CConstaterende datRaalte
Koppel je AI →
Document · PDF

Regels en toelichting

Raadsvergadering 21 april 2022, gemeente RaalteBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststellen bestemmingsplan Schoonhetenseweg 18 en 20 Mariënheem (hamerstuk)27.677 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

3.4 Bescherming van houtopstanden Het kappen of rooien van bomen is niet zomaar toegestaan in de Wet natuurbescherming. Dit geldt ook bij het rooien of het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van bomen tot gevolg hebben. Hieronder valt ook beschadiging door vee. Onder bos wordt verstaan: • alleen bossen die buiten de ‘bebouwde kom Boswet’ liggen; • alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are (1.000 m2); • bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. De gemeente stelt de grenzen van de ‘bebouwde kom Boswet’ bij besluit vast. Deze grenzen kunnen afwijken van de ‘bebouwde kom Verkeerswet’. Het besluit wordt door de provincie goedgekeurd. De grenzen zijn bij de gemeente na te vragen. De bescherming van houtopstanden kent twee belangrijke instrumenten: meldingsplicht en herplantplicht. Een kapmelding is verplicht bij de kap van bomen buiten de bebouwde kom indien kap plaatsvindt in een houtopstand. Veelal geldt een 1 op 1 herplantplicht. Provincies bepalen welke gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd. Voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel is er geen herplantplicht.

De voorgenomen kap van een houtopstand hoeft niet gemeld te worden als het gaat om: • houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; • houtopstanden op erven of in tuinen; • fruitbomen en windschermen om boomgaarden; • naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; • kweekgoed; • uit populieren of wilgen bestaande: o wegbeplantingen; o beplantingen langs waterwegen, en o eenrijige beplantingen langs landbouwgronden.

Herontwikkeling Schoonhetenseweg 18 te Mariënheem | Eelerwoude | 11

• •

• • •

het dunnen van een houtopstand; uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: o ten minste eens per tien jaar worden geoogst; o bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en o zijn aangelegd na 1 januari 2013. het vellen van houtopstanden ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel; het vellen van houtopstanden voor de aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen; het vellen van houtopstanden en herbeplanten op een wijze die is beschreven in een goedgekeurde gedragscode.

De provincie kan een kapverbod opleggen. Mag er wel worden gekapt, dan moeten meestal ook nieuwe bomen worden aangeplant. De provincie kan een ontheffing of vrijstelling verlenen. Dit hangt ervan af of hiervoor een provinciale verordening is opgesteld. Mogelijk is ook een omgevingsvergunning nodig. Het aanvragen van deze vergunning en het indienen van een kapmelding moet apart van elkaar uitgevoerd worden. Gevolgen plangebied Er worden binnen het plangebied geen bomen gekapt. Een nadere toetsing van houtopstanden is daarom niet noodzakelijk.

3.5 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied verbinden. Dit Natuurnetwerk is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van het Natuurnetwerk en hebben hiervoor soms een andere benaming. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Een toetsing aan het natuurbeleid is alleen noodzakelijk als de ontwikkeling in strijd is met het bestemmingsplan. Daarnaast moet het plangebied in het NNN of een andere door de provincie beschermde natuurzone liggen. In een aantal provincies kent het natuurbeleid externe werking. Dit betekent dat in die provincie bij een ontwikkeling waarvoor een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk is altijd een toetsing aan het natuurbeleid moet worden uitgevoerd. Gevolgen plangebied De ontwikkeling is in strijd met het bestemmingsplan, maar het plangebied ligt niet binnen het NNN. Het NNN kent in deze provincie ook geen externe werking. Een toetsing aan het natuurbeleid is daarom niet noodzakelijk.

Herontwikkeling Schoonhetenseweg 18 te Mariënheem | Eelerwoude | 12

4 Methode 4.1 Inleiding De aanwezige natuurwaarden zijn in beeld gebracht op basis van bestaande inventarisatiegegevens en een verkennend veldbezoek.

4.2 Bureauonderzoek Voor het bureauonderzoek is (indien beschikbaar) gebruikgemaakt van landelijke, provinciale en regionale verspreidingsinformatie: • NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna). De NDFF is de meest complete natuurdatabank van Nederland. De NDFF geeft informatie over de verspreiding van alle in Nederland levende planten-en diersoorten. De NDFF is gevuld met gegevens uit databanken van verschillende organisaties die deze gegevens op professionele wijze verzamelen (zoals Sovon Vogelonderzoek Nederland, de Zoogdiervereniging, RAVON en de Vlinderstichting). Ook de gegevens van verschillende gemeenten, waterschappen, provincies en terreinbeherende organisaties zijn hierin toegevoegd. Steeds meer partijen sluiten zich bij de NDFF aan. De databank wordt dagelijks aangevuld met recente waarnemingen die via invoerportalen binnen komen. De NDFF bevat uitsluitend gevalideerde gegevens); • de landelijke verspreidingsinformatie uit atlassen, die deels gedateerd is, is gebruikt om na te gaan of nabij het plangebied in het verleden beschermde soorten zijn aangetroffen. Exacte locaties of data van de waarnemingen waren daarbij veelal niet bekend. Deze gegevens hebben vaak betrekking op atlasblokken (5x5 kilometer) en kunnen daardoor betrekking hebben op waarnemingen buiten het plangebied;

4.3 Terreinbezoek Op basis van een eenmalig veldbezoek is de geschiktheid van het onderzoeksgebied voor de verwachte soorten en/of soortgroepen beoordeeld. Het veldbezoek is overdag door N. Blok uitgevoerd, ecologisch adviseur bij Eelerwoude (zie kader). Het veldbezoek is uitgevoerd op 13 juli 2021 bij 21°C, licht bewolkt weer en windkracht 2 Bft. Het gaat hier om een deskundigenoordeel op basis van de fysieke gesteldheid van het terrein (biotopenonderzoek). Daarnaast zijn de aangetroffen belangwekkende soorten genoteerd. Kader – Ecologisch deskundige De veldmedewerkers van Eelerwoude beschikken over een uitgebreide ervaring met de betreffende soortgroepen en voldoen aan de criteria van ‘ecologisch deskundige’. Met een ecologisch deskundige wordt bedoeld een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige:

• •

op HBO- dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of

•

als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of

•

zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied; en/of

•

zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming.

Herontwikkeling Schoonhetenseweg 18 te Mariënheem | Eelerwoude | 13

5 Beschermde soorten 5.1 Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft de tijdens het veldbezoek waargenomen soorten, al dan niet aangevuld met gegevens uit de literatuur en andere informatiebronnen. Vervolgens worden eventuele effecten beschreven als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.

5.2 Planten Voorkomen en functie Er zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde planten aangetroffen binnen het plangebied. De vegetatie op het erf bestaat uit sierplanten en gazon. Gelet op de aanwezige terreintypen, het beheer en de functie van het plangebied is het voorkomen van beschermde plantensoorten binnen het plangebied niet aannemelijk. Ook uit literatuurbronnen of verspreidingsgegevens zijn geen gegevens van beschermde soorten bekend. Effecten en ontheffing Binnen het plangebied zijn geen beschermde plantensoorten aanwezig. Deze worden hier gelet op de aanwezige groeiplaatsomstandigheden ook niet verwacht. Er is geen sprake van negatieve effecten of noodzaak tot nader onderzoek naar beschermde flora. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde flora niet noodzakelijk.

5.3 Zoogdieren 5.3.1 Vleermuizen Voorkomen en functie Binnen en in de directe omgeving van het plangebied kunnen aan de hand van aanwezige terreintypen en gegevens uit diverse literatuurbronnen een aantal vleermuissoorten worden verwacht. Het gaat om (vrij) algemeen voorkomende soorten als, gewone dwergvleermuis, laatvlieger, ruige dwergvleermuis en eventueel rosse vleermuis. Alle vleermuizen zijn strikt beschermd onder de habitatrichtlijn. Verblijfplaatsen Vleermuizen maken gedurende het jaar gebruik van een netwerk van vaste rust- en verblijfplaatsen (zie kader Vleermuisverblijfplaatsen). Deze verblijfplaatsen kunnen de volgende functies hebben: • kraamverblijfplaats; • zomerverblijfplaats; • paar- en/of baltsverblijfplaats; • winterverblijfplaats.

Herontwikkeling Schoonhetenseweg 18 te Mariënheem | Eelerwoude | 14

Kader - Vleermuisverblijfplaatsen Onder de vleermuizen zijn gebouw bewonende soorten aanwezig. Gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn hoofdzakelijk gebouw bewonend. Rosse vleermuis is voornamelijk boom bewonende en ruige dwergvleermuis bewoont zowel bomen als gebouwen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering. Holten en spleten in bomen en ruimtes achter loszittend schors zijn voorbeelden van verblijfplaatsen in bomen. Vanuit de verschillende functies van de verblijfplaats worden weer andere eisen gesteld aan bijvoorbeeld het klimaat, de toegankelijkheid en de expositie van het verblijf ten opzichte van de zon. Als kraamverblijfplaats worden meestal gebouwen en/of bomen uitgekozen waarbinnen een constant klimaat heerst. Bij gebouwen zijn dit voornamelijk woningen met een spouwmuur of een geïsoleerd dak. Sommige vleermuizen hebben aan een opening van 1-2 cm voldoende om naar binnen te kruipen. Bij bomen gaat het meestal om dikke, oude bomen met een dikke restwand.

Tijdens het veldwerk zijn de te slopen gebouwen beoordeelt op de potentie als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. Op het agrarische erf zijn geen bomen aanwezig met holten of loshangend schors waar vleermuizen in kunnen verblijven. De te slopen woonboerderij en veeschuren zijn ongeschikt als verblijfplaats voor vleermuizen vanwege diverse redenen: • Ontbreken van een spouwmuur, ruimten achter loodslabben of open stootvoegen in de woonboerderij; • De vensterluiken (potentiële verblijfplaatsen laatvlieger) zijn tijdens het veldbezoek gecontroleerd op eventuele aanwezige laatvliegers middels zaklamp. Verder is gelet op sporen als uitwerpselen. Deze zijn hier niet aangetroffen waaruit blijkt dat de soort hier niet verblijft en wordt uitgesloten; • Schuren zijn gedeeltelijk open en in vervallen staat waardoor er veel tocht aanwezig is; • Aanwezigheid van een rietendak op woonboerderij waardoor toegangsruimten ontbreken. En een golfplatendak op de schuren waardoor het microklimaat ongunstig is voor vleermuizen (tocht, instabiele temperatuur); • Geen sporen (uitwerpselen, vraatsporen) van vleermuizen in de te slopen schuren of rondom de woonboerderij; • Betere alternatieven op woonerven in de directe omgeving.

Er bevinden zich op korte afstand van het erf andere woonerven met bebouwing (waaronder een woonhuis) die geschikter zijn als verblijfplaats voor vleermuizen (toegangsruimten als open stootvoegen, loodslabben, spouwmuur etc.). Kader - Foerageergebieden en vliegroutes Foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd indien bij het verdwijnen ook een verblijfplaats ongeschikt wordt. Bijvoorbeeld door het onderbreken van een vliegroute wordt een foerageergebied onbereikbaar, waardoor de vleermuizen onvoldoende voedsel kunnen vinden. Bij het verdwijnen van foerageergebieden of vliegroutes wordt derhalve onderzocht of er voldoende bereikbare alternatieven zijn. Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige landschapselementen zoals bomenrijen en singels om zich langs te verplaatsen. Een aaneengesloten kronendak heeft hierbij de voorkeur. Van vleermuizen is bekend dat onderbrekingen in de lijnstructuur maximaal 100 tot 200 meter mogen bedragen (kleinere en langzaam vliegende soorten 50 meter). Wanneer de onderbrekingen groter zijn dan deze afstand kunnen sommige soorten deze afstand niet overbruggen en zullen ze uitwijken naar alternatieve vliegroutes en foerageergebieden.

Foerageergebieden en vliegroutes De bomenlaan langs de Schoonhetenseweg kan dienen als vliegroute voor vleermuizen, deze laan verbindt geschikt foerageergebied met diverse woonerven in de omgeving, waar zich potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen bevinden. Op het erf kunnen in de luwte van de bebouwing en groenstructuren diverse Herontwikkeling Schoonhetenseweg 18 te Mariënheem | Eelerwoude | 15

vleermuissoorten als gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger foerageren. De rosse vleermuis kan gebruik maken van de laanbeplanting langs de Schoonhetenseweg als vliegroute van zijn verblijfplaats naar zijn foerageergebied. Effecten en ontheffing Alle vleermuissoorten zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming met beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Het opzettelijk verstoren, vangen en doden van individuen van beschermde soorten, alsmede het beschadigen of vernielen van vaste verblijfplaatsen, inclusief de functionele leefomgeving, is verboden vanuit de Wet natuurbescherming. De functionaliteit van de verblijfplaatsen van vleermuizen dienen te allen tijde gegarandeerd te blijven (zie ook kader - Foerageergebieden en vliegroutes). Verblijfplaatsen De vensterluiken in de voorgevel van de woonboerderij zijn geschikt als potentiële verblijfplaatsen voor laatvlieger. De soort is na een gerichte controle niet aangetroffen tijdens het veldbezoek. Afwezigheid van uitwerpselen onder de voorgevel, bevestigd tevens de afwezigheid van de soort. Wel moeten de luiken per direct ongeschikt te maken als verblijfplaats door de beschikbare tussenruimte te vergroten. Een laatvlieger heeft 2-3 cm nodig om tussen te kruipen wat maakt dat er tenminste 4 cm ruimte moet worden vrij gehouden.

De rest van de te slopen bebouwing op het erf is ongeschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen zijn uit te sluiten door het voorgenoemde advies uit te voeren. Vliegroute en foerageergebied Met de ruimtelijke ontwikkelingen worden geen negatieve effecten verwacht op vleermuizen die foerageren binnen de grenzen van het plangebied. Het plangebied wordt tijdelijk ongeschikt als foerageergebied door het slopen van aanwezige bebouwing dat luwe plekken creëert waar vleermuizen kunnen jagen op vliegende insecten. Het betreft echter geen essentieel foerageergebied gezien de aanwezigheid van woonerven in de directe omgeving en de vele groenstructuren. De mogelijke (essentiële) vliegroute langs de Schoonhetenseweg blijft behouden. Conclusie: Met de voorgenomen werkzaamheden worden geen negatieve effecten op vleermuizen verwacht. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor vleermuizen niet noodzakelijk.

5.3.2 Overige zoogdieren Voorkomen en functie Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Het is aannemelijk dat het plangebied en de nabije omgeving onderdeel uitmaakt van het leefgebied van grondgebonden zoogdieren waaronder ree, haas, vos, ree en algemene (spits) muizensoorten. Voor deze soorten geldt een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Overijssel. Deze soorten kunnen het plangebied gebruiken als (onderdeel van hun) leef- en foerageergebied. Daarnaast maken een aantal van het plangebied gebruik als migratieroute. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt In de omgeving is eveneens het voorkomen van egel, steenmarter, bunzing, hermelijn, wezel en eekhoorn bekend (zoogdiervereniging.nl en NDFF). Het betreft nationaal beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling in provincie Overijssel geldt. Steenmarter en bunzing komen in de regio voor. De steenmarter is in allerlei biotopen (van agrarisch tot stedelijk gebied) te vinden en komt algemeen voor in de directe omgeving. Er zijn tijdens het veldbezoek geen verblijfplaatsen en sporen (uitwerpselen, krabsporen) waargenomen van steenmarter. De bunzing is schuwer en komt bij uitzondering voor rondom woonerven waar hij gebruikt maakt van onder andere houtstapels of oude verrommelde schuren als verblijfplaats.

Dergelijke elementen (schuren zijn leeg) zijn niet aanwezig binnen het plangebied en sporen of uitwerpselen zijn ten tijde van het veldbezoek Herontwikkeling Schoonhetenseweg 18 te Mariënheem | Eelerwoude | 16

niet aangetroffen. Ook eekhoorn komt in de omgeving voor. Er is tijdens het veldbezoek dan ook gelet op de mogelijke aanwezigheid van (nesten van) eekhoorn. Er zijn geen eekhoorns of eekhoornnesten aangetroffen. Het woonerf is overzichtelijk en strak ingericht, en rommelhoekjes met bladeren of hagen zijn niet aanwezig welke kunnen dienen als potentiële verblijfplaatsen voor egel. Wel kan de egel zich tijdelijk ophouden (beschutting) onder de bestaande hagen/begroeiing in de voortuin. Deze plekken zijn ongeschikt als voorplantingsplaats of winterverblijfplaats. Er zijn tevens geen uitwerpselen aangetroffen van de soort. De hermelijn en wezel komen doorgaans voor in aaneengesloten hagen en struwelen in cultuurlandschap welke niet aanwezig zijn op het agrarisch erf. Wel kunnen deze soorten de tuin en omliggend erf gebruiken als onderdeel van hun leefgebied (foerageergebied of migratie route). Overige nationaal beschermde zoogdieren of soorten die vanuit de habitatrichtlijn beschermd zijn worden niet verwacht, gezien het huidige verspreidingsgebied en het type biotoop (erf). Effecten en ontheffing Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ingreep zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van de genoemde (algemeen) voorkomende zoogdieren met het beschermingsregime “andere soorten”.

Voor deze beschermde soorten is bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Overijssel een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Voor steenmarter en bunzing geldt dat de te slopen woonboerderij en schuren geen vaste rust- en verblijfplaats vormen voor de soorten. Er zijn geen sporen of uitwerpselen aangetroffen waardoor het voorkomen van deze marterachtigen kan worden geïndiceerd. Voor de overige genoemde soorten zonder vrijstelling geldt tevens dat verblijfplaatsen niet aanwezig zijn in de bestaande bebouwing of het omliggende erf. Ook ontbreken essentiële functies voor deze soorten gezien het plangebied een beperkte functie heeft als onderdeel van het leefgebied. Het plangebied blijft ook na herontwikkeling geschikt als foerageergebied. Negatieve effecten op vrijgestelde grondgebonden zoogdieren worden niet verwacht. Conclusie: Met de voorgenomen werkzaamheden worden geen negatieve effecten op grondgebonden zoogdieren verwacht. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor grondgebonden zoogdieren niet noodzakelijk.

5.4 Vogels Voorkomen en functie Alle vogels zijn als soort beschermd in de Wet natuurbescherming. Onderscheid wordt gemaakt tussen vogels met jaarrond beschermde nesten, vogels met jaarrond beschermde functionele leefomgeving en overige (broed)vogels. Onder de vogels met jaarrond beschermde nesten vallen onder andere soorten die hun nesten ook buiten het broedseizoen gebruiken, soorten die elk jaar op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn en soorten die steeds van hetzelfde nest gebruik maken en niet of nauwelijks zelf een nest kunnen bouwen. Onder de vogels met jaarrond beschermde leefomgeving vallen soorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats die zij het jaar daarvoor hebben gebruikt of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Jaarrond beschermde nesten Verblijfplaatsen van vogelsoorten, of aanwijzingen hiertoe, die jaarrond van vaste rust- en verblijfplaatsen gebruikmaken zijn niet aangetroffen binnen het plangebied en worden op basis van de aanwezige terreintypen ook niet verwacht. Tijdens het veldbezoek dat plaatsvond ten tijde van het broedseizoen van veel soorten als

Herontwikkeling Schoonhetenseweg 18 te Mariënheem | Eelerwoude | 17

steenuil en kerkuil, zijn namelijk geen braakballen, veren, uitwerpselen of waarnemingen gedaan binnen het plangebied. Mogelijk dat enkele soorten jaarrond beschermde nesten wel het plangebied gebruiken als onderdeel van hun leefgebied, zoals buizerd en kerkuil. Ook huismus is niet aangetroffen ter plaatse van de woonboerderij. De huismussen hebben hun nestlocaties veelal onder de pannendaken van woningen welke ontbreken in het rietbedekte dak. De boerenzwaluw komt ook vaak voor op agrarische erven als het betreffende plangebied. Tijdens het veldbezoek zijn er geen bezette of oude nesten waargenomen in de nok van de woning of schuren. Jaarrond beschermde functionele leefomgeving In deze situatie zijn enkele vogelsoorten aangetroffen dan wel te verwachten waarvan de functionele leefomgeving jaarrond beschermd is. Het gaat om soorten als zwarte roodstaart, spreeuw, ringmus en koolmees. Overige (broed)vogels De aangetroffen vogels binnen en direct rondom het plangebied vallen onder de algemene broedvogels van stedelijk gebied, bossen en agrarisch gebied. Onder andere de volgende vogelsoorten kunnen gebruikmaken van het plangebied; holenduif, houtduif, merel, roodborst en winterkoning. Binnen het plangebied zijn verschillende nesten met jongen aangetroffen van de holenduif in de voormalige agrarische veeschuren. Zij hebben hun nesten in de balken van de dakconstructie.

Effecten en ontheffing Vogels met jaarrond beschermde nesten Van een aantal vogelsoorten zijn de nesten het hele jaar door beschermd. Ook de functionele leefomgeving is daarbij beschermd. Bij de aantasting van de nestlocatie en/of de functionele leefomgeving is een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk. Er zijn binnen het plangebied geen verblijfplaatsen aanwezig van jaarrond beschermde nesten, waardoor negatieve effecten of het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming is uitgesloten. Vogels met jaarrond beschermde functionele leefomgeving Gelet op de beperkte omvang van de projectlocatie en het beperkte aanbod aan geschikt leefgebied binnen het plangebied voor deze soorten, gaat het om slechts enkele broedparen van genoemde algemeen voorkomende soorten. In de omgeving zijn voldoende alternatieve nestmogelijkheden en leefgebied aanwezig. Genoemde soorten zijn bovendien goed in staat alternatieve nestplaatsen te vinden. Compenserende maatregelen of het aanvragen van een ontheffing is om deze redenen dan ook niet aan de orde. Overige (broed)vogels Alle vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming. Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, alsook op het wegnemen van nesten van vogels.

Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren kan in veel situaties worden voorkomen dat gehandeld wordt in strijd met deze verbodsbepaling. De periode van 1 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen1. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met deze werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. Voor de Wet natuurbescherming zijn echter alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar en ongeacht de zeldzaamheid van de soort. Geadviseerd wordt om de nesten van de holenduif vooraf aan het broedseizoen (maart t/m september) te verwijderen gezien de soort geneigd is zijn nest jaarrond te verdedigen.

1 In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang

is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 1 maart tot 15 juli. Herontwikkeling Schoonhetenseweg 18 te Mariënheem | Eelerwoude | 18

Conclusie: bij de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met (in gebruik zijnde) nesten van vogels.

5.5 Reptielen Voorkomen en functie In het plangebied zijn geen waarnemingen bekend van reptielen. Beschermde reptielen zijn gebonden aan specifieke terreinen (o.a. heideterreinen en venranden) welke ontbreken in en rond het plangebied. Effecten en ontheffing Op basis van het aanwezige biotoop kunnen beschermde reptielen worden uitgesloten. Negatieve effecten op reptielen zijn dan ook niet aanwezig. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor reptielen niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor reptielen niet noodzakelijk.

5.6 Amfibieën Voorkomen en functie Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Een aantal soorten zoals bruine kikker, bastaardkikker, gewone pad en kleine watersalamander kunnen het plangebied gebruiken als landbiotoop. In het plangebied zelf zijn geen waterelementen aanwezig. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Beschermde soorten amfibieën waarvoor geen vrijstelling geldt, zoals kamsalamander of rugstreeppad, worden niet verwacht in het plangebied vanwege de aanwezige, ongeschikte habitat voor deze soorten. Zo ontbreken waterelementen in het plangebied. Er zijn ook geen verspreidingsgegevens bekend van beschermde amfibieën rondom het plangebied. Effecten en ontheffing Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ingreep zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van de genoemde (algemeen) voorkomende amfibieën met het beschermingsregime “andere soorten”. Voor deze beschermde soorten is bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Overijssel een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Beschermde amfibieën waarvoor geen vrijstelling geldt, kunnen op basis van de aanwezige biotoop worden uitgesloten, waardoor er geen sprake is van negatieve effecten. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor amfibieën niet aan de orde.

Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor amfibieën niet noodzakelijk.

5.7 Vissen Voorkomen en functie Binnen het plangebied zijn geen watervoerende elementen (sloten, poelen, enzovoort) aanwezig. Derhalve ontbreekt geschikt leefgebied voor vissen en zijn deze dan ook niet aanwezig.

Herontwikkeling Schoonhetenseweg 18 te Mariënheem | Eelerwoude | 19

Effecten en ontheffing Beschermde vissen zijn niet in het plangebied aanwezig. Er worden dan ook geen effecten op beschermde vissen verwacht. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming voor vissen is niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde vissen niet noodzakelijk.

5.8 Ongewervelden Voorkomen en functie Van de groep ongewervelden (dagvlinders, libellen, kevers, kreeftachtigen en weekdieren) worden beschermde soorten als gevlekte witsnuitlibel en platte schijfhoren niet verwacht. Dit door het ontbreken van geschikt habitat dat onder andere bestaat uit heideterreinen en venranden. Er zijn ook geen verspreidingsgegevens bekend van beschermde ongewervelden in en rondom het plangebied. Effecten en ontheffing In het plangebied zijn geen beschermde ongewervelden aanwezig. Er is geen sprake van negatieve effecten op beschermde ongewervelden. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor ongewervelden niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde ongewervelden niet noodzakelijk.

Herontwikkeling Schoonhetenseweg 18 te Mariënheem | Eelerwoude | 20

6 Conclusie 6.1 Beschermde soorten 6.1.1 Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ontwikkeling zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van een aantal beschermde soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt. Het betreft soorten als ree, haas, vos, ree en algemene (spits) muizensoorten. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten omdat er sprake is van een tijdelijke, en plaatselijke verstoring, voldoende leefgebied aanwezig blijft en het relatief algemene soorten betreft.

6.1.2 Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Met de volgende soorten en/of soortgroepen dient rekening te worden gehouden. Vleermuizen De vensterluiken in de voorgevel van de woonboerderij zijn geschikt als potentiële verblijfplaatsen voor laatvlieger. Geadviseerd wordt om de luiken per direct ongeschikt te maken als verblijfplaats door de beschikbare tussenruimte te vergroten. De ruimte dient groter te zijn dan 4 cm. De rest van de te slopen bebouwing op het erf is ongeschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen zijn uitgesloten mits het voorgenoemde advies word uitgevoerd. Broedvogels Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, als ook op het wegnemen van nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. In veel situaties kan dit voorkomen worden door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen2 uit te voeren. Geadviseerd wordt om de nesten van de holenduif vooraf aan het broedseizoen (maart t/m september) te verwijderen gezien de soort geneigd is zijn nest jaarrond te verdedigen.

6.1.3 Algemene zorgplicht Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 een omschrijving opgenomen over de algemene zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht neemt voor alle in het wild levende dieren en planten, dus ook niet-beschermde soorten, en hun directe leefomgeving. Dit is een algemene verantwoordelijkheid die voor iedereen geldt. Het betekent bijvoorbeeld dat er niet onnodig dieren en planten worden gedood, wanneer redelijkerwijs een andere oplossing voor is, bijvoorbeeld de dieren te verplaatsen naar een ander gebied.

6.2 Bescherming gebieden Niet stikstof-gerelateerde effecten: In de directe omgeving van het plangebied liggen diverse Natura 2000-gebieden. Op ongeveer 700 meter afstand ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Boetelerveld. De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maken dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of in de zeer directe 2 In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang

is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 1 maart tot 15 juli. Herontwikkeling Schoonhetenseweg 18 te Mariënheem | Eelerwoude | 21

zone eromheen beperkt blijven. Gezien de afstand tot de Natura 2000-gebieden, de invulling van de tussenliggende gebieden en de voorgenomen werkzaamheden is er geen sprake van mogelijk negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied, zij het door een rechtstreekse invloed, cumulatieve invloed of externe werking. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming van niet stikstof-gerelateerde effecten wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Stikstof-gerelateerde effecten Aanlegfase: Sinds 1 juli 2021 is de wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking. Deze wet geeft een vrijstelling voor tijdelijke stikstofdepositie veroorzaakt door de bouw, wat betekent dat een stikstofberekening niet noodzakelijk is om de effecten op instandhoudingsdoelen in beeld te brengen. Gebruiksfase: In het plangebied wordt één extra woning gerealiseerd. De woning wordt gasvrij ingericht. De stikstofuitstoot is beperkt tot de extra verkeersbewegingen om de woning te bouwen. Deze verkeersbewegingen zijn zeer beperkt De permanente stikstofpositie als gevolg van de ingebruikname van in totaal twee nieuwe woningen, waaronder één extra woning ten opzichte van de bestaande situatie, met bijgebouwen en lichte toename in verkeersbewegingen, hebben daarom naar verwachting geen significant negatief effect op Natura 2000-gebied.

6.3 Bescherming houtopstanden Er worden binnen het plangebied geen bomen gekapt. Een nadere toetsing van houtopstanden is daarom niet noodzakelijk.

6.4 Natuurnetwerk Nederland De ontwikkeling is in strijd met het bestemmingsplan, maar het plangebied ligt niet binnen het NNN. Het NNN kent in deze provincie ook geen externe werking. Een toetsing aan het natuurbeleid is daarom niet noodzakelijk.

6.5 Geldigheid rapportage Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in hoofdstuk 2.2. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten leiden.

Herontwikkeling Schoonhetenseweg 18 te Mariënheem | Eelerwoude | 22

Tabel 1. Resultaten (mogelijk) aanwezige beschermde flora en fauna in het plangebied.

Vervolg Beschermingsregime

Soort(groep)

Gebruik gebied

Effect ruimtelijke ontwikkelingen

Ontheffing

Nader onderzoek/mitigerende en/of compenserende maatregelen

“Andere soorten”

Vrijgestelde grondgebonden zoogdieren

Leefgebied

Tijdelijke aantasting leefgebied, doden, op termijn weer geschikt leefgebied

Nee, vrijstelling

Zorgplicht

“Andere soorten”

Vrijgestelde amfibieën

Leefgebied

Tijdelijke aantasting leefgebied, doden, op termijn weer geschikt leefgebied

Nee, vrijstelling

Zorgplicht

“Andere soorten”

Steenmarter, bunzing, egel, eekhoorn, hermelijn en wezel

Mogelijk onderdeel van leefgebied

Geen verblijfplaatsen aanwezig, leefgebied blijft behouden

Nee

Zorgplicht

Habitatrichtlijn

Vleermuizen

Mogelijk onderdeel van leefgebied

Geen verblijfplaatsen aanwezig, leefgebied komt op termijn terug

Nee

Vensterluiken ongeschikt maken middels vergroten tussenruimte van tenminste 4 cm.

Vogelrichtlijn

Vogels

Broedlocatie en onderdeel leefgebied

Vernieling nesten holenduif, mogelijke verstoring

Nee, mits

Verwijdering nesten holenduif buiten broedseizoen (maart t/m september) Werkzaamheden buiten broedseizoen uitvoeren, zorgplicht

Vogels jaarrond

Vogels vaste broedlocaties

Broedlocatie en onderdeel leefgebied

Geen verblijfplaatsen aanwezig, leefgebied blijft behouden

Nee, mits

Werkzaamheden buiten broedseizoen uitvoeren, zorgplicht

Herontwikkeling Schoonhetenseweg 18 te Mariënheem | Eelerwoude | 23

Literatuurlijst •

• • •

Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Centre & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Dietz, C., Helversen, O. van, & Nill, D. (2011). Vleermuizen: Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Utrecht, Nederland: De Fontein & Tirion Uitgevers. Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Ministerie van Economische Zaken, versie 1.3. SOVON Vogelonderzoek Nederland. (2002). Atlas van de Nederlandse broedvogels, - Nederlandse fauna 5. Leiden, Nederland: KNNV Uitgeverij & European invertabrate Survey – Nederland.

Soort- en gebiedsinformatie: • www.zoogdiervereniging.nl • Natura2000.nl/gebieden • AERIUS Calculator • Geoportaaloverijssel.nl • ESRI Nederland (2021). https://www.esri.nl/nl-nl/home Waarnemingen: • NDFF (2021). Nederlandse Databank Flora en Fauna. https://www.ndff.nl/ Overig geraadpleegde stukken: • Principeverzoek Schoonhetenseweg 18 te Raalte. Eelerwoude, 2 juni 2020. • Herontwikkeling erf, Schoonhetenseweg 18 Marienheem. Eelerwoude, 3 juni 2021. • Inrichtingstekening - Landschappelijk inpassing. Eelerwoude, 3 juni 2021.

Herontwikkeling Schoonhetenseweg 18 te Mariënheem | Eelerwoude | 24

Bijlage 1 Wettelijk kader natuurwetgeving Bescherming van soorten Zorgplicht De Wet natuurbescherming erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende planten- en diersoorten, of de soort nu beschermd is of niet (= zorgplicht). Deze zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wilde levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld, maar kan door toepassing van bestuursdwang wel worden gehandhaafd. Beschermingsregimes Op het onderdeel soortbescherming deelt de Wet natuurbescherming soorten in drie beschermingsregimes in: 1.

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Alle vogels cf. artikel Vogelrichtlijn 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Soorten uit Bijlage IV Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd 3. 3. Beschermingsregime “andere soorten” Soorten die uit nationaal oogpunt bescherming behoeven. Elk van deze beschermingsregimes heeft zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Verbodsbepalingen De Wet natuurbescherming gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. In de wet worden ten aanzien van de beschermde soorten een aantal verbodsbepalingen genoemd (figuur 1). De verbodsbepalingen zijn gekoppeld aan het beschermingsregime van de soort (resp. Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of de groep ‘Overige soorten’). Dat betekent dat deze verbodsbepalingen niet overtreden mogen worden, tenzij voor de soort(en): • een vrijstelling geldt; • er gewerkt wordt met een goedgekeurde Gedragscode (feitelijk een collectieve ontheffing); • een ontheffing is verkregen.

3 De brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016 impliceert dat de

bescherming uit de Vogelrichtlijn prevaleert boven de bescherming van vogels uit de verdragen van Bonn en Bern

Herontwikkeling Schoonhetenseweg 18 te Mariënheem | Eelerwoude | 25

Overzicht verbodsbepalingen Wet Natuurbescherming (bron: brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016).

Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen (en deze toch te mogen overtreden) via een ontheffing of een vrijstelling moet aan drie criteria worden voldaan: 1. er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling (=alternatievenafweging); 2. de afwijking is gebaseerd op een in de wet genoemd belang (b.v. openbare veiligheid of volksgezondheid); 3. de ingreep of handeling mag geen afbreuk doen aan en/of verslechtering betekenen voor de staat van instandhouding van de soort. Als aan (alle) drie deze vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk in de vorm van een provinciale verordening of een (goedgekeurde) gedragscode. Voorgaand figuur geeft een overzicht van de verbodsbepalingen per beschermingsregime. De verbodsbepalingen voor de groep van overige, ‘nationale’ soorten zijn geïnspireerd op de Habitatrichtlijn en op een aantal punten versoepeld. Zo is het opzettelijk verstoren van beschermde soorten (en hun verblijfplaatsen) uit deze groep van overige soorten niet langer verboden. Wel is het nog steeds verboden om vaste verblijfplaatsen van dieren onder dit beschermingsregime opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

Voor vogels geldt dat verstoren niet verboden is als de verstoring maar niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort (artikel 3.1, lid 4 en lid 5). Het beschadigen van in gebruik zijnde vogelnesten tijdens het broedseizoen blijft verboden, maar het verstoren dus niet meer, tenzij er sprake is van een wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de specifieke soort(en). Het is aan de initiatiefnemer om zich op de hoogte te (laten) stellen, en waar nodig aan te tonen, dat de op zich verstorende activiteit geen bedreiging vormt voor de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort.

Herontwikkeling Schoonhetenseweg 18 te Mariënheem | Eelerwoude | 26

Tot slot geldt het opzettelijk doden of vangen en het verbod om vaste verblijfplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te vernielen of beschadigen, niet voor bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis in of op gebouwen of de daarbij behorende erven of roerende zaken (artikel 3.10 lid 3). Zie kader – Opzettelijkheid. Kader - Opzettelijkheid In de Wet natuurbescherming is bij meer verbodsbepalingen dan onder de Flora en faunawet het opzetvereiste toegevoegd, in lijn met de artikelen van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. In de Flora en faunawet was alleen sprake van het opzetvereiste bij verontrusting (artikel 10). Hierdoor was de Flora en faunawet strenger dan de verbodsbepalingen van de Habitatrichtlijn. Nietopzettelijke handelingen waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, zijn nu niet langer verboden. Daar is van belang dat het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant….”.

Andere bevredigende oplossing(en) De initiatiefnemer moet aantonen en beargumenteren dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn waardoor overtreding van de verbodsbepaling(en) kan worden voorkomen, bijvoorbeeld door planaanpassing of het aanpassen van de uitvoeringsperiode. Het is aan het bevoegd gezag (doorgaans dus de provincie) om de alternatieve oplossingen te beoordelen en hierover te besluiten. De onderbouwing moet gebaseerd zijn op objectieve en controleerbare gegevens. Belangen Voor de soorten die beschermd zijn onder de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan alleen ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de in deze richtlijnen genoemde belangen. Voor de groep van overige, nationaal beschermde soorten wordt uitgegaan van de in de Habitatrichtlijn genoemde belangen, plus een aantal aanvullende belangen. In het Kader - Wettelijk Belang wordt een overzicht gegeven van deze belangen. Staat van instandhouding van de soort Tot slot moeten de effecten van de voorgenomen handeling(en) worden beoordeeld aan de staat van instandhouding (SvI) van de soort. Zie ook kader – Staat van instandhouding. De SvI varieert per soort en per handeling, en is niet vastgelegd in de wet. Een handeling op een zeldzame beschermde soort zal eerder leiden tot een negatief effect op de SvI dan bij een algemene soort.

Belangrijk is ook de trend (aantalsontwikkeling) en de ruimtelijke verspreiding van de soort. Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met cumulatieve (versterkende) effecten, bijvoorbeeld door andere handelingen of ontwikkelingen in de omgeving en met reeds verleende ontheffingen voor dezelfde populaties van deze soort(en). Bij de beoordeling mogen compenserende en mitigerende (verzachtende) maatregelen worden betrokken. Het ecologische toetsingscriterium verschilt per beschermingsregime. Om te beoordelen of aan deze criteria wordt voldaan, moet inzicht worden gegeven in: 1. De SvI (van de populatie) van de soort (in zijn natuurlijke verspreidingsgebied). 2. Het effect van de handeling of ontwikkeling op de soort.

Herontwikkeling Schoonhetenseweg 18 te Mariënheem | Eelerwoude | 27

Kader - Staat van instandhouding •

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn: “De maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de betreffende soort”.

•

Beschermingsregime soort Habitatrichtlijn: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.

•

Beschermingsregime Overige soorten: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.

Voorkomen van overtreding verbodsbepalingen In sommige situaties kunnen maatregelen worden getroffen waardoor negatieve effecten en overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kunnen worden voorkomen. Bijvoorbeeld door de kap van bomen met broedende vogels uit te stellen tot na de broedtijd. Al kan de boom ook een nest bevatten van een vogelsoort waarbij het nest jaarrond beschermd is, waardoor overtreding niet kan worden voorkomen. Het plannen van werkzaamheden buiten de kwetsbare periode(n) van beschermde soorten is een veel toegepaste maatregel. Andere mogelijkheden om overtreding te voorkomen zijn wellicht het aanpassen van de werkvolgorde, gebruik te maken van andere apparatuur of de werkzaamheden te faseren in ruimte en tijd (zoals in het voorbeeld). Vrijstellingen Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen die leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen in de wet. Dit zijn bijvoorbeeld de provinciale vrijstellingen en de gedragscodes. Ook kan er sprake zijn van een vrijstelling als de handeling is opgenomen in een beheerplan voor een Natura 2000gebied of programma in het kader van een programmatische aanpak. Tot slot kan het Rijk voor handelingen en activiteiten waarvoor zij bevoegd gezag is een vrijstelling geven in de vorm van een Ministeriële Regeling.

Vrijstellingen kunnen alleen gelden voor de verbodsbepalingen en de voorwaarden zoals genoemd bij de verschillende beschermingsregimes. Provinciale verordening Provinciale Staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Zo zijn met een provinciale verordening een aantal vooral algemeen voorkomende en beschermde zoogdieren als egel en rosse woelmuis vrijgesteld van de ontheffingsplicht. Door deze mogelijkheid ontstaan echter wel verschillen in de bescherming van soorten tussen de verschillende provincies. Programmatische aanpak De Wet natuurbescherming biedt de mogelijkheid om een programmatische aanpak toe te passen. Een dergelijk programma kan zowel door het Rijk als door provincies worden opgesteld. Onder de Flora en faunawet is reeds ervaring opgedaan onder de ‘Generieke’ of ‘Gebiedsgerichte aanpak’. Tevens is voor een aantal grootschalige ontwikkelingen en plangebieden een Generieke ontheffing verleend zoals voor de gemeente Tilburg, het Havengebied Rotterdam en Vliegveld Twente. Het biedt de mogelijkheid om door middel van een actieve leefgebiedenbenadering te streven naar een betere verbinding tussen economie en ecologie.

Beheerplan Natura 2000-gebied Tot slot zijn handelingen die onderdeel uitmaken van een beheerplan voor een Natura 2000-gebied of een programmatische aanpak (zoals stikstof) vrijgesteld, mits de handelingen zijn getoetst aan de criteria voor afwijking van de soortenbeschermingsregimes.

Herontwikkeling Schoonhetenseweg 18 te Mariënheem | Eelerwoude | 28

Kader - Wettelijk Belang Voor vogels beschermd onder de Vogelrichtlijn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •

in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;

•

in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;

•

ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;

•

ter bescherming van flora en fauna;

•

voor onderzoek en onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt;

•

om het vangen, onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.

Voor soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •

in het belang van de bescherming van wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;

•

ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen eigendom;

•

in het belang van volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten;

•

voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van kunstmatige vermeerdering van planten, of

•

om onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen, onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.

Voor andere ‘nationaal’ beschermde soorten kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •

de belangen die gelden voor soorten van de Habitatrichtlijn zoals hierboven genoemd;

•

in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;

•

ter voorkoming van schade en overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen;

•

ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden;

•

ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;

•

in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;

•

in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;

•

in het kader van bestendig beheer of onderhoud van landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied;

•

in het algemeen belang van de betreffende soort.

Herontwikkeling Schoonhetenseweg 18 te Mariënheem | Eelerwoude | 29

www.eelerwoude.nl

Bijlage 2 Vergunningencheck digitale watertoets

Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 51, omgeving Schoonhetenseweg 18 en 20 | Eelerwoude | 85

Digitale Watertoets Res ultaat van de check gedaan op 13-10-2021

Digitale watertoets in De watertoets helpt u om aan de hand van de locatie van uw ruimtelijke plan en een aantal vragen te toets en of u de belangen van het Waters chap raakt. Indien dit het geval is krijgt u teks t en uitleg over het vervolg proces .

VOOR DE ACTIVITEIT DIGITALE WATERTOETS IN DE GEMEENTE IS OP BASIS VAN DE GEGEVEN ANTWOORDEN NODIG: 1.

korte procedure

OP BASIS VAN ONDERSTAANDE LOCATIE

13-10-2021, 12:39

P agina 1 van 5

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets VRAGEN EN ANTWOORDEN UIT DE CHECK 1.

Gaat het om een plan met uits luitend een functiewijziging van bes taande bebouwing? nee

2.

Is er s prake van een uitbreiding van de lozing van huis houdelijk afvalwater in het landelijk gebied groter dan 9 vervuilings eenheden (ve) of in het s tedelijk gebied van 30 ve? nee

3.

Is er in of rondom het plangebied s prake van wateroverlas t of grondwateroverlas t? nee

4.

Neemt in het plan het verharde oppervlak van bebouwing en bes trating toe met meer dan 1500m2? nee

5.

Is het plan onderdeel van een grotere ruimtelijke ontwikkeling? nee

6.

Worden er op bedrijfs matige wijze activiteiten verricht waardoor het verharde oppervlak verontreinigd raakt? nee

7.

Verandert het waterpeil als gevolg van het plan? nee

8.

Worden er materialen gebruikt waardoor het afs tromende hemelwater verontreinigd kan raken? nee

9.

Vindt er een lozing plaats op oppervlaktewater? nee

10.

Vindt er een tijdelijke of permanente onttrekking van grondwater plaats ? nee

13-10-2021, 12:39

P agina 2 van 5

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets 11.

Invloeds zone A-watergangen nee

12.

Beekdalen nee

13.

Milieuzonering RWZ I nee

14.

Invloeds zone Grote Rivieren nee

15.

Invloeds zone Vecht nee

16.

Z one pers leiding nee

17.

Bes chermings zone waterkering nee

18.

Primaire Watergebieden en bergings gebieden nee

19.

Invloeds zone B watergangen nee

20.

Invloeds zone overige keringen nee

21.

overs troombaar_gebied nee

22.

Grondwaterbes chermings gebied drinkwater nee

13-10-2021, 12:39

P agina 3 van 5

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets DETAILS 1.

korte procedure Voor uw plan moet u de korte procedure volgen.

Wat moet ik doen? WIJ VERZ OEKEN U OM IN TE LOGGEN OM DE PROCEDURE AF TE RONDEN. HIERDOOR IS UW PLAN OOK AANGEMELD BIJ HET WATERSCHAP! Momenteel wordt de s tandaard waterparagraaf 'Korte procedure' nog niet meegezonden met uw aanmeldgegevens . We verzoeken u in het hoofds cherm de 'pdf' met het advies te downloaden ten behoeve van uw eigen adminis tratie. Geachte heer / mevrouw, U heeft een watertoets uitgevoerd op de webs ite www.dewatertoets .nl. Op bas is van deze digitale toets kunt u de korte procedure volgen. Het waters chap gaat akkoord met uw plan, mits u voldoet aan de uitgangs punten uit de s tandaard waterparagraaf met bijbehorende aanvullende adviezen. Binnen de procedure voor het bes temmings plan, projectbes luit of omgevings vergunning kunt u deze teks ten toevoegen aan de toelichting van het bes temmings plan. Wij verzoeken u op de punten waar dat wordt gevraagd de teks t te s pecificeren voor uw plan.

STANDAARD WATERPARAGRAAF KORTE PROCEDURE In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het verplicht ruimtelijke plannen te ‘toets en op water’, de zogenaamde watertoets . De watertoets is een waarborg voor water in ruimtelijke plannen en bes luiten.

Relevant beleid Het beleid van het waters chap Drents Overijs s els e Delta s taat bes chreven in het waterbeheerplan 2016-2021. Specifiek voor het s tedelijke gebied heeft het waters chap het beleid geformuleerd in ‘Water Raakt!’. Daarnaas t is de Keur een belangrijk regels tellend ins trument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. U kunt de genoemde documenten raadplegen op onze s ite www.wdodelta.nl.

Invloed op de waterhuishouding Het plan heeft geen s chadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. Binnen het bes temmings plan worden niet meer dan tien wooneenheden gerealis eerd en de toename van het verharde oppervlak bedraagt niet meer dan 1500 m2. Binnen het plangebied is geen s prake van (grond)wateroverlas t. Voor de aanleghoogte wordt een ontwaterings diepte geadvis eerd van minimaal 80 centimeter. Dit is de afs tand tus s en de gemiddelde hoogs te grondwaters tand (GHG) en onderzijde bouwvloer. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden vols taan met een kleinere ontwaterings diepte. Om wateroverlas t binnen woningen en bedrijven te voorkomen advis eren wij om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het s traatpeil te hanteren (as van de weg). Voor lager gelegen ruimtes , zoals kelders en parkeergarages , wordt aandacht bes teed aan het voorkomen van wateroverlas t door bijvoorbeeld ins tromend hemelwater.

Voorkeursbeleid hemelwater 13-10-2021, 12:39

P agina 4 van 5

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets (Onders taande teks t graag s pecificeren wat van toepas s ing is voor uw plan. Daarbij vragen wij u om het verbreed gemeentelijke riolerings plan (vGRP) van de gemeente te raadplegen en rekening te houden met het hemelwaterbeleid van de gemeente. Wij vragen u om dit te bes chrijven in deze waterparagraaf.) Bij de afvoer van overtollig hemelwater moet het afs tromend hemelwater ter plaats e in de bodem dan wel op het oppervlaktewater worden teruggebracht. Het waters chap heeft de voorkeur om het hemelwater, daar waar mogelijk, te infiltreren in de bodem. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi’s heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is , is ondergronds e infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool (IT-riool) of infiltratiekratten een mogelijkheid. Als infiltratie niet mogelijk is dan kan hemelwater via een bodempas s age worden geloos d op oppervlaktewater. De afvoer van overtollig hemelwater uit het plangebied mag, ongeacht de toegepas te methode, niet tot wateroverlas t leiden op aangrenzende percelen of het omliggende waters ys teem. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater.

Waar moet ik op letten? Achtergrondinformatie

13-10-2021, 12:39

P agina 5 van 5

https://dewatertoets.nl

Bijlage 3 Rapport verkennend (asbest)bodemonderzoek

Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 51, omgeving Schoonhetenseweg 18 en 20 | Eelerwoude | 91

RAPPORT VERKENNEND (ASBEST)BODEMONDERZOEK conform NEN5740 en NEN5707 Schoonhetenseweg 18 - Mariënheem

Opdrachtgever: Eelerwoude Locatie: Schoonhetenseweg 18 8106 AE Mariënheem September 2021

Kruse Milieu BV Adres: Huyerenseweg 33 7678 SC Geesteren

Internet: info@krusegroep.nl www.krusegroep.nl

Tel: 0546 - 63 96 63 KvK: 06068751 BTW-nr: NL 8019.25.125.B01

Bankgegevens: ABN AMRO: NL34ABNA0501538739

Rapport Verkennend (asbest)Bodemonderzoek conform NEN5740 en NEN5707 Schoonhetenseweg 18 – Mariënheem

Opdrachtgever: Eelerwoude Mossendamsdwarsweg 3 7472 DB Goor Locatie: Schoonhetenseweg 18 8106 AE Mariënheem Projectcode: 21042916 Rapportagedatum: 3 september 2021 Auteur: Mevr. ing. H. Stevelink

Kruse Milieu BV

INHOUD Pagina 1

Inleiding

1

2.1 2.2 2.3

Locatiegegevens Beschrijving huidige situatie Vooronderzoek Bodemsamenstelling en geohydrologie

2 2 2 3

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5

Uitvoering bodemonderzoek Onderzoeksstrategie Veldwerkzaamheden Analyses Toetsing chemische analyses Toetsing asbestanalyses

4 4 5 6 7 8

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6

Resultaten Algemeen Veldwerkzaamheden Resultaten en toetsing van de chemische analyses Bespreking resultaten chemische analyses Resultaten van de asbestanalyses Bespreking resultaten asbestanalyses

9 9 9 12 13 14 14

5

Samenvatting, conclusies en aanbevelingen

15

6

Literatuur en bronvermelding

17

2

3

4

Bijlagen I Regionale ligging locatie Boorplan verkennend (asbest)bodemonderzoek Kruse Milieu BV, september 2021 II Boorstaten Legenda boorstaten III Resultaten chemische analyses Toetsing chemische analyses IV Resultaten en concentratieberekeningen asbestanalyses V Verklaring van enkele gebruikte termen en afkortingen

Kruse Milieu BV

Project: 21042916

1

Inleiding

Dit rapport beschrijft het verkennend (asbest)bodemonderzoek, dat in opdracht van Eelerwoude op een terreindeel aan de Schoonhetenseweg 18 in Mariënheem door Kruse Milieu BV is uitgevoerd. De aanleiding van dit onderzoek is de geplande herontwikkeling en de geplande nieuwbouw van 2 woningen. Het bodemonderzoek is noodzakelijk in het kader van de bestemmingsplanwijziging de aanvraag van de omgevingsvergunning. Hiervoor dient de milieukundige kwaliteit van de bodem bekend te zijn. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN5725 “Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek”. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat er één asbestverdachte druppelzone en twee voormalige bovengrondse dieseltanklocaties aanwezig zijn. Deze locaties worden als verdachte deellocaties beschouwd. De bovengrond van het erf is verdacht voor de aanwezigheid van asbest. De ondergrond en het grondwater zijn onverdacht voor chemische componenten. De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN5725, Bodem.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Raalte&id=d210ede1-309c-4e0f-a913-5167ed2de875