K4. Concept UPLG 5 juli 2023
Tekst van het document
Kernkwaliteiten Utrechtse Heuvelrug: 1. Robuuste eenheid, 2. Reliëfbeleving en 3. Extreme historische gelaagdheid
heide
Concept Utrechts Programma Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0
31
Kromme Rijnstreek
Concept Utrechts Programma Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0
32
Kromme Rijnstreek De Kromme Rijnstreek vormt de overgang van de Utrechtse Heuvelrug naar de rivier, die bij Wijk bij Duurstede overgaat van de Nederrijn in de Lek. Direct aan de voet van de Heuvelrug ligt het gebied dat wordt aangeduid als Langbroekerwetering. Het is een zeer afwisselend, halfopen gebied. Ook cultuurhistorisch en landschappelijk waardevol met diverse kastelen en ridderhofsteden die zich hier op de flank van de heuvelrug al vroeg hebben gevestigd. In het gebied komt kwelwater vanaf de heuvelrug naar boven, zeer schoon water waardoor hoge natuurwaarden mogelijk zijn. Landbouw en natuur wisselen elkaar in de Langbroekerwetering af; dit halfopen coulisselandschap wordt zeer gewaardeerd. Ten zuiden van het gebied Langbroekerwetering ligt het open rivierenlandschap van de Kromme Rijn en het Eiland van Schalkwijk. Het landschap is hier meer open, maar ook afwisselend. Het beeld wordt hier bepaald door de afwisseling in de ondergrond veroorzaakt door de rivier en het daarbij passende grondgebruik. We herkennen de vooral open uiterwaarden, de zandige oeverwallen met een reeks van dorpen en veel fruitteelt en tot slot het grasland op de stevige klei in de komgronden.
fruitteelt
In de uiterwaarden krijgen de rivier en de natuur steeds meer de ruimte. Op de overgang van de Langbroekerwetering naar het Eiland van Schalkwijk ligt de rivierloop van de Kromme Rijn, met langs deze loop een reeks van dorpen. De Kromme Rijn en het Eiland van Schalkwijk maken tevens deel uit van het UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies (Kromme Rijn diende als watertoevoer voor inundatie bij Utrecht en het Eiland van Schalkwijk is belangrijk als open inundatiegebied rondom forten).
Kernkwaliteiten Kromme Rijnstreek: 1. Schaalcontrast van zeer open naar besloten, 2. Samenhangend stelsel van rivier-uiterwaard-oeverwal-kom, 3. Samenhangend stelsel van hoge stuwwal-flank-kwelzone-oeverwalrivier en de Langbroekerwetering en 4. De Kromme Rijn als vesting en vestiging.
rivier de Lek
Concept Utrechts Programma Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0
33
Gelderse Vallei
Concept Utrechts Programma Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0
34
Gelderse Vallei Het Utrechts deel van de Gelderse Vallei loopt van de Nederrijn bij Rhenen tot aan de stadsgrenzen van Amersfoort en ligt aan de oostzijde van de Heuvelrug. Het is een deel van de laagte die in de voorlaatste ijstijd is ontstaan tussen de Utrechtse Heuvelrug en de Veluwe. De Gelderse Vallei ligt in de provincies Gelderland en Utrecht. Het landschap is gevarieerd, kleinschalig en afwisselend. We vinden er besloten landgoederen en ruime agrarische werk-landschappen. Ook aan deze kant van de Heuvelrug komt kwelwater naar boven. Aan de oostzijde stromen verschillende beken vanuit Gelderland af om samen te komen in het Valleikanaal dat uitmondt in de Eem bij Amersfoort. Het Valleikanaal en het omliggende watersysteem van inundatiegebieden vormt onderdeel van de Grebbelinie. Op de flank van de heuvelrug vinden we een reeks van dorpen. De landbouw in de Gelderse Vallei kent relatief veel intensieve veehouderij (met een concentratie in het landbouwontwikkelingsgebied ten zuiden van Woudenberg, Scherpenzeel en Renswoude) en veel gemengde landbouwbedrijven. De gemeenten Rhenen, Veenendaal en Renswoude zijn onderdeel van de Regio Foodvalley ‘de topregio op het gebied van agrifood’: een regionale samenwerking tussen overheden, ondernemers en onderwijsen kennisinstellingen.
De samenwerking richt zich op de hele voedselketen van voedselproductie, toelevering, verwerking tot detailhandel. Het gebied ligt in het NOVEX-gebied Arnhem-Nijmegen-Foodvalley met een flinke woning- en werkopgave.
afwisselend landschap
Kernkwaliteiten Gelderse Vallei: 1. Rijk gevarieerde kleinschaligheid, 2. Stelsel van beken, griften en kanalen, 3. De hierin gelegen Grebbelinie en 4. Overgang van Vallei naar stuwwal (luwe Flank).
Valleikanaal
Concept Utrechts Programma Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0
35
Erfgoed provincie Utrecht
Concept Utrechts Programma Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0
36
Erfgoed provincie Utrecht Utrecht hecht waarde aan het bewaren en zichtbaar houden van zijn rijke historie. De cultuurhistorische waarden van de leefomgeving willen wij beschermen en benutten, door ze beter zichtbaar en beleefbaar te maken en door ze te gebruiken als dragers en aanjagers van ruimtelijke kwaliteit bij ruimtelijke ontwikkelingen. We hebben een aantal landschappelijke ensembles en structuren aangewezen waarvoor bijzondere aandacht nodig is. In deze cultuurhistorische hoofdstructuur leggen we de nadruk op gebieden die gemeentegrenzen overstijgen: historische buitenplaatszones, militair erfgoed (waaronder Hollandse Waterlinies), agrarische cultuurlandschappen, archeologisch waardevolle zones en historische infrastructuur. De uitzonderlijke universele waarde van het UNESCO Werelderfgoed ‘Hollandse Waterlinies’ en de ‘Neder-Germaanse Limes’ verdienen bijzondere aandacht. Bij ontwikkelingen in het UNESCO-gebied mag de uitzonderlijke universele waarde niet worden aangetast. In de Omgevingsverordening staan de kernkwaliteiten van de Hollandse Waterlinies en de Neder-Germaanse Limes benoemd. In de Gebiedsanalyses Kernkwaliteiten Hollandse Waterlinies zijn per gebied deze kernkwaliteiten nader uitgewerkt.
historische loopgraven
landgoed Broekhuizen
Concept Utrechts Programma Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0
37
Kaart 5 Cultuurhistorische hoofdstructuur
Concept Utrechts Programma Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0
38
3.2 Landschappelijke hoofdstructuren in Utrecht Naast de vijf karakteristieke Utrechtse landschappen onderscheidt de provincie Utrecht een aantal belangrijke landschappelijke hoofdstructuren. Deze structuren doorkruisen en verbinden de verschillende landschappen in en aangrenzend aan de provincie. Ze zorgen voor herkenbaarheid en samenhang, kennen meestal een lange historie en zijn vaak onderdeel van belangrijke routes voor mensen en/of flora en fauna. Voor het UPLG zijn de volgende landschappelijke hoofdstructuren uit de Omgevingsvisie van de provincie Utrecht het meest relevant: 1. Groenblauwe en recreatieve hoofdstructuur 2. De ‘Linies’ 3. Samenhangend groot natuursysteem Hieronder staat een beschrijving per type hoofdstructuur en geven we met kaart X aan waar de hoofdstructuren liggen. Een uitgebreide toelichting staat in de Omgevingsvisie provincie Utrecht. Groenblauwe en recreatieve hoofdstructuur De leefomgeving van de provincie Utrecht biedt veel kansen voor gezond leven. Onze steden en dorpen worden omringd door groene landschappen. Een schone en rustige omgeving is vaak nabij. Wij hebben een samenhangend hoofdroutenetwerk voor wandelen, fietsen en varen. Dit netwerk verbindt onze woon-, werk- en leefgebieden met het ruime vrijetijdsaanbod, aantrekkelijke recreatiegebieden, landschappen en natuurgebieden in het landelijk gebied.
langs de Eem
De verwachte groei van mensen en activiteiten in onze provincie zal voor een nog intensiever gebruik van dit netwerk zorgen. We zetten daarom in op de (door)ontwikkeling van de robuuste groenblauwe en recreatieve hoofdstructuur. De structuur valt in belangrijke mate samen met de bestaande doorgaande waterlopen in de provincie: Amstel, Angstel, Vecht, Grote Heijcop/Bijleveld/ Geer, Oude Rijn/Leidsche Rijn, Singel Utrecht, Kromme Rijn, Hollandsche IJssel, Inundatiekanaal Lunetten/Laagraven, Amsterdam-Rijnkanaal, Merwedekanaal, Nederrijn-Lek, Diefdijk, Linge, Zouweboezem, Eem/Grift, Valleikanaal, Laak en de beken rond Amersfoort en omvat ook de Utrechtse Heuvelrug.
langs de Vecht
Concept Utrechts Programma Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0
39
Kaart 6 Structurenkaart
Concept Utrechts Programma Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0
40
Linies en limes De cultuurhistorische hoofdstructuur toont met de Hollandse Waterlinies, de Grebbelinie en de Limes een aantal belangrijke doorgaande structuren. Ze vinden allen hun oorsprong in militaire verdedigingssystemen, waarbij de waterlinies bestaan uit ingenieuze watersystemen (dijken, sluizen en inundatiegebieden), strategisch landschap en militaire werken (forten). Met een omvangrijke opgave in het landelijk gebied voor de boeg is belangrijk om deze cultuurhistorische structuren in het oog te houden zodat ze beter zichtbaar en beleefbaar worden door ze te versterken en te gebruiken als dragers en aanjagers van ruimtelijke kwaliteit bij ontwikkelingen. Samenhangend groot natuursysteem Onze provincie heeft een netwerk met robuuste natuur met een aantal grote en verschillende typen natuursystemen: het rivierengebied (dynamische natuur van rivier met uiterwaarden), de veenweidegebieden Groene Hart en Eemland (agrarische natuur met weidevogels én moerassen en plassen) en de Utrechtse Heuvelrug (bos, heide en landgoederen). De kern van ons natuurbeleid is het beschermen en ontwikkelen van beleefbare natuur en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit. Bestaande natuurgebieden (Natura 2000-gebieden en Natuurnetwerk Nederland) worden beschermd, verder ontwikkeld en onderling beter verbonden.
Dit netwerk vormt de basis voor het behoud en herstel van het overgrote deel van de van nature in Nederland voorkomende soorten dieren, planten en micro-organismen.
Post van Lambalgen
De ambitie van de provincie Utrecht is om het netwerk tot één samenhangend groot natuursysteem te ontwikkelen. Op de kaart staat dit samenhangende natuursysteem met de beoogde (deels bestaand en deels nog te realiseren) ecologische verbindingen tussen de grote natuureenheden: Utrechtse Heuvelrug, rivierengebied en de moerasgebieden van het Groene Hart. De ecologische verbinding tussen de Utrechtse Heuvelrug en Veluwe is in afstemming met het Ruimtelijk Voorstel van de provincie Utrecht alvast toegevoegd op deze kaart.
bos
Concept Utrechts Programma Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0
41
4 Structurerende principes 4.1 Inleiding In de fase van Starnotitie naar Koersnotitie is voor de verschillende beleidsthema’s (water, natuur, klimaat en landbouw) relevante informatie en kaartmateriaal bijeengezocht, gefilterd en geanalyseerd. Dit ging o.a. om analyses van het bodem- en watersysteem, om de natuurdoelanalyses van de N2000-gebieden, de doorvertaling van de VHR-gebieden, analyses van mogelijke varianten voor de ammoniakreductie, inventarisatie van de landbouwstructuur en mogelijk heden voor aanvullend instrumentarium. Ook de gebiedsagenda’s, voor zover beschikbaar, hebben als bouwsteen gediend. Dit geldt ook voor de informatie die is opgehaald tijdens de hackathondagen met waterschappen, gemeenten, natuur organisaties en landbouworganisaties. Dit alles heeft geleid tot een hoofdstuk Analyses en Verkenningen die we voor de leesbaarheid van het hoofddocument in zijn geheel in de vorm van een bijlage hebben toegevoegd (zie bijlage 3). Samenvattend kan over de analyses en verkenningen het volgende gezegd worden: • Water: De analyse van het watersysteem laat zien dat er flinke een opgave ligt om beter voorbereid te zijn op het veranderend klimaat en om te v oldoen aan de KRW-doelen voor oppervlakte- en grondwater.
Vraag stukken als opvang van piekbuien, vasthouden en bergen van water zodat we beter bestand zijn tegen droogte en verminderen uitspoelen nutriënten in verband met de waterkwaliteit zijn groot en urgent. Vaak vraagt dit maatwerkoplossingen per gebied maar ze zijn deels ook van regionale of zelfs van de nationale schaal, zoals het vraagstuk van voldoende water. • Natuur: De grootste prioriteit voor de korte termijn is het herstel van de Natura 2000-gebieden. Daarnaast is het voor de biodiversiteit essentieel dat we het Natuurnetwerk Nederland versterken, dat we de Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten beter beschermen en het areaal bos te vergroten. Ook het uitbreiden van de groenblauwe dooradering in het agrarisch g ebied levert een belangrijke bijdrage aan herstel van de ( agrarische) n atuur. • Klimaat: De klimaatdoelen zijn gericht op 2030 als tussenstap naar klimaatneutraliteit in 2050. Dit vraagt om de inzet op een lange termijn koers, bestaande uit vier onderdelen: reductie van broeikasgassen uit veenbodems, reductie van methaanuitstoot uit de veehouderij, reductie van broeikasgassen uit ontwikkeling van natte natuur en CO2-vastlegging in natuur en bos. Concept Utrechts Programma Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0
42
• Landbouw: de landbouw heeft een grote uitdaging. Om de voorgaande doelen te bereiken is een transitie van de landbouw in de richting van een meer natuurinclusieve kringlooplandbouw onontkoombaar. Op onderdelen is dit ook al volop aan de gang, zie de talrijke mooie voorbeelden. Maar er is meer nodig. Het toekomstbeeld is dat het agrarische bedrijf van de toekomst niet alleen zorgt voor voedselproductie, maar ook een belangrijke landschapsbeheerder is. Uiteraard is het noodzakelijk dat hier voldoende inkomsten tegenover staan, die ook langjarig in bedrijfs economisch opzicht voldoende zekerheid bieden. Nu er geen Landbouwakkoord is gekomen, gaan we als provincie gesprekken aan met het Rijk om hier een oplossing voor te vinden. Dit alles is in bijlage 3 verder toegelicht en geïllustreerd met achtergrondinformatie in de vorm van tabellen, grafieken en kaarten. De analyse vormt de onderbouwing van dit hoofdstuk 4 waarin we de structurerend principes beschrijven die de inhoudelijke koers aangeven voor dit UPLG. De structurerende principes zijn thematisch. In het hoofdstuk erna, hoofdstuk 5 worden ze toegepast op het niveau van de landschapstypen en dan wordt ook duidelijk hoezeer de opgaven en de maatregelen met elkaar samenhangen. Dit hoofdstuk geeft een aantal structurerende principes aan de hand van drie thema’s.
De eerste twee thema’s omvatten de doelen die centraal staan in deze Koersnotitie en zijn een nadere uitwerking van twee van de zeven thema’s zoals benoemd in de Provinciale Omgevingsvisie (maart 2021). Het derde thema voegt de andere thema’s van de Omgevingsvisie samen in termen van ‘koppelkansen’: 1. klimaatbestendig en waterrobuust; 2. toekomstbestendige natuur en landbouw; 3. koppelkansen en randvoorwaarden vanuit de andere thema’s.
Toekomstbestendige natuur en landbouw
Levend landschap, erfgoed en cultuur
Stad en land gezond
Gezonde en veilige leefomgeving
Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar
Klimaatbestendig en waterrobuust
Duurzame energie
Vitale steden en dorpen
Figuur 3, de 7 thema’s uit de Omgevingsvisie Provincie Utrecht (2021)
4.2 Thema Omgevingsvisie ‘Klimaatbestendig en waterrobuust’ Het veranderend klimaat met extreme weersituaties vraagt om aanpassingen in het watersysteem, grondgebruik en ruimtelijke inrichting. Er zijn keuzes en inzet nodig voor het realiseren van voldoende water, schoon water, een vitale bodem en ruimte voor water. Daarbij passen de volgende structurerende principes.
Concept Utrechts Programma Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0
43
4.2.1 Structurerende principes schoon water 1. Schoon en voldoende water: voldoen aan de wettelijke normen van de kaderrichtlijn Water
• We zetten ons er maximaal voor in dat de grondwater- en oppervlaktewaterlichamen in 2027 voldoen aan de wettelijke normen zoals vastgelegd in de Kaderrichtlijn Water. • De grondwaterafhankelijke Natura 2000-gebieden zijn in 2027 hydrologisch op orde zodat ze voldoen aan de KRW-doelen.
Het is onzeker of alle KRW-doelen tijdig in 2027 gehaald zullen zijn, zowel voor grond- als oppervlaktewater. Voor het oppervlaktewater gaat het zowel om de oppervlaktewaterlichamen als de categorie ‘overige wateren’. In 2024 zal onder leiding van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat een tussenevaluatie voor de KRW worden uitgevoerd. Dan zal blijken of aanvullende KRW-maatregelen nodig zijn om de KRW-doelen te halen. Het UPLG vormt een belangrijke impuls om de waterkwaliteit nog verder te verbeteren, naast de KRW-maatregelen. Hiertoe doen we het volgende (oppervlaktewater): • Goede landbouwpraktijk: We zetten maximaal in op het uitbreiden van een goede landbouwpraktijk met ecologische slootbeheer en minimale uitspoeling van nutriënten, gewasbeschermingsmiddelen en andere landbouw gerelateerde stoffen, onder andere via het Deltaprogramma Agrarisch Waterbeheer (DAW) en de subsidiemogelijkheden van het Agrarisch natuur- en Landschapsbeheer (ANLb) en andere subsidiemogelijkheden uit het nationaal Strategisch Plan (NSP/GLB). Om te zorgen dat dit bij alle boeren de standaard is, zetten we richting het Rijk maximaal in op uitbreiding van de mogelijkheden voor beheer via het ANLb (aanvullende financiering is nodig), in samenwerking met de agrarische collectieven en waterschappen.
Concept Utrechts Programma Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0
• Ecologisch beheer verplichte bufferstroken: We stimuleren dat meer agrariërs de verplichte bufferstroken (Nitraatrichtlijn 7e Addendum) gaan beheren om de waterkwaliteit te verbeteren. Het gaat om in het ANLb gestelde beheereisen en aanvullende beheervoorschriften over niet scheuren van grasland, niet klepelen, maaien en afvoeren en een permanente vegetatie passend bij de droog-nat gradiënt van sloot naar perceel. Subsidie via ANLb is dan ook mogelijk voor het beheer van de bufferstroken. Voor grondwater gaat het over de grondwaterlichamen en in het bijzonder de doelen van de beschermde gebieden, namelijk de Natura 2000-gebieden en gebieden met grondwater dat bestemd is voor menselijke consumptie. Hiervoor doen we het volgende: • Instellen grondwateronttrekkingsplafond voor het behouden van de goede kwantitatieve staat van de grondwaterlichamen en het versterken van grondwaterafhankelijke functies (waaronder Natura 2000-gebieden en drinkwaterwingebieden). In de kabinetsbrief ‘Water en Bodem Sturend’ is aan provincies gevraagd om de noodzaak van een grondwateronttrekkingenplafond te onderbouwen in verband met effecten op grondwaterafhankelijke functies. Voor het eventueel instellen van een grondwateronttrekkingenplafond starten we als provincie een apart provinciebreed project op.
Bij het instellen van een grondwateronttrekkingenplafond is het cumulatieve effect van alle onttrekkingen op grondwaterafhankelijke functies maatgevend. Daarbij ligt er dus een sterke relatie met maatregelen die in het kader van het UPLG worden genomen om de hydrologie van natuurgebieden te versterken. Indien de natuurdoelen met andere maatregelen bereikt kunnen worden is de opgave voor het grondwateronttrekkingenplafond beperkt. • Stimuleren van een goede landbouwpraktijk: zie hiervoor bij oppervlaktewater. • Stimuleren dat de grondwatervoorraad Utrechtse Heuvelrug wordt aangevuld en vergroot door water langer vast te houden en meer te infiltreren.
44
4.2.2 Structurerende principes robuust en klimaatbestendig water- en bodemsysteem Deze principes sluiten aan op de structurerende keuzes uit de Kamerbrief ‘Water en bodem sturend’.
3. Omgaan met piekbuien
We zetten in op lokaal meer ruimte voor het opvangen van water bij piekbuien en op enkele zoekgebieden voor regionale piekberging.
2. Omgaan met droogte
We zetten in op lokaal en (boven)regionaal meer water vasthouden en bufferen voor tijden van droogte (in bodem, oppervlakte- en grondwater).
Om lokaal meer water vast te houden is een vitale bodem van belang. Dit sluit aan bij de samenwerking ten behoeve van een goede landbouwpraktijk. Om in tijden van droogte minder afhankelijk te zijn van de rivieraanvoer willen we ook op (boven) regionale schaal in ons eigen gebied meer water vasthouden (waterbuffers). Samen met het Rijk en onze andere partners gaan we zoeken naar bovenregionale buffermogelijkheden in het hoofdwatersysteem. Daarnaast gaan we samen met de waterbeheerders, de agrarische sector en andere relevante stakeholders aan de slag om de mogelijkheid van waterbuffers ook op regionale schaal verder uit te werken en de ruimtelijke component hiervan nader te duiden en een plek te geven in de provinciale Omgevingsvisie en ander ruimtelijk instrumentarium. Ook op de zandgronden van de Utrechtse Heuvelrug en in de beekdalen zijn wellicht mogelijkheden voor buffering water, waarbij dit wel gevolgen zal hebben voor het hele hydrologische systeem en lokaal ook voor het landgebruik. Voor het vernatten van de veenweide onderzoeken we of het mogelijk is om in het gebied zelf meer water te bufferen zodat er in droge perioden minder water van elders aangevoerd hoeft te worden. Uit eerste berekeningen blijkt dat volledige onafhankelijkheid van het hoofdwatersysteem niet mogelijk is, omdat dit onder andere een onevenredig grote ruimtevraag betekent.
In het veenweidengebied zal daarom aanvoer vanuit het hoofdwatersysteem waarschijnlijk altijd in meer of mindere mate nodig blijven. Zie verder hoofdstuk 6.
We moeten leren omgaan met vaker voorkomende piekbuien, die niet meer met aanpassingen in het watersysteem zijn op te vangen. We zoeken daarom, met name in de lage delen, naar meer ruimte om bij piekbuien het water daar waar het valt beter vast te houden en daarbij kortdurend te bergen. Daarbij gaat het vooral om lokale mogelijkheden, hoewel er ook enkele zoekgebieden zijn voor piekberging op (boven)regionaal schaalniveau voor de extreme situaties. Daarnaast onderzoeken we samen met het Rijk en de waterschappen of het wenselijk en mogelijk is om de normen voor wateroverlast aan te passen in samenhang met het inzetten op het verlenen van schadevergoedingen en het kiezen van slimme plekken voor vernatting. Het is immers onvermijdelijk dat er op meer locaties tijdelijk water op het land geaccepteerd zal moeten worden of kleinere droogleggingen ontstaan.
4. Vermindering emissie broeikasgassen uit veenbodems (veenweidengebied)
We zetten in op het vernatten van het Utrechtse veenweidengebied: • We gaan voort op de reeds ingezette weg, door in het veenweidengebied in gesprek te gaan met de agrarische ondernemers over het verhogen van de (grond)waterstand in hun percelen naar ca. 40 cm onder maaiveld • In een klein deel van het veenweidengebied gaan we in gesprek over het streven naar hogere grondwaterstanden tot 20 cm onder maaiveld (op slimme plekken, bijvoorbeeld in de gebieden met de sterkste bodemdaling of waar combinaties met andere opgaven mogelijk zijn).
Toelichting: In de Regionale Veenweiden Strategie (RVS) Utrechtse veenweiden (2022) is aangegeven dat deze verhoging van de (grond)waterstanden nodig is om de indicatieve provinciale doestelling van 0,09Mton CO2eq in 2030 te halen.
Concept Utrechts Programma Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0
45
In de praktijk blijkt dat een verhoging van de grondwaterstand tot -40cm grotendeels haalbaar is met technische maatregelen zoals waterinfiltratie systemen zonder dat grote aanpassingen in de agrarische bedrijfsvoering nodig zijn. Bij blijvend landbouwkundig gebruik zijn dergelijke technische maatregelen te beschouwen als een no-regret. De hogere grondwaterstanden vergen echter nog wel moeilijke keuzes vanwege het vraagstuk van voldoende beschikbaar hebben van zoetwater in combinatie met de ambitie minder afhankelijk te worden van gebiedsvreemd inlaatwater (zie kamerbrief Water en bodem sturend, november 2022). Ook zal de wateroverlast toenemen, omdat er bij hogere grondwaterstanden minder ruimte is voor de opvang van piekbuien. Daarnaast is het goed te beseffen dat het veenweidengebied een grote variatie in bodemtypen heeft en er zijn ook hoogteverschillen. Dit betekent dat de hier genoemde uitdagingen vragen om een aanpak met maatwerk per gebied. Zo zal in klei op veen- gebieden het grondwater opgezet kunnen worden tot aan de kleilaag. 5. Verankeren drinkwateropgaven met andere opgaven in het landelijk gebied
• Duurzaam inpassen bestaande en nieuwe drinkwaterwinningen als onderdeel van een robuust en klimaatbestendig watersysteem. • Duurzaam inpassen bestaande en nieuwe drinkwaterwinningen voor herstel en versterking van de natuur.
De drinkwatervoorziening staat steeds meer onder druk door een groeiende bevolking, de wens voor een robuuster (grond)watersystemen en toenemende verontreinigingen van bronnen. Drinkwaterwinning heeft een directe relatie met de inrichting van de ruimte en het watersysteem. De functies van drinkwaterwinning en natuur kunnen onder bepaalde randvoorwaarden goed samengaan. De mogelijkheden hiervoor willen we verkennen vanuit twee invalshoeken: • Benutten van de potentie van drinkwaterwingebieden om de natuur te versterken (bv via maatregelen die de (grond)waterkwaliteit beschermen). • In situaties waar drinkwaterwingebieden op gespannen voet staan met de gewenste hydrologische situatie vanuit natuurbelang oplossingen in gang zetten om deze situaties te verbeteren.
Concept Utrechts Programma Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0
4.3 Thema Omgevingsvisie ‘Toekomstbestendige natuur en landbouw’ Natuur en landbouw leveren, als grootste ‘ruimtegebruikers’ in het landelijk gebied, een belangrijke bijdrage aan maatschappelijke functies zoals een aantrekkelijk en kwalitatief hoogwaardig landelijk gebied dat beleefd kan worden. De volgende principes zijn nodig om de kwaliteit van de natuur in de provincie Utrecht te verbeteren en de transitie naar een duurzame landbouw te ondersteunen.
4.3.1 Structurerende principes natuur De structurerende principes voor natuur zijn gebaseerd op de verschillende soorten opgaven voor natuur: Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland, Vogel- en habitatrichtlijn, Bossenstrategie en Groenblauwe Dooradering. Het is goed ons hierbij te realiseren dat een aantal natuuropgaven slim te c ombineren is. Zo kan de aanleg van bos gecombineerd worden met de uitbreiding van Natuurnetwerk Nederland, bijvoorbeeld op de flanken van de Utrechtse Heuvelrug of de versterking van landgoederen. De indicatieve opgave voor de Vogel- en Habitatrichtlijn kan deels een plek krijgen in het huidige en nog uit te breiden natuurnetwerk Nederland. 6. Natuurdoelanalyses: maatregelen voor de Natura 2000-gebieden
We nemen op basis van de door de Ecologische Autoriteit beoordeelde natuurdoelanalyses de benodigde maatregelen binnen en buiten de Natura2000-gebieden voor het realiseren van de goede staat van instandhouding van aangewezen soorten en habitats van de Vogel- en Habitat Richtlijn.
Dit betekent het volgende: • De benodigde maatregelen binnen en buiten de N2000-gebieden, zoals in de Natuurdoelanalyses aangegeven, werken we uit in een concreet plan samen met betrokken gebiedspartijen en betrokken grondeigenaren. • Deze maatregelen leggen we vast in het beheerplan behorend bij het betreffende Natura 2000-gebied.
46
• Met uitzondering van een overgangszone voor reductiemaatregelen stikstof, is er geen sprake van een standaard overgangszone, immers per maatregel zal de breedte van de overgangszone verschillen. Het is altijd gebiedsgericht maatwerk, want de ene maatregel ligt ver buiten het N2000-gebied en de andere misschien veel dichterbij. • De grondwaterafhankelijke Natura 2000-gebieden zijn zo snel als mogelijk, maar uiterlijk in 2027 hydrologisch op orde, waarmee we tevens voldoen aan de KRW-doelen. 7. Een natuurdoelanalyse voor de Utrechtse Heuvelrug
We onderzoeken of een natuurdoelanalyse voor de Utrechtse Heuvelrug kan helpen om meer inzicht te krijgen in de vraagstukken en de oplossingsrichtingen die er op het gebied van de natuurwaarden zijn (vooral gericht op de VHR-soorten en -habitattypen).
Dit betekent het volgende: • We gaan na welke doelen zouden moeten gelden voor de Heuvelrug om de huidige natuur te behouden en te verbeteren. Dit doen we op basis van de indicatieve verdeling uit de VHR-opgave. • Als na onderzoek besloten wordt een natuurdoelanalyse uit te voeren, dan laten we onderzoeken wat de huidige staat van de natuur is en in hoeverre de geformuleerde doelen gehaald worden. • Op basis van een uitgevoerde natuurdoelanalyse formuleren we maatregelen voor het behalen van de doelen. 8. Natuurnetwerk Nederland en Groene Contour
9. Vogel- en Habitatrichtlijn (aanvullend op de NNN- en N2000-gebieden)
We anticiperen op de aanstaande EU-verordening Natuurherstel door de VHR-opgaven mee te nemen in het UPLG op basis van de indicatieve opgaven.
Ter toelichting: de VHR-doelen zijn niet onzeker. Wel zijn er (nog) geen t ermijnen gesteld aan het behalen van die doelen. Met de Europese Natuurherstel-wet gebeurt dat wel. Het Rijk vraagt ons nu om in het provinciale Programma Landelijk gebied een strategie op te nemen voor 30% VHR-doelrealisatie in 2030. Dit wordt gezien als no-regret maatregel omdat we om meerdere redenen moeten werken aan natuurherstel op de korte termijn. Dit betekent het volgende: • De provinciale indicatieve opgaven werken we uit in een concreet plan in samenspraak met de betrokken gebiedspartijen en vooruitlopend op de kamerbrief van oktober 2023. • We anticiperen op de aanstaande EU-verordening Natuurherstel die naar verwachting vanaf 2024 in werking treedt. 10. Bossenstrategie
We gaan versneld aan de slag met de opgaven van de Bossenstrategie om 1.500 hectare meer bos te realiseren en het bestaande bos te revitaliseren en gaan daarover in gesprek met de Staten om de geldende ambitie uit onze Bossenstrategie wat betreft tijdpad conform de Landelijke Bossenstrategie en het Klimaatakkoord te laten verlopen (dus 2030 als realisatiejaar aanhouden in plaats van 2040).
We integreren de realisatie van het Natuurnetwerk Nederland en de Groene Contour met de opgaven voor Natura 2000-gebieden en de VHR.
Dit betekent het volgende: • We realiseren de NNN-opgave en vullen de resterende hectaren zoveel mogelijk in met de doelen van de VHR. • We zetten de resterende hectares Groene Contour in om de VHR-opgave te realiseren. Concept Utrechts Programma Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0
Dit betekent het volgende: • Bij de vaststelling van onze provinciale Bossenstrategie (mei 2022) is besloten uit te gaan van 2040 als realisatiejaar in plaats van 2030 zoals bij de landelijke Bossenstrategie in het Klimaatakkoord is afgesproken. De provincie Utrecht week daarbij af van het landelijk beleid. We zetten nu in op versnelling van de realisatie zodat we weer in lijn komen met de
47
landelijk geldende streefdatum (2030). Dit sluit beter aan bij het NPLGen het UPLG-traject. Overigens is de inschatting dat 2030 in de praktijk zeer moeilijk haalbaar zal zijn. Realisatie van de Bossenstrategie is een inspanningsverplichting en geen resultaatverplichting. • De uitvoering van de Bossenstrategie doen we zoveel mogelijk in combinatie met andere opgaven zoals realisatie NNN (incl. Groene contour), groenblauwe dooradering, de VHR-opgave, agroforestry en Groen Groeit Mee. 11. Groenblauwe dooradering (GBDA)
We zetten ons maximaal in voor het realiseren van de groenblauwe dooradering in het landelijk gebied: 5% in 2030 en 10% in 2050, in de drie NPLG-prioritaire gebieden 10% al in 2030 (veenweiden, beekdalen en overgangszones).
Dit betekent het volgende: • Het primair doel van de GBDA is versterking van de biodiversiteit. Maar er liggen veel kansen voor het combineren met andere doelen zoals natuurinclusieve landbouw, aanleg bos, verbeteren waterkwaliteit, verminderen broeikasgassen. Daarnaast draagt het bij aan versterking van de landschappelijke kwaliteiten en versterkt het de mogelijkheden voor recreatie en klimaatadaptatie. Combineren van opgaven is daarmee vanzelfsprekend bij de GBDA. • Specifiek voor de blauwe dooradering liggen er koppelkansen met de aanleg van verplichte bufferstroken, realisatie van de KRW-doelen en aanleg van verbindingen voor de Otter. Dit betekent dat we inzetten op natuurvriendelijke inrichting van oevers op plekken waar dat aan meerdere opgaven een bijdrage kan leveren. • We ontwikkelen nieuwe instrumenten om de aanleg van nieuwe landschapselementen te stimuleren. • We zetten in op uitbreiding van beheer (ANLb). Enerzijds moeten de nieuw aangelegde elementen en structuren beheerd worden en anderzijds is er aanvullend een enorme potentie, vooral in ecologisch beheer van sloten en oevers.
Concept Utrechts Programma Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0
4.3.2 Structurerende principes stikstof Het Rijk heeft gevraagd het richtinggevende reductiedoel voor ammoniak van 46% in het UPLG te vertalen in een (richtinggevende) ruimtelijke vertaling van de benodigde stikstofreductie. Deze inzet is onderdeel van de totale stikstofreductie die nodig is voor de landelijke doelen, hiervoor gelden de volgende omgevingswaarden: • 40% areaal met stikstof gevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden onder de kritische depositiewaarde (2025) • 74% areaal met stikstof gevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden onder de kritische depositiewaarde (2030) Het lijkt erop dat voor veel van de Utrechtse Natura-2000 gebieden boven genoemde omgevingswaarden binnen bereik zijn met uitzondering van Botshol, Binnenveld en de Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (zie bijlage 3d), en dat de inzet zich met name richt op het terugdringen van de ammoniakdeken. Anderzijds zijn in vrijwel elk Natura 2000-gebied habitattypen te vinden waarvoor de stikstof depositie te hoog is. De invloed van stikstof is het sterkst in de directe omgeving van de bron, de plek waar de emissie plaatsvindt. Vermindering van de stikstof emissie in de directe nabijheid van Natura 2000-gebieden is daarom een effectieve maatregel om de stikstofbelasting van de stikstofgevoelige habitats terug te brengen en daarmee een bijdrage te leveren aan de instandhouding van deze habitats 1.
Samengevat hebben we de volgende aanpak met daaruit voortvloeiend de structurerende principes 13 en 14: • Om effectief bij te dragen aan het terugdringen van de ammoniakdeken zetten we in op doelsturing op individuele agrarische bedrijven. We schatten in dat dit voor de grondgebonden landbouw een reductie van de emissie met ca. 30% gaat opleveren. • Ten behoeve van het maximaal ‘halen’ van de KDW, en bij te dragen aan de instandhouding van de kwetsbare habitats, gaan we uit van een overgangszone van ca. 1 km rondom de Habitatrichtlijn gedeelten van de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. • Voor het overige gaan we ervan uit dat de stikstofopgave ‘meelift’ met andere opgaven. Ons uitgangspunt is dat zowel voor een aanpak in de 1 km zone als voor de aanpak van ‘de deken’ de gebieden zelf met aanvullende voorstellen komen.
1 emissie plaatsvindt. Vermindering van de stikstofemissie in de directe nabijheid van Natura 2000-gebieden is daarom een effectieve maatregel om de stikstofbelasting van de stikstofgevoelige habitats terug te brengen en daarmee een bijdrage te leveren aan de instandhouding van deze habitats
48
12. Inzetten op doelsturing bij de reductie van ammoniakemissie
Wij zetten in op doelsturing (reductie op basis van absolute getallen en niet op basis van percentages) met betrekking tot de reductie van de ammoniakemissie op individuele agrarische bedrijven. Hiermee doen wij recht aan koplopers.
Dit betekent het volgende: • Voor de grondgebonden veehouderij hanteren wij op bedrijfsniveau als basis een streefwaarde voor emissies van 40 kg/ha/jaar als totaal van stal- en veldemissies. Dit komt overeen met ongeveer 30% reductie. • Dit betekent dat agrariërs die al relatief duurzaam produceren een minder grote opgave hebben dan agrariërs waarvoor dit in mindere mate geldt. Voor de grondgebonden veehouderij hanteren we generiek een streefwaarde voor de emissie van ammoniak van maximaal 40 kg/ha/jr op bedrijfsniveau. Hiertoe wordt op alle grondgebonden veehouderijbedrijven toegewerkt naar een Goede Landbouw Praktijk (management van voer, meststoffen, bodem en gewassen) met inzet van de Monitor duur zame veehouderij. We roepen het Rijk op een emissienorm horende bij een emissiearme bedrijfsvoering vast te stellen. • Voor de niet-grondgebonden veehouderij werken we met een maximale emissie per dierplaats voor stallen, op basis van de Beste Beschikbare Technieken, in combinatie met voer- en managementmaatregelen. In de komende periode werken we aan streefwaarden voor reductie voor de niet-grondgebonden sectoren. 13. Overgangszones rondom Natura2000-gebieden
We gaan uit van een overgangszone van ca. 1 km rondom de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. In de 500 meter zone direct grenzend aan het Natura 2000-gebied gaan we uit van zeer extensief grondgebruik. Binnen de 1 km zones moet een fors hogere reductie gehaald worden dan elders en worden nieuwe bronnen van NH3-emissies in beginsel niet toegestaan.
Concept Utrechts Programma Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0
De invloed van stikstof is het sterkst in de directe omgeving van de bron, de plek waar de emissie plaatsvindt. Vermindering van de stikstofemissie in de directe nabijheid van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden is daarom een effectieve maatregel ten behoeve van de instandhouding van de Natura 2000-gebieden. Overgangszones spelen hierin een belangrijke rol. Bovendien zullen in deze gebieden vaak ook andere maatregelen nodig zijn, zoals bijvoorbeeld een hoge grondwaterstand. Voor de overgangszones hanteren we de volgende uitgangspunten: • De overgangszones voor stikstof liggen rondom het Habitatrichtlijn gedeelte van de Natura 2000-gebieden1, Ze hebben een gemiddelde breedte van ca. 1 kilometer. • In deze zone gaan we uit van een ammoniakreductie die fors hoger is dan de 46% die in de provincie als geheel moet worden gehaald. We noemen hierbij geen streefwaarde maar gaan ervan uit dat gebieden zelf met voorstellen hiervoor komen. • Binnen deze 1 km zone gaan we bij de eerste 500 meter direct grenzend aan het Natura 2000-gebied), uit van zeer extensief grondgebruik. Dat wil zeggen een veebezetting die overeenkomt met ca. 1,5 GVE/ha en toepassing van een beperkte hoeveelheid vaste mest in balans met de bodem en in de veenweidegebieden in balans met weidevogelbeheer.
• Binnen het Habitatrichtlijn gedeelte van de Natura 2000-gebieden vindt alleen begrazing plaats voor zover dat nodig is voor het natuurbeheer. Om de invulling van de 1km zone mogelijk te maken (en ook de bredere overgangszones die bijvoorbeeld nodig zijn voor herstel van het hydrologisch systeem, zie structurerend principe nr. 6) is het noodzakelijk dat de nadelige effecten voor de agrarische bedrijfsvoering worden gecompenseerd via bijvoorbeeld de inzet van het instrument landschapsgrond of betaling voor ecosysteemdiensten. Het Rijk heeft hierin een belangrijke rol. Zie voor verdere toelichting Bijlage 3.
4.3.3 Structurerende principes landbouw Utrecht streeft naar een maatschappelijk gewaardeerde én duurzame landbouw. Een landbouw die circulair en natuurinclusief is en zeker ook economisch rendabel: een landbouw met perspectief. Een duidelijk (ontwikkel)perspectief voor individuele agrariërs is een belangrijke sleutel om de doelen op het gebied van natuur, water en klimaat te kunnen halen.
49
Veel agrariërs staan voor de vraag of ze wel of niet doorgaan. En de blijvers staan voor de keus op welke wijze en met welke snelheid zij de stap gaan zetten naar een verdere verduurzaming van hun bedrijf. Om deze omslag mogelijk te maken en te stimuleren zijn naast de middelen uit het zogenaamde Transitiefonds ook praktisch inzetbare instrumenten en duidelijke regelgeving nodig. Een groot deel van de agrarische ondernemers zal een deel van de inkomsten moeten kunnen halen uit een betere verwaardig van de producten en maatschappelijke diensten. De afspraken uit het Landbouwakkoord waar eerste helft 2023 met veel partijen aan is gewerkt zou daar een belangrijke basis voor vormen. De onderhandelingen om tot een gedragen Landbouwakkoord te komen, zijn echter mislukt. Wat de gevolgen hiervan zijn, is nog niet duidelijk. De provincie zal hoe dan ook de haar beschikbare middelen inzetten om betere en aanvullende verdienmodellen te faciliteren vanuit de overtuiging dat betere verdienmodellen de sleutel zijn voor de transitie in de landbouw. De focus ligt hierbij op de uitbreiding van het aantal ecosysteemdiensten (groene en blauwe diensten) samen met de ontwikkeling van de KPI-systematiek.
Daarnaast willen wij alternatieve verdienmodellen ondersteunen die leiden tot een duurzamere bedrijfsvoering en duurzamer grondgebruik Op hoofdlijnen lijken er voor de verduurzaming van de veehouderij twee ontwikkelpaden van belang: 1. De inzet op kringlooplandbouw is gericht op het verminderen van emissies. Hierbij wordt vooral ingezet op voer- en managementmaatregelen en innovaties. 2. De inzet op natuurinclusieve landbouw. De natuurinclusieve bedrijfsvoering wordt ondersteund met ecosysteemdiensten. Het tweede is minder van toepassing op de intensieve veehouderij. Uiteraard is een combinatie van deze paden ook mogelijk. Hoe een bedrijf zich ontwikkelt hangt af van de bestaande situatie, het ondernemerschap en de plek waar het bedrijf zich bevindt. Voor beide paden is perspectief in de provincie. Voor beide paden willen we instrumenten inzetten. Ook kunnen beide paden worden gecombineerd met aanvullende verdienmodellen. Ook is duidelijk dat er nog veel behoefte is aan aanvullende kennis en hoe zaken in de praktijk toe te passen. Hiertoe zet de provincie Utrecht, samen met het Rijk, andere provincies in op een aantal onderzoekstrajecten en proeftuinen.
Concept Utrechts Programma Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0
Dit alles leidt tot de volgende structurerende principes voor de landbouw: 14.
Aansluiten bij natuurlijk verloop stoppers
We streven ernaar aan te sluiten bij het natuurlijk verloop van stoppers in de agrarische sector. De verwachting is dat circa 40% van de agrariërs stopt de komende 10 tot 15 jaar (dit betreft circa 30%, zo’n 20.000 hectare, van de agrarische gronden). We zetten beschikbaar instrumentarium en financiële middelen in om via het natuurlijk verloop emissies te verminderen en onderzoeken als provincie nieuwe mogelijkheden om meer regie op vrijkomende gronden en vergunningen te krijgen.
Dit betekent het volgende: • Beschikbare landelijke regelingen benutten we optimaal, zoals de Landelijke Beëindigingsregelingen (LBV+- en LBV-regeling); • We stimuleren dat grond van stoppende agrariërs via gebiedsprocessen ingezet kan wordt voor de verduurzaming en extensivering van blijvende agrarische bedrijven met name ook voor jonge boeren. Dit kan zonder tussenkomst van de provincie en met kavelruil als belangrijk instrument. Dit kan ook door waar de gelegenheid zich voor doet zelf als provincie grond te kopen van stoppende agrariërs en afgewaardeerd weer door te verkopen nadat we de productierechten uit de markt hebben gehaald. Deze aanpak werken we verder uit. • Een aantrekkelijk perspectief voor stoppende en omschakelende boeren vergroot de kansen op (snellere) realisatie van de doelen uit het UPLG. Dit krijgt nadere uitwerking in onder meer de aanpak Vrijkomende A grarische Bebouwing dat zich richt op leegstaande agrarische gebouwen en voor komen van verrommeling in het buitengebied. 15. Inzet van Kritische Prestatie Indicatoren (KPI’s)
We gaan werken met een integrale set van Kritische Prestatie Indicatoren (KPI’s), de Utrechtse Monitor Duurzame Landbouw. Hiermee willen we verduurzaming van de agrarische bedrijfsvoering stimuleren, waarderen en belonen.
50
Dit betekent het volgende: • We ontwikkelen en implementeren een integrale set aan KPI’s, voor de Utrechtse Monitor Duurzame Landbouw (UMDL) in samenwerking met de agrariërs en gebiedspartners worden de KPI’s en bijbehorende drempelen streefwaarden vastgesteld. • Borging van de integrale set KPI’s en erkenning door het ministerie van LNV en aansluiting bij andere provincies is een randvoorwaarde. • We zetten in op de stimulerings- en beloningsregeling UMDL vanaf 2024. • Ook andere partijen, overheden, private organisaties en Ngo’s stimuleren we om agrariërs te waarderen en belonen op basis van deze UMDL.
nisterie van LNV en Wageningen Universiteit en aangrenzende provincies, bijvoorbeeld de provincie Noord-Holland en Zuid-Holland voor in het veenweidegebied.
Ter toelichting: Om de individuele agrariërs te ondersteunen bij verduurzaming van de bedrijfsvoering willen wij zoveel mogelijk gaan inzetten op stimuleren, het delen van kennis, waarderen en belonen van prestaties. De kern van deze managementtool is dat agrariërs zelf kunnen werken aan het halen van de doelen van het UPLG. De maatschappelijke doelen worden vertaald naar indicatoren met drempel- en streefwaarden, die bijvoorbeeld aangeven hoeveel uitstoot van welke stof acceptabel is. Er staan hogere beloningen tegenover het extra verlagen van uitstoot, of bijvoorbeeld het bijdragen aan natuur- en landschapsbeheer. Welke maatregelen door de agrariër op zijn bedrijf worden gekozen – aanpassing rantsoen, rassenkeuze, emissiebeperking door minder kunstmest te gebruiken, meer kruidenrijk grasland, etc. – is aan de ondernemer.
Agrariërs krijgen meer mogelijkheden om gebruik te maken van groene en blauwe ecosysteemdiensten.
Om deze doelsturing concreet te maken werkt de provincie samen met het ministerie van LNV en Wageningen Universiteit en andere provincies aan de systematiek die gebruik maakt van zogenaamde Kritische Prestatie Indicatoren (KPI’s). Een integrale set van KPI’s vormt een instrument waarmee agrariërs op het gebied van duurzaamheid de effecten van hun inzet kunnen sturen en monitoren. Implementatie van deze KPI-systematiek vindt plaats via de Utrechtse Monitor Duurzame Landbouw. Cruciaal voor het uiteindelijk praktisch kunnen toepassen van KPI’s is in ieder geval de juridische borging van verschillende maatregelen en, voor bepaalde doelen, een duurzaam beloningssysteem. Door het testen van de KPI’s in enkele pilots en/of fieldlabs, in samenwerking met agrariërs en andere belanghebbenden, worden de drempel- en streefwaarden nader onderzocht. KPI’s en drempel- en streefwaarden kunnen tussen de landbouwsectoren (fruitteelt, akkerbouw en (melk)veehouderij) en gebieden gaan verschillen, maar geprobeerd wordt zo veel mogelijk aan te sluiten op de integrale landelijk set van 14 KPI’s van het mi-
Concept Utrechts Programma Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0
De toepassing van KPI’s stimuleert en beloont agrariërs om stappen te maken in de verduurzaming van hun bedrijf, ondernemers die al stappen hebben gemaakt worden daarvoor beloond.
16. Uitbreiding mogelijkheden Ecosysteemdiensten
Dit betekent het volgende: • We gaan samen met de andere provincies in gesprek met het Rijk over het vergroten van de structurele middelen voor het agrarisch natuurbeheer. De huidige budgetten zijn ontoereikend voor de opgaven waar we nu voor staan. Naast uitbreiding van het areaal gaat het ook om een betere vergoeding (tot 100%) en langer lopende contracten (12-18 jaar). Om de gewenste doelen te kunnen bereiken zal het Rijk hiervoor structureel meer geld moeten begroten. • Vergelijkbaar hiermee gaan we samen met de andere provincies en met de waterschappen in gesprek met het Rijk over uitbreiden van de middelen voor het agrarisch waterbeheer (blauwe diensten in de vorm van ecologisch beheer van oevers, sloten en bufferstroken). • We stimuleren agroforestry: deze vorm van landbouw kan een positieve bijdrage leveren aan een natuurinclusieve bedrijfsvoering. • We stimuleren de inzet van GLB-NSP regeling ‘Samenwerking regeling veenweiden en overgangsgebieden Natura 2000-gebieden’. Deze r egeling kan voor veel agrariërs in het veenweidegebied een belangrijke bedrijfseconomische basis vormen. • Zodra het instrument beschikbaar is, stimuleren we de inzet van het instrument Landschapsgronden (nog in ontwikkeling).
51
17. Stimuleren ontwikkelen nieuwe verdienmodellen
De provincie stimuleert de ontwikkeling van aanvullende verdienmodellen voor natuurinclusieve kringlooplandbouw.
Naast de beloningsmogelijkheden op basis van de Kritische Prestatie indicatoren (structurerend principe 15) en de grotere mogelijkheden voor vergoeding van ecosysteemdiensten zet de provincie in op meerdere instrumenten om het verdienmodel voor een natuurinclusie kringlooplandbouw te versterken, daarbij rekening houdend met de drie pijlers van waaruit een boer zijn verdienmodel kan versterken: • Reductie van de kosten; • Meerwaarde realiseren op de producten; • Verbreding van de bedrijfsvoering. Concrete voorbeelden zijn: • Landbouwstructuurversterking: welke koers een bedrijf ook kiest, een goede verkaveling is daarbij essentieel. Voor een efficiënte bedrijfs voering, lagere kosten en de ruimte om te kunnen investeren in verduurzaming. Landbouwstructuurversterking kan goed samengaan met zaken als maatregelen tegen bodemdaling, versterking van het weidevogel beheer en verbetering van de waterkwaliteit. Met een ruime huiskavel is het mogelijk om meer te beweiden. • Versterken stad-land relaties: Een van de sterke punten van de Utrechtse landbouw is het hoge aandeel verbreding. Naast agrarisch natuurbeheer gaat het hierbij onder meer om verkoop in de korte keten, recreatie en zorglandbouw. Onze inzet is erop gericht de verbreding van de Utrechtse landbouw verder te stimuleren. Dat doen we al door korte ketens op te schalen middels de voedselagenda.
Verbreding op het erf willen we stimuleren door meer ruimte in het Omgevingsbeleid. • Stimuleren van Biologische Landbouw: in aansluiting bij het Actieplan Biologische Landbouw van het ministerie van LNV stelt Utrecht hiervoor een ondersteuningsagenda op. • Onderzoeken toepassing vezelteelt: zogenaamde vezelteelt (als grondstof voor biobased bouwmaterialen) levert producten op die vervolgens voor de bouw van woningen en andere gebouwen benut kan worden. De teelt van deze gewassen is doorgaans duurzaam en de toepassing
Concept Utrechts Programma Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0
als bouwmateriaal is veel duurzamer dan bijvoorbeeld het gebruik van beton. Met de inzet van de stichting Building Balance zetten wij in op de ontwikkeling van lokale afzetkanalen. • Productie van ‘nieuwe’ producten, zoals eiwit middels insectenteelt of algen. • Productie van duurzame energie: het Rijk heeft eind 2022 haar Kamerbrief Programma Groen Gas naar buiten gebracht. De komende tijd wordt geïnventariseerd waar de productie van Groen Gas ruimtelijk inpasbaar is. Het kan op zich een goede kans bieden voor een aanvullend v erdienmodel voor veel veehouders en tegelijk een bijdrage leveren aan het halen van de klimaatopgave voor de sector. Verder faciliteren wij binnen de mogelijkheden de productie van groene stroom. In ieder geval kleine windmolens, zon op daken. En aanvullend zonnevelden waar dat goed in te passen is. 18. Ondersteuning van de individuele ondernemer
Agrarische ondernemers ondersteunen we bij de verduurzaming van hun bedrijfsvoering.
Het is belangrijk om individuele agrariërs te ondersteunen bij de verduur zaming van hun bedrijfsvoering en hen te stimuleren om op gebiedsniveau ook gezamenlijk te werken aan een toekomst voor hun bedrijven (zie als voorbeeld het project Mijn Koers uit het programma Proeftuin Krimpenerwaard). Hiervoor ontwikkelen we een zogenaamde landbouwmenukaart en faciliteren wij agrariërs waar mogelijk. Landbouwmenukaart Om agrariërs te ondersteunen bij de aanpassing van hun bedrijfsvoering ontwikkelen wij samen met de agrarische sector een Landbouwmenukaart. Deze bestaat uit verschillende maatregelen die de agrariërs kunnen nemen om hun bedrijfsvoering te verduurzamen. Het gaat hierbij om de categorieën ‘voer & management-maatregelen’ en ‘innovatie erf, stallen en mest(aanwending)’. Ook de omschakeling naar Biologische Landbouw en extensivering zijn opties die wij gaan ondersteunen. Omdat de verduurzaming van de bedrijfsvoering hand in hand moet gaan met een rendabele landbouw, willen wij tegelijk het aanbod aan ecosysteemdiensten uitbreiden en het aantal verdienmodellen waar mogelijk vergroten (zie ook principe 16 en 17).
52
De menukaart bestaat vooralsnog uit de volgende hoofdcategorieën: • Voer- en managementmaatregelen (zoals minder ruw eiwit en meer weidegang) • Innovatie erf, stallen en mest(aanwending) • Biologische Landbouw • Extensivering • Ecosysteemdiensten • Uitbreiding verdienmodellen Een-op-een ondersteuning In aanvulling op de gebiedsgerichte aanpak richten wij ons hierbij ook op individuele ondernemers. Dit willen we doen door: • Het aanbieden van een 1-loketfunctie, digitaal. • Het aanbieden van onafhankelijke advisering gericht op kennis over onderwerpen die voor de realisatie van de UPLG-doelen van belang zijn zoals verduurzaming van de bedrijfsvoering, verbreding van de landbouw; • Het aanbieden van (onafhankelijke) coaching (onder andere voortzetting van het huidige project landbouwcoaches). 19. Aandacht voor Dierenwelzijn
Dierenwelzijn2 hoort bij een rendabele en toekomstgerichte landbouw.
In het UPLG streven we naar integrale doelen voor de landbouw. Daarbij hoort aandacht voor dierenwelzijn. We willen hierbij vanuit de provinciale rol aansluiten bij het advies van de Raad voor Dieraangelegenheden (2020) wat zal leiden tot een convenant over de ontwikkeling naar een dierwaardige veehouderij en wat uitgewerkt zal worden in wetgeving.
Dieren die gezond zijn, geven boeren minder zorgen en lagere dierenartskosten. Ook is er een direct verband met een aantal andere doelen in het UPLG. Bijvoorbeeld meer beweiding zorgt voor minder ammoniakemissie uit de stal en, omdat er daardoor minder mest hoeft te worden uitgereden, draagt het ook bij aan m inder veldemissies. De provincie Utrecht wil boeren stimuleren om meer beweiding mogelijk te maken. Bijvoorbeeld door het vergoeden van mobiele melkrobots, opdat ook op graslanden die wat verder weg liggen beweid kunnen worden. Een ander voorbeeld van het verband tussen dierenwelzijn, klimaatdoelen en biodiversiteit is het beperken van chemische middelen in de bedrijfsvoering. 20. Aandacht voor de eiwittransitie
Eiwittransitie 3 is een noodzakelijk onderdeel in de verduurzaming van de landbouw
Dierlijke productie legt een groot beslag op natuurlijke hulpbronnen. Zo wordt het grootste deel van de landbouwgrond in de wereld gebruikt voor de productie van veevoer. Op wereldniveau veroorzaakt dierlijke productie twee keer zoveel uitstoot van broeikasgassen als plantaardige productie. Het volume aan dierlijke productie in Nederland is alleen mogelijk door grote importen van veevoer grondstoffen uit het buitenland, met een groot beslag op landbouwgrond in het buitenland. Deze importen liggen ook aan de basis van het stikstofprobleem. Om bij te dragen aan voedselzekerheid en aan klimaat- en duurzaamheidsdoelen moet een omslag plaatsvinden van voedsel van dierlijke oorsprong naar voedsel van plantaardige oorsprong (en daarmee van eiwitten van dierlijke oorsprong naar eiwitten van plantaardige oorsprong). Als we spreken over een duurzame, circulaire en klimaatneutrale landbouw kan daarom het onderwerp eiwittransitie niet buiten beschouwing blijven. De komende tijd zal dit onderwerp nader uitgewerkt worden.
2 Hierbij sluiten we aan bij de 6 leidende principes voor een dierwaardige veehouderij zoals geformuleerd door de Raad voor Dierenaangelegenheden (zie: Dierwaardige veehouderij)
Concept Utrechts Programma Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0
3 Dit structurerende principe sluit aan bij de Nationale Eiwitstrategie die eind 2020 is aangeboden aan de Tweede Kamer (zie: rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2020/12/22/nationale-eiwitstrategie)
53
4.3.4 Structurerende principes klimaat 21. Reductie methaanemissie uit veehouderij
Voor het realiseren van de methaanopgave zetten we maximaal in op voer- en managementmaatregelen, we sluiten aan bij het natuurlijk verloop van stoppers en zoekt samen met de sector naar kansen via gebiedsprocessen om methaan uit vee te reduceren.
De methaanopgave is relatief nieuw en er wordt nog onderzocht welke voer- en managementmaatregelen effectief zijn en om hoeveel reductie dit dan gaat. Om toch een indruk te kunnen geven van de mogelijke maatregelen zijn berekeningen gemaakt door de WUR met de kennis van dit moment hoe we dit klimaatdoel voor 2030 zouden kunnen halen: Zowel via technische maatregelen (vaak via voer- en managementmaatregelen) is reductie te realiseren, als door het verminderen van het aantal dieren. Wat betreft de voer- en managementmaatregelen laat het onderzoek zien dat meer vers gras opname door melkvee zorgt voor lagere methaanemissies van koeien. Maar uit het onderzoek blijkt ook dat met enkel voer- en managementmaatregelen we de opgave niet halen. Dat betekent dat er ook een afname van het aantal dieren in 2030 nodig is om de doelstelling te halen. De berekeningen van de WUR laten zien dat wanneer we zónder technische maatregelen nationaal 5Mton willen halen, we het aantal dieren zouden moeten halveren. Het voorstel van Utrecht is juist om zoveel mogelijk innovatieve maatregelen in te zetten zoals bijvoorbeeld voer- en managementmaatregelen, zodat we dit percentage terug kunnen brengen tot ca. 25% minder dieren in 2030 in de hele provincie. De verlaging van de dieraantallen willen we vooral bereiken via natuurlijk verloop.
De provincie Utrecht kiest ervoor om de impact van deze maatregel zo beperkt mogelijk te houden door in te zetten op het volgende: • Het behalen van methaanreductie door maximaal in te zetten op voer- en managementmaatregelen zodat de opgave via dieraantallen zo minimaal mogelijk blijft. Dit gaat om rantsoen en voeradditieven, stalaanpassingen (snelle mestverwijdering, externe opslag en bewerking).
Concept Utrechts Programma Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0
Daarnaast een kleine bijdrage aan de methaanreductie door beweiding, fokkerij en levensduur. • Dieraantallen bij voorkeur te verlagen door in te zetten op natuurlijk verloop: wanneer om wat voor reden dan ook een agrariër zijn bedrijf beëindigt, kan de overheid de dierrechten opkopen zodat deze uit de markt gehaald worden en de methaanopgave veehouderij alvast voor een stuk kan worden ingeboekt. Door opkoopregelingen en het stoppen van agrarische bedrijven waar geen opvolger is, hopen we de methaanopgave als meekoppelkans in te kunnen zetten. • Meekoppelkansen voor deze methaanopgave ontstaan ook wanneer in gebieden ingezet wordt op extensivering vanuit bijvoorbeeld de stikstofopgave of vanwege peilopzet. We zetten daarom in op een gecombineerde aanpak. Wanneer bovenstaande inzet onvoldoende methaanreductie oplevert, gaan we via gebiedsprocessen met de betrokkenen in overleg hoe we de opgave kunnen behalen. Het is ook denkbaar dat er vanuit het Rijk landelijke generieke maat regelen komen die nationaal een reductie gaan opleveren van de methaanuitstoot uit veehouderij. Op het moment van schrijven was dit nog niet duidelijk.
22. Reductie broeikasgasemissies uit ontwikkeling uit natte natuur
De provincie gaat in bestaande natte natuur op zoek naar mogelijke maatregelen om broeikasgasreductie te bereiken en zoekt naar koppelkansen voor broeikasgasreductie bij nieuwe natuurontwikkeling.
Natte natuur kan een grote voorraad koolstof herbergen. In verdroogde natuur wordt deze koolstofvoorraad afgebroken en komt vrij via bijvoorbeeld CO2. Bij zeer natte en voedselrijke omstandigheden kan methaan vrijkomen en ook lachgas. Door de watercondities te optimaliseren kan de uitstoot van natte natuur tot een minimum beperkt worden of zelfs worden omgezet in een netto opname van koolstof (bijvoorbeeld bij veengroei in moeras). Dit is per type natuur verschillend en ook afhankelijk van het bodemtype.
54
4.4 Overige thema’s Omgevingsvisie 23. Combineren van ruimte vragende opgaven
In het UPLG combineren we de doelen van het NPLG met andere relevante ruimte vragende ambities en opgaven, zoals Groen Groeit Mee en de energietransitie.
• We werken aan een landbouw die dicht bij de bewoners staat, waarbij de agrariërs regionaal voedsel en circulaire bouwmaterialen produceren en via korte ketens vermarkten en zo bijdragen aan het landschap en een gezonde leefomgeving. • Via het UPLG dragen we bij aan de versterking van de stad-landrelatie via onder meer de inzet op bodem en water sturend, 10 % groenblauwe dooradering van het landelijk gebied, het strategisch bosbeleid, circulaire en natuurinclusieve landbouw en nieuwe VHR-natuur. 25. Koppeling met recreatie