Toelichting
Tekst van het document
Het onderzoek naar verblijfplaatsen moet gebeuren in de periode 15 mei – 15 juli en 15 augustus – 30 september. Broedvogels zonder vaste nestplaatsen (Wnb-Vogelrichtlijn, art. 3.1) In ruigte en gebouwen 1 - 6 is het voorkomen van broedsels mogelijk. Bij werkzaamheden tijdens het broedseizoen kan sterfte en verstoring van broedsels optreden. Daarom dienen deze ingrepen buiten het broedseizoen plaats te vinden. De piek van het broedseizoen beslaat de periode van 15 maart tot 15 juli, maar eerdere en vooral latere broedgevallen zijn mogelijk. In de periode van 1 september tot 1 maart is de kans op broedgevallen gering. Broedvogels met vaste nestplaatsen (Wnb-Vogelrichtlijn, art. 3.1) Mogelijk zijn in gebouwen 2 – 6 vaste nestplaatsen aanwezig van kerkuil, steenuil, huismus of boerenzwaluw. Door het plan verdwijnen deze nestplaatsen. Daarom dient aanvullend onderzoek plaats te vinden naar de functies die de locatie voor deze soorten heeft. 5.7.3
Conclusie
Voor het aspect ecologie dient nader onderzoek te worden uitgevoerd naar vleermuizen, kerkuil, steenuil, huismus en boerenzwaluw. Hiervoor is een bepaling opgenomen in de planregels van voorliggend bestemmingsplan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
44
Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 75, omgeving Nijverdalseweg 52 en 54 Vastgesteld
5.8
GGD-richtlijn Veehouderij en gezondheid
5.8.1
Algemeen
In de GGD-richtlijn Veehouderij en gezondheid wordt geadviseerd behoudend te zijn met inpassen van nieuwe gevoelige bestemmingen of functies (zoals woningen) binnen 250 meter van een veehouderij of binnen twee kilometer van een geitenhouderij. Binnen deze afstanden is een advies van de GGD nodig op gezondheidseffecten van de betreffende veehouderijen te bepalen. 5.8.2
Situatie plangebied
5.8.2.1 Algemeen De dichtstbijzijnde veehouderij is gelegen buiten een straal van 179 meter rondom het plangebied. Op het adres Heinoseweg 5, de Raarhoeksweg 34b en de Hogeweg 25, op circa 5 kilometer (of meer) van het plangebied zijn bedrijven gevestigd waar geiten worden gehouden. Zie hiervoor ook onderstaande tabel. Locatie geitenhouderij Heinoseweg 5, Raalte Raarhoeksweg 34b, Raalte Hogeweg 26, Raalte
Aantal geiten 2 30 6
Afstand tot dichtstbijzijnde woning Circa 6,95 kilometer Circa 5,7 kilometer Circa 6,9 kilometer
Vanwege de afstand tot het plangebied (5 kilometer) dient de situatie nader te worden beschouwd. Gelet op de dierenaantallen en de relatief grote afstand tot het plangebied wordt verwacht dat er geen zwaarwegend bezwaar is tegen de gewenste ontwikkeling. 5.8.2.2 Veehouderij en gezondheid Voor de voorgenomen ontwikkeling heeft de GGD een advies uitgebracht. Hierna wordt kort op het advies ingegaan. Voor het volledige advies wordt verwezen naar bijlage 10 van deze toelichting. Een aandachtspunt is de varkenshouderij aan de Wittebroeksweg 13 te Mariënheem, die op een afstand van 200 -250 meter van het plangebied is gelegen. Doorgaans adviseert de GGD een minimale afstand van 250 meter aan te houden tussen varkenshouderijen en omliggende woningen. De reden hiervoor is: uit het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) blijkt dat een verhoogde kans op acute luchtwegklachten (hoesten, benauwdheid) binnen 250 m van varkens- en pluimveebedrijven als gevolg van verhoogde concentraties endotoxinen; hiervoor wordt als grenswaarde een concentratie van 30 EU/m3 gehanteerd. Langdurige blootstelling aan endotoxines kan aanleiding zijn tot het ontstaan van chronische bronchitis en een verminderde longfunctie. Deze gezondheidseffecten kunnen ontstaan bij een blootstelling aan verhoogde concentraties van enkele uren per dag.
Uit het geuronderzoek blijkt dat voorgrondgeurbelasting ten hoogste 6,9 OUE/m3 bedraagt en de achtergrondgeurbelasting ten hoogste 6,77 OUE/m3. De voorgrondgeurbelasting overschrijdt de GGD advieswaarde van 5 OUE/m3 voor het buitengebied. Varkenshouderijen (in dit geval de veehouderij aan Wittebroeksweg 13) kunnen voor aanzienlijke geuroverlast zorgen. Geur kan hinderlijk zijn en leiden tot verstoring van gedrag en activiteiten, en stress gerelateerde gezondheidseffecten zoals hoofdpijn, misselijkheid en benauwdheid. Advies GGD Aangezien het gaat om enkele nieuwe woningen in het kader van de rood-voor-rood regeling, heeft de GGD geen bezwaar tegen het voorgenomen plan. Wel adviseert de GGD om de toekomstige bewoners te informeren over bovengenoemde gezondheidsrisico’s. Hierbij dient extra aandacht te worden gegeven aan kwetsbare doelgroepen: kinderen, ouderen en mensen met een zwakke gezondheid. Zij kunnen gevoeliger zijn voor contact met fijnstof dat wordt uitgestoten door de nabijgelegen varkenshouderij. Mochten toekomstige bewoners een kinderopvang op deze locatie willen starten, dan is een specifiek advies van de GGD nodig. Daarbij zal t.z.t. uiteraard uitgegaan worden van de dan geldende wetenschappelijke inzichten.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
45
Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 75, omgeving Nijverdalseweg 52 en 54 Vastgesteld 5.8.3
Situatie plangebied
Het aspect vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.9
Archeologie & Cultuurhistorie
5.9.1
Archeologie
5.9.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.9.1.2 Situatie plangebied De gemeente Raalte heeft haar archeologische verwachtings- en beleidskaart doorvertaald in het bestemmingsplan “Buitengebied” en de daaropvolgende correctieve herzieningen. Op basis van de ter plaatse geldende bestemmingsplannen geldt er voor de gronden binnen het plangebied geen dubbelbestemming. In voorliggend geval kan een archeologisch onderzoek achterwege blijven. 5.9.2
Cultuurhistorie
5.9.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Erfgoedwet. Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Op grond van de wet Modernisering Monumentenzorg (de MoMo), die per 1 januari 2012 van kracht is geworden, moet een goede ruimtelijke onderbouwing een beschrijving bevatten van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. 5.9.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich in en rondom het plangebied zelf geen rijks- of gemeentelijke monumenten en overige cultuurhistorische waarden. Van aantasting van monumentale en cultuurhistorische waarden als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling is dan ook geen sprake. 5.9.3
Conclusie
De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
46
Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 75, omgeving Nijverdalseweg 52 en 54 Vastgesteld
5.10
Besluit milieueffectrapportage
5.10.1 Kader De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan/wijzigingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •
•
•
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan/wijzigingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of bestemmingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd.
5.10.2 Situatie plangebied 5.10.2.1 Artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming Het plangebied bevindt zich op circa 940 meter van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Boetelerveld’. In het kader van voorgenomen ontwikkeling is een AERIUS-berekening uitgevoerd ten aanzien van de stikstofdepositie. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 8 van deze toelichting. Hierna worden de belangrijkste conclusies besproken. Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. De voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 2.7, lid 1 van de Wet natuurbescherming. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk. Om deze reden is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. 5.10.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. De voorgenomen ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt door het wijzigen van het geldende bestemmingsplan. Dit betekent dat voorliggende ontwikkeling m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, indien activiteiten worden
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
47
Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 75, omgeving Nijverdalseweg 52 en 54 Vastgesteld mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. Op basis van onderdeel D kan de in dit plan besloten ontwikkeling worden aangemerkt als: ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschreden: 1. 2. 3.
een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
Gezien de drempelwaarden (bedrijfsvloeroppervlakte van 2000 woningen of meer) wordt geconcludeerd dat in dit geval geen sprake is van een directe m.e.r.-plicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat uit van het toevoegen van slechts vijf grondgebonden woningen in het buitengebied van de gemeente Raalte. Daarnaast wordt in het buitengebied van de gemeente Raalte bebouwing gesloopt. Het gaat om een (zeer) kleinschalige ontwikkeling waarbij het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toeneemt. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een nieuwe functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen. Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Tevens blijkt uit dit hoofdstuk en hoofdstuk 6 dat dit bestemmingsplan geen belangrijk nadelige milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.
5.10.3 Conclusie Het plangebied is niet binnen een kwetsbaar of waardevol gebied gelegen en heeft ook geen belangrijke nadelige milieugevolgen voor de omgeving, waardoor het voornemen in het desbetreffende gebied niet m.e.r.beoordelingsplichtig is.
5.11
Trillingshinder
5.11.1 Algemeen Ten noordwesten van het plangebied ligt de spoorlijn Zwolle – Enschede, waardoor trillingshinder als gevolg van de spoorlijn mogelijk relevant kan zijn. Er is geen wettelijk kader in het ruimtelijk spoor dat trillingsgevoelige functies definieert. Bescherming gaat via de Wro/Wabo (invulling van een ‘goede ruimtelijke ordening’). De Meet- en beoordelingsrichtlijn B, "Hinder voor personen in gebouwen" (SBR-B) bevat richtlijnen voor het meten en beoordelen van trillingshinder voor personen. De richtlijn maakt onderscheid in de functie van het gebouw en de aard van de trillingsbron en onderscheid in bestaande, gewijzigde en nieuwe situaties. In de Richtlijn vindt de beoordeling plaats door middel van A1, A2 en A3: • • •
A1 is de onderste streefwaarde voor de trillingssterkte Vmax; A2 is de bovenste streefwaarde voor de trillingssterkte V max; A3 is de streefwaarde voor de trillingssterkte Vper.
Voor de hoogte van de streefwaarden geldt in algemene zin dat A3 < A1 < A2. Er wordt voldaan aan de streefwaarden indien: •
De waarde van de maximale trillingssterkte in een ruimte (Vmax) kleiner is dan A1, of;
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
48
Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 75, omgeving Nijverdalseweg 52 en 54 Vastgesteld •
De waarde van de maximale trillingssterkte van een ruimte (V max) kleiner is dan A2 waarbij de trillingssterkte over de beoordelingsperiode voor de ruimte (Vper) kleiner is dan A3.
Voor de beoordeling van de trillingen door railverkeer in nieuwe situaties (o.a. nieuwbouw langs spoor) dienen volgens de SBR richtlijn deel B de streefwaarden uit onderstaande tabel aangehouden te worden.
5.11.2 Situatie plangebied Het onderzoeksgebied van trillingen bij (spoor)wegen ligt doorgaans binnen een afstand van ongeveer 100 meter vanaf de bron. Buiten dit gebied treden bijna nooit voelbare trillingen op. Het plangebied ligt op een afstand van 350 meter van de spoorlijn Zwolle – Enschede. Buiten deze afstand tot het spoor treden over het algemeen geen trillingsniveaus die boven de streefwaarde voor Vmax van 0,1 komen. Een zone van 100 meter voldoet daarom doorgaans. In dit geval worden geen woningen gerealiseerd binnen 100 meter van de spoorlijn. Bovendien is er geen sprake van een spoortraject waar veel verschillende type treinen over heenrijden of waar veelvuldig zwaar (vracht)verkeer passeert. Er kan worden voldaan aan de streefwaarden uit de SBR-richtlijn, waarmee er vanuit trillingshinder sprake is van een aanvaardbare situatie. 5.11.3 Conclusie Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect trillingshinder geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling vormt.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
49
Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 75, omgeving Nijverdalseweg 52 en 54 Vastgesteld
HOOFDSTUK 6 6.1
WATERASPECTEN
Inleiding
Er is een groot aantal beleidsstukken dat betrekking heeft op de waterhuishouding. Hieronder wordt een en ander uiteengezet.
6.2
Vigerend beleid
6.2.1
Europees beleid
Sinds 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht. Deze richtlijn moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater verbeterd zodat het water chemisch en ecologisch (weer) gezond wordt. Alle waterbeheerders moeten ervoor zorgen dat de waterkwaliteit in 2015 op orde is. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op stroomgebied niveau plannen opgesteld In deze stroomgebiedplannen staan de concrete doelstellingen en maatregelen beschreven voor de verschillende stroomgebieden. 6.2.2
Rijksbeleid
Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Water Programma 20222027. Het NWP geeft het integrale kader voor het waterbeleid en -beheer van het Rijk voor de periode 20222027 (inclusief het Noordzeebeleid). De Stroomgebiedbeheerplannen en Overstromingsrisicobeheerplannen voor de stroomgebieden van de Rijn, Maas, Schelde en Eems en het Programma Noordzee (inclusief het programma Kaderrichtlijn Mariene Strategie) zijn een bijlage bij het NWP. In het NWP worden de nationale componenten van de herijking van het Deltaprogramma vastgelegd. In het NWP worden de voor het waterbeleid relevante nationale belangen uit de NOVI en de toepassing van de afwegingsprincipes hierbij, verder uitgewerkt. Verder geeft het NWP uitvoering aan de Europese richtlijnen voor waterkwaliteit, de mariene strategie en overstromingsrisico’s. 6.2.3
Provinciaal beleid
De Omgevingsvisie Overijssel bevat het provinciale waterbeleid en is daarmee ook het Regionaal Waterplan. De provincie omschrijft haar ambitie met het waterbeleid voor de komende jaren in één zin als volgt: ‘We willen onze watersystemen zo inrichten dat ze voldoende en goed water bevatten en dat ze voor lange tijd veilig zijn en bestand tegen klimaatverandering’. Om daar te komen heeft de Omgevingsvisie vijf centrale thema’s: • • • • •
6.2.4
Veiligheid: een veilige omgeving om te wonen en te werken door voldoende bescherming tegen het water te bieden Schoon en gezond water: een goede drinkwatervoorziening onmisbaar. Goed functionerende ecosystemen hebben voldoende en schoon water nodig. Gebruik van water: een goed waterpeil voor de landbouw of beregening Water als waardevol element. Water heeft behalve praktisch nut ook een belevingswaarde. Water is een waardevol element in de woon- en werkomgeving en in het buitengebied. Sturing waterbeleid: In de Omgevingsvisie geeft de provincie aan welke rol ze in het waterbeleid wil spelen. Waterschapsbeleid
Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Drents Overijsselse Delta (voorheen Reest en Wieden & Groot Salland), Vechtstromen en Rijn en IJssel. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen de afgelopen jaren intensief samengewerkt met elkaar en met andere
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
50
Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 75, omgeving Nijverdalseweg 52 en 54 Vastgesteld partners. Het nieuwe Waterbeheerplan is één van de resultaten van deze samenwerking. De opzet en grote delen van dit Waterbeheerplan zijn inhoudelijk hetzelfde als dat van de andere waterschappen in Rijn-Oost. Waterschap Drents Overijsselse Delta heeft de taken vastgelegd in het Waterbeheerplan 2016-2021. Hieronder volgt een toelichting op de doelen in het waterbeheerplan. • •
•
6.2.5
Overstromingen, wateroverlast of droogte te voorkomen of beperken. Inwoners kunnen hierdoor op een goede manier wonen en werken. Boeren en natuurbeheerders kunnen goed gebruik maken van de grond. Beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het water in de volle breedte. Een goede ecologische en chemische kwaliteit van het (oppervlakte)water is belangrijk. Het water is schoon en gezond en inwoners kunnen hiervan genieten. Ook de doelen voor waterkwaliteit die voortvloeien uit Europese wetgeving; de Kaderrichtlijn Water (KRW) maken onderdeel uit van het plan. Afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties effectief en efficiënt behandelen. We proberen niet alleen schadelijke stoffen uit het water te halen. Ook willen we van deze stoffen nieuwe producten maken en nieuwe toepassingen zoeken. Gemeentelijk beleid
In de Waterwet en de Wet milieubeheer zijn de gemeentelijke watertaken geregeld. Deze taken hebben betrekking op de gemeentelijke zorgplicht voor: • • •
inzameling en transport van stedelijk afvalwater. het inzamelen en verwerken van afvloeiend hemelwater. grondwater(maatregelen).
Het GRP beschrijft de beleidskaders (ambities)en de activiteiten voor de inzameling, transport en verwerking van stedelijk afval, hemel- en grondwater. Het GRP gaat uit van de volgende principes (tritsen): De trits 'vasthouden, bergen, afvoeren' houdt in dat er zoveel mogelijk water lokaal wordt vast gehouden, dan geborgen in oppervlaktewater of andere bergvoorzieningen, pas als dit niet mogelijk is wordt het regenwater afgevoerd. De trits ‘schoonhouden, scheiden, schoonmaken’ omvat ten eerste het niet toelaten dat de kwaliteit van water verslechtert (schoon houden), vervolgens het gescheiden houden van schone en vuile waterstromen en als laatste het zuiveren (schoonmaken) van verontreinigd water. Door water schoon te houden en vuile waterstromen zoveel mogelijk gescheiden te houden kan de omvang van te zuiveren water worden beperkt en tevens het zuiveringsrendement worden verhoogd. Ontvlechting vindt in principe plaats als dat doelmatig en kosteneffectief is. Bij nieuwbouw in het buitengebied is het verwerken van hemelwater aan de eigenaar van het perceel. Verharde oppervlakken(gebouwen, terras, weg op eigen terrein) moeten met 20mm worden gecompenseerd op eigen terrein. Overtollig water mag afstromen naar oppervlaktewater of de openbare ruimte.
Ten aanzien van de verwerking van grondwater bij nieuwbouw kan worden gesteld dat dit voldoende wordt ondervangen in het “watertoets proces”. Hierbij worden vooraf de waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze meegewogen bij de ontwikkeling van nieuwbouwlocaties. Hitte, droogte, watertekort en wateroverlast zijn aspecten die van wezenlijke invloed zijn bij het ontwerpen en bij de realisatie van plannen voor zowel inbreidings- als uitbreidingslocaties. Met deze aspecten wordt rekening gehouden door het principe van de meerlaagse veiligheid als bouwsteen van wezenlijk belang te hanteren bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen. Bestaande en nieuwe blauwe en groene elementen ondersteunen de klimaatadaptatie in het binnenstedelijk gebied en op bedrijven- en industrieterreinen. Afkoppelen van verhard oppervlak is niet een doel op zich. Doelmatigheid, haalbaarheid en betaalbaarheid van afkoppelmaatregelen worden meegewogen in ruimtelijke plannen. De samenhang met het beleid over klimaatadaptatie en overstromingsrisico wordt integraal beoordeeld. Waterlopen met een beschermde status (Kaderrichtlijn water) staan vermeld op de verbeelding behorende bij een ruimtelijk plan.
Informatie over de status van een KRW-lichaam en beoogde maatregelen verwoord in zogenaamde “factsheets”, wordt beschouwd als zwaarwegend belang waar slecht gemotiveerd van kan worden afgeweken door het treffen van mitigerende of compenserende maatregelen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
51
Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 75, omgeving Nijverdalseweg 52 en 54 Vastgesteld
6.3
Waterparagraaf
6.3.1
Algemeen
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.3.2
Watertoetsproces
Het waterschap Drents Overijsselse Delta is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets). Voor het plangebied is een watertoets uitgevoerd. De watertoetsresultaten zijn opgenomen in bijlage 10 van deze toelichting. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de normale procedure van het watertoetsproces van toepassing is. Dit houdt in dat het waterschap om advies wordt gevraagd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
52
Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 75, omgeving Nijverdalseweg 52 en 54 Vastgesteld
HOOFDSTUK 7 7.1
JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
7.2
Opzet van de regels
7.2.1
Algemeen
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4. 7.2.2
Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels. Inleidende regels
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: •
Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.
•
Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze bouwhoogtes, afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.
7.2.3
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: • •
Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bouwhoogte, goothoogte, dakhelling, etc.);
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
53
Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 75, omgeving Nijverdalseweg 52 en 54 Vastgesteld • • • •
Nadere eisen: burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan plaats en afmetingen van de bebouwing; Afwijken van de bouwregels: onder welke voorwaarde mag worden afgeweken van de aangegeven bouwmogelijkheden. Specifieke gebruiksregels: elk gebruik van gronden en opstallen in ieder geval strijdig/toegestaan zijn; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden: omgevingsvergunningenstelsel voor werken en werkzaamheden.
In paragraaf 7.3 worden de bestemmingen nader toegelicht en wordt ook per bestemming aangegeven waarom voor een bepaalde bestemming is gekozen. 7.2.4
Algemene regels
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •
Anti-dubbeltelregel (Artikel 9) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage.
•
Algemene bouwregels (Artikel 10) In dit artikel zijn regels opgenomen omtrent bestaande afstanden en maten die afwijken van de afstanden en maten uit de bestemmingsregels. Hierin is geregeld dat bestaande maten en afstanden als meer, dan wel minder mogen worden aangehouden als deze meer, dan wel minder bedragen dan op basis van de bestemmingsregels is toegestaan. Tevens zijn regels omtrent overschrijding van bouwgrenzen, herbouw woningen, afstand tot de weg ven voldoende parkeergelegenheid opgenomen.
•
Algemene gebruiksregels (Artikel 11) In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. In het artikel is uiteengezet welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig met de bestemming worden aangemerkt.
•
Algemene afwijkingsregels (Artikel 12) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. Het gaat om regels omtrent mantelzorg, herbouw woningen buiten bestaande funderingen en kleinschalige windmolens.
•
Algemene wijzigingsregels (Artikel 13) In dit artikel is een mogelijkheid opgenomen om de herbouw van woningen buiten bestaande funderingen middels een wijzigingsplan mogelijk te maken of om de bestemming ‘Waarde – Archeologie – 1’ onder voorwaarden geheel of gedeeltelijk te verwijderen.
•
Overige regels (Artikel 14) In dit artikel wordt aangegeven dat wettelijke regelingen waarnaar in dit bestemmingsplan wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan. Daarnaast is een regeling ten aanzien van parkeren opgenomen.
7.2.5
Overgangs- en slotregels
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
7.3
Verantwoording van de regels
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
54
Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 75, omgeving Nijverdalseweg 52 en 54 Vastgesteld mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In onderstaande paragraaf worden de verschillende bestemmingen nader onderbouwd. Agrarisch (Artikel 3) Deze bestemming is opgenomen te plaatse van de gronden rondom het woonerf aan de Nijverdalseweg 52-54. Gronden met deze bestemming zijn met name bestemd voor het agrarisch gebruik. Gebouwen zijn niet toegestaan. Er zijn uitsluitend erf- of terreinafscheidingen toegestaan. Er is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om een paardenbak mogelijk te maken. Natuur (Artikel 4) De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor behoud, herstel en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden en bos, extensieve dagrecreatie, houtoogst en water. Het bestaande bos en de aan te planten natuur is deze bestemming toegekend.
Tevens is een omgevingsvergunningenstelsel opgenomen om werken en werkzaamheden uit te voeren. Wel is hier specifiek een bepaling opgenomen die bepaalt dat maatregelen in het kader van het inrichtingsplan niet vergunningsplichtig zijn. Daarnaast is er een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor de landschapsmaatregelen die buiten de woonpercelen liggen. Wonen (Artikel 5) Aan de gronden van voormalige agrarische bedrijfswoningen aan de Nijverdalseweg 52 en 54 en de vrijstaande woning met vrijstaand bijgebouw is de bestemming ‘Wonen’ toegekend. Deze gronden zijn bestemd conform de bestemming ‘Wonen’ uit het bestemmingsplan “Buitengebied Raalte geconsolideerd 2020”. Voor elke woning is een bouwvlak opgenomen, waarbij is bepaald dat per bouwvlak één woning is toegestaan. Bij de overige woning met deze bestemming is het maximum aan bijgebouwen en overkappingen 150 m 2. Qua systematiek in de bouwregels is grotendeels aangesloten bij de standaard geldende regeling in het buitengebied van Raalte. De inhoud van het woning mag maximaal 750 m 3 bedragen en er mag maximaal 150 m2 aan bijgebouwen aanwezig zijn. Van de bouwregels kan afgeweken worden ten behoeve van het vergroten van het maximum oppervlakte aan bijgebouwen. In de specifieke gebruiksregels zijn vormen van toegestaan opgenomen.
Ook zijn hier de voorwaardelijke verplichting voor sloop, landschappelijke inpassing en nader ecologisch onderzoek opgenomen. Van de gebruiksregels kan afgeweken worden ten behoeve van nevenfuncties. Tot slot is een afwijking opgenomen die, in afwijking van de voorwaardelijke verplichting, andersoortige landschapsmaatregelen toestaat. Wonen – 1 (Artikel 6) Aan de gronden van de woonerven met de beoogde schuurwoningen zijn voorzien van de bestemming ‘Wonen – 1’. Qua systematiek in de bouwregels is grotendeels aangesloten bij de standaard geldende regeling in het buitengebied van Raalte, met dien verstande dat binnen deze bestemmingen (vanwege de schuurwoningen) geen vrijstaande bijgebouwen en overkappingen zijn toegestaan. De inhoud van het hoofdgebouw mag maximaal 1.100 m3 bedragen. Dit is inclusief een bergruimte. De inhoud van een woning in een hoofdgebouw bedraagt maximaal 750 m3. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – Buitenstarter’ zijn twee woningen, inclusief inpandig bijgebouw toegestaan, in een gezamenlijk volume van 1.100 m3.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
55
Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 75, omgeving Nijverdalseweg 52 en 54 Vastgesteld In de specifieke gebruiksregels zijn vormen van toegestaan gebruik opgenomen. Ook zijn hier de voorwaardelijke verplichting voor sloop, landschappelijke inpassing en nader ecologisch onderzoek opgenomen. Tot slot is een afwijking opgenomen die, in afwijking van de voorwaardelijke verplichting, andersoortige landschapsmaatregelen toestaat. ‘Leiding - Hoogspanningsverbinding (Artikel 7) De voor 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor een bovengrondse hoogspanningsverbinding van ten hoogste 110 kV. 'Waarde - Boerenerf' (Artikel 8) De voor 'Waarde - Boerenerf' aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor het creëren van een compact boerenerf met schuurwoningen conform het landschappelijke inpassingsplan dat is neergezet is in het Ruimtelijk Kwaliteitsplan in Bijlage 1 van de regels. Door middel van deze dubbelbestemming is het uitgesloten om bijgebouwen bij de woningen te realiseren.
De gronden komen niet in aanmerking voor het vergunningsvrij bouwen van bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen als bedoeld in artikel 2, lid 3 en lid 12 van bijlage II van het Besluit Omgevingsrecht, zoals dat luidt op het moment van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
56
Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 75, omgeving Nijverdalseweg 52 en 54 Vastgesteld
HOOFDSTUK 8
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De kosten voortvloeiende uit de ontwikkeling komen voor rekening van initiatiefnemer. Met initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten waarin tevens het risico op planschade is meegenomen. Hiermee is het kostenverhaal voor de gemeente volledig verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan op grond van artikel 6.12 Wro achterwege kan blijven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
57
Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 75, omgeving Nijverdalseweg 52 en 54 Vastgesteld
HOOFDSTUK 9 9.1
VOOROVERLEG, INSPRAAK & ZIENSWIJZEN
Vooroverleg
Op grond van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de diensten van de provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. 9.1.1
Het Rijk
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke plannen, zoals onder meer beschreven in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Geoordeeld wordt dat voorliggend initiatief geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 9.1.2
Provincie Overijssel
Het ontwerpbestemmingsplan wordt in het kader van vooroverleg met de provincie Overijssel besproken. 9.1.3
Waterschap Drents Overijsselse Delta
In het kader van de watertoets hebben er digitale watertoetsen plaatsgevonden via de website www.dewatertoets.nl. De uitkomsten van deze watertoetsen hebben ertoe geleid dat de normale procedure van toepassing zijn. Het voornemen wordt voorgelegd aan het waterschap.
9.2
Inspraak
Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In dit geval wordt geen voorontwerp-bestemmingsplan ter inzage gelegd.
9.3
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn er twee zienswijzen ingediend. De zienswijzen geven geen aanleiding het bestemmingsplan te wijzigen. Wel zijn er drie ambtelijke wijzigingen doorgevoerd, namelijk: • • •
Er is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het saneren van de bodemverontreiniging. De bouwvlakken voor de bestaande woningen zijn aangepast conform de oorspronkelijke omvang. Abusievelijk is de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – buitenstarter’ vervallen op de meest zuidelijke buitenstarterwoning. Dit is hersteld.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
58
Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 75, omgeving Nijverdalseweg 52 en 54 Vastgesteld
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
59
Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 75, omgeving Nijverdalseweg 52 en 54 Vastgesteld
Bijlage 1
Erfinrichtingsplan
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
60
Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 75, omgeving Nijverdalseweg 52 en 54 Vastgesteld
Bijlage 2
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
61
Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 75, omgeving Nijverdalseweg 52 en 54 Vastgesteld
Bijlage 3
Verkennend bodem- en asbestonderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
62
Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 75, omgeving Nijverdalseweg 52 en 54 Vastgesteld
Bijlage 4
Luchtkwaliteitsonderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
63
Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 75, omgeving Nijverdalseweg 52 en 54 Vastgesteld
Bijlage 5
Carola berekening (gasbuisleiding)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
64
Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 75, omgeving Nijverdalseweg 52 en 54 Vastgesteld
Bijlage 6
Advies Veiligheidsregio
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
65
Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 75, omgeving Nijverdalseweg 52 en 54 Vastgesteld
Bijlage 7
Geuronderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
66
Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 75, omgeving Nijverdalseweg 52 en 54 Vastgesteld
Bijlage 8
AERIUS-berekening
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
67
Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 75, omgeving Nijverdalseweg 52 en 54 Vastgesteld
Bijlage 9
Quickscan flora en fauna
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
68
Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 75, omgeving Nijverdalseweg 52 en 54 Vastgesteld
Bijlage 10
Watertoetsresultaat
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
69
Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 75, omgeving Nijverdalseweg 52 en 54 Vastgesteld
Bijlage 11
Advies GGD
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
70