Regels en toelichting
Tekst van het document
Leidraad bij het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend, oriënterend en nader onderzoek”, NNI Delft, oktober 2017; - NEN5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond” NNI Delft, januari 2009; - de aanvulling NEN5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016; - NEN5707 + C2, “Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”, NNI Delft, december 2017. De doelstelling van het onderzoek op een onverdachte locatie is aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of het freatisch grondwater. De doelstelling van het onderzoek op de verdachte (deel)locatie is vast te stellen of de vooronderstelde verontreinigingskern ook daadwerkelijk op de vermoede plaatsen aanwezig is en in hoeverre de verontreinigende stoffen in de grond de achtergrondwaarden overschrijden. De doelstelling van het onderzoek op een asbestverdachte (deel)locatie is vast te stellen of de voor-onderstelde verontreinigingskern ook daadwerkelijk op de vermoede plaats aanwezig is en in hoeverre de verontreinigde stoffen in de grond de normwaarden overschrijden.
Het veldwerk is uitgevoerd in juli en augustus 2021 conform BRL SIKB 2000 en de protocollen 2001, 2002 en 2018, waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Hierbij wordt verklaard dat Kruse Milieu BV financieel en juridisch onafhankelijk is van de opdrachtgever. In dit rapport worden de resultaten besproken van het veld- en het laboratoriumonderzoek. De gemeten gehalten in de grond worden vergeleken met de achtergrondwaarden (AW 2000) en de interventiewaarden om vast te stellen of er al dan niet verontreinigingen aanwezig zijn. De in het grondwater gemeten gehalten worden vergeleken met de streef- en interventiewaarden. Tevens worden de resultaten met betrekking tot asbest vergeleken met de wetgeving inzake asbest in bodem en puin, welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld. In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen.
Kruse Milieu BV
Project: 21042916
Pagina 1 van 17
2
Locatiegegevens 2.1
Beschrijving huidige situatie
Algemeen De onderzoekslocatie is gelegen aan de Schoonhetenseweg 18, op circa 600 meter ten oosten van de bebouwde kom van Raalte en op circa 1.3 kilometer ten zuidwesten van de bebouwde kom van Mariënheem. Het centrale punt van het te onderzoeken terrein heeft de RD-coördinaten x = 217.476 en y = 487.746 en is kadastraal bekend als: gemeente Raalte, sectie F, nummers 6044 (ged.) en 6045 (ged.). De Schoonhetenseweg 18 bevindt zich ten oosten van de onderzoekslocatie. Bebouwing en verharding De onderzoekslocatie is bebouwd met enkele te slopen schuren en een oude woonboerderij. De bebouwing op kadastraal nummer 6045 (noordelijke deel) is onlangs gesloopt. De betonvloer is nog deels aanwezig. Het onbebouwde terreindeel is verhard met klinkers, tegels en beton en deels in gebruik als weiland. Onderzoekslocatie De daken van de schuren zijn voorzien van asbestverdachte golfplaten. Er is sprake van een druppelzone wanneer hemelwater via asbestverdachte dakplaten afwatert op onverhard terrein. De druppelzone bevindt zich aan de zuidzijde van de schuur (zie boorplan). Deze druppelzone wordt als verdachte deellocatie beschouwd. Er zijn twee voormalige bovengrondse dieseltanklocaties bekend (deellocatie A en B). Deze locaties worden als verdachte deellocaties beschouwd.
In het kader van de bestemmingsplanwijziging en de aanvraag van de omgevingsvergunning is ten behoeve van de herontwikkeling een bodemonderzoek noodzakelijk. De onderzoekslocatie is deels bebouwd en deels verhard en omvat circa 4950 m². In bijlage I zijn de regionale ligging van de locatie weergegeven en is het boorplan van Kruse Milieu BV van september 2021 opgenomen. 2.2
Vooronderzoek
In het vooronderzoek komt naast informatie uit het huidige gebruik het vroegere gebruik van het terrein aan de orde evenals de vraag of er in het verleden reeds bodemonderzoeken zijn verricht op het terrein. Het vroegere gebruik van het terrein is van belang, omdat bronnen van verontreiniging aanwezig geweest kunnen zijn. Er is navraag gedaan bij de opdrachtgever en de Omgevingsdienst IJsselland, daarbij is de volgende informatie verzameld: - De onderzoekslocatie heeft al jaren de huidige (agrarische) bestemming. De te slopen opstallen dateren van 1920, 1966 en 1973 (bron: BAGviewer). - Voor de inrichting is in 1989 een Hinderwetvergunning met een dieseltank van 1200 liter aangevraagd (deellocatie B). Op 20 november 2001 is een Milieuvergunning verleend voor een melkrundvee- en vleesvarkensbedrijf. Op 24 oktober 2007 is een melding in het kader Besluit landbouw milieubeheer voor een melkrundveehouderij met dieseltank van 1200 liter in een lekbak gedaan (deellocatie A). Op 1 februari 2021 is online een melding gedaan van het veranderen van de inrichting. - Voor zover bekend is er op de onderzoekslocatie, met uitzondering van de voormalige dieseltanklocaties, nooit sprake geweest van opslag in tanks van chemicaliën of brandstoffen, zoals huisbrandolie of diesel.
- Het te onderzoeken terreindeel is, met uitzondering van de voormalige dieseltanklocaties, voor zover bekend nooit gebruikt voor werkzaamheden of (bedrijfs)activiteiten, die verontreinigend kunnen zijn. Kruse Milieu BV
Project: 21042916
Pagina 2 van 17
- Voor zover bekend is het te onderzoeken terreindeel in het verleden niet opgehoogd en hebben er geen dempingen van lager gelegen delen of sloten plaatsgevonden. - Op de schuren bevinden zich asbestverdachte golfplaten. Er is 1 druppelzone aanwezig (deellocatie C), welke als verdachte deellocatie wordt beschouwd. - Vanwege de historie en gebruik van het erf en de asbestverdachte golfplaten op de daken wordt de bovengrond van het erf beschouwd als verdacht voor asbest. - Er is niet eerder een bodemonderzoek uitgevoerd op de onderzoekslocatie. 2.3
Bodemsamenstelling en geohydrologie
Op basis van literatuurstudie is de onderstaande regionale geohydrologische situatie afgeleid: - het maaiveld bevindt zich circa 7 meter boven NAP; - de onderzoekslocatie ligt ten noordwesten van de Sallandse Heuvelrug en aan de westzijde van het Reggedal; - tot circa 34 meter diepte is zand aanwezig dat behoort tot de formaties van Boxtel en Kreftenheye. Het doorlatend vermogen is tot circa 20 meter diepte circa 50 - 1000 m2/dag; - van circa 34 tot 46 meter diepte bevindt zich een scheidende kleilaag van de formatie van Kreftenheye, laagpakket Twello, en Drente, laagpakket Gieten. - Het tweede watervoerende pakket van circa 46 tot 92 meter diepte bestaat uit zand van de formaties van Peize en Waalre en Oosterhout. Het tweede watervoerende pakket wordt onderbroken op 63 meter diepte door een 3 meter dikke complexe eenheid van de Formatie van Peize. Het doorlatend vermogen is circa 250 - 1000 m2/dag; - Vanaf circa 92 meter diepte is een complexe eenheid van de Formatie van Oosterhout met afwisselend matig fijn zand, zandige klei en fijn zand met weinig klei, grof zand en schelpen aanwezig; - de ondoorlatende basis vanaf 162 meter diepte wordt gevormd door klei behorende tot de Formatie van Breda; - de grondwaterstand bevindt zich op circa 1.5 meter onder het maaiveld. De grondwaterstromingsrichting is vermoedelijk noordwestelijk gericht.
- op circa 7 kilometer bevindt zich ten oosten van de onderzoekslocatie het grondwaterbeschermingsgebied Nijverdal en op circa 7 kilometer ten westen bevindt zich het grondwaterbeschermingsgebied Boerhaar; - de onderzoekslocatie ligt circa 1.7 kilometer ten oosten van het Overijsselsch Kanaal. De invloed van deze watergangen en de grondwaterbeschermingsgebieden op het freatische grondwaterwater is bij ons bureau niet bekend; - er wordt van de grondwaterbeschermingsgebieden en het oppervlaktewater geen grote invloed verwacht op het freatische grondwater.
Kruse Milieu BV
Project: 21042916
Pagina 3 van 17
3
Uitvoering bodemonderzoek 3.1
Onderzoeksstrategie
De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond” NNI Delft, januari 2009; - de aanvulling NEN5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016; - NEN5707 + C2, “Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”, NNI Delft, december 2017. De onderzoeksstrategie en het boorplan zijn afgestemd met de Omgevingsdienst IJsselland. In de normen NEN5740 en NEN5707 zijn voor onverdachte en verdachte locaties richtlijnen gegeven voor een systematisch veldonderzoek, de bemonsteringsstrategie en de uit te voeren analyses. De gekozen onderzoeksstrategie is voldoende intensief voor het verkrijgen van inzicht in de bodemkwaliteit ten behoeve van de omgevingsvergunning, bestemmingsplanwijziging of eigendomsoverdracht. Erf (circa 4950 m2) De hypothese "onverdachte locatie" uit norm NEN5740 (niet-lijnvormige locatie, ONV-NL), en asbestverdacht uit norm NEN5707 (verdacht, heterogeen verdeeld, VED-HE) worden voor de onderzoekslocatie gebruikt. Beide strategieën worden gecombineerd. De boringen tot 0.5 meter diepte worden vervangen door inspectiegaten.
Tijdens het veldwerk zal visueel worden gelet op de aanwezigheid van asbestverdacht materiaal op en in de bodem. Deellocaties A en B: Voormalige dieseltanklocaties (15 m2) De locatie van de voormalige tanklocaties worden beschouwd als verdacht ten aanzien van de aanwezigheid van minerale olie in de grond en van minerale olie en vluchtige aromaten (BTEX) en naftaleen in het grondwater. De hypothese “verdachte locatie” uit NEN5740 wordt voor deze deellocatie gebruikt. De onderzoeksstrategie op deze deellocatie is gebaseerd op de NEN5740, paragraaf 5.3: Onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie met een plaatselijke bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern (VEP). Deellocatie C: Druppelzone (25 m2) De druppelzone wordt beschouwd als verdacht ten aanzien van de aanwezigheid van asbest. De hypothese “verdachte locatie" uit NEN5707 (VED-HE-NL: verdachte locatie met een diffuse bodemverontreiniging met een heterogene verspreiding) wordt voor de druppelzone gebruikt. Bij een druppelzone tot 100 m2 dienen 3 inspectiegaten gegraven te worden. Alleen de toplaag tot 0.1 m-mv wordt bemonsterd. Bij percentages bodemvreemd materiaal van meer dan 50% is er geen sprake van bodem. Eventuele funderingslagen (asfalt- en puingranulaat) vallen buiten de scope van dit onderzoek. Het opgeboorde materiaal wordt wel beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen.
In geval er sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal/puin is norm NEN5897+C2 van toepassing: “Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat” NNI Delft, december 2017. Bij het verkennend bodemonderzoek worden de volgende uitgangspunten in acht genomen: - in door mensen bewoonde gebieden kunnen door jarenlang gebruik van de grond verhoogde gehalten aan PAK en/of zware metalen voorkomen. Deze worden over het algemeen aangeduid als lokale achtergrondwaarden. Deze gehalten zijn vaak gerelateerd aan het voorkomen van puin- en/of kooldeeltjes in de bodem; Kruse Milieu BV
Project: 21042916
Pagina 4 van 17
- in humeuze of veenhoudende bodems worden regelmatig verhoogde gehalten minerale olie waargenomen. Deze gehalten worden veroorzaakt door humuszuren en overig organisch materiaal, dat van nature aanwezig is en door een florisilbehandeling niet geheel wordt verwijderd. Tijdens chemische analyses worden deze verbindingen gedetecteerd als de zware fractie van minerale olie (C27 tot C40). Bij veenbodems betreft het gehalten van 50 tot 100 mg/kg droge stof; bij humeuze bodemlagen gaat het om bijdrages van 10 tot 50 mg/kg droge stof. Deze gehalten kunnen worden beschouwd als natuurlijke achtergrondwaarden; - in het grondwater kunnen van nature verhoogde gehalten aan zware metalen en fenolen voorkomen. Deze worden doorgaans aangeduid als natuurlijke achtergrondwaarden. Een voorbeeld wordt gevormd door (sterk) verhoogde arseengehalten in gebieden, die zeer ijzerrijk zijn. Door kwel kunnen bij hoge grondwaterstanden eveneens verhoogde gehalten aan arseen in de grond ontstaan. Ook deze gehalten kunnen worden beschouwd als natuurlijke achtergrondwaarden. 3.2
Veldwerkzaamheden
Bij de boringen en monsternemingen is gewerkt volgens de geldende NEN- en NPR-voorschriften, alsmede conform BRL SIKB 2000 en de protocollen 2001, 2002 en 2018, waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Erf Op een terreindeel met een oppervlakte van circa 4950 m² worden in totaal 17 inspectiegaten, gegraven met een lengte en een breedte van minimaal 0.3 meter. Er wordt doorgeboord tot op de ongeroerde bodem met een maximum diepte van 2.0 meter minus maaiveld. Het opgegraven materiaal wordt uitgezeefd over 20 mm en visueel geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbest. De gaten worden handmatig met een schop gegraven. De inspectiegaten worden over het te onderzoeken terreindeel verdeeld. Vier inspectiegaten worden met behulp van een Edelmanboor doorgezet in de ondergrond tot maximaal 2.0 m-mv. Voor het meten van het grondwaterpeil en het nemen van grondwatermonsters wordt gebruik gemaakt van de combinatiepeilbuis B1. Deellocaties A en B: Voormalige dieseltanklocaties Ter plaatse van de voormalige tanklocaties worden per deellocatie 3 boringen verricht tot 1.0 meter minus maaiveld. Voor het meten van het grondwaterpeil en het nemen van grondwatermonsters wordt op elke deellocatie één diepe boring overeenkomstig NEN5766 afgewerkt tot peilbuis (PB A1 en PB B1). Deellocatie C: Druppelzone Ter plekke van druppelzone C worden 3 inspectiegaten gegraven.
De inspectiegaten worden gecodeerd als C1, C2 en C3. Alleen de toplaag tot 0.1 m-mv wordt bemonsterd. Van elk monsterpunt wordt de samenstelling van de bodem beschreven volgens NEN5104. Het opgeboorde materiaal wordt tevens beoordeeld door zintuiglijke waarneming op verontreinigingskenmerken zoals afwijkende geur en/of kleur.
Kruse Milieu BV
Project: 21042916
Pagina 5 van 17
3.3
Analyses
De chemische analyses worden uitgevoerd door Eurofins Analytico BV te Barneveld, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium voor analyses conform de AS3000-protocollen. Eventuele asbestmonsters worden onderzocht door Eurofins Omegam in Amsterdam, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium voor vezelonderzoek. Voor het uitvoeren van deze analyses worden in dit verkennend onderzoek 9 grondmengmonsters (waarvan 4 mengmonsters van de fijne fractie) samengesteld en er worden 2 grondwatermonsters genomen. De samenstelling van de mengmonsters vindt plaats op basis van de zintuiglijke waarnemingen, de bodemopbouw en/of posities van de boringen. De samenstelling van de mengmonsters staat vermeld in paragraaf 4.2 in tabel 3. De monsters worden volgens de voorschriften uit NEN5740 en NEN5707 onderzocht. In tabel 1 is weergegeven welke chemische analyses worden uitgevoerd. Tabel 1: Analysepakket per (meng)monster. Monster
Analysepakket Erf
Bovengrond (2x) Ondergrond (1x)
Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, PCB, PAK (10), organisch stof, lutum en droge stof
Bovengrond (3x)
Asbest en droge stof Deellocatie A: Voormalige dieseltanklocatie
Bovengrond (1x)
Minerale olie, organische stof en droge stof
Grondwater (1x)
Minerale olie, vluchtige aromaten (BTEX), naftaleen, pH, EC en troebelheid. Deellocatie B: Voormalige dieseltanklocatie
Bovengrond (1x)
Minerale olie, organische stof en droge stof
Grondwater (1x)
Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, vluchtige aromaten (BTEX), naftaleen, styreen en gechloreerde koolwaterstoffen (oplosmiddelen standaardpakket), zuurgraad (pH), elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting Deellocatie C: Druppelzone
Bovengrond (1x)
Asbest en droge stof
Algemene opmerkingen - Op de grondmengmonsters wordt standaard een florisilbehandeling uitgevoerd om verstoring van de analyse op minerale olie door natuurlijke humuszuren tegen te gaan. - De zuurgraad (pH), het elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting, van het grondwater worden in het veld gemeten. Filtratie van het grondwater voor de metalenanalyse vindt eveneens in het veld plaats.
Kruse Milieu BV
Project: 21042916
Pagina 6 van 17