CConstaterende datRaalte
Koppel je AI →
Document · PDF

TOE Bestemmingsplan Buitengebied, partiële herziening Huttert (25-1-23)

Raadsvergadering 16 februari 2023, gemeente RaalteBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan De Huttert, Nieuwe Twentseweg 3, Luttenberg (bespreekstuk)25.697 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

23

Bestemmingsplan Buitengebied, partiele herziening nr. 43, omgeving Nieuwe Twentseweg 3 Ontwerp van bestaande functies in de Groene omgeving, uitsluitend indien hier sociaaleconomische en/of maatschappelijke redenen voor zijn én er is aangetoond dat het verlies aan ecologisch en/of landschappelijk waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving. Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.6 van de Omgevingsverordening Overijssel De gehele ontwikkeling wordt op een adequate wijze landschappelijk ingepast. De investeringen in de ruimtelijke kwaliteit staan in verhouding met de geboden ontwikkelingsmogelijkheden. In paragraaf 4.2.6 wordt uitgebreid ingegaan op de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. Op deze plaats wordt geconcludeerd dat het initiatief in overeenstemming is met het gestelde in artikel 2.1.6. Verblijfsrecreatie (Art. 2.12) 2.12.2 1.

Bestemmingsplannen en projectbesluiten voorzien uitsluitend in de bouw van nieuwe recreatiewoningen indien en voor zover het betreft: a. de nieuwbouw van een complex van recreatiewoningen waarvan het recreatieve gebruik door middel van een op verhuur gerichte bedrijfsmatige exploitatie is verzekerd en tevens sprake is van een innovatief concept dan wel een kwaliteitsimpuls van bestaande recreatieterreinen waarvan de bouw van nieuwe recreatiewoningen onderdeel uitmaakt.

2.12.3 1.

De regels van bestemmingsplannen sluiten permanente bewoning van recreatiewoningen en recreatieverblijven uit.

Toetsing van het initiatief aan artikel 2.12 van de Omgevingsverordening Overijssel In dit plan is uitsluitend bedrijfsmatige exploitatie van verblijfsrecreatie toegestaan. Er is overigens geen sprake van de bouw van extra recreatiewoningen. Het gaat immers puur om een groepsaccommodatie in een bestaand gebouw en de uitbreiding van het aantal standplaatsen voor kampeermiddelen. Wel is er sprake van een innovatief concept zoals beschreven in hoofdstuk 3 van deze toelichting. De uitbreiding zorgt door het bieden van een groepsaccommodatie en de extra standplaatsen voor kampeermiddelen een breder en groter aanbod. De uitbreiding zorgt voor een beter fundament onder de bedrijfsvoering. Het planconcept is geënt op het principe ‘Op een bijzondere manier het platteland beleven’, dat rechtstreeks is ontleend aan het Beleidsplan ‘Recreatie en toerisme’ van de gemeente Raalte. Hiermee is sprake van een impuls van een bestaand recreatieterrein. In artikel 8 van de regels wordt permanente bewoning van de recreatieverblijven uitgesloten. Daarmee wordt voldaan aan artikel 2.12.3 onder 1. Gesteld wordt dat het plan voldoet aan het gestelde in artikel 2.12.2. Artikel 4.6.4 Vergunningplicht reservering Salland Diep 1.

2.

3.

4.

Alle onttrekkingen van grondwater op een diepte van meer dan 50 meter beneden het maaiveld en zijn gelegen in het gebied, aangegeven als boringsvrije zone Salland Diep op kaart Drinkwatervoorziening en grondwaterbescherming, zijn vergunningplichtig. Het algemeen bestuur van het Waterschap Drents Overijsselse Delta regelt bij verordening dat voor onttrekkingen van grondwater op een diepte van meer dan 50 meter beneden het maaiveld en zijn gelegen in het gebied, aangegeven als boringsvrije zone Salland Diep op kaart Drinkwatervoorziening en grondwaterbescherming, een vergunningplicht geldt. Het dagelijkse bestuur van het Waterschap Drents Overijsselse Delta kan voor het gebied bedoeld in lid 2 slechts vergunning verlenen voor het onttrekken van grondwater als dit grondwater bedoeld is voor hoogwaardige industrieel gebruik waarop de Warenwet van toepassing is en waarvoor geen alternatief voorhanden is. Het algemeen bestuur van het Waterschap Drents Overijsselse Delta kan de vrijstellingsmogelijkheid, bedoeld in artikel 6.11, vijfde lid van het Waterbesluit niet toepassen op de onttrekkingen waarvoor het dagelijkse bestuur op grond van het vorige lid vergunning verleent. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

24

Bestemmingsplan Buitengebied, partiele herziening nr. 43, omgeving Nieuwe Twentseweg 3 Ontwerp

Toetsing van het initiatief aan artikel 4.6.4 van de Omgevingsverordening Overijssel In voorliggend geval is geen sprake van onttrekkingen van grondwater op een diepte van meer dan 50 meter beneden het maaiveld. Er is op basis hiervan ten behoeve van het voornemen dan ook geen vergunning noodzakelijk. Gesteld wordt dat het voornemen niet strijdig is met de beleidsuitgangspunten ten aanzien van de boringsvrije zone (artikel 4.6.4 van de Omgevingsverordening). Bij de overige afwegingen in de eerste fase 'Of - generieke beleidskeuzes' zijn er verder geen aspecten die bijzondere aandacht verdienen. 4.2.4.2 Ontwikkelingsperspectieven In dit geval zijn vooral de ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving van belang. In de groene ruimte gaat het - kortheidshalve - om het behoud en de versterking van het landschap en het realiseren van de zone ondernemen met natuur en water alsmede om de ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw en andere economische dragers. Het plangebied is op de Ontwikkelingsperspectievenkaart aangemerkt als ‘Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap’. In afbeelding 4.3 een uitsnede van de perspectievenkaart behorende bij de Omgevingsvisie opgenomen.

Afbeelding 4.3

Uitsnede Ontwikkelingsperspectievenkaart Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)

‘Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap’ Dit ontwikkelingsperspectief omvat gebieden waar verdere modernisering en schaalvergroting van de landbouw in combinatie met verduurzaming de ruimte krijgt. Die ruimte kan verdiend worden door te investeren in kwaliteitsvoorwaarden. Initiatieven binnen het ontwikkelingsperspectief mogen de ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw in principe niet beperken en dienen aan te sluiten bij de bestaande bebouwing, weginfrastructuur en openbaar vervoer (ov)-routes. Het waterbeheer richt zich op optimale condities voor de landbouw, rekening houdend met specifieke omstandigheden en de grenzen aan de mogelijkheden van het waterbeheer (onder andere door de klimaatverandering).

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

25

Bestemmingsplan Buitengebied, partiele herziening nr. 43, omgeving Nieuwe Twentseweg 3 Ontwerp Toetsing van het initiatief aan de “Ontwikkelingsperspectieven” In dit type gebied staan vanuit provinciaal beleid de ontwikkelingsmogelijkheden van agrarische bedrijven voorop. Andere ontwikkelingen mogen de ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw in principe niet beperken. Van een belemmering van de bedrijfsvoering van omliggende (agrarische) bedrijven als gevolg van deze ontwikkeling is geen sprake. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar hoofdstuk 5 waar nader wordt ingegaan op diverse milieu- en omgevingsaspecten. Ontwikkelingsperspectieven zijn niet normstellend maar richtinggevend. Afwijkingen van de ontwikkelingsperspectieven zijn mogelijk, mits de ruimtelijke kwaliteit conform de gebiedskenmerken wordt versterkt en er voor de beoogde ontwikkeling geen sprake is van een m.e.r.-plicht. De omgevingsverordening geeft gemeenten de mogelijkheid om af te wijken van het ontwikkelingsperspectief 2, wanneer daar sociaaleconomische en/of maatschappelijke redenen voor zijn en mits de ruimtelijke kwaliteit conform de gebiedskenmerken. Met deze mogelijkheid erkent de provincie dat er situaties kunnen zijn die om maatwerk vragen bij niet-agrarische ontwikkeling. In voorliggend geval is er sprake van een dergelijke vorm van maatwerk.

Er is sprake van een uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein. Verblijfsrecreatie betreft een functie gelieerd aan het buitengebied. In voorliggend geval is dit, mede vanwege de nabije ligging bij het toeristisch uitloopgebied van de Sallandse heuvelrug, een passende functie. De ontwikkeling versterkt de sociaal economische vitaliteit van het buitengebied. Dit in samenhang met een zorgvuldige landschappelijke inpassing brengt een versterking van de ruimtelijke kwaliteit met zich mee. Er is daarmee sprake van en versterking van de ruimtelijke kwaliteit en er is sprake van sociaal-economische en maatschappelijke redenen. Door de ontwikkeling wordt aan een recreatiebedrijf een uitbreidingsmogelijkheid gegeven, wat bijdraagt aan de toekomstbestendigheid van het bedrijf en een blijvende passende functie van een voormalig agrarisch erf. Het vorenstaande brengt met zich mee dat in voorliggend geval gemotiveerd kan worden afgeweken van het ter plaatse geldende ontwikkelingsperspectief. 4.2.4.3 Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch-cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen.

De “Stedelijke laag” wordt in dit geval buiten beschouwing gelaten, aangezien voor de locatie en de aangrenzende gronden geen specifieke eigenschappen gelden. 1.

De “Natuurlijke laag“

Overijssel bestaat uit een rijk en gevarieerd spectrum aan natuurlijke landschappen. Deze vormen de basis voor het gehele grondgebied van Overijssel. Het beter afstemmen van ruimtelijke ontwikkelingen op de natuurlijke laag kan ervoor zorgen dat de natuurlijke kwaliteiten van de provincie weer mede beeldbepalend worden. Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart de “Natuurlijke laag” aangeduid met de gebiedstypen “Dekzandvlakte en ruggen” en “Beekdalen en natte laagtes”. In afbeelding 4.4 is dat aangegeven.

2

Artikel 2.1.5 lid 4 van de Omgevingsverordening Overijssel

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

Bestemmingsplan Buitengebied, partiele herziening nr. 43, omgeving Nieuwe Twentseweg 3 Ontwerp

Afbeelding 4.4

De “Natuurlijke laag” (Bron: Provincie Overijssel)

“Dekzandvlakte en ruggen” De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk – door de wind gevormd – zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied. Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Beiden zijn tevens uitgangspunt bij (her)inrichting. Bij ontwikkelingen is de (strekkings)richting van het landschap, gevormd door de afwisseling van beekdalen en ruggen, het uitgangspunt. “Beekdalen en natte laagtes” Het Overijsselse zandlandschap is van oorsprong kletsnat. In de laagtes van het zandgebied verzamelde zich het water. Hier ontwikkelden zich moerassen en broekbossen, waar het water in de loop van het seizoen geleidelijk uit weg sijpelde naar de lager gelegen delen, naar de beken en rivieren. Als ontwikkelingen plaats vinden in of in de directe nabijheid van beekdalen en natte laagtes, dan dragen deze bij aan extra ruimte voor de dynamiek van het stromende water en het vasthouden van water, aan versterking van de samenhang in het beeksysteem en aan vergroting van de zichtbaarheid, bereikbaarheid en beleefbaarheid van het water. Dit zijn uitgangspunten bij (her)inrichting.

Toetsing van het initiatief aan de “Natuurlijke laag” De gronden in het plangebied zijn grotendeels in cultuur gebracht ten behoeve van de landbouw. De verschillen tussen hoog en laag worden door middel van aanleg van een natuurlijke poel met plas-dras zones op het lagere deel van het plangebied herkenbaar. Hiermee wordt bijgedragen aan de beleefbaarheid en het vasthouden van het water. Tevens worden landschapsmaatregelen getroffen met ‘natuurlijke’ soorten, waarmee wordt verwezen naar de oorspronkelijke ‘natuurlijke laag’. In paragraaf 3.1.5 en in het in bijlage 1 opgenomen landschapsplan wordt uitvoerig hierop ingegaan. Op deze plaats wordt geconcludeerd dat het initiatief in overeenstemming is met de natuurlijke laag.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

Bestemmingsplan Buitengebied, partiele herziening nr. 43, omgeving Nieuwe Twentseweg 3 Ontwerp 2.

De “Laag van het agrarische cultuurlandschap”

In de “Laag van het agrarisch cultuurlandschap” gaat het er altijd om dat de mens inspeelt op de natuurlijke omstandigheden en die ten nutte maakt. Hierbij hebben nooit ideeën over schoonheid een rol gespeeld. Wel zijn we ze in de loop van de tijd gaan waarderen om hun ruimtelijke kwaliteiten. Vooral herkenbaarheid, contrast en afwisseling worden gewaardeerd. De ambitie is gericht op het voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen door óf versterking óf behoud óf ontwikkeling of een combinatie hiervan. Het plangebied is op gebiedskenmerkenkaart in de “Laag van het agrarisch cultuurlandschap” aangemerkt als landschapstype “Jonge heide- en broekontginningslandschap”. In afbeelding 4.5 is dit weergegeven.

Afbeelding 4.5

De “Laag van het agrarisch cultuurlandschap” (Bron: Provincie Overijssel)

“Jonge heide- en broekontginningslandschap” De grote oppervlakte aan – voormalige – natte en droge heidegronden was oorspronkelijk functioneel verbonden met het essen- en oude hoevenlandschap; hier werd geweid en werden de plaggen gestoken voor in de stal; in de stal bemeste plaggen dienden als structuurverbeteraar en bemesting voor de akkergronden op de essen. Na de uitvinding van kunstmest ging deze functie verloren en werden deze gronden grotendeels in cultuur gebracht. Aanvankelijk kleinschalig en min of meer individueel door keuterboertjes, later werd de ontginning planmatig en grootschalig aangepakt (tot in de jaren 60 van de 20e eeuw). De grote natte broekgebieden ondergingen een vergelijkbare ontwikkeling, waardoor de natte en de droge jonge ontginningen nu gelijkenis vertonen. Ten opzichte van omliggend essen- en hoevenlandschap zijn de landbouwontginningen relatief grote open ruimtes, deels omzoomd door boscomplex. Erven liggen als blokken aan de weg geschakeld. Wegen zijn lanen met lange rechtstanden. Vaak zijn het ‘inbreidings’landschappen met en rommelige driehoekstructuren als resultaat. Als ontwikkelingen plaats vinden in de agrarische ontginningslandschappen, dan dragen deze bij aan behoud en versterking van de dragende lineaire structuren van lanen, bosstroken en waterlopen en ontginningslinten met erven en de kenmerkende ruimtematen.

Toetsing van het initiatief aan de “Laag van het agrarisch cultuurlandschap” Door de landschapsmaatregelen wordt aangesloten bij de kenmerken van de dekzandvlakte, dat een aansluitend gebiedstype is. Dit wordt bereikt door het terugplanten van historische kavelgrensbeplanting (de

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Bestemmingsplan Buitengebied, partiele herziening nr. 43, omgeving Nieuwe Twentseweg 3 Ontwerp houtsingels). Door aan te sluiten bij de dekzandvlakte kan de grootschalige openheid van de dekzandlaagtegebieden ten zuiden van het plangebied nog meer op gaan vallen. In paragraaf 3.1.5 en het in bijlage 1 opgenomen landschapsplan wordt hier uitgebreid op ingegaan. 3.

De ‘Laag van de beleving’

De ‘laag van de beleving’ is het domein van de belevenis, de betekenis en identiteit. Het voegt kenmerken toe als landgoederen, recreatieparken, recreatieve routes maar benut ook vooral de kwaliteit van de andere drie lagen. Het maakt ze beleefbaar en tot een belevenis. Het belevenisaspect wordt een steeds belangrijke pijler onder het ruimtelijk kwaliteitsbeleid. De ambitie is gericht op sterke ruimtelijke identiteiten als motor voor gebiedsontwikkeling. Het gaat er om beleving, betekenis en kwaliteit van de omgeving te versterken en de beleefbaarheid en toegankelijkheid van het landschap te vergroten. Op basis van de ‘laag van de beleving’ is het plangebied aangemerkt met ‘donkerte’ en tevens als ‘gebied voor verblijfsrecreatie’. In afbeelding 4.6 is dit weergegeven.

Afbeelding 4.6

De “Laag van de beleving” (Bron: Provincie Overijssel)

“Gebieden voor verblijfsrecreatie” Campings, complexen van zomerhuizen/ vakantiewoningen liggen veelal in of gekoppeld aan aantrekkelijke natuurlijke landschappen en/of agrarische cultuurlandschappen. Soms voegen deze voorzieningen kwaliteit toe, meestal liften ze mee op bestaande landschappelijke kwaliteiten. De kwaliteit van het omliggende landschap bepaalt vaak de aantrekkelijkheid van de voorziening. Vaak zijn deze terreinen opgezet op basis van een planmatig basisstramien met een sterk door eindgebruikers gekleurde invulling. Ook komen grootschalige bungalowparken voor met een veel uniformer bebouwingstype en planopzet. Iedere gebruikersgroep heeft een eigen kwaliteitsprofiel met bijbehorende kwaliteit voorzieningen. De ambitie is de verblijfsrecreatie sterker te verbinden met de kwaliteiten van de omgeving en onderdeel uit te laten maken van het hele recreatieve netwerk. Het aanbod wordt hierdoor specifieker en sterker verbonden met de Overijsselse kenmerken. Tegelijkertijd kan de kracht van de sector dan beter worden benut om de kwaliteit van de omgeving te versterken. Hergebruik van vrijkomende gebouwen en kwaliteitsverbetering van bestaande terreinen zijn belangrijke strategieën.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Bestemmingsplan Buitengebied, partiele herziening nr. 43, omgeving Nieuwe Twentseweg 3 Ontwerp “Donkerte” Lichte gebieden geven een beeld van economische dynamiek; zoals de steden en dorpen, de snelwegen, de kassengebieden, attractieparken en grote bedrijventerreinen. De donkere gebieden geven daarentegen een indicatie van het rustige buitengebied van Overijssel. Het zijn relatief luwe en dunbevolkte gebieden met een lage gebruiksdruk. De ambitie is gericht op het koesteren van donkerte als kwaliteit. Het streven is gericht op het handhaven van de donkerte en, waar mogelijk, de gebieden bij ontwikkelingen nog donkerder te maken. De richting van de sturing is gericht op het minimaal toelaten van kunstlicht. Toetsing van het initiatief aan de “Laag van de beleving” Met de uitbreiding van het verblijfsrecreatieterrein en bijbehorende landschappelijke inpassing wordt bijgedragen aan de ambitie om de verblijfsrecreatie te verbinden met de kwaliteiten van de omgeving en onderdeel te laten zijn van het recreatieve netwerk. Ook wordt met het plan voorzien in een (voortdurend) hergebruik van voormalige agrarische gebouwen en een kwaliteitsimpuls van het verblijfsrecreatieterrein. Het verblijfsrecreatieterrein heeft, gelet op de ligging nabij toeristisch uitloopgebied van de Sallandse heuvelrug, veel potentie.

Bijgedragen wordt dan ook aan het toeristisch-recreatief product van de gemeente Raalte. De centrale voorzieningen, waar beperkt kunstlicht benodigd is voor de bedrijfsvoering, zijn geclusterd waardoor kunstlicht tot een minimum beperkt kan worden. De kampeervelden en het parkeerterrein worden voorzien van (winter)groene afschermende beplanting om lichtuitstraling naar de omgeving zoveel mogelijk te beperken. Onnodig gebruik van kunstlicht zal zoveel mogelijk worden vermeden en waar nodig zal kunstlicht nauwkeurig gericht worden. Overigens is een zekere lichtuitstraling inherent aan functies waar mensen verblijven, zoals wonen, agrarisch en recreatie. De ontwikkeling is in overeenstemming met de gebiedskenmerken van de ‘laag van de beleving’. 4.2.5

Recreatie en toerisme

Voor wat betreft het provinciaal beleid ten aanzien van recreatie en toerisme biedt de provincie aan ondernemers de ruimte om voorzieningen te ontwikkelen die bijdragen aan de differentiatie van het aanbod. Daarbij stimuleert de provincie het leggen van (nieuwe) koppelingen tussen de verschillende sectoren, zoals recreatie, natuur, landschap, water, cultuur en sport). Een rijk aanbod van (dag)recreatieve voorzieningen vormt een belangrijke vestigingsfactor voor bedrijven en bewoners, is van belang voor de concurrentiekracht van Overijssel als vakantie- en dagtochtbestemming en draagt bij aan de werkgelegenheid. De provincie stimuleert de verbetering van de kwaliteit en het vergroten van de diversiteit van bestaande verblijfsaccommodaties3. 4.2.6

Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving

4.2.6.1 Algemeen De kwaliteit van het Overijsselse landschap en de sociaal-economische ontwikkeling van het landelijk gebied gaan hand in hand en vormen de basis voor allerlei ontwikkelingen. Nieuwe ontwikkelingen moeten mogelijk zijn onder voorwaarde dat ze bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving. Met de kwaliteitsimpuls Groene Omgeving biedt de provincie Overijssel beleidsruimte aan gemeenten voor ontwikkelingen in de groene ruimte. In het buitengebied is ruimte voor grootschalige uitbreidingen en nieuwe ontwikkelingen mits die gelijk opgaan met verbeteringen van de ruimtelijke kwaliteit. Ruimtelijke kwaliteit wordt gerealiseerd door naast bescherming vooral in te zetten op het verbinden van bestaande gebiedskwaliteiten en nieuwe ontwikkelingen, waarbij bestaande kwaliteiten worden beschermd en versterkt en nieuwe kwaliteiten worden toegevoegd.

3

Paragraaf 10.2.4.1 omgevingsvisie Overijssel

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Bestemmingsplan Buitengebied, partiele herziening nr. 43, omgeving Nieuwe Twentseweg 3 Ontwerp 4.2.6.2 Methodiek De methodiek voor het bepalen van de balans tussen ontwikkelingsruimte en de gevraagde investering in de groene omgeving, is gericht op het volgende: hoe meer de ontwikkeling als gebiedsvreemd te beschouwen is en /of hoe groter de schaal en impact op de ruimtelijke kwaliteit is, des te zwaarder weegt dat aan de ontwikkelingskant van de balans en hoe hoger de aanvullende kwaliteitsprestaties dan dienen te zijn. Als het gaat om een gebiedsvreemde ontwikkeling van een grote schaal en met een grote impact op de omgeving, dan zal een forse investering in het landschap nodig zijn. Om te beoordelen of medewerking kan worden verleend aan het verzoek, dient het volgende model gevolgd te worden:

Afbeelding 4.7

Modelschema Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (Bron: Provincie Overijssel)

4.2.6.3 Toetsing aan de uitgangspunten van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving Generiek beleid Zoals al gebleken uit 4.2.4.1 vormen de generieke beleidskeuzes in het voorliggende geval geen belemmering. Ontwikkelingsperspectieven In 4.2.4.2 is het initiatief getoetst aan het ter plekke geldende ontwikkelingsperspectief. Gebleken is dat gemotiveerd kan worden afgeweken van het ter plekke geldende ontwikkelingsperspectief. Sociaal economische ontwikkeling De provincie biedt ruimte voor sociaaleconomische ontwikkelingen, mits deze vanuit zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik verantwoord is, past in het ontwikkelingsperspectief ter plekke en tot slot wordt uitgevoerd volgens de Catalogus Gebiedskenmerken.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Bestemmingsplan Buitengebied, partiele herziening nr. 43, omgeving Nieuwe Twentseweg 3 Ontwerp Het hergebruik van het voormalig agrarisch erf voor een verblijfsrecreatieve ontwikkeling past uitstekend binnen het provinciaal recreatief beleid, zoals beschreven in 4.2.5. De ontwikkeling sluit aan bij de gedacht van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. Uitgangspunt bij het opstellen van het Inrichtingsplan was onder andere de Catalogus Gebiedskenmerken. Zoals in hoofdstuk 3 beschreven worden diverse landschapsmaatregelen gepleegd ter versterking van de landschappelijke structuur en kwaliteit ter plaatse van het plangebied. Hier wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling leidt tot een verbetering van de sociale economische vitaliteit. Het bedrijf wordt een duurzaam ontwikkelingsperspectief geboden die nodig is om een bedrijf ook de toekomst op een gezonde wijze te kunnen exploiteren. De uitbreiding zorgt daarnaast voor toeristisch draagvlak van (dagrecreatieve) voorzieningen in de omgeving. Schaal & impact Het betreft in het voorliggende geval een uitbreiding van de bestaande minicamping. De uitbreiding is noodzakelijk om een bedrijf in de toekomst op een gezonde wijze te kunnen exploiteren. De standplaatsen voor kampeermiddelen worden ingepast door middel van landschapsmaatregelen, waardoor het zicht op het recreatieterrein beperkt is.

Hierbij is rekening gehouden met de openheid/ zichtlijnen aan de oostzijde. Gezien het vorenstaande wordt gesteld dat de schaal van de uitbreiding groot is maar de impact van de ontwikkeling op de omgeving is zeer beperkt. Gebiedseigen of gebiedsvreemd Het onderscheid in gebiedseigen en gebiedsvreemde functies geeft een indicatie voor de mogelijke bijdrage vanuit de functie zelf aan behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. Een gebiedseigen functie past in de beleidsdoelstellingen van een gebied. Zoals al gebleken uit het voorgaande past de ontwikkeling binnen de beleidsdoelstellingen van de provincie. Verblijfsrecreatie kan gezien worden als een gebiedseigen en aan het buitengebied gebonden functie. Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat sprake is van een gebiedseigen functie. Eigen belang of maatschappelijk belang Naast de noodzaak om vanuit bedrijfsmatig oogpunt uit te breiden (eigen belang), brengt het plan maatschappelijke belangen met zich mee. De uitbreiding van het aantal standplaatsen voor kampeermiddelen en de realisatie van de groepsaccommodatie zorgt voor draagvlak voor (verder uitbreiden van) recreatieve routes en overige (dagrecreatieve) voorzieningen in de omgeving.

Basisinspanning ruimtelijke kwaliteit en aanvullende kwaliteitsprestatie De basisinspanning ruimtelijke kwaliteit en kwaliteitsimpuls bestaan uit een goede ruimtelijke inpassing van het plangebied met streekeigen beplanting en aanleg van een natuurpoel. Voor een beschrijving van de investeringen in ruimtelijke kwaliteit wordt verwezen naar paragraaf 3.3. De investeringen in de ruimtelijke kwaliteit staan in verhouding met de geboden ontwikkelingsmogelijkheden. 4.2.6

Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid

Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het provinciaal beleid zoals genoemd in de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving en de Omgevingsvisie Overijssel en is verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Bestemmingsplan Buitengebied, partiele herziening nr. 43, omgeving Nieuwe Twentseweg 3 Ontwerp

4.3

Gemeentelijk beleid

4.3.1

Omgevingsvisie Horizon gemeente Raalte 2040

4.3.1.1 Algemeen De gemeente Raalte beschikt over een eigen omgevingsvisie. De omgevingsvisie is een strategisch document die richting geeft aan de ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie is in samenspraak met de inwoners ontwikkeld. De gemeente heeft gekozen voor een visie gekoppeld aan een proces waarin de gemeente steeds opnieuw kan monitoren, leren en actualiseren. Het is daarmee een dynamisch document, in de geest van de Omgevingswet. In de omgevingsvisie zijn een aantal kernopgaven opgenomen die van belang zijn voor de komende jaren. Het betreffen de volgende kernopgaven: 1. 2. 3.

Hoe geeft de gemeente vorm en invullingen aan de ontwikkelingen in het buitengebied? Hoe zorgt de gemeente dat bestaande wijken en dorpen leefbaar en aantrekkelijk blijven? Hoe creëert de gemeente optimale randvoorwaarden voor wonen, werken, ondernemen en recreëren in Raalte?

In het kader van voorgenomen ontwikkeling is met name kernopgave 1 van belang, gezien het gaat om een ontwikkeling in het buitengebied. Hierna wordt op de kernopgave ingegaan. 4.3.1.2 Kernopgave 1 Allereerst wordt ingegaan op de algemene ambitie ten aanzien van het buitengebied. Deze luid: ‘Raalte als groen en innovatief productielandschap’. Het groene en agrarische karakter van het buitengebied is de kern van de identiteit. Dit krachtige en afwisselende landschap vormt de onderlegger van een nieuwe toekomst voor het landelijk gebied en zal daarom verder ontwikkeld worden en waar nodig worden beschermd. In de toekomst is het buitengebied een divers en modern productie- en werklandschap met toekomstbestendige landbouw, dat vitaal is, reuring kent, maar waar ook gewoond wordt en waar aandacht is voor de natuur- en landschapswaarden. Innovatie, technologie, klimaatdiensten en duurzame energieopwekking maken nadrukkelijk onderdeel uit van het nieuwe verdienmodel van het buitengebied, evenals brede nevenactiviteiten door agrariërs, zoals zorg, educatie of toerisme. Aan de kernopgave zijn verscheidene ontwikkelingsrichtingen gekoppeld, waarvan er één gericht is op recreatie. Een andere is gericht op een vitaal buitengebied. Hierna wordt op beide richtingen ingegaan. De gemeente kist voor een vitaal, divers en gemengd buitengebied.

Een werk- en productiegebied, waar een balans is met wonen, landschappelijke- en cultuurhistorische kwaliteiten, natuur en recreatie. Het buitengebied is enorm divers en levendig; een mozaïek van functies en belangen. Het is de plek van tal van grote en kleinere bedrijven, er wordt gewoond, het is er groen en rijk aan soorten en er wordt gefietst en gewandeld. Ook in de toekomst staat de diversiteit van het gebied voorop. Er moet gewerkt en geproduceerd kunnen worden door allerhande bedrijvigheid, er mag reuring zijn, maar wel in balans met andere functies, met oog voor gezondheid en aandacht voor wat de gemeente landschappelijk waardevol vindt.

De gemeente kiest voor kleinschalige recreatie, die past in het landschap en die aansluit op andere activiteiten in het buitengebied: De gemeente kiest voor kleinschalige recreatie, die past in het landschap en die aansluit op andere activiteiten in het buitengebied. De recreatiebedrijven zijn op dit moment kwalitatief hoogwaardig en redelijk divers. Kwaliteit en diversiteit wil de gemeente graag behouden omdat dit past in de ambitie om een divers buitengebied te hebben. De gemeente zet vooral in op kleinschalige recreatie die aansluit op andere activiteiten in het buitengebied. De gemeente vind het van belang dat de diversiteit van het aanbod wordt gestimuleerd. Met kleinschalig wordt bijvoorbeeld gedacht aan verblijfs- of dagrecreatieve concepten op

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

Bestemmingsplan Buitengebied, partiele herziening nr. 43, omgeving Nieuwe Twentseweg 3 Ontwerp vrijkomende erven. Initiatieven die de recreatieve waarde van het buitengebied versterken en aanvullend zijn op het aanbod in onze dorpen, zoals bijzondere horecaconcepten en boerderijwinkels, ziet de gemeente als een verrijking van het diverse buitengebied. Vrijkomende agrarische bebouwing biedt hiervoor kansen en kan getransformeerd worden om zo ontwikkelruimte te bieden aan de recreatieve sector. De gemeente vind dat dergelijke initiatieven moeten worden ondersteund. Als bestaande bedrijven kwaliteitsverbeteringen door willen voeren, bijvoorbeeld om te blijven aansluiten op de vraag, dan moet dat mogelijk zijn. Per situatie moet worden bekeken in hoeverre dit mogelijk is in verhouding tot functies in de omgeving. 4.3.1.3 Toetsing van het initiatief aan de Omgevingsvisie Horizon gemeente Raalte 2040 Met het plan wordt bijgedragen aan een vitaal, divers en gemengd buitengebied, aangezien aan een bestaand recreatiebedrijf een toekomstbestendig perspectief wordt gegeven. Uit dit bestemmingsplan blijkt dat het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, waarmee wordt geconcludeerd dat het plan in balans is met andere functies, met aandacht voor gezondheid en landschap.

Ten aanzien van de tweede richting wordt gesteld dat de ontwikkeling gezien wordt als een kleinschalig recreatiebedrijf. Het plan voorziet daarbij in een kwaliteitsverbetering die beter aansluit op de vraag, waar in de omgevingsvisie ruimte voor wordt gegeven. Geconcludeerd word dat het initiatief in overeenstemming is met de Omgevingsvisie Horizon gemeente Raalte 2040. 4.3.2

Beleidsplan recreatie en toerisme

4.3.2.1 Algemeen In dit beleidsplan wordt de visie op de ontwikkeling van recreatie en toerisme in de gemeente Raalte weergegeven en wordt hier een concreet actieplan aan gekoppeld. Daarnaast biedt dit beleidsplan een toetsingskader voor de verblijfsrecreatieve sector. De gemeente Raalte kiest voor een gemiddeld tot hoog ambitieniveau ten aanzien van de ontwikkeling van recreatie en toerisme. Dit houdt in dat zij zich inzet voor versterking en verdere ontwikkeling van toerisme en recreatie binnen de gemeente, mits passend bij de gekozen profilering en de maat en schaal van de gemeente. De versterking van toerisme en recreatie mag niet ten koste gaan van de leefbaarheid in de kernen en de kernkwaliteiten van natuur, landschap en cultuurhistorie. De gemeente kiest ervoor in haar toeristischrecreatieve profilering aan te sluiten bij de regio Salland. Deze belangrijkste kernkwaliteiten van Salland zijn ook in Raalte aanwezig en vormen het vertrekpunt voor de profilering van de gemeente. In de recreatief-toeristische profilering van Raalte staan twee profielen centraal: • •

een veelzijdig platteland voor iedereen; een gastvrij verblijf in Salland

De gemeente Raalte beschouwt toeristische bedrijven als een goede invulling van vrijkomende agrarische bebouwing. Toerisme ziet de gemeente als één van de economische functies die op termijn kan bijdragen aan de instandhouding van het landschap nu het aantal agrarische bedrijven (van oudsher de dragende functie voor het landschap) verder afneemt. Aan toeristische ontwikkelingen die een nieuwe invulling geven aan vrijkomende agrarische erven wil de gemeente waar mogelijk ruimte geven, mits de ontwikkeling passend is in de omgeving. 4.3.2.2 Toetsingskader verblijfsrecreatie Algemeen geldend criterium voor uitbreiding van bestaande bedrijven is dat de uitbreiding onderdeel is van een kwaliteitsverbetering die op lange termijn noodzakelijk is voor de continuïteit van het bedrijf en dat er geen mogelijkheden (meer) zijn deze kwaliteitsverbetering door te voeren zonder uitbreiding. Eveneens dient te worden aangetoond dat de uitstralingseffecten van de uitbreiding de draagkracht van het betrokken gebied niet overschrijden. Richtlijnen regulier kampeerterrein

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Bestemmingsplan Buitengebied, partiele herziening nr. 43, omgeving Nieuwe Twentseweg 3 Ontwerp Op een regulier kampeerterrein zijn alle standplaatsen voor kampeermiddelen toegestaan. Hiermee wordt gedoeld op tent, tentwagen, kampeerauto en (sta)caravans. De verdeling tussen toeristische plaatsen en jaarplaatsen dient minimaal 25% toeristische plaatsen en maximaal 75% jaarplaatsen te zijn. Parkeergelegenheid dient beschikbaar te zijn op eigen terrein. Als richtlijn geldt 1,1 parkeerplaats per standplaats. Centrale voorzieningen op een regulier kampeerterrein moeten ten dienste staan van de gebruikers van het regulier kampeerterrein. Het opstellen van een bedrijfsplan en inrichtingsplan met groenvoorzieningen is verplicht voor startende bedrijven en uitbreidingen. Dit houdt onder andere in dat het bedrijf ruimtelijk een eenheid vormt, dat het bedrijf landschappelijk wordt ingepast door gebruik te maken van gebiedseigen beplanting en dat wordt voldaan aan milieueisen. Kamperen op een regulier kampeerterrein is het hele jaar toegestaan. Nieuwe vormen van verblijfsrecreatie Bij ontwikkeling van nieuwe vormen van verblijfsrecreatie die niet direct passen bij of vallen onder het bovenstaande beleid, worden per afzonderlijke situatie gekeken.

Daarbij wordt opgemerkt dat de gemeente openstaat voor ontwikkelingen ter versterking van het verblijfsaanbod, de diversiteit en nieuwe doelgroepen. 4.3.2.3 Toetsing van het initiatief aan de Beleidsnota recreatie en toerisme De uitbreiding van de minicamping past binnen de toetsingskaders zoals hiervoor zijn opgenomen. Daarnaast past de ontwikkeling bij de visie van de gemeente om goede invullingen te vinden voor vrijkomende agrarische bebouwing en het versterken van een economische drager van het landelijk gebied. Ook past het plan bij de ambitie om het aantal overnachtingsplaatsen in de gemeente te laten groeien (en daarmee ook de bestedingen) en het creëren van een divers aanbod. Voor wat betreft parkeren wordt gesteld dat aan de parkeerbehoefte wordt voldaan. In paragraaf 3.2 is hier reeds nader op ingegaan. 4.3.3

Landschapsontwikkelingsplan Deventer, Olst-Wijhe en Raalte

4.3.3.1 Algemeen De gemeenten Deventer, Olst-Wijhe en Raalte hebben een Landschapsontwikkelingsplan (LOP) opgesteld met als doel een gezamenlijk kader te bieden (23 september 2008), op basis waarvan nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied kunnen worden beoordeeld, teneinde de ruimtelijke kwaliteit te behouden en te versterken. Het LOP bevat vier belangrijke componenten: • • • •

inventarisatie en analyse; de LOP-visie 'Een plus voor het landschap'; thematische uitwerkingen; het uitvoeringsprogramma.

4.3.3.2 Deelgebieden Landschapsontwikkelingsplan Het plangebied ligt op basis van het LOP binnen het ‘zandlandschap’ waarbij het plangebied is aangemerkt als ‘dekzandvlaktes’ en ‘dekzandlaagtes’. Het plangebied ligt binnen het gebied ‘dekzandlaagtes’, grenzend aan een dekzandvlakte. In afbeelding 4.9 is de ligging van het plangebied in het LOP weergegeven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

Bestemmingsplan Buitengebied, partiele herziening nr. 43, omgeving Nieuwe Twentseweg 3 Ontwerp

Afbeelding 4.9

Uitsnede Landschapsontwikkelingsplan (Bron: Gemeente Raalte)

4.3.3.3 Visie deelgebieden “Dekzandvlaktes” Dit gebied vormt de oorspronkelijke overgang van het oude naar het jonge dekzandlandschap. Het is een oud dekzandlandschap dat onder sterke invloed stond van kwel uit de Sallandse heuvelrug. Het gebied is in de 20e eeuw ontgonnen wat heeft geresulteerd in een uitgesproken ontginningslandschap. Het ruimtelijk beeld van het gebied wordt voornamelijk bepaald door de karakteristieke lanen langs de wegen en de aanwezigheid van de landbouw. Er wordt ingezet op het versterken van het lanenstelsel. Doorgaande structuren zoals het Overijssels Kanaal en de (doorgaande) wegen passen zich aan deze karakteristiek aan: laanbeplanting past hierin. Op de hogere gronden zijn in het verleden essencomplexen en kampen (eenmansesssen) ontstaan. Ten oosten van Raalte en rondom Heeten komen deze escomplexen veelvuldig voor. Door het verdwijnen van randbeplanting rondom de essen zijn de complexen minder herkenbaar geworden. Een opmerkelijk gebied is de Luttenberg, dit is een uitloper van de stuwwal van de Sallandse heuvelrug met een uitgesproken reliëf. Het landschapsbeleid is gericht op het behouden en versterken van de karakteristieken. “Dekzandlaagtes” Dit deelgebied lijkt zeer sterk op het deelgebied ‘dekzandvlaktes’, maar heeft een natter karakter (broekontginningen).

De rechte lanen met de erven en de open ruimtes daartussen bepalen de hoofdstructuur van het landschap. Doorgaande structuren zoals het Overijssels Kanaal en de doorgaande wegen passen zich aan de karakteristiek van de dekzandlaagtes aan: laanbeplanting past hierin. Het landschapsbeleid is gericht op het behouden en versterken van de karakteristieken. Het verschil tussen dit deelgebied en ‘dekzandvlaktes’ is gelegen in de lagere ligging van de gronden langs de weteringen. Bij ontwikkelingen op de erven is het wenselijk in te spelen op het nattere karakter van dit deelgebied door in de beplantingskeuze hier bij aan te sluiten. De opgaven vanuit natuur en water richten zich BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

Bestemmingsplan Buitengebied, partiele herziening nr. 43, omgeving Nieuwe Twentseweg 3 Ontwerp op het ontwikkelen van natuurlijke oevers direct langs de weteringen. Dit sluit aan bij het sterke functionele en agrarische karakter van het deelgebied. 4.3.3.4 Landschappelijke karakteristieken Het landschapsbeleid voor zowel ‘dekzandvlaktes’ als ‘dekzandlaagtes’ is gericht op het versterken van de karakteristieken, te weten: • • • • • • • • •

Open ruimtes omsloten door rechte wegen; Erven met rationele opzet gekoppeld aan wegen; Bebouwing gericht op weg; Weg- en erfbeplantingen zijn belangrijkste ruimtevormende elementen; Doorgaande structuren (weg/kanaal) passen zich aan omgeving aan, variatie open/gesloten Erfbeplantingen langs lanen zijn rationeel en kennen heldere overgang van erf naar landschap (door middel van bijvoorbeeld een haag); Blokvormige verkaveling; Rationele bosblokken en heiderelicten (uitsluitend voor dekzandvlaktes); Erfbeplanting sluit aan bij natte karakter (uitsluitend voor dekzandlaagtes).

4.3.4.5 Toetsing van het initiatief aan het ‘Landschapsontwikkelingsplan’ Het landschap in de ruimere omgeving van de Huttert is in overeenstemming met deze beschrijving uit het LOP, die ook vergelijkbaar is met de gebiedskenmerken uit het provinciale beleid. Dit geldt met name voor het gebied/landschap ten zuiden van de Nieuwe Twentseweg en ten westen van de Brandweg. Als wordt ingezoomd op de locatie van De Huttert, dan valt op dat de openheid op en direct rond deze percelen minder is. De openheid wordt hier met name beperkt door een 12m brede dichte houtwal langs de Brandweg, in eigendom van en beheer bij Staatsbosbeheer, ter hoogte van de beoogde uitbreiding van het kampeerterrein. Een ander verdichtend element is de houtsingel op de kavelgrens tussen Nieuwe Twentseweg 3 en 5. Ook de overgang van erf naar landschap is hier al minder helder, door het struweel dat de al aanwezige campingplaatsen afschermt van de omgeving. Eigenlijk sluit het gebied ten noorden van de Nieuwe Twentseweg en ten oosten van de Brandweg meer aan bij de karakteristieken van het (aangrenzende) landschapstype ‘dekzandvlakte’, waar in aanvulling op de weg- en erfbeplantingen ook kavelgrensbeplantingen belangrijke ruimtevormende elementen zijn. Dit zorgt echter ook wel vaak voor een kleinschaliger openheid.

Kortom: de voor dit landschap typerende openheid en rationele inrichting van het gebied is ter plaatse van het terrein van De Huttert en de directe omgeving minder sterk aanwezig. Voor het gebied ‘dekzandlaagte’ pleit het LOP vooral voor het stimuleren van ontwikkelingen (en daarmee het benutten van kansen) op het gebied van de ‘wateropgave’ en ‘natuurontwikkeling’ (versterken natte karakterzones en aanleg van natuurvriendelijke oevers) en op het gebied van de ‘landbouw’ (m.n. schaalvergroting). Dergelijke ontwikkelingen worden gezien als gewenste/geschikte ‘motoren’ voor de landschapsontwikkeling en -versterking in de (open) ‘dekzandlaagte’-gebieden. Ontwikkelingen zoals ‘recreatie’ en ‘landelijk wonen en werken’ zijn hier in zijn algemeenheid minder gewenst omdat deze minder snel de karakteristiek van dit landschapstype versterken. Het beleid uit het LOP is op hoofdlijnen vergelijkbaar met het beleid in de provinciale Omgevingsvisie. Deze ontwikkeling zou betekenen dat het gebied verder wordt verdicht door toevoegen van beplanting.

Dit sluit niet direct aan op de uitgangspunten uit het LOP voor dit gebiedstype, maar zou wel aansluiten bij de landschappelijke verdichting die in de directe omgeving van het bedrijf al aanwezig is en bij de kenmerken van het aanliggende ‘dekzandvlakte’-gebied en die ook kunnen versterken, onder andere door het terugplanten van een historische kavelgrensbeplanting in oostwest-richting direct ten noorden van de beoogde nieuwe campingplaatsen. In het kader van deze ontwikkeling wordt aangesloten op de kenmerken van aanliggend ‘dekzandvlakte’-gebied. Op die manier kan de grootschaliger openheid van de dekzandlaagte-gebieden (ten zuiden van de Nieuwe Twentseweg en ten westen van de Brandweg) juist meer gaan opvallen. Daarbij wordt geadviseerd ook de buren te betrekken die zicht hebben op dit deel van het plan, zodat een inpassing ontstaat die zo goed mogelijk rekening houdt met hun belangen. Samenvattend wordt geconcludeerd dat het initiatief daarmee in overeenstemming is met het LOP. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

Bestemmingsplan Buitengebied, partiele herziening nr. 43, omgeving Nieuwe Twentseweg 3 Ontwerp 4.3.4

Beleidsnota Erven in beweging

4.3.4.1 Algemeen Op 21 december 2017 is de beleidsnota ‘Erven in beweging’ vastgesteld door de gemeenteraad van Raalte. Aanleiding hiervoor zijn de veranderingen in het buitengebied van Raalte. In de periode 2012 – 2030 komt naar verwachting ca 300.000 m2 agrarische bebouwing vrij door bedrijfsbeëindiging van agrarische bedrijven. Om te voorkomen dat op grote schaal leegstand ontstaat bevat de beleidsnota ‘ Erven in beweging’ een aantal aanvullende mogelijkheden/instrumenten om leegstand tegen te gaan. De gemeente Raalte zet in op sloop en hergebruik. Enerzijds om de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied te versterken. Anderzijds om een levendig buitengebied te houden waarin gewoond en gewerkt kan worden. Met de extra mogelijkheden die dit beleid bevat heeft een eigenaar van een erf met leegstaande gebouwen onder andere de volgende mogelijkheden: •

• • •

Naast een woning bouwen in ruil voor sloop van minimaal 850 m2 (rood voor rood regeling) ook de mogelijkheid om op een andere locatie de compensatiewoning te bouwen in ruil voor sloop van minimaal 1.000 m2; Een (niet-agrarisch) bedrijf starten; Oppervlakte bijgebouwen verruimen van 100m2 naar 150 m²; Extra (bij)gebouwen bouwen bij een woning of bedrijf in ruil voor sloop van een veelvoud aan gebouwen (schuur voor schuur regeling).

4.3.4.2 Vrijkomende agrarische erven Vrijkomende erven worden naast een sloopopgave ook gezien als een herbestemmingsopgave. Vrijkomende erven zijn vestigingsplaatsen die ten opzichte van locaties in het stedelijk gebied relatief goedkoop zijn. Door het bieden van ontwikkelingsruimte neemt de waarde van het erf toe. In het beleid is aangegeven dat ondermeer recreatie een geschikte vervolgfunctie is voor vrijkomende erven. 4.3.4.3 Toetsing van het initiatief aan de beleidsnota ‘Erven in beweging’ Hergebruik van bestaande gebouwen voor een andere functie, zoals in dit plan met de groepsaccommodatie het geval is, past binnen het beleid om nieuwe functies te geven aan vrijkomende erven. Het initiatief is dan ook in overeenstemming met de beleidsnota ‘Erven in beweging’. 4.3.5

Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het gemeentelijk beleid.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

Bestemmingsplan Buitengebied, partiele herziening nr. 43, omgeving Nieuwe Twentseweg 3 Ontwerp

HOOFDSTUK 5

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema’s geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie en archeologie & cultuurhistorie, Besluit milieueffectrapportage en gezondheid.

5.1

Geluid (Wet geluidhinder)

5.1.1

Wettelijk kader

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2

Situatie plangebied

In het plangebied is geen sprake van het toevoegen van geluidsgevoelige objecten. De situering van de bestaande woning blijft ongewijzigd met dit plan. In artikel 76 van de Wet geluidhinder is bepaald dat de geluidbelasting van wegen op bestaande woningen niet hoeft te worden getoetst. Deze woning blijft bij de beoordeling dan ook buiten beschouwing. Voor wat betreft de groepsaccommodatie, horecavoorziening, bed and breakfast en de standplaatsen voor kampeermiddelen wordt gesteld dat er geen sprake is van geluidsgevoelige functies. In een uitspraak van de Raad van State (ABRvS 30 mei 2000, nr.199901166/1,Geluid, september 2000) is dit bevestigd. In de betreffende uitspraak werd gesteld dat vakantiewoningen, die naar hun aard niet bestemd zijn voor bewoning in de zin van de Wet geluidhinder, niet bij de besluitvorming inzake geluid hoeven te worden betrokken. Voor wat betreft de standplaatsen voor kampeermiddelen geldt dat het niet gaat om geluidsgevoelige gebouwen. Wel is vanuit goede ruimtelijke ordening van belang te beoordelen of voor de beoogde functie sprake is van een geschikt omgevingsklimaat. Daarbij ook rekening houdend met feit dat standplaatsen voor kampeermiddelen een geringe geluidwering hebben. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB van de wet geluidhinder kan daarbij als toetsingskader worden gebruikt.

De kampeervelden bevinden zich op 40 meter van de Nieuwe Twentseweg en 20 meter van de Brandweg. Beide zijn gebiedsontsluitingswegen met een lage verkeersintensiteit. Bij deze afstanden en intensiteit ligt geluidbelasting onder voorkeursgrenswaarde en is sprake van een geschikt omgevingsklimaat voor de recreatiefuncties. Er hoeft dan ook niet nader in te worden gegaan op de aspecten ‘industrielawaai’, ‘railverkeerslawaai’ en ‘wegverkeerslawaai’. Overigens wordt gesteld dat er geen sprake is van de nabije ligging van gezoneerde bedrijventerreinen en spoorwegen. De omliggende wegen betreffen rustige wegen die met name door bestemmingsverkeer gebruikt zullen worden. Er is dan ook nagenoeg geen sprake van geluidsproductie. 5.1.3

Conclusie

De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

Bestemmingsplan Buitengebied, partiele herziening nr. 43, omgeving Nieuwe Twentseweg 3 Ontwerp

5.2

Bodemkwaliteit

5.2.1

Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. 5.2.2

Situatie plangebied

De uitbreiding van het campingterrein is geprojecteerd ter plaatse van agrarische cultuurgronden, momenteel in gebruik als grasland. Ter plaatse zijn geen bodemverontreinigingen te verwachten. In het verleden hebben er voor zover bekend ter plaatse namelijk geen bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden. Tot slot wordt gesteld dat van het bouwen van gebouwen voor langdurig verblijf geen sprake is, maar dat het uitsluitend om standplaatsen gaat. Het enige te bouwen gebouw betreft een klein gebouw voor een sanitaire voorziening (36 m2). Dit betreft geen gebouw met een verblijfsfunctie. Voor wat betreft de bestaande bebouwing, geldt dat het gaat om inpandige werkzaamheden (omvormen van twee boerderijkamers naar een groepsaccommodatie). Er is reeds sprake van een verblijfsfunctie en er is geen sprake van bodemingrepen. Een bodemonderzoek is dan ook niet nodig. Overigens is er in 2015 voor het gehele terrein een bodemonderzoek uitgevoerd, in het kader van het destijds beoogde plan, waarbij wel sprake was van het bouwen van gebouwen voor langdurig verblijf. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt op de resultaten van dit bodemonderzoek (Sigma) ingegaan. Het volledige rapport is als bijlage 3 opgenomen. • • •

In de bovengrond zijn geen verhoogde waarden aangetroffen; In de ondergrond zijn geen verhoogde waarden aangetroffen; In het grondwater zijn ter plaatse verhoogede gehalten barium en nikkel aangetroffen. De verhogingen overschreden de tussenwaarde niet en gaven daarom geen aanleiding tot het instellen van aanvullend onderzoek.

Uit vorenstaande blijkt dat nader onderzoek niet nodig is en dat de grond geschikt is voor het destijds beoogde recreatieve gebruik, waarmee het ook geschikt is voor het huidig beoogde gebruik. 5.2.3

Conclusie

Het aspect ‘bodem’ vormt geen belemmering voor de in dit plan besloten ontwikkeling.

5.3

Luchtkwaliteit

5.3.1

Beoordelingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

Bestemmingsplan Buitengebied, partiele herziening nr. 43, omgeving Nieuwe Twentseweg 3 Ontwerp 5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtverontreiniging van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •

woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.3.2

Situatie plangebied

In paragraaf 5.3.1.1 zijn voorbeelden van de lijst met categorieën van gevallen opgenomen, die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Gelet op de beperkte toename aan verkeersbewegingen, zoals beschreven in paragraaf 3.3, van dit project in vergelijking met de voorgenoemde categorieën, kan worden aangenomen dat voorliggend project ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging. Een en ander blijkt ook uit de hierna opgenomen NIBM-tool, waarbij de toename aan verkeersbewegingen is weergegeven. Hierin is voor vrachtverkeer een worst-case aanname van 5% aangehouden. Dit is bedoeld voor de bevoorrading van de theeschenkerij.

Tabel 1

Uitsnede NIBM-tool (Bron: Infomil)

Van belang is uit oogpunt van ruimtelijk ordening te beoordelen of de luchtkwaliteit op de locatie geschikt is voor de verblijfsrecreatie functie. In de directe omgeving zijn geen industriële of agrarische emissiebronnen van betekenis op planlocatie. Op de grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland, gepubliceerd

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

Bestemmingsplan Buitengebied, partiele herziening nr. 43, omgeving Nieuwe Twentseweg 3 Ontwerp door het Rijksinstituut Volksgezondheid en Milieu op (http://geodata.rivm.nl/gcn/) zijn op schaal van vierkante km vakken de gemiddelde achtergrondconcentraties aangegeven van diverse luchtverontreinigende stoffen. Uit deze kaart blijkt dat in het km2 vak waarin het plan ligt de achtergrond concentratie Stikstofdioxide (NO2) en fijnstof PM10 en PM2,5 ruim voldoen aan grenswaarden van de wet milieubeheer en de WHOadvieswaarde. 5.3.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

5.4

Externe veiligheid

5.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

Voor het transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2

Situatie in en bij het plangebied

Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (blauwe contour) en omgeving weergegeven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

Bestemmingsplan Buitengebied, partiele herziening nr. 43, omgeving Nieuwe Twentseweg 3 Ontwerp

Afbeelding 5.1

Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart.nl)

Buisleidingen Gasunie BV Opgemerkt wordt dat op circa 630 meter afstand van het plangebied twee hogedruk aardgasleiding (A-523 en A-529) van de Nederlandse Gasunie B.V. zijn gelegen. Er gelden geen plaatsgebonden risicocontouren voor de buisleidingen. Het betreffen leidingen met een werkdruk van 66 bar en een diameter van 48 inch. Bij dergelijke gasleidingen ligt de 1% letaliteitsgrens op 540 meter. In voorliggend geval is het plangebied gelegen buiten dit groepsrisico-aandachtsgebied en is het nader verantwoorden van het groepsrisico niet noodzakelijk. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: • • • •

5.4.3

zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat de ontwikkeling in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Raalte&id=f1ddebdc-0088-4308-aaeb-8a922c4e1f7e