Ontwerp bp station Raalte - toelichting, regels, bijlagen
Tekst van het document
Voor de toename verhard oppervlak, ten zuiden van de spoorlijn en in de fiets- en voetgangerstunnel, dient er een compenserende berging aangelegd te worden. Deze berging heeft geen bergingseis van 80 mm aangezien deze berging geen overloop heeft naar een watergang. Daarnaast hebben de gemeente Raalte, Waterschap Drents Overijsselse Delta en ProRail ook afzonderlijk specifieke eisen aangedragen op het ontwerp. Gemeente Raalte Bij een ontwikkeling dient 20 mm hemelwater geborgen en geïnfiltreerd worden, niet enkel over de toename verhard oppervlak maar ook bij vervanging van de bestaande verhardingen. De gemeente heeft een voorkeursvolgende aangedragen voor de afvoer en berging van hemelwater. De gemeente heeft een sterkte voorkeur voor bovengronds infiltreren (wadi). In de toekomstige situatie dient de afvoer vanuit de retentie op dezelfde manier plaats te vinden als in de huidige situatie. Er dient rekening gehouden te worden met de eisen aan vormgeving van het hemelwaterstelsel, weergegeven in de Programma van Eisen Inrichting openbare ruimte (2021). In het hemelwaterriool dient er minimaal 20 cm waking in het rioolstelsel te zijn. De gebouwen van het station dienen met hun vuilwater aangesloten te worden op de riolering in de Ceintuurbaan/ Stationsstraat.
Waterschap Drents Overijsselse Delta Voor het omleggen van de primaire watergang dient er rekening gehouden te worden met de uitgangspunten van het Waterschap. Dit betekent dat de huidige bodem(hoogte) gehandhaafd blijft, het talud minimaal 1 op 2 bedraagt, het onderhoudspad 5 meter breed is, de duikers een maximale lengte van 12 m hebben (inclusief een diameter van Ø 600 mm) en dat de eventuele extra inhoud watergang niet gebruikt mag worden als compenserende waterberging. ProRail De afwatering van een zandperron met een tegelbestrating via wegzijging door voegen bestrating. Het loopoppervlak van het perron dient zodanig af te wateren dat plasvorming wordt voorkomen. Het perron dient het water van het loopoppervlak af te voeren met een afschot in dwarsrichting van het perron van minimaal 1:100 en maximaal 1:75. Perronoppervlakken onder de perronkap doch binnen het invloedgebied van slagregens over een breedte van ca. 1,50 m tot de perronrand voorzien van een afschot conform EIS-001167 richting het
32
bestemmingsplan Raalte Kern, Station Raalte (ontwerp)
perronspoor. Bij het toepassen van een hemelwaterafvoersysteem of hemelwaterafvoer richting de perronsporen ten behoeve van de afvoer van water van het loopoppervlak van een perron, dient deze gedimensioneerd te worden op een maatgevende regenbui van 200 l/s/ha gedurende 15 minuten. De hemelwaterafvoer van het loopoppervlak van het perron (een zijperron) naar de niet spoorzijde, dient zodanig uitgevoerd te worden, dat uitspoeling van grond en taluduitspoeling wordt voorkomen. Perrons onder een gesloten sporenkap behoeven geen afschot voor de afwatering (vlak aanleggen). Hemelwaterafvoeren moeten inspecteerbaar en onderhoudbaar zijn, zonder invloed op de exploitatie van het spoor. 100% zijdelingse oppervlakte afstroming. Afstromend water buiten baanlichaam afvoeren via watergangen of door infiltratie in de bodem. Conclusie Door het volgen van de voorgestelde maatregelen vormt het aspect water geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingen.
3.5
Geluid
Met de voorgenomen ontwikkeling zal er enkel een aanpassing worden gemaakt aan de inrichting van het station. Deze ontwikkeling zal niet bijdragen aan een verhoging en/of overschrijding van de heersende geluidsproductieplafonds. Vanuit het verkeersonderzoek is gebleken dat de verkeersaantrekkende werking gelijk blijft. Bij de herinrichting van de stationsomgeving wordt het busstation verplaatst. Hiermee komt het busstation op een andere locatie te liggen, maar het aantal busverbindingen blijft gelijk aan de huidige situatie. Hiermee wordt verwacht dat er met de voorgenomen ontwikkeling geen effecten gaan ontstaan op geluidsgevoelige objecten. In de toekomstige situatie is er nog steeds sprake van een goede ruimtelijke ordening en vormt het aspect geluid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Op dit moment wordt er een akoestisch onderzoek uitgevoerd, om dit kwantitatief aan te tonen. Resultaten van het onderzoek worden bij het vast te stellen bestemmingsplan gevoegd.
3.6
Luchtkwaliteit
In de Wet milieubeheer is de regelgeving met betrekking tot luchtkwaliteit vastgelegd. In artikel 5.16 is vastgelegd dat bestuursorganen bevoegdheden, zoals het vaststellen van een bestemmingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning, mogen uitoefenen wanneer sprake is van één van de volgende gevallen: Er is geen sprake van een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden; De concentratie van de desbetreffende stoffen in de buitenlucht verbetert of blijft ten minste gelijk; Het plan draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de concentratie van de desbetreffende stoffen in de buitenlucht; De ontwikkeling is opgenomen in een vastgesteld programma, zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Een nadere uitwerking van de regelgeving met betrekking tot het begrip 'niet in betekenende mate' is vastgelegd in het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)'. Voor ontwikkelingen die 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeft niet te worden getoetst aan de grenswaarden. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als 'niet in betekenende mate' worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven.
Er is volgens deze regeling geen onderzoek nodig voor 'woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat'.
33
bestemmingsplan Raalte Kern, Station Raalte (ontwerp)
3.6.1
Onderzoek met NIBM-tool
De ontwikkeling betreft de aanleg van een langzaamverkeersonderdoorgang, het verplaatsen van een busstation en K+R en de aanleg van parkeerplaatsen. Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit zijn de extra verkeersbewegingen relevant. Om de situatie ‘worst case’ te beoordelen is aangenomen dat in het maatgevende jaar 2023 er 150 parkeervakken 5 maal per dag worden bezet (=1500 voertuigbewegingen) en er dagelijks 200 voertuigbewegingen zijn ten behoeve van K+R en ieder uur 6 lijn- en/of buurtbussen halteren tussen 6 en 23 uur (= 102 voertuigbewegingen). Op basis van de NIBM tool draagt het plan niet in betekende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
Figuur 15: uitkomst NIBM-tool verkeersgeneraties parkeren Raalte
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de huidige luchtkwaliteit ter plaatse geïnventariseerd. Op basis van de NSL Monitoringstool blijkt dat nu en in de toekomst de luchtkwaliteit (gemeten in fijnstof; PM2,5, PM10 en stikstofdioxide; NO2) ter plaatse van het plangebied voldoet aan de gestelde grenswaarde van 25 en 40 µg/m³ voor zowel fijnstof als stikstofdioxide. Het aantal dagen dat de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter is dan 50 µg/m³ lucht ligt eveneens ruimschoots onder de grenswaarde van 35 dagen per jaar. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor voorliggende ontwikkeling
3.7
Verkeer en parkeren
Het bestaande busstation nabij het station Raalte wordt verplaatst naar een nieuwe locatie. Bij de herpositionering zal het aantal bussen gelijk blijven aan de huidige situatie. Dit betekent dat het nieuwe busstation gelijktijdig twee reguliere lijnbussen en vier buurtbussen zal faciliteren. Ook wordt een bufferplek aangelegd voor één lijnbus en twee buurtbussen. Indien sprake is van treinvervangend vervoer zal dit aan de zuidzijde kunnen plaatsvinden op de bufferplaats van de lijnbussen. Daarnaast wordt op het busstation een K+R strook aangelegd. Ten opzichte van de huidige situatie is geen sprake van een toename van de verkeersintensiteiten. Op het busstation zal een éénrichtingsregime worden ingesteld. De aansluiting op de bestaande Ceintuurbaan zal worden vormgeven als voorrangskruispunt. De Ceintuurbaan zelf zal ter hoogte van het busstation op een plateau komen te liggen. Daarmee wordt een veilige aansluiting gecreëerd. Aan de noord- en zuidzijde van het station worden fietsenstallingen aangelegd welke middels een fietstunnel onder het spoor met elkaar verbonden zijn. De fietstunnel sluit aan de zuidzijde aan op de Ceintuurbaan. Aan de noordzijde zal de fietstunnel worden aangesloten op een nieuw aan te leggen fietspad. Dit fietspad valt buiten de scope van dit plan.
34
bestemmingsplan Raalte Kern, Station Raalte (ontwerp)
Conclusie Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingen.
3.8
Externe veiligheid
Op basis van de Algemene Risicokaart van Nederland (bezocht op: 29-11-2022) zijn geen risicovolle objecten in het plangebied of de directe omgeving aanwezig die in het kader van externe veiligheid nader geanalyseerd moeten worden. In figuur 16 is de uitsnede van de risicokaart te zien. Binnen het plangebied worden geen gevaarlijke stoffen gebruikt, geproduceerd, opgeslagen of getransporteerd. Tevens worden geen nieuwe kwetsbare, beperkt kwetsbare of risicovolle objecten mogelijk gemaakt met dit bestemmingsplan. Tevens worden er geen gevaarlijke stoffen over het spoor vervoerd.
Figuur 16: Uitsnede Algemene Risicokaart Nederland
Conclusie Het aspect externe veiligheid levert geen belemmering op ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling.
3.9
Bedrijven- en milieuzonering
ProRail is voornemens het station van Raalte her in te richten om het station te ontwikkelen tot een omgeving waarin iedereen op een logische en comfortabele manier zijn/haar weg kan vinden in de aantrekkelijke, groen ingerichte en overzichtelijke stationsomgeving. De toekomstige ontwikkeling ziet toe op de bushalte, langzaamverkeersonderdoorgang en fietsenstalling. Deze ontwikkelingen bij het station zijn getoetst aan de 'VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering'. In de VNG-publicatie zijn voorkeursafstanden opgenomen ten aanzien van busstations. Een bushalte valt onder deze activiteit maar zal in omvang velen malen kleiner zijn, dan de beschreven activiteit in de VNG publicatie. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (woningen) noodzakelijk. Voor busstation is de voorgestelde richtafstand voor geluid, de bepalende afstand omdat het de grootste afstand is. Ook geldt er een richtafstand voor stof van 10 meter. Aan deze richtafstand wordt voldaan. Voor geluid wordt verwezen naar paragraaf 3.5 Geluid. In de geluidsparagraaf is gekeken naar de invloed
35
bestemmingsplan Raalte Kern, Station Raalte (ontwerp)
van geluid van de voorgenomen ontwikkeling op de omgeving. Conclusie In de geluidsparagraaf is geconcludeerd dat er met de voorgenomen ontwikkeling geen negatieve effecten ontstaan op geluidsgevoelige objecten, bedrijfsactiviteiten en/of voorzieningen. Hiermee is er sprake van een goede ruimtelijke ordening.
3.10
Ontplofbare oorlogsresten
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een aanvullend onderzoek niet gesprongen explosieven uitgevoerd door REASeuro (zie Bijlage 6), uitgevoerd conform het WSCS-OCE. Het doel van voorliggende rapportage is om inzichtelijk te maken waar en tot welke diepte ontplofbare oorlogsresten achtergebleven zijn en welke gebieden en/of bodemlagen aangemerkt kunnen worden als onverdacht met betrekking tot de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Voorafgaand aan het aanvullend onderzoek zijn verschillende rapporten geanalyseerd. Deze rapporten vormen de basis voor het bepalen hoe groot de kans is dat er ontplofbare oorlogsresten aangetroffen zullen worden, en op welke diepte deze zich kunnen bevinden. Ook vormt deze informatie belangrijke input voor de risicoanalyse die bepaalt hoe groot de kans is dat achtergebleven oorlogsresten door toekomstige grondroeringen ongewenst tot uitwerking kunnen komen en welke effecten hierbij kunnen ontstaan. Uit het onderzoek is gebleken dat er gedurende WOII, binnen deelprojectlocatie B -Raalte km 16.2 –19.9, meerdere luchtaanvallen zijn uitgevoerd, waarbij zowel vliegtuigbommen van 250 lb. en 500 lb. zijn afgeworpen en met luchtgronddoelrakettenen en boordwapens is geschoten.
Aanwijzingen voor het gebruik van trilling gevoelige ontstekers zijn niet gevonden, waardoor alleen het ongecontroleerd toucheren, bewegen en/of deformeren van Ontplofbare Oorlogsresten (OO) voorkomen dient te worden. Ook hebben binnen dit gebied stellingen gestaan, waarin eventueel OO achtergebleven kunnen zijn. Conclusie De toekomstige grondroerende werkzaamheden binnen verdacht gebied kunnen worden uitgevoerd zonder mitigerende maatregelen te treffen. Wel wordt er geadviseerd om voorafgaande aan de werkzaamheden een PRA-OO te laten uitvoeren. De PRA-OO is een bureaustudie waarin de risico´s van de geplande grondroerende werkzaamheden in relatie tot de aan te treffen OO in kaart worden gebracht en waarbij de meest efficiënte mitigerende maatregelen worden voorgeschreven en toegelicht. Op basis van het rapport PRA-OO kan een gedegen inschatting worden gemaakt van de kosten en doorlooptijden van mitigerende maatregelen voor de uitvoeringsfase van een project en de consequenties die dit heeft voor de geplande werkzaamheden. Daarnaast wordt geadviseerd uitvoerend personeel voorafgaand aan de werkzaamheden te informeren over het 'Protocol spontaan aantreffen OO' zodat, indien er onverwachts een OO wordt aangetroffen, de juiste stappen doorlopen worden.
Door het volgen van de voorgenoemde voorzorgsmaatregelen en het 'protocol spontaan aantreffen OO' vormt het aspect ontplofbare oorlogsresten geen belemmering voor de voorgenomen werkzaamheden.
3.11
Landschap
De spoorzone vormt samen met N35 een begrenzing tussen Raalte noord en zuid en wordt gekenmerkt door een stevige lineaire groenstructuren met een landelijk karakter. De bestaande volwassen groenstrook langs de Ceintuurbaan sluit daarop aan, maar vormt vooral een ruimtelijke begrenzing tussen de woonstraten en het stationsgebied. De ambitie is om de bestaande groenstrook langs de Ceintuurbaan te behouden en het daarachter gepositioneerde stationsgebied als een op zichzelf staande ruimte in te richten. Het stationsgebied rondom de bushalte en de K&R zone vormt het welkomstgebied en is voorzien van royale groenvakken met gebogen lijnen. De groenvakken zijn voorzien van bloemrijke plantenborders met jaarrond belevingswaarde en zorgen voor een overzichtelijke en zachte overgang tussen het
36
bestemmingsplan Raalte Kern, Station Raalte (ontwerp)
ontvangstplein en de hoger gelegen perrons. Er worden bomen met een lange levensduur toegepast zoals eik, beuk en kastanje. Tussen de fietsenstallingen zijn enkele bomen opgenomen ter verbetering van de ruimtelijke beleving en het verblijfsklimaat in warmere perioden. Aan de noordoostzijde wordt de bestaande lineaire groenstructuur bij de nieuwe hellingbaan gedeeltelijk onderbroken waardoor de noordoostzijde ruimtelijk meer onderdeel wordt van de stationsomgeving. Door nieuwe bomen rondom de fietsenstalling te planten wordt de ruimtelijke relatie verder benadrukt en versterkt. De randbeplanting bestaat uit gebiedseigen boomsoorten zodat de fietsenstalling aansluit op het landelijke karakter tussen het spoor en de N35.
3.12
M.e.r.-beoordeling
Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer, in samenhang met het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m.e.r.), moet bij initiatieven voor (het wijzigen van) bepaalde activiteiten worden beoordeeld of er sprake is van milieueffecten. In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten plan MER-plichtig, project MER-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Er is geen sprake van een activiteit die wordt benoemd in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r., waardoor er geen sprake is van een m.e.r.-plicht. Van een m.e.r.-beoordelingsplicht is sprake als de activiteit en het te nemen besluit voldoen aan de beschrijvingen uit kolommen 1, 2 en 4 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. De drempelwaarden genoemd in bijlage D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. zijn richtwaarden. Wanneer een project de in bijlage D, kolom 1, beschreven activiteiten bevat is het, ongeacht de omvang van de activiteiten, noodzakelijk om te toetsen of sprake is van een project met belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.
Tabel 2: Relevante categoriën bijlage bij het Besluit m.e.r.
37
bestemmingsplan Raalte Kern, Station Raalte (ontwerp)
Categorie D2.2: niet van toepassing Er is geen sprake van de aanleg, wijziging of uitbreiding van een bovengrondse spoorweg waarvoor een bestemmingsplanwijziging nodig is, of aangevraagd wordt. Categorie D11.2: niet van toepassing Of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. hangt af van het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit mer. Dit hangt af van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Voorgenomen ontwikkeling is beperkt van aard, aangezien een grootdeel van het plangebied op dit moment al functioneert als stationsgebied. Beperkte (versnipperde) deelgebieden moeten middels voorliggend bestemmingsplan gewijzigd worden als bestemming. Het gaat hierbij om de bestemmingen Groen, Bedrijf en Agrarisch met waarden - Landschapswaarden. Daarnaast wordt enkel het stationsgebied heringericht, waarmee de aantal treinbewegingen en busbewegingen gelijk blijven. Buiten de nieuwe uitstraling en de langzaamverkeersonderdoorgang worden er geen aspecten gewijzigd, die leiden tot een grotere milieubelasting. In de paragrafen 3.1 tot en met 3.11 wordt ook onderbouwd dat er geen significante negatieve effecten op de omgeving plaatsvinden.
Hiermee hoeft voorgenomen ontwikkeling niet aangeduid te worden als stedelijk ontwikkelingsproject. Geconcludeerd kan worden dat er geen vormvrije m.e.r.- beoordeling niet benodigd is omdat de activiteit niet valt onder activiteiten benoemd in derdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.
38
bestemmingsplan Raalte Kern, Station Raalte (ontwerp)
Hoofdstuk 4
Toelichting op de planregels
In dit hoofdstuk worden, voor zover dit nodig en wenselijk wordt geacht, de van het bestemmingsplan deel uitmakende regels van een nadere toelichting voorzien. Een actueel bestemmingsplan met een heldere regeling draagt bij aan de handhaafbaarheid van de inrichting van het plangebied en geldt als toetsingskader voor het gebruik en de bouwmogelijkheden.
4.1
Inleiding
De regels geven inhoud aan de aangegeven bestemmingen. Ze geven aan waarvoor de gronden en opstallen gebruikt mogen worden en wat en hoe er gebouwd mag worden. Bij dit bestemmingsplan is zo veel mogelijk aangesloten bij de regels van het bestemmingsplan ‘Raalte kern’ van de gemeente Raalte en de regels van het bestemmingsplan Buitengebied Raalte. Verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen, met de bijbehorende aanduidingen die in het gebied voorkomen, in beeld gebracht. Regels De opbouw van de regels is gelijk aan die van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. De opbouw van de regels is als volgt: hoofdstuk 'Inleidende regels' van de regels geeft de algemene bepalingen weer. Het betreft de 'Begrippen' (artikel 1), waarin de in het plan voorkomende begrippen worden gedefinieerd. In artikel 2 'Wijze van meten' wordt aangegeven hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden; in hoofdstuk 'Bestemmingsregels' zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. Per bestemming is bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bebouwingsregels er gelden. Tevens zijn waar mogelijk flexibiliteitsbepalingen opgenomen (wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden); in hoofdstuk ‘Algemene regels’ staan aanvullende bepalingen die, in aanvulling op de bestemmingsbepalingen, voor het hele plangebied gelden.
Hierbij kan worden gedacht aan de algemene afwijkingsregeling, die het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid geeft om op ondergeschikte punten van de regels in hoofdstuk 2 af te wijken; hoofdstuk 'Overgangs- en slotregels' van de regels heeft betrekking op het overgangsrecht en de slotbepaling.
4.2
Bestemmingsregels
Navolgend wordt de bestemmingen nader toegelicht. Groen Deze bestemming laat onder andere groen- en speelvoorzieningen toe doch biedt ook mogelijkheden voor (ondergrondse) voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding en voor fiets- en voetgangerstunnels. Daarnaast is sprake van diverse aanduidingen die voorzien in een toegevoegde functie. Binnen 'Groen' zijn ook verhardingen mogelijk, hierbij kan ook gedacht worden aan bijvoorbeeld verhardingen om bij calamiteiten als doorgang te fungeren of als standplaats voor een brandweerwagen die gebruik maakt van de naastgelegen waterpartij.
39
bestemmingsplan Raalte Kern, Station Raalte (ontwerp)
Verkeer - Railverkeer Naast spoorwegvoorzieningen zijn hier onder meer wegen, straten, paden, parkeervoorzieningen en geluidwerende voorzieningen toegestaan. Gebouwen zijn binnen deze bestemming niet toegelaten. Verkeer - Verblijfsgebied Deze bestemming heeft vooral betrekking op wegen met het karakter van een woonstraat en op het fiets-/voetpad met tunnel dat onder de spoorbaan doorloopt. Daarnaast zijn diverse andere functies toegestaan.
40
bestemmingsplan Raalte Kern, Station Raalte (ontwerp)
Hoofdstuk 5
Uitvoerbaarheid
5.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.1.1
Participatie
Om de omwonenden in een vroeg stadium te informeren over de plannen om het traject Zwolle-Enschede te verbeteren, zijn er voor het stationsgebied Raalte bewonersavonden georganiseerd op 30 en 31 mei 2022. Op basis van een vlekkenplan heeft dit de mogelijkheid gegeven aan lokale bewoners om mee te denken over opstellingsvarianten en inspraak te hebben waarom voor specifieke ontwerpbesluiten is gekozen. Daarnaast zijn er de tijdens het opstellen van het Referentie-ontwerp klankbordgroep avonden georganiseerd waarop de geïnteresseerden konden meedenken. Deze input is (waar mogelijk) meegenomen in de huidige ontwerpen, in de laatste klankbordgroepen is dit ook teruggekoppeld aan de omwonenden. Onderstaand een overzicht van de klankbordgroepen die geweest zijn; Raalte klankbordgroep 1 – onderwerp wat ophalen input – 14 juli 2022; Raalte klankbordgroep 2 – aan de slag met de input – 14 september 2022; Raalte klankbordgroep 3 – terugkoppeling – 8 november 2022; De resultaten zijn gepresenteerd op de bewonersavonden, te weten; Raalte bewonersavond – 16 november 2022; 5.1.2
Bestemmingsplanprocedure
De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Pas daarna wordt de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan opgestart (artikel 3.8 Wro). Gronden binnen het plangebied zijn in eigendom van ProRail en de gemeente zodat de uitvoering van het plan feitelijk gerealiseerd kan worden. Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat een bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een ruimtelijk plan, daarbij overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten, waterschappen en provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Hiervoor is het voorontwerpbestemmingsplan aan de gebruikelijke overlegpartners van de gemeente (namelijk de Provincie Overijssel en de Waterschap Drents Overijsselse Delta) verzonden. Inhoudelijke reacties die binnen zijn gekomen op het plan, zijn verwerkt. Vastellingsprocedure Nadat alle vooroverlegreacties bekend zijn, is het ontwerp bestemmingsplan opgesteld. Dit ontwerp bestemmingsplan wordt ter inzage gelegd.
Het bestemmingsplan Raalte Kern, Station Raalte heeft van @@@ tot @@@ in ontwerp ter inzage gelegen. In de periode heeft het ontwerp bestemmingsplan ter voldoening aan artikel 3.8. van de Wet op de ruimtelijke ordening voor een ieder ter inzage gelegen. Daarnaast is het ontwerp digitaal raadpleegbaar geweest via www.ruimtelijkeplannen.nl. Gedurende deze termijn kon een ieder naar keuze schriftelijk of mondeling een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan kenbaar maken aan de raad van de gemeente Raalte. Het bestemmingsplan is op @@@ vastgesteld door de gemeenteraad van Raalte.
41
bestemmingsplan Raalte Kern, Station Raalte (ontwerp)
Beroep Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.
5.2
Financiële uitvoerbaarheid
In bestuurlijk overleg d.d. 2 december 2022 hebben Ministerie, Provincie, ProRail, NS en Gemeente zich garant gesteld voor het benodigde budget en de benodigde gronden. Er is voldoende budget beschikbaar om de financiële uitvoerbaarheid van het project als positief te beoordelen.
42
bestemmingsplan Raalte Kern, Station Raalte (ontwerp)
Bijlagen
43
bestemmingsplan Raalte Kern, Station Raalte (ontwerp)
Bijlage 1 Quickscan Natuurwetgeving
44
VZE-ECO-RAP-001 Quickscan natuurwetgeving R-562500 Verbetermaatregelen Zwolle - Enschede ProRail 6 mei 2022
VZE-ECO-RAP-001 - QUICKSCAN NATUURWETGEVING
Contactpersoon ANNABET GALEMA Ecoloog
T +31 615445601 E annabet.galema@arcadis.com
2
Datum: 6 mei 2022
Arcadis Nederland B.V. Postbus 63 9400 AB Assen Nederland
VZE-ECO-RAP-001 - QUICKSCAN NATUURWETGEVING
Inhoudsopgave 1
2
3
4
Inleiding
4
1.1
Aanleiding
4
1.2
Leeswijzer
4
Plangebied en ingreep
5
2.1
Huidige situatie
5
2.1.1
Overgang Rozendael en station Heino
5
2.1.2
Station Raalte
6
2.1.3
Station Wierden
6
2.2
Voorgenomen ingreep
7
2.3
Afbakening effecten
12
Wet natuurbescherming
13
3.1
Soortbescherming
13
3.1.1
Methode
13
3.1.2
Aanwezigheid beschermde soorten
13
3.1.3
Effectbeschrijving
17
3.1.4
Toetsing
18
3.1.4.1
Beschermingscategorieën relevante soorten
18
3.1.4.2
Overtreding verbodsbepalingen
18
3.1.5
Soortgericht onderzoek
19
3.1.6
Mitigerende maatregelen en zorgplicht
19
Conclusie en vervolgstappen
21
Bijlagen Bijlage A Wettelijk kader wet natuurbescherming
22
Bijlage B Impressie locaties
26
Colofon
30
3
Datum: 6 mei 2022
VZE-ECO-RAP-001 - QUICKSCAN NATUURWETGEVING
1
Inleiding
1.1
Aanleiding
ProRail is door het ministerie van IenW en door de provincie Overijssel gevraagd een verkenning uit te voeren om de punctualiteit van de verbinding Zwolle – Enschede (tussen Zwolle en Wierden) te verbeteren, de transferknelpunten op Heino en Raalte op te lossen en de IC Zwolle – Enschede te versnellen. Momenteel zijn op het baanvak Zwolle – Wierden de volgende knelpunten geconstateerd: 1. Smalle perrons ter plaatse van stations Heino en Raalte; 2. Niet optimale snelheid/reistijd IC en (uitbuiging) stoptreinen Zwolle – Enschede; 3. Onbetrouwbaarheid treinen Zwolle – Enschede (dispunctualiteit en uitval); 4. Tekort aan parkeerplaatsen in Heino en aan fiets- en parkeerplaatsen in Raalte. Naar aanleiding van de bovenstaande knelpunten is in een FIS studie (374852-W400-05-01_D4.0) onderzoek gedaan naar mogelijkheden om deze knelpunten op te lossen. Naar aanleiding van deze studie heeft ProRail per locatie een voorkeursvariant gekozen. Op hoofdlijnen worden de volgende maatregelen voorzien: 1. Zwolle: Aanpassen remming middels aangepaste sein en bordplaatsing. Geen civiele ingrepen. 2. Heino: Verhogen doorgaande rijsnelheid, vernieuwen sporen en wissels, realiseren van twee zijperrons, herinrichten stationsomgeving. Het overpad op km. 11.8 wordt vervangen door een tunnel. 3.
Raalte: Verhogen doorgaande rijsnelheid, vernieuwen sporen en wissels, realiseren van twee zijperrons, herinrichten stationsomgeving, bouwen langzaamverkeerstunnel. 4. Nijverdal: Verhogen doorgaande rijsnelheid van het symmetrisch wissel middels aangepaste sein en bordplaatsing. Geen civiele ingrepen. 5. Wierden. Vervangen van de 1:9 wissels door 1:15 wissels en aanpassen seinplaatsingen. In hoofdstuk 2 worden de locaties waar civiele werkzaamheden plaatsvinden nader toegelicht. Door de voorgenomen ingrepen is mogelijk sprake van negatieve effecten op beschermde soorten zoals opgenomen in de Wet natuurbescherming (hierna Wnb). Zie Bijlage A voor een beschrijving van het wettelijk kader van deze soortbescherming. Het wettelijk kader van gebiedsbescherming wordt niet getoetst in deze quickscan. ProRail heeft Arcadis gevraagd hiervoor een quickscan op te stellen om eventuele effecten op beschermde soorten en gebieden en benodigde vervolgstappen in het kader van de Wnb in beeld te brengen.
1.2
Leeswijzer
In het volgende hoofdstuk is een beschrijving van het plangebied in de huidige situatie opgenomen, evenals een beschrijving van de voorgenomen ingreep. Hoofdstuk 3 betreft de Wnb, hierin is een beschrijving van aanwezigheid van beschermde soorten met effectbeschrijving en toetsing. In hoofdstuk 4 is de conclusie weergegeven. Bijlage A geeft het wettelijk kader van de Wnb. Bijlage B geeft een impressie van het plangebied.
4
Datum: 6 mei 2022
VZE-ECO-RAP-001 - QUICKSCAN NATUURWETGEVING
2
Plangebied en ingreep
2.1
Huidige situatie
Het plangebied bestaat uit 5 deelgebieden, waarvan er op 3 deelgebieden civiele ingrepen zijn, langs het spoor tussen Zwolle en Wierden. In onderstaande paragrafen worden de locaties en omgeving toegelicht. Bijlage B zijn fotoimpressies opgenomen van de vijf locaties.
2.1.1
Overgang Rozendael en station Heino
Vanaf het landgoed Rozendael loopt een onverharde weg over het spoor naar een boerderij. Het betreft een onbewaakte overgang. Aan beide zijden van het spoor loopt een steil talud over in greppels begroeid met bramen. In één van de greppels staat een laag water. Verder zijn de bodems bedekt met een dikke laag bladeren. Aan de noordkant van het spoor loopt een bomenrij (oude eiken) vervolgens een onverharde weg en aansluitend het bos van het landgoed. Ten zuiden van het spoor liggen twee agrarische percelen. De percelen en het spoortalud worden gescheiden door een greppel met braamstruweel. Station Heino bestaat uit een parkeerterrein en fietsenstalling aan de noordkant en een berm aansluitend op bosschages. Ten noorden van het parkeerterrein staat een rij oude eiken.
Figuur 1 Overgang Rozendael en station Heino.
5
Datum: 6 mei 2022
VZE-ECO-RAP-001 - QUICKSCAN NATUURWETGEVING
2.1.2
Station Raalte
Station Raalte is gelegen tussen Raalte (oost- en zuidkant) de N348 (west- en noordkant). Ten noorden van het station gaat de spoorberm over in struweel en een agrarische watergang. Daarachter ligt een perceel met akkerbouwbestemming (mais). Aan de zuidkant wordt het station van de woonwijk afgescheiden door een bosschage.
Figuur 2 Locatie station Raalte.
2.1.3
Station Wierden
De locaties liggen ten westen (op 300 meter) en ten oosten (op 150 meter) van station Wierden. De locatie ten westen betreft wissels in het spoor waarbij het spoor splitst in de richting Zwolle en Deventer. Zowel aan de noord- als zuidkant van de splitsing loopt een spoorberm met voedselrijk gras en vervolgens bebouwing. De locatie ten oosten betreft een aan te passen wissel nabij een geluidsscherm ter hoogte van de Kregtentunnel. Aan de noordkant van de geluidswand staat een rij beuken.
6
Datum: 6 mei 2022
VZE-ECO-RAP-001 - QUICKSCAN NATUURWETGEVING
Figuur 3 Locaties rondom station Wierden.
2.2
Voorgenomen ingreep
Werkzaamheden Onderdeel overgang Rozendael • Aanleg onderdoorgang spoor in plaats van huidige onbewaakte overweg. Onderdeel Heino • Aanleg twee zijperrons ter vervanging van één perron. • Perronoverpad vervalt en wordt vervangen met een voetgangersoversteek. • Mogelijke verplaatsing van P+R terrein naar zuidkant van station.
7
Datum: 6 mei 2022
VZE-ECO-RAP-001 - QUICKSCAN NATUURWETGEVING
Figuur 4 Situatietekening station Heino
8
Datum: 6 mei 2022
VZE-ECO-RAP-001 - QUICKSCAN NATUURWETGEVING
Figuur 5 Inrichting stationsomgeving Heino
Onderdeel Raalte • Aanleg twee zijperrons ter vervanging van één perron. • Aanleg onderdoorgang fietsers N348. • Aanleg P+R terrein en fietsenstalling ten noorden van station.
9
Datum: 6 mei 2022
VZE-ECO-RAP-001 - QUICKSCAN NATUURWETGEVING
Figuur 6 Situatietekening station Raalte
Figuur 7 Inrichting stationsomgeving Raalte 10
Datum: 6 mei 2022
VZE-ECO-RAP-001 - QUICKSCAN NATUURWETGEVING
Onderdeel Wierden • Vervangen wissels 1:9 door 1:15 voor verhoging binnenkomst snelheid (westzijde). • Vervangen 1:9 wissel door 1:15 wissel en mogelijk verplaatsen geluidsscherm nabij Kregtentunnel, dan wel plaatsen bovenleidingspalen achter het bestaande geluidsscherm (oostzijde).
Figuur 8 Situatietekening station Wierden (westzijde)
Figuur 9 Situatietekening station Wierden (oostzijde)
Mogelijk worden struwelen, bosschages en bomen in het plangebied verwijderd. Planning De voorlopige planning is om de werkzaamheden in het voorjaar van 2023 te starten.
11
Datum: 6 mei 2022
VZE-ECO-RAP-001 - QUICKSCAN NATUURWETGEVING
2.3
Afbakening effecten
De volgende effecten zouden als gevolg van de werkzaamheden kunnen optreden in het plangebied of in de directe omgeving (zeer lokaal): • Verstoring als gevolg van geluid, licht, trillingen en/of optische prikkels; • Aantasting als gevolg van mechanische effecten (bijvoorbeeld heen en weer rijden); • Doden en verwonden van dieren (indien mogelijke verblijfplaatsen aanwezig zijn); • Vernietiging van verblijfplaatsen (inden mogelijke verblijfplaatsen aanwezig zijn); • Versnippering en/of oppervlakteverlies van leefgebieden of groeiplaatsen. • Vermesting en verzuring (als gevolg van stikstof uit de lucht). Effecten als verdroging en vernatting worden niet verwacht in het plangebied. Effecten op de waterhuishouding worden ook niet verwacht.
12
Datum: 6 mei 2022
VZE-ECO-RAP-001 - QUICKSCAN NATUURWETGEVING
3
Wet natuurbescherming
Onder de Wet natuurbescherming valt de bescherming van Natura 2000-gebieden (hoofdstuk 2 Wnb) en beschermde soorten (hoofdstuk 3 Wnb). In dit hoofdstuk wordt eerst ingegaan op de Natura 2000-gebieden en vervolgens op de soortbescherming. Het wettelijk kader is opgenomen in Bijlage A.
3.1
Soortbescherming
3.1.1
Methode
Er is een bureauonderzoek en een veldbezoek uitgevoerd. Voor het bureauonderzoek is gebruik gemaakt van vrij beschikbare informatie en verspreidingsgegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) van de afgelopen tien jaar (2011-2022). Daarbij is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: • • •
www.verspreidingsatlas.nl www.ravon.nl www.zoogdiervereniging.nl
Het veldbezoek is uitgevoerd op 10 maart 2022, de omstandigheden tijdens het veldbezoek waren onbewolkt, 13°C en Bft 2. Het onderzoek bestond uit het uitvoeren van een habitatgeschiktheidsbeoordeling. Dit is een veldonderzoek waarbij op basis van de fysieke kenmerken van het plangebied een indicatie wordt gegeven van het mogelijk voorkomen van beschermde plant- en diersoorten. Tijdens het veldbezoek is nagegaan of en welke soorten (mogelijk) in en om het gebied aanwezig zijn. Hierbij is aandacht besteed aan alle relevante soortgroepen en beoordeeld of mogelijke standplaatsen, verblijfplaatsen, voortplantingsplaatsen of leefgebieden binnen of in de directe omgeving van het ingreepgebied (kunnen) worden aangetast bij ontwikkelingen.
3.1.2
Aanwezigheid beschermde soorten
In Tabel 1 is per soortgroep weergegeven of en zo ja, welke beschermde soorten mogelijk voorkomen binnen het plangebied, op basis van zowel het bureauonderzoek als veldbezoek. De vijf locaties worden in de tabel samengenomen als één plangebied. Wanneer op één of meerdere locaties afwijkende waarnemingen zijn gedaan wordt dat toegelicht. Tabel 1 Voorkomen en functie leefgebied van beschermde soorten binnen het projectgebied per relevante soortgroep Soortgroep Aanwezigheid beschermde soorten/ geschiktheid habitat Conclusie Flora
Bureauonderzoek In de omgeving van het plangebied is geen beschermde flora bekend (NDFF, 2022).
Beschermde flora wordt op basis van verspreidingsgegevens en/of het ontbreken van geschikte groeiplaatsen uitgesloten.
Veldbezoek In het plangebied zijn, gezien het veldbezoek in de winterperiode plaatvond, geen beschermde plantensoorten aangetroffen. In het plangebied zijn geen geschikt groeiplaatsen aanwezig. Het plangebied bestaat met name uit voedselrijke bermen en grasland. Geschikte groeiplaatsen voor beschermde soorten flora, welke doorgaans in kritischere typen habitat voorkomen, ontbreekt. Algemene broedvogels
13
Bureauonderzoek In de omgeving zijn diverse broedvogels van agrarische omgeving zoals gele kwikstaart, blauwe reiger, grasmus, graspieper, wilde eend, witte kwikstaart en zwarte kraai bekend (NDFF, 2022).
Datum: 6 mei 2022
Algemene broedvogels kunnen broeden in het plangebied.
VZE-ECO-RAP-001 - QUICKSCAN NATUURWETGEVING
Soortgroep
Aanwezigheid beschermde soorten/ geschiktheid habitat
Conclusie
Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn enkele algemene broedvogels waargenomen zoals ekster, zwarte kraai, witte kwikstaart, wilde eend, graspieper, houtduif, pimpelmees, spreeuw en grote bonte specht. In het plangebied zijn geen broedgevallen vastgesteld. In enkele bomen zijn oude nesten aangetroffen. Daarnaast zijn in enkele holtes (spechtengaten) invliegende pimpelmezen en spreeuwen waargenomen. Het plangebied kan in het broedseizoen (globaal van half maart t/m half juli) gebruikt worden door verschillende broedvogels. Broedvogels met jaarrond beschermde nesten
Bureauonderzoek Uit de omgeving van het plangebied zijn vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten bekend. Het gaat om de buizerd en ooievaar. In het plangebied zijn geen nestplekken bekend van vogels met jaarrond beschermde nesten (NDFF, 2022). Veldbezoek Roofvogels en ooievaars broeden in nesten in bomen. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten die mogelijk in gebruik kunnen zijn door roofvogels, uilen, roeken of ooievaar aangetroffen in het plangebied of de directe omgeving.
In het plangebied kunnen nesten van jaarrond beschermde vogels worden uitgesloten. Wel kunnen vogels met jaarrond beschermde nesten foerageren. Het betreft geen essentieel foerageergebied.
In de woning naast station Heino broeden mogelijk huismussen. De woning is geen onderdeel van het plangebied. Nesten van andere vogels met jaarrond beschermde nesten zijn op basis van dit veldbezoek uitgesloten. Wel kunnen vogels met jaarrond beschermde nesten foerageren in het plangebied en de directe omgeving. Het betreft geen essentieel foerageergebied omdat er voldoende uitwijkmogelijkheden voorhanden zijn. Grondgebonden zoogdieren
Bureauonderzoek In en in de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van das, eekhoorn, boommarter, steenmarter egel, bunzing, haas, woelrat, ree en bosmuis (NDFF, 2022). Veldbezoek In het plangebied kunnen algemene grondgebonden zoogdieren voorkomen zoals diverse algemene (spits)muizensoorten, konijn, haas en egel. Ree zal gebruik maken van de omliggende percelen. Kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) komen voor in gebieden met voldoende dekking in de vorm van struweel, houtwallen, bosschages en ruigtes. Deze zijn aanwezig op de locaties overgang Rozendael en stations Heino en Raalte. Op de locaties station Wierden is geen geschikte ruigte aanwezig, maar in de directe omgeving wel.
14
Datum: 6 mei 2022
In het plangebied komen mogelijk algemene grondgebonden zoogdieren voor zoals diverse algemene (spits)muizensoorten, egel, haas en konijnen. Kleine marterachtigen hebben mogelijk verblijfplaatsen in de ruigtezomen in het plangebied. De boommarter heeft mogelijk verblijfplaatsen in de boomholtes in bomen direct naast het plangebied. Het voorkomen van andere beschermde zoogdiersoorten kan op basis van habitat worden uitgesloten.
VZE-ECO-RAP-001 - QUICKSCAN NATUURWETGEVING
Soortgroep
Aanwezigheid beschermde soorten/ geschiktheid habitat
Conclusie
Verblijfplaatsen van kleine marterachtigen kunnen niet uitgesloten worden op de locaties overgang Rozendael en stations Heino en Raalte. Mogelijk kan in de omgeving kleine marterachtigen incidenteel foerageren. Het betreft geen essentieel foerageergebied doordat er in de omgeving voldoende alternatief foerageergebied aanwezig is. De boommarter heeft mogelijk verblijfplaatsen in de bomen direct naast het plangebied op locaties Rozendael en Heino. Een aantal holtes zijn potentieel geschikt. Het betreft de locaties Rozendael (beuken en eiken in het bos rondom de overgang) en Station Heino (bomen rondom splitsing Stationsweg). De boommarter kan niet uitgesloten worden. Het plangebied en de directe omgeving van alle locaties is tevens geschikt als foerageergebied voor steenmarter. Het betreft een zeer klein onderdeel van het gehele foerageergebied. Mogelijke verblijfplaatsen (oude dassen en vossenholen, schuren, daken en spouwmuren van gebouwen) zijn niet aangetroffen in het plangebied. Verblijfplaatsen van de steenmarter kunnen op basis van het veldbezoek uitgesloten worden. De directe omgeving van de locaties Rozendael en Heino omvat geschikt leefgebied voor de das. De bosschages in en rondom het plangebied op de locaties Rozendael en Heino zijn geen dassenburchten aangetroffen.
Verblijfplaatsen van de das in het plangebied en de directe omgeving kunnen op basis van het veldbezoek uitgesloten worden. Wel kan de das foerageren in het plangebied. Er is voldoende alternatief foerageergebied voorhanden in de omgeving. Het plangebied betreft geen essentieel foerageergebied. Habitat van andere beschermde grondgebonden zoogdieren is niet aangetroffen in het plangebied of de directe omgeving. Vleermuizen
Bureauonderzoek In en in de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van gewone dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, rosse vleermuis, meervleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis (NDFF, 2022).
Verblijfplaatsen voor vleermuizen kunnen wel op voorhand worden uitgesloten door het ontbreken van geschikte boomholtes in het plangebied.
Veldbezoek Het plangebied kan verschillende functies hebben voor vleermuizen. Vleermuizen verblijven in boomholtes (o.a. rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis), de watergangen en de bomenrijen kunnen functioneren als vliegroute voor vleermuizen.
Mogelijk worden bomenrijen in en rondom het plangebied gebruikt als foerageergebied. In de directe omgeving is voldoende alternatief foerageergebied waardoor het groen rondom het plangebied geen essentieel foerageergebied betreft.
Er zijn geen geschikte boomholtes aanwezig in de bomen in het plangebied. Verblijfplaatsen van vleermuizen in het plangebied zijn uitgesloten. Wel zijn er potentieel geschikte holtes in de directe omgeving van het plangebied aangetroffen. Het betreft de locaties Rozendael (beuken en eiken in het bos rondom de overgang) en Station Heino (bomen rondom splitsing Stationsweg).
15
Datum: 6 mei 2022
Het plangebied is mogelijk geschikt als vliegroute.
VZE-ECO-RAP-001 - QUICKSCAN NATUURWETGEVING
Soortgroep
Aanwezigheid beschermde soorten/ geschiktheid habitat
Conclusie
De bomenrijen en bosschages op alle locaties worden mogelijk gebruikt als foerageergebied en vliegroute. Dit betreft geen essentieel foerageergebied omdat er voldoende groen elementen in de directe omgeving voorhanden. Reptielen
Bureauonderzoek In de wijde omgeving van het plangebied komen de ringslang en levendbarende hagedis voor (NDFF, 2022, Verspreidingsatlats.nl, 2022, RAVON, 2022).
Aanwezigheid van beschermde reptielen kan worden uitgesloten
Veldbezoek In de omgeving Heino komen kunnen incidenteel beschermde reptielen voorkomen. Het talud is geschikt voor reptielen om te zonnen en de ruigtes (greppel met braamstruweel) bieden dekking. Echter het plangebied op de locaties Rozendael en station Heino sluit niet aan op geschikt leefgebied voor de levendbarende hagedis en de ringslang. De ringslang is gebonden aan oppervlakten laag gelegen natte gebieden en de levendbarende hagedis heeft tevens geschikte oevers en vochtig blijvende gebieden nodig. Beide ontbreken in de omgeving van het plangebied. In het plangebied op locaties station Raalte en Wierden ontbreekt geschikt habitat voor andere beschermde soorten reptielen. Geschikt habitat betreft doorgaans heideterreinen, vennetjes, hoogveen- en laagveengebieden. Amfibieën
Bureauonderzoek In de omgeving van het plangebied is het voorkomen van algemene soorten zoals bruine kikker, bastaardkikker, gewone pad, kleine watersalamander bekend (NDFF, 2022). Daarnaast komen zwaarder beschermde soorten zoals de kamsalamander en heikikker voor in de omgeving van het plangebied (NDFF, 2022, Verspreidingsatlas 2022, RAVON 2022). Veldbezoek Aangezien het veldbezoek tijdens de winterrustperiode heeft plaatsgevonden zijn geen waarnemingen van amfibieën gedaan. Mogelijk gebruiken algemene amfibieën zoals gewone pad, kleine watersalamander en bruine kikker de watergangen in het plangebied (alleen locatie station Raalte) en de omgeving als landhabitat. De agrarische watergangen in het plangebied op locatie station Raalte zijn ongeschikt leefgebied voor beschermde amfibieën. Habitat voor beschermde amfibieën zoals de kamsalamander (bos, houtwallen of struweel in de directe omgeving van het voortplantingswater), poelkikker of heikikker ontbreekt in het plangebied. Deze soorten kunnen op basis van habitat worden uitgesloten.
16
Datum: 6 mei 2022
In het plangebied komen mogelijk algemene amfibieën voor. Zwaarder beschermde amfibieën kunnen op basis van habitat worden uitgesloten.
VZE-ECO-RAP-001 - QUICKSCAN NATUURWETGEVING
Soortgroep
Aanwezigheid beschermde soorten/ geschiktheid habitat
Conclusie
Vissen
Bureauonderzoek In de omgeving van het plangebied zijn geen waarnemingen van beschermde soorten vissen bekend (NDFF, 2022; RAVON, 2022).
Beschermde soorten vissen kunnen op basis van habitat worden uitgesloten.
Veldbezoek De agrarische watergangen in het plangebied op locatie station Raalte zijn ongeschikt leefgebied voor beschermde vissoorten. Overige soorten
Bureauonderzoek In de omgeving van het plangebied is het voorkomen van beschermde soorten ongewervelden niet bekend (NDFF, 2022) Veldbezoek Er is geen geschikt habitat aangetroffen van beschermde soorten ongewervelden in het plangebied of de directe omgeving.
3.1.3
Beschermde soorten ongewervelden kunnen op basis van habitat en/of verspreidingsgegevens worden uitgesloten.
Effectbeschrijving
In de onderstaande tabel is per soortgroep voor de (mogelijk) aanwezige soorten, op basis van de conclusie in de vorige paragraaf, een beschrijving gegeven van mogelijke effecten als gevolg van de werkzaamheden. Tabel 2 Effecten per soortgroep als gevolg van de werkzaamheden Soortgroep
Mogelijke effecten
Algemene broedvogels
Indien gewerkt wordt tijdens het broedseizoen (broedseizoen loop van ca. 15 maart t/m 15 juli).
Ja
Boommarter
Indien er bomen rondom het plangebied gekapt worden (Rozendael en station Heino).
Ja
Vleermuizen
Indien tijdens de kwetsbare periode verlichting op groenstructuren en bebouwing wordt gericht (alle locaties) en wanneer bomen rondom het plangebied gekapt worden (Rozendael en station Heino).
Ja
Kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel)
Als gevolg van de werkzaamheden kunnen verblijfplaatsen en leefgebied van kleine marterachtigen vernietigd worden. Ook kunnen aanwezige dieren gedood, verwond of verstoord worden.
Ja
Algemene grondgebonden zoogdieren
Als gevolg van de werkzaamheden kunnen verblijfplaatsen en leefgebied van algemene grondgebonden zoogdieren vernietigd worden. Ook kunnen aanwezige dieren gedood, verwond of verstoord worden.
Ja
Algemene amfibieën
Als gevolg van de werkzaamheden kunnen verblijfplaatsen en leefgebied van algemene amfibieën vernietigd worden. Ook kunnen aanwezige dieren gedood, verwond of verstoord worden.
Ja
17
Datum: 6 mei 2022
Toetsing vereist?
VZE-ECO-RAP-001 - QUICKSCAN NATUURWETGEVING
3.1.4
Toetsing
3.1.4.1
Beschermingscategorieën relevante soorten
In de onderstaande tabel is per soort of soortgroep opgenomen tot welke beschermingscategorie deze behoort: Tabel 3 Beschermingscategorie van de relevante soorten Beschermingscategorie
Soort/ soortgroep
Vogelrichtlijnsoorten
Algemene broedvogels
Habitatrichtlijnsoorten
Vleermuizen
Andere soorten
Kleine marterachtigen, boommarter
Andere soorten met vrijstelling
Algemene amfibieën & algemene grondgebonden zoogdieren
Er geldt binnen de provincie Overijssel een vrijstelling voor de binnen het plangebied algemeen voorkomende soorten grondgebonden zoogdieren en amfibieën, zie bijlage B. Deze zijn hieronder daarom niet meegenomen. Voor deze soorten geldt de zorgplicht, zie verder in mitigerende maatregelen in paragraaf 3.1.5.
3.1.4.2
Overtreding verbodsbepalingen
In de onderstaande tabellen is per soort of soortgroep op basis van de effectbeschrijving in de vorige paragraaf aangegeven welke verbodsbepalingen van de Wnb kunnen worden overtreden als gevolg van de werkzaamheden. Daarbij is geen rekening gehouden met eventueel mogelijke mitigerende maatregelen. Op basis van de uitkomst van deze toetsing is bepaald of en zo ja, welke mitigerende maatregelen nodig zijn. Deze zijn beschreven in de volgende paragraaf. Tabel 4 Mogelijke overtreding van de verbodsbepalingen van artikel 3.1 ten aanzien van soorten van de Vogelrichtlijn
Soort Algemene broedvogels
Lid 1
Lid 2
X
X
Lid 3
Lid 4 X
Als gevolg van Werkzaamheden in het broedseizoen
Verbodsbepalingen: Lid 1: te doden of te vangen; Lid 2: opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; Lid 3: eieren te rapen en deze onder zich te hebben; Lid 4: opzettelijk te verstoren; verstoring toegestaan indien niet van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding.
Indien werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd kunnen broedende vogels of vogels met jongen verstoord worden, waardoor nesten, eieren en/of jongen verloren gaan. Ook kunnen nesten met daarin broedende vogels, eieren of jongen beschadigd worden met de dood van betreffende vogels tot gevolg. Tabel 5 Mogelijke overtreding van de verbodsbepalingen van artikel 3.5 ten aanzien van soorten van de Habitatrichtlijn.
Soort Vleermuizen
Lid 1|5
Lid 2
X
X
Lid 3
Lid 4 X
Als gevolg van Verstoring van vliegroute vleermuizen tijdens de kwetsbare periode. Kap van bomen met holtes nabij plangebied.
Het is verboden om: Lid 1: opzettelijk te doden of te vangen; Lid 2: opzettelijk te verstoren; Lid 3: eieren van dieren opzettelijk te vernielen of te rapen; Lid 4: voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen; Lid 5: opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
18
Datum: 6 mei 2022
VZE-ECO-RAP-001 - QUICKSCAN NATUURWETGEVING
Tabel 6 Mogelijke overtreding van de verbodsbepalingen van artikel 3.10 lid 1 ten aanzien van andere soorten.
Soort
a
b
c
Als gevolg van
Bunzing, wezel en hermelijn
X
X
Verwijderen van struweel en bosschages
Boommarter
X
X
Kappen van bomen met holtes
Het is verboden om: a: opzettelijk te doden of te vangen; b: vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen c: opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
3.1.5
Soortgericht onderzoek
Op basis van de quickscan kan de aanwezigheid van een aantal beschermde soorten niet worden uitgesloten. Omdat bij uitvoering van de werkzaamheden sprake kan zijn van overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb, dient nader onderzoek te worden uitgevoerd voordat beoordeeld kan worden of negatieve effecten uitgesloten kunnen worden en welke maatregelen noodzakelijk zijn. Vleermuizen en boommarter Locaties Rozendael en station Heino Indien bomen met holtes gekapt worden buiten het plangebied dient onderstaand onderzoek uitgevoerd te worden: • Er dient een tweede veldbezoek plaats te vinden om de holtes op geschiktheid voor de boommarter en vleermuizen. Dit dient met een ladder of hoogwerker te gebeuren. • Mocht uit het tweede veldbezoek blijken dat holtes geschikt zijn voor vleermuizen dan dient vervolgonderzoek plaats te vinden: – 3 veldbezoeken in de periode 15 mei t/m 15 juli – 2 veldbezoeken in de periode 15 augustus t/m 1 oktober – Tussen deze veldbezoeken dient minimaal 10 dagen te zitten – Het onderzoeksgebied moet tijdens het veldbezoek te overzien zijn. Dit betekent dat het plangebied moet worden opgedeeld in meerdere onderzoeksgebieden. • Mocht uit het tweede veldbezoek blijken dat holtes geschikt zijn voor de boommarter dan dient vervolgonderzoek naar de aanwezigheid van de boommarter uitgevoerd te worden.
Kleine marterachtigen Locaties Rozendael, station Heino en station Raalte Indien struwelen en bosschages verwijderd worden dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden met behulp van cameravallen en/of sporenbuizen. Dit onderzoek vindt plaats in de periode april t/m augustus.
3.1.6
Mitigerende maatregelen en zorgplicht
In deze paragraaf zijn de mitigerende maatregelen beschreven die noodzakelijk zijn om overtreding van de verbodsbepalingen te voorkomen. Het toepassen van deze maatregelen tijdens de uitvoering van de werkzaamheden is niet vrijblijvend. Verder zijn ook nadere maatregelen noodzakelijk om tegemoet te komen aan de zorgplicht. Met onderstaande maatregelen wordt overtreding van artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming voorkomen ten aanzien van algemene broedvogels. Algemene broedvogels Alle locaties • Indien bomen en struiken gekapt en verwijderd worden, dient dit voorafgaand aan het broedseizoen van algemene broedvogels uitgevoerd te worden. Het broedseizoen loopt globaal van 15 maart t/m 15 juli. Deze periode kan afwijken bij bepaalde weersomstandigheden.
19
Datum: 6 mei 2022
VZE-ECO-RAP-001 - QUICKSCAN NATUURWETGEVING
•
•
Indien de beoogde planning niet wordt behaald en werkzaamheden in het broedseizoen doorlopen dient een controle op nesten te worden uitgevoerd. Indien actieve nesten worden aangetroffen worden de werkzaamheden rondom die locatie gestaakt en na het broedseizoen hervat. Wanneer het een actief nest in een boom of struik naast het spoor betreft kunnen de werkzaamheden doorgaan, aangezien in de huidige situatie al eenzelfde soort verstoring van passerende treinen optreedt. Indien werkzaamheden in het broedseizoen starten dient het plangebied voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden zodat vogels niet te broeden komen in het plangebied. Dit betekent het verwijderen van struiken en bomen. Voorafgaand en tijdens de werkzaamheden dient een ecoloog te controleren of er geen vogels broeden in het plangebied. Deze maatregelen worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol.
Vleermuizen Alle locaties De volgende mitigerende maatregelen zijn noodzakelijk: • Geen gebruik van verlichting in de periode maart t/m november tussen zonsopkomst en zonsondergang • Indien dit niet mogelijk is dienen maatregelen genomen te worden met betrekking tot verlichting zoals: • Voorkom verlichting richting bosschages rondom het plangebied • Gebruik vleermuisvriendelijke verlichting. • Het verlichtingsplan dient goedgekeurd te worden door een ter zake kundige ecoloog. Zorgplicht Alle locaties De Wnb kent een algemene zorgplicht. Dit betekent dat zorgvuldig met aanwezige planten en dieren moet worden omgegaan. Daarom moeten de volgende maatregelen genomen worden: • Maai voorafgaand aan de werkzaamheden de vegetatie in het werkgebied kort. Hierdoor wordt het voor grondgebonden zoogdieren en amfibieën minder aantrekkelijk om te verblijven in deze zone tijdens aanleg. Werk bij het snoeien/ maaien één richting op en maai richting de westkant van het plangebied. Op deze manier kunnen soorten fauna vluchten richting het gebied waar niet gewerkt wordt.
20
Datum: 6 mei 2022
VZE-ECO-RAP-001 - QUICKSCAN NATUURWETGEVING
4
Conclusie en vervolgstappen
Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden op voor algemene broedvogels, vleermuizen, boommarters en kleine marterachtigen. Ten aanzien van algemene broedvogels dienen mitigerende maatregelen genomen te worden. Daarnaast dient soortgericht onderzoek naar kleine marterachtigen uitgevoerd te worden (§3.1.5). Indien bomen met holtes gekapt worden dient tevens soortgericht onderzoek naar vleermuizen en de boommarter uitgevoerd te worden. Indien buiten het broedseizoen van algemene broedvogels wordt gewerkt is er geen sprake van overtreding van verbodsbepaling van artikel 3.1 en 3.5 van de Wet natuurbescherming. Het broedseizoen loopt van ca. 15 maart t/m 15 juli. Indien binnen het broedseizoen gewerkt wordt volgens de onderstaande mitigerende maatregelen is er geen sprake van overtreding van verbodsbepaling van artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. Algemene broedvogels Alle locaties • Indien bomen en struiken gekapt en verwijderd worden, dient dit voorafgaand aan het broedseizoen van algemene broedvogels uitgevoerd te worden. Het broedseizoen loopt globaal van 15 maart t/m 15 juli. Deze periode kan afwijken bij bepaalde weersomstandigheden. • Indien de beoogde planning niet wordt behaald en werkzaamheden in het broedseizoen doorlopen dient een controle op nesten te worden uitgevoerd.
Indien actieve nesten worden aangetroffen worden de werkzaamheden rondom die locatie gestaakt en na het broedseizoen hervat. Wanneer het een actief nest in een boom of struik naast het spoor betreft kunnen de werkzaamheden doorgaan, aangezien in de huidige situatie al eenzelfde soort verstoring van passerende treinen optreedt. • Indien werkzaamheden in het broedseizoen starten dient het plangebied voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden zodat vogels niet te broeden komen in het plangebied. Voorafgaand en tijdens de werkzaamheden dient een ecoloog te controleren of er geen vogels broeden in het plangebied. Deze maatregelen worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol. Vleermuizen Alle locaties De volgende mitigerende maatregelen zijn noodzakelijk: • Geen gebruik van verlichting in de periode maart t/m november tussen zonsopkomst en zonsondergang • Indien dit niet mogelijk is dienen maatregelen genomen te worden met betrekking tot verlichting zoals: • Voorkom verlichting richting bosschages rondom het plangebied • Gebruik vleermuisvriendelijke verlichting. • Het verlichtingsplan dient goedgekeurd te worden door een ter zake kundige ecoloog. Zorgplicht Alle locaties De Wnb kent een algemene zorgplicht. Dit betekent dat zorgvuldig met aanwezige planten en dieren moet worden omgegaan.
Daarom moeten de volgende maatregelen genomen worden: • Maai voorafgaand aan de werkzaamheden de vegetatie in het werkgebied kort. Hierdoor wordt het voor grondgebonden zoogdieren en amfibieën minder aantrekkelijk om te verblijven in deze zone tijdens aanleg. Werk bij het snoeien/ maaien één richting op en maai richting de westkant van het plangebied. Op deze manier kunnen soorten fauna vluchten richting het gebied waar niet gewerkt wordt.
21
Datum: 6 mei 2022
VZE-ECO-RAP-001 - QUICKSCAN NATUURWETGEVING
Bijlage A Wettelijk kader wet natuurbescherming
Soortenbescherming Algemeen De Wet natuurbescherming (Wnb) is op 1 januari 2017 in werking getreden. De wet is in de plaats gekomen van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet is ingedeeld in hoofdstukken en kent een algemeen deel (hoofdstuk 1), delen over Natura 2000-gebieden (hoofdstuk 2), soorten (hoofdstuk 3), houtopstanden, hout en houtproducten (hoofdstuk 4), verder delen die gaan over vrijstellingen, beschikkingen en verplichtingen (hoofdstuk 5), financiële bepalingen (hoofdstuk 6), handhaving (hoofdstuk 7), overige bepalingen (hoofdstuk 8) en tot slot een beschrijving van het overgangsrecht (hoofdstuk 9) en een beschrijving van de wijziging van overige wetten (hoofdstuk 10). In navolgende paragrafen is een samenvattende beschrijving van de voor dit rapport relevante delen van de wet gegeven. Zorgplicht De Wnb kent een algemene zorgplicht. Deze houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen om schade aan soorten te voorkomen, ook voor soorten die niet beschermd zijn (artikel 1.11, lid 1). Dit houdt in ieder geval in dat handelen of nalaten van handelen dat schadelijk kan zijn zo veel mogelijk achterwege gelaten dient te worden (artikel 1.11, lid 2). Deze algemene zorgplicht geldt altijd en overal, met slechts als uitzondering handelingen die op grond van de Visserijwet worden uitgevoerd (artikel 1.11, lid 3).