CConstaterende datRaalte
Koppel je AI →
Document · PDF

TOE Bestemmingsplan Buitengebied, partiële herziening Flierefluiter (7-3-23)

Informatievoorziening raad 30 maart 2023, gemeente RaalteBij agendapunt: Ontwerpbestemmingsplan De Flierefluiter26.708 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Situatie in en bij het plangebied

Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (blauwe contour) en omgeving weergegeven.

Afbeelding 5.1

Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart.nl)

Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: • • • •

5.4.3

zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat de ontwikkeling in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

45

Bestemmingsplan Buitengebied, partiële herziening nr. 45, omgeving Hogebroeksweg 15 Ontwerp

5.5

Milieuzonering

5.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2

Gebiedstypen

Volgens de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een ‘rustige woonwijk’ of een ‘gemengd gebied’. Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ vergelijkbaar omgevingstype. Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het plangebied ligt in het buitengebied, waar geen sprake is van een matige of sterke functiemenging. Daarom wordt in dit geval uitgegaan van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

46

Bestemmingsplan Buitengebied, partiële herziening nr. 45, omgeving Hogebroeksweg 15 Ontwerp 5.2 5.3 6

700 m 1.000 m 1.500 m

5.5.3

Situatie plangebied

500 m 700 m 1.000 m

5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.

past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Op basis van de VNG-uitgave zijn op recreatie-inrichting "De Flierefluiter" meerdere functies aanwezig. De functies zijn onder te verdelen in: • • •

een kampeerterrein (SBI 2008-code: 553, 552); de kleinschalige horecavoorziening / kantine (SBI 2008-code: 5629); speeltuin / speelvoorzieningen (ongeveer gelijk te stellen met een kinderboerderij, SBI 2008-code: 91041).

In de volgende tabel zijn de functies met bijbehorende milieucategorie en afstand tot milieugevoelige objecten weergegeven. Hierbij is uitgegaan van de planologisch maximaal toegestane situatie. Functie Kampeerterrein

Milieucategorie 3.1

Richtafstand 50 m (geluid)

Daadwerkelijke afstand (planologisch minimaal 50 meter)

Kleinschalige horeca Kinderboerderij Parkeerterrein Binnenzwembad

1 2 2 3.1

10 m (geluid en gevaar) 30 m (geluid en geur) 30 m (geluid) 50 m (geluid)

35 m 35 m 90 m 135 m

Bovengenoemde functies vallen respectievelijk in de volgende milieucategorie: 3.1, 2 en 1. Op basis van de ligging in omgevingstype 'rustige woonwijk' dient een maximale richtafstand van 50 meter aangehouden te worden. Opgemerkt wordt dat ter plaatse van de recreatieboerderij tevens een binnenzwembad aanwezig is. Het is een zeer kleinschalig zwembad. De milieubelasting van het zwembad, dat ondergeschikt is aan de ter plaatse aanwezige hoofdfunctie(s), zal daarom gering zijn en is eerder te vergelijken met een milieucategorie 3.1 inrichting. Redelijkerwijs kan niet verwacht worden dat deze functie onevenredige hinder oplevert. Bovendien gaat het om een bestaand zwembad. Dus er is in geen geval sprake van extra belasting als gevolg van hetgeen dit bestemmingsplan mogelijk maakt. Tevens wordt opgemerkt dat in de regels een specifieke regel is opgenomen welke borgt dat de minicamping op minimaal 50 meter van gevoelige functies wordt gesitueerd. De feitelijke afstand is op dit moment echter circa 150 meter, waarmee er zowel planologisch als feitelijk sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

47

Bestemmingsplan Buitengebied, partiële herziening nr. 45, omgeving Hogebroeksweg 15 Ontwerp Zoals uit voorgaande tabel blijkt, wordt, met uitzondering van het zwembad, in alle gevallen aan de richtafstanden tot nabijgelegen milieugevoelige functies voldaan. Overigens dient te worden vermeld dat er in dit geval geen sprake is van het uitbreiden van milieubelastende functies op een kortere afstand van omliggende gevoelige functies dan op dit moment reeds het geval is. De uitbreiding van het bouwvlak bevindt zich immers aan de westzijde op een afstand van minimaal 80 meter van de dichtstbijzijnde milieugevoelige functie. Met het plan is er dan ook geen sprake van extra milieubelasting, aangezien alle functies binnen dit bouwvlak (horeca, kinderboerderij) momenteel reeds planologisch toegestaan en ook aanwezig zijn. Het plan voorziet ten aanzien van het bestaande (en nieuwe) bouwvlak uitsluitend in extra bebouwingsmogelijkheden ten behoeve van planologisch reeds toegestane functies. Er is ter plaatse van het plangebied en de omgeving dan ook een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te verwachten. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. In dit geval gaat het om de uitbreiding van een bouwvlak om reeds toegestane functies meer bebouwingsmogelijkheden te geven.

De betreffende functies betreffen geen milieugevoelige functies, waardoor omliggende milieubelastende functies geen beperking vormen. Tevens worden omliggende milieubelastende functies niet in hun ontwikkelingsruimte beperkt. 5.5.4

Conclusie milieuzonering

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

5.6

Geur

5.6.1

Wet geurhinder en veehouderij & Activiteitenbesluit

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odeur units per kubieke meter lucht. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • •

ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

48

Bestemmingsplan Buitengebied, partiële herziening nr. 45, omgeving Hogebroeksweg 15 Ontwerp 5.6.2

Situatie plangebied

5.6.2.1 Algemeen Er is diverse uiteenlopende jurisprudentie over de vraag of verblijfsrecreatieve inrichtingen geurgevoelige objecten zijn. De definitie van een 'geurgevoelig object' luidt: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. Een gebouw moet niet alleen bestemd, maar ook geschikt zijn om in te wonen of te verblijven. Het gebouw moet verder feitelijk zijn bedoeld en worden gebruikt voor wonen of verblijf. Het maakt niet uit wat het aantal mensen is. Het gaat om de verblijfsduur - de Wgv beschermt alleen mensen tegen langdurige blootstelling aan geurhinder. Dit volgt uit de parlementaire behandeling en vooral aangenomen amendement van Van der Vlies c.s. Daarmee is besloten de term ‘regelmatig' uit de definitie weg te laten (Kamerstukken II 2005/06 30 453, nr.19). In het oorspronkelijke wetsvoorstel stond de toevoeging: ‘of regelmatig verblijf'. Dat is vervangen door de woorden: ‘of op een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik'. Zie ook de uitspraak ABRvS nr. 201111498/1/T1/R4 ) van 13 februari 2013. De Memorie van Toelichting bij het oorspronkelijke wetsvoorstel gaat alleen in op ‘permanent of regelmatig verblijf'.

Permanent staat voor ‘niet tijdelijk, voortdurend, niet veranderend, steeds doorgaande en bedoeld om te blijven'. ‘Bedoeld om te blijven' (of anders gezegd: ‘bedoeld om te wonen of te verblijven') impliceert dat het gaat om gebouwen waarin mensen structureel wonen en verblijven, gezien de aard van het gebouw. 5.6.2.2 Planspecifiek Interne werking In onderhavig plan wordt 1.800 m2 aan extra bebouwing ten behoeve van de recreatieboerderij toegestaan. Het gaat om gebouwen die worden gebruikt ten behoeve van dierenverblijven, speelvoorzieningen, opslag en vergelijkbare activiteiten. Gezien vorenstaande onder ‘algemeen’ wordt gesteld dat het niet gaat om het toevoegen van geurgevoelige gebouwen. Er is immers geen sprake van gebouwen waarin mensen structureel verblijven of wonen. Eventueel gebruik is namelijk in alle gevallen tijdelijk in de vorm van dagrecreatie. Bovendien gaat het om functies die in alle gevallen reeds mogelijk zijn binnen het bestaande bouwvlak, waarbij de uitbreiding van het bouwvlak niet dichterbij de omliggende agrarische bedrijven komt te liggen dan reeds het geval is. Omliggende agrarische bedrijven worden in het kader van het aspect ‘geur’ dan ook niet in hun bedrijfsvoering beperkt. Externe werking In dit geval gaat het om een kinderboerderij. Er is geen sprake van een inrichting waar landbouwhuisdieren worden gehouden.

De voorschriften op basis van het Activiteitenbesluit en de Wet geurhinder zijn dan ook niet van toepassing2. Aan de vaste richtafstand voor geur wordt in alle gevallen voldaan (zie paragraaf 5.5). 5.6.3

Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoering van het gewenste plan.

5.7

Ecologie

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Natuurbeschermingswet en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming komt voort uit de Wet natuurbescherming.

2

https://www.infomil.nl/onderwerpen/landbouw/geur/activiteitenbesluit/vee-houden/

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

49

Bestemmingsplan Buitengebied, partiële herziening nr. 45, omgeving Hogebroeksweg 15 Ontwerp 5.7.1

Gebiedsbescherming

5.7.1.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 29 mei 2019 (zie: AbRS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603 en ECLI:NL:RVS:2019:1604) besloten dat het Programma Aanpak Stikstof (hierna: PAS) niet gebruikt mag worden als basis om toestemming te verlenen voor activiteiten die leiden tot een stikstoftoename ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen en soorten in Natura 2000-gebieden. De locatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “Boetelerveld” is gelegen op circa 5,4 kilometer. Om de effecten van de ontwikkelingen ten opzichte van dit Natura 2000-gebied in beeld te brengen is een stikstofberekening uitgevoerd. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. De volledige berekening is als bijlage 5 bij deze toelichting opgenomen. Uit de rekenresultaten aangaande de aanlegfase is geen sprake van rekenresultaten van hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Hiermee is er geen sprake van een mogelijk significant effect op Natura 2000-gebieden.

Uit de rekenresultaten van de gebruiksfase blijkt dat er sprake is van een depositie van 0,03 mol/ha/jr. Hiermee is niet op voorhand uit te sluiten dat er geen sprake is van een significant negatief effect op Natura 2000-gebieden aangaande het onderdeel stikstof voor dit plan. Om deze reden is intern salderen toegepast. Uit de rekenresultaten van de salderingsberekening blijkt dat er in de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. De voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000gebieden aan artikel 2.7, lid 1 van de Wet natuurbescherming. 5.7.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS), is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. De locatie is niet gelegen binnen het concreet begrensde NNN. Het dichtstbijzijnde NNN/ecologische verbindingszone is gelegen op circa 570 meter afstand.

Gezien de onderlinge afstand, de aard en omvang van de ontwikkeling en lokale invloedsfeer van de voorgenomen activiteit wordt gesteld dat als gevolg van voorliggend initiatief geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. In afbeelding 5.2 is de ligging van het plangebied ten opzichte van het NNN weergegeven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

50

Bestemmingsplan Buitengebied, partiële herziening nr. 45, omgeving Hogebroeksweg 15 Ontwerp

Afbeelding 5.2

Ligging van het plangebied ten opzichte van het NNN (Bron: Provincie Overijssel)

De locatie is niet gelegen binnen het concreet begrensde NNN. Het plangebied ligt op circa 570 meter van het NNN. Gezien de afstand van het plangebied tot aan het NNN en de aard van de ontwikkeling wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Een ontheffing in het kader van het NNN is niet noodzakelijk. 5.7.2

Soortenbescherming

5.7.2.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. 5.7.2.2 Resultaten Quickscan natuurwaardenonderzoek Het plan gaat gepaard met ingrepen in het groen. Zo worden er onder andere een aantal poelen gedempt. Om de effecten van de ontwikkeling ten aanzien van natuur in beeld te brengen is een quickscan ecologie uitgevoerd door Natuurbank Overijssel. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 6. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Beschermde diersoorten benutten het plangebied als foerageergebied en vermoedelijk nestelen er vogels en bezetten beschermde amfibieën en grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- en voortplantingsplaats.

Mogelijk bezetten vleermuizen een verblijfplaats ergens in een gebouw in het plangebied, maar deze verblijfplaats wordt niet negatief beïnvloed.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

51

Bestemmingsplan Buitengebied, partiële herziening nr. 45, omgeving Hogebroeksweg 15 Ontwerp Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet verstoord, beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Beplanting dient verwijderd te worden buiten de voortplantingsperiode. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën die een (winter)rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties. Beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën mogen niet (opzettelijk) gedood worden als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten. De zorgplicht, verplicht één ieder om werkzaamheden, die een negatief effect hebben op planten en dieren (ongeacht of ze beschermd zijn), op de meest plant- en diervriendelijke wijze uit te voeren. In het kader van de zorgplicht wordt geadviseerd de werkzaamheden, zoals het dempen van de poel en het uitvoeren van grondverzet in de houtsingel, af te stemmen op de ecologie van amfibieën.

Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor sommige beschermde diersoorten af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties. 5.7.3

Conclusie

Het aspect ‘ecologie’ vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.8

Archeologie & Cultuurhistorie

5.8.1

Archeologie

5.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.1.2 Situatie plangebied Het gehele plangebied is op grond van de gemeentelijke Archeologische Beleidsadvieskaart gelegen in een gebied met een lage verwachtingswaarde. Een uitsnede van de beleidsadvieskaart is in afbeelding 5.3

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

52

Bestemmingsplan Buitengebied, partiële herziening nr. 45, omgeving Hogebroeksweg 15 Ontwerp opgenomen.

Afbeelding 5.3

Archeologische Beleidsadvieskaart (Bron: Gemeente Raalte)

Voor gebieden met een lage verwachtingswaarde geldt dat voor plangebieden groter dan 10 hectare in het landelijk gebied / groter dan 5 hectare in de bebouwde kom en dieper dan 50 cm minus maaiveld een archeologische onderzoeksplicht. De bodemingrepen die zijn gemoeid met dit plan blijven daarmee ruimschoots onder de onderzoeksgrens. Daarom is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Niettemin geldt te allen tijde, dus ook na vergunningverlening, dat indien tijdens werkzaamheden archeologische resten worden gevonden, men wettelijk verplicht is hiervan melding te maken aan de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). Ook de gemeentelijk archeoloog wordt in dit geval op de hoogte gebracht. 5.8.2

Cultuurhistorie

5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Erfgoedwet. Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Op grond van de wet Modernisering Monumentenzorg (de MoMo), die per 1 januari 2012 van kracht is geworden, moet een goede ruimtelijke onderbouwing een beschrijving bevatten van de wijze waarop met de BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

53

Bestemmingsplan Buitengebied, partiële herziening nr. 45, omgeving Hogebroeksweg 15 Ontwerp in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. 5.8.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich, in het plangebied zelf geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten. In het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied is tevens geen sprake van andere bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan. 5.8.3

Conclusie

Archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Tevens is er geen sprake van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.

5.9

Besluit milieueffectrapportage

5.9.1

Kader

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan/wijzigingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •

•

•

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan/wijzigingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of bestemmingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. 5.9.2

Situatie plangebied

5.9.2.1 Artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming Uit de stikstofberekening blijkt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase er geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j ten aanzien van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura-2000 gebied ‘Vecht en Beneden-Reggegebied’ en op grotere afstand gelegen Natura-2000 gebieden. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

54

Bestemmingsplan Buitengebied, partiële herziening nr. 45, omgeving Hogebroeksweg 15 Ontwerp in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk. Om deze reden is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. 5.9.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in de integrale ruimtelijke afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: • Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. • Op basis van het Besluit milieueffectrapportage (plan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het plan genoemd is in kolom 3 (plannen).

• Op basis van het Besluit milieueffectrapportage (plan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het plan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. In voorliggend geval gaat het om directe eindbestemmingen en is sprake van een besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving.

Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor het voldoet aan de definitie van een 'besluit' als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.(beoordelings)plichtig is indien activiteiten mogelijk worden gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. Het plan betreft de uitbreiding van een recreatiebedrijf. De ontwikkeling is concreet beschreven in paragraaf 3.1. In onderdeel D 10 wordt onder een stedelijke ontwikkeling het volgende verstaan: 'de aanleg wijziging of uitbreiding van vakantiedorpen en hotelcomplexen buiten stedelijke zones met bijbehorende voorzieningen. In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. 2. 3.

250.000 bezoekers of meer per jaar; Een oppervlakte van 25 hectare of meer, of Een oppervlakte van 10 hectare of meer in een gevoelig gebied

Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

55

Bestemmingsplan Buitengebied, partiële herziening nr. 45, omgeving Hogebroeksweg 15 Ontwerp Gezien de drempelwaarden kan worden geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan (toename oppervlakte recreatiebestemming is ruim minder dan 10 ha en minder dan 250.000 extra bezoekers per jaar) geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht aangezien de drempelwaarden niet worden overschreden. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. In dit geval is uit de milieuaspecten in Hoofdstuk 5 gebleken dat er geen sprake is van significante negatieve effecten van de ontwikkeling ten aanzien van de omgeving. Het opstellen van een vormvrije m.e.r.-beoordeling is hiermee niet noodzakelijk. Bovendien blijkt uit dit hoofdstuk en hoofdstuk 6 dat dit bestemmingsplan geen belangrijk nadelige milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. Het bevoegd gezag zal een besluit nemen op de in deze paragraaf opgenomen vormvrije m.e.r. beoordeling. 5.9.3

Conclusie

Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

56

Bestemmingsplan Buitengebied, partiële herziening nr. 45, omgeving Hogebroeksweg 15 Ontwerp

HOOFDSTUK 6 6.1

WATERASPECTEN

Inleiding

Er is een groot aantal beleidsstukken dat betrekking heeft op de waterhuishouding. Hieronder wordt een en ander uiteengezet.

6.2

Vigerend beleid

6.2.1

Europees beleid

Sinds 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht. Deze richtlijn moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater verbeterd zodat het water chemisch en ecologisch (weer) gezond wordt. Alle waterbeheerders moeten ervoor zorgen dat de waterkwaliteit in 2015 op orde is. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op stroomgebied niveau plannen opgesteld In deze stroomgebiedplannen staan de concrete doelstellingen en maatregelen beschreven voor de verschillende stroomgebieden. 6.2.2

Rijksbeleid/Waterwet

Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 6.2.3

Provinciaal beleid

De Omgevingsvisie Overijssel bevat het provinciale waterbeleid en is daarmee ook het Regionaal Waterplan. De provincie omschrijft haar ambitie met het waterbeleid voor de komende jaren in één zin als volgt: ‘We willen onze watersystemen zo inrichten dat ze voldoende en goed water bevatten en dat ze voor lange tijd veilig zijn en bestand tegen klimaatverandering’. Om daar te komen heeft de Omgevingsvisie vijf centrale thema’s: • • • • •

6.2.4

Veiligheid: een veilige omgeving om te wonen en te werken door voldoende bescherming tegen het water te bieden Schoon en gezond water: een goede drinkwatervoorziening onmisbaar. Goed functionerende ecosystemen hebben voldoende en schoon water nodig. Gebruik van water: een goed waterpeil voor de landbouw of beregening Water als waardevol element. Water heeft behalve praktisch nut ook een belevingswaarde. Water is een waardevol element in de woon- en werkomgeving en in het buitengebied. Sturing waterbeleid:. In de Omgevingsvisie geeft de provincie aan welke rol ze in het waterbeleid wil spelen. Waterschapsbeleid

Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Drents Overijsselse Delta (voorheen Reest en Wieden & Groot Salland), Vechtstromen en Rijn en IJssel. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen de afgelopen jaren intensief samengewerkt met elkaar en met andere BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

57

Bestemmingsplan Buitengebied, partiële herziening nr. 45, omgeving Hogebroeksweg 15 Ontwerp partners. Het nieuwe Waterbeheerplan is één van de resultaten van deze samenwerking. De opzet en grote delen van dit Waterbeheerplan zijn inhoudelijk hetzelfde als dat van de andere waterschappen in Rijn-Oost. Waterschap Drents Overijsselse Delta heeft de taken vastgelegd in het Waterbeheerplan 2016-2021. Hieronder volgt een toelichting op de doelen in het waterbeheerplan. •

•

•

6.2.5

Overstromingen, wateroverlast of droogte te voorkomen of beperken. Inwoners kunnen hierdoor op een goede manier wonen en werken. Boeren en natuurbeheerders kunnen goed gebruik maken van de grond. Beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het water in de volle breedte. Een goede ecologische en chemische kwaliteit van het (oppervlakte)water is belangrijk. Het water is schoon en gezond en inwoners kunnen hiervan genieten. Ook de doelen voor waterkwaliteit die voortvloeien uit Europese wetgeving; de Kaderrichtlijn Water (KRW) maken onderdeel uit van het plan. Afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties effectief en efficiënt behandelen. We proberen niet alleen schadelijke stoffen uit het water te halen. Ook willen we van deze stoffen nieuwe producten maken en nieuwe toepassingen zoeken. Gemeentelijk beleid

In de Waterwet en de Wet milieubeheer zijn de gemeentelijke watertaken geregeld. Deze taken hebben betrekking op de gemeentelijke zorgplicht voor: • • •

inzameling en transport van stedelijk afvalwater. het inzamelen en verwerken van afvloeiend hemelwater. grondwater(maatregelen).

Het GRP beschrijft de beleidskaders (ambities)en de activiteiten voor de inzameling, transport en verwerking van stedelijk afval, hemel- en grondwater. Het GRP gaat uit van de volgende principes (tritsen): De trits “vasthouden --> bergen --> afvoeren” houdt in dat in eerste instantie getracht wordt het (gebiedseigen) water in de bodem te infiltreren. Indien dit niet mogelijk is dient het afstromend regenwater lokaal te worden geborgen in vijvers en watergangen. Pas in de laatste instantie kan overwogen worden het water (zo traag mogelijk) af te voeren naar de omgeving. De trits “schoonhouden --> scheiden --> schoonmaken” omvat ten eerste het niet toelaten dat de kwaliteit van water verslechtert (schoon houden), vervolgens het gescheiden houden van schone en vuile waterstromen en als laatste het zuiveren (schoonmaken) van verontreinigd water. Door water schoon te houden en vuile waterstromen zoveel mogelijk gescheiden te houden kan de omvang van te zuiveren water worden beperkt en tevens het zuiveringsrendement worden verhoogd. Ontvlechting vindt in principe plaats als dat doelmatig en kosteneffectief is. Bij nieuwbouw is de aanleg van een gemeentelijk hemelwaterstelsel (riool of watergang) gebruikelijk, waar de particulier het hemelwater naartoe kan afvoeren.

De infrastructuur wordt in principe zodanig ingericht dat de particulier in staat wordt gesteld het hemelwater (voor een deel) op eigen terrein te verwerken (lozen op aangrenzende sloot en/of infiltratie in de bodem). Is verwerking op eigen terrein niet mogelijk dan kan de particulier het hemelwater bovengronds afvoeren naar het gemeentelijk hemelwaterstelsel. Ten aanzien van de verwerking van grondwater bij nieuwbouw kan worden gesteld dat dit voldoende wordt ondervangen in het “watertoets proces”. Hierbij worden vooraf de waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze meegewogen bij de ontwikkeling van nieuwbouwlocaties. Hitte, droogte, watertekort en wateroverlast zijn aspecten die van wezenlijke invloed zijn bij het ontwerpen en bij de realisatie van plannen voor zowel inbreidings- als uitbreidingslocaties. Met deze aspecten wordt rekening gehouden door het principe van de meerlaagsveiligheid als bouwsteen van wezenlijk belang te hanteren bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen. Bestaande en nieuwe blauwe en groene elementen ondersteunen de klimaatadaptatie in het binnenstedelijk gebied en op bedrijven- en industrieterreinen. Afkoppelen van verhard oppervlak is niet een doel op zich. Doelmatigheid, haalbaarheid en betaalbaarheid van afkoppelmaatregelen worden meegewogen in ruimtelijke plannen.

De samenhang met het beleid over klimaatadaptatie en overstromingsrisico wordt integraal beoordeeld. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

58

Bestemmingsplan Buitengebied, partiële herziening nr. 45, omgeving Hogebroeksweg 15 Ontwerp Waterlopen met een beschermde status (Kaderrichtlijn water) staan vermeld op de verbeelding behorende bij een ruimtelijk plan. Informatie over de status van een KRW-lichaam en beoogde maatregelen verwoord in zogenaamde “factsheets”, wordt beschouwd als zwaarwegend belang waar slecht gemotiveerd van kan worden afgeweken door het treffen van mitigerende of compenserende maatregelen.

6.3

Waterparagraaf

6.3.1

Algemeen

Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.3.2

Watertoetsproces

Het waterschap Drents Overijsselse Delta is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl/). De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de ‘normale procedure’ van de watertoets wordt toegepast. Het watertoetsresultaat is opgenomen in bijlage 6 van deze toelichting. In de navolgende subparagraaf zal nader worden ingegaan op de waterhuishoudkundige situatie in het plangebied. 6.3.3

Waterhuishoudkundige aspecten in het plangebied

De locatie is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied of intrekgebied. Wel is een boringvrije zone aangewezen, waardoor een verbod bestaat op boringen dieper dan 50 meter onder het maaiveld. In dit geval is geen sprake van boringen die dieper dan 50 meter onder het maaiveld gaan. In het gebied is geen wateroverlast aan de orde. Hemelwaterinfiltratie Voor kleine plannen geldt als regel dat 10% van het verharde oppervlak wordt ingezet voor berging ter compensatie voor de versnelde afvoer van het afstromende hemelwater. In het plan wordt een verhard oppervlak van maximaal 2.200 m2 gerealiseerd. Dit houdt in dat een waterbergend oppervlak van circa 220 m 2 wordt aangelegd waarin maximaal 30 cm peilstijging is toegestaan. Geadviseerd wordt om de waterberging te ontwerpen op basis van een bij voorkeur vertraagde afvoer anders infiltratiesituatie. De uitbreiding bestaat uit maximaal 2.200 m2 aan extra bebouwing. Het gehele terrein heeft echter een oppervlakte van meer dan 5 ha, waardoor er op het terrein voldoende ruimte is om het hemelwater te infiltreren. Het parkeerterrein wordt halfverhard aangelegd, waardoor er voldoende ruimte is om te infiltreren. Bovendien wordt deze uitbreiding niet in één keer aangelegd. Het gaat namelijk om een verruiming van de bebouwingsmogelijkheden om het bedrijf in de toekomst duurzaam te kunnen laten groeien.

Rioolcapaciteit Met de extra bebouwing is er geen sprake van extra eenheden die op het riool aangesloten moeten worden. Het ophogen van de bezoekersaantallen per jaar levert echter wel een toename van afvalwater op. De aanleg van een (overdekt) zwembad betekent ook dat er water vrijkomt. Uitbreiding van de horecafunctie kan ook inhouden dat er meer afvalwater zal zijn. Het is wenselijk deze toename aan afvalwater via het riool af te BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

59

Bestemmingsplan Buitengebied, partiële herziening nr. 45, omgeving Hogebroeksweg 15 Ontwerp voeren. Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning dient dit in nader overleg met het waterschap en de gemeente te worden afgestemd. Momenteel is er een rioolput met een capaciteit van 10 kuub per uur en een reservecapaciteit van 6 kuub per uur. Uitgaande van het gewenste bezoekersaantal is een capaciteit van 3,75 kuub per uur benodigd. De huidige capaciteit is daarmee naar verwachting voldoende. Het geheel is reeds op het riool aangesloten. Beheer en onderhoud Aan de westzijde ligt een watergang die in beheer is bij het waterschap. Van belang is dat er een onderhoudszone van 5 meter breed gewaarborgd blijft. Daar is in dit geval sprake van, waardoor het waterschap niet wordt belemmerd.

6.4

Overstromingsrisico

In de Omgevingsvisie en –verordening van de provincie Overijssel wordt invulling gegeven aan de risicobenadering. Omdat het plangebied binnen de dijkring 53, Salland ligt is een overstromingsrisicoparagraaf verplicht. Onder overstroombaar gebied verstaat het waterschap gebieden die normaal niet onder water staan, maar kunnen overstromen (tijdelijk onder water staan). Het gaat zowel om uiterwaarden die frequent onder water staan (buitendijks) als om beschermde gebieden achter de dijk (binnendijks). Beide vallen onder het toepassingsbereik van de Europese Richtlijn Overstromingsrisico's (ROR). De provincie Overijssel verplicht initiatiefnemers een overstromingsrisicoparagraaf op te stellen ten behoeve van het ruimtelijke plan. Ten aanzien van het onderliggende plan is er een kleine kans op overstromingen waarbij het water tussen de één en twee meter hoog komt te staan. Indien er sprake zou zijn van een overstroming zal dit niet leiden tot gevaarlijke situaties voor de bezoekers van het plangebied. Bij waterstanden tussen de één en vijf meter kunnen bewoners zich in veiligheid brengen door op de verdiepingen van de gebouwen te verblijven. Bovendien is er voldoende tijd om bij dreigende overstroming de bezoekers in te lichten danwel het park eventueel te sluiten.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

60

Bestemmingsplan Buitengebied, partiële herziening nr. 45, omgeving Hogebroeksweg 15 Ontwerp

HOOFDSTUK 7 7.1

JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

7.2

Opzet van de regels

7.2.1

Algemeen

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De systematiek van dit bestemmingsplan is gebaseerd op het bestemmingsplan “Buitengebied Raalte”, rekening houdend met de correctieve herzieningen. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4. 7.2.2

Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels. Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: •

Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. In dit geval zijn er enkele specifieke begrippen opgenomen, te weten: buitenzwembad, doolhof en duurzame energiewinning. Deze begrippen zijn opgenomen aangezien deze functies in dit plan planologisch zijn toegestaan. De overige begrippen komen voort uit het bestemmingsplan “Buitengebied Raalte, Verzamelplan 2020” en de beide bestemmingsplannen die momenteel voor De Flierefluiter het planologisch regime vormen.

•

Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

61

Bestemmingsplan Buitengebied, partiële herziening nr. 45, omgeving Hogebroeksweg 15 Ontwerp In de wijze van meten is specifiek bepaald dat hekwerken, daken en afschermingen ten behoeve van speelvoorzieningen niet worden meegerekend bij de bouwhoogte. Op deze manier is het mogelijk om de bouwhoogte voor speelvoorzieningen tevens de platformhoogte te laten zijn. Hekwerken en afschermingen zijn ondergeschikt. Dit geldt ook voor daken, wanneer deze onderdeel uitmaken van de speeltoestellen. 7.2.3

Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: • • • •

Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bouwhoogte, goothoogte, dakhelling, etc.); Specifieke gebruiksregels: welk gebruik van gronden en opstallen in ieder geval strijdig/toegestaan zijn; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden: omgevingsvergunningenstelsel voor werken en werkzaamheden.

In paragraaf 7.3 worden de bestemmingen nader toegelicht en wordt ook per bestemming aangegeven waarom voor bepaalde gronden voor deze is gekozen. 7.2.4

Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •

Anti-dubbeltelregel (Artikel 5) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de beoordeling van bouwplannen.

•

Algemene bouwregels (Artikel 6) In dit artikel worden de algemene bouwregels beschreven. Deze regels gaan in op toegelaten bouwwerken met afwijken maten, overschrijding van bouwgrenzen, herbouw van woningen en de aan te houden afstand van bebouwing ten opzichte van de weg.

•

Algemene gebruiksregels (Artikel 7) In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. Dit brengt met zich mee dat de bestemmingsomschrijving van de te onderscheiden bestemming helder en duidelijk moet zijn. In dit artikel wordt aangegeven wat in elk geval strijdig is.

•

Algemene afwijkingsregels (Artikel 8) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten, zoals mantelzorg en het vergroten inhoudsmaat van een Sallandse boerderijvorm van de regels in het bestemmingsplan af te wijken.

•

Algemene wijzigingsregels (Artikel 9) In dit artikel worden de algemene wijzigingsregels beschreven. Deze regels maken algemene wijzigingen mogelijk.

•

Overige regels (Artikel 10) In dit artikel zijn bepalingen ten aanzien van de werking wettelijke regelingen en uitsluiting aanvullende werking bouwverordening opgenomen. Ook is hier een parkeerregeling opgenomen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

62

Bestemmingsplan Buitengebied, partiële herziening nr. 45, omgeving Hogebroeksweg 15 Ontwerp 7.2.5

Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

7.3

Verantwoording van de regels

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Cultuur en Ontspanning (Artikel 3) Algemeen Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de bestaande kinderboerderij en ter plaatse van de beoogde uitbreiding. Basis voor deze bestemming vormt het geldende bestemmingsplan voor de Flierefluiter, inclusief de herziening. Wel zijn de regels op een aantal punten gewijzigd, om enerzijds het beoogde plan mogelijk te maken en anderzijds de verleende omgevingsvergunningen planologisch te verankeren. Hierna wordt met name op de wijzigingen ten opzichte van het huidige bestemmingsplan ingegaan.

Bestemmingsomschrijving In de bestemmingsomschrijving is extensieve dagrecreatie toegevoegd. Het gaat hierbij om activiteiten zoals wandelen, vissen en picknicken en vergelijkbare activiteiten. Er is gekozen om dit toe te voegen aangezien ter plaatse van de uitbreiding het wenselijk is om deze vorm van recreatie (natuurbelevingspad, huifkartochten) toe te staan. Ook zijn een buitenzwembad en een doolhof in de functieomschrijving opgenomen, aangezien dit functies zijn die reeds aanwezig zijn en ook zijn vergund. Tevens zijn vormen van duurzame energie planologisch opgenomen, om de gewenste ontwikkeling van duurzame energie mogelijk te maken. De locatie van deze functie is op de verbeelding met een aanduiding vastgelegd. Ten aanzien van kleinschalig kamperen is specifiek vastgelegd dat 25 standplaatsen zijn toegestaan. Dit sluit aan bij de verleende vergunning. De parkeervoorzieningen zijn ook op de gewenste locatie met een aanduiding vastgelegd. Tot slot is ten aanzien van de speelvoorzieningen bepaald dat deze overal zijn toegestaan. De specifieke aanduiding voor deze functie is verwijderd, aangezien dit niet past bij de beoogde flexibiliteit. Speelvoorzieningen zijn daarnaast ook niet specifiek benoemd in de functieomschrijving, aangezien dit valt onder de functie ‘speeltuin’.

Bouwregels voor gebouwen In de bouwregels voor gebouwen is bepaald dat gebouwen uitsluitend in het bouwvlak toegestaan zijn, gekoppeld aan een bebouwingspercentage van 20% tot een maximum oppervlakte van 4.000 m2. Overkappingen vallen ook binnen deze maximum oppervlakte en bebouwingspercentage. Voor de extra bebouwing gelden tevens aanvullende sloopbepalingen. Onder de specifieke gebruiksregels wordt daar op ingegaan. Specifiek is verder bepaald dat twee bedrijfswoningen zijn toegestaan, ter plaatse van een daarvoor opgenomen aanduiding. Er is een gebouw aanwezig buiten het bouwvlak, gezien dit gaat om een legaal gebouw geldt dat de bestaande maatvoering van 100 m2 is toegestaan (3.2.2 onder e). Voor dit gebouw is een aanduiding op de verbeelding opgenomen. Bouwregels voor bijbehorende bouwwerken bij de bedrijfswoning Deze regels zijn conform geldend bestemmingplan overgenomen. Wel is specifiek voor de zuidelijke bedrijfswoning een maximum oppervlakte van 50 m2 aan bijgebouwen toegestaan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

63

Bestemmingsplan Buitengebied, partiële herziening nr. 45, omgeving Hogebroeksweg 15 Ontwerp Bouwwerken geen gebouwen zijnde In deze regels zijn vormen van maatwerk opgenomen. Zo is bepaald dat de bouwhoogte ten behoeve van speelvoorzieningen buiten het bouwvlak 5 meter mag bedragen en binnen het bouwvlak 8 meter. Op een bepaalde locatie buiten het bouwvlak is de hoogte specifiek op 2 meter bepaald, om zo tegemoet te komen aan de wensen van de buren. Deze locatie is op de verbeelding specifiek geborgd. Dit is exclusief hekwerken en afrasteringen (zie het gestelde onder ‘wijze van meten’) zodat het gaat om de platformhoogte. Ook is specifiek bepaald dat gebouwen ten behoeve van het doolhof een hoogte van 2,5 m mogen hebben en dat het aantal vlaggenmasten maximaal 5 mag bedragen. Tevens is de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, aangepast naar 6 meter. Dit is gedaan omdat zo de mogelijkheid bestaat om het parkeerterrein te overkappen met een overkapping met zonnepanelen. Een bouwhoogte van 5 meter is daarvoor te laag, aangezien grote voertuigen dan niet onder de overkapping zouden kunnen staan. Tot slot zijn specifieke regels voor een windturbine ter plaatse van een daarvoor opgenomen aanduiding opgenomen.

Voor zonnepanelen zijn geen specifieke bouwregels opgenomen, aangezien deze kunnen worden aangemerkt als overig bouwwerk geen gebouw zijnde, waarvoor een hoogte van 5 m volstaat. Afwijken van de bouwregels Er is een mogelijkheid opgenomen om voor het realiseren van een afwijkende dakhelling bij gebouwen en overkappingen. Dit is gedaan omdat het buitenzwembad in de toekomst eventueel wordt overdekt. Het gaat bij dit soort overdekking om platte of halfronde daken. Middels deze afwijking wordt dit met een binnenplanse afwijking mogelijk gemaakt. Specifieke gebruiksregels In dit plan zijn specifieke gebruiksregels opgenomen, waarin enkele vormen van strijdig gebruik opgenomen zijn. Het gaat om het realiseren van verkooppunten van horeca buiten het bouwvlak. Dit is een vorm van strijdig gebruik. Door dit als strijdig gebruik aan te merken, is planologisch geborgd dat de verkooppunten binnen het bouwvlak dienen te vallen en dat buiten het bouwvlak wél de nuttiging van eten- en drinkenswaren mogelijk is. Het valt immers niet te handhaven dat de nuttiging van de verkochte producten binnen het bouwvlak plaats zal vinden, aangezien gasten zich over het gehele terrein verplaatsen. Daarnaast is middels een aanduiding voor een specifieke locatie bepaald dat horeca niet is toegestaan, aangezien dat op deze locatie, nabij de straat, niet wenselijk wordt geacht.

Ook is het strijdig om het park na 19.00 te gebruiken. Middels een afwijking hiervan is dit tot vijfmaal per jaar toegestaan. Tevens is, op verzoek van de gemeente, specifiek opgenomen dat nieuwe gebouwen pas mogen worden gebouwd wanneer de landschapsmaatregelen zoals opgenomen in het inrichtingsplan volledig zijn afgerond. Hiermee wordt tegemoet gekomen aan de wensen van omwonenden. Ook is specifiek bepaald dat nieuwe bebouwing pas is toegestaan als per m2 aan nieuwe bebouwing ter compensatie 2,67 m2 aan landschapsontsierende bebouwing elders in het buitengebied van de gemeente Raalte wordt gesloopt. Hiermee is de KGO-regeling in de regels juridisch vertaald. Groen (Artikel 4) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de huidige en nieuwe (te verlengen) groenstrook. Deze bestemming is conform geldend bestemmingsplan overgenomen. Wel zijn enkele vormen van maatwerk opgenomen. Zo bepaald dat paden halfverhard dienen te worden aangelegd in plaats van onverhard, om zo meer flexibiliteit te geven. Wel is de breedte van de paden overgenomen uit het oude plan. De bepalingen in de bouwregels zijn overgenomen uit het bestaande plan. Wel is specifiek voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, een bouwhoogte van 3 meter aangehouden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Raalte&id=b8c795d9-b3d9-48d5-9795-6dcdfede8e64