CConstaterende datRaalte
Koppel je AI →
Document · PDF

TOE Bestemmingsplan Buitengebied, partiële herziening Huttert (25-1-23)

Raadsvergadering 16 februari 2023, gemeente RaalteBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan De Huttert, Nieuwe Twentseweg 3, Luttenberg (bespreekstuk)25.697 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

5.5

Milieuzonering

5.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

43

Bestemmingsplan Buitengebied, partiele herziening nr. 43, omgeving Nieuwe Twentseweg 3 Ontwerp • •

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2

Gebiedstypen

Volgens de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een ‘rustige woonwijk’ of een ‘gemengd gebied’. Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ vergelijkbaar omgevingstype. Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het plangebied ligt in het buitengebied, waar geen sprake is van een matige of sterke functiemenging. Daarom wordt in dit geval uitgegaan van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

5.5.3

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Situatie plangebied

5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

44

Bestemmingsplan Buitengebied, partiele herziening nr. 43, omgeving Nieuwe Twentseweg 3 Ontwerp Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.

past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' wordt de camping aangemerkt als ‘Kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken)’. Dergelijke inrichtingen vallen onder milieucategorie 3.1, waarbij de grootste richtafstand geldt voor geluid (50 meter). Voor de aspecten geur en gevaar geldt een richtafstand van 30 meter en voor het aspect stof 0 meter. Voor de groepsaccommodatie en de bed & breakfast kan het beste worden aangesloten bij de functie ‘hotels en pensions met keuken’, waarvoor een grootste richtafstand van 10 meter geldt (geluid, geur en gevaar). Voor het theehuis kan het best aansluiting gezocht worden bij de functie ‘restaurants, cafetaria’s, snackbars, ijssalons met eigen ijsbereiding, viskramen e.d.’. Ook voor deze functie geldt een grootste richtafstand van 10 meter voor de aspecten geluid, geur en gevaar. Tot slot kan het parkeerterrein ten behoeve van de functie het beste worden vergeleken met de functie ‘autoparkeerterreinen, parkeergarages’, waarvoor een grootste richtafstand van 30 meter voor geluid geldt.

In dit geval liggen alle belastende functies op een afstand van minimaal 50 meter afstand van de meest nabijgelegen gevoelige functies. Middels aanduidingen op de verbeelding is dit juridisch geborgd. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. In dit geval worden er een groepsaccommodatie en standplaatsen voor kampeermiddelen toegevoegd. In de nabijheid van het plangebied liggen een aantal agrarische bedrijven. Het betreffen in alle gevallen veehouderijen. Bij veehouderijen geldt, op basis van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’, de grootste richtafstand veelal voor het aspect geur. Bij agrarische bedrijven zijn echter niet de richtafstanden, maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekenende geuremissiecontouren voor vergunningsplichtige veebedrijven bepalend. In deze paragraaf zullen de richtafstanden bij veehouderijen voor wat betreft het aspect geur daarom buiten beschouwing blijven, maar worden wel de overige milieuaspecten behandeld. In paragraaf 5.6 wordt nader ingegaan op het aspect geur. De dichtstbijzijnde agrarische bedrijven betreffen de grondgebonden veehouderijen aan de Brandweg 2 en Nieuwe Twentseweg 5.

Het betreffen beide grondgebonden veehouderijen, waar een grootste richtafstand van 30 meter voor de aspecten stof en geluid voor gelden (met uitzondering van het aspect geur). Het bedrijf aan de Nieuwe Twentseweg 5 ligt op een afstand van 33 meter tot het plangebied (woonbestemming). Hiermee wordt de richtafstand van 30 meter gerespecteerd. Bovendien gaat het om de bestaande afstand tot de woonbestemming. De daadwerkelijke bedrijfswoning en andere gevoelige functies liggen allen op een afstand van meer dan 50 meter. Met dit plan wijzigt dit niet. Het bedrijf aan de Brandweg 2 ligt op een afstand van circa 100 meter tot het plangebied (de standplaatsen voor de kampeermiddelen). Gezien de afstand tot aan de veehouderijen is het te verwachten dat in het plangebied sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat en worden de agrarische bedrijven niet belemmerd in de bedrijfsvoering. 5.5.4

Conclusie milieuzonering

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

45

Bestemmingsplan Buitengebied, partiele herziening nr. 43, omgeving Nieuwe Twentseweg 3 Ontwerp

5.6

Geur

5.6.1

Wet geurhinder en veehouderij & Activiteitenbesluit

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odeur units per kubieke meter lucht. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • •

ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. 5.6.2

Situatie plangebied

Er is diverse uiteenlopende jurisprudentie over de vraag of verblijfsrecreatieve inrichtingen geurgevoelige objecten zijn. De definitie van een 'geurgevoelig object' luidt: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. Gezien de definitie, en ter bescherming van agrarische bedrijven, wordt er in dit geval van uitgegaan dat recreatieverblijven moeten worden aangemerkt als geurgevoelige objecten. Een camping wordt niet aangemerkt als geurgevoelig object, aangezien er geen sprake is van gebouwen, maar van kampeerplaatsen. Bovendien is van permanent of vergelijkbaar gebruik, geen sprake. In dit kader zijn de agrarische bedrijven gevestigd aan de Brandweg 2 en Nieuwe Twentseweg 5 van belang. Zoals eerder aangegeven liggen de bedrijven op een afstand van respectievelijk 100 en 33 meter. Voor deze bedrijven geldt een vaste afstand van 50 meter voor het aspect geur. Met het inrichten van het camping is rekening gehouden met de vaste afstanden van beide bedrijven. Er worden geen geurgevoelige objecten gerealiseerd binnen de vaste afstand van 50 meter. Uitsluitend is er een bestaand dienstgebouw (voor opslag en onderhoudsmateriaal) binnen de vaste afstand gelegen (ten opzichte van de Nieuwe Twentseweg 5).

Gelet op het feit dat in dit gebouw niet permanent of op een vergelijkbare wijze wordt verbleven is van een geurgevoelig object geen sprake. Overigens betreft de afstand van 33 meter tussen het bedrijf aan de Nieuwe Twentseweg 5 en het plangebied een bestaande afstand. Binnen een zone van 50 meter vanaf de grens van dit agrarische bouwvlak zijn echter geen geurgevoelige functies gelegen. Ook worden er geen nieuwe geurgevoelige functies binnen deze zone toegevoegd. De gevoelige functies liggen in alle gevallen op meer dan 50 meter afstand van beide agrarische bedrijven. In de regels en de verbeelding van dit bestemmingsplan is dit juridisch geborgd door de functies met een specifieke aanduiding vast te leggen. Daarnaast is tevens de aanduiding ‘milieuzone – geurzone’ opgenomen, waarbinnen geurgevoelige objecten niet zijn toegestaan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

46

Bestemmingsplan Buitengebied, partiele herziening nr. 43, omgeving Nieuwe Twentseweg 3 Ontwerp Overige bedrijven in omgeving voldoen aan vaste afstand. Binnen 1 kilometer van het plangebied liggen enkel grondgebonden agrarische bedrijven, waarvoor een vaste afstand van 50 meter geldt. Binnen 2 km van het plan bevinden zich enkele bedrijven met geurfactor. Gezien de vergunde dieraantallen, bijbehorende emissies, zoals aangegeven in IJVI en de afstanden is indicatief al voldoende zeker te stellen dat voorgrondbelasting van alle bedrijven ruim onder de norm. Het bedrijf met de hoogste voorgrondbelasting is een vleesvarkensbedrijf op adres Maanweg 5 te Lemele op 1.900 meter van het plan, met een voorgrondbelasting nog ruim onder 3,0 ouE/m3 De cumulatie van de geurbelasting van overige bedrijven binnen 2 km bedraagt minder dan de helft van deze voorgrondbelasting, waarmee ook voor achtergrondbelasting sprake is van minimaal een goed woonen leefklimaat. Gezien het vorenstaande is het te verwachten dat in het plangebied sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat en worden de agrarische bedrijven niet belemmerd in de bedrijfsvoering. 5.6.3

Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoering van het gewenste plan.

5.7

Ecologie

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Natuurbeschermingswet en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming komt voort uit de Wet natuurbescherming. 5.7.1

Gebiedsbescherming

5.7.1.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 29 mei 2019 (zie: AbRS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603 en ECLI:NL:RVS:2019:1604) besloten dat het Programma Aanpak Stikstof (hierna: PAS) niet gebruikt mag worden als basis om toestemming te verlenen voor activiteiten die leiden tot een stikstoftoename ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen en soorten in Natura 2000-gebieden. De locatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “Vecht en Beneden-Reggegebied” is gelegen op circa 3,4 kilometer. Om de effecten van de ontwikkelingen ten opzichte van dit Natura 2000-gebied in beeld te brengen is door BJZ.nu een stikstofberekening uitgevoerd. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. De volledige berekening is als bijlage 4 bij deze toelichting opgenomen. Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j.

Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

47

Bestemmingsplan Buitengebied, partiele herziening nr. 43, omgeving Nieuwe Twentseweg 3 Ontwerp 5.7.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS), is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. De locatie is niet gelegen binnen het concreet begrensde NNN. Het dichtstbijzijnde NNN/ecologische verbindingszone is gelegen op circa 570 meter afstand. Gezien de onderlinge afstand, de aard en omvang van de ontwikkeling en lokale invloedsfeer van de voorgenomen activiteit wordt gesteld dat als gevolg van voorliggend initiatief geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. In afbeelding 5.2 is de ligging van het plangebied ten opzichte van het NNN weergegeven.

Afbeelding 5.2

Ligging van het plangebied ten opzichte van het NNN (Bron: Provincie Overijssel)

De locatie is niet gelegen binnen het concreet begrensde NNN. Het plangebied ligt op circa 570 meter van het NNN. Gezien de afstand van het plangebied tot aan het NNN en de aard van de ontwikkeling wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Een ontheffing in het kader van het NNN is niet noodzakelijk. 5.7.2

Soortenbescherming

5.7.2.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

48

Bestemmingsplan Buitengebied, partiele herziening nr. 43, omgeving Nieuwe Twentseweg 3 Ontwerp 5.7.2.2 Resultaten Quickscan natuurwaardenonderzoek In dit geval is er door Bureau Bleijerveld in 2020 een quickscan ecologie uitgevoerd. De volledige rapportage is als bijlage 5 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Planten Het terrein is begroeid met regulier, soortenarm grasland. Op beperkte schaal kwamen kruiden in de vegetatie voor, met name aan de randen. Het ging om soorten van voedselrijk grasland en om soorten van verstoorde grond zoals kruipende boterbloem, vogelmuur, madeliefje, rankende helmbloem, pitrus, grote brandnetel en braam. Er zijn geen beschermde soorten gevonden en het voorkomen daarvan is uit te sluiten op basis van de aanwezige vegetatie en het karakter van de locatie. Zoogdieren Alle inheemse soorten zoogdieren met uitzondering van de mol zijn in meer of mindere mate beschermd. In het plangebied is alleen een haas waargenomen. Verder waren sporen van mol voor in de vorm van molshopen. De locatie is verder vrijwel alleen geschikt voor veldmuis. De genoemde soorten zijn nationaal beschermde soorten waarvoor in geval van ruimtelijke ingrepen een algemene vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wnb geldt. De overige soorten zoogdieren die in de regio voorkomen zijn hoogstens als passant te verwachten.

Vleermuizen Alle soorten vleermuizen zijn strikt beschermd in de Wnb volgens het beschermingsregime van de Habitatrichtlijn. Verblijfplaatsen van vleermuizen bevinden zich in holten van bomen en besloten of donkere ruimten van kunstwerken, zoals gebouwen. In het plangebied zijn geen bomen of gebouwen aanwezig zodat verblijfplaatsen zijn uit te sluiten. Vanwege de geringe oppervlakte en het ontbreken van opgaande begroeiing is een belang van het plangebied voor vlieg- en foerageerroutes uit te sluiten. Het is aannemelijk dat de opgaande begroeiing langs de randen tot het foerageergebied van vleermuizen behoren. De omvorming tot kampeerterrein is niet van invloed op deze functie. Vogels Alle inheemse broedvogels zijn beschermd. De Wnb maakt onderscheid tussen vogels zonder en met vaste broedplaatsen. Van vogels zonder vaste broedplaats zijn alleen de broedsels beschermd en niet het leefgebied. Van vogels met een vaste broedplaats is naast de broedplaats (jaarrond) ook het functionele leefgebied beschermd. In de heggen waren tientallen vogels aanwezig, met name vink, keep en ringmus. De locatie biedt in de huidige staat geen geschikte broedplaatsen voor vogels vanwege het ontbreken van opgaande begroeiing en de korte grasmat. In de heggen zijn allerlei broedvogels van struweel te verwachten. De omvorming tot kampeerterrein is hierop nauwelijks van invloed.

Naar verwachting zal de uitbreiding van de groenstructuur ook tot een uitbreiding van de broedmogelijkheden leiden. Vaste nestplaatsen zijn uit te sluiten vanwege het ontbreken van gebouwen en bomen op de locatie. Op het oostelijke deel van het bedrijf – buiten het plangebied – is een bewoonde steenuilenkast in een boom langs de weg aanwezig. De omvorming tot kampeerterrein heeft geen negatief effect op het leefgebied van steenuil omdat foerageergebied in de omgeving niet beperkend is. Amfibieën Alle soorten amfibieën zijn in meer of mindere mate beschermd. In en rond het plangebied liggen droge greppels die alleen in natte perioden watervoerend zijn. Daarnaast wordt de omgeving gekenmerkt door grootschalige landbouwpercelen. Voor de strikter beschermde soorten amfibieën voldoet dit niet als leefgebied. Het is aannemelijk dat de algemene, licht beschermde soorten amfibieën wel in het gebied voorkomen maar het plangebied vormt geen geschikt leefgebied voor amfibieën in het algemeen. Een negatief effect op deze soortgroep is uitgesloten. Reptielen Alle soorten reptielen zijn in meer of mindere mate beschermd. De locatie en de omgeving daarvan zijn niet geschikt als leefgebied voor reptielen op basis van het grootschalige agrarische karakter. Een belang van het plangebied voor reptielen is uit te sluiten. Vissen

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

49

Bestemmingsplan Buitengebied, partiele herziening nr. 43, omgeving Nieuwe Twentseweg 3 Ontwerp In en rond het plangebied is geen permanent oppervlaktewater aanwezig. Een negatief effect op vissen in het algemeen is uitgesloten. Ongewervelden De beschermde soorten ongewervelden zijn gebonden aan zeer specifieke habitats. Regulier agrarisch grasland komt voor geen van de beschermde soorten overeen met hun habitat. Deze soortgroep is daarom in zijn geheel uit te sluiten. Samenvatting In het plangebied zijn algemene, licht beschermde soorten zoogdieren te verwachten waarvoor een algemene vrijstelling geldt van de Wnb in geval van ruimtelijke ingrepen. Van de overige soortgroepen is de aanwezigheid groei- of verblijfplaatsen van beschermde soorten uit te sluiten. 5.7.3

Conclusie

Het aspect ‘ecologie’ vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.8

Archeologie & Cultuurhistorie

5.8.1

Archeologie

5.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.1.2 Situatie plangebied Het gehele plangebied is op grond van de gemeentelijke Archeologische Beleidsadvieskaart gelegen in een gebied met een lage en middelhoge verwachtingswaarde. Een uitsnede van de beleidsadvieskaart is in afbeelding 5.3 opgenomen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

50

Bestemmingsplan Buitengebied, partiele herziening nr. 43, omgeving Nieuwe Twentseweg 3 Ontwerp

Afbeelding 5.3

Archeologische Beleidsadvieskaart (Bron: Gemeente Raalte)

Voor gebieden met een lage verwachtingswaarde geldt dat voor plangebieden groter dan 10 hectare in het landelijk gebied / groter dan 5 hectare in de bebouwde kom en dieper dan 50 cm minus maaiveld een archeologische onderzoeksplicht. Voor gebieden met een middelhoge verwachtingswaarde geldt dat voor plangebieden groter dan 5000 m 2 in het landelijk gebied / groter dan 250 m2 in de bebouwde kom en dieper dan 50 cm minus maaiveld een archeologische onderzoeksplicht. Tevens geldt een onderzoeksplicht wanneer het plangebied is gelegen binnen een straal van 50 m van AMK terreinen. Betreffend plangebied (rode contour) is gelegen in het landelijk gebied en is niet binnen 50 meter van een AMK terrein gelegen. De bodemingrepen in het kader van het landschap vinden uitsluitend plaats binnen gronden met een lage verwachtingswaarde (landschapsmaatregelen). In het gebied met een middelhoge verwachting is uitsluitend sprake van de bouw van een sanitairgebouw. De bodemingrepen die zijn gemoeid met dit plan blijven daarmee ruimschoots onder de onderzoeksgrens. Daarom is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Niettemin geldt te allen tijde, dus ook na vergunningverlening, dat indien tijdens werkzaamheden archeologische resten worden gevonden, men wettelijk verplicht is hiervan melding te maken aan de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).

Ook de gemeentelijk archeoloog wordt in dit geval op de hoogte gebracht. 5.8.2

Cultuurhistorie

5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

51

Bestemmingsplan Buitengebied, partiele herziening nr. 43, omgeving Nieuwe Twentseweg 3 Ontwerp bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Erfgoedwet. Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Op grond van de wet Modernisering Monumentenzorg (de MoMo), die per 1 januari 2012 van kracht is geworden, moet een goede ruimtelijke onderbouwing een beschrijving bevatten van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. 5.8.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart Overijssel, in het plangebied zelf geen rijksdanwel gemeentelijke monumenten. In het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied is tevens geen sprake van andere bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan. 5.8.3

Conclusie

Archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Tevens is er geen sprake van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.

5.9

Besluit milieueffectrapportage

5.9.1

Kader

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan/wijzigingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •

•

•

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan/wijzigingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of bestemmingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

52

Bestemmingsplan Buitengebied, partiele herziening nr. 43, omgeving Nieuwe Twentseweg 3 Ontwerp 5.9.2

Situatie plangebied

5.9.2.1 Artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming Uit de stikstofberekening blijkt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase er geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j ten aanzien van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura-2000 gebied ‘Vecht en Beneden-Reggegebied’ en op grotere afstand gelegen Natura-2000 gebieden. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk. Om deze reden is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. 5.9.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor het voldoet aan de definitie van een 'besluit' als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.(beoordelings)plichtig is indien activiteiten mogelijk worden gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. Het plan betreft de uitbreiding van een minicamping.

De ontwikkeling is concreet beschreven in paragraaf 3.1. In onderdeel D 11.2 wordt onder een stedelijke ontwikkeling het volgende verstaan: 'de aanleg wijziging of uitbreiding van vakantiedorpen en hotelcomplexen buiten stedelijke zones met bijbehorende voorzieningen. In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. 2. 3.

250.000 bezoekers of meer per jaar; Een oppervlakte van 25 hectare of meer, of Een oppervlakte van 10 hectare of meer in een gevoelig gebied

Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag of er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat uit van het uitbreiden van en minicamping. Het gaat om een (zeer) kleinschalige ontwikkeling waarbij het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toeneemt. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een ontwikkeling die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen en andere milieugevoelige functies.

Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Bovendien blijkt uit dit hoofdstuk en hoofdstuk 6 dat dit bestemmingsplan geen belangrijk nadelige milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. 5.9.3

Conclusie

Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

53

Bestemmingsplan Buitengebied, partiele herziening nr. 43, omgeving Nieuwe Twentseweg 3 Ontwerp

5.10

Gezondheid

5.10.1 Algemeen Gezondheid is een aspect dat beoordeeld moet worden bij ruimtelijke plannen. Van belang hierbij is om in beeld te brengen of er gezondheidsrisico’s zijn als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. Hierbij valt te denken aan bijvoorbeeld de aanwezigheid van intensieve veehouderijen. Naast de gezondheidsbescherming kan het bevoegd gezag het belang van gezondheidsbevordering meewegen. Zo heeft de fysieke leefomgeving positieve gezondheidseffecten als deze uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten. 5.10.2 Situatie plangebied Het plan voorziet in de uitbreiding van een kleinschalig kampeerterrein. Zoals uit voorgaande paragraven blijkt is de uitbreiding milieutechnisch verantwoord. Zo zijn er ook geen intensieve veehouderijen in de nabije omgeving aanwezig die voor risico’s zouden kunnen zorgen. Er zijn dan ook geen mogelijke gezondheidsrisico’s. Recreatie kan daarnaast gezien worden als een ontwikkeling die een positief effect heeft op de gezondheid, aangezien het uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert om buiten te zijn, elkaar te ontmoeten en actief bezig te zijn tijdens een vakantie. 5.10.3 Conclusie Het plan heeft een positieve invloed op het aspect ‘’gezondheid’.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

54

Bestemmingsplan Buitengebied, partiele herziening nr. 43, omgeving Nieuwe Twentseweg 3 Ontwerp

HOOFDSTUK 6 6.1

WATERASPECTEN

Inleiding

Er is een groot aantal beleidsstukken dat betrekking heeft op de waterhuishouding. Hieronder wordt een en ander uiteengezet.

6.2

Vigerend beleid

6.2.1

Europees beleid

Sinds 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht. Deze richtlijn moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater verbeterd zodat het water chemisch en ecologisch (weer) gezond wordt. Alle waterbeheerders moeten ervoor zorgen dat de waterkwaliteit in 2015 op orde is. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op stroomgebied niveau plannen opgesteld In deze stroomgebiedplannen staan de concrete doelstellingen en maatregelen beschreven voor de verschillende stroomgebieden. 6.2.2

Rijksbeleid/Waterwet

Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 6.2.3

Provinciaal beleid

De Omgevingsvisie Overijssel bevat het provinciale waterbeleid en is daarmee ook het Regionaal Waterplan. De provincie omschrijft haar ambitie met het waterbeleid voor de komende jaren in één zin als volgt: ‘We willen onze watersystemen zo inrichten dat ze voldoende en goed water bevatten en dat ze voor lange tijd veilig zijn en bestand tegen klimaatverandering’. Om daar te komen heeft de Omgevingsvisie vijf centrale thema’s: • • • • •

6.2.4

Veiligheid: een veilige omgeving om te wonen en te werken door voldoende bescherming tegen het water te bieden Schoon en gezond water: een goede drinkwatervoorziening onmisbaar. Goed functionerende ecosystemen hebben voldoende en schoon water nodig. Gebruik van water: een goed waterpeil voor de landbouw of beregening Water als waardevol element. Water heeft behalve praktisch nut ook een belevingswaarde. Water is een waardevol element in de woon- en werkomgeving en in het buitengebied. Sturing waterbeleid:. In de Omgevingsvisie geeft de provincie aan welke rol ze in het waterbeleid wil spelen. Waterschapsbeleid

Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Drents Overijsselse Delta (voorheen Reest en Wieden & Groot Salland), Vechtstromen en Rijn en IJssel. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen de afgelopen jaren intensief samengewerkt met elkaar en met andere

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

55

Bestemmingsplan Buitengebied, partiele herziening nr. 43, omgeving Nieuwe Twentseweg 3 Ontwerp partners. Het nieuwe Waterbeheerplan is één van de resultaten van deze samenwerking. De opzet en grote delen van dit Waterbeheerplan zijn inhoudelijk hetzelfde als dat van de andere waterschappen in Rijn-Oost. Waterschap Drents Overijsselse Delta heeft de taken vastgelegd in het Waterbeheerplan 2016-2021. Hieronder volgt een toelichting op de doelen in het waterbeheerplan. •

•

•

6.2.5

Overstromingen, wateroverlast of droogte te voorkomen of beperken. Inwoners kunnen hierdoor op een goede manier wonen en werken. Boeren en natuurbeheerders kunnen goed gebruik maken van de grond. Beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het water in de volle breedte. Een goede ecologische en chemische kwaliteit van het (oppervlakte)water is belangrijk. Het water is schoon en gezond en inwoners kunnen hiervan genieten. Ook de doelen voor waterkwaliteit die voortvloeien uit Europese wetgeving; de Kaderrichtlijn Water (KRW) maken onderdeel uit van het plan. Afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties effectief en efficiënt behandelen. We proberen niet alleen schadelijke stoffen uit het water te halen. Ook willen we van deze stoffen nieuwe producten maken en nieuwe toepassingen zoeken. Gemeentelijk beleid

In de Waterwet en de Wet milieubeheer zijn de gemeentelijke watertaken geregeld. Deze taken hebben betrekking op de gemeentelijke zorgplicht voor: • • •

inzameling en transport van stedelijk afvalwater. het inzamelen en verwerken van afvloeiend hemelwater. grondwater(maatregelen).

Het GRP beschrijft de beleidskaders (ambities)en de activiteiten voor de inzameling, transport en verwerking van stedelijk afval, hemel- en grondwater. Het GRP gaat uit van de volgende principes (tritsen): De trits 'vasthouden, bergen, afvoeren' houdt in dat er zoveel mogelijk water lokaal wordt vast gehouden, dan geborgen in oppervlaktewater of andere bergvoorzieningen, pas als dit niet mogelijk is wordt het regenwater afgevoerd. De trits “schoonhouden --> scheiden --> schoonmaken” omvat ten eerste het niet toelaten dat de kwaliteit van water verslechtert (schoon houden), vervolgens het gescheiden houden van schone en vuile waterstromen en als laatste het zuiveren (schoonmaken) van verontreinigd water. Door water schoon te houden en vuile waterstromen zoveel mogelijk gescheiden te houden kan de omvang van te zuiveren water worden beperkt en tevens het zuiveringsrendement worden verhoogd. Ontvlechting vindt in principe plaats als dat doelmatig en kosteneffectief is. Bij nieuwbouw in het buitengebied is het verwerken van hemelwater aan de eigenaar van het perceel. Verharde oppervlakken (gebouwen, terras, weg op eigen terrein) moeten met 20mm worden gecompenseerd op eigen terrein. Overtollig water mag afstromen naar oppervlaktewater of de openbare ruimte.

Ten aanzien van de verwerking van grondwater bij nieuwbouw kan worden gesteld dat dit voldoende wordt ondervangen in het “watertoets proces”. Hierbij worden vooraf de waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze meegewogen bij de ontwikkeling van nieuwbouwlocaties. Hitte, droogte, watertekort en wateroverlast zijn aspecten die van wezenlijke invloed zijn bij het ontwerpen en bij de realisatie van plannen voor zowel inbreidings- als uitbreidingslocaties. Met deze aspecten wordt rekening gehouden door het principe van de meerlaagsveiligheid als bouwsteen van wezenlijk belang te hanteren bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen. Bestaande en nieuwe blauwe en groene elementen ondersteunen de klimaatadaptatie in het binnenstedelijk gebied en op bedrijven- en industrieterreinen. Afkoppelen van verhard oppervlak is niet een doel op zich. Doelmatigheid, haalbaarheid en betaalbaarheid van afkoppelmaatregelen worden meegewogen in ruimtelijke plannen. De samenhang met het beleid over klimaatadaptatie en overstromingsrisico wordt integraal beoordeeld. Waterlopen met een beschermde status (Kaderrichtlijn water) staan vermeld op de verbeelding behorende bij een ruimtelijk plan. Informatie over de status van een KRW-lichaam en beoogde maatregelen verwoord in

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

56

Bestemmingsplan Buitengebied, partiele herziening nr. 43, omgeving Nieuwe Twentseweg 3 Ontwerp zogenaamde “factsheets”, wordt beschouwd als zwaarwegend belang waar slecht gemotiveerd van kan worden afgeweken door het treffen van mitigerende of compenserende maatregelen.

6.3

Waterparagraaf

6.3.1

Algemeen

Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.3.2

Watertoetsproces

Het waterschap Drents Overijsselse Delta is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl/). De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de ‘normale procedure’ van de watertoets wordt toegepast. Het watertoetsresultaat is opgenomen in bijlage 6 van deze toelichting. In de navolgende subparagraaf zal nader worden ingegaan op de waterhuishoudkundige situatie in het plangebied. 6.3.3

Waterhuishoudkundige aspecten in het plangebied

De locatie is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied of intrekgebied. Wel is een boringvrije zone aangewezen, waardoor een verbod bestaat op boringen dieper dan 50 meter onder het maaiveld. In dit geval is geen sprake van boringen. In het gebied is geen wateroverlast aan de orde. De uitbreiding bestaat uit 15 standplaatsen voor kampeermiddelen en de bouw van één sanitairgebouw. De toename van verhard oppervlakte beslaat slechts de bouw van één klein sanitairgebouw. De parkeerplaatsen worden namelijk niet verhard aangelegd. Er is in het plangebied voldoende water om het hemelwater te infiltreren in de grond.

6.4

Overstromingsrisico

In de Omgevingsvisie en –verordening van de provincie Overijssel wordt invulling gegeven aan de risicobenadering. Omdat het plangebied buiten de dijkring 53, Salland ligt is geen overstromingsrisicoparagraaf verplicht.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

57

Bestemmingsplan Buitengebied, partiele herziening nr. 43, omgeving Nieuwe Twentseweg 3 Ontwerp

HOOFDSTUK 7 7.1

JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

7.2

Opzet van de regels

7.2.1

Algemeen

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De systematiek van dit bestemmingsplan is gebaseerd op het bestemmingsplan “Buitengebied Raalte”, rekening houdend met de correctieve herzieningen. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4. 7.2.2

Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels. Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: •

Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.

•

Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.

7.2.3

Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: • •

Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bouwhoogte, goothoogte, dakhelling, etc.); BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

58

Bestemmingsplan Buitengebied, partiele herziening nr. 43, omgeving Nieuwe Twentseweg 3 Ontwerp • •

Specifieke gebruiksregels: welk gebruik van gronden en opstallen in ieder geval strijdig/toegestaan zijn; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden: omgevingsvergunningenstelsel voor werken en werkzaamheden.

In paragraaf 7.3 worden de bestemmingen nader toegelicht en wordt ook per bestemming aangegeven waarom voor bepaalde gronden voor deze is gekozen. 7.2.4

Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •

Anti-dubbeltelregel (Artikel 6) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de beoordeling van bouwplannen.

•

Algemene bouwregels (Artikel 7) In dit artikel worden de algemene bouwregels beschreven. Deze regels gaan in op toegelaten bouwwerken met afwijken maten, overschrijding van bouwgrenzen, herbouw van woningen en de aan te houden afstand van bebouwing ten opzichte van de weg.

•

Algemene gebruiksregels (Artikel 8) In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. Dit brengt met zich mee dat de bestemmingsomschrijving van de te onderscheiden bestemming helder en duidelijk moet zijn. In dit artikel wordt aangegeven wat in elk geval strijdig is.

•

Algemene aanduidingsregels (Artikel 9) Dit artikel bevat een algemene aanduidingsregels ten aanzien van een geurzone. Deze zone is opgenomen in een zone van 50 meter gemeten vanaf het ten oosten gelegen agrarisch bedrijf. Binnen deze zone zijn geurgevoelige objecten niet toegestaan. Op deze manier wordt naastgelegen agrarisch bedrijf beschermd.

•

Algemene afwijkingsregels (Artikel 10) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten, zoals mantelzorg, vergroten inhoudsmaat van een Sallandse boerderijvorm, herbouw van woningen en kleinschalige windmolens van de regels in het bestemmingsplan af te wijken.

•

Algemene wijzigingsregels (Artikel 11) In dit artikel worden de algemene wijzigingsregels beschreven. Deze regels maken de herbouw van woningen buiten bestaande funderingen (incl. procedure voor een hogere grenswaarde vanuit de Wet geluidhinder) mogelijk.

•

Overige regels (Artikel 12) In dit artikel zijn bepalingen ten aanzien van de werking wettelijke regelingen en uitsluiting aanvullende werking bouwverordening opgenomen. In deze regels is tevens de voorwaardelijke verplichting voor de landschappelijke inpassing opgenomen. Er is bewust gekozen om deze verplichting in de overige regels op te nemen, aangezien de landschapsmaatregelen betrekking hebben op gronden binnen zowel de agrarische bestemming en de woonbestemming.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

59

Bestemmingsplan Buitengebied, partiele herziening nr. 43, omgeving Nieuwe Twentseweg 3 Ontwerp 7.2.5

Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

7.3

Verantwoording van de regels

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Allereerst wordt gesteld dat er bewust voor gekozen is om de bestaande bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Wonen’ te handhaven, omdat het in dit geval gaat om een kleinschalig recreatiebedrijf. De woonfunctie en agrarische functie blijven de hoofdfunctie. Om de impact op de omgeving zo klein mogelijk te laten zijn, is gekozen om de huidige bestemmingen te handhaven, waarbij middels specifieke regels binnen beide bestemmingen de gewenste functies mogelijk zijn gemaakt.

Agrarisch (Artikel 3) Deze bestemming is conform huidige situatie overgenomen ter plaatse van de standplaatsen voor kampeermiddelen en omliggend agrarisch gebied. De bestemming is vergroot, waarbij de woonbestemming is verkleind. Dit is gedaan om zo het complete kampeerterrein (alle 40 toegestane plaatsen) binnen dezelfde bestemming te laten vallen. Gronden met deze bestemming zijn bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf en de uitoefening van een kleinschalig kampeerterrein tot 40 plaatsen, waarvoor een aanduiding is opgenomen. Tevens is een specifieke aanduidingen opgenomen voor het parkeerterrein, die ten dienste staat van het kleinschalige kampeerterrein. Ook is specifiek bepaald dat sanitaire voorzieningen zijn toegestaan. In de bouwregels is opgenomen dat ten aanzien van gebouwen uitsluitend de sanitaire voorzieningen zijn toegestaan, tot maximaal 26 m2 en een bouwhoogte van 6 meter. Hiervoor is een aanduiding opgenomen. Tevens is specifiek bepaald dat direct aansluitend aan de sanitaire voorziening nog eens 24 m 2 aan sanitaire voorzieningen is toegestaan. Daarnaast zijn verscheidene bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogelijk. Naast de afwijking van de bouwregels zijn specifieke gebruiksregels opgenomen, waarin vormen van strijdig gebruik staan opgenomen.

Tot slot zijn er wijzigingsbevoegdheden opgenomen teneinde het plan op ondergeschikte punten te wijzigen. Wonen (Artikel 4) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de huidige woonbestemming. Zoals aangegeven onder ‘Agrarisch’ is de woonbestemming verkleind om het gehele kampeerterrein binnen één bestemming te realiseren. Gronden met een woonbestemming zijn bestemd voor wonen, voormalige agrarische bedrijfsbebouwing, bijbehorende voorzieningen, een groepsaccommodatie en een theeschenkerij. De groepsaccommodatie en de theeschenkerij zijn specifiek vastgelegd met een aanduiding op de verbeelding. Onder een theeschenkerij wordt verstaan: Een voorziening ten behoeve van ondergeschikte horeca-activiteiten, behorende bij de minicamping, groepsaccommodatie en plattelandskamers, niet zijnde reguliere horeca bestaande uit: 1.

het bedrijfsmatig verstrekken van (alcoholhoudende) drank voor gebruikers van de minicamping, groepsaccommodatie en plattelandskamers,

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

60

Bestemmingsplan Buitengebied, partiele herziening nr. 43, omgeving Nieuwe Twentseweg 3 Ontwerp 2. 3.

verstrekken van kleine etenswaren voor gebruik ter plaatse aan gebruikers van de minicamping, groepsaccommodatie en plattelandskamer, ter plaatse mogen geen maaltijden worden geserveerd verstrekken van (alcoholhoudende) drank aan passerende dagrecreanten gedurende het kampeerseizoen van 15 maart tot en met 31 oktober

Door deze definitie is geregeld dat de theeschenkerij ten dienste staat van de recreatieve nevenfunctie in het plangebied. Hiermee zijn zelfstandige feesten en het verstrekken van maaltijden (zelfstandige restaurantfunctie) uitgesloten. De aanduiding voor de theeschenkerij is ter plaatse van de theeschenkerij gelegd.. Ten aanzien van de theeschenkerij is in de specifieke gebruiksregels specifiek opgenomen dat deze tussen 22.00 en 7.00 niet gebruikt mag worden. Tevens wordt de maximum oppervlakte van de theeschenkerij (135 m2) en plattelandskamers (3* 50 m2) vastgelegd en is specifiek geregeld dat een terras direct moet aansluiten op de theeschenkerij. Onder een groepsaccommodatie wordt verstaan: Een (deel van een) gebouw, blijvend bestemd voor recreatief nachtverblijf door groepen van maximaal 15 personen, met overnachting in slaapzalen en/of -kamers, met dien verstande dat permanente bewoning niet is toegestaan. Tevens zijn een bed & breakfast en nevenfuncties, waaronder verkoop- aan huis van streekeigen producten toegestaan. Daarnaast zijn drie bestaande plattelandskamers toegestaan ter plaatse van de theeschenkerij, aangezien deze beide functies zich in hetzelfde gebouw bevinden. Ook is specifiek geregeld dat ondergeschikte detailhandel toegestaan is. Hiermee is geborgd dat er tevens een verkoopfunctie behorend bij de recreatieve functie mogelijk is.

Een bed & breakfast is uitsluitend in de woning toegestaan. In de bouwregels zijn regels voor alle gebouwen opgenomen. Specifiek is bepaald dat voor de groepsaccommodatie de bestaande maatvoeringen gelden, waarbij onder ‘bestaand’ verstaan wordt de bestaande oppervlakte van de gebouwen waarbinnen deze functies gehuisvest worden. Er is immers nog geen sprake van de bestaande functie ‘groepsaccommodatie’. Van de bouw- en gebruiksregels kan op ondergeschikte punten afgeweken worden. Waarde – Archeologie 2 (Artikel 5) Deze bestemming is conform huidige situatie overgenomen. Deze gronden met deze dubbelbestemming zijn mede bedoeld voor het behoud, de bescherming en/of het herstel van de verwachte archeologische waarden in een gebied met een middelhoge archeologische verwachting.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

61

Bestemmingsplan Buitengebied, partiele herziening nr. 43, omgeving Nieuwe Twentseweg 3 Ontwerp

HOOFDSTUK 8

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten zijn beperkt tot de ambtelijke kosten, welke worden verhaald middels de gemeentelijke legesverordening. Eventuele planschade komt voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe is een anterieure overeenkomst afgesloten tussen de initiatiefnemer en de gemeente Raalte. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en is op grond van artikel 6.12 Wro geen exploitatieplan nodig.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

62

Bestemmingsplan Buitengebied, partiele herziening nr. 43, omgeving Nieuwe Twentseweg 3 Ontwerp

HOOFDSTUK 9 9.1

VOOROVERLEG, INSPRAAK EN ZIENSWIJZEN

Vooroverleg

Op grond van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de diensten van de provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. 9.1.1

Het Rijk

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 9.1.2

Provincie Overijssel

Het plan is aan de provincie voorgelegd. De provincie heeft in een reactie op d.d. 2 juni 2022 aangegeven dat het bestemmingsplan in het provinciale ruimtelijke beleid past. De provincie is daarmee akkoord met het plan. 9.1.3

Waterschap Drents Overijsselse Delta

In het kader van de watertoets heeft er een digitale watertoets plaatsgevonden via de website www.dewatertoets.nl. De uitkomsten van deze watertoets hebben ertoe geleid dat de ‘korte procedure’ van toepassing is. De bijbehorende standaard waterparagraaf is als bijlage 4 bij deze toelichting opgenomen.

9.2

Inspraak

De plannen voor de uitbreiding zijn de afgelopen periode uitvoerig met de buurt besproken. Er zijn verscheidene gesprekken en avonden geweest waar de plannen zijn uitgelegd. Ook zijn de plannen aangepast ten opzichte van het ‘oude’ plan uit 2015. Hierbij is het plan zodanig aangepast dat tegemoet wordt gekomen aan de bezwaren die de buurt destijds tegen de plannen had. Zo is de uitbreiding aanzienlijk kleiner dan destijds is beoogd (de uitbreiding is verkleind van 60 standplaatsen voor kampeermiddelen naar in totaal 40 standplaatsen voor kampeermiddelen) en worden er voor het theehuis specifieke regels opgenomen in dit bestemmingsplan om overlast te voorkomen. Er is een landschappelijk inpassingplan gemaakt dat rekening houd met haar omgeving en de directe omgeving. Uiteraard worden de milieucontouren van de bestaande agrarische bedrijven in de directe omgeving gerespecteerd. Hierna wordt kort samengevat ingegaan op de communicatie met omwonenden ten behoeve van dit plan in 2021. Met de directe omwonenden is een aantal maal gesproken over hun belangen. Op meerdere bijeenkomsten is het plan van de Huttert inhoudelijk besproken, hierbij waren ook de wethouder en betrokken ambtenaar aanwezig. De reacties waren niet in alle opzichten positief. Wel is met hen plan getracht zoveel als mogelijk rekening te houden met de belangen van de omgeving.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Raalte&id=f1ddebdc-0088-4308-aaeb-8a922c4e1f7e