pakket voor meer beplanting en bos wat goed gecombineerd kan worden.

In het veenweidepakket kunnen maatregelen uit het ‘groenblauwe linten en scheggen en boerensloten’-pakket gecombineerd worden met de maatregelen om de grondwaterstand te verhogen uit het veenweidepakket. In het ‘groenblauwe linten’-pakket wordt met name ingezet op GBDA, waaronder ecologisch beheer van boerensloten. Aangezien de veenweide prioritair gebied is, zal hier ten minste 10% GBDA moeten worden gerealiseerd. Maatregelen benoemd in het ‘groenblauwe linten’-pakket kunnen dus gekoppeld worden aan de primaire maatregelen in het veenweidepakket. Daarnaast liggen er grote kansen om aanvullende maatregelen uit het landbouwpakket toe te passen in de veenweide, om (onder andere) de uitstoot afkomstig uit de landbouw in deze gebieden te verminderen. Dit vergroot de kansen voor het behalen van de VHR-doelen, de KRW-doelen en de methaandoelstelling. Tot slot liggen er ook twee Natura 2000-gebieden in de veenweide, waar een koppeling gezocht kan worden met maatregelen benoemd in het Natuurdoelanalyse pakket om deze gebieden (extra) te beschermen.

92

Het Natuurdoelanalyse pakket dat zich richt op en rond de Natura 2000-gebieden heeft veel kansen om de combinatie te zoeken met het landbouwpakket (o.a. stikstof reducerende maatregelen) en het veenweidepakket (o.a. grondwaterverhogende maatregelen). Een goede hydrologische situatie is van groot belang naast ook een lagere stikstofdepositie in de Natura 2000-gebieden. Daarnaast kan dit pakket gecombineerd worden met het ‘groenblauwe linten’-pakket, door het realiseren van GBDA wat enerzijds de biodiversiteit verbetert in de Natura 2000-gebieden, en anders zorgt voor een hogere waterkwaliteit. Het ‘Heuvelrug en Flanken’-pakket richt zich zoals gezegd op de Heuvelrug en met name de zuidwest flanken. Hierin wordt primair gefocust op een verbeterde waterhuishouding om verdroging en wateroverlast van de Heuvelrug en Flanken tegen te gaan, met als doel dat de Heuvelrug weer functioneert als een spons. Hier kunnen maatregelen uit het ‘groenblauwe linten’-pakket worden toegepast, aangezien dit pakket zich mede richt op het creëren van meer bosareaal (wat zorgt voor meer vasthoudend vermogen), waterberging en schone, ecologisch beheerde sloten met natuurvriendelijke oevers. Daarnaast kunnen maatregelen in andere pakketten (zoals het veenweide en het landbouwpakket) ervoor zorgen dat er meer water blijft in de Heuvelrug en de flanken.

Het pakket voor de beekdalen kan gecombineerd worden met maatregelen uit het ‘groenblauwe linten’-pakket. De aanleg van bijvoorbeeld natuurvriendelijke oevers kan enorm helpen om afstroming van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen te beperken, ter bevordering van de waterkwaliteit. Daarnaast is het van belang voor de beekdalen dat de maatregelen opgenomen in het pakket g­ ecombineerd zullen worden met maatregelen uit het landbouwpakket, die het gebruik van kunstmest en gewasbeschermingsmiddelen zullen reduceren

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

93

10 Sociaaleconomische ­Impactanalyse (SEIA) 10.1 Inleiding De provincie Utrecht stelt het realiseren van een toekomstbestendig en vitaal platteland, met blijvend ruimte voor een duurzame, economisch rendabele en maatschappelijk gewaardeerde landbouw, expliciet als belangrijke voorwaarde om het UPLG te kunnen realiseren. Het UPLG stelt maatregelen voor om de natuur, inclusief de bodem- en waterkwaliteit in de provincie Utrecht te verbeteren. Het behalen van de doelen is noodzakelijk voor de natuur, het klimaat en voor de kwaliteit van de leefomgeving. Tegelijkertijd kunnen de maatregelen om deze doelen te behalen grote gevolgen hebben voor het gebruik en de inrichting van het landelijk gebied. We willen dat de Utrechtse landbouwsector een duurzaam, economisch rendabel en duidelijk toekomstperspectief heeft. Bovendien willen we niet afdoen aan de enorme waarde van het landelijk gebied als plek om in te wonen, werken en recreëren. Daarom gaan we een sociaaleconomische impactanalyse (SEIA) doen. Middels deze analyse toetsen we de sociaaleconomische effecten van de maatregelen uit het UPLG. Zo kunnen we beter anticiperen op wat er zou kunnen veranderen in het landelijk gebied en bijsturen waar nodig.

Omdat de impact van de maatregelen afhankelijk is van een heleboel factoren (duidelijkheid over welke maatregelen genomen gaan worden, het ontbreken van het landbouwakkoord, gebiedsspecifieke omstandigheden etc.) staan we momenteel nog aan het begin van de SEIA. We willen de SEIA zorgvuldig uitvoeren, met behulp van experts en belanghebbenden uit het landelijk gebied. Onder hoofdstuk 7.2 staat beschreven hoe we dit gaan doen. Verder zijn we gestart met het onderzoeken van de huidige (sociaal)economische situatie van de primaire landbouw in Utrecht. De komende maanden breiden we dit uit met een analyse van de brede welvaart in het landelijk gebied om bij de vaststelling van het definitieve UPLG 1.0 te komen tot een nulmeting van de SEIA.

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

94

10.2 Aanpak van de SEIA 10.2.1 Brede welvaart De provincie Utrecht zet in op brede welvaart in het landelijk gebied. Brede ­welvaart is ‘alles wat mensen van waarde vinden’ (bron: Planbureau voor de Leefomgeving). Daarom kijken we in de SEIA zowel naar economische-, sociale-, maatschappelijke-, en milieu-indicatoren. Op deze manier krijgen we een breed beeld van de effecten van de maatregelen op de welvaart en het welzijn in het ­landelijk gebied. Het CBS onderscheidt acht thema’s binnen de brede welvaart: • Milieu • Gezondheid • Veiligheid • Leefomgeving/wonen • Samenleving • Subjectief welzijn • Arbeid en vrije tijd • Materiële welvaart. De eerste twee thema’s slaan op de fysieke omgeving. Omdat natuur essentieel is voor het welzijn van mensen, voegen wij dit in onze SEIA toe aan het thema ­‘milieu’. Dit is extra relevant in onze provincie, waar er per inwoner slechts een kleine 200 m2 aan groen is (op twee na laagste van Nederland). De maatregelen uit het UPLG moeten leiden tot een verbetering van het milieu, de natuur en ­gezondheid. De volgende vier thema’s – veiligheid, leefomgeving/wonen, samenleving en subjectief welzijn – gaan over de veranderingen die plaatsvinden in de samenleving ten gevolge van de maatregelen.

Zo kan een andere invulling van de openbare ruimte bijvoorbeeld leiden tot meer of minder tevredenheid over de ­leefomgeving en kunnen maatregelen tegen wateroverlast leiden tot meer veiligheid in een gebied. De laatste twee thema’s gaan over de economische situatie in een gebied, zoals bijvoorbeeld tevredenheid met werk en inkomen.

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

10.2.2 Drie stappen waarmee we de sociaaleconomische effecten gaan onderzoeken In dit concept-UPLG zetten we onze sociaaleconomische impactanalyse op. Het komende half jaar gaan we deze analyse verder uitwerken om begin 2024 tot onze SEIA 1.0 te komen. Deze SEIA 1.0 zal bestaan uit drie onderdelen die we hieronder kort verder uiteenzetten. Stap 1: een nulmeting Om een goede impactmeting te kunnen doen is het nodig om de huidige situatie in kaart te brengen. Daarom starten we voor het eerste onderdeel van de SEIA met een zogenaamde ‘nulmeting’; een rapportage over de landbouw en de brede welvaart in het landelijk gebied van Utrecht. In deze eerste versie starten we de nulmeting met een beschrijving van de (sociaal)economische structuur van de Utrechtse primaire landbouw, ofwel de bedrijven die planten en dierlijke producten produceren voor menselijk gebruik. De volledige rapportage is te vinden in bijlage 6, en bevat informatie over werkgelegenheid, de samenstelling van de landbouw en de financiële toegevoegde waarde van de sector voor de Utrechtse economie. Tot slot geven we een korte beschrijving van de reeds bestaande biologische landbouw en de agrarische verbredingsactiviteiten in Utrecht. Voor de vaststelling van het definitieve UPLG 1.0 voegen we in het najaar van 2023 nog twee onderdelen toe aan onze nulmeting van het Utrechts landelijk gebied.

Ten eerste breiden we de rapportage van de Utrechtse landbouw uit met een analyse van het zogenaamde ‘agrocomplex’ - ofwel het geheel aan aanverwante sectoren en economische ­activiteiten rondom de primaire landbouw, inclusief haar toeleveranciers en verwerkende bedrijven. Verder wordt de analyse uitgebreid met een analyse van de stand van de brede welvaart in het landelijk gebied. Er wordt momenteel samen met het CBS en andere provincies samengewerkt om de juiste data hiertoe te vergaren. Stap 2: een kwalitatieve effect beschrijving op basis van gesprekken in de gebieden Voor het tweede onderdeel van de SEIA gaan we een kwalitatieve analyse ­uitvoeren waarmee we de te verwachten sociaaleconomische, maatschappelijke en milieu effecten van de UPLG-maatregelen voor het landelijk gebied in kaart proberen te brengen. Voor deze analyse gebruiken we een zogenaamde Theory of Change methodiek die is ontwikkeld door Wageningen Economic Research (2023). Als onderdeel van deze analyse gaan we in gesprek met experts en belang­ hebbenden uit het landelijk gebied. In het najaar van 2023 gaan we hiervoor één of meerdere pilots uitvoeren in de landelijke deelgebieden. Zodra deze methodiek goed loopt rollen we dit uit naar de andere deelgebieden, naar verwachting zal dat in de loop van 2024 zijn, zodat we dit kunnen meenemen in het UPLG 2.0.

95

We vertrouwen erop dat niemand beter weet wat de gevolgen kunnen zijn van de maatregelen dan de mensen uit de gebieden waar deze maatregelen gaan landen. Daarom maken we de SEIA waar mogelijk onderdeel van de gebiedsprocessen. Zo benutten we de kennis en ervaring uit de gebieden zo goed mogelijk en kan er rekening gehouden worden met lokale kenmerken. Mocht uit de analyse blijken dat er in bepaalde gebieden maatschappelijk onaanvaardbare consequenties ontstaan door de maatregelen uit het UPLG, zullen we in samenwerking met de gebieden, medeoverheden en andere betrokkenen op zoek gaan naar geschikte maatregelen of flankerend beleid om dit op te vangen. Om het toekomstperspectief van de landbouwsector te borgen is er duidelijk, landelijk beleid nodig. Zonder zo’n duidelijke landelijke landbouwvisie wordt het moeilijker om de SEIA goed uit te voeren. Stap 3: doorrekenen financieel-economische impact door Wageningen Economic Research De maatregelen uit het UPLG vragen om aanpassingen in het gehele landelijke gebied. Iedereen die in het landelijk gebied woont, werkt of recreëert zal te maken krijgen met een nieuw gebruik van de ruimte. De kwalitatieve gesprekken in de gebieden zullen inzicht bieden in de sociaaleconomische effecten van het UPLG in het gehele landelijk gebied. Echter, de maatregelen in het UPLG richten zich voornamelijk op de landbouwsector.

Het behalen van de doelen vraagt een grote inzet van de sector en zal verandering vragen in de bedrijfsvoering. Daarom zullen we als derde onderdeel van de SEIA ook de te verwachten financieel-economische impact van de voorgestelde maatregelen op de agrarische sector laten door­ rekenen door Wageningen Economic Research. Samen met andere provincies wordt een opdracht voor deze kwantitatieve analyse voorbereid. Via deze weg houden we zicht op de te verwachten effecten van het UPLG-pakket op het verdienvermogen van de verschillende agrarische sub-sectoren en zijn we in staat om hierop in te spelen. De SEIA, een traject in ontwikkeling Net zoals de rest van het UPLG, staat de SEIA nu aan het begin van een ­ontwikkelend traject. De toekomst van het landelijk gebied is afhankelijk van veel factoren en het proces hiertoe blijft in ontwikkeling. Daarom willen we gedurende de komende jaren steeds meer zicht krijgen op de sociaaleconomische impact van het UPLG en welk flankerend beleid werkbaar is om de brede welvaart te stimuleren. Dit zal een lerend proces zijn, op basis van de eerste gesprekken in de gebieden zullen we dit verder vorm geven. We blijven de komende jaren inspelen op nieuwe informatie, veranderende omstandigheden en behoeften uit de gebieden.

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

De vitaliteit in het landelijk gebied is een prioriteit. Middels een lerend, adaptief proces houden we zicht op de ontwikkeling hiervan en zorgen we ervoor dat dit de goede kant op blijft ontwikkelen.

10.3 Fonds vitaliteit Landelijk Gebied Utrecht werkt aan een vitaal landelijk gebied, waar men kan wonen, werken en recreëren in een gezonde en klimaatadaptieve leefomgeving. Naast het treffen van maatregelen om de natuurlijke omgeving gezond te houden, willen wij ook het welzijn van de bewoners en ondernemers in het gebied hooghouden. Als vierde onderdeel van de SEIA hebben we daarom in de kostenraming van het UPLG een post opgenomen voor een Fonds Vitaliteit Landelijk Gebied.

Fonds Vitaliteit Landelijk Gebied We vragen €100 miljoen aan voor het ‘Fonds Vitaliteit Landelijk Gebied’. De middelen uit dit fonds kunnen bijdragen aan het waarborgen van de leefbaarheid in het landelijk gebied, bijvoorbeeld op het gebied van ruimtelijke kwaliteit of door stad-land verbindingen te versterken. De inzet van deze middelen is afhankelijk van de behoeften uit de gebieden.

Met het Fonds Vitaliteit Landelijke Gebied wordt de leefbaarheid van het ­landelijk gebied en het welzijn van haar bewoners een integraal onderdeel van het UPLG-proces. Een belangrijke leidraad bij de invulling van het fonds is dat de behoeften uit het landelijk gebied voorop staan. We vragen de gebieden als ­onderdeel van de gebiedsagenda op te nemen wat er nodig is om de leefbaarheid en identiteit in het gebied te waarborgen. Het Fonds Vitaliteit Landelijk Gebied wordt gekoppeld aan de gebiedsprocessen: hier komen de plannen vandaan en hier zal het geld ook weggezet worden. Bovendien is het belangrijk dat het fonds een aanvulling is op lopende programma’s die bijdragen aan plattelandsontwikkeling en leefbaarheid in het landelijk gebied, zoals LEADER of de Agenda Vitaal Platteland (AVP).

96

Verder is de precieze invulling van het fonds nog in ontwikkeling. Het doel is om via dit fonds projecten of processen te kunnen stimuleren die de sociale en economische situatie in een gebied verbeteren. We geven hier een aantal voorbeelden van mogelijke initiatieven. Denk bijvoorbeeld aan het faciliteren van korte ketens, het stimuleren van cultuurprojecten in het landelijk gebied, investeren in voorzieningen en sociale cohesie of het opzetten van educatieve activiteiten over de (culturele) identiteit van het gebied. Ook zou dit fonds ingezet kunnen worden om een aantal zorgen rondom de maatregelen te verzachten, bijvoorbeeld door een vergoeding voor deelnemers aan gebiedsprocessen mogelijk te maken of door uitgebreidere ondersteuning te bieden aan agrariërs die met hun bedrijf in transitie willen. Bij de vaststelling van het definitieve UPLG 1.0 komen we met een concretere invulling voor het Fonds Vitaliteit Landelijk Gebied.

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

97

11 Randvoorwaarden en ­vervolg 11.1 Randvoorwaarden om de doelen te realiseren Het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) vraagt van provincies in een bestuursakkoord vast te leggen welke doelen we gaan halen en op welke termijn. Dit UPLG moet antwoord geven de vraag welke opgaven wij zien, welk proces we hierop inrichten en wat hiervoor nodig is. De provinciale doelen zijn ons gesteld vaak vanuit internationale verplichtingen. Op het lokale en regionale schaalniveau komen alle doelen samen en blijkt welke kansen en dilemma’s dit oplevert. De provincie Utrecht ziet een aantal randvoorwaarden die nodig zijn om de doelen te behalen. Verplichtende doelstellingen moeten gehaald worden op basis van vrijwilligheid. Dit levert spanning op in gebiedsprocessen. Het benoemen van de doelen is één, maar willen we ze gerealiseerd krijgen op basis van draagvlak dan vergt dit een stevig pakket randvoorwaarden. De volgende aspecten zijn in onze ogen randvoorwaardelijk voor een succesvolle uitvoering van dit UPLG: 1. Vertrouwen in de gebieden 2. Voldoende financiering 3. Passend instrumentarium 4. Voldoende kennis 5. Monitoring 6. Een krachtige uitvoeringsorganisatie 7. Voldoende tijd Ad 1. Vertrouwen in de gebieden Het is noodzakelijk om zo snel mogelijk samen met het Rijk de PAS melders en interimmers in Utrecht te legaliseren. Dit heeft de hoogste prioriteit.

Voor herstel van vertrouwen tussen de sector en de overheid is dit een noodzakelijke stap (zie bijlage 3). Ook in gebiedsprocessen is vertrouwen de basis. Het UPLG vraagt van ons allemaal een nieuwe manier van werken. Daar zijn we niet zomaar. Van oudsher is de Utrechtse aanpak in de gebiedsprocessen sterk bottom-up gedreven, waarbij een goede samenwerking met onze gebiedspartners centraal staat.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13565828/1