TOE Bestemmingsplan Buitengebied, partiële herziening Flierefluiter (7-3-23)
Tekst van het document
Afbeelding 4.1
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
25
Bestemmingsplan Buitengebied, partiële herziening nr. 45, omgeving Hogebroeksweg 15 Ontwerp Hieronder worden de generieke beleidskeuzes, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken nader toegelicht. 4.2.3.1 Of - Generieke beleidskeuzes Maatschappelijke opgaven zijn leidend in het handelen van de provincie. Allereerst is het dan ook de vraag of er een maatschappelijke opgave is. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk hierbij aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Maar ook aan beleidskeuzes om overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantorenlocaties – en daarmee grote financiële en maatschappelijke kosten – te voorkomen. In de omgevingsvisie zijn de provinciale beleidskeuzes hieromtrent vastgelegd. De generieke beleidskeuzes zijn vaak normstellend. Dit betekent dat ze opgevolgd moeten worden: het zijn randvoorwaarden waarmee iedereen rekening moet houden vanwege zwaarwegende publieke belangen. De normstellende beleidskeuzes zijn vastgelegd in de omgevingsverordening. 4.2.3.2 Waar - Ontwikkelingsperspectieven Na het beantwoorden van de of-vraag, is de vraag waar het initiatief past of ontwikkeld kan worden. In de omgevingsvisie op de toekomst van Overijssel onderscheid de provincie zes ontwikkelingsperspectieven.
Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend. Dit betekent dat er ruimte is voor lokale afweging: een gemeente kan vanwege maatschappelijke en/of sociaaleconomische redenen in haar Omgevingsvisie en bestemmings- of omgevingsplan een andere invulling kiezen. Die dient dan wel te passen binnen de – voor dat ontwikkelingsperspectief – geldende kwaliteitsambities. Daarbij dienen de nieuwe ontwikkelingen verbonden te worden met de bestaande kenmerken van het gebied, conform de Catalogus Gebiedskenmerken (de derde stap in het uitvoeringsmodel). Naast ruimte voor een lokale afweging t.a.v. functies en ruimtegebruik, is er ruimte voor een lokale invulling van de begrenzing: de grenzen van de ontwikkelingsperspectieven zijn signaleringsgrenzen. 4.2.3.3 Hoe - Gebiedskenmerken Ten slotte is de vraag hoe het initiatief ingepast kan worden in het landschap. De gebiedskenmerken spelen een belangrijke rol bij deze vraag. Onder gebiedskenmerken worden verstaan de ruimtelijke kenmerken van een gebied of gebiedstype die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype.
Voor alle gebiedstypen in Overijssel is in de Catalogus Gebiedskenmerken beschreven welke kwaliteiten en kenmerken van provinciaal zijn en behouden, versterkt of ontwikkeld moeten worden. De gebiedskenmerken zijn soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend. Voor de normerende uitspraken geldt dat deze opgevolgd dienen te worden; ze zijn dan ook in onze omgevingsverordening geregeld. De richtinggevende uitspraken zijn randvoorwaarden waarmee in principe rekening gehouden moet worden. Hier kan gemotiveerd van worden afgeweken mits aannemelijk is gemaakt dat met het alternatief de kwaliteitsambities even goed of zelfs beter gerealiseerd kunnen worden. De inspirerende uitspraken bieden een wenkend perspectief: het zijn voorbeelden van de wijze waarop ruimtelijke kwaliteitsambities ingevuld kunnen worden. Initiatiefnemers kunnen zich hierdoor laten inspireren, maar dit hoeft niet. 4.2.4
Toetsing van het initiatief aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
Bestemmingsplan Buitengebied, partiële herziening nr. 45, omgeving Hogebroeksweg 15 Ontwerp 4.2.4.1 Generieke beleidskeuzes Ten aanzien van de generieke beleidskeuzes zijn de beleidskeuzes ‘Principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik’, ‘Ruimtelijk kwaliteit’, ‘Kwaliteitsimpuls Groene omgeving’ en ’Vergunningsplicht reservering Salland Diep’ van toepassing. De betreffende artikelen uit de Omgevingsverordening Overijssel worden hierna beschreven en getoetst. Op de ‘Kwaliteitsimpuls Groene omgeving’ wordt nader ingegaan in paragraaf 4.2.5. Artikel 2.1.3 Principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik (lid 2) Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in andere dan stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de groene omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt: • •
dat (her)benutting van bestaande bebouwing in de groene omgeving in redelijkheid niet mogelijk is; dat mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut.
Toetsing aan Art. 2.1.3 van de Omgevingsverordening Het plan voorziet in uitbreiding van een andere dan stedelijke ontwikkeling die een extra ruimtebeslag op de groene omgeving door bouwen en verharden. Voor de extra bouwmogelijkheden van 1.800 m2 is nog geen concreet bouwplan voorhanden. Echter geldt dat voor elke m2 aan extra bebouwing een meervoud zal worden gesloopt, waardoor er per saldo geen sprake is van extra ruimtebeslag op de omgeving. Voor wat betreft de nieuw te bouwen bebouwing wordt gesteld dat deze logisch zal aansluiten op de bestaande bebouwing, passend binnen de ruimtelijke structuren van het bestaande terrein. In het kader van de omgevingsvergunning voor de beoogde gebouwen zal dit nader getoetst worden. Gesteld wordt dat het initiatief in overeenstemming is met het principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. Artikel 2.1.5 Ruimtelijke kwaliteit (lid 1 tot en met 5) Lid 1: In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken. Lid 2: In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan het Uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering) die in de Omgevingsvisie Overijssel is neergelegd.
Lid 3: In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief die in de Omgevingsvisie Overijssel voor het gebied is neergelegd. Lid 4: Gemeenteraden mogen gemotiveerd afwijken van het ontwikkelingsperspectief dat voor het betreffende gebied geldt, wanneer: • •
er sprake is sociaal-economische en/of maatschappelijke redenen; en voldoende verzekerd is dat er sprake is van versterking van ruimtelijke kwaliteit conform de gebiedskenmerken.
Lid 5: In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan de vier-lagenbenadering die onderdeel uitmaakt van het Uitvoeringsmodel en op welke wijze de Catalogus. Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.5 van de Omgevingsverordening Overijssel De ontwikkeling voorziet in een toename van de ruimtelijke kwaliteit, door landschappelijke inpassing van het vergrote terrein. Het terrein wordt immers ingepast door een brede houtsingel (minimaal 10 meter) bestaande uit inheemse soorten. Tevens wordt gesteld dat de ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief, voldoet aan het uitvoeringsmodel en aan de provinciale vier-lagen benadering. In komende subparagraven wordt daar nader op ingegaan. Samenvattend wordt geconcludeerd dat in voldoende mate rekening is gehouden met het gestelde in artikel 2.1.5.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
Bestemmingsplan Buitengebied, partiële herziening nr. 45, omgeving Hogebroeksweg 15 Ontwerp Artikel 2.1.6 Kwaliteitsimpuls Groene omgeving (lid 1) Bestemmingsplannen voor de Groene omgeving kunnen – met in achtneming van het bepaalde in artikel 2.1.3. en artikel 2.1.4. en het bepaalde in artikel 2.1.5. – voorzien in nieuwvestiging en grootschalige uitbreidingen van bestaande functies in de Groene omgeving, uitsluitend indien hier sociaaleconomische en/of maatschappelijke redenen voor zijn én er is aangetoond dat het verlies aan ecologisch en/of landschappelijk waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving. Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.6 van de Omgevingsverordening Overijssel De gehele ontwikkeling wordt op een adequate wijze landschappelijk ingepast. De investeringen in de ruimtelijke kwaliteit staan in verhouding met de geboden ontwikkelingsmogelijkheden. Voor de nieuw te bouwen bebouwing wordt een meervoud aan landschapsontsierende bebouwing op locaties elders in de gemeente Raalte gesloopt. In paragraaf 3.1.2 (pagina 14 van deze toelichting) is hier reeds nader op ingegaan. Op deze plaats wordt geconcludeerd dat het initiatief in overeenstemming is met het gestelde in artikel 2.1.6.
Artikel 4.6.4 Vergunningplicht reservering Salland Diep 1.
2.
3.
4.
Alle onttrekkingen van grondwater op een diepte van meer dan 50 meter beneden het maaiveld en zijn gelegen in het gebied, aangegeven als boringsvrije zone Salland Diep op kaart Drinkwatervoorziening en grondwaterbescherming, zijn vergunningplichtig. Het algemeen bestuur van het Waterschap Drents Overijsselse Delta regelt bij verordening dat voor onttrekkingen van grondwater op een diepte van meer dan 50 meter beneden het maaiveld en zijn gelegen in het gebied, aangegeven als boringsvrije zone Salland Diep op kaart Drinkwatervoorziening en grondwaterbescherming, een vergunningplicht geldt. Het dagelijkse bestuur van het Waterschap Drents Overijsselse Delta kan voor het gebied bedoeld in lid 2 slechts vergunning verlenen voor het onttrekken van grondwater als dit grondwater bedoeld is voor hoogwaardige industrieel gebruik waarop de Warenwet van toepassing is en waarvoor geen alternatief voorhanden is. Het algemeen bestuur van het Waterschap Drents Overijsselse Delta kan de vrijstellingsmogelijkheid, bedoeld in artikel 6.11, vijfde lid van het Waterbesluit niet toepassen op de onttrekkingen waarvoor het dagelijkse bestuur op grond van het vorige lid vergunning verleent.
Toetsing van het initiatief aan artikel 4.6.4 van de Omgevingsverordening Overijssel In voorliggend geval is geen sprake van onttrekkingen van grondwater op een diepte van meer dan 50 meter beneden het maaiveld. Er is op basis hiervan ten behoeve van het voornemen dan ook geen vergunning noodzakelijk. Gesteld wordt dat het voornemen niet strijdig is met de beleidsuitgangspunten ten aanzien van de boringsvrije zone (artikel 4.6.4 van de Omgevingsverordening). Bij de overige afwegingen in de eerste fase 'Of - generieke beleidskeuzes' zijn er verder geen aspecten die bijzondere aandacht verdienen. 4.2.4.2 Ontwikkelingsperspectieven In dit geval zijn vooral de ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving van belang. In de groene ruimte gaat het - kortheidshalve - om het behoud en de versterking van het landschap en het realiseren van de zone ondernemen met natuur en water alsmede om de ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw en andere economische dragers. Het plangebied is op de Ontwikkelingsperspectievenkaart aangemerkt als ‘Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap’. In afbeelding 4.2 een uitsnede van de perspectievenkaart behorende bij de Omgevingsvisie opgenomen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
Bestemmingsplan Buitengebied, partiële herziening nr. 45, omgeving Hogebroeksweg 15 Ontwerp
Afbeelding 4.2
Uitsnede Ontwikkelingsperspectievenkaart Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)
"Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap" Het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. De ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, maar ook die voor de andere sectoren, wil de provincie Overijssel in dit ontwikkelingsperspectief nadrukkelijk verbinden met behoud en versterking van cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen. Het waterbeheer richt zich op optimale condities voor de lokaal aanwezige functies, rekening houdend met de klimaatopgave en de kenmerken van het watersysteem. Van de ruimtelijke kwaliteitsambities staat in dit ontwikkelingsperspectief de ambitie Voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen voorop. Daarnaast gelden – net als voor alle andere ontwikkelingsperspectieven – de ruimtelijke kwaliteitsambities: • • •
zichtbaar en beleefbaar mooi landschap; sterke ruimtelijke identiteiten als merken voor Overijssel; continu en beleefbaar watersysteem.
Toetsing van het initiatief aan de “Ontwikkelingsperspectieven” De functie ‘recreatie’ past binnen het ontwikkelingsperspectief ‘wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap’, waar ruimte is voor een mix aan functies, waaronder woningen, recreatie en andere bedrijvigheid. De functie zorgt voor diversiteit en vitaliteit van het platteland van de gemeente Raalte. De Flierefluiter heeft vanwege haar agrarisch verwante activiteiten en verleden een hechte band met het landelijk gebied. De ligging in het landelijk gebied is representatief voor de activiteiten ter plaatse. Middels een landschapsplan wordt De Flierefluiter op een landschappelijk verantwoorde manier ingepast, waarbij de ruimtelijke kwaliteit behouden en versterkt wordt.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Bestemmingsplan Buitengebied, partiële herziening nr. 45, omgeving Hogebroeksweg 15 Ontwerp 4.2.4.3 Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch-cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De “Stedelijke laag” wordt in dit geval buiten beschouwing gelaten, aangezien voor de locatie en de aangrenzende gronden geen specifieke eigenschappen gelden. 1.
De “Natuurlijke laag“
Overijssel bestaat uit een rijk en gevarieerd spectrum aan natuurlijke landschappen. Deze vormen de basis voor het gehele grondgebied van Overijssel. Het beter afstemmen van ruimtelijke ontwikkelingen op de natuurlijke laag kan ervoor zorgen dat de natuurlijke kwaliteiten van de provincie weer mede beeldbepalend worden. Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart de “Natuurlijke laag” aangeduid met de gebiedstypen “Dekzandvlakte en ruggen” en “Beekdalen en natte laagtes”. In afbeelding 4.3 is dat aangegeven.
Afbeelding 4.3
De “Natuurlijke laag” (Bron: Provincie Overijssel)
“Dekzandvlakte en ruggen” De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk – door de wind gevormd – zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied. Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Beiden zijn tevens uitgangspunt bij (her)inrichting. Bij ontwikkelingen is de (strekkings)richting van het landschap, gevormd door de afwisseling van beekdalen en ruggen, het uitgangspunt.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Bestemmingsplan Buitengebied, partiële herziening nr. 45, omgeving Hogebroeksweg 15 Ontwerp “Beekdalen en natte laagtes” Het Overijsselse zandlandschap is van oorsprong kletsnat. In de laagtes van het zandgebied verzamelde zich het water. Hier ontwikkelden zich moerassen en broekbossen, waar het water in de loop van het seizoen geleidelijk uit weg sijpelde naar de lager gelegen delen, naar de beken en rivieren. Als ontwikkelingen plaats vinden in of in de directe nabijheid van beekdalen en natte laagtes, dan dragen deze bij aan extra ruimte voor de dynamiek van het stromende water en het vasthouden van water, aan versterking van de samenhang in het beeksysteem en aan vergroting van de zichtbaarheid, bereikbaarheid en beleefbaarheid van het water. Dit zijn uitgangspunten bij (her)inrichting. Toetsing van het initiatief aan de “Natuurlijke laag” De gronden in het plangebied zijn grotendeels in cultuur gebracht ten behoeve van de landbouw danwel het recreatiebedrijf. Hierdoor zijn de kenmerken van de natuurlijke laag niet of nauwelijks meer zichtbaar. Met dit plan wordt voorzien in een adequate landschappelijke inpassing. Dit wordt bereikt door de groene omzoming van het recreatiebedrijf te verlengen rondom de uitbreiding. Op deze plaats wordt geconcludeerd dat het initiatief in overeenstemming is met de natuurlijke laag. 2.
De “Laag van het agrarische cultuurlandschap”
In de “Laag van het agrarisch cultuurlandschap” gaat het er altijd om dat de mens inspeelt op de natuurlijke omstandigheden en die ten nutte maakt. Hierbij hebben nooit ideeën over schoonheid een rol gespeeld. Wel zijn we ze in de loop van de tijd gaan waarderen om hun ruimtelijke kwaliteiten. Vooral herkenbaarheid, contrast en afwisseling worden gewaardeerd. De ambitie is gericht op het voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen door óf versterking óf behoud óf ontwikkeling of een combinatie hiervan. Het plangebied is op gebiedskenmerkenkaart in de “Laag van het agrarisch cultuurlandschap” aangemerkt als landschapstype “Oude Hoevenlandschap”. In afbeelding 4.4 is dit weergegeven.
Afbeelding 4.4
De “Laag van het agrarisch cultuurlandschap” (Bron: Provincie Overijssel)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Bestemmingsplan Buitengebied, partiële herziening nr. 45, omgeving Hogebroeksweg 15 Ontwerp “Oude hoevenlandschap” Het Oude Hoevenlandschap betreft een landschap met verspreide erven. Het werd ontwikkeld nadat de complexen met de grote essen ‘bezet’ waren en een volgende generatie boeren nieuwe ontwikkelingsruimte zocht. Die vonden ze bij kleine dekzandkopjes die individueel werden ontgonnen. Dit leidde tot een landschap dat de zelfde opbouw kent als het essenlandschap, alleen in een meer kleinschalige, meer individuele en jongere variant. Deze kleinere maat en schaal is tevens de reflectie van de natuurlijke ondergrond. Het landschap is contrastrijk met veel variatie op de korte afstand. Als ontwikkelingen plaats vinden in het oude hoevenlandschap, dan dragen deze bij aan behoud en accentuering van de dragende structuren (groenstructuur en routes) van het oude hoevenlandschap, en aan de samenhang en de karakteristieke verschillen tussen de landschapselementen. Toetsing van het initiatief aan de “Laag van het agrarisch cultuurlandschap” De gronden in het plangebied zijn grotendeels in cultuur gebracht ten behoeve van de landbouw danwel het recreatiebedrijf. Hierdoor zijn de kenmerken van het cultuurlandschap niet of nauwelijks meer zichtbaar. Met dit plan wordt voorzien in een adequate landschappelijke inpassing.
Dit wordt bereikt door de groene omzoming van het recreatiebedrijf te verlengen rondom de uitbreiding. Op deze plaats wordt geconcludeerd dat het initiatief in overeenstemming is met de natuurlijke laag. 3.
De ‘Laag van de beleving’
De ‘laag van de beleving’ is het domein van de belevenis, de betekenis en identiteit. Het voegt kenmerken toe als landgoederen, recreatieparken, recreatieve routes maar benut ook vooral de kwaliteit van de andere drie lagen. Het maakt ze beleefbaar en tot een belevenis. Het belevenisaspect wordt een steeds belangrijke pijler onder het ruimtelijk kwaliteitsbeleid. De ambitie is gericht op sterke ruimtelijke identiteiten als motor voor gebiedsontwikkeling. Het gaat er om beleving, betekenis en kwaliteit van de omgeving te versterken en de beleefbaarheid en toegankelijkheid van het landschap te vergroten. Op basis van de ‘laag van de beleving’ is het plangebied aangemerkt met ‘donkerte’ en tevens als ‘IJssellinie Inundatieveld’. In afbeelding 4.5 is dit weergegeven.
Afbeelding 4.5
De “Laag van de beleving” (Bron: Provincie Overijssel)
“Donkerte” BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Bestemmingsplan Buitengebied, partiële herziening nr. 45, omgeving Hogebroeksweg 15 Ontwerp Lichte gebieden geven een beeld van economische dynamiek; zoals de steden en dorpen, de snelwegen, de kassengebieden, attractieparken en grote bedrijventerreinen. De donkere gebieden geven daarentegen een indicatie van het rustige buitengebied van Overijssel. Het zijn relatief luwe en dunbevolkte gebieden met een lage gebruiksdruk. De ambitie is gericht op het koesteren van donkerte als kwaliteit. Het streven is gericht op het handhaven van de donkerte en, waar mogelijk, de gebieden bij ontwikkelingen nog donkerder te maken. De richting van de sturing is gericht op het minimaal toelaten van kunstlicht. 'IJssellinie inundatieveld' Dit gebied is één van de bakens in de tijd en brengt een cultuurhistorische ambitie met zich mee. Zoals het creëren van verbindingen en verbanden tussen bestaande bakens, welke onderdeel van een groter geheel zijn maar nu verloren of geïsoleerd in het landschap liggen. Tevens kunnen bakens van deze tijd worden toegevoegd. Cultuurhistorische waarden dienen behouden te worden door ze bewust in te zetten in gebiedsopgaves Toetsing van het initiatief aan de “Laag van de beleving” Voor de beoogde voorzieningen is kunstlicht benodigd.
Alle functies op het terrein worden voorzien van groene afschermende beplanting om lichtuitstraling naar de omgeving zoveel mogelijk te beperken. Onnodig gebruik van kunstlicht zal zoveel mogelijk worden vermeden en waar nodig zal kunstlicht nauwkeurig gericht worden. Overigens is een zekere lichtuitstraling inherent aan functies waar mensen verblijven, zoals wonen, agrarisch en recreatie. Uit paragraaf 5.8 zal blijken dat geen aantasting van cultuurhistorische waarden plaatsvindt. Voorgenomen ontwikkeling voorziet dan ook niet in aantasting van de waarden behorend bij het IJsselline inundatieveld. De ontwikkeling is in overeenstemming met de gebiedskenmerken van de ‘laag van de beleving’. 4.2.5
Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving
4.2.5.1 Algemeen De kwaliteit van het Overijsselse landschap en de sociaal-economische ontwikkeling van het landelijk gebied gaan hand in hand en vormen de basis voor allerlei ontwikkelingen. Nieuwe ontwikkelingen moeten mogelijk zijn onder voorwaarde dat ze bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving. Met de kwaliteitsimpuls Groene Omgeving biedt de provincie Overijssel beleidsruimte aan gemeenten voor ontwikkelingen in de groene ruimte. In het buitengebied is ruimte voor grootschalige uitbreidingen en nieuwe ontwikkelingen mits die gelijk opgaan met verbeteringen van de ruimtelijke kwaliteit. Ruimtelijke kwaliteit wordt gerealiseerd door naast bescherming vooral in te zetten op het verbinden van bestaande gebiedskwaliteiten en nieuwe ontwikkelingen, waarbij bestaande kwaliteiten worden beschermd en versterkt en nieuwe kwaliteiten worden toegevoegd. 4.2.5.2 Methodiek De methodiek voor het bepalen van de balans tussen ontwikkelingsruimte en de gevraagde investering in de groene omgeving, is gericht op het volgende: hoe meer de ontwikkeling als gebiedsvreemd te beschouwen is en /of hoe groter de schaal en impact op de ruimtelijke kwaliteit is, des te zwaarder weegt dat aan de ontwikkelingskant van de balans en hoe hoger de aanvullende kwaliteitsprestaties dan dienen te zijn.
Als het gaat om een gebiedsvreemde ontwikkeling van een grote schaal en met een grote impact op de omgeving, dan zal een forse investering in het landschap nodig zijn. Om te beoordelen of medewerking kan worden verleend aan het verzoek, dient het volgende model gevolgd te worden:
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Bestemmingsplan Buitengebied, partiële herziening nr. 45, omgeving Hogebroeksweg 15 Ontwerp
Afbeelding 4.6
Modelschema Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (Bron: Provincie Overijssel)
4.2.5.3 Toetsing aan de uitgangspunten van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving Generiek beleid Zoals al gebleken uit 4.2.4.1 vormen de generieke beleidskeuzes in het voorliggende geval geen belemmering. Ontwikkelingsperspectieven In 4.2.4.2 is het initiatief getoetst aan het ter plekke geldende ontwikkelingsperspectief. Gebleken is dat gemotiveerd kan worden afgeweken van het ter plekke geldende ontwikkelingsperspectief. Sociaal economische ontwikkeling De provincie biedt ruimte voor sociaaleconomische ontwikkelingen, mits deze vanuit zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik verantwoord is, past in het ontwikkelingsperspectief ter plekke en tot slot wordt uitgevoerd volgens de Catalogus Gebiedskenmerken. Het hergebruik van het voormalig agrarisch erf voor een verblijfsrecreatieve ontwikkeling past uitstekend binnen het provinciaal recreatief beleid, zoals beschreven in 4.3.3 De ontwikkeling sluit aan bij de gedacht van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. Uitgangspunt bij het opstellen van het Inrichtingsplan was onder andere de Catalogus Gebiedskenmerken. Zoals in hoofdstuk 3 beschreven worden diverse landschapsmaatregelen gepleegd ter versterking van de landschappelijke structuur en kwaliteit ter plaatse van het plangebied. Hier wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling leidt tot een verbetering van de sociale economische vitaliteit.
Het bedrijf wordt een duurzaam ontwikkelingsperspectief geboden die nodig is om een bedrijf ook de toekomst op een gezonde wijze te kunnen exploiteren. De uitbreiding zorgt daarnaast voor toeristisch draagvlak van (dagrecreatieve) voorzieningen in de omgeving.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Bestemmingsplan Buitengebied, partiële herziening nr. 45, omgeving Hogebroeksweg 15 Ontwerp Schaal & impact Het betreft in het voorliggende geval een uitbreiding van de bestaand recreatiebedrijf. De uitbreiding is wenselijk om het bedrijf toekomstbestendig te houden. De uitbreiding wordt ingepast door middel van landschapsmaatregelen, waardoor het zicht op het recreatiebedrijf beperkt is. Hierbij is rekening gehouden met de ter plaatse voorkomende landschapskenmerken. Gezien het vorenstaande wordt gesteld dat de schaal van de uitbreiding groot is maar de impact van de ontwikkeling op de omgeving beperkt is. Gebiedseigen of gebiedsvreemd Het onderscheid in gebiedseigen en gebiedsvreemde functies geeft een indicatie voor de mogelijke bijdrage vanuit de functie zelf aan behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. Een gebiedseigen functie past in de beleidsdoelstellingen van een gebied. Zoals al gebleken uit het voorgaande past de ontwikkeling binnen de beleidsdoelstellingen van de provincie. Recreatie kan gezien worden als een gebiedseigen en aan het buitengebied gebonden functie. Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat sprake is van een gebiedseigen functie. Eigen belang of maatschappelijk belang Naast de noodzaak om vanuit bedrijfsmatig oogpunt uit te breiden (eigen belang), brengt het plan maatschappelijke belangen met zich mee.
De uitbreiding van bedrijf zorgt voor een vergroting van de recreatieve waarde van de omgeving en de naamsbekendheid van Salland. Gezien vorenstaande wordt geconcludeerd dat er een beetje sprake is van maatschappelijk belang en grotendeels eigenbelang. Basisinspanning ruimtelijke kwaliteit en aanvullende kwaliteitsprestatie De basisinspanning ruimtelijke kwaliteit bestaat uit een goede ruimtelijke inpassing van het plangebied met streekeigen beplanting rondom de randen van het plangebied. De kwaliteitsimpuls groene omgeving bestaat in dit geval uit de sloop van een meervoud aan landschapsontsierende bebouwing (verhouding 1 m 2/2,67 m2 sloop). In paragraaf 3.1.2 en 3.1.3 is dit uitgebreid uitgewerkt. Hiermee is er als gevolg van de ontwikkeling een aanzienbare afname van landschapsontsierende bebouwing in het buitengebied van de gemeente Raalte. De investeringen in de ruimtelijke kwaliteit staan in verhouding met de geboden ontwikkelingsmogelijkheden. 4.2.6
Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het provinciaal beleid zoals genoemd in de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving en de Omgevingsvisie Overijssel en is verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel.
4.3
Gemeentelijk beleid
4.3.1
Omgevingsvisie Horizon gemeente Raalte 2040
4.3.1.1 Algemeen De gemeente Raalte beschikt over een eigen omgevingsvisie. De omgevingsvisie is een strategisch document die richting geeft aan de ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie is in samenspraak met de inwoners ontwikkeld. De gemeente heeft gekozen voor een visie gekoppeld aan een proces waarin de gemeente steeds opnieuw kan monitoren, leren en actualiseren. Het is daarmee een dynamisch document, in de geest van de Omgevingswet. In de omgevingsvisie zijn een aantal kernopgaven opgenomen die van belang zijn voor de komende jaren. Het betreffen de volgende kernopgaven: 1. 2.
Hoe geeft de gemeente vorm en invullingen aan de ontwikkelingen in het buitengebied? Hoe zorgt de gemeente dat bestaande wijken en dorpen leefbaar en aantrekkelijk blijven? BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Bestemmingsplan Buitengebied, partiële herziening nr. 45, omgeving Hogebroeksweg 15 Ontwerp 3.
Hoe creëert de gemeente optimale randvoorwaarden voor wonen, werken, ondernemen en recreëren in Raalte?
In het kader van voorgenomen ontwikkeling is met name kernopgave 1 van belang, gezien het gaat om een ontwikkeling in het buitengebied. Hierna wordt op de kernopgave ingegaan. 4.3.1.2 Kernopgave 1 Allereerst wordt ingegaan op de algemene ambitie ten aanzien van het buitengebied. Deze luid: ‘Raalte als groen en innovatief productielandschap’. Het groene en agrarische karakter van het buitengebied is de kern van de identiteit. Dit krachtige en afwisselende landschap vormt de onderlegger van een nieuwe toekomst voor het landelijk gebied en zal daarom verder ontwikkeld worden en waar nodig worden beschermd. In de toekomst is het buitengebied een divers en modern productie- en werklandschap met toekomstbestendige landbouw, dat vitaal is, reuring kent, maar waar ook gewoond wordt en waar aandacht is voor de natuur- en landschapswaarden. Innovatie, technologie, klimaatdiensten en duurzame energieopwekking maken nadrukkelijk onderdeel uit van het nieuwe verdienmodel van het buitengebied, evenals brede nevenactiviteiten door agrariërs, zoals zorg, educatie of toerisme. Aan de kernopgave zijn verscheidene ontwikkelingsrichtingen gekoppeld, waarvan er één gericht is op recreatie. Een andere is gericht op een vitaal buitengebied. Hierna wordt op beide richtingen ingegaan. De gemeente kiest voor een vitaal, divers en gemengd buitengebied.
Een werk- en productiegebied, waar een balans is met wonen, landschappelijke- en cultuurhistorische kwaliteiten, natuur en recreatie. Het buitengebied is enorm divers en levendig; een mozaïek van functies en belangen. Het is de plek van tal van grote en kleinere bedrijven, er wordt gewoond, het is er groen en rijk aan soorten en er wordt gefietst en gewandeld. Ook in de toekomst staat de diversiteit van het gebied voorop. Er moet gewerkt en geproduceerd kunnen worden door allerhande bedrijvigheid, er mag reuring zijn, maar wel in balans met andere functies, met oog voor gezondheid en aandacht voor wat de gemeente landschappelijk waardevol vindt. De gemeente kiest voor kleinschalige recreatie, die past in het landschap en die aansluit op andere activiteiten in het buitengebied: De gemeente kiest voor kleinschalige recreatie, die past in het landschap en die aansluit op andere activiteiten in het buitengebied. De recreatiebedrijven zijn op dit moment kwalitatief hoogwaardig en redelijk divers. Kwaliteit en diversiteit wil de gemeente graag behouden omdat dit past in de ambitie om een divers buitengebied te hebben. De gemeente zet vooral in op kleinschalige recreatie die aansluit op andere activiteiten in het buitengebied. De gemeente vind het van belang dat de diversiteit van het aanbod wordt gestimuleerd.
Met kleinschalig wordt bijvoorbeeld gedacht aan verblijfs- of dagrecreatieve concepten op vrijkomende erven. Initiatieven die de recreatieve waarde van het buitengebied versterken en aanvullend zijn op het aanbod in onze dorpen, zoals bijzondere horecaconcepten en boerderijwinkels, ziet de gemeente als een verrijking van het diverse buitengebied. Vrijkomende agrarische bebouwing biedt hiervoor kansen en kan getransformeerd worden om zo ontwikkelruimte te bieden aan de recreatieve sector. De gemeente vind dat dergelijke initiatieven moeten worden ondersteund. Als bestaande bedrijven kwaliteitsverbeteringen door willen voeren, bijvoorbeeld om te blijven aansluiten op de vraag, dan moet dat mogelijk zijn. Per situatie moet worden bekeken in hoeverre dit mogelijk is in verhouding tot functies in de omgeving. 4.3.1.3 Toetsing van het initiatief aan de Omgevingsvisie Horizon gemeente Raalte 2040 Met het plan wordt bijgedragen aan een vitaal, divers en gemengd buitengebied, aangezien aan een bestaand recreatiebedrijf een toekomstbestendig perspectief wordt gegeven. Hiermee wordt bijgedragen aan het streven om de hoogwaardige kwaliteit te behouden. Ook gaat het om een functie specifiek gericht op kinderen. Dit draagt bij aan de gewenste diversiteit.
Uit dit bestemmingsplan blijkt dat het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, waarmee wordt geconcludeerd dat het plan in balans is met andere functies, met aandacht voor gezondheid en landschap. Het plan voorziet daarbij in een kwaliteitsverbetering en uitbreiding, die beter aansluit op de vraag, waar in de omgevingsvisie ruimte voor
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
Bestemmingsplan Buitengebied, partiële herziening nr. 45, omgeving Hogebroeksweg 15 Ontwerp wordt gegeven. Geconcludeerd word dat het initiatief in overeenstemming is met de Omgevingsvisie Horizon gemeente Raalte 2040. 4.3.2
Beleidsplan recreatie en toerisme 2017
4.3.2.1 Algemeen In dit beleidsplan wordt de visie op de ontwikkeling van recreatie en toerisme in de gemeente Raalte weergegeven en wordt hier een concreet actieplan aan gekoppeld. Daarnaast biedt dit beleidsplan een toetsingskader voor de verblijfsrecreatieve sector. De gemeente Raalte kiest voor een gemiddeld tot hoog ambitieniveau ten aanzien van de ontwikkeling van recreatie en toerisme. Dit houdt in dat zij zich inzet voor versterking en verdere ontwikkeling van toerisme en recreatie binnen de gemeente, mits passend bij de gekozen profilering en de maat en schaal van de gemeente. De versterking van toerisme en recreatie mag niet ten koste gaan van de leefbaarheid in de kernen en de kernkwaliteiten van natuur, landschap en cultuurhistorie. De gemeente kiest ervoor in haar toeristischrecreatieve profilering aan te sluiten bij de regio Salland. Deze belangrijkste kernkwaliteiten van Salland zijn ook in Raalte aanwezig en vormen het vertrekpunt voor de profilering van de gemeente. In de recreatief-toeristische profilering van Raalte staan twee profielen centraal: • •
een veelzijdig platteland voor iedereen; een gastvrij verblijf in Salland
De gemeente Raalte beschouwt toeristische bedrijven als een goede invulling van vrijkomende agrarische bebouwing. Toerisme ziet de gemeente als één van de economische functies die op termijn kan bijdragen aan de instandhouding van het landschap nu het aantal agrarische bedrijven (van oudsher de dragende functie voor het landschap) verder afneemt. Aan toeristische ontwikkelingen die een nieuwe invulling geven aan vrijkomende agrarische erven wil de gemeente waar mogelijk ruimte geven, mits de ontwikkeling passend is in de omgeving. 4.3.2.2 Visie op recreatie – diversiteit en kwaliteit voorop Voor Salland, en daarmee voor Raalte, zijn rust, ruimte, en een aantrekkelijk en afwisselend landschap belangrijke kenmerken. Er zijn veel mogelijkheden tot wandelen en fietsen, overnachten, winkelen en eten (bijvoorbeeld asperges en andere streekproducten). In het hart van Salland ligt Raalte. Een gemeente waarin veel evenementen worden georganiseerd (sommige zelfs met (inter)nationale bekendheid) die zeer goed worden beoordeeld. Daarnaast biedt Raalte ook andere, meer verborgen, schatten zoals landgoederen, cultuur en erfgoed. Ook is er een sterk aanbod aan verblijfsrecreatie met kwalitatief hoogwaardige bedrijven, enthousiaste ondernemers en aanbod aan kleinschalige bijzondere logiesaccomodaties.
De gemeente zet zich in voor behoud van deze kwaliteiten en voor het ontsluiten van de potenties die deze kwaliteiten bevatten, bijvoorbeeld door het stimuleren van cross-overs. De hedendaagse consument is kritisch en zoekt naar bijzondere ervaringen. Vernieuwend aanbod is hierom erg belangrijk. De sterke opkomst van reviewsites maakt dat het bieden van kwaliteit nog belangrijker is geworden dan het al was. Ondernemers die kwaliteitsverbeteringen willen doorvoeren in hun bedrijf wil de gemeente dan ook zo veel mogelijk de ruimte geven. Binnen Salland is Raalte een goede uitvalsbasis om het Sallandse platteland, de Sallandse Heuvelrug, IJssel en Hanzesteden Zwolle en Deventer te verkennen. Samen met de ondernemers en Salland Marketing wil de gemeente die goede uitvalsbasis blijven zijn en streven daarbij een divers aanbod van verblijfsaccommodaties na. Naast de kwaliteit van de toeristische bedrijven is het gevarieerde landschap een eigenschap die Raalte als bestemming aantrekkelijk maakt. Bij ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied is het daarom van belang om hier kansen van te maken. Dit betekent dat, naast dat nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied passend moeten zijn in de omgeving en altijd zorgvuldig in het landschap moeten worden ingepast, de gemeente kansen moeten oppakken om juist dit landschap te vermarkten.
De gemeente beschouwt toeristische bedrijven als een goede invulling van vrijkomende agrarische bebouwing. Toerisme ziet de gemeente als één van de economische functies die op termijn kan bijdragen aan de
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
Bestemmingsplan Buitengebied, partiële herziening nr. 45, omgeving Hogebroeksweg 15 Ontwerp instandhouding van het landschap nu het aantal agrarische bedrijven (van oudsher de dragende functie voor het landschap) verder afneemt. Aan toeristische ontwikkelingen die een nieuwe invulling geven aan vrijkomende agrarische erven wil de gemeente waar mogelijk ruimte geven, mits de ontwikkeling passend is in de omgeving (zie hierna voor toelichting op dit criterium). 4.3.2.3 Dagrecreatie Raalte heeft een beperkt aanbod aan dagrecreatie en in het bijzonder een gebrek aan ‘slechtweervoorzieningen’. Dit werd in 2008 al gesignaleerd. Sindsdien is het aanbod enigszins toegenomen en hebben bestaande bedrijven zich doorontwikkeld (bijvoorbeeld de Flierefluiter). De ruimte voor groei die in 2008 werd gesignaleerd ziet de gemeente nog steeds en is ook in de evaluatie en enquête naar voren gekomen. Uit de enquête bleek vraag naar bijvoorbeeld waterrecreatie op het Overijssels Kanaal, een bioscoop en een bowlingbaan. Ook in de snelkooksessie werden ideeën genoemd, zoals een dierentuin, abseilen van de watertoren en een beweegroute. En natuurlijk kunnen er in de toekomst nieuwe activiteiten ontstaan. Niet voor elk idee zal voldoende markt zijn: het is in eerste instantie aan ondernemers om die inschatting te maken.
De gemeente staat in ieder geval open voor nieuwe initiatieven op het terrein van dagrecreatie. Net als bij grootschaliger vormen van verblijfsrecreatie geldt daarbij wel als voorwaarde dat de ontwikkeling passend moet zijn in de omgeving (zie hiervoor). 4.3.2.4 Toetsing van het initiatief aan de Beleidsnota recreatie en toerisme Voorgenomen initiatief sluit aan bij de visie om een nieuwe invulling te vinden en te houden voor vrijkomende agrarische bebouwing. De Flierefluiter is immers een voormalig agrarisch erf. De toeristische invulling is passend. Daarnaast worden voormalige agrarische gebouwen gesloopt om de uitbreiding te kunnen realiseren. De uitbreiding van het bedrijf zorgt voor een betere toekomstbestendigheid van deze economische drager van het buitengebied. Daarnaast sluit de uitbreiding naadloos aan bij de wens om het aanbod van de dagrecreatie en met name de ‘slechtweervoorzieningen’ uit te breiden onder voorwaarden. Er is ruimte voor groei, die met dit initiatief wordt gefaciliteerd. Net als bij grootschaliger vormen van verblijfsrecreatie geldt daarbij wel als voorwaarde dat de ontwikkeling passend moet zijn in de omgeving. Dit wordt bereikt door een adequate landschappelijke inpassing. Geconcludeerd wordt dat het initiatief hiermee in overeenstemming is met de Beleidsnota recreatie en toerisme. 4.3.3
Landschapsontwikkelingsplan Deventer, Olst-Wijhe en Raalte
4.3.3.1 Algemeen De gemeenten Deventer, Olst-Wijhe en Raalte hebben een Landschapsontwikkelingsplan (LOP) opgesteld met als doel een gezamenlijk kader te bieden (23 september 2008), op basis waarvan nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied kunnen worden beoordeeld, teneinde de ruimtelijke kwaliteit te behouden en te versterken. Het LOP bevat vier belangrijke componenten: • • • •
inventarisatie en analyse; de LOP-visie 'Een plus voor het landschap'; thematische uitwerkingen; het uitvoeringsprogramma.
4.3.3.2 Deelgebieden Landschapsontwikkelingsplan Het plangebied ligt op basis van het LOP binnen het ‘zandlandschap’ waarbij het plangebied is aangemerkt als ‘dekzandlaagte’. In afbeelding 4.8 is de ligging van het plangebied in het LOP weergegeven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
Bestemmingsplan Buitengebied, partiële herziening nr. 45, omgeving Hogebroeksweg 15 Ontwerp
Afbeelding 4.8
Uitsnede Landschapsontwikkelingsplan (Bron: Gemeente Raalte)
4.3.3.3 Visie deelgebieden “Dekzandvlaktes” Dit gebied vormt de oorspronkelijke overgang van het oude naar het jonge dekzandlandschap. Het is een oud dekzandlandschap dat onder sterke invloed stond van kwel uit de Sallandse heuvelrug. Het gebied is in de 20e eeuw ontgonnen wat heeft geresulteerd in een uitgesproken ontginningslandschap. Het ruimtelijk beeld van het gebied wordt voornamelijk bepaald door de karakteristieke lanen langs de wegen en de aanwezigheid van de landbouw. Er wordt ingezet op het versterken van het lanenstelsel. Doorgaande structuren zoals het Overijssels Kanaal en de (doorgaande) wegen passen zich aan deze karakteristiek aan: laanbeplanting past hierin. Op de hogere gronden zijn in het verleden essencomplexen en kampen (eenmansesssen) ontstaan. Ten oosten van Raalte en rondom Heeten komen deze escomplexen veelvuldig voor. Door het verdwijnen van randbeplanting rondom de essen zijn de complexen minder herkenbaar geworden. Een opmerkelijk gebied is de Luttenberg, dit is een uitloper van de stuwwal van de Sallandse heuvelrug met een uitgesproken reliëf. Het landschapsbeleid is gericht op het behouden en versterken van de karakteristieken 4.3.3.4 Landschappelijke karakteristieken Het landschapsbeleid voor ‘dekzandvlaktes’ is gericht op het versterken van de karakteristieken, te weten: • • • • •
Open ruimtes omsloten door rechte wegen; Erven met rationele opzet gekoppeld aan wegen; Bebouwing gericht op weg; Weg- en erfbeplantingen zijn belangrijkste ruimtevormende elementen; Doorgaande structuren (weg/kanaal) passen zich aan omgeving aan, variatie open/gesloten;
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
Bestemmingsplan Buitengebied, partiële herziening nr. 45, omgeving Hogebroeksweg 15 Ontwerp • • • •
Erfbeplantingen langs lanen zijn rationeel en kennen heldere overgang van erf naar landschap (door middel van bijvoorbeeld een haag); Blokvormige verkaveling; Rationele bosblokken en heiderelicten (uitsluitend voor dekzandvlaktes); Erfbeplanting sluit aan bij natte karakter (uitsluitend voor dekzandlaagtes).
4.3.3.5 Toetsing van het initiatief aan het ‘Landschapsontwikkelingsplan’ In dit geval zijn langs de Raarhoeksweg en de Hogebroeksweg ter plaatse van het plangebied reeds laanbeplantingen aanwezig. Deze passen in het landschap en blijven behouden. Voor het geheel is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. In hoofdstuk 3 en bijlage 2 is hier uitgebreid op ingegaan. Het landschapsontwikkelingsplan heeft als uitgangspunt gediend voor dit plan. Verwezen wordt naar hoofdstuk 3 en bijlage 2. Op deze plaats wordt gesteld dat het plan in overeenstemming is met het landschapsontwikkelingsplan. 4.3.4
Beleidsnota Erven in beweging (gewijzigd vastgesteld december 2021)
4.3.4.1 Algemeen Op 21 december 2017 is de beleidsnota ‘Erven in beweging’ vastgesteld door de gemeenteraad van Raalte. Aanleiding hiervoor zijn de veranderingen in het buitengebied van Raalte. In de periode 2012 – 2030 komt naar verwachting ca 300.000 m2 agrarische bebouwing vrij door bedrijfsbeëindiging van agrarische bedrijven. Om te voorkomen dat op grote schaal leegstand ontstaat bevat de beleidsnota ‘ Erven in beweging’ een aantal aanvullende mogelijkheden/instrumenten om leegstand tegen te gaan. De gemeente Raalte zet in op sloop en hergebruik. Enerzijds om de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied te versterken. Anderzijds om een levendig buitengebied te houden waarin gewoond en gewerkt kan worden. Met de extra mogelijkheden die dit beleid bevat heeft een eigenaar van een erf met leegstaande gebouwen onder andere de volgende mogelijkheden: •
• • •
Naast een woning bouwen in ruil voor sloop van minimaal 850 m2 (rood voor rood regeling) ook de mogelijkheid om op een andere locatie de compensatiewoning te bouwen in ruil voor sloop van minimaal 1.000 m2; Een (niet-agrarisch) bedrijf starten; Oppervlakte bijgebouwen verruimen van 100m2 naar 150 m²; Extra (bij)gebouwen bouwen bij een woning of bedrijf in ruil voor sloop van een veelvoud aan gebouwen (schuur voor schuur regeling).
4.3.4.2 Schuur voor schuur regeling Op erven die hun agrarische functie verliezen of al hebben verloren, ontstaan regelmatig plannen voor nieuwe ontwikkelingen die niet (direct) in het bestemmingsplan passen. Ook (niet-agrarische) bedrijven die al in het buitengebied gevestigd zijn, hebben zo nu en dan uitbreidingsplannen. Verder willen bewoners van het buitengebied soms meer bijgebouwen realiseren dan het bestemmingsplan toestaat voor bijvoorbeeld hobbymatige activiteiten. Deze ontwikkelwensen willen we inzetten om sloop aan te jagen, mits de ontwikkeling passend is/blijft in het buitengebied en op de betreffende locatie. Erven waar zich ontwikkelkansen voordoen zijn niet altijd de erven waar te slopen (ontsierende) bebouwing staat. Andersom geldt ook: een locatie met ontsierende bebouwing is niet altijd de geschikte plek voor nieuwe bebouwing of nieuwe bedrijvigheid. Om ontwikkelwensen optimaal te verbinden met sloopwensen gaan wij het onderliggende principe van Rood voor Rood (sloop ten behoeve van extra bouwmogelijkheden) breder toepassen. De slooplocatie hoeft daarbij niet langer de ontwikkellocatie te zijn. We noemen dit de ‘schuur voor schuur-regeling’.
Met deze regeling wordt het mogelijk bij woningen of ten behoeve van niet-agrarische bedrijvigheid in het buitengebied meer te bouwen dan het bestemmingsplan nu toelaat, mits (elders) in het buitengebied een veelvoud aan m2 wordt gesloopt. Hierbij geldt de volgende sloopverhouding:
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
Bestemmingsplan Buitengebied, partiële herziening nr. 45, omgeving Hogebroeksweg 15 Ontwerp Oppervlakte Tot 100 m2 101-500 m2 501 m2 en meer
Verhouding 1:1 1:2 1:3
4.3.4.3 Actualisatie 2021 De beleidsnota is in december 2021 partieel herzien en vastgesteld. De volgende wijzigingen zijn samengevat doorgevoerd: • • • • • •
Akkoord te gaan met de toevoeging van het positief bestemmen van feitelijk twee-aaneengebouwde woningen, met een sloopcompensatie van 500 m 2; Akkoord te gaan met de toevoeging van het bouwen van twee vrijstaande woningen, in plaats van twee-aaneengebouwde woningen, met een sloopcompensatie van 500 m2; Akkoord te gaan met de toevoeging van het onderzoeken van de haalbaarheid naar (nieuwe) woningtype naar behoefte; Akkoord te gaan met de toevoeging om solitaire recreatiewoningen met recreatiebestemming om te zetten naar een woonbestemming, met een sloopcompensatie van 500 m2; De aangepaste beleidsnota Erven in Beweging vast te stellen; Akkoord te gaan met de toevoeging om sloopmeters tussen Deventer, Olst-Wijhe en Raalte uit te wisselen met een maximale verhouding van 70/30%.
4.3.4.4 Toetsing van het initiatief aan de beleidsnota ‘Erven in beweging’ In dit geval gaat het om de uitbreiding van de bebouwing van 1.800 m2 van een niet-agrarisch bedrijf. Naast een landschappelijke inpassing van de geplande uitbreiding zal er ook een ruimtelijke compensatie geleverd moeten worden voor deze extra bebouwing en vergroting van de bestemming ‘Cultuur en Ontspanning’. Voorgesteld wordt om hierbij aan te sluiten bij de schuur voor schuur regeling uit de gemeentelijke beleidsnota ‘Erven in beweging’. Het voorstel van de gemeente is om een compensatie van 4.800 m 2 te slopen voormalige (landschapsontsierende) bebouwing in het buitengebied van Raalte te vragen (zie onderstaand schema). In paragraaf 3.1.2 is dit in een tabel uitgewerkt. Overigens wordt opgemerkt dat de geplande uitbreiding gefaseerd zal en kan worden uitgevoerd. Daarom wordt het redelijk geacht om het te slopen oppervlakte in het bestemmingsplan zodanig vast te leggen dat er pas gesloopt hoeft te worden op het moment dat er een aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan. Op deze manier kan de initiatiefnemer de sloop gefaseerd oppakken en hoeft niet op één moment een forse investering te worden gedaan. Praktisch gezien komt het er op neer dan voor iedere m 2 aan bebouwing 2,67 m2 verwijderd dient te worden (4.800/1.800 = 2,67 m2).
Het initiatief is hiermee dan ook in overeenstemming met de beleidsnota ‘Erven in beweging’. Tot slot wordt opgemerkt dat de wijzigingen in de beleidsnota niet voorzagen in wijzigingen ten aanzien van het onderdeel ‘schuur voor schuur’. Deze wijzigingen hebben dan ook geen gevolgen voor onderhavige ontwikkeling. 4.3.5
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het gemeentelijk beleid.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
Bestemmingsplan Buitengebied, partiële herziening nr. 45, omgeving Hogebroeksweg 15 Ontwerp
HOOFDSTUK 5
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema’s geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie en archeologie & cultuurhistorie en Besluit milieueffectrapportage.
5.1
Geluid (Wet geluidhinder)
5.1.1
Wettelijk kader
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2
Situatie plangebied
In het plangebied is geen sprake van het toevoegen van geluidsgevoelige objecten. Het gaat immers om de uitbreiding van een speel- en kinderboerderij. Onder geluidgevoelige functies worden onder andere verstaan: woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, psychiatrische inrichtingen en kinderdagverblijven. In dit geval is er geen sprake van het realiseren van dergelijke functies. De situering van de bestaande bedrijfswoningen blijft ongewijzigd met dit plan. In artikel 76 van de Wet geluidhinder is bepaald dat de geluidbelasting van wegen op bestaande woningen niet hoeft te worden getoetst. Deze woningen blijven bij de beoordeling dan ook buiten beschouwing. Er hoeft dan ook niet nader in te worden gegaan op de aspecten ‘industrielawaai’, ‘railverkeerslawaai’ en ‘wegverkeerslawaai’. Overigens wordt gesteld dat er geen sprake is van de nabije ligging van gezoneerde bedrijventerreinen en spoorwegen. De omliggende wegen betreffen rustige wegen die met name door bestemmingsverkeer gebruikt zullen worden. Er is dan ook nagenoeg geen sprake van geluidsproductie. In paragraaf 5.5. wordt nader ingegaan op de invloed van het voornemen op de omgeving, waaronder het aspect ‘geluid’. 5.1.3
Conclusie
De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
5.2
Bodemkwaliteit
5.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
Bestemmingsplan Buitengebied, partiële herziening nr. 45, omgeving Hogebroeksweg 15 Ontwerp 5.2.2
Situatie plangebied
5.2.2.1 Algemeen In dit geval gaat het om de uitbreiding van de bebouwingsmogelijkheden binnen een bestaande bestemming en nagenoeg volledig binnen een bestaand bouwvlak. Het bouwvlak wordt puur uitgebreid omdat hiermee meer bebouwingsmogelijkheden worden gecreëerd. Voor de nieuwe bebouwing zijn nog geen concrete plannen. Wel is duidelijk dat het gaat om bebouwing die onder andere gebruikt worden voor horeca (tuinmaker), speelvoorzieningen en dierenverblijven. 5.2.2.2 Situatie plangebied In dit geval is door Kruse een bodemonderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage is als bijlage 4 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. In de bovengrond (BG III) en in het grondwater (PB 1A, PB 51 en PB 52) zijn lichte en is een sterke verontreiniging aangetoond. In de bovengrond (BG I en BG II) en in de ondergrond (OG I en OG II) zijn geen verontreinigingen aangetoond. Gesteld wordt dat het sterk verhoogde arseengehalte in het grondwater is toe te schrijven aan een natuurlijk verhoogde achtergrondwaarde, daarom is besloten af te zien van een nader onderzoek. Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de bestemmingsplanwijziging, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico’s voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik. 5.2.3
Conclusie
Het aspect ‘bodem’ vormt geen belemmering voor de in dit plan besloten ontwikkeling.
5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1
Beoordelingskader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);
5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •
woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
Bestemmingsplan Buitengebied, partiële herziening nr. 45, omgeving Hogebroeksweg 15 Ontwerp Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.3.2
Situatie plangebied
Het onderhavige project is, gelet op de omvang ervan, aan te merken als een project dat 'niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging'. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Geconcludeerd wordt dat Wet Luchtkwaliteit en het Besluit NIBM geen belemmering vormt voor het project. 5.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
5.4
Externe veiligheid
5.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
Voor het transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
44
Bestemmingsplan Buitengebied, partiële herziening nr. 45, omgeving Hogebroeksweg 15 Ontwerp Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2