CConstaterende datRaalte
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting

Raadsvergadering 4 april 2024, gemeente RaalteBij agendapunt: Voorstel tot vaststelling bestemmingsplan Nijverdalseweg 52 en 54, Mariënheem (hamerstuk)23.197 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Er wordt gekozen voor een sterk en afwisselend landschap door het verder te ontwikkelen, te versterken en te behouden wat waardevol is; Er wordt gekozen voor een toekomstbestendige landbouw die meerwaarde oplevert voor de leefomgeving en het landschap door middel van technologie, innovatie en experiment; Kansen om in stedelijk gebied energie duurzaam op te wekken worden gegrepen. Tegelijkertijd is er erkenning dat de opgave te groot is om alleen in stedelijk gebied op te lossen en daardoor voor een groot deel ook een plek in het buitengebied vindt. Hierbij gaat de strategie uit van een initiatiefrijke samenleving die bouwt op draagvlak, zowel sociaal als financieel, met heldere doelstellingen als kader;

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

25

Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 75, omgeving Nijverdalseweg 52 en 54 Vastgesteld 4.

5.

Er wordt gekozen voor een vitaal, divers en gemengd buitengebied. Een werk- en productielandschap, waar een balans is met wonen, landschappelijke- en cultuurhistorische kwaliteiten, natuur en recreatie; Er wordt gekozen voor kleinschalige recreatie, die past in het landschap en die aansluit op andere activiteiten in het buitengebied.

4.3.1.3 Toetsing van het initiatief aan de ‘Omgevingsvisie Horizon gemeente Raalte 2040’ De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling is in overeenstemming met de ‘Omgevingsvisie Horizon gemeente Raalte 2040’. Door deze ontwikkeling wordt een veelvoud landschapsontsierende agrarische bedrijfsbebouwing aan de Nijverdalseweg in het buitengebied van de gemeente Raalte opgeruimd en wordt het bestaande voormalige agrarische erven ingericht als een nieuw woonerf met meerdere woonkavels. De nieuwe woonkavels worden landschappelijk ingepast conform de gebiedskenmerken. De nieuwe woningen worden gasloos en duurzaam gebouwd. Tenslotte is binnen de gemeentelijke woningbouwprogrammering rekening gehouden met aanvragen vanuit Rood voor rood, daarmee wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling binnen de programmering past. Tevens wordt er een mix van woningen gerealiseerd die voor verschillende doelgroepen geschikt zijn. Er wordt daardoor bijgedragen aan een vitaal, divers en gemengd buitengebied. 4.3.2

Beleidsnota Erven in beweging 2023

4.3.2.1 Algemeen Op 21 december 2017 is de beleidsnota ‘Erven in beweging’ vastgesteld door de gemeenteraad van Raalte. Aanleiding hiervoor zijn de veranderingen in het buitengebied van Raalte. Op 25 mei 2023 is door de gemeenteraad de beleidsnota op enkele punten aangepast. Deze aangepaste regeling is sinds 8 juni 2023 in werking. In de periode 2012 – 2030 komt naar verwachting ca. 300.000 m2 agrarische bebouwing vrij door bedrijfsbeëindiging van agrarische bedrijven. Om te voorkomen dat op grote schaal leegstand ontstaat bevat de beleidsnota ‘Erven in beweging’ een aantal aanvullende mogelijkheden/instrumenten om leegstand tegen te gaan. De gemeente Raalte zet in op sloop en hergebruik. Enerzijds om de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied te versterken. Anderzijds om een levendig buitengebied te houden waarin gewoond en gewerkt kan worden. Met de extra mogelijkheden die dit beleid bevat heeft een eigenaar van een erf met leegstaande gebouwen onder andere de volgende mogelijkheden: • • • •

Naast een woning bouwen in ruil voor sloop van minimaal 850 m2 (rood voor rood regeling) ook de mogelijkheid om op een locatie met geclusterde woningen aan een dorpsrand de compensatiewoning te bouwen in ruil voor sloop van minimaal 1.000 m2; Een (niet-agrarisch) bedrijf starten; Oppervlakte bijgebouwen verruimen van 100 m2 naar 150 m²; Extra (bij)gebouwen bouwen bij een woning of bedrijf in ruil voor sloop van een veelvoud aan gebouwen (schuur voor schuur regeling).

4.3.2.2 Rood voor rood (extra woning ter financiering sloop) Met de Rood voor Rood regeling kan een woning worden gebouwd en met de opbrengst daarvan gebouwen worden gesloopt. Doel van de regeling is het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied, door sloop van ontsierende gebouwen. Er moet minimaal 850 m² worden gesloopt om voor de bouw van een woning in aanmerking te komen. Voorwaarde is dat alle landschapsontsierende gebouwen op een erf dat deelneemt aan Rood voor Rood worden gesloopt. De Rood voor Rood regeling is een instrument dat met name voor grotere bebouwingsoppervlakten een goed sloopmiddel blijft. Door de regeling op enkele punten aan te passen kan het instrument aan effectiviteit winnen en kunnen woningen worden gerealiseerd die beter aansluiten op de behoefte (zowel qua plek als qua type). De belangrijkste aanpassingen:

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 75, omgeving Nijverdalseweg 52 en 54 Vastgesteld •

• •

•

•

•

De voorwaarde dat de compensatiewoning op een slooplocatie moet worden gebouwd is komen te vervallen. De sloopcompensatie is dan minimaal 1.000 m 2. Dat betekent niet dat Rood voor Roodwoningen overal gerealiseerd kunnen worden. Alleen locaties die aansluiten op bestaande bebouwing komen in aanmerking. Hiermee worden locaties op een bestaand erf in het buitengebied, lintbebouwing of locaties in- of aansluitend aan dorpen bedoeld; Inzet van sloopmeters uit de sloopbank is mogelijk; Er kunnen andere woningtypen worden gebouwd dan de (nu gebruikelijke) vrijstaande woningen mits deze passen in het gemeentelijk woonbeleid. Bijvoorbeeld: woonvormen met meerdere generaties op één erf, knooperven, kleinere wooneenheden in één gebouw of een tweede bedrijfswoning. De woonvorm moet qua verschijningsvorm / ontwerp passen in het buitengebied (bijv. geen rijwoningen, maar meerdere woningen in een boerderijvorm); Indien op een andere locatie wordt gebouwd dan op de slooplocatie(s) dan geldt dat minimaal 1.000 m2 aan landschapsontsierende gebouwen worden gesloopt. Normaal gesproken geldt een minimale sloopeis van 850 m2 om voor één compensatiewoning in aanmerking te komen. Het wordt redelijk geacht de lat hoger te leggen bij bouw op een andere locatie omdat dan locaties in aanmerking komen die beter aansluiten bij de behoefte uit de markt.

Dat betekent dat de Rood voor Rood-woning in potentie ook een hogere waarde vertegenwoordigt en dus meer kan worden gesloopt met de opbrengst; De strikte voorwaarde dat alle (voormalige) bedrijfsgebouwen gesloopt moeten worden komt te vervallen om maatwerk mogelijk te maken. Sloop van alle landschapsontsierende gebouwen op een erf blijft het uitgangspunt. De bestemming van de slooplocatie wordt waar nodig gewijzigd in de bestemming Wonen; Bij bouwplannen van meer dan twee compensatiekavels moet er door een financiële onderbouwing aangetoond worden dat meer dan twee compensatiekavels noodzakelijk is om de sloop te bekostigen. Er wordt dus niet automatisch meegewerkt aan meer dan twee compensatiekavels als er een grotere oppervlakte dan 2.000 m2 wordt gesloopt. 5.000 m2 slopen betekent dus niet automatisch 5 compensatiekavels.

4.3.2.3 Toetsing van het initiatief aan de Beleidsnota Erven in beweging Voorliggend bestemmingsplan voorziet in een Rood-voor-Rood-ontwikkeling waarbij initiatiefnemers de agrarische bedrijfsactiviteiten in de plangebied reeds hebben gestaakt. De initiatiefnemers zijn voornemens om de leegstaande bedrijfsbebouwing met een totale omvang van 5.887 m2 te slopen en in te zetten in het kader van de Rood-voor-Rood-regeling. Ter compensatie kunnen vier compensatiekavels worden gerealiseerd uit de sloopmeters. Een compensatiekavel wordt gesplitst in twee wooneenheden. Dit betekent dat het schuurvolume, normaal voor één schuurwoning 1.100 m3 inclusief inpandig bijgebouw, wordt gesplitst in twee kleinere wooneenheden. Er is door initiatiefnemer middels een financiële onderbouwing aangetoond dat meer dan vier compensatiewoningen noodzakelijk zijn om de sloop te bekostigen. De kostenpost genereert in totaal vier compensatiekavels waarin vijf compensatiewoningen mogelijk zijn. Aan de voorwaarden van Rood voor Rood wordt voldaan. Zo worden de compensatiekavels aan en op het bestaande erf aan de Nijverdalseweg 52 en 54 gebouwd. Geconcludeerd wordt dat deze ontwikkeling in overeenstemming is met de gemeentelijke beleidsnota ‘Erven in beweging’. 4.3.3

Landschapsontwikkelingsplan Deventer, Olst-Wijhe en Raalte

4.3.3.1 Algemeen De gemeenten Deventer, Olst-Wijhe en Raalte hebben een Landschapsontwikkelingsplan (LOP) opgesteld met als doel een gezamenlijk kader te bieden (23 september 2008), op basis waarvan nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied kunnen worden beoordeeld, teneinde de ruimtelijke kwaliteit te behouden en te versterken. Het LOP bevat vier belangrijke componenten: a. b.

inventarisatie en analyse; de LOP-visie 'Een plus voor het landschap'; BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 75, omgeving Nijverdalseweg 52 en 54 Vastgesteld c. d.

thematische uitwerkingen; het uitvoeringsprogramma.

4.3.3.2 Plangebied Landschapsontwikkelingsplan Het plangebied ligt op basis van het LOP binnen het ‘Zandlandschap’ en specifieke de ‘dekzandvlaktes’. ‘Dekzandvlaktes’ Dit gebied vormt de oorspronkelijke overgang van het oude naar het jonge dekzandlandschap. Het is een oud dekzandlandschap dat onder sterke invloed stond van kwel uit de Sallandse heuvelrug. Het gebied is in de 20e eeuw ontgonnen wat heeft geresulteerd in een uitgesproken ontginningslandschap. Het ruimtelijk beeld van het gebied wordt voornamelijk bepaald door de karakteristieke lanen langs de wegen en de aanwezigheid van de landbouw. Er wordt ingezet op het versterken van het lanenstelsel. Doorgaande structuren zoals het Overijssels Kanaal en de (doorgaande) wegen passen zich aan deze karakteristiek aan: laanbeplanting past hierin. Op de hogere gronden zijn in het verleden essencomplexen en kampen (eenmansesssen) ontstaan. Ten oosten van Raalte en rondom Heeten komen deze escomplexen veelvuldig voor. Door het verdwijnen van randbeplanting rondom de essen zijn de complexen minder herkenbaar geworden. Een opmerkelijk gebied is de Luttenberg, dit is een uitloper van de stuwwal van de Sallandse heuvelrug met een uitgesproken reliëf. Het landschapsbeleid is gericht op het behouden en versterken van de karakteristieken.

4.3.3.3 Toetsing van het initiatief aan het ‘Landschapsontwikkelingsplan’ In hoofdstuk 3 is uitgebreid op de landschappelijke inpassing ingegaan. Bij het bepalen van de landschapsmaatregelen is rekening gehouden met de kenmerken zoals deze gelden op basis van het Landschapsontwikkelingsplan. Een deel van gronden van het plangebied worden ingericht als natuurgronden. Op deze plaats wordt geconcludeerd dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het Landschapsontwikkelingsplan. 4.3.4

Groenbeleid ‘Groen, samen doen!’

4.3.4.1 Algemeen In januari 2017 is het nieuwe groenbeleid ‘Groen, samen doen’ van de gemeente Raalte door de gemeenteraad vastgesteld. In dit document worden de hoofdlijnen weergegeven van het nieuwe groenbeleid en de manier waarop de gemeente hieraan wil werken. Het groenbeleid past binnen de integrale visie op de openbare ruimte en is sterk geënt op de participatiegedachte. Daarnaast biedt dit document inspiratie voor de bewoners en de vrijwilligers die zich inzetten voor het groen. Het groenbeleid dat in deze nota is vastgelegd moet bij de afweging van diverse belangen worden meegenomen. Beleid en activiteiten zijn breed van toepassing op het groen (publiek en privaat eigendom) in de gemeente Raalte. Aanpassingen op het kapbeleid worden gelijktijdig meegenomen. Bij het opstellen van het nieuwe Omgevingsplan is deze groennota een van de onderleggers. Het groenbeleid manifesteert zich rond 7 thema’s. De thema’s ‘handhaven en versterken van groenstructuren’ en ‘bomen- en kapbeleid’ zijn van belang. Hieronder wordt op deze thema’s ingegaan. 4.3.4.2 Maatwerk voor kleinschalige aanpassingen groen- en bomenhoofdstructuur Ervaringen met de groen- en bomenhoofdstructuur leert de gemeente Raalte dat het beleid in incidentele gevallen als (te) knellend wordt ervaren.

Met een integrale blik op het gebruik en de inrichting van de openbare ruimte, waarvan het groen deel uitmaakt, wil de gemeente maatwerk gaan leveren bij verzoeken om kleinschalige aanpassingen van de groen- en bomenhoofdstructuur. Meer flexibiliteit om voor nieuwe ontwikkelingen en opvattingen ruimte te creëren. Dit onder de voorwaarde dat compensatie plaatsvindt. Daarnaast kiest de gemeente Raalte bewust voor het beschermen van waardevolle houtopstanden waarbij een onderscheid wordt gemaakt naar plangebied, binnen de bebouwde kom (grens bebouwde kom Boswet) en het buitengebied. Daarnaast wordt een onderscheid gemaakt naar eigendom; gemeentelijk en derden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 75, omgeving Nijverdalseweg 52 en 54 Vastgesteld 4.3.4.3 Toetsing van het initiatief aan het groenbeleid ‘Groen, samen doen!’ In voorliggend geval blijven (waardevolle) houtopstanden binnen en in de directe nabijheid van het plangebied behouden en worden deze zelfs versterkt. Binnen het plangebied wordt zoals blijkt uit de landschapsplannen op diverse plekken groen aan geplant teneinde de woonerven goed in te passen in het landschap. Gesteld wordt dat het initiatief in overeenstemming is met het gemeentelijke groenbeleid. 4.3.5

Programma wonen 2021 - 2025

4.3.5.1 Algemeen In het Programma Wonen 2021-2025 geeft gemeente Raalte aan hoe ze de komende jaren willen werken aan het wonen in de gemeente. Het woonbeleid kent een aantal accentverschuivingen ten opzichte van het huidige woonbeleid. In de gemeente kunnen jong én oud, arm en rijk, een passende woning vinden in een toekomstbestendige woonomgeving waarbij we ruimte geven aan eigenzinnig (samen) wonen voor onze huidige én nieuwe inwoners. Deze ambitie wordt uitgewerkt in de volgende vijf thema's: • • • • •

Langer zelfstandig wonen in Raalte Duurzaam wonen in Raalte Huren in Raalte Kopen in Raalte Bouwen in Raalte

Er is de laatste jaren een toenemende woningkrapte te zien in zowel de koop- als de huursector en steeds maar stijgende koopprijzen. Tegelijkertijd zal het aantal huishoudens de komende jaren nog groeien. Dit komt enerzijds door de autonome ontwikkeling van gezinsverdunning en anderzijds door het vestigingsoverschot zoals we die de afgelopen jaren ook kenden. De inwoners van de gemeente wonen graag in Raalte en onder gezinnen is Raalte een aantrekkelijke gemeente om naar toe te verhuizen. Landelijk is sprake van woningnood en de regio en provincie hebben een forse groeiambitie die de grote steden niet kunnen oplossen zonder overige gemeenten in de regio. De gemeente Raalte wil graag haar bijdrage leveren aan deze groeiambitie en ziet dit als een kans. De ambitie van de gemeente Raalte op wonen is dat jong en oud, arm en rijk, een passende woningen kunnen vinden in een toekomstbestendige woonomgeving, waarbij de ruimte wordt gegeven aan eigenzinnig wonen voor huidige en nieuwe inwoners. In het laatste thema (bouwen in Raalte) komen alle voorgaande thema's samen en gaat over welk woningbouwprogramma passend is bij de ambities van de thema's en de ontwikkelingen op de woningmarkt. Dit houdt in dat de gemeente tot 2030 uitgaat van het realiseren van 1.500 - 2.000 woningen (in plaats van 700 woningen uit het voorgaande beleid).

Hierbij geldt maatwerk per kern en een plus voor Raalte-dorp en Heino. De plus betekent meer bouwen dan de lokale behoefte om ook de vestigers van buiten te kunnen faciliteren. De genoemde kernen zijn hiervoor geschikt vanwege het voorzieningenniveau en ze een goede ontsluiting kennen, zowel via weg als spoor. De groei wordt benut om de woningtypen die nu nog onvoldoende in de programmering aanwezig zijn toe te voegen. De harde plancapaciteit is op 1-1-2021 340 woningen. 4.3.5.2 Toetsing van het initiatief aan het programma wonen In voorliggend geval worden vijf compensatiewoningen gebouwd op basis van de beleidsnotitie Erven in beweging en KGO. Er is in voorliggend geval sprake van een duurzame woningen in het buitengebied. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt ingespeeld op de kwantitatieve behoefte aan woningen in de gemeente Raalte. Er is voldoende ruimte voor het toevoegen van de vijf woningen die met dit plan mogelijk worden gemaakt. Daarnaast wordt ingespeeld op de ruimte die wordt gegeven aan eigenzinnig wonen voor huidige en nieuwe inwoners. Er ontstaat een woonerf waarin verschillende woningen (variërend in grootte), waarmee bijzondere woonmilieus ontstaan. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met het programma wonen. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 75, omgeving Nijverdalseweg 52 en 54 Vastgesteld 4.3.6

Welstandsnota Raalte

De gemeenteraad heeft op 29 oktober 2015 de Welstandsnota gemeente Raalte 2016 vastgesteld. Hierdoor is het welstandstoezicht per 1 januari 2016 afgeschaft. In dit bestemmingsplan in de bouwregels de bouwmogelijkheden binnen het plangebied geregeld. De nieuwe woningen krijgen een eigen signatuur die samenhangt met de bestaande bebouwing in de omgeving. Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning zullen de woningen worden getoetst aan het welstandbeleid van de gemeente Raalte. 4.3.7

Parkeernormen Raalte 2015

Het college van burgemeester en wethouders van Raalte heeft op 3 november 2015 de ‘Parkeernormen Raalte 2015’ vastgesteld. De landelijke parkeerkencijfers van de CROW zijn hierbij als uitgangspunt genomen. Om de bereikbaarheid en kwaliteit van de openbare ruimte te waarborgen dienen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen getoetst te worden aan deze gemeentelijke parkeernormen. In paragraaf 3.2 is hier reeds uitgebreid op ingegaan. 4.3.8

Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het gemeentelijk beleid zoals genoemd in de hiervoor beschreven beleidsstukken.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 75, omgeving Nijverdalseweg 52 en 54 Vastgesteld

HOOFDSTUK 5

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen de thema’s geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, het Besluit milieueffectrapportage en trillingshinder.

5.1

Geluid (Wet geluidhinder)

5.1.1

Wettelijk kader

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2

Situatie plangebied

5.1.2.1 Algemeen De nieuw te realiseren woningen worden aangemerkt als nieuw geluidsgevoelige object. Voor de bestaande bedrijfswoningen geldt dat op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder geldt dat de geluidbelasting van bestaande woningen niet opnieuw getoetst hoeft te worden bij bestemmingsplanherzieningen. Hieronder valt het omzetten van bedrijfswoningen naar reguliere woningen. Hierna wordt op de aspecten ‘industrielawaai’, ‘railverkeerslawaai’ en ‘wegverkeerslawaai’ nader ingegaan. 5.1.2.2 Industrielawaai In de omgeving van het plangebied is geen gezoneerd bedrijventerrein, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, aanwezig. Het aspect industrielawaai is niet van toepassing. Wat betreft de invloed van individuele bedrijven op de nieuwe woningen wordt verwezen naar paragraaf 5.5 (milieuzonering). 5.1.2.3 Railverkeerslawaai Op een afstand van circa 350 meter ten noorden van het plangebied ligt de spoorlijn Zwolle – Enschede. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de geluidskaart voor railverkeerslawaai weergegeven. Het plangebied ligt ruim buiten het invloedsgebied voor railverkeerslawaai.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 75, omgeving Nijverdalseweg 52 en 54 Vastgesteld

Afbeelding 5.2

Uitsnede Geluidskaart nabijgelegen spoorweg (Bron: www.atlafleefomgeving.nl)

5.1.2.4 Wegverkeerslawaai In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte is opgenomen in onderstaande tabel. Wettelijke geluidszones van wegen: Aantal rijstroken 1 of 2 rijstroken 3 of 4 rijstroken 5 of meer rijstroken

Stedelijk gebied 200 m 350 m 350 m

Buitenstedelijk gebied 250 m 400 m 600 m

Tabel 1: Wettelijke geluidszones wegen (Bron: wetten.overheid.nl)

De hiervoor genoemde zones gelden niet voor: • •

wegen die zijn aangeduid als woonerf (art 74.2); wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art 74.2).

In de Wgh is bepaald dat elke weg van rechtswege een geluidszone heeft. Uit jurisprudentie blijkt dat 30 km/uur wegen in de beoordeling moeten worden meegenomen, indien vooraf aangenomen had kunnen worden dat deze wegen een geluidbelasting veroorzaken die hoger ligt dan de voorkeursgrenswaarde (48 dB). Een uitzondering hierop zijn wegen die zijn gelegen in een 30 km/h-gebied of in een woonerf. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg. De beoogde compensatiewoningen liggen binnen de wettelijke geluidszone van de N35 (Nijverdalseweg). In dit geval is door BJZ.nu een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai verricht om de geluidbelasting van de weg op de gevels van de woningen te berekenen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 2 bij deze toelichting.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 75, omgeving Nijverdalseweg 52 en 54 Vastgesteld Onderzoekresultaten De geluidsbelasting ten gevolge van het wegverkeerslawaai van de N35 bedraagt, inclusief reductie, hoogstens 48 dB. Met deze waarde wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen wat betreft het aspect wegverkeerslawaai. 5.1.3

Conclusie

Het aspect geluid in het kader van de Wgh vormt, met het verlenen van de hogere waarde, geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

5.2

Bodemkwaliteit

5.2.1

Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. 5.2.2

Situatie plangebied

In voorliggend geval is door BOLUWA een verkennend bodemonderzoek en asbestonderzoek (NEN 5725, 5740 en 5707). Hierna worden de onderzoeksresultaten besproken. De volledige onderzoeksrapportage is opgenomen in bijlage 3 van deze toelichting. 5.2.2.1 Onderzoeksresultaten verkennend bodemonderzoek Op het erf wordt in de bovengrond van analysemonster MM5 een licht verhoogd gehalte PAK (10-VROM) aangetoond. In de overige grondmengmonsters worden geen verhoogde gehalten aangetroffen. In het grondwater worden licht verhoogde gehalten barium gemeten. De licht verhoogde gehalten in het analysemonster MM5 en het grondwater geven geen aanleiding tot het uitvoeren van nader onderzoek. Ter plaatse van de voormalige ondergrondse HBO-tanks en de voormalige locatie van de bovengrondse dieselolietank worden geen verhoogde gehalten oliecomponenten in zowel de grond als het grondwater gemeten. 5.2.2.2 Onderzoeksresultaten verkennend bodemonderzoek asbest Ter plaatse van de (onverharde) inspoelzone is een gehalte asbest aangetoond van 1,3 mg/kg.ds. Het totale (gewogen) gehalte is lager dan de interventiewaarde van 100 mg/kg.ds. en de norm voor het uitvoeren van nader onderzoek van 1⁄2 x 100 mg/kg.ds. Voor asbest is geen achtergrondwaarde vastgesteld. De interventiewaarde is vastgesteld op 100 mg/kg.ds. Onder de 100 mg/kg.ds.

(gewogen) is er sprake van een ‘verwaarloosbaar risico’ en mag de grond worden beschouwd als niet verontreinigd. 5.2.2.3 Onderzoeksresultaten nader onderzoek In de horizontaal afperkende boringen zijn geen verhoogde gehalten minerale olie aangetroffen. Ter plaatse van boring B30 wordt op een diepte van 0,90 – 1,60 nog een matig verhoogd gehalte minerale olie aangetoond (indicatief is de grond niet toepasbaar). Op een diepte van 1,60 – 2,10 m-mv worden geen verhoogde gehalten minerale olie meer vastgesteld. Volgens schatting is een oppervlakte van ca. 80 m 2 licht tot sterk [>interventiewaarde] verontreinigd met minerale olie. De dikte van de verontreinigde laag wordt geschat op ca. 1,50 m. Dit houdt in dat er ca. 120 m 3 verontreinigde grond wordt aangetroffen, waarvan ca.40 m 3 boven de interventiewaarde.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 75, omgeving Nijverdalseweg 52 en 54 Vastgesteld 5.2.3

Conclusie

Ter plaatse van de bovengrondse dieselolietank is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging omdat het saneringscriterium van 25 m3 verontreinigde grond boven de interventiewaarde wordt overschreden. Op basis van de Wet bodembescherming is in dit geval daarom de zorgplicht van toepassing (voor verontreinigingen veroorzaakt na 1987 geldt de zorgplicht, artikel 13 Wbb). Dit houdt in dat de bodemverontreiniging zo snel mogelijk gesaneerd dient te worden. De grond dient te worden ontgraven en afgevoerd naar een erkende verwerker. Voorafgaand aan de sanering dient een BUS-melding te worden ingediend bij het bevoegd gezag (provincie Overijssel). De sanering dient te worden begeleid door een BRL SIKB 6000 gecertificeerd bedrijf. De ontgraving en uitvoering van de sanering dient plaats te vinden door een BRL SIKB 7000 gecertificeerd bedrijf. Grondbewerkingen ter plaatse van deze verontreiniging mogen op dit moment niet worden uitgevoerd. Het aspect bodem vormt, na sanering van de verontreinig, geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

5.3

Luchtkwaliteit

5.3.1

Beoordelingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet Luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);

5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtverontreinigingen van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip ‘niet in betekenende mate’ is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •

woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 75, omgeving Nijverdalseweg 52 en 54 Vastgesteld 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.3.2

Situatie plangebied

Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot de categorieën van gevallen zoals beschreven in 5.3.1.1 kan worden gesteld dat voorliggend project ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging. Daarnaast wordt opgemerkt dat de mogelijkheden voor het exploiteren van een agrarisch bedrijf met bijbehorende uitstoot komt vervallen. Dit heeft een mogelijk positief effect op de luchtkwaliteit. Verder wordt opgemerkt dat er geen gevoelige bestemmingen in het kader het Besluit gevoelige bestemmingen worden mogelijk gemaakt. BJZ.nu heeft voor de voorgenomen ontwikkeling een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd. Hierna worden de resultaten van het onderzoek beschreven. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 4 van deze toelichting. Onderzoeksresultaten De emissie van fijn stof door de omliggende veehouderij is achterhaald door middel van betreffende milieudossiers en vastgestelde emissiefactoren. Met een model is de immissie op het plangebied berekend. Het onderzoek is uitgevoerd conform de regels uit de Wet milieubeheer, de ‘Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007’ en de ‘Handreiking Rekenen aan Luchtkwaliteit’. De berekende fijn stofimissie voor PM10 bedraagt ten hoogste 14,2100 μg/m3. Voor PM2,5 is het hoogste berekende rekenresultaat 7,8912 μg/m3. Voor PM10 geldt dat het 24-uursgemiddelde 6 keer per jaar wordt overschreden.

Uit het onderzoek blijkt dat er voldaan wordt aan de normen vanuit de Wet milieubeheer. Voor de concentratie PM2,5 is de verwachting dat over een aantal jaar wordt voldaan aan het advies van de WHO. 5.3.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

5.4

Externe veiligheid

5.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • •

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 75, omgeving Nijverdalseweg 52 en 54 Vastgesteld •

de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

De regelgeving omtrent buisleidingen is opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2

Gemeentelijk beleid externe veiligheid

De gemeente wil haar burgers een veilige leefomgeving bieden. Om de verantwoordelijkheid in te vullen heeft de gemeente Raalte externe veiligheidsbeleid geformuleerd in haar ‘Integraal Veiligheidsbeleid 2015-2018’. Bij externe veiligheid gaat het om de risico's op de omgeving die samenhangen met het produceren, verwerken, opslaan en vervoeren van gevaarlijke stoffen. Doel van het externe veiligheidsbeleid is om een toetsingskader te hebben dat duidelijk maakt welke externe veiligheidsrisico’s in de gemeente aanwezig zijn en hoe er met deze en toekomstige risico's dient te worden omgegaan. De gemeente neemt bij besluiten in het kader van vergunningverlening en ruimtelijke ordening het externe veiligheidsbeleid in acht, zoals dat in de rapportage is beschreven. 5.4.3

Situatie in en bij het plangebied

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico’s, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.2 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied en de omgeving weergegeven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 75, omgeving Nijverdalseweg 52 en 54 Vastgesteld Afbeelding 5.2: Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart.nl)

Provinciale weg N35 Over de N35 vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Voor deze weg geldt een GR-plafond (grens verantwoording groepsrisico) van 200 meter. Het plangebied valt daar ruimschoots buiten. De afstand van de dichtstbijzijnde woningen tot de weg bedraagt meer dan 210 meter. Een verantwoording over de invloed daarvan op de hoogte van het groepsrisico kan achterwege blijven. Gasleidingen Uit de inventarisatie blijkt dat ten oosten van het plangebied meerdere gasleidingen aanwezig zijn. In de nabijheid van het plangebied bevinden zich vijf buisleidingen van de Nederlandse Gasunie B.V. Het betreft de aardgasleidingen A508, A528 en A648. In onderstaande tabel is de diameter en maximale werkdruk weergegeven. Naam A505 A506 A549 A588 A662

Diameter in mm 914 1067 1219 1219 1219

Werkdruk in bar 66,20 66,20 66,20 66,20 79,90

Voor dergelijke leidingen ligt de grootste 1% letaliteitsgrens op 580 meter. De 100% letaliteitsgrens ligt op 210 meter. De gewenste compensatiewoningen liggen op circa 111 meter van de leidingen. Omdat in voorliggend bestemmingsplan beperkt kwetsbare objecten worden gerealiseerd, te weten de nieuwe woningen, dient het risico te worden onderzocht. Op basis van kengetallen gaat het om de toevoeging van circa 15 personen (gemiddeld drie personen per woning/huishouden). Met behulp van het programma CAROLA is bepaald of voldaan wordt aan de risiconormen voor de Externe Veiligheid, zoals die zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen. De gebruiker kan de risico's berekenen op basis van locatiespecifieke leidinggegevens, die bij de leidingeigenaar moeten worden opgevraagd. Het resultaat van een berekening bestaat uit de plaatsgebonden risicocontouren (PR-contouren) en de FN- curve voor het groepsrisico (GR). Het rekenpakket beschikt over een functionaliteit waarmee wordt bepaald bij welke leidingkilometer de grootste overschrijding van de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico wordt bereikt. Bij de berekening is, zoals aangegeven, uitgegaan van een maximale toename van 15 personen binnen het plangebied. Voor de bestaande, omliggende functies is een inventarisatie gemaakt van de verschillende functies in de nabijheid van het plangebied.

Voor deze verschillende functies is de bevolkingsdichtheid (personen/ha) gehanteerd zoals geïnventariseerd door de populatieservice. Door BJZ.nu is dan ook een onderzoek externe veiligheid (CAROLA-berekening) uitgevoerd naar het groepsrisico van de gasleiding ter plaatse. Dit volledige onderzoek is opgenomen als bijlage 5 van deze toelichting. Hieronder wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten en conclusie van het onderzoek. Carola berekening De CAROLA-berekening ten behoeve van ontwikkeling aan de Nijverdalseweg 52 en 54 in het buitengebied van Mariënheem toont aan dat het groepsrisico kleiner is dan 0.1 van de oriëntatiewaarde. (GR < 0.1) Met andere woorden: de uitvoering van het project is op basis het CAROLA-onderzoek in het kader van het groepsrisico aanvaardbaar. In relatie tot het plaatsgebonden risico wordt opgemerkt dat er rondom de onderzochte buisleidingen, binnen het plangebied geen risicocontouren van 1E-6 aanwezig zijn en conform de wetgeving (Besluit externe veiligheid buisleidingen) er dan ook geen sprake is van een knelpunt (saneringsgeval). Geconcludeerd wordt dat met betrekking tot het aspect ‘externe veiligheid’ ten aanzien van buisleidingen, het plan past binnen een ‘goede ruimtelijke ordening’.

Artikel 12 lid 2 Besluit externe veiligheid buisleidingen In artikel 12 lid 2 van het Besluit externe veiligheid is geregeld dat de regionale brandweer in wiens regio het plangebied ligt, in de gelegenheid wordt gesteld om in verband met het groepsrisico advies uit te brengen over BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 75, omgeving Nijverdalseweg 52 en 54 Vastgesteld de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en over de zelfredzaamheid van personen in het invloedsgebied van de buisleiding. In voorliggend geval is er door de Veiligheidsregio IJsselland een advies uitgebracht. Hierna wordt ingegaan op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Bestrijdbaarheid (optreden brandweer) Mogelijkheden voor bronbestrijding bij fakkelbrand voor de brandweer zijn er niet. Bronbestrijding kan alleen gedaan worden door het sluiten van de gastoevoer en dat kan alleen de leidingbeheerder doen. Hierbij moet rekening gehouden worden met een inbloklengte van meestal meer dan 10 kilometer. Bij handmatig inblokken kan dit enkele uren duren. De mogelijkheden voor effectbestrijding door de brandweer zijn beperkt. Bij een fakkelbrand is de inzet vooral gericht op het voorkomen van uitbreiding in de 2e ring. Na afloop van de fakkelbrand is de inzet vooral gericht op het blussen in de 1e ring en 2e ring. Benodigdheden bij fakkelbrand: • • •

Plangebied en buisleidingen tweezijdig toegankelijk vanuit verschillende windrichtingen; Effectieve (grootschalige) bluswatervoorzieningen; Passende (grootschalige) slagkracht brandweer.

Zelfredzaamheid Een fakkelbrand is goed zichtbaar en hoorbaar. De hittestraling is duidelijk voelbaar voor de aanwezigen. De beste strategie voor zelfredzaamheid kan door de aanwezigen goed worden ingeschat: zij moeten de 1e en 2e ring ontvluchten. Aanwezigen binnen de 1e ring hebben hier nauwelijks mogelijkheden voor, vanwege de grote hittestraling. De aanwezigen in de woningen zijn wel zelfredzaam. Maatregelen Bronmaatregelen om de kans te beperken: • Beschermen van de leiding zoals ondergrondse afdekking met waarschuwingslint, betonplaten of beide; • Beperken van graafwerkzaamheden door de grondeigenaar door vergaande restricties, verbod of beheermaatregelen; • Aanbrengen van fysieke barrières op maaiveld zoals hek of zandlichaam; • Overige maatregelen zoals strenge supervisie of camerabewaking. Maatregelen om de effecten te beperken: Planologische mogelijkheden: • Alternatieve locaties woningen onderzoeken; • Alternatieve planindeling plangebied onderzoeken; • Vergroten afstand buisleiding en woningen; • Alternatieve indeling woningen onderzoeken; • Personendichtheden verminderen. Ontwerpmogelijkheden: • Toepassen brandwerende materialen en gevel tot en met de 2e ring; • Versnellen en/of automatiseren van inblokmechanisme; • Verkleinen van de inbloklengte.

Randvoorwaarden voor hulpverlening: • Bereikbaarheid plangebied borgen; • Bereikbaarheid woningen/buisleidingen borgen; • Bluswatervoorzieningen voor en opstelplaatsen bij woningen/buisleidingen borgen. Randvoorwaarden zelfredzaamheid: • Risicocommunicatie om risicobewustzijn te vergroten; • Rekening houden met verminderd zelfredzame personen tot en met de 2e ring; • (Nood)uitgang en vluchtroute van woningen van de buisleidingen af richten tot en met de 2 e ring. Advies Veiligheidsregio De veiligheidsregio IJsselland heeft op 29 november 2023 hun advies uitgebracht. Zij adviseren het volgende: BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 75, omgeving Nijverdalseweg 52 en 54 Vastgesteld •

• • • •

Samen met de leidingbeheerder te beoordelen of er nog aanvullende maatregelen kunnen worden genomen om de veiligheidssituatie te verbeteren. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan extra gronddekking, waarschuwingslinten en/of fysieke barrières op het maaiveld bij de buisleiding. Een andere mogelijkheid is bij de woningen gebruik te maken van brandwerende gevels/materialen. De woningen te voorzien van vluchtwegen die van de hogedruk aardgasbuisleidingen af zijn gericht. De aanwezigen door risicocommunicatie op de hoogte te brengen van de handelingsperspectieven bij een incident bij de hogedruk aardgasbuisleidingen. De woningen te voorzien van mechanisch afsluitbare ventilatie. Dit is onder de Omgevingswet verplicht. Bij een incident bij een hogedruk aardgasbuisleiding te schuilen in de gebouwen in een ruimte aan de andere kant dan het incident.

Voor een uitgebreid advies wordt verwezen naar bijlage 6 van deze toelichting. 5.4.4

Conclusie

Gezien het voorgaande wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met wet- en regelgeving ten aanzien van externe veiligheid.

5.5

Milieuzonering

5.5.1

Algemeen

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient in ruimtelijke plannen rekening te worden gehouden met afstemming tussen gevoelige functies en milieuhinderlijke functies. Uitgangspunt daarbij is dat nieuwe en bestaande bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven.

Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis worden gezien door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2

Gebiedstypen

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ als volgt omschreven: ‘Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 75, omgeving Nijverdalseweg 52 en 54 Vastgesteld gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.’ De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen , zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Het plangebied ligt in het buitengebied, waar geen sprake is van sterke menging van functies. Daarom wordt in dit geval uitgegaan van het omgevingstype “rustige woonwijk”. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

5.5.3

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Situatie plangebied

5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functie gerealiseerd wordt. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. 2.

past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie ‘wonen’ is niet milieubelastend voor de omgeving. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. Omgekeerd gaat het om de vraag of bestaande functies in de omgeving belemmerd worden in de bedrijfsvoering door de nieuwe milieugevoelige functie. In de nabijheid van het plangebied bevinden zich enkele op basis van het huidige planologische regime percelen waar (agrarische) bedrijvigheid is toegestaan (zie tabel 3). Opgemerkt wordt dat de grootste richtafstand bij veehouderijen veelal geldt voor het aspect geur. Bij veehouderijen zijn echter niet de adviesafstanden, maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekenende geuremissiecontouren voor vergunningsplichtige veebedrijven bepalend. Hier wordt in de paragraaf geur (5.6) nader op ingegaan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 75, omgeving Nijverdalseweg 52 en 54 Vastgesteld In onderstaande tabel zijn de adressen van bedrijven en de bijbehorende maximale milieucategorie weergegeven. Verder is de afstand tussen de grens van het bestemmingsvlak dat bedrijvigheid toe laat tot de dichtstbijzijnde woning die op basis van dit bestemmingsplan kan worden gerealiseerd weergeven. Locatie

Functie Intensieve veehouderij

Max. categorie 4.1

Grootste richtafstand 50 m (geluid)

Afstand tot woning Ca. 179 m

Wittebroeksweg 13, Haarle Raamsweg 28, Haarle

Grondgebonden veehouderij

3.2

Ca. 220 m

Intensieve veehouderij

4.1

30 m (stof en geluid) 50 m (geluid)

Raamsweg 53, Mariënheem Kroepeweg 6, Mariënheem Kroepeweg 4, Mariënheem

Grondgebonden veehouderij

3.2

Ca. 300 m

Intensieve veehouderij

4.1

30 m (geluid en stof) 50 m (geluid)

Ca. 340 m

Ca. 500 m

Tabel 3: Milieubelastende activiteiten nabij plangebied

Zoals blijkt uit tabel 4, wordt in voorliggend geval in alle gevallen aan de richtafstanden voldaan. Gelet op de afstand tot omliggende milieubelastende functies en het vorenstaande wordt er van uit gegaan dat ter plaatse van de woningen in het plangebied sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft de aspecten geluid, geur (m.u.v. geuraspecten in relatie tot veehouderijen), stof en gevaar. Omgekeerd levert deze ontwikkeling geen belemmering op voor de bedrijfsvoering van de betreffende agrarische bedrijven. 5.5.4

Conclusie

Het aspect ‘milieuzonering’ vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

5.6

Wet geurhinder en veehouderij (Wgv)

5.6.1

Algemeen

5.6.1.1 Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijk vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • •

ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, buiten een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 2 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odeur units per kubieke meter lucht. De definitie van een geurgevoelig object luidt: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 75, omgeving Nijverdalseweg 52 en 54 Vastgesteld 5.6.1.2 Activiteitenbesluit Vanaf 1 januari 2013 is het Activiteitbesluit ook van toepassing op agrarische activiteiten. Het Besluit landbouw milieubeheer is tegelijkertijd komen te vervallen. Agrarische bedrijven hebben geen vergunning meer nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Dit zijn type B-bedrijven, zoals veehouderijen, kinderboerderijen (en andere bedrijven die kleinschalig dieren houden), glastuinbouwbedrijven, bedrijven met teelt in gebouwen, bedrijven met open teelt, agrarische loonwerkers en losse opslagen (bijvoorbeeld mest). Voor geurhinder is in het Activiteitenbesluit een soortgelijk beoordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Zo gelden binnen en buiten de bebouwde kom dezelfde normen als in de Wgv. Ook de geurbelasting wordt bepaald volgens het bepaalde in de Wgv. Hetzelfde geldt voor het meten van de afstanden. 5.6.2

Situatie plangebied

In voorliggend geval worden nieuwe geurgevoelige objecten toegevoegd, namelijk de woningen. In dit geval is sprake van de realisatie van een compensatiewoningen in samenhang met de sloop van de bedrijfsgebouwen die onderdeel hebben uitgemaakt van een agrarisch bedrijf. Zoals blijkt uit de paragraaf milieuzonering (5.5) bevinden zich in de omgeving van de compensatiewoningen enkele agrarische bedrijven. Locatie

Functie

Wittebroeksweg 13, Haarle Raamsweg 28, Haarle Raamsweg 53, Mariënheem Kroepeweg 6, Mariënheem Kroepeweg 4, Mariënheem

Intensieve veehouderij

Afstand tot woning Ca. 179 m

Grondgebonden veehouderij Intensieve veehouderij

Ca. 220 m Ca. 340 m

Grondgebonden veehouderij

Ca. 300 m

Intensieve veehouderij

Ca. 500 m

De Wgv bevat een regeling (art. 14, lid 2) voor ondermeer voormalige bedrijfswoningen en compensatiewoningen in het kader van Rood voor rood. Het tweede lid van artikel 14 luidt: Voor de toepassing van de artikelen 3, 4 en 6 bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een woning die op of na 19 maart 2000 is gebouwd: •

op een kavel die op dat tijdstip in gebruik was als veehouderij;

•

in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de veehouderij, en;

•

in samenhang met de sloop van de bedrijfsgebouwen die onderdeel hebben uitgemaakt van de veehouderij;

ten minste 100 meter indien de woning binnen de bebouwde kom is gelegen en ten minste 50 meter indien de woning buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. Gelet op artikel 14 lid 2 van de Wgv moet in het kader van dit plan voldaan worden aan een afstand van 50 meter tot omliggende agrarische bedrijven. De afstand tussen emissiepunten van het de relevante dierenverblijven en het plangebied bedraagt ten minste 179 meter. Hiermee wordt voldaan aan de vaste afstand en wordt geconcludeerd dat omliggende agrarische bedrijven niet onevenredig in hun bedrijfsvoering worden belemmerd. In het kader van een goede ruimtelijke ordening (bepalen van het woon- en leefklimaat ter plekke van de beoogde woningen) is door BJZ.nu een geuronderzoek uitgevoerd. Hierna wordt op de onderzoeksresultaten van het geuronderzoek ingegaan. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 7 van deze toelichting.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 75, omgeving Nijverdalseweg 52 en 54 Vastgesteld Onderzoeksresultaten Om het woon- en leefklimaat te kunnen beoordelen is zowel de voor- als de achtergrondgeurbelasting berekend. Vanwege de veehouderij aan de Wittebroeksweg 13 bedraagt de voorgrondgeurbelasting ten hoogste 6,9 OUE/m3 , dit is ter plaatse van rekenpunt 4 van de woonbestemming. Het woon- en leefklimaat qua voorgrondgeurbelasting ter plaatse van dit punt is volgens de berekening en de gegevens uit tabel 1 als ‘matig’ te kwalificeren. Voor de overige hoekpunten geldt dat het woon- en leefklimaat te kwalificeren is als ‘redelijk goed’. De achtergrondgeurbelasting voor rekenpunt 4 bedraagt ten hoogste 6,77 OU E/m3. Volgens tabel 1 is het woon- en leefklimaat qua achtergrondgeurbelasting ter plaatse van dit punt te kwalificeren als ‘goed’. Dit geldt tevens voor de andere rekenpunten. Bij het beoordelen van het woon- en leefklimaat bestaat de volgende vuistregel: de voorgrondgeurbelasting is maatgevend als die tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. In deze situatie is de voorgrondgeurbelasting maatgevend en is het woon- en leefklimaat ter plaatse van rekenpunt 4 te kwalificeren als ‘matig’. Voor de overige rekenpunten is het woon- en leefklimaat te kwalificeren als ‘redelijk goed’.

Het bevoegd gezag van de gemeente Raalte maakt de afweging over het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied Er wordt voorzien in een duurzame vervolgfunctie (wonen). Er ontstaan ruime woonkavels voor diverse doelgroepen. Er is sprake van een aanvaardbare situatie ten aanzien van onder andere de aspecten 'bodem', 'geluid', 'luchtkwaliteit', 'ecologie' en 'externe veiligheid'. Daarnaast ontstaat als gevolg van de voorliggende ontwikkeling een aantrekkelijk woonmilieu op een locatie die reeds gebruikt wordt voor verblijfsfuncties, waarbij sprake is van voldoende parkeerruimte op het erf. Bovendien zijn lokale voorzieningen in de omgeving aanwezig. Hiermee is er sprake van een integrale afweging, die de situatie ten aanzien van het aspect 'geur' voor wat betreft het woon- en leefklimaat aanvaardbaar maakt. 5.6.3

Conclusie geur

Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

5.7

Ecologie

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.7.1

Gebiedsbescherming

5.7.1.1 Natura 2000-gebieden Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. Het plangebied bevindt zich op circa 940 meter van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Boetelerveld’. In het kader van voorgenomen ontwikkeling is een AERIUS-berekening uitgevoerd ten aanzien van de stikstofdepositie. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 8 van deze toelichting. Hierna worden de belangrijkste conclusies besproken. Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. De voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000gebieden aan artikel 2.7, lid 1 van de Wet natuurbescherming.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

43

Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 75, omgeving Nijverdalseweg 52 en 54 Vastgesteld 5.7.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale Actualisatie Omgevingsvisie en –verordening uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN is gelegen op 712 meter afstand van het plangebied. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en afstand tot de NNN, is geen sprake van een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN. 5.7.2

Soortenbescherming

5.7.2.1 Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Wet Natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. In dit geval is voor het plangebied Quickscan flora & fauna in het kader van de Wet natuurbescherming uitgevoerd. In bijlage 9 van deze toelichting zijn de onderzoeksrapportage opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten en conclusies van de uitgevoerde quickscan ingegaan. 5.7.2.2 Onderzoeksresultaten Kleine zoogdieren (nationale soorten Wnb, art. 3.10) Door de werkzaamheden kan verstoring en sterfte van kleine zoogdieren optreden. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt afhankelijk van de provincie een vrijstelling bij ruimtelijke ingrepen. In provincie Overijssel geldt deze vrijstelling voor alle te verwachte soorten. Aanvullende maatregelen zijn voor deze soorten niet noodzakelijk. Vleermuizen (Wnb-Habitatrichtlijn, art. 3.5) Door de sloop kan verstoring, sterfte en verlies van verblijfplaatsen optreden. Daarom dient een nader onderzoek plaats te vinden naar de functie van gebouw 2 en 4 voor vleermuizen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Raalte&id=d82022b8-12a1-41e0-a277-4838d68a8fbc