CConstaterende datRenswoude
Koppel je AI →
Document · PDF

K4. Concept UPLG 5 juli 2023

Gemeenteraad 12 december 2023, gemeente RenswoudeBij agendapunt: Ingekomen stuk K. Reacties Utrechts Programma Landelijk Gebied 1.0 (UPLG)36.908 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Dit betekent het volgende: De komende jaren komen veel opgaven op het landelijk gebied af die om ruimte vragen. Opgaven vanuit het UPLG om de internationale doelstellingen voor natuur, klimaat en water te behalen en te komen tot een toekomstperspectief voor ­agrariërs, bezien we in samenhang met de opgaven voor woningbouw, werken en mobiliteit, Groen Groeit Mee, recreatie, klimaatadaptatie en duurzame energie. Deze opgaven vragen ook ruimte in het landelijk gebied. Via meervoudig ruimtegebruik kunnen ze deels gecombineerd worden met de opgaven voor het UPLG. Deels hebben ze overlappende doelstellingen met het UPLG. Als de opgaven g­ ekoppeld worden met het UPLG, geldt als voorwaarden dat de gestelde UPLG-doelen tijdig en binnen budget behaald worden. Bekostiging vanwege de andere opgaven zal veelal vanuit andere financieringsbronnen moeten komen. 24. Versterken relatie stad en land

Via het UPLG zetten we in op versterking van de stad-landrelatie. We zoeken in het kader van het UPLG nadrukkelijk naar de verbinding tussen landelijk en stedelijk gebied.

Het UPLG draagt bij aan beleefbaar en toegankelijk groen.

Dit betekent het volgende: In de Omgevingsvisie is als ambitie opgenomen om het (recreatie)groen in gelijke tred te ontwikkelen met de verstedelijkingsopgave. Via vijf groene waarden geven we hier vanuit het Programma Groen Groeit Mee (GGM) invulling aan: toegankelijk groen, duurzame landbouw, veerkrachtige natuur, beleefbaar landschap en zichtbaar water. Het UPLG draagt bij aan al deze waarden, mits de recreatieve waarde ook nadrukkelijk wordt meegenomen. Het gaat over het beleefbaarheid en toegankelijkheid maken van groen en aanwezigheid van recreatievoorzieningen, zoals wandel- en fietspaden, een speelbos, (picknick)banken, horeca etc. Hierbij moet uiteraard rekening worden gehouden met de natuurwaarden, waarvoor een bepaalde rust en ruimte nodig is. Ook recreanten gaan vaak naar buiten om de rust op te zoeken. Uitloopgebieden nabij steden en dorpen helpen vanwege de (te) grote recreatiedruk op de Utrechtse Heuvelrug en andere natuurgebieden. 26. Opwekken duurzame energie

Dit betekent het volgende: • We versterken de groenblauwe en recreatieve structuren en linten die stad en land verbinden, passend bij het bodem- en watersysteem. Landschap en cultuurhistorie vormen hiervoor veelal de basis. Doel is om de groenblauwe dooradering van stedelijk en landelijk gebied beter op elkaar aan te sluiten. Groene scheggen, rivieren en andere oppervlaktewateren door stedelijk gebied, groene werklocaties, ecologische woonwijken etc. dragen bij aan biodiversiteit, en ook aan een klimaatbestendige en gezonde leefomgeving en recreatie. Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

Voor nieuwe zonnevelden en windturbines zetten we in op meervoudig ruimtegebruik, waarbij een combinatie met de opgaven van het UPLG gelegd wordt. De kwaliteiten van de omgeving worden daarbij meegenomen, bijvoorbeeld de kwaliteiten van landschap, bodem en water.

55

Dit betekent het volgende: • Functiecombinaties tussen de opgaven van het UPLG en de realisatie van duurzame energiebronnen worden onder meer gezien in de veenweidengebieden met het verhogen van de grondwaterstanden voor het verminderen van broeikasgassen uit de veenbodems en voor waterberging bij piekbuien en vanwege droogte. • Ook zijn combinatiemogelijkheden aan de orde met nieuw bos, de ­groenblauwe dooradering van het landelijk gebied, en bloemrijk grasland dat vlinders, bijen en andere insecten trekt. • (Transparante) zonnevelden zijn te combineren met fruitteelt en andere landbouwgewassen, en het houden van schapen en kippen. • Duurzame energiebronnen op een deel van een agrarisch bedrijf kunnen bijdragen aan een duurzaam verdienmodel voor het gehele bedrijf. Door netwerkcongestie is dit nu niet altijd mogelijk. Ten behoeve van de energietransitie zullen er veel aanpassingen aan de energienetwerk-infrastructuur plaatsvinden, en komen er weer meer mogelijkheden voor dit verdienmodel. • Zonnevelden kunnen tijdelijk in groene contourgebieden worden ­gerealiseerd mits de grond daarna als natuur wordt ingericht. • De omgeving kan profiteren (lokaal eigendom) van zonnevelden en ­windturbines, bijvoorbeeld door financiële participatie en/of het voeden van gebiedsfondsen waarmee investeringen in de kwaliteit van de leef­ omgeving worden gedaan.

Dit kan tot groenontwikkeling leiden. • Het is belangrijk om bij deze ontwikkelingen rekening te houden met de structuur van het landschap. Deze kan mogelijk versterkt worden. Aan coulisselandschappen kunnen bijvoorbeeld vanwege nieuwe zonne­velden of clusters van windturbines coulissen worden toegevoegd. Het in stand houden van het bodemleven en de waterkwaliteit is belangrijk, evenals het voorkomen van bodemverdichting, erosie etc.

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

56

5 Ontwikkelrichting per Utrechts landschap 5.1 Inleiding Dit hoofdstuk geeft weer wat de gevolgen zijn van de analyse (bijlage 3) en ­structurerende principes (hoofdstuk 4) voor de verschillende Utrechtse landschappen. We schetsen op basis van de landschappelijke kenmerken (zie ­hoofdstuk 3) met de kennis van nu de ontwikkelrichting van het betreffende ­landschap op de lange termijn (2050). Daarnaast doen we een voorstel voor ­activiteiten waar we samen met onze gebiedspartners mee zouden willen s­ tarten. Het is de bedoeling dat deze activiteiten toekomstbestendig (no-regret) en ­effectief zijn. Ze leveren een opmaat voor het halen van zoveel mogelijk (integrale) doelen en opgaven én een aanzet voor de ontwikkeling van het gebied.

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

57

Kaart 7 Overzicht accenten opgaven landelijk gebied

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

58

Uit de analyse (bijlage 3) bleek dat er in alle landschappen in Utrecht een diversiteit aan opgaven is, soms meer en soms minder. Op kaart 7 staat een overzicht van al deze opgaven per landschapstype. Soms zijn de veranderingen in een landschap omvangrijk, op andere plekken zijn ze beperkter. Dit zien we terug in dit hoofdstuk. Het is goed ons te realiseren dat de veranderingen veel vragen van alle direct betrokkenen en belanghebbenden in onze provincie. Zonder draagvlak bij hen, blijven de ontwikkelrichtingen in dit hoofdstuk een papieren werkelijkheid. We willen daarom komende maanden in gesprek met betrokkenen en belanghebbenden over de ontwikkelrichting en het voorstel met activiteiten. De input van deze gesprekken gebruiken we om per landschap de ontwikkelrichting en activiteiten aan te passen, zodat we gezamenlijk de schouders eronder kunnen zetten en aan de slag kunnen.

5.2 Veenweiden: Groene Hart en Eemland Ontwikkelrichting Veenweiden 2050 (op basis van de structurerende principes) Het veenweidegebied kent binnen de provincie misschien wel de grootste stapeling van opgaven. We sluiten hierbij aan bij het ontwikkelperspectief voor het NOVEX gebied Groene Hart. In het veenweidegebied van de toekomst zullen op weg naar klimaatneutraliteit in 2050 de grondwaterstanden flink hoger zijn om de CO2-uitstoot tegen te gaan. Dat betekent forse aanpassingen in het watersysteem, waarbij er een grotere beschikbaarheid van water is, om het natter te houden, er meer ruimte is in de polders om neerslagpieken op te vangen en tot slot er meer ruimte is in de boezems of plassen om water vast te houden. Dat is een complexe puzzel. Deze ontwikkeling gaat hand in hand met de transitie van de landbouw naar een extensieve natuur inclusieve kringlooplandbouw. Een groot deel van het veenweidegebied wordt door hogere grondwaterstanden ook geschikt voor de omvangrijke weidevogelopgave.

Waterberging

Verbrede landbouw

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

59

Vernatten met oog voor de bodem Voor de toekomstige ontwikkeling van de veenweiden gaan we in belangrijke mate uit van de diversiteit van de bodem. Peilverhogingen en mogelijk de inzet van (ook natuurlijke) waterinfiltratiesystemen maken dat het grondwater gedifferentieerd wordt opgezet van -40cm tot -20cm onder het maaiveld. Zo zijn er dikke veenpakketten en lagere polders in het noordelijk veenweidegebied van de provincie Utrecht waar de veranderingen en verhogingen van de grondwaterstanden groter zijn en zijn er klei-op-veengebieden in bijvoorbeeld Vijfheerenlanden en in Eemland waar de ingrepen beperkter blijven. Beperkte delen van het veenlandschap, met name met dikke veenlagen, zullen op termijn worden ingericht als moeras en natuurlijke klimaatbuffer. Daarbij komen overige voordelen van een goed ontwikkeld laagveenlandschap met robuuste natuur en een recreatief aantrekkelijk landschap. Elk gebied maakt ruimte voor de diverse functies passend bij het soort veen en de hoogteligging binnen de peilvakken. Zo passen woningen en veeteelt goed op hoger gelegen delen, weidevogellandschap met extensievere veeteelt op de gemiddelde hoogtes en veenmosnatuur, natte vormen van landbouw en plasdras gebieden voor weidevogels op de lagergelegen delen.

Extensief veenweideverdienbedrijf

Extensieve veeteelt in een historisch cultuurlandschap (hoger en middelhoog gelegen delen) en natte vormen van landbouw (lagergelegen delen) De veeteelt met zijn weidelandschap is in de toekomst nog steeds een belangrijke drager en beheerder van het veenweide landschap. Karakteristiek daarbij is de ruimtelijk structuur van het oude cultuurlandschap (de slagenverkaveling, lintbebouwing). Dit is de basis voor een uitgestrekt en open landschap. Ook bij de (grond)waterstand van -0.40 tot zelfs -0.30/-20 is melkveehouderij mogelijk naar het voorbeeld van de Hoogwaterboerderij in Zegveld. De drooglegging binnen de peilvakken fluctueert door de wisselende hoogteligging van het maaiveld. De hogere grondwaterpeilen hebben geleid tot meer diversiteit in typen grasland en in oevers (en oeverlandjes).

Proeftuin natte teelten

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

60

Elk veenweidegebied draagt daarnaast door extensivering bij aan de generieke opgaven voor reductie van stikstof en methaan in Utrecht die samenhangen met het management/bedrijfsvoering van de boeren en de veebezetting en minder met het type bodem. Een deel van deze generieke opgave wordt al ingevuld door de ruimteclaims van andere specifieke veenweidenopgaven. Het toekomstige extensieve melkveebedrijf heeft een groot deel van de inkomsten uit lonende vergoedingen voor ecosysteemdiensten. Dit instrumentarium is daartoe in financiële zin ten opzichte van nu enorm uitgebreid en gaat uit van langjarige contracten, zodat de betrokken agrariërs ook zekerheid hebben voor de lange termijn. De boer is naast producent van melk (voedsel) ook landschapsbeheerder geworden. De vergoedingen die hij hiervoor krijgt, geven in bedrijfseconomisch opzicht voldoende stevige basis voor zijn bedrijf. Een groot deel van het veenweidegebied is ingericht als weidevogelgebied, wat goed samengaat met hogere waterstanden en een lage vee-dichtheid passend bij de klimaatdoelen. Door de toepassing van de Goede Landbouwpraktijk is de kwaliteit van het drinkwater in de veenweiden in de loop der jaren sterk verbeterd. Het opzetten van de peilen naar -0.30/-0.20 geeft forse beperkingen voor de ­veeteelt.

Dat maakt dat vooral op de lagere delen en dikste veenpakketten ook alternatieve teelten als cranberries, lisdodde of azolla opgang zullen vinden omdat ze een beter verdienmodel geven (hier liggen nog kennisvragen rond bijv. ­invasieve exoten). Innovatie maakt dat deze markten zich verder ontwikkeld ­hebben. Vooral in de noordelijke veenweide zien we dan ook een verdere ­differentiatie van het grondgebruik.

Blauwe dooradering

Een rijke blauwe dooradering Groenblauwe dooradering is in de veenweiden vooral ingevuld als blauwe ­dooradering, onder andere gericht op de otter. Het ontwikkelen van flauwere o­ evers en bredere, onbemeste perceelranden geeft rijkere en schonere sloten. Vanwege de weidevogeldoelstellingen is de aanleg van bossen hier maar zeer ­beperkt mogelijk. Uitzondering is het landelijk gebied ten westen van Utrecht waar een stedelijk uitloopgebied ontwikkeld wordt rond Haarzuilens. Heel plaatselijk is er binnen het omvangrijke veenweidegebied sprake van een verdichting van het landschap. Vooral in de ‘klei-op-veen’ gebieden (zoals Vijfheerenlanden) is sprake van een meer besloten landschap in de vorm van een afwisseling van vochtige tot droge bossen. Hier is het waterpeil anders dan in de dikke veenpakketten, maar wordt ook gezocht naar optimalisatie van CO2-reductie uit de bodem. Op de v­ ochtigere delen, komen kenmerkende en waardevolle grienden voor. In het zeer weidse en open landschap van de Eempolder wordt, aan de hand van landbouwinclusieve

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

61

natuur, gewerkt aan optimalisatie van het leefgebied voor weidevogels. Door het ­(periodiek) opzetten van het grondwaterpeil blijven de percelen langer vochtig (gunstig voor het broedseizoen) en wordt inklinking van de bodem tegengegaan. Langs de Eem en de Randmeren is sprake van een aaneengesloten oevervegetatie met waterriet. Op de flanken, aan de voet van de Utrechtse Heuvelrug, komen waardevolle kwelafhankelijke vegetaties voor (soortenrijke schraallanden). Natuurgebieden en plasdrasgebieden Het natuurherstel van Natura 2000-gebieden Botshol, de Nieuwkoopse Plassen en Oostelijke Vechtplassen heeft in de veenweiden geleid tot nattere overgangszones rondom en ook uitbreiding en versteviging van de ecologische verbindingen in het noordwestelijk deel van het Utrechtse Groene Hart. De riviernatuur langs de Lek en de Zouweboezem ten zuiden hiervan is door natuurherstel verbeterd en vormt zo een robuuste ecologische eenheid. In kleine delen van het veenweidegebied zijn laagveenmoerassen aangelegd daar waar de hydrologie van het gebied, het proces van bodemdaling en de nattere omstandigheden dit gebied ongeschikt maakten voor de landbouw. Vanwege de transitie van landbouw naar natuur heeft er een afname in onttrekking van zoet water plaatsgevonden en heeft zich een stabiel ecosysteem kunnen ontwikkelen, bestaande uit laagveenmoerassen.

Het groeiend natuurlandschap heeft lokaal geleid tot herstel van het veenlandschap. De laagveenmoerassen bestaan uit een afwisseling van open plassen tot aan verlandingsstadia met oud riet en broekbossen. De waterhuishouding speelt een belangrijke rol in het beschermen van veenresten in de ondergrond. Er zijn ­moerasgebieden en plassen aangelegd die primair fungeren als waterbuffer en/of waterberging, maar ook een goede ecologische kwaliteit hebben.

Moerasgebied

Voorstel activiteiten veenweiden 1.  Uitvoeringsprogramma 2023-2024 Regionale Veenweidestrategie Utrechtse veenweiden 2. Natuurherstel Natura 2000-gebieden 3. Vraagstukken water 4. Doorontwikkeling instrumentarium verduurzaming landbouw 5. Uitbreiding agrarisch natuurbeheer en weidevogelkerngebieden

Wat zijn de eerste stappen die we komende jaren kunnen zetten om te komen tot een ingrijpend ander watersysteem, een duurzame melkveehouderij en alternatieve teelten, ecologische boerensloten en natuurherstel? Eén van de maatregelpakketten is gericht op de uitvoering van de Regionale Veenweide Strategie. Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

Weidevogelgebied

62

1. Uitvoeringsprogramma 2023-2024 Regionale Veenweidestrategie Utrecht Via gebiedsprocessen gaan we volop aan de slag met het verhogen van de (grond) waterstanden via de aanleg van waterinfiltratiesystemen of andere technische maatregelen die hiervoor zijn (nog volop in ontwikkeling, peilfixatie of getrapte ­peilverhoging). Ook voeren we het gesprek over verruiming van de wateroverlastnormen en/of verhoging van de vergoedingen voor schade en blauwe diensten. Hierbij hoort vanuit het kennis- en innovatieprogramma ook de voortzetting en ­uitbreiding van de pilots landbouw veenweiden zoals boeren op hoog water en ­alternatieve teelten. (Zie maatregelpakket Veenweide, hoofdstuk 9.2) 2. Natuurherstel Natura 2000-gebieden In het veenweidegebied liggen een aantal stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden: Botshol, Nieuwkoopse Plassen, Vechtplassen en Zouweboezem en uiterwaarden Lek en Linge-Diefdijk. De verschillende natuurdoelanalyses, na het bindend advies van de Ecologische Autoriteit, geven aan welke maatregelen nodig zijn voor natuurherstel wat met grote urgentie uitgevoerd moet worden. Op hoofdlijnen gaat het over het realiseren van herstelmaatregelen in en rondom de Natura 2000 gebieden, ecologische verbindingen tussen de natuurgebieden, uitbreiden areaal en hydrologisch herstel in overgangszone, reductie van stikstof in 1-kilometerzone rondom het gebied. 3.

Vraagstukken water Het vernatten van het veen hangt sterk samen met watervraagstukken. Dit gaat om voldoende zoet water, wateroverlast, waterbuffering en ecologische inrichting en beheer van sloten en oevers. Het vraagstuk van voldoende water is een vraagstuk dat we op het nationale ­schaalniveau samen met het Rijk, het Deltaprogramma zoetwater en de waterschappen oppakken. Samen zoeken we naar manieren om minder afhankelijk te zijn van het hoofdwatersysteem in tijden van droogte en meer zelfvoorzienend te zijn vanuit gebiedseigen water. De beschikbaarheid van (voldoende) water is dan ook een belangrijke voorwaarde om bodemdaling te remmen en CO2-reductie te realiseren. Niet voldoende water inlaten is geen optie want waterinfiltratie­systemen mogen niet droog komen te staan, omdat dit de werking permanent aantast. Het (extra) inlaatwater halen we tot 2030 nog grotendeels uit de boezem. We willen deze afhankelijkheid van de boezem richting 2050 deels afbouwen via de volgende inzet: • Inzetten op peilopzet van Markeermeer als waterbuffer t.b.v. de ­veenweiden via de Deltabeslissing van 2026. • Inzetten op waterbuffering in de Heuvelrug om de kwel in de zomer langer te kunnen benutten aan de flanken en in de veenweiden. (Blauwe Agenda). Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

• Boezemwatervraag verkleinen door regen langer vast te houden. Meer peilfluctuatie toestaan in voorjaar en zomer en winterneerslag ­vasthouden in de percelen tot minimaal april. Daarbij horen flankerende maatregelen en afwaardering van gronden bij een extensievere landbouw met aanvullende vergoedingen uit ecosysteemdiensten. • Inzetten op minimale inzakking van zomergrondwaterstanden Het vraagstuk van wateroverlast gaan we met de medeoverheden en in gebieden samen oppakken. De ruimte om deze piekbuien op te vangen is beperkt in de “platte pannenkoek” van de veenweidegebieden, zeker bij een verhoogd peil. Het vraagstuk van waterbuffering pakken we op via de Omgevingsvisie provincie Utrecht (2024) omdat dit een ruimtevraag betreft. Er wordt gezocht naar gebieden dicht bij de boezem, met minimale bebouwing en infrastructuur en waarvoor een minimale lengte aan keringen nodig is. Dit kan zowel wat grootschaliger zijn (voor meerdere gebieden zoals langs het Amsterdam-Rijnkanaal, in de uiterwaarden van de rivieren of in de diepere delen van de Hollandse Waterlinie) of fijnmaziger via peilopzet langs natuurvriendelijke oevers bijvoorbeeld. Minimaal 10% van de sloten en oevers in het gebied willen we (verdergaand) ­inrichten als ecologische sloten en oevers als (groen)blauwe dooradering. 4.

Doorontwikkeling instrumentarium verduurzaming landbouw De structurerende principes voor de landbouw gelden voor de gehele provincie Utrecht, gericht op doorontwikkeling van het instrumentarium. Voor de veen­ weiden gaat dit onder andere om het ontwikkelen van benodigd grondinstrumentarium, onderzoek naar flankerende beleid voor inkomens- en vermogensschade en het uitbreiden van ecosysteemdiensten. 5. Uitbreiding agrarisch natuurbeheer en weidevogelkerngebieden Voor het invullen van de VHR-opgave wordt er een groot beroep gedaan op het veenweidegebied. Met name waar het gaat om de doelen voor weidevogels en in mindere mate om areaal moeras. We gaan aan de slag met het uitbreiden van het agrarisch natuurbeheer ten gunste van weidevogels zoals de grutto. Daarnaast komen er extra weidevogelkerngebieden die onderdeel zijn van het regulier natuurbeheer en wordt gekeken naar de mogelijkheden voor het uitbreiden van het areaal moeras.

63

Polderproces Spengen Polder Spengen ligt in de gemeente Stichtse Vecht en heeft afgerond een totale oppervlakte van 344 hectare, waarvan 326 land en 17 water (100 hectare is 1 km2). In deze polder willen de boeren bijdragen aan de grote maatschappelijke ­opgaven die in de polder liggen. Hiertoe is door de boeren met denkkracht van organisaties gemeente Stichtse Vecht, waterschap HDSR en de provincie Utrecht een ­toekomstvisie gemaakt. Deze visie benoemt mogelijkheden op polderniveau voor de ­toekomst. De visie komt tegemoet aan de stikstofopgave, versterking van ­natuur- en weidevogelbeheer, het verhogen van de biodiversiteit en het behouden van het pittoreske, typisch Hollandse landschap van Spengen. Tegelijkertijd beschrijft de visie een grote leervraag hoe deze maatschappelijke invullingen hand in hand ­kunnen gaan met een bestaansmodel voor de boeren op de lange termijn. Het polderplan Parel van Spengen is de volgende stap naar een bredere gebiedsontwikkeling waarin uitvoering centraal staat. Partijen hebben met elkaar de ­intentie om het polderplan te realiseren door een kavelruilproces en een leertraject op te starten. Daarmee willen partijen het polderplan als leerpilot van het Nationaal Programma Landelijk Gebied tot een succes maken.

De samenwerkende gebiedspartijen stellen gezamenlijk een plan van aanpak voor uitvoering op. Jaarlijks vindt er een tussenevaluatie plaats met een go ­no-go ­besluit. Waterschap HDSR is bereid een kwartiermaker voor de realisatie ­beschikbaar te stellen. De kwartiermaker coördineert het proces van uitvoering van het polderplan en jaagt het aan. De kwartiermaker vervult deze rol en taken namens de partijen die deze intentieovereenkomst tekenen, en in nauwe samenwerking met de provincie vanuit haar verantwoordelijkheid voor het Utrechts Programma Landelijk Gebied. Polderprocessen zijn niet nieuw in Spengen. Eerder werd in deze polder het ­grootschalig actieve waterinfiltratie (AWIS) in de praktijk getest. Vanaf 2016 zetten zeven boeren zich samen met het waterschap in om de bodemdaling van het veen te remmen in hun polder. Hiervoor is circa 15% van de agrarische percelen in deze polder voorzien van een AWIS. De techniek en de ervaringen waren bij aanvang nog pril. Toch zijn de boeren samen met het waterschap met deze nieuwe techniek aan de slag gegaan in de boerenpraktijk. Er draaien inmiddels 17 diverse AWIS systemen op 55 hectare bij zeven boeren, waarvan een deel draait op zon- en windenergie.

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

64

5.3 Utrechtse Heuvelrug en flanken Ontwikkelrichting Utrechtse Heuvelrug 2050 (op basis van de structurerende principes) De ontwikkelrichting van de Utrechtse Heuvelrug ligt in het besef dat dit gebied een belangrijke basis is voor de rijke natuur en leefomgeving in Utrecht en het fundament vormt van een duurzaam watersysteem. De sleutel voor een robuust watersysteem van de Heuvelrug ligt in het langer vasthouden van water en het herstel van de kwelstroom. Dat is de basis voor veerkrachtige en gevarieerde bossen en voor het behouden van de kwaliteit van bijzondere (natte) natuurwaarden op de flanken. Het herstel van het watersysteem op het plateau, flanken en voet van de Heuvelrug vraagt aanpassingen van de gebruikers en functies (landbouw, natuur, drinkwater) in het gebied. De flanken van de Heuvelrug zijn ook belangrijke locaties voor de aanplant van nieuw bos. De betekenis van de Heuvelrug en haar flanken voor beleving van natuur en erfgoed is door de groei van het aantal ­bewoners verder toegenomen. Een hersteld watersysteem Voor het vergroten van de zoetwatervoorraad voor drinkwater en landbouw en het herstel van verdrogingsgevoelige natuur wordt meer water vastgehouden op de Heuvelrug en de flanken. Op de heuvelrug vormt het afkoppelen van het stedelijk gebied en zorgen voor extra infiltratie een onderdeel.

Het watersysteem is nu vooral ingericht op snel afvoeren, maar door water vast te houden en te infiltreren zal in 2050 de zoetwatervoorraad dusdanig vergroot zijn dat meer water beschikbaar is bij droogte. In de Heuvelrug is daarvoor in de zandpakketten veel ruimte, dus daar liggen kansen waar we beter gebruik van kunnen maken. Voor meer infiltratie op de stuwwal kan landschapsomvorming of andere gebruik (teelt) nodig zijn. Daarmee is ook de regionale kwel vergroot ten behoeve van de verdrogingsgevoelige natuur en de waterbeschikbaarheid voor andere functies. Dat vraagt tevens om gezonde bodems die voldoende organische stof bevatten om water te infiltreren en zo lang mogelijk vast te houden bij langdurige droge perioden. Dit alles leidt tot de situatie waarbij de Utrechtse Heuvelrug weer meer functioneert als een spons: water wordt langer vastgehouden en verdroging wordt tegengegaan. Op de flanken (Langbroekerwetering en deel Gelderse Vallei) is een hydrologische ontvlechting nodig voor een robuuster watersysteem; dat wil zeggen dat het herstelde watersysteem randvoorwaardelijk is voor het toekomstig landgebruik op de flanken. Het toekomstig landgebruik past bij het langer vasthouden van water, de vergroting van de kwel en de hogere waterpeilen op de flanken.

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

Water vasthouden

Grondwatermeetpunt

65

Revitalisering van bossen op de heuvelrug, natuur op de flanken en natuur in de ­uiterwaarden De bossen en natuur op de Utrechtse Heuvelrug zijn gerevitaliseerd, op de flanken zijn bijzondere natte natuurwaarden hersteld en verbonden met elkaar. Terugdringing van de stikstofdepositie (de deken) is een belangrijke voorwaarden voor een duurzaam herstel van de bossen. Daarnaast zijn ook belangrijk: het vergroten en verbinden van het bos, het hydrologisch herstel en het aanpassen van de bosstructuur. Een gezond bodem- en watersysteem met voldoende schoon water, bereikbaar als hangwater voor bomen en andere planten en bronmaatregelen zijn genomen tegen verzuring van bodem en grondwater is daarbij onontbeerlijk. Het aanpassen van de bossen van naald- naar loofbossen en een meer wisselende bossamenstelling sluit daarbij aan. Het gerevitaliseerde bos biedt een betere bescherming tegen bos- en natuurbranden. Op de flanken is veel natuur aanwezig, maar er is ook een grote verweving van landbouw, natuur en recreatie (bijvoorbeeld de Roode Haan). De Langbroekerwetering is een drassig gebied, waar veel kwelwater uit de Heuvelrug aan de oppervlakte komt. Het is een overgangsgebied en kenmerkt zich door een coulisselandschap waarbij landbouwpercelen afgewisseld worden met essenhakhoutbossen en ­kleine waardevolle vochtige natuurgebieden.

Ontvlechting, waarbij landbouw en natuur meer in samenhang in grotere peilgebieden de ruimte krijgen, zorgt voor meer verbinding (connectiviteit) tussen de natuurgebieden, uitbreiding en verbeterde kwaliteit van de vochtige alluviale bossen van de Natura2000 gebieden Kolland en Overlangbroek en minder beperkingen voor de landbouw. Dit alles leidt tot een groenblauw dooraderd gebied met vochtige (broekbossen), schone sloten, waardevolle houtige landschapselementen en een hersteld watersysteem.

Natuurlijke verjonging

Tot slot heeft de natuur in de uiterwaarden van de Rijntakken zich hersteld tot dynamische riviernatuur, waarbij natuurwaarden, klimaatadaptatie en recreatie hand in hand gaan. Beleefbaar erfgoed met agrarisch perspectief De manier waarop de natuur- en wateropgaven worden uitgevoerd, is goed afgestemd op de rijke cultuurhistorie op de flanken. Een historie met, het waardevolle landschap, de karakteristieke natuur en de landbouw als mededrager en beheerder van het landschap. Binnen het gebied zijn twee buitenplaatszones te onderscheiden: de Stichtse Lustwarande (buitenplaatsen en landgoederen met hun grote parken in landschapsstijl) en het Langbroekerweteringgebied (coulisselandschap met kastelen en ridderhofsteden met hun omringende grachten en waterlopen).

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

Ecoduct

66

De (hoge) flanken en het Langbroekerweteringgebied vormen de overgang van het besloten, bosrijke landschap via het coulisselandschap naar het open rivierengebied aan de voet van de Heuvelrug. Aan de Gelderse zijde ligt een vergelijkbare overgang naar de vallei. De maatregelen vanuit water en natuur worden ingezet om de identiteit van het gebied en de beleefbaarheid te versterken. Bij het instellen van nattere situaties moet rekening gehouden worden met de cultuurhistorische waarden van de buitenplaatsen en landgoederen en hun aanleg met Rijksmonumenten, waterpartijen en oude bomen. De landbouw is mededrager en beheerder van dit gevarieerde landschap en de identiteit van het gebied. Er heeft een overgang plaatsgevonden naar een meer natuurinclusieve landbouw met inkomsten uit lonende vergoedingen voor water- en ecosysteemdiensten. Voorstel activiteiten Utrechtse Heuvelrug en flanken

1. Hydrologische herstelaanpak flanken heuvelrug 2. Gebiedsaanpak zuidelijke flanken Heuvelrug 3. Revitalisering bossen en natuur: herstel, vitaliteit én uitbreiding 4. Ruimtelijk combineren drinkwaterwinning met andere functies 5. Doorontwikkeling instrumentarium verduurzaming landbouw

Werken op het land

Wat zijn de eerste stappen die we komende jaren kunnen zetten om te komen tot systeemherstel, zowel voor water als voor natuur en met oog voor de belangen van recreatieve beleving en perspectief voor de landbouw? 1. Hydrologische herstelaanpak flanken Heuvelrug Voor het zorgen van extra infiltratie, het langer vasthouden van water en ­hydrologische ontvlechting is verdiepend onderzoek nodig naar geschikte locaties voor de maatregelen, de effecten op het watersysteem en de gebruiksfuncties op de Heuvelrug: iets wat goed op korte termijn in gang kan worden gezet. Lokale maatregelen dienen altijd in samenspraak met de lokale ondernemers, landgoedeigenaren en agrariërs plaats te vinden. Zij bezitten de beste gebiedskennis. Dit betekent een adaptieve strategie waarbij het soms noodzakelijk is dat functies zich moeten aanpassen of verplaatsen.

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

67

2. Gebiedsaanpak zuidelijke flanken Heuvelrug Aan de zuidelijke flanken (Langbroekerwetering en Stichtse Lustwarande) komen zoveel opgaven en belangen bij elkaar dat we een gebiedsproces met betrokkenen en belanghebbenden willen starten. Het gebiedsproces heeft tot doel om tot een ontwikkelperspectief voor het gebied te komen en biedt ruimte om samen goede oplossingen te ontwikkelen. De volgende aandachtspunten zijn van belang voor het gebiedsproces: • In het gebied wonen en werken veel agrariërs, die we graag een goed toekomstperspectief willen bieden. Daarbij in gedachten houdend dat het coulisselandschap met een afwisseling van open graslanden en beslotenheid zeer wordt gewaardeerd. We zetten daarom in op het behoud van landbouw als mededrager en beheerder van het landschap. We zien daarbij wel een meer natuurinclusieve landbouw, maar met een goed verdienmodel. • Bij de hydrologische ontvlechting is het van groot belang om goed te kijken naar de waardevolle buitenplaatsen, behoud van kleinschalige landschapselementen en voldoende perspectief te bieden voor de landbouw en landgoederen met Rijksmonumenten en oude bomen. • We willen samenwerken aan pilots en (hydrologisch) onderzoek om het concreet te maken en goed in te kunnen spelen op instrumentarium van het rijk. 3.

Revitalisering bossen en natuur: herstel, vitaliteit én uitbreiding • Verbinden, uitbreiden en revitaliseren van bestaande bossen voor vitaliteit en toekomstbestendigheid. Hiermee wordt tevens uitvoering gegeven aan de Bossenstrategie. • Natuurherstel Natura 2000-gebieden Kolland & Overlangbroek • De natuurdoelanalyse van dit gebied zal, na het bindend advies van de Ecologische Autoriteit, aangeven welke maatregelen nodig zijn voor natuurherstel. Deze maatregelen dienen met grote urgentie uitgevoerd moeten worden. Op hoofdlijnen gaat het over het realiseren van herstelmaatregelen in en rondom de Natura 2000 gebieden, ecologische verbindingen tussen de natuurgebieden, uitbreiden areaal en hydrologisch herstel in overgangszone, reductie van stikstof in 1-kilometerzone rondom het gebied. • Natuurherstel Natura 2000-gebied Rijntakken in samenwerking met de provincie Gelderland op basis van de nog af te ronden natuurdoelanalyse van dit gebied.

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

• Onderzoeken of een natuurdoelanalyse van de Utrechtse Heuvelrug nodig is. • Realiseren en uitbreiden van het NNN-gebied (o.a. Groene contour) en hydrologisch herstel. • Realiseren van de doelen voor overig water (waterkwaliteit) in het gebied met hoge potentie voor waternatuur. • Realiseren van de groenblauwe dooradering (houtsingels, knotbomenrijen, essenhakhout, watergangen met natuurvriendelijke oevers en poelen). • Realiseren van de doelen van Vogel- en Habitatrichtlijn om populaties van beschermde soorten en habitattypen in een gunstige staat van instandhouding te brengen. 4. Ruimtelijk combineren drinkwaterwinningen met andere functies De bescherming van de winningen heeft invloed op de functies die binnen de beschermingszones zijn toegestaan en zijn daarmee relevant voor ruimtelijke ontwikkelingen. Anderzijds heeft het de voorkeur om in de toekenning van functies rondom drinkwaterwinningen rekening te houden met de kwetsbaarheid van de winning en dus alleen harmoniërende functies rondom de winningen toe te kennen. 5. Doorontwikkeling instrumentarium verduurzaming landbouw De structurerende principes voor de landbouw, met name gericht op het (door) ontwikkelen van instrumentarium, zijn vooral generiek. Ze gelden voor de gehele provincie Utrecht.

Per Utrechts landschap willen we graag gebiedsgericht aan de slag met dit instrumentarium via bijvoorbeeld pilots en onderzoek.

68

5.4 Gelderse Vallei Ontwikkelrichting Gelderse Vallei 2050 (op basis van de ­structurerende ­principes, beekdalen zijn prioritair gebied) In 2050 bestaat de Gelderse Vallei nog altijd uit een gevarieerd landschap waarin landbouw, natuur en wonen samengaan. De beken in de vallei zijn hersteld, het water is schoon en er wordt meer water vastgehouden. De landbouw in het gebied heeft duurzaamheid omarmd, zowel innovatie als verbreding spelen hierbij een rol. Het stedelijk gebied rond Veenendaal en Amersfoort is flink gegroeid, recreatieve groene aders leggen een gemakkelijke verbinding met het buitengebied. De beken hersteld De beken en de toevoerende watergangen (deels uit Gelderland) zijn omgevormd tot een klimaatbestendig watersysteem. De gronden langs de beeklopen worden ingezet als buffers waardoor het aangevoerde water schoner wordt. De beken krijgen meer ruimte en de inrichting is meer afgestemd op het vasthouden van water. Ook de veerkracht van de agrarische bodem is verbeterd, omdat jarenlang gewerkt is aan verhoging van het organische stofgehalte via duurzaam bodembeheer. De beekdalen vormen, zoals nu de omgeving van de Modderbeek, een gevarieerd beekdalsysteem met een soortenrijke gradiënt van natte heide, vochtige schraalgraslanden, natte bossen, houtwallen en beek. Het agrarische gebruik is gericht op het beheer van deze gras- en hooilanden.

Beekherstel

Duurzame ontwikkeling landbouw De landbouw in de Vallei heeft de omslag gemaakt naar natuurinclusieve kringlooplandbouw, het aandeel biologische bedrijven is flink toegenomen. De vrijgekomen gronden door het natuurlijk verloop van stopper, bijvoorbeeld via de LBV+ en LBV-regelingen, is onder andere benut voor de extensivering. Ook is het aanbod van diensten door de agrarische sector verder verbreed, vaak ook in onderlinge samenwerking. Deze diensten leveren een belangrijke bijdrage aan het verdienvermogen. Rondom de steden en dorpen is ruimte voor recreatie vanuit de kernen. De multifunctionele landbouw speelt in op deze recreatiebehoefte. Op de daken van de grote schuren en stallen wordt energie gewonnen en bij meervoudig grondgebruik en indien de ruimtelijke kwaliteit het toelaat is duurzame energieopwekking een nieuw verdienmodel. De intensieve veehouderij is in belang afgenomen. De resterende gebouw-gebonden agrarische productie is circulair, heeft de emissies flink gereduceerd en levert een grote bijdrage aan de eiwittransitie.

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

69

De Regio Foodvalley vervult een voortrekkersrol op het gebied van landbouwverduurzaming, waar agrariërs samenwerken met natuurorganisaties, overheden en onderzoeksinstellingen om innovatieve methoden te ontwikkelen die ecosystemen beschermen en tegelijkertijd duurzame voedselproductie mogelijk maken. Stevige groene dooradering, verbonden natuur De inrichting van het landschap, inclusief de beekdalen, draagt bij aan een hoge biodiversiteit en klimaatbestendigheid. Het landschap wordt weer gekenmerkt door kleinschaligheid met een groene dooradering met lijnvormige landschapselementen en beekbegeleidende beplanting. De grotere en kleinere natuurgebieden in de Vallei zijn stevig met elkaar verbonden en vormen zo een robuust netwerk. De natuur op de landgoederen speelt hierin een belangrijk rol. Het natuurherstel van Natura 2000-gebied Binnenveld heeft geleid tot een verbinding met de Achterbergse Hooilanden via een brede natuurzone langs de Grift. Dit vormt een waardevol open en nat gebied met onder andere blauwgraslanden, trilveen en weide- en akkervogels. Voorstel activiteiten Gelderse Vallei

Natuurherstel Binnenveld

1. Grootschalig beekherstel Gelderse Vallei 2. Natuurherstel Natura 2000-gebied Binnenveld 3. Hydrologische studie Gelderse Vallei 4. Doorontwikkeling instrumentarium verduurzaming landbouw 5. Versterking biodiversiteit: groenblauwe dooradering, agrarisch natuurbeheer en uitbreiding natuur

Wat zijn de eerste stappen die we komende jaren kunnen zetten om te komen tot herstel van de beekdalen, de verduurzaming van de landbouw en een groene ­dooradering en verbonden natuur?

Natuurherstel Binnenveld

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

70

1. Grootschalig beekherstel Gelderse Vallei a. In overleg met andere overheden (waterschap Vallei en Veluwe, provincie Gelderland, Utrechtse en Gelderse gemeenten en de landbouw- en natuurorganisaties) komen tot een gebiedsgerichte aanpak beekherstel Gelderse Vallei 2.0. b. Gebruik maken van kennis en resultaten uit reeds uitgevoerde programma beekherstel Gelderse Vallei. c. Participeren in onderzoek ‘restopgave nutriënten KRW-waterlichamen in (beken) Gelderse Vallei’ van Wageningen University en Research.

5. Versterking biodiversiteit Voor de natuur buiten het Natura 2000-gebied is versterking van de landgoederen nodig voor de NNN, draagt agrarisch natuurbeheer op open akkerland en de groenblauwe dooradering bij aan de biodiversiteit en zoeken we naar mogelijkheden voor de ontwikkeling van bos op de landgoederen rondom de beekdalen. Voor het stimuleren van groenblauwe dooradering werken we samen met het collectief Utrecht-Oost.

2. N  atuurherstel Natura-2000 gebied Binnenveld De natuurdoelanalyse van dit gebied zal, na het bindend advies van de Ecologische Autoriteit, aangeven welke maatregelen nodig zijn voor natuurherstel. Deze maatregelen dienen met grote urgentie uitgevoerd moeten worden. Op hoofdlijnen gaat het over het realiseren van herstelmaatregelen in en rondom de Natura 2000 gebieden, ecologische verbindingen tussen de natuurgebieden, uitbreiden areaal en hydrologisch herstel in overgangszone, reductie van stikstof in 1-kilometerzone rondom het gebied. 3. H  ydrologische herstelaanpak Gelderse Vallei (in samenwerking met Waterschap Vallei en Veluwe) Voor het verder vasthouden van water en omgaan met hogere (grond)waterstanden in het voorjaar of bij piekbuien kijken we aan de hand van de hydrologische studie en de specifieke kenmerken in het gebied naar mogelijkheden voor het nemen van maatregelen en het gebruiken van ecosysteemdiensten. In dit onderzoek nemen we ook de mogelijkheden mee voor het verminderen van het aantal duurzame artesische bronnen (bron waaruit het water ‘spontaan’ naar boven komt), in combinatie met het instellen van een grondwateronttrekkingenplafond. 4. D  oorontwikkeling instrumentarium verduurzaming landbouw De structurerende principes voor de landbouw, met name gericht op het (door) ontwikkelen van instrumentarium, zijn vooral generiek.

Ze gelden voor de gehele provincie Utrecht. Per Utrechts landschap willen we graag gebiedsgericht aan de slag met dit instrumentarium via bijvoorbeeld pilots en onderzoek. Voor de Gelderse Vallei betekent dit onder andere het opzetten van pilots duurzame innovatie landbouw in samenwerking met Regio Foodvalley en het onderzoeken naar de mogelijkheden van functieverandering.

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

71

5.5 Kromme Rijnstreek (ten zuiden van de N229) Ontwikkelrichting Kromme Rijnstreek 2050 (op basis van de ­structurerende principes) Dit gebied ligt ten zuiden van de N229 en betreft de deelgebieden Kromme Rijn en Schalkwijk uit de Kwaliteitsgids Utrechtse landschappen. Wat betreft de opgaven uit het Nationaal Programma Landelijk Gebied kan dit gebied worden aangemerkt als laag-dynamisch. Ook in het toekomstbeeld vormt de Kromme Rijnstreek een goed, rijk en divers landbouwgebied. Goed landbouwgebied Het gebied is vruchtbaar, vormt een goed landbouwgebied en zo is het ook in het toekomstbeeld. Uiteraard gelden hier wel de generieke opgaven vanuit water, natuur en klimaat. De fruitteelt is hier dominant en er zijn veel melkveebedrijven; ook akker- en tuinbouw spelen enige rol in dit gebied. Nu al is de landbouw r­ elatief veel op huisverkoop en andere vormen van ‘korte keten’ afzet van producten ­gericht. Gezien de nabijheid van een groot stedelijk gebied zal dit naar verwachting alleen maar toenemen in de toekomst. Kaasboerderij

Groene dooradering en stedelijke uitloop Het gebied vormt een belangrijk uitloop gebied voor het stedelijk gebied van Utrecht. De groene dooradering, nu al rijkelijk aanwezig, is verder versterkt, de toegankelijkheid vergroot. Dit stedelijke gebruik stimuleert ook de lokale afzet van de agrarische producten. Stad en land zijn hier verweven geraakt. Een stevige linie Een aanzienlijk deel van het Eiland van Schalkwijk vormt onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, en is dus van groot belang vanuit cultuurhistorisch oogpunt. De belangrijkste forten op het Eiland van Schalkwijk zijn Fort Honswijk, Werk aan de Korte Uitweg en Lunet aan de Snel. Voorstel activiteiten Kromme Rijnstreek (ten zuiden van de N229)

1. Pilot Utrechtse Monitor Duurzame Landbouw 2022-2024 2. Voorbeeldgebied Kromme Rijn Linielandschap (Groen Groeit Mee) 3. Onderzoek voorkeurslocatie nieuwe drinkwaterwinning Eiland van Schalkwijk 4. Doorontwikkeling instrumentarium verduurzaming landbouw Landwinkel

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

72

Wat zijn de eerste stappen die we komende jaren kunnen zetten om te komen tot een duurzaam en goed landbouwgebied te komen en de groene dooradering, stedelijke uitsloop en een stevige linie te versterken? 1. Pilot Utrechtse Monitor Duurzame Landbouw 2022-2024 zie kader pilot UMDL Kromme Rijnstreek) Een aantal melkveehouders en fruittelers doen samen met belangen­organisaties en overheden mee aan de pilot Utrechtse Monitor Duurzame Landbouw. De pilot maakt deel uit van één van de landelijke KPI-projecten. 2. V  oorbeeldgebied Kromme Rijn Linielandschap (Groen Groeit Mee) In het landelijk gebied rondom Bunnik tussen Utrecht, Zeist, Houten en Nieuwegein ligt een van de voorbeeldgebieden van de samenwerking GroenGroeitMee. Deze samenwerking geeft een impuls aan groenblauwe ontwikkelingen, als tegenwicht aan de verstedelijking. In dit voorbeeldgebied (Kromme Rijn Linielandschap) op de kruising van Kromme Rijn en Hollandse waterlinie wordt met alle stakeholders een gezamenlijk beeld opgesteld voor de ontwikkeling van deze groenblauwe scheg tussen stad en land. Waar mogelijk wordt daarbij op korte termijn ook gestart met uitvoering. 3. Onderzoek voorkeurslocatie nieuwe drinkwaterwinning Eiland van Schalkwijk Op het Eiland van Schalkwijk is behoefte aan een nieuwe locatie voor de winning van grondewater.

Vitens en de provincie Utrecht doen daarom onderzoek naar een voorkeurslocatie gezamenlijk met andere stakeholders zoals gemeenten, waterschappen, natuurorganisaties, vertegenwoordigers van de agrarische sector en plaatselijke belangenorganisaties. Bij dit onderzoek kijkt men naar een geschikte locatie, maar ook naar onder andere de landschappelijke inpassing, kansen voor natuur (specifiek weidevogelbeheer). De maatschappelijke en economische effecten worden via een maatschappelijke kosten-batenanalyse in beeld worden gebracht, onder andere voor de agrarische sector. 4. D  oorontwikkeling instrumentarium verduurzaming landbouw De structurerende principes voor de landbouw, met name gericht op het (door) ontwikkelen van instrumentarium, zijn vooral generiek. Ze gelden voor de gehele provincie Utrecht. Per Utrechts landschap willen we graag gebiedsgericht aan de slag met dit instrumentarium via bijvoorbeeld pilots en onderzoek. In dit gebied kan hierbij goed aangesloten worden bij het gebiedsproces Eiland van Schalkwijk ten behoeve van de duurzame transitie in het landelijk gebied.

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

73

Pilot Utrechtse Monitor Duurzame Landbouw Kromme Rijnstreek In de Kromme Rijnstreek werken diverse organisaties samen aan de pilot van de Utrechtse Monitor Duurzame Landbouw (UMDL). De UMDL bestaat uit een set ­kritische prestatie indicatoren KPI’s. Aan de pilot doen 15 melkveehouders en 5 fruittelers mee. Bij de uitvoering van de pilot zijn meerdere partijen betrokken: LTO Noord, Boerenverstand, CLM, agrarisch collectief Utrecht Oost en de provincie Utrecht. In de stuurgroep nemen het waterschap HDSR, Utrechtse Federatie G (UFG), de gemeenten, Nederlandse Fruittelers Organisatie (NFO), UPG, Natuur en Milieu Utrecht (NMU) en de Rabobank deel. De pilot maakt deel uit van één van de 16 landelijke KPI-K projecten van het Ministere van LNV (www.boerenkpi.nl). Daarin wordt samengewerkt met de pilot met Gelderse fruittelers en de provincie Gelderland. KPI’s zijn een bedrijfsspecifiek managementtool om agrariërs inzicht te geven over hoe ze op verschillende indicatoren scoren op hun bedrijf op bijvoorbeeld ­ammoniakemissies, eiwit van eigen land, gewasbeschermingsmiddelen en natuur en landschap. De integrale set KPI’s geeft bedrijven inzicht hoe ze scoren op de d­ oelen voor natuurinclusieve kringlooplandbouw. De provincie wil vanaf 2024 agrariërs die goed scoren en/of hierin stappen maken gaan belonen. Dit is opgenomen in het Utrechts Programma Landelijk Gebied (UPLG).

In de pilot wordt de KPI-methodiek getoetst in de praktijk. De deelnemende boer testen de set KPI’s en gaan na welke drempel- en streefwaarden bij het gebied ­Kromme Rijnstreek passen. Naast onderzoek naar de kengetallen van de KPI’s op de 15 verschillende bedrijven, vindt ook onderzoek plaats naar ‘waarderen, stimuleren en belonen’ en de aansluiting op de doelen van het UPLG. De pilot biedt de deel­ nemers kans om van elkaar te leren en hun ervaring over deze managementtool te geven. Door de samenwerking met HDSR, TBO’s, UFG, gemeenten, NMU en NFO is het doel een instrument te ontwikkelen, waarbij deze organisaties gaan aansluiten, in het stimuleren en belonen van agrariërs voor natuurinclusieve kringlooplandbouw. In het project wordt aangesloten de andere gebiedsprocessen: het gebiedsproces voor de Natura2000 gebieden Kolland-Overlangbroek en de Rijntakken (instand­ houding van de natuurwaarden), Kaderrichtlijn Water (behalen doelen 2027), ­Actieplan Duurzame Landbouw (natuurinclusieve landbouw), Actieplan Kringlooplandbouw Utrecht Oost (Boerenverstand), Programma Kennisdeling Regeneratieve Landbouw (proefboerderij Schevichoven) en Platform meststoffen Kromme Rijn ­(leveren van dierlijke meststoffen aan fruittelers door melkveehouders). Met de uitvoering van het UPLG komen al deze opgaven samen. De pilot is gestart in 2022 en loopt tot eind 2024.

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

Kruidenrijke grasbaan tussen de Elstar-appelbomen bij een fruitteler in Utrecht

74

5.6 Landschappelijke structuren In hoofdstuk 3 hebben we naast de verschillende typen landschappen ook een aantal hoofdstructuren van de provincie Utrecht beschreven: de ecologische hoofdstructuren, de structuur van Linies en Limes en de groenblauwe en recreatieve verbindingen. Bij de ontwikkeling van de verschillende landschappen in het belangrijk deze structuren in beeld te houden en eveneens door te ontwikkelen. Deze paragraaf geeft een aantal ontwikkelrichtingen mee voor de toekomst van deze structuren in Utrecht. In het Ruimtelijk Voorstel van de provincie Utrecht zal een verdere afweging van deze structuren plaats vinden. De groenblauwe en recreatieve verbindingen als schakels tussen stad en land De groenblauwe en recreatieve verbindingen zijn uitermate geschikt om de opgaven vanuit natuur, klimaat en water te combineren met recreatie en langzaam verkeer routes tussen stad en land. Zo is het natuurherstel langs de Grift ten behoeve van natura 2000-gebied Binnenveld te combineren met het verder beleefbaar maken van de bijzondere hooilanden die hier liggen. Het voorbeeldproject Hollandse IJssel combineert water- en natuuropgaven met recreatie en nieuwe verbindingen langs het water.

En is het doel van voorbeeldproject Zuidelijke Eemvallei stad en land langs de Eem met elkaar te verbinden, een bestaand landgoed te versterken en de landbouw in de stadsrand zichtbaar en rendabel te houden. De linies en limes als schakels tussen vroeger en nu De hoofdstructuur van de linies en limes biedt met voorbeeldprojecten als het Kromme Lijn Linielandschap en Noorderpark eveneens mogelijkheden voor verbinding van stad en land. Hoewel de status van Unesco werelderfgoed beperkingen oplevert, zijn er nog genoeg kansen te verzilveren om langs deze structuren onze historie te verbinden met de actuele natuur-, wateren klimaatopgaven en de beleefbaarheid van het erfgoed.

goede verbindingen tussen stad en land

De grote natuurverbindingen als schakels voor flora en fauna Een deel van de grote natuurverbindingen, bijvoorbeeld over de Utrechtse Heuvelrug, zal door de ontwikkelrichting van dit landschap een kwaliteitsimpuls krijgen. Bij andere grote natuurverbindingen vraagt dit extra aandacht. Zo zal de ecologische verbinding langs de rivieren versterkt worden door natuurherstel van de Natura 2000-gebieden langs de Neder-Rijn en Linge. Dit geldt alleen niet voor alle uiterwaarden langs deze ecologische verbindingszone. Een robuuste natuurverbinding langs de rivier vraagt daarom ook op andere plekken aandacht.

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

75

6 Instrumenten voor de ­gebiedsgerichte aanpak 6.1 Inleiding Voor het realiseren van de doelstellingen van het UPLG is een stevig pakket aan ­instrumenten randvoorwaardelijk. We hebben onontkoombare doelstellingen te behalen in zeer korte tijd op basis van vrijwilligheid en draagvlak. Dit kan niet ­zonder een instrumentarium dat ons hierbij gaat helpen. Grond is hierbij een sleutelfactor om ruimte in de gebieden te creëren, voor extensivering, voor ander grondgebruik en voor ondernemers die willen door ontwikkelen of verplaatsen. Nu de onderhandelingen over het Landbouwakkoord zijn mislukt, duurt het langer voordat duidelijkheid ontstaat over bepaalde generieke afspraken over normering, beprijzing en vergoedingen, naast (keten)afspraken over het verdienmodel van de boer en vergoedingen bij ander grondgebruik. Het kabinet heeft aangekondigd in het najaar zelf met maatregelen te komen. Deze afspraken zijn wel noodzakelijk en dit blijven we samen met andere provincies bij het Rijk benadrukken. Ook het IPO heeft een voorstel gedaan over generiek beleid voor de landbouwsector, dat provincies kan helpen om een gelijk speelveld te creëren. Ondertussen gaan we door met het instrumentarium dat we wèl in kunnen zetten.

Er zijn drie niveaus te onderscheiden waarop instrumenten kunnen worden ­toegepast: • Generiek; regelingen die voor iedereen beschikbaar zijn, zoals ­bijvoorbeeld het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) of ­vergoedingen voor natuurbeheer (ANLb) • Gebiedsgericht; regelingen als onderdeel van een gebiedsproces voor bijvoorbeeld agrarische collectieven om samenwerking te belonen en zoals de SKNL. • Op bedrijfsniveau; regelingen gericht op het belonen van prestaties voor de individuele ondernemer via bijvoorbeeld de KPI-systematiek. Dit hoofdstuk gaat in op een aantal instrumenten die van groot belang zijn om de doelstellingen voor water, natuur, klimaat en landbouw te kunnen beha-

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

76

len. Onder andere: grondinstrumentarium, de Utrechtse stikstofdepositiebank, ­instrumenten ten behoeve van natuurontwikkeling, de Utrechtse M ­ onitor Duur­zame Landbouw en andere instrumenten die agrarische ondernemers ­ondersteunen in de transitie van het landelijk gebied. Omdat er in het UPLG veel doelen bij elkaar komen is het nagenoeg onmogelijk om compleet te zijn bij het benoemen van beschikbaar instrumentarium. Om wel overzicht te bieden is in Bijlage 4 een eerste opzet gemaakt tot een opsomming van instrumenten, gerangschikt op de doelen van het UPLG.

6.2 Rollen vanuit de samenwerkende overheden Bij het ontwikkelen van instrumentarium werkt de provincie samen met andere overheden. Het UPLG vergt dan ook een stevige samenwerking met de Rijksoverheid, het waterschap en gemeenten om samen de instrumentenkoffer te vullen. De rol van de provincie Utrecht rond het instrumentarium is divers: • Gebiedsregisseur van het landelijk gebied via gebiedsprocessen: ­prioriteit geven aan het ontwikkelen van een sterke uitvoeringsorganisatie in ­gebieden. • Inzet op actief grondbeleid: De provincie voert een actief grondbeleid via een grondbank om gronden aan te kopen om in te zetten in gebiedsprocessen. • Loketfunctie en ondersteunend advies voor gebiedsprocessen: met een goed gevulde instrumentenkoffer kunnen plattelandscoaches helpen welke maatregelen passend zijn. • Aanjagen van passend generiek instrumentarium bij de Rijksoverheid: ­samenwerken met het Rijk zodat rijks-instrumentarium effectief is en aansluit bij de behoefte in gebiedsprocessen. • Ontwikkelen eigen instrumentarium: zoals de Utrechtse Monitor ­Duurzame Landbouw of Platform Kleine Landschapselementen om de transitie te ondersteunen. De rol van de waterschappen speelt rond waterbeheer: • De waterschappen zijn uitvoerend actief in het gebied, kennen daarmee het gebied en zijn goed in het trekken van gebiedsprocessen (waar de wateropgaven leidend zijn).

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

• Met de waterschapsverordening en peilbesluiten heeft het waterschap instrumenten om vanuit een waterperspectief sturing te geven aan de inrichting van het gebied. • De waterschappen hebben eigen subsidiemogelijkheden die ingezet ­kunnen worden voor transitie in het landelijk gebied. De rol van de gemeenten is net als die van de provincie heel divers. Gemeenten staan als overheid het dichtst bij de bevolking en vanuit die positie hebben ze een belangrijke verbindende en stimulerende rol, onder andere in gebiedsprocessen. Daarnaast speelt de gemeente een belangrijke rol in de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het landelijk gebied. Ze stelt ruimtelijk beleid vast (bijvoorbeeld via haar omgevingsvisie en omgevingsplannen of functie­veranderingsbeleid), borgt ruimtelijke ontwikkelingen via het verlenen van omgevings­vergunningen en zorgt voor toezicht en handhaving van het ruimtegebruik in het landelijk ­gebied. De gemeente kan daarnaast financiële middelen of andere middelen ­beschikbaar stellen om gewenste ontwikkelingen in het landelijk gebied te ­stimuleren (­ bijvoorbeeld advisering en subsidiëring van erfbeplanting). In een aantal ­Utrechtse gemeenten is ook veel aandacht voor de leefbaarheid van het landelijk gebied, bijvoorbeeld door het in stand houden van maatschappelijke voor­zieningen en culturele activiteiten.

6.3 Het gebiedsproces staat centraal De gebiedsprocessen zijn cruciaal om tot uitvoering te komen. Utrecht heeft ­daarmee veel ervaring via bijvoorbeeld gebiedscommissies en gebiedscoöperaties. In het gebiedsproces volgens de Utrechtse aanpak wordt, op basis van vertrouwen, gezamenlijk gezocht naar gedragen en integrale oplossingen waar doelen, belangen en waarden worden afgewogen. Hierbij zijn we resultaatgericht en transparant. Alle gebiedsprocessen zijn in principe integraal. Dat betekent dat ook in bestaande gebiedsprocessen oude afspraken soms moeten worden herzien vanuit de huidige set van opgaven. De provincie is regisseur van de gebiedsprocessen in het landelijk gebied. De provincie geeft doelen mee per gebied zodat duidelijk is binnen welke kaders gewerkt kan worden. Zo weten alle partijen aan de voorkant welke ruimte er is. We communiceren respectvol, vroegtijdig, open en eerlijk, ook als de boodschap lastig is. Daarbij realiseren wij ons dat wij vaak spreken over het eigendom van anderen, meestal over familiebedrijven. Wij hebben respect voor de emoties die dit kan op-

77

roepen. Respect voor elkaars belevingswereld en belangen zien wij als voorwaarde voor een gebiedsproces. Gebiedsprocessen kosten tijd terwijl sommige doelen al in 2027 gehaald moeten zijn. Hier is de spanning voelbaar van het werken met ­onontkoombare doelstellingen op basis van vrijwilligheid. Onze huidige werkwijze in gebiedsprocessen kost meer tijd dan we nu hebben om de doelstellingen te realiseren. Dat betekent dat we procesinnovatie nodig zullen hebben om sneller tot resultaat te komen. Tegelijkertijd zijn de consequenties van te nemen beslissingen ingrijpend. Dit vraagt om voldoende tijd. Wij spannen ons in om vroegtijdig informatie te delen om onduidelijkheid en onrust tegen te gaan. Vanuit een optimale betrokkenheid van de mensen willen we in de gebieden tot maatwerk komen. Maatwerk is voor Utrecht ook dat er ruimte is om vanuit de gebiedseigen ­kenmerken nieuwe oplossingen te vinden, zodat ondernemerschap wordt ­beloond. Ook is er ruimte om kansen mee te koppelen die een bijdrage leveren aan de leefbaarheid. Hiertoe vragen we het Rijk ons te faciliteren met een Fonds voor Vitaliteit Landelijk Gebied (Zie hoofdstuk Sociaal Economische Impactanalyse). Hiermee willen we initiatieven belonen voor de vitaliteit van het gebied, omdat dit bijdraagt aan draagvlak en daarmee het proces.

6.4 Grond als motor Grond is de motor in gebiedsprocessen. Beschikbaarheid van grond is nodig om schuifruimte te creëren in gebiedsprocessen. Vanuit vrijwel alle opgaven komen ruimteclaims. Dit geeft druk op de beschikbaarheid van grond en de grondprijzen. Waar mogelijk, zetten we daarom in op meervoudig ruimtegebruik. Behoud van vrijkomende gronden voor gebiedsprocessen Behoud van goede landbouwgrond is niet altijd een vanzelfsprekendheid. In Utrecht begrijpen we de wens gronden beschikbaar te houden voor de landbouw. Utrecht wil vrijkomende gronden beschikbaar houden voor gebiedsprocessen, waar de afweging gemaakt kan worden welke functie passend is vanuit de ­gebiedsopgave. Dit kan ook functieverandering betekenen. Provinciale Grondbank en actief grondbeleid Naast de nationale grondbank is er afgelopen jaar een provinciale grondbank ­ingesteld als extra instrument voor Utrecht. Zo wil Utrecht regie nemen vanuit een actief grondbeleid. Het frustreert dat in het verleden partijen gronden kochten die in het gebiedsproces ingezet hadden kunnen worden.

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

Al jaren wordt grond verworven, geruild en verkocht ten behoeve van de ­realisering van bijvoorbeeld het NNN. Voor de transitie van het landelijk gebied is een verdere uitbreiding en aanscherping van het bestaande instrumentarium ­nodig, gegeven de ervaringen met het NNN maar ook nu de opgave verder vergroot is vanuit het UPLG. Uitvoeringskracht ontstaat wanneer dankzij actief grondbeleid grond beschikbaar komt voor gebiedsprocessen. Met vertrouwenspersonen in gebieden komt er zicht op ontwikkelingen en kansen in de grondmarkt om anticiperende aankopen te doen. Het opbouwen van een sterke uitvoeringsorganisatie heeft daarmee prioriteit. Grondstrategieplan met grondinstrumentarium De provincie stelt dit jaar een Grondstrategieplan vast. Het Grondstrategieplan ­beschrijft de grondopgave binnen de gebieden en de grondinstrumenten die ­ingezet kunnen worden om de transitie in het landelijk gebied tot stand te laten komen. De Grondstrategie wordt geschreven binnen de geldende kaders van de Nota Grondbeleid 2020, het Strategisch grondbeleidskader 2022 en wet- en ­regelgeving. Grondbezit is daarbij geen doel maar een middel. Gronden in (tijdelijk) bezit van de provincie worden ingezet om de transitie vorm te geven met passend grond- en pachtbeleid.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13565828/1