Toelichting
Tekst van het document
De “Laag van het agrarisch cultuurlandschap”
In het agrarisch cultuurlandschap gaat het er altijd om dat de mens inspeelt op de natuurlijke omstandigheden en die ten nutte maakt. Hierbij hebben nooit ideeën over schoonheid een rol gespeeld. Wel zijn we ze in de loop van de tijd gaan waarderen om hun ruimtelijke kwaliteiten. Vooral herkenbaarheid, contrast en afwisseling worden gewaardeerd. De ambitie is gericht op het voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen door óf versterking óf behoud óf ontwikkeling of een combinatie hiervan. Het plangebied is op basis van de gebiedskenmerkenkaart in de “Laag van het agrarisch cultuurlandschap” grotendeels aangemerkt als landschapstype “Maten en flierenlandschap” en voor een klein deel het “Oude Hoevenlandschap”, zoals te zien is in onderstaande afbeelding.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
25
Bestemmingsplan “Heeten, uitbreiding bedrijventerrein De Telgen III” Ontwerp
Afbeelding 4.4
De “Laag van het agrarisch cultuurlandschap” (Bron: Provincie Overijssel)
‘Maten en flierenlandschap’ Laaggelegen kleinschalig landschap dat zich langs de beken, in de natuurlijke laagten heeft ontwikkeld. Langs de ontwateringssloten haaks op de beek werd vaak hakhout aangeplant. Dit diende tevens als perceelsafscheiding – daar, waar de ontwateringssloot niet altijd watervoerend – was in geval van beweiding. Rond de beek ontstond een lineair landschap, met daaromheen in de natte laagtes een matenlandschap. Kleinschalig landschap langs beken en in laagten met veel variatie in ruimtelijke opbouw: de open ruimte van de watergang, de coulissen van hakhoutstruweel, de open kamers van de hooien weilanden, met hier en daar een broekbos op de nattere plekken. Vloeivelden maakten onderdeel uit van het bemestingssysteem. Het Maten- en Flierenlandschap is veelal de contramal van het essenlandschap en het oude hoevenlandschap en was daar functioneel aan verbonden. Als ontwikkelingen plaats vinden in of nabij het Maten en Flierenlandschap, dan dragen deze bij aan versterking van het historische lineaire landschap met open ‘kamers’ en coulissen, aan accentuering van de overgang naar hogere gronden, de toegankelijkheid, de beleefbaarheid en het vasthouden van water. Inrichting van nog gave delen richt zich op het behouden van de cultuurhistorische waarden. “Oude hoevenlandschap” Het Oude Hoevenlandschap betreft een landschap met verspreide erven.
Het werd ontwikkeld nadat de complexen met de grote essen ‘bezet’ waren. Die vonden ze bij kleine dekzandkopjes die individueel werden ontgonnen. Dit leidde tot een landschap dat de zelfde opbouw kent als het essenlandschap, alleen in een meer kleinschalige, meer individuele en jongere variant. Deze kleinere maat en schaal is tevens de reflectie van de natuurlijke ondergrond. Het landschap is contrastrijk met veel variatie op de korte afstand. Als ontwikkelingen plaats vinden in het oude hoevenlandschap, dan dragen deze bij aan behoud en accentuering van de dragende structuren (groenstructuur en routes) van het oude hoevenlandschap, en aan de samenhang en de karakteristieke verschillen tussen de landschapselementen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
Bestemmingsplan “Heeten, uitbreiding bedrijventerrein De Telgen III” Ontwerp Toetsing van het initiatief aan de "Laag van het agrarisch cultuurlandschap” Het plangebied zal op een verantwoorde wijze ingepast worden in het landschap door te kiezen voor streekeigen beplantingssoorten. Qua beplanting wordt de overgang van bedrijventerrein naar het buitengebied zo goed mogelijk ingepast (zie ook hoofdstuk 3). Geconcludeerd wordt dat het plan in overeenstemming is met het gestelde in de “Laag van het agrarische cultuurlandschap”. 4.2.5
Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het provinciaal beleid zoals genoemd in de Omgevingsvisie Overijssel en is verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel.
4.3
Gemeentelijk beleid
Het beleid van de gemeente Raalte is verwoord in diverse beleidsstukken op verschillende schaalniveaus. Hierna wordt ingegaan op de in voorliggend geval meest relevante beleidsstukken. 4.3.1
Omgevingsvisie Horizon gemeente Raalte 2040
4.3.1.1 Algemeen De omgevingsvisie is een strategisch document. Het geeft richting aan de ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving van de gemeente Raalte. Een belangrijk onderdeel van de omgevingsvisie zijn de kernopgaven. Hierin is een driedeling gemaakt in kerkopgaven voor het buitengebied, toekomstbestendige wijken en dorpen en de identiteit en regio. In voorliggend geval zijn de kernopgaven en bijbehorende ambities voor toekomstige wijken en dorpen en de identiteit en regio met name van belang. 4.3.1.2 Kernopgaven De ambitie voor de identiteit en regio is: Raalte als het levendige hart van Salland. Bij de ambitie zijn de volgende 5 ontwikkelrichtingen opgesteld: 1. 2.
3. 4. 5.
Wij kiezen voor een gemeente die zichzelf aanvullend op de stad positioneert: een plek waar men ruim woont, recreëert in het groen en met elkaar zorgt voor kwaliteit van leven Wij kiezen voor een sterke wisselwerking tussen de gemeente Raalte en de omliggende regio, om zo te profiteren van economische kansen in Zwolle, Deventer en Twente. We onderscheiden ons met ons vakmanschap en onze open houding ten aanzien van vernieuwing. We dragen uit dat de gemeente Raalte ruimte geeft aan het slim toepassen van innovatie en technologie. We kiezen voor optimale (digitale) bereikbaarheid voor onze inwoners en bedrijven, met een robuuste hoofdinfrastructuur, stationsontwikkeling en nieuwe mobiliteitsconcepten. Wij kiezen voor een gemeente Raalte die zelfvoorzienend is qua energie en die waar noodzakelijk, mogelijk en wenselijk duurzame energie opwekt voor de regio. Wij kiezen voor regionale samenwerking om jongeren te begeleiden en te behouden voor onze werkgevers en om inwoners, waar nodig, ook later in hun leven nieuwe vaardigheden bij te brengen.
4.3.1.3 Toetsing van het initiatief aan de ‘Omgevingsvisie Horizon gemeente Raalte 2040’ De uitbreiding van bedrijventerrein De Telgen voor de lokale Heetense behoefte aan bedrijfskavels is in overeenstemming met de ‘Omgevingsvisie Horizon gemeente Raalte 2040’. Door deze ontwikkeling kan de autonome groei van de lokale bedrijvigheid worden opgevangen wat bijdraagt aan de werkgelegenheid en daarmee de leefbaarheid van Heeten.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
Bestemmingsplan “Heeten, uitbreiding bedrijventerrein De Telgen III” Ontwerp 4.3.2
Economische agenda Raalte
4.3.2.1 Algemeen De gemeente Raalte heeft een bruisend bedrijfsleven. Innovatieve producten gaan de hele wereld over, de nuchtere aanpak wordt geroemd en de gemeente heeft een aantrekkelijk winkelaanbod in Heino en Raalte. Een goed ondernemersklimaat is daarbij essentieel. Hier werkt de gemeente samen met het bedrijfsleven en het onderwijs aan. In de Economische Agenda staan de gezamenlijke ambities en activiteiten tot en met 2025 beschreven. De Economische agenda is opgebouwd uit zes hoofdthema's met daaraan gekoppelde ambities. Hierna worden de voor deze ontwikkeling relevante thema’s en ambities benoemd. Ondernemersvriendelijke dienstverlening Een minimale top tien en streven naar een top drie notering in de MKB vriendelijkste gemeente in Overijssel. Innovatie • • • •
De gemeente Raalte wil met het georganiseerd bedrijfsleven bedrijven stimuleren om te innoveren door kennispartners meer onder aandacht bij het bedrijfsleven te brengen. De gemeente Raalte wil met de bedrijvenkringen het bedrijfsleven uitdagen om meer circulair te gaan ondernemen. De gemeente Raalte de bedrijvenkringen en LTO Noord wil de Agro & Food sector stimuleren om te innoveren en om nieuwe markten aan te boren. De gemeente Raalte wil samen met het georganiseerd bedrijfsleven startup, scaleup en gevestigde bedrijven in de gemeente Raalte verbinden met andere (startup en scaleup) bedrijven in de regio.
Raalte, Regio Zwolle en omliggende regio’s •
• •
De Regio Zwolle wil de vierde economische regio van Nederland worden en de gemeente Raalte wil als onderdeel van de Regio Zwolle hier actief aan bijdragen. De gemeente positioneert zich hierin als het economische scharnierpunt tussen de regio's Zwolle, Cleantech en Twente. De gemeente Raalte en het georganiseerd bedrijfsleven willen bedrijven stimuleren om meer internationaal te ondernemen. Bedrijven meer gebruik laten maken van landelijke en provinciale investeringsbevordering programma's.
Vestigingsklimaat • • •
•
De gemeente Raalte wil bedrijven waar mogelijk de ruimte geven om te ondernemen en faciliteren met goede vestigingsmogelijkheden. De gemeente Raalte en het georganiseerd bedrijfsleven willen het ondernemersklimaat voor starters verbeteren. In 2050 is Raalte duurzaam in de breedste betekenis van het woord. Zelfvoorzienend en zelfredzaam op basis van verbondenheid, bewustzijn, samenwerking en eigenkracht. Denkend en handelend in kringlopen. De gemeente wil ondernemers blijven binden aan Raalte, nieuwe bedrijven aantrekken, toekomstig werknemers aantrekken en ondernemers committeren aan het merk "Raalte".
4.3.2.2 Toetsing van het initiatief aan de ‘Economische agenda Raalte’ Met de De Telgen III worden lokale ondernemers, zowel bestaande als starters, de ruimte geboden om te ondernemen in eigen kern. Hiermee wordt de lokale werkgelegenheid en leefbaarheid gestimuleerd en richting de toekomst gewaarborgd. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in lijn is met de Economische Agenda van de gemeente Raalte.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
Bestemmingsplan “Heeten, uitbreiding bedrijventerrein De Telgen III” Ontwerp 4.3.3
Strategisch plan bedrijventerreinen Raalte
4.3.3.1 Algemeen Uit de behoefteraming en regionale afspraken met gemeenten in West-Overijssel blijkt dat de gemeente Raalte op papier een kwantitatief overaanbod heeft van 6,7 hectare bedrijfsgrond voor de periode tot en met 2030. Met andere woorden, op basis van de provinciale behoefteraming en de regionale afspraken heeft Raalte meer dan voldoende ruimte beschikbaar om groeiende bedrijven en nieuwe vestigingen van bedrijven te faciliteren. Omdat de regionale afspraken als doel hebben om overaanbod terug te dringen, heeft de gemeente Raalte daarom met de regio afgesproken dat zij een strategisch plan opstelt om in balans te komen. In dit strategisch plan bedrijventerreinen Raalte wordt achtereenvolgens een overzicht gegeven van de huidige bedrijventerreinen en ontwikkelingen hier, de uitgangspunten voor het strategisch plan en de wijze waarop de gemeente Raalte vraag en aanbod aan bedrijfsgrond in balans brengt voor de komende jaren. De analyses die ten grondslag liggen aan dit strategisch plan zijn uitgevoerd door Stec Groep in het voorjaar van 2020. 4.3.3.2 Behoefte Heeten en aanpak Uit het onderzoek komt naar voren dat er drie kernen zijn waar nog bedrijfsgrond beschikbaar is of er plannen zijn om nieuwe bedrijfsgrond te realiseren. Dit zijn Raalte, Heino en Heeten.
In Raalte is aanbod beschikbaar op De Zegge VI en VII, deze gronden beschikken reeds over een onherroepelijk bestemmingsplan. Het aanbod van Heeten (0,2 hectare) en Heino (3,5 hectare) maken ook onderdeel uit van de regionale programmeringsafspraken maar liggen nog niet vast in een bestemmingsplan en zijn daarom als zachte capaciteit aan te merken. In de marktregio staat buiten de gemeentegrenzen geen nieuw bestemmingsplan op de regionale planlijst. Hoewel er cijfermatig sprake is van een overaanbod voor de gehele gemeente Raalte, hebben ondernemers op de bedrijventerreinen een lokale binding en zijn belangrijk voor de leefbaarheid van de betreffende kernen. De opgave uit de regionale programmering verdient verder enige nuance. Op basis van analyses is het overaanbod in de kern Raalte slechts zeer beperkt, namelijk 1,7 à 2,7 hectare. Tegelijkertijd is er in Heino en Heeten feitelijk helemaal geen sprake van een overaanbod, omdat hier alleen ‘zacht’ aanbod is. Daar is juist sprake van een behoefte van in totaal 2,6 à 2,8 hectare, hoewel die behoefte weliswaar kleiner is dan het totaal aan (zachte) plannen dat daar ligt. De gemeente Raalte kiest ervoor om geen hard aanbod uit de markt te nemen om in de regionale opgave te voorzien. Dat is namelijk: • •
•
Niet nodig, aangezien de gemeente binnen het harde aanbod over de gehele gemeente geen overaanbod heeft en daarmee geen Ladderrisico vormen voor andere gemeenten in de regio. Niet verstandig, omdat het op dit moment hard gaat met de gronduitgifte en reserveringen, en, hoewel de gemeente volgens de behoefteraming nog 10 jaar met het bestaande aanbod uit de voeten kan, zij op basis daarvan mogelijk sneller door de beschikbare grond heen is dan verwacht. Niet verstandig, omdat, ondanks dat er in de kern Raalte kwantitatief op papier een overaanbod is, het slechts gaat om enkele hectares op kavels die verspreid liggen over de bedrijventerreinen. Het uit de markt nemen van hard aanbod is daarom moeilijk, zou ertoe leiden dat de gemeente minder flexibel kan zijn in het aanbod naar ondernemers en kan bovendien mogelijk ook de vastgoedwaarden van bestaande plekken onder druk zetten.
Aanvullend kiest de gemeente Raalte ervoor om via een zogenaamde ‘maatwerkonderbouwing’ de plannen voor Heino en Heeten in procedure te gaan brengen. Dat is wenselijk, zodat ondernemers zich kunnen vestigen in de kern van hun voorkeur en zodat we bijdragen aan de leefbaarheid van deze kernen. Bovendien bemerkt de gemeente dat er een concrete behoefte is van ondernemers en ontwikkelt zij dus enkel vraaggericht. Het nieuw te ontwikkelen aanbod is naar verwachting bij beschikbaarheid vrijwel direct uitgegeven aan lokale ondernemers. Daardoor ontstaat er ook bij nieuwe ontwikkeling geen Ladderrisico voor de rest van de regio.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Bestemmingsplan “Heeten, uitbreiding bedrijventerrein De Telgen III” Ontwerp 4.3.3.3 Toetsing aan Strategische plan bedrijventerreinen Raalte Met de De Telgen III worden lokale ondernemers zowel bestaande als starters de ruimte gegeven om te ondernemen in de eigen kern. Door ruimte te bieden aan bestaande bedrijven en nieuwe bedrijven wordt de lokale werkgelegenheid en leefbaarheid gestimuleerd en richting de toekomst gewaarborgd. De uitbreiding van het bedrijventerrein in Heeten is verder specifiek benoemd in het strategisch plan. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in lijn is met het Strategische plan bedrijventerreinen van de gemeente Raalte. 4.3.4
Landschapsontwikkelingsplan Deventer, Olst-Wijhe en Raalte
4.3.4.1 Algemeen De gemeenten Deventer, Olst-Wijhe en Raalte hebben een Landschapsontwikkelingsplan (LOP) opgesteld met als doel een gezamenlijk kader te bieden (23 september 2008), op basis waarvan nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied kunnen worden beoordeeld, teneinde de ruimtelijke kwaliteit te behouden en te versterken. Het LOP bevat vier belangrijke componenten: a. b. c. d.
inventarisatie en analyse; de LOP-visie 'Een plus voor het landschap'; thematische uitwerkingen; het uitvoeringsprogramma.
4.3.4.2 Deelgebieden Landschapsontwikkelingsplan Het plangebied ligt op basis van het LOP binnen het ‘Zandlandschap’ en specifieker de ‘dekzandvlaktes’. ‘Dekzandvlaktes’ Dit gebied vormt de oorspronkelijke overgang van het oude naar het jonge dekzandlandschap. Het is een oud dekzandlandschap dat onder sterke invloed stond van kwel uit de Sallandse heuvelrug. Het gebied is in de 20e eeuw ontgonnen wat heeft geresulteerd in een uitgesproken ontginningslandschap. Het ruimtelijk beeld van het gebied wordt voornamelijk bepaald door de karakteristieke lanen langs de wegen en de aanwezigheid van de landbouw. Er wordt ingezet op het versterken van het lanenstelsel. Doorgaande structuren zoals het Overijssels Kanaal en de (doorgaande) wegen passen zich aan deze karakteristiek aan: laanbeplanting past hierin. Op de hogere gronden zijn in het verleden essencomplexen en kampen (eenmansesssen) ontstaan. Ten oosten van Raalte en rondom Heeten komen deze escomplexen veelvuldig voor. Door het verdwijnen van randbeplanting rondom de essen zijn de complexen minder herkenbaar geworden. Een opmerkelijk gebied is de Luttenberg, dit is een uitloper van de stuwwal van de Sallandse heuvelrug met een uitgesproken reliëf. Het landschapsbeleid is gericht op het behouden en versterken van de karakteristieken.
4.3.4.3 Toetsing van het initiatief aan het ‘Landschapsontwikkelingsplan’ Het plangebied gaat deel uitmaken van de kern Heeten en krijgt aan de rand met het buitengebied via landschappelijke inpassing een zachte overgang. In hoofdstuk 3 is reeds kort op de landschappelijke inpassing ingegaan. Bij het bepalen van de landschapsmaatregelen is rekening gehouden met de kenmerken zoals deze gelden op basis van het Landschapsontwikkelingsplan. Op deze plaats wordt geconcludeerd dat het initiatief in overeenstemming is met het Landschapsontwikkelingsplan. 4.3.5
Groenbeleid ‘Groen, samen doen!’
4.3.5.1 Algemeen In januari 2017 is het nieuwe groenbeleid ‘Groen, samen doen’ van de gemeente Raalte door de gemeenteraad vastgesteld. In dit document worden de hoofdlijnen weergegeven van het nieuwe groenbeleid en de manier waarop de gemeente hieraan wil werken. Het groenbeleid past binnen de integrale visie op de openbare ruimte en is sterk geënt op de participatiegedachte. Daarnaast biedt dit document inspiratie voor de BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Bestemmingsplan “Heeten, uitbreiding bedrijventerrein De Telgen III” Ontwerp bewoners en de vrijwilligers die zich inzetten voor het groen. Het groenbeleid dat in deze nota is vastgelegd moet bij de afweging van diverse belangen worden meegenomen. Beleid en activiteiten zijn breed van toepassing op het groen (publiek en privaat eigendom) in de gemeente Raalte. Aanpassingen op het kapbeleid worden gelijktijdig meegenomen. Bij het opstellen van het nieuwe Omgevingsplan is deze groennota een van de onderleggers. Het groenbeleid manifesteert zich rond 7 thema’s. De thema’s ‘handhaven en versterken van groenstructuren’ en ‘bomen- en kapbeleid’ zijn van belang. Hieronder wordt op deze thema’s ingegaan. 4.3.5.2 Maatwerk voor kleinschalige aanpassingen groen- en bomenhoofdstructuur Ervaringen met de groen- en bomenhoofdstructuur leert de gemeente Raalte dat het beleid in incidentele gevallen als (te) knellend wordt ervaren. Met een integrale blik op het gebruik en de inrichting van de openbare ruimte, waarvan het groen deel uitmaakt, wil de gemeente maatwerk gaan leveren bij verzoeken om kleinschalige aanpassingen van de groen- en bomenhoofdstructuur. Meer flexibiliteit om voor nieuwe ontwikkelingen en opvattingen ruimte te creëren. Dit onder de voorwaarde dat compensatie plaatsvindt.
Daarnaast kiest de gemeente Raalte bewust voor het beschermen van waardevolle houtopstanden waarbij een onderscheid wordt gemaakt naar deelgebieden, binnen de bebouwde kom (grens bebouwde kom Boswet) en het buitengebied. Daarnaast wordt een onderscheid gemaakt naar eigendom; gemeentelijk en derden. 4.3.5.3 Toetsing van het initiatief aan het groenbeleid ‘Groen, samen doen!’ Zoals in hoofdstuk 3 aangegeven wordt het plangebied op een passende wijze landschappelijk ingepaste en worden er ook binnen het bedrijventerrein groene elementen aangelegd. Aan de zuidrand van het plangebied op de overgang naar het buitengebied wordt een houtwal van 10 meter breed aangelegd om de bedrijven te camoufleren. Daarnaast wordt langs de hoofdtoegangsweg een brede berm van 5 meter aangelegd ten behoeve van de aanplant van bomen. Voor de oostelijke ontsluiting wordt de huidige toegangsweg naar Hutten Beef verlengd en worden de bestaande bomen voor zoveel als mogelijk behouden. Door het groen tussen de toegangsweg naar Hutten Beef, de kavel op Telgen III aan de oostelijke zijde van het plangebied en het water in combinatie met het groen wordt een natuurlijke buffer gecreëerd tussen het fietsvoetpad en deze toegangsweg en kavel. Dit geeft voor de gebruikers van het pad ook meer beleving en een hogere mate van veiligheid. 4.3.6
Welstandsnota Raalte
De gemeenteraad heeft op 29 oktober 2015 de Welstandsnota gemeente Raalte 2016 vastgesteld. Hierdoor is het welstandstoezicht per 1 januari 2016 afgeschaft. In het bestemmingsplan worden via bouwvlakken en bouwregels de bouwmogelijkheden binnen het plangebied geregeld. 4.3.7
Parkeernormen Raalte 2015
Het college van burgemeester en wethouders van Raalte heeft op 3 november 2015 de ‘Parkeernormen Raalte 2015’ vastgesteld. De landelijke parkeerkencijfers van de CROW zijn hierbij als uitgangspunt genomen. Om de bereikbaarheid en kwaliteit van de openbare ruimte te waarborgen dienen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen getoetst te worden aan deze gemeentelijke parkeernormen. In paragraaf 3.2 is hier reeds nader op ingegaan. 4.3.8
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het gemeentelijk beleid zoals hiervoor is toegelicht.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Bestemmingsplan “Heeten, uitbreiding bedrijventerrein De Telgen III” Ontwerp
HOOFDSTUK 5
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting van het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en Besluit milieueffectrapportage.
5.1
Geluid
5.1.1
Wettelijk kader
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan/bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2
Situatie plangebied
In voorliggend geval is door Alcedo een akoestisch onderzoek verricht naar zowel industrielawaai als wegverkeerslawaai. Op basis van het aantal verwachte kavels en de bijbehorende milieucategorie (3.2) volgens de VNG-systematiek wordt in het onderzoek de geluidsemissie en de bijbehorende optredende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus vanwege het hele terrein op nabijgelegen woningen inzichtelijk gemaakt en beoordeeld. Als gevolg van de uitbreiding van het bedrijventerrein gaat er meer verkeer over de Telgenweg en de Holterweg rijden. Een aantal bedrijfswoningen is gelegen aan deze wegen. De geluidsbelasting afkomstig van deze wegen wordt getoetst in analogie met de Wet geluidhinder. Naast toetsing van het industrielawaai en wegverkeerslawaai afkomstig van het plangebied zelf is er sprake van industrielawaai afkomstig van nabijgelegen bedrijven op het terrein De Telgen II en aan de Dorpsstraat en wegverkeerslawaai van de omliggende wegen. De cumulatie van de verschillende geluidssoorten in de huidige en toekomstige situatie is daarom ook in beeld gebracht en beoordeeld. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 2 van deze toelichting. Hierna wordt ingegaan op de onderzoeksresultaten. Onderzoeksresultaten In de resultaten kan onderscheid worden gemaakt in de gevolgen voor de woning aan de Spanjaardsdijk 1, de woningen aan de Telgenweg en overige woningen.
Woning Spanjaardsdijk 1 Ter plaatse van de woning gelegen aan de Spanjaardsdijk 1 bedraagt het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau vanwege industrielawaai afkomstig van De Telgen III ten hoogste 46 dB(A). Hiermee wordt de richtwaarde van 45 dB(A) voor een ‘rustige woonomgeving’ met 1 dB(A) overschreden op de eerste verdieping van de noordgevel. Op de overige gevels en op de begane grond wordt wel voldaan aan de richtwaarde. Het totale industrielawaai neemt na realisatie van De Telgen III bij deze woning met ten hoogste 3 dB(A) toe van 46 dB(A) naar 49 dB(A). De gecumuleerde geluidsbelasting (industrielawaai én wegverkeerslawaai) neemt op de betreffende gevel toe van 50 naar 52 dB. Hiermee is er ter plaatse van deze woning sprake van een verslechtering van het woon- en leefklimaat op de noordgevel. Dit wordt met name veroorzaakt door BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Bestemmingsplan “Heeten, uitbreiding bedrijventerrein De Telgen III” Ontwerp industrielawaai. Op de overige gevels is er geen sprake van een verslechtering. Om de volgende redenen wordt de realisatie van De Telgen III voor deze woning wel toelaatbaar geacht: • • •
Vanwege industrielawaai zal het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau in de woning voldoen aan het toelaatbare niveau van 35 dB(A); De woning beschikt aan de oostzijde over een buitenruimte die zowel voor wegverkeerslawaai als industrielawaai geluidsluw is; De woning is in dit onderzoek beschouwd als gelegen in een ‘rustige woonomgeving’, maar is gezien de ligging aan de Spanjaardsdijk en de optredende geluidsbelastingen vanwege wegverkeerlawaai ook te beschouwen als ‘gemengd gebied’. Het totale geluid afkomstig van industrielawaai voldoet aan de richtwaarde voor ‘gemengd gebied’.
Het vigerende bestemmingsplan maakt verplaatsing van de bestaande woning in de richting van het bedrijventerrein mogelijk. Hiervoor zijn echter geen concrete plannen bekend. Uit het onderzoek blijkt dat, ook bij verplaatsing, bij deze mogelijk nieuwe woning sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Woningen Telgenweg Bij de woningen aan de Telgenweg is sprake van een toename van wegverkeerslawaai van 2 tot 3 dB als gevolg van de verkeersgeneratie van de uitbreiding met De Telgen III. Bij deze woningen neemt de gecumuleerde geluidsbelasting echter niet toe, omdat het industrielawaai afkomstig van Telgen II hier maatgevend is. Om deze reden wordt realisatie van De Telgen III, ondanks de toename van wegverkeerslawaai, voor deze woningen toelaatbaar geacht. Daarnaast wordt met een geluidswering van 22 dB in de woningen wel voldaan aan het toelaatbare geluidsniveau in de woning voor wegverkeerslawaai. Gezien het bouwjaar van de woningen en de staat van onderhoud, is het aannemelijk dat aan deze geluidswering voldaan wordt. Hiermee is de toename van wegverkeerslawaai toelaatbaar. Overige woningen Bij de overige woningen wordt voldaan aan de richtwaarde voor industrielawaai én is er geen sprake van een relevante toename van wegverkeerslawaai en/of industrielawaai.
Om deze redenen levert het geluid als gevolg van de realisatie van De Telgen III bij deze woningen geen belemmering op. Maximale geluidsniveaus Uitgaande van een optrekkende vrachtwagen aan de rand van de uitbreiding wordt bij alle woningen voldaan aan de geluidsvoorschriften uit het Activiteitenbesluit. Daarom is het niet de verwachting dat pieken afkomstig van de bedrijven op de uitbreiding tot problemen gaan leiden bij de omliggende woningen. Op het moment dat een bedrijf zich gaat vestigen, moet het bedrijf bij de melding aantonen dat het kan voldoen aan de dan geldende geluidsvoorschriften. Ook via deze weg wordt daarmee de woon- en leefkwaliteit bij de (mogelijke toekomstige) woning gewaarborgd. 5.1.3
Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.2
Bodemkwaliteit
5.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. Door Terra Agribusiness is een verkennend (water)bodemonderzoek binnen het plangebied uitgevoerd. Hierna worden de onderzoeksresultaten besproken. De volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 3.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Bestemmingsplan “Heeten, uitbreiding bedrijventerrein De Telgen III” Ontwerp 5.2.2
Onderzoeksresultaten
Verkennend bodemonderzoek NEN5740 • • • • • •
In het bovengrondmengmonster BM1 is een lichte verhoging arseen aangetroffen. In de bovengrondmengmonsters BM2 en BM3 zijn matige verhogingen arseen aangetroffen. In de bovengrondmengmonsters BM4 en BM5 zijn sterke verhogingen arseen aangetroffen. In het bovengrondmengmonster BM5 is tevens een lichte verhoging molybdeen aangetroffen. In de ondergrondmengmonsters OM1 en OM3 zijn geen verhogingen aangetroffen. In het ondergrondmengmonster OM2 is een lichte verhoging arseen aangetroffen.
Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek blijkt dat in meerdere mengmonsters een tussenwaarde en interventiewaarde overschrijding van arseen is gemeten. Door de gemeente Raalte is aangegeven dat vaker verhoogde gehalten aan arseen in de omgeving voorkomen. De verhoogde gehalten aan arseen zijn naar alle waarschijnlijkheid van nature aanwezig. Dit metaal komt als complexgebonden metaal voor in de bodem en is niet te relateren aan (bedrijfsmatige) activiteiten op het terrein. Aanvullend onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. In het grondwatermonster Pb01wm1 zijn lichte verhogingen arseen en barium aangetroffen. In de grondwatermonsters Pb08 wm1, Pb10wm1, Pb14wm1 en Pb24wm1 zijn lichte verhogingen barium aangetroffen. In het grondwatermonster Pb23wm1 zijn lichte verhogingen nikkel en barium aangetroffen. Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Waterbodemonderzoek NEN5720 De onderzoekslocatie betreft twee relatief jonge vijvers met oppervlaktewater. Op historische kaarten zijn ze te zien vanaf 2009. De vijvers zijn ontstaan bij de aanleg van een nieuw bedrijventerrein de Telgen II. De vijvers liggen ten zuiden van de gebouwen gelegen aan de IJzerweg 1-3 in Heeten.
De vijvers hebben een wateroppervlak van 2000 en 1300 m2. De baggerspecie van onderzoekstraject SM1 is verspreidbaar op aangrenzende percelen. De baggerspecie is toepasbaar op of in de landbodem en voldoet aan de klasse ‘industrie’. Tevens is de baggerspecie toepasbaar op of in oppervlaktewater en voldoet aan klasse A. De baggerspecie van onderzoekstraject SM2 is eveneens verspreidbaar op aangrenzende percelen. De baggerspecie is altijd toepasbaar op of in de land- en waterbodem en heeft de klasse ‘schoon’. 5.2.5
Conclusie
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1
Beoordelingskader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Bestemmingsplan “Heeten, uitbreiding bedrijventerrein De Telgen III” Ontwerp Advieswaarden WHO/GGD De WHO hanteert advieswaarden voor fijnstof (PM10) van 20 microgram per kuub, en 10 microgram per kuub voor PM2,5; lager dan de wettelijke grenswaarden. Pas als aan deze waarden wordt voldaan kan vanuit het perspectief van gezondheid worden gesproken over acceptabele concentraties en een goed woon- en leefklimaat. Ook de landelijke GGD kent een beoordelingsmethode via de gezondheidseffectscreening (GES), welke ook gebruikt kan worden als criterium voor een goede ruimtelijke ordening, waarmee kan worden vooruitgelopen op de Omgevingsweg, waarin gezondheid en milieu meer aan elkaar worden gekoppeld. 5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats.
In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •
woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.3.2
Situatie plangebied
In het kader van luchtkwaliteit dient op twee manieren naar een plan te worden gekeken: • •
Externe werking van het plan op de omgeving Interne werking achtergrondwaarden op het plan
Externe werking Het voornemen voorziet in de ontwikkeling van het plangebied naar bedrijventerrein. Op basis van het stedenbouwkundig plan zoals beschreven in paragraaf 3.1 is aan de hand van de CROW-uitgave 'Toekomstbestendig parkeren' (publicatie 381) in paragraaf 5.10 de verwachte verkeersgeneratie globaal in beeld gebracht. De uitbreiding brengt op basis van het beoogde programma in totaliteit een verkeersgeneratie van circa 443 verkeersbewegingen per weekdagetmaal met zich mee. Via een NIBM-tool berekening is onderzocht of de ontwikkeling wel of niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het aandeel vrachtverkeer is gelet op de verhouding personenauto's (359) en vrachtwagens (84) op 19 % gezet.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Bestemmingsplan “Heeten, uitbreiding bedrijventerrein De Telgen III” Ontwerp
Uit de berekening blijkt dat voorliggend plan 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Vervolgonderzoek naar effecten op de luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. Interne werking Op de “grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland”, gepubliceerd door het Rijksinstituut Volksgezondheid en Milieu op https://www.rivm.nl/gcn-gdn-kaarten/concentratiekaarten.nl zijn op schaal van vierkante kilometer vakken de gemiddelde achtergrondconcentraties aangegeven van diverse luchtverontreinigende stoffen. Op deze kaart is voor km 2 vak waarin het projectgebied is gelegen aangegeven dat: • • •
De achtergrond concentratie Stikstofdioxide (NO2) voor projectgebied is 9.908 μg/m 3. Dit is ruim onder grenswaarde NO2 40 μg/m3 van de Wet milieubeheer bijlage 2 voorschrift 2.1. De achtergrondconcentratie fijnstof PM10 voor projectgebied is 14,44 μg/m 3. Dit is ruim onder grenswaarde PM10 40 μg/m3 van de Wet milieubeheer bijlage 2 voorschrift 4.1. De achtergrondconcentratie fijnstof PM2,5 voor projectgebied is 7.73 μg/m 3. Voor fijn stof (PM10 en PM2,5) bevinden de concentraties zich onder de WHO-advieswaarde.
Tot slot wordt geconcludeerd dat de beoogde functies niet worden aangemerkt als gevoelige bestemmingen in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. 5.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de realisatie van dit plan.
5.4
Externe veiligheid
5.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
Bestemmingsplan “Heeten, uitbreiding bedrijventerrein De Telgen III” Ontwerp veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico’s Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen'(Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2
Gemeentelijk beleid externe veiligheid
De gemeente wil haar burgers een veilige leefomgeving bieden. Om de verantwoordelijkheid in te vullen heeft de gemeente Raalte externe veiligheidsbeleid geformuleerd in haar ‘Integraal Veiligheidsbeleid 2015-2018’. Bij externe veiligheid gaat het om de risico's op de omgeving die samenhangen met het produceren, verwerken, opslaan en vervoeren van gevaarlijke stoffen. Doel van het externe veiligheidsbeleid is om een toetsingskader te hebben dat duidelijk maakt welke externe veiligheidsrisico’s in de gemeente aanwezig zijn en hoe er met deze en toekomstige risico's dient te worden omgegaan. De gemeente neemt bij besluiten in het kader van vergunningverlening en ruimtelijke ordening het externe veiligheidsbeleid in acht, zoals dat in de rapportage is beschreven. 5.4.3
Situatie in en bij het plangebied
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (rode omlijning) en de directe omgeving weergegeven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
Bestemmingsplan “Heeten, uitbreiding bedrijventerrein De Telgen III” Ontwerp
Afbeelding 5.1
Uitsnede Risicokaart (Bron: Nederland.risicokaart.nl)
Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: • • • •
zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
Zoals te zien is op de kaartuitsnede bevindt zich te noorden van het plangebied een risicobron. Het betreft hier Slachterij Hutten en Zonen BV aan de IJzerweg 1. Uit het advies van de Omgevingsdienst IJsselland blijkt dat het hier een ammoniakopslag betreft. Aan deze installatie zijn geen contouren voor het plaatsgebonden risico gebonden die vallen buiten de grens van de inrichting. Het betreft hier wel een Bevi-inrichting. Op de betreffende gronden van het bedrijf is in voorliggend bestemmingsplan een aanduiding opgenomen dat alleen daar een Bevi-inrichting is toegestaan in de vorm van een slachterij.
5.4.3
Conclusie
Gezien het voorgaande wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met wet- en regelgeving ten aanzien van externe veiligheid.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
Bestemmingsplan “Heeten, uitbreiding bedrijventerrein De Telgen III” Ontwerp
5.5
Milieuzonering
5.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/bestemmingsplan mogelijk is. 5.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ als volgt omschreven: ‘Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen.
Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.’ De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen , zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Het plangebied ligt aan de rand van het bestaande bedrijventerrein in het buitengebied. Voor de dichtstbij gelegen woningen in bebouwde kom (Dorpsstraat 69 en 71) kan, gezien de ligging van deze woning grenzend aan bestaande bedrijfsbestemmingen op het bedrijventerrein De Telgen 2 worden uitgegaan van gemengd gebied. Voor de dichtstbij gelegen woning in het buitengebied op het adres Spanjaardsdijk 1, is te zien dat deze woning niet is gelegen direct naast bedrijfsbestemmingen, in lintbebouwing met overwegend agrarische
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
Bestemmingsplan “Heeten, uitbreiding bedrijventerrein De Telgen III” Ontwerp bestemmingen of in dusdanige nabijheid van hoofdinfrastructuur dat wegverkeersgeluid bepalend. Voor deze woning is sprake van een rustig buitengebied. In voorliggend geval is zekerheidshalve voor alle omliggende woningen uitgegaan van omgevingstype ’rustige woonwijk’. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
5.5.3
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Situatie plangebied
5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. 2.
past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of wanneer de nieuwe functie de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantast. In voorliggende situatie gaat het om de uitbreiding van het bedrijventerrein Telgen, waarbij bij net als bij het bestaande bedrijventerrein bedrijven tot en met milieucategorie 3.2 worden toegelaten. Voor het bedrijventerrein wordt gebruik gemaakt van ‘inwaarts zoneren’. Dit houdt in dat de in de maximaal toegestane bedrijvencategorie rekening worden gehouden met de omliggende gevoelige functies (woningen) en hun ligging in het omgevingstype ‘gemengd gebied’ of ‘rustige woonwijk’. In onderstaand kaartje is deze inwaartse zonering weergegeven. Naast het toepassen van inwaartse zonering is akoestisch onderzoek uitgevoerd. In paragraaf 5.1 zijn de uitkomsten van dit onderzoek reeds behandeld. Het volledige akoestisch onderzoek is opgenomen in bijlage 2 van deze toelichting. Geconcludeerd wordt dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de omliggende geluidsgevoelige functies (woningen).
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
Bestemmingsplan “Heeten, uitbreiding bedrijventerrein De Telgen III” Ontwerp
Afbeelding 5.2
Milieucategorieën de Telgen III/inwaartse zonering (Bron: BJZ.nu)
5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies (in de omgeving). In voorliggend plan worden uitsluitend bedrijfsgebouwen toegevoegd. Het betreffen gebouwen bestemd en geschikt voor structureel verblijf van mensen (bijvoorbeeld werkplaatsen). Er worden geen bedrijfswoningen toegestaan. 5.5.4
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
5.6
Geur
5.6.1
Algemeen
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
Bestemmingsplan “Heeten, uitbreiding bedrijventerrein De Telgen III” Ontwerp Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • •
ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.
Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. 5.6.2
Situatie plangebied
Veehouderij In de omgeving van het plangebied (ten zuiden en oosten) bevinden zich enkele veehouderijen. Met dit plan worden geurgevoelige objecten, namelijk bedrijfsgebouwen mogelijk gemaakt. De bedrijfsgebouwen dienen als geurgevoelig object te worden aangemerkt, omdat er langdurig door personen verbleven kan worden. Het plangebied ligt op ruime afstand van deze veehouderijen. De dichtstbijzijnde veehouderij aan de Voortmansweg 8, ten zuiden van het plangebied, ligt op ruim 340 meter afstand van het plangebied. Het betreft hier een grondgebonden veehouderijbedrijf waarvoor een vaste afstand van 50 meter geldt. Hier wordt ruimschoots aan voldaan. Intensieve veehouderij liggen op grotere afstand van het plangebied. Gelet op deze zeer ruime afstand zal ter plaatse van de nieuwe bebouwing geen sprake zijn van geurhinder als gevolg van het voorgenoemde veehouderijen. De veehouderijen worden niet in de bedrijfsvoering belemmerd omdat op kortere afstand van de betreffende veehouderijen reeds geurgevoelige objecten van derden aanwezig zijn. Deze bestaande geurgevoelige objecten zijn daarmee maatgevend voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de betreffende veehouderijen. Industrie Het plan voorziet in bedrijfsvestiging met bedrijfsgebouwen waarbij sprake is van verblijf van personen.
Verblijf van personen in gebouwen wordt op basis van ‘provinciale beleidsnota 2018 geur niet veehouderijen’ ingedeeld als categorie C verblijfsgebouwen ingedeeld met een beperkte mate van geurgevoeligheid. In de directe omgeving zijn geen industriële emissie bronnen van betekenis aanwezig. Op adres IJzerweg 1 is een slachterijbedrijf gevestigd. Aan de richtafstand voor het aspect geur van 100 meter wordt voldaan. 5.6.3
Conclusie
Het aspect geur vormt geen belemmering voor dit plan.
5.7
Ecologie
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
Bestemmingsplan “Heeten, uitbreiding bedrijventerrein De Telgen III” Ontwerp 5.7.1
Gebiedsbescherming
5.7.1.1 Natura 2000-gebieden Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, ‘Boetelerveld’ ligt op een afstand van circa 4,3 kilometer van het plangebied. Daarnaast ligt de ‘Sallandse Heuvelrug’ op een afstand van circa 5,1 kilometer. Direct negatieve effecten zoals geluid- en lichthinder zijn gelet op de grote afstand uit te sluiten. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Door BJZ.nu is een AERIUS-berekening uitgevoerd om eventuele stikstofdepositie in kaart te brengen. Deze berekening is opgenomen in bijlage 4 van deze toelichting. Hierna wordt ingegaan op de onderzoeksresultaten. Onderzoeksresultaten Aanlegfase Uit de AERIUS-berekening met betrekking tot de aanlegfase blijkt dat in de aanlegfase van de voorgenomen ontwikkeling sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j (zie bijlage 1 van de onderzoekrapportage).
Echter blijkt dat als gevolg van de aanwezige N-emissie veroorzakende activiteit reeds sprake is van stikstofdepositie. Deze depositie vervalt, zoals eerder vermeld, permanent als gevolg van het voornemen. Wanneer de (tijdelijke) depositie als gevolg van de aanlegfase tegenover de depositie als gevolg van de aanwezige activiteit wordt gezet (intern salderen) is per saldo geen sprake van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Er is daarentegen per saldo sprake van een afname van de stikstofdepositie (ten hoogste 0,02 mol/ha/jr.), waardoor als gevolg van de aanlegfase geen sprake is van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Voor de bijbehorende salderingsberekening wordt verwezen naar bijlage 3 van de rapportage. Gebruiksfase Uit de AERIUS-berekening blijkt dat in de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j (zie bijlage 2 van de rapportage). Echter blijkt, zoals eerder vermeld, dat als gevolg van de aanwezige N-emissie veroorzakende activiteit reeds sprake is van stikstofdepositie. Deze depositie vervalt, zoals eerder vermeld, permanent als gevolg van het voornemen. Wanneer de depositie als gevolg van de gebruiksfase tegenover de depositie als gevolg van de aanwezige activiteit wordt gezet (intern salderen) is per saldo geen sprake van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr.
Er is daarentegen per saldo sprake van een afname van de stikstofdepositie (ten hoogste 0,03 mol/ha/jr.), waardoor geen sprake is van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Voor de bijbehorende salderingsberekening wordt verwezen naar bijlage 4 van de rapportage. Conclusie Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase van het voornemen per saldo geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Daarentegen is in beide fasen sprake van een permanente afname van de stikstofdepositie, hetgeen een positief effect heeft ten aanzien van de Natura 2000-gebieden. Het plan is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
Bestemmingsplan “Heeten, uitbreiding bedrijventerrein De Telgen III” Ontwerp
5.7.1.2 Natuurnetwerk Nederland) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’ - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN ligt op enige afstand ten noorden van de kern Heeten. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en afstand tot de NNN, is geen sprake van een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN. 5.7.2
Soortenbescherming
5.7.2.1 Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Wet Natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. Natuurbank Overijssel heeft een Quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. In bijlage 5 bij deze toelichting is de onderzoeksrapportage opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten en conclusies van de uitgevoerde quickscan ingegaan. 5.7.2.2 Onderzoeksresultaten quickscan De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Beschermde diersoorten benutten het plangebied als foerageergebied en vermoedelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën en grondgebonden zoogdieren er een rust- en voortplantingsplaats. Grondgebonden zoogdieren bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied. Het plangebied vormt geen functioneel leefgebied van beschermde vissen.
Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien het plangebied bouwrijp gemaakt wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk amfibieën gedood en wordt mogelijk een (winter)rust- en voortplantingsplaats van een amfibie beschadigd of vernield. Voor de meeste beschermde amfibieënsoorten, die een winterrust- of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats’. Deze vrijstelling geldt echter niet voor de poelkikker. Van deze soort is de winterrust- en voorplantingsplaats beschermd. Poelkikkers mogen niet gedood worden en hun leefgebied mag niet aangetast worden zonder ontheffing. Andere amfibieënsoorten mogen ook niet gedood worden. Geadviseerd wordt een ontheffing aan te vragen voor het aantasten van het functionele leefgebied van de poelkikker.