Toelichting
Tekst van het document
Cumela Advies | Nijverheidsstraat 13, 3861 RJ Nijkerk | Postbus 1156, 3860 BD Nijkerk | T. (033) 247 49 40 www.cumela.nl | advies@cumela.nl | IBAN NL54 RABO0364220600| KvK 30147807| BTW NL 8066.22.404.B01
26
5. Ladder voor duurzame verstedelijking 5.1
Algemeen
De Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in de SVIR en juridisch verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Bij iedere nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden verantwoord dat deze ontwikkeling in een actuele regionale behoefte voorziet (trede 1). Indien daarvan sprake is, dan moet worden beschreven in hoeverre die regionale behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden opgelost (trede 2). Mocht blijken dat dit niet mogelijk is binnen bestaand stedelijk gebied, dan kan worden gemotiveerd dat die ontwikkeling daarbuiten kan plaatsvinden - mits de betreffende locatie multimodaal en passend is of wordt ontsloten (trede 3). In 2017 is er voor gekozen om de ladder te vereenvoudigen. In de praktijk werd de ladder als lastig ervaren en bleef vaak achterwege. Het Rijk heeft met alle partijen in het veld verkend wat mogelijke oplossingen zijn voor de geconstateerde knelpunten. Mede aan de hand van deze verkenning is de Ladder gewijzigd. De ladder bevat geen treden meer. Trede 1 en 2 zijn samengevoegd en trede 3 is geschrapt. Daarnaast wordt de ladderplicht voor wijzigings- en uitwerkingsplannen verschoven naar het moment van vaststelling van desbetreffende plannen.
5.2
Nieuwe stedelijke ontwikkeling
De eerste vraag die moet worden beantwoord is of onderhavig plan een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling betreft. Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een 'stedelijke ontwikkeling' verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Het voorgenomen plan om van de bedrijfswoning een plattelandswoning te maken en het realiseren van één nieuwe bedrijfswoning kan naar aard en omvang niet gezien worden als een stedelijke ontwikkeling. Aangezien in dit geval slechts één nieuwe woning wordt opgericht en een bestaande woning planologisch van functie verandert, is er geen sprake van een 'stedelijke ontwikkeling'. Toetsing aan de ladder van duurzame verstedelijking is derhalve niet noodzakelijk.
Cumela Advies | Nijverheidsstraat 13, 3861 RJ Nijkerk | Postbus 1156, 3860 BD Nijkerk | T. (033) 247 49 40 www.cumela.nl | advies@cumela.nl | IBAN NL54 RABO0364220600| KvK 30147807| BTW NL 8066.22.404.B01
27
6. Milieu- en omgevingsaspecten 6.1 Water 6.1.1 Generiek beleid Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: - vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd. - schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakteen grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Water Programma Op basis van Europese regelgeving en de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022 - 2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer.
Het Nationaal Water Programma richt zich op het aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte en de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening. Het geeft maatregelen die in de periode 2022 - 2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Het initiatief heeft geen invloed op de belangen uit het Nationaal Water Programma.
Cumela Advies | Nijverheidsstraat 13, 3861 RJ Nijkerk | Postbus 1156, 3860 BD Nijkerk | T. (033) 247 49 40 www.cumela.nl | advies@cumela.nl | IBAN NL54 RABO0364220600| KvK 30147807| BTW NL 8066.22.404.B01
28
6.1.2 Beleid Waterschap Drents Overijsselse Delta Op grond van het Besluit Ruimtelijke Ordening moet in de toelichting van ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. Hierin wordt beschreven hoe rekening is gehouden met de gevolgen van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding. Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Drents Overijsselse Delta (voorheen Reest en Wieden & Groot Salland), Vechtstromen en Rijn en IJssel. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen de afgelopen jaren intensief samengewerkt met elkaar en met andere partners. Het nieuwe Waterbeheerplan is één van de resultaten van deze samenwerking. De opzet en grote delen van dit Waterbeheerplan zijn inhoudelijk hetzelfde als dat van de andere waterschappen in Rijn-Oost. Waterschap Drents Overijsselse Delta heeft het waterbeheerprogramma 2022-2027 opgesteld. Hierin aangegeven hoe uitvoering wordt gegeven de wettelijke waterschaptaken als zorgen: - Een goede bescherming tegen hoog water; - Een goed functionerend regionaal watersysteem; - Het zuiveren van afvalwater. Op basis van de gebiedsindeling van het waterschap is de planlocatie gelegen in Salland.
Het gebied Salland wordt begrensd door de IJssel (westzijde), de zuidkant van de Vecht en het Zwarte Water (noordzijde) en de zuid- en oostgrens van het werkgebied van het waterschap Drents Overijsselse Delta. Het gebied bestaat uit relatief laaggelegen beekdalen en hoger gelegen oost-west lopende dekzandruggen. In het oostelijke deel van het gebied liggen de stuwwallen van de Sallandse heuvelrug. In het westen stroomt de IJssel, geflankeerd door uiterwaarden met zand- en kleiputten. Het gebied kent plaatselijk een open tot zeer open karakter. Naar het zuiden en oosten toe wordt dit meer besloten. In deel 2.1 van het waterbeheerprogramma is de gebiedsuitwerking Salland opgenomen. Hierbij zijn de doelen en maatregelen toegelicht om te zorgen voor: - Voldoende water; - Schoonwater; - Schone waterketen; - Waterveiligheid; - Maatschappij en organisatie. Het initiatief heeft geen directe invloed op de gestelde opgaven en maatregelen van het Waterbeheerprogramma 2022 – 2027 van het Waterschap Drents Overijsselse Delta. De nieuwe bedrijfswoning wordt aangesloten op de bestaande riolering in het buitengebied. De overige onderdelen van het waterbeheerprogramma zijn niet van toepassing op het initiatief. Een verdere beschrijving van mogelijke lokale effecten is in de volgende paragraaf opgenomen.
6.1.3 Watertoets In de loop van de tijd hebben ruimtelijke ontwikkelingen in Nederland veel ruimte aan water en/of waterbergingslocaties onttrokken. Aan het begin van de 21e is geconstateerd dat ruimtelijke ontwikkelingen de ruimte voor water niet verder zou mogen beperken. Juist meer ruimte voor water is nodig om klimaatveranderingen, zeespiegelrijzing en bodemdaling op te
Cumela Advies | Nijverheidsstraat 13, 3861 RJ Nijkerk | Postbus 1156, 3860 BD Nijkerk | T. (033) 247 49 40 www.cumela.nl | advies@cumela.nl | IBAN NL54 RABO0364220600| KvK 30147807| BTW NL 8066.22.404.B01
29
vangen. Eén van de instrumenten om het nieuwe waterbeleid voor de 21e eeuw vorm te geven is de watertoets. Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. De meerwaarde van de watertoets is dat zij zorgt voor een vroegtijdige systematische aandacht voor het meewegen van wateraspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets is wettelijk verankerd met het Besluit van 3 juli 2003 tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 in verband met gevolgen van ruimtelijke plannen voor de waterhuishouding (watertoets). De wijziging van het Besluit op de Ruimtelijke Ordening (Bro) regelt een verplichte waterparagraaf in de toelichting bij de genoemde ruimtelijke plannen en een uitbreiding van het vooroverleg met de waterschappen. De verplichting geldt formeel niet voor de structuurvisie. De ruimtelijke structuurvisie is een belangrijk instrument, omdat hierin de strategische ruimtelijke keuzen (locatiekeuzen) voor water en ruimtelijke ontwikkelingen worden gemaakt. Het instrument is vorm- en procedurevrij. Via het instrument www.dewatertoets.nl is de zogeheten watertoets uitgevoerd. Hieruit blijkt dat het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie.
Vanuit het Waterschap Drents Overijsselse Delta zijn aandachtspunten opgesteld ten aanzien van het watersysteem, wateroverlast, de waterkwaliteit en de riolering. Deze aandachtspunten zijn verwerkt in onderstaande toelichting. De reactie van het waterschap is als bijlage 2 bijgevoegd. Binnen het bestemmingsplan worden niet meer dan tien wooneenheden gerealiseerd en de toename van het verharde oppervlak bedraagt niet meer dan 1.500 m2. Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. Voor de aanleghoogte wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 cm. Dit is de afstand tussen de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en onderzijde bouwvloer. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een kleinere ontwateringsdiepte. Om wateroverlast binnen woningen en bedrijven te voorkomen adviseren wij om een drempelhoogte van 30 cm boven het straatpeil te hanteren (as van de weg). Voor lager gelegen ruimtes, zoals kelders en parkeergarages, wordt aandacht besteed aan het voorkomen van wateroverlast door bijvoorbeeld instromend hemelwater. De bestemming en de grootte van het plan hebben een geringe invloed op de waterhuishouding in ruimtelijke zin. Het waterschap Drents Overijsselse Delta gaat akkoord met het plan. Watersysteem Het watersysteem draagt zorg voor de aanvoer van voldoende water, waarborg van de waterkwaliteit en ruimte voor water.
De gewenste ontwikkelingen omvatten geen ingrepen in primaire of secundaire watergangen in de omgeving van de projectlocatie. De gewenste ontwikkeling heeft geen invloed op de werking van de watergangen. Het hemelwater van de nieuw te realiseren bedrijfswoning wordt op de eigen locatie geïnfiltreerd.
Cumela Advies | Nijverheidsstraat 13, 3861 RJ Nijkerk | Postbus 1156, 3860 BD Nijkerk | T. (033) 247 49 40 www.cumela.nl | advies@cumela.nl | IBAN NL54 RABO0364220600| KvK 30147807| BTW NL 8066.22.404.B01
30
Wateroverlast Om wateroverlast te voorkomen kan het zijn dat aanvullende maatregelen moeten worden toegepast bij projecten waarbij sprake is van het vergroten van het verharde oppervlak. Voor middelgrote plannen geldt als regel dat 10% van het verharde oppervlak wordt ingezet voor berging ter compensatie voor de versnelde afvoer van het afstromende hemelwater. Hierbij geldt dat een vrijstelling bestaat voor situaties waarbij niet meer dan 500 m2 nieuwe verharding wordt gerealiseerd. In het plan wordt voor de nieuwe bedrijfswoning en uitrit een verhard oppervlak van circa 300 m2 gerealiseerd. Het hemelwater van de nieuw te bouwen bedrijfswoning wordt ter plekke geïnfiltreerd. Door de infiltratie in de bodem wordt het water vertraagd van de locatie afgevoerd. Ten aanzien van de gewenste ontwikkelingen worden geen belemmeringen van waterberging of wateroverlast verwacht. Waterkwaliteit Tenslotte moet aandacht worden gegeven aan de kwaliteit van het afvalwater. Het initiatief mag niet leiden tot een risico voor de volksgezondheid en het water moet voldoende schoon zijn voor mensen, planten en dieren. Het initiatief leidt niet tot een verandering van bedrijfsafvalwater. De nieuwe bedrijfswoning wordt aangesloten op de gemeentelijke riolering. Daarnaast komt geen overig bedrijfsafvalwater vrij. Dit blijft onveranderd ten opzichte van de bestaande situatie.
Aangaande het onderdeel waterhuishouding zijn afdoende maatregelen aanwezig of uitvoerbaar. Het aspect water vormt geen belemmering van dit plan.
6.2
Bodem
In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Met de beoogde ontwikkelingen is er sprake van een planologische wijziging. Bij de wijziging is geen sprake van een strenger bodemgebruik. De grond zal niet geroerd worden en de bestaande bebouwing zal behouden blijven. Derhalve is een bodemonderzoek met betrekking tot de voorgenomen plannen niet noodzakelijk.
Ter plaatse van de nieuwe bedrijfswoning en de nieuw te bestemmen plattelandswoning is door Hunneman Milieu-Advies Raalte BV een historisch vooronderzoek conform NEN 5725 voor de locaties uitgevoerd. Deze onderzoeken zijn als bijlage 3 aan deze onderbouwing toegevoegd. Uit deze onderzoeken kan worden geconcludeerd dat de planlocatie kan worden beschouwd als niet verdacht.
Cumela Advies | Nijverheidsstraat 13, 3861 RJ Nijkerk | Postbus 1156, 3860 BD Nijkerk | T. (033) 247 49 40 www.cumela.nl | advies@cumela.nl | IBAN NL54 RABO0364220600| KvK 30147807| BTW NL 8066.22.404.B01
31
Bij de aanvraag voor de bouwvergunning voor de nieuw te bouwen bedrijfswoning zal een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 moeten worden uitgevoerd.
6.3
Luchtkwaliteit
In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof en stikstofdioxide (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'.
Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken. Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt.
De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: - scholen; - kinderdagverblijven; - verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten.
Cumela Advies | Nijverheidsstraat 13, 3861 RJ Nijkerk | Postbus 1156, 3860 BD Nijkerk | T. (033) 247 49 40 www.cumela.nl | advies@cumela.nl | IBAN NL54 RABO0364220600| KvK 30147807| BTW NL 8066.22.404.B01
32
In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Plattelandswoning De Raad van State heeft bij uitspraak van 4 februari 2015 (201306630/5/R3) bepaald dat de luchtkwaliteitseisen ook gelden bij plattelandswoningen. Dit volgt uit de Europese Richtlijn voor luchtkwaliteit 2008/50/EG. De regels van titel 5.2 Wet milieubeheer zijn van toepassing en moeten getoetst worden. Dit betekent dat voor alle type woningen hetzelfde beschermingsniveau geldt. Er zijn geen mogelijkheden om flexibeler om te gaan met de luchtkwaliteitseisen bij plattelandswoningen. Als de wettelijke grenswaarden voor lucht niet worden gehaald, is de aanwijzing als plattelandswoning niet mogelijk. De uitspraak van de Raad van State kan gevolgen hebben voor de ontwikkelingsmogelijkheden van het agrarisch bedrijf bij de plattelandswoning.
Dit wordt bij de vaststelling van het ruimtelijk besluit tot aanwijzing van de plattelandswoning merkbaar. Dit dient beoordeeld te worden bij het bepalen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Planspecifiek Gezien de beperkte omvang van voorgenomen planologische wijziging, kan deze worden gezien als een NIBM-project. Desondanks is gekeken naar de concentraties ter plaatse van de planlocatie van de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland (GCN). De meest recente gegevens dateren uit 2022. Onderstaand zijn de kaarten voor stikstofdioxide en fijnstof weergegeven, de rode pijl betreft de planlocatie.
Figuur 11: Uitsnede GCN stikstofdioxide (bron: https://data.rivm.nl/apps/gcn/)
Cumela Advies | Nijverheidsstraat 13, 3861 RJ Nijkerk | Postbus 1156, 3860 BD Nijkerk | T. (033) 247 49 40 www.cumela.nl | advies@cumela.nl | IBAN NL54 RABO0364220600| KvK 30147807| BTW NL 8066.22.404.B01
33
Figuur 12: Uitsnede GCN fijn stof (bron: https://data.rivm.nl/apps/gcn/)
Uit de waarden van de GCN blijkt dat de concentraties stikstofdioxide (10,44 µg/m³) en fijnstof (16,38 µg/m³) ter plaatse van het plangebied ruim onder de grenswaarde van 40 µg/m³ liggen. Bij de voorziene plattelandswoning en bij de nieuwe bedrijfswoning is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
6.4
Geluid
De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh): -
woningen; geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen); - andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh): 1. verzorgingstehuizen; 2. psychiatrische inrichtingen; 3. medisch centra; 4. poliklinieken; 5. medische kleuterdagverblijven. Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Ingevolge de Wet geluidhinder (Wgh) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro) dient bij nieuwe ruimtelijke plannen beoordeeld te worden of in het jaar van vaststelling van het
Cumela Advies | Nijverheidsstraat 13, 3861 RJ Nijkerk | Postbus 1156, 3860 BD Nijkerk | T. (033) 247 49 40 www.cumela.nl | advies@cumela.nl | IBAN NL54 RABO0364220600| KvK 30147807| BTW NL 8066.22.404.B01
34
bestemmingsplan en 10 jaar daarna, aan de normen uit de Wet geluidhinder kan worden voldaan en of binnen het plangebied sprake zal zijn van een aanvaardbaar akoestisch leefklimaat. Wanneer geluidgevoelig bestemmingen, waaronder woningen, binnen de geluidszone van industrielawaai, wegverkeerslawaai of spoorweglawaai liggen, dient onderzocht te worden in hoeverre voldaan kan worden aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde voor geluid van 48 dB. Onder voorwaarden kan een ontheffing (hogere waarde) worden vastgesteld van maximaal 53 dB. Plattelandswoning Volgens de Wabo (artikel 1.1a) en het Activiteitenbesluit (artikel 1.3c) maken plattelandswoningen deel uit van de inrichting van een agrarisch bedrijf. De toetsing aan de normen ter bescherming van de geluidhinder die plattelandswoningen kunnen ondervinden van andere omliggende inrichtingen blijft echter gelden. Planspecifiek Een plattelandswoning is geluidgevoelig ingevolge de Wgh, echter alleen voor omliggende inrichtingen en niet voor de het bedrijf waar de woning deel van uitmaakt. Omliggende inrichtingen worden hieronder besproken. Voor het beoordelen van het woon- en leefklimaat van de woningen en de gevolgen van wegverkeerlawaai zijn onderzoeken uitgevoerd. Deze onderzoeken zijn als bijlage 4 bij deze onderbouwing toegevoegd.
Wegverkeerlawaai De betreffende woning is gelegen aan de Linderteseweg en in de directe omgeving van de Ommerweg N348. Voor deze weg geldt vanuit de Wet geluidhinder een onderzoeksplicht voor geluidsgevoelige objecten. Vanuit de Wet geluidhinder wordt er echter geen onderscheidt gemaakt tussen een bedrijfswoning en een plattelandswoning. Uitsluitend voor de nieuwe bedrijfswoning is sprake van een nieuwe situatie. De voorziene plattelandswoning betreft een bestaande situatie. Woon- en leefklimaat Linderteseweg 46 Bij deze toelichting is een akoestisch onderzoek opgesteld in het kader van een goede ruimtelijke ordening, wegverkeerslawaai en industrielawaai (loonbedrijf) waarin de geluidbelasting op de plattelandswoning Linderteseweg 46 inzichtelijk is gemaakt. De geluidsbelasting vanwege de Ommerweg (N348) is hoger dan de maximaal te ontheffen grenswaarde van 58 dB. De geluidsbelastingen vanwege de activiteiten van het loonbedrijf in de representatieve bedrijfssituatie zijn lager dan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer, maar hoger dan deze grenswaarden in de beschreven afwijkende bedrijfssituatie. De hoogste geluidsbelasting vanwege wegverkeerslawaai treedt op ter plaatse van de westelijke gevel. Geluidsbelasting vanwege het loonbedrijf treedt op ter plaatse van de oostelijke gevels van de woning.
Dit houdt in dat er geen cumulatief effect van beide geluidsoorten optreedt. Tegelijkertijd blijkt uit de akoestische onderzoeken dat de zuidelijke gevel van de woning Linderteseweg 46 aangemerkt kan worden als geluidluwe gevel, zowel wat betreft wegverkeers- als industrielawaai. Aan deze zijde is tevens (een deel van) de buitenruimte (tuin) gesitueerd. Ten slotte moet worden opgemerkt dat zowel de woning Linderteseweg 46 als het loonbedrijf in de huidige situatie reeds aanwezig zijn. Het plan omvat een verandering voor het
Cumela Advies | Nijverheidsstraat 13, 3861 RJ Nijkerk | Postbus 1156, 3860 BD Nijkerk | T. (033) 247 49 40 www.cumela.nl | advies@cumela.nl | IBAN NL54 RABO0364220600| KvK 30147807| BTW NL 8066.22.404.B01
35
loonbedrijf, namelijk de ontsluiting van het terrein via de meer oostelijk gesitueerde nieuwe inrit. Hiermee wordt de afstand tussen de inrit en de plattelandswoning vergroot, dit komt het woon- en leefklimaat bij de woning Linderteseweg 46 ten goede. Woon- en leefklimaat Linderteseweg 48 In de beoordeling van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de bedrijfswoning Linderteseweg 48 blijft het loonbedrijf buiten beschouwing. De woning maakt immers, zowel formeel als in de dagelijkse gang van zaken, deel uit van de inrichting. Er is geen relevante geluidsbelasting te verwachten van andere bedrijven. Uit het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is gebleken dat de voorkeurswaarde van 48 dB wordt overschreden als gevolg van de Ommerweg (N348). Niet te verwachten is dat de geluidsbelasting voldoende kan worden teruggebracht door middel van bron- en overdrachtsmaatregelen. Verzocht wordt een hogere grenswaarde op grond van de Wet geluidhinder vast te stellen van 53 dB, ten gevolge van de Ommerweg (N348). De positie van de woning en daarmee de afstand tot de Ommerweg is niet verankerd in het bestemmingsplan, op de verbeelding is de nadere aanduiding bedrijfswoning namelijk niet begrensd.
De in het akoestisch onderzoek gehanteerde positie van de woning, op een afstand van circa 110 meter van de Ommerweg, is het uitgangspunt om aan de hogere grenswaarde te voldoen en de in het akoestisch onderzoek berekende cumulatieve geluidsbelasting van 56 dB te voldoen. Gelet op de geluidsbelasting en het benodigde niveau van de geluidwering van gevels is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Verder wordt opgemerkt dat de oostelijke zijde van de woning aangemerkt kan worden als geluidluw, dit komt het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning ten goede. Spoorweglawaai Spoorweglawaai is uitgesloten; er liggen geen spoorwegen in de directe omgeving van de locatie. Industrielawaai In de omgeving zijn enkele (agrarische) bedrijven gevestigd. Het plangebied is niet gelegen binnen de richtafstanden die horen bij de aanwezige bedrijven. De nieuwe bedrijfswoning ligt op minimaal 100 meter van enige bedrijfsmatige activiteit in de omgeving. Conclusie Geluidshinder uit wegverkeer-, spoorweg-, dan wel industrielawaai vormt geen belemmeringen voor onderhavig plan.
6.5
Natuurbescherming
Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is de Flora- en Faunawet van toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Gebiedsbescherming
Cumela Advies | Nijverheidsstraat 13, 3861 RJ Nijkerk | Postbus 1156, 3860 BD Nijkerk | T. (033) 247 49 40 www.cumela.nl | advies@cumela.nl | IBAN NL54 RABO0364220600| KvK 30147807| BTW NL 8066.22.404.B01
36
De Natuurbeschermingswet richt zich op de bescherming van gebieden. In de Natuurbeschermingswet zijn de volgende gronden aangewezen en beschermd: - Natura2000-gebieden (Habitat- en Vogelrichtlijngebieden); - Beschermde Natuurmonumenten; - Wetlands. Naast deze drie soorten gebieden is het Natuurnetwerk Nederland (NNN) in het kader van de gebiedsbescherming van belang. De NNN is een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvat bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. De NNN draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang: - vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden; - verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden; - verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is. Soortenbescherming De Flora- en faunawet regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven.
In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Naast een aantal in de wet (en daarop gebaseerde besluiten) vermelde specifieke mogelijkheden om ontheffing te verlenen van in de wet genoemde verboden, geeft de wet een algemene ontheffingsbevoegdheid aan de minister (artikel 75, lid 3). Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Planspecifiek Het initiatief betreft het planologisch wijzigen van een bedrijfswoning naar een plattelandswoning. Dit betreft een bestaande situatie. De locatie van de nieuw te realiseren van de bedrijfswoning wordt in de huidige situatie gebruikt als grasland en schapenwei. Deze grond wordt jaarlijks regelmatig intensief bewerkt door onder andere maaiwerkzaamheden en het laten grazen van schapen. De locatie bevindt zich in de bedrijfsbestemming. Het voorkomen van beschermde soorten kan hierdoor worden uitgesloten.
Het initiatief zal derhalve geen invloed hebben op de mogelijk aanwezige beschermde flora en fauna. Het uitvoeren van een ecologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Ten aanzien van de gebiedsbescherming wordt opgemerkt dat het plangebied niet in een gevoelig gebied is gelegen. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft het Boetelerveld op ruim drie kilometer afstand. Van direct invloed op de omvang van deze gebieden is geen sprake. De activiteiten en vervoersbewegingen van de bedrijfsbestemming
Cumela Advies | Nijverheidsstraat 13, 3861 RJ Nijkerk | Postbus 1156, 3860 BD Nijkerk | T. (033) 247 49 40 www.cumela.nl | advies@cumela.nl | IBAN NL54 RABO0364220600| KvK 30147807| BTW NL 8066.22.404.B01
37
blijven ongewijzigd. Met het realiseren van de nieuwe bedrijfswoning wordt het aantal vervoersbewegingen naar de bedrijfslocatie door de eigenaar verminderd. Voor zowel de gebruiksfase van het loonbedrijf en de aanlegfase voor de bedrijfswoning is een berekening met AERIUS Calculator uitgevoerd. Deze berekeningen, inclusief toelichting zijn als bijlage 5 toegevoegd. Uit de berekeningen blijkt dat zowel de gebruiks- en aanlegfase geen significante effecten op omliggende Natura 2000-gebieden veroorzaken.
6.6
Milieuzonering
Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Dit sluit aan op de doelen van het Activiteitenbesluit. Voor activiteiten volgens dit besluit zijn door de wetgever verschillende voorschriften gegeven die ook ruimtelijke gevolgen kunnen hebben. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof.
De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen: - het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen; - het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen. Planspecifiek Wonen wordt in het kader van bedrijven en milieuzonering gezien als een milieugevoelige bestemming. Derhalve moet gekeken worden of in de omgeving van het plangebied bedrijven aanwezig zijn met een milieucontour die over het plangebied ligt.
Cumela Advies | Nijverheidsstraat 13, 3861 RJ Nijkerk | Postbus 1156, 3860 BD Nijkerk | T. (033) 247 49 40 www.cumela.nl | advies@cumela.nl | IBAN NL54 RABO0364220600| KvK 30147807| BTW NL 8066.22.404.B01
38
Onderdeel van het plangebied is het agrarisch loonbedrijf waar de huidige bedrijfswoning aan Linderteseweg 46 toebehoort. Op het moment dat de bedrijfswoning bij het bedrijf hoort, wordt deze gezien als onderdeel van de inrichting. De aan te houden milieuzoneringen zijn dan niet van toepassing. Met de wijziging naar een reguliere woning moet echter wel worden voldaan aan de milieuzoneringen. Vanwege de vaak zeer korte afstand tussen de voormalige bedrijfswoning en het bedrijf lukt dat veelal niet. Dit heeft tot gevolg dat het bedrijf beperkingen ondervindt en extra milieumaatregelen moet treffen door de nabijheid van een woning. Om dit te voorkomen is de 'Wet Plattelandswoning' aangenomen. Deze wet beoogt te regelen dat de planologische status van gronden en opstallen bepalend te laten zijn voor de mate van milieubescherming, alsmede om de positie van agrarische bedrijfswoningen aan te passen.
Deze wet voegt een bepaling toe aan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (artikel 1.1a): Een bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorend tot een inrichting, die op grond van het bestemmingsplan, de beheersverordening of, indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning door een derde bewoond mag worden, wordt met betrekking tot die inrichting voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen beschouwd als onderdeel van die inrichting, tenzij bij of krachtens deze wet anders is bepaald. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder landbouwinrichting verstaan: inrichting waar uitsluitend of in hoofdzaak agrarische activiteiten, zijnde het telen of kweken van landbouwgewassen of het fokken, mesten, houden of verhandelen van landbouwhuisdieren, dan wel activiteiten die daarmee verband houden worden verricht. Uit jurisprudentie en het Activiteitenbesluit is gebleken dat bij een loonbedrijf sprake is activiteiten die verband houden met agrarische activiteiten. Hierin is een tweedelige oplossing opgenomen: 1. de (voormalige) bedrijfswoning kan worden aangewezen als ‘plattelandswoning’ zodat hierin bewoning door een derde (burgerwoning) kan plaatsvinden. Het gebruik als bedrijfswoning blijft mogelijk.
Aanwijzing als plattelandswoning vindt plaats in het bestemmingsplan, de beheersverordening of in een buitenplanse omgevingsvergunning; 2. deze woning blijft bij de inrichting, het loonbedrijf, horen zodat voor deze woning de milieubescherming gelijk is aan de bescherming alsof het nog de eigen bedrijfswoning is. Omdat de voormalige bedrijfswoning als plattelandswoning wordt bestemd, is de milieuhinder van het bedrijf waar het vanaf gesplitst wordt niet relevant. De woning blijft onderdeel uitmaken van de milieutechnische inrichting. Daarnaast moet nog wel worden gekeken naar de eventuele milieugevolgen van bedrijven van derden. De omgeving van het plangebied wordt getypeerd als ‘rustige woonwijk’/’rustig buitengebied’, zodat voor milieuzonering de reguliere richtafstanden van de brochure Bedrijven en milieuzonering van de VNG, uitgave 2009, worden aangehouden. Met de situering van bedrijven in de nabijheid van het plangebied wordt, behalve voor de richtafstand voor geur voor het melkrundveebedrijf aan de Linderteseweg 52, voldaan aan alle richtafstanden van de VNG brochure Bedrijven en milieuzonering. Voor geur van veehouderijen is echter de geurnormering van de Wgv leidend boven de VNG-richtafstanden.
Cumela Advies | Nijverheidsstraat 13, 3861 RJ Nijkerk | Postbus 1156, 3860 BD Nijkerk | T. (033) 247 49 40 www.cumela.nl | advies@cumela.nl | IBAN NL54 RABO0364220600| KvK 30147807| BTW NL 8066.22.404.B01
39
Een nadere uitwerking van de Wgv-normen is in paragraaf 6.11 van deze onderbouwing opgenomen. In de omgeving van het plangebied zijn enkele veehouderijen en een hoveniersbedrijf aanwezig. Voor de rundveehouderijen geldt een richtafstand van 100 meter tot gevoelige bestemmingen. De afstand tot het hoveniersbedrijf aan de Nieuwe Lemelerveldweg 1 moet minimaal 50 meter bedragen. De afstand van de voorziene plattelandswoning en de nieuwe bedrijfswoning liggen op meer dan 100 meter afstand van de omliggende bedrijven. Toets richtafstanden In de omgeving van het plangebied zijn enkele veehouderijen en een hoveniersbedrijf aanwezig. In onderstaande tabel zijn de richtafstand getoetst aan de richtafstanden. Hierbij is de afstand tussen het bestemmingsvlak van het initiatief en de omliggende bedrijven opgenomen. Hierbij is zowel gekeken vanuit de omgeving naar het plangebied (interne werking) als vanuit het plan gebied naar de omgeving (externe werking). Invloed activiteiten in omgeving1 van het plangebied (interne werking) Activiteiten/bedrijf
adres
afstand tot woning*
Milieucat.
Richtafstand (> afstand)
Varkensbedrijf 3.639 zeugen 200 vleesvarkens 2 dekberen 10 schapen 3 paarden Varkensbedrijf 1.220 vleesvarkens
Crismansweg 5
+/- 740 m
4.1
200 m geur 50 m geluid 30 m stof
Hagweg 6
+/- 900 m
4.1
Pluimvee-/varkensbedrijf 95.250 vleeskuikens 517 zeugen 183 vleesvarkens 2 dekberen 1 paard Hobby rundveehouderij 8 zoogkoeien 6 kippen 2 jongvee 2 geiten 1 konijn
Maateweg 5
+/- 375 m
4.1
200 m geur 50 m geluid 30 m stof 200 m geur 50 m geluid 30 m stof
Lindertseweg 47
+/- 115 m
3.2
100 m geur 30 m stof/geluid
Rundveebedrijf 80 melkkoeien 70 jongvee
Lindertseweg 52
+/- 100 m
3.2
100 m geur 30 m stof/geluid
1 Gebaseerd op functietoedeling in het bestemmingsplan
Cumela Advies | Nijverheidsstraat 13, 3861 RJ Nijkerk | Postbus 1156, 3860 BD Nijkerk | T. (033) 247 49 40 www.cumela.nl | advies@cumela.nl | IBAN NL54 RABO0364220600| KvK 30147807| BTW NL 8066.22.404.B01
40
Invloed activiteiten in omgeving1 van het plangebied (interne werking) Varkens-/rundveebedrijf 594 vleesvarkens 238 vleeskalveren 188 melkkoeien 80 jongvee
Lindertseweg 58
+/- 870 m
4.1
200 m geur 50 m geluid 30 m stof
Pluimvee-/kalverbedrijf 23.043 legkippen 542 vleeskalveren 7 geiten Varkensbedrijf 160 vleesvarkens 18 melkkoeien Pluimveebedrijf 10.414 grootouder dieren Hoveniersbedrijf / bomenkwekerij b.o. > 500 m2
Steege 12
+/- 815 m
4.1
200 m geur 50 m geluid 30 m stof
Steege 17
+/- 615 m
4.1
Steege 25
+/- 860 m
4.1
Nieuw Lemelerveldweg 1
+/- 220 m
3.1
200 m geur 50 m geluid 30 m stof 200 m geur 50 m geluid 30 m stof 30 m geur 10 m stof 50 m geluid
De activiteiten in de omgeving van het plangebied voldoen aan de richtafstanden genoemd in de handreiking ‘bedrijven en milieuzonering’. De activiteit ‘wonen’ die in het plangebied zal worden uitgeoefend heeft geen significante milieueffecten op de omgeving (externe werking). Gezien het voorgaande vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de planologische wijziging.
6.7
Externe veiligheid
Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s: - risicovolle (Bevi-)inrichtingen; - vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; - vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvangen dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen.
De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen.
Cumela Advies | Nijverheidsstraat 13, 3861 RJ Nijkerk | Postbus 1156, 3860 BD Nijkerk | T. (033) 247 49 40 www.cumela.nl | advies@cumela.nl | IBAN NL54 RABO0364220600| KvK 30147807| BTW NL 8066.22.404.B01
41
Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico gaat over de impact van een calamiteit met veel dodelijke slachtoffers tegelijk. Groepsrisico is geen norm, maar er geldt een verantwoordingsplicht. Gemeenten en provincies moeten bij een toename van het groepsrisico vaak verantwoording afleggen over het genomen besluit. Hierbij moet aandacht besteed worden aan mogelijke alternatieven en risicoreducerende maatregelen. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden.
Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden.
Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de
Cumela Advies | Nijverheidsstraat 13, 3861 RJ Nijkerk | Postbus 1156, 3860 BD Nijkerk | T. (033) 247 49 40 www.cumela.nl | advies@cumela.nl | IBAN NL54 RABO0364220600| KvK 30147807| BTW NL 8066.22.404.B01
42
belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek Uit raadpleging van de risicokaart Nederland blijkt dat de nieuwe bedrijfswoning in het plangebied op circa 110 meter is gelegen van de Ommerweg (N348) waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Gelet op de bestaande omgeving (incidentele bebouwing) en de afstand van het plangebied tot de weg kan worden volstaan met een kwalitatieve toetsing van de risico’s door toepassing van de vuistregels transport zoals opgenomen in de Handleiding risicoanalyse transport (HART). Voor de transportgegevens is uitgegaan van de tellingen die zijn uitgevoerd voor wegvak O59 van de Lijst wegvakken die in 2019 is opgesteld.
Voor de groei van het transport van gevaarlijke stoffen is gebruik gemaakt van tabel 4.3 uit het rapport Prognose Basisnet weg en water. In onderstaande tabel zijn de verkeersintensiteiten opgenomen. Stofcategorie GF3 LF1 LF2 LT2
Brandbaar gas Brandbare vloeistof Brandbare vloeistof Toxische vloeistof
Aantal transporten 2019 2023 96 115 1.234 1.570 1.891 2.405 30 39
De N348 betreft een weg buiten de bebouwde kom. De ligging van het plangebied ten opzichte van de weg wordt weergegeven in onderstaande figuur.
Cumela Advies | Nijverheidsstraat 13, 3861 RJ Nijkerk | Postbus 1156, 3860 BD Nijkerk | T. (033) 247 49 40 www.cumela.nl | advies@cumela.nl | IBAN NL54 RABO0364220600| KvK 30147807| BTW NL 8066.22.404.B01
43
Figuur 13: Uitsnede risicokaart (plangebied is rood omcirkeld)
Plaatsgebonden risico Voor de vaststelling van het plaatsgebonden risico is gebruik gemaakt van de vuistregels zoals opgenomen in bijlage 1.2.3.1 van de Handleiding Risicoanalyse Transport (Hart) voor wegtype ‘weg buiten de bebouwde kom’ [2]. - Vuistregel 1: Een weg buiten de bebouwde kom heeft geen 10-5-contour. -
Vuistregel 2: Wanneer het aantal GF3-transporten per jaar lager is dan 500 heeft een weg buiten de bebouwde kom geen 10-6-contour. Uit tabel 1 blijkt dat het aantal transporten GF3-gelijk is aan 115. De drempel van 500 transporten wordt niet overschreden, er is dus geen sprake van een PR 10-6-contour. -
Vuistregel 3: Wanneer het aantal GF3 transporten per jaar groter is dan 500 heeft een weg buiten de bebouwde kom geen 10-6-contour als 0.0003*(GF3+0.2*LF2+LT1+LT2+3*LT3+GT4+GT5 )< 1 De regel is niet van toepassing, het aantal transporten GF3 is lager dan 500. Groepsrisico Voor de bepaling van het groepsrisico is gebruik gemaakt van de vuistregels zoals opgenomen in bijlage 1.2.3.2 van de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) voor wegtype ‘weg buiten de bebouwde kom’. -
Vuistregel 1: Wanneer de vervoersstroom gevaarlijke stoffen in tankwagens (bulkvervoer) stoffen bevat uit de categorieën LT3, GT4 of GT5 (ongeacht de aantallen) pas dan RBM II toe.
Cumela Advies | Nijverheidsstraat 13, 3861 RJ Nijkerk | Postbus 1156, 3860 BD Nijkerk | T. (033) 247 49 40 www.cumela.nl | advies@cumela.nl | IBAN NL54 RABO0364220600| KvK 30147807| BTW NL 8066.22.404.B01
44
Uit de tellingen blijkt dat stoffen uit de categorieën LT3, GT4 of GT5 niet zijn waargenomen. -
Vuistregel 2: Wanneer GF3 minder is dan 10 maal de drempelwaarde in Tabel 1-6 (eenzijdige bebouwing) of 10 maal de drempelwaarde in Tabel 1-7 (2-zijdige bebouwing) wordt de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet overschreden. Uit een beoordeling van de gegevens uit de BAG-populatiegegevens blijkt dat circa 104 personen aanwezig zijn op een oppervlakte van circa 125 hectare. Onderstaande afbeelding geven de beoordeling van de BAG-populatiegegevens weer.
Figuur 14: Resultaten BAG-populatiegegevens
Cumela Advies | Nijverheidsstraat 13, 3861 RJ Nijkerk | Postbus 1156, 3860 BD Nijkerk | T. (033) 247 49 40 www.cumela.nl | advies@cumela.nl | IBAN NL54 RABO0364220600| KvK 30147807| BTW NL 8066.22.404.B01
45
Omdat aan beide zijden van de N348 bebouwing aanwezig is, zijn de gegevens uit tabel 1-7 van artikel 1.2.3.2 van de bijlage bij de HART toegepast. Hieruit blijkt dat de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet wordt overschreden. Conclusie Uit bovenstaande beoordeling van risico’s van de transportroute van gevaarlijke stoffen over de N348 blijkt dat Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van de nieuwe bedrijfswoning. In zowel de huidige als toekomstige situatie ligt het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde. De verantwoording van het groepsrisico kan daarom achterwege blijven. Ten slotte zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle (Bevi)-inrichtingen, transportroutes voor gevaarlijke stoffen door buisleidingen en/of transportroutes over water en spoor aanwezig zijn die nader moeten worden beschouwd. Daarnaast zullen in de toekomstige situatie in het plangebied zelf ook geen risicovolle activiteiten worden uitgevoerd die de externe veiligheid van omliggende (beperkt) kwetsbare objecten in gevaar kunnen brengen. Het initiatief leidt niet tot aanpassingen van eventuele mogelijke vluchtroutes of een aanpassing van de bereikbaarheid van hulpdiensten. De gewenste wijzigingen hebben geen invloed op de zelfredzaamheid, bereikbaarheid of bestrijdbaarheid van eventuele calamiteiten.
Derhalve vormt het aspect externe veiligheid geen belemmeringen voor de uitvoering van onderhavig plan. Advies Veiligheidsregio IJsselland In december 2021 is door de Veiligheidsregio IJsselland een advies uitgebracht ten aanzien van het initiatief. De twee bestaande woningen liggen binnen een afstand van 100 meter van de N348, de Ommerweg. De nieuwe bedrijfswoning wordt op een afstand van circa 100 meter van de N348 gerealiseerd. De N348 wordt gebruikt voor het transport van brandbare gassen of vloeistoffen. Uit het advies volgt dat bij een ongeval waarbij voertuigen zijn betrokken voor het transport van brandbare gassen of vloeistoffen in gebouwen moet worden geschuild die zover mogelijk van de N348 zijn gelegen.
6.8
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: 1. het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; 2. het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-
Cumela Advies | Nijverheidsstraat 13, 3861 RJ Nijkerk | Postbus 1156, 3860 BD Nijkerk | T. (033) 247 49 40 www.cumela.nl | advies@cumela.nl | IBAN NL54 RABO0364220600| KvK 30147807| BTW NL 8066.22.404.B01
46
plicht: het besluit is dan m.e.r.- beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; 3. het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; 4. de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht. Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet: - door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; - het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen.
Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; - de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer). De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:348, 31 januari 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. De ontwikkeling kan betrekking hebben op categorie D 11.2 ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. De ontwikkeling in dit bestemmingsplan is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien de volgende drempelwaarden worden overschreden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
De bebouwingsmogelijkheden nemen bij het voorgenomen plan voor het realiseren van een nieuwe bedrijfswoning, vergeleken met de bestaande (planologische) situatie beperkt toe. De genoemde ondergrenzen worden niet overschreden. Door een wijziging van het Besluit milieueffectrapportage in 2017 kan in gevallen waarbij de ondergrenzen niet worden overschreden als nog een ‘vormvrije’ m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd. Uit jurisprudentie blijkt dat dit bij plannen of besluiten zijn waarbij nadelige effecten voor de omgeving niet zijn uit te sluiten. Uit jurisprudentie blijkt dat ook voor een “vormvrije” m.e.r.-beoordeling een afweging van het initiatief noodzakelijk is. Daarbij spelen onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Wanneer het ruimtebeslag van voorziene woning beperkt is en dit
Cumela Advies | Nijverheidsstraat 13, 3861 RJ Nijkerk | Postbus 1156, 3860 BD Nijkerk | T. (033) 247 49 40 www.cumela.nl | advies@cumela.nl | IBAN NL54 RABO0364220600| KvK 30147807| BTW NL 8066.22.404.B01