CConstaterende datRaalte
Koppel je AI →
Document · PDF

Ontwerp bp Omgeving Hondemotsweg 30

Raadsvergadering 25 maart 2021, gemeente RaalteBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Hondemotsweg 30 (bespreekstuk)24.250 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

30

Voor het broedseizoen wordt geen standaardperiode gehanteerd, globaal wordt de periode half maart tot medio juli aangehouden. Hierbij dient rekening gehouden te worden met het feit dat veel vogels meerdere legsels per jaar kunnen hebben. Om te voorkomen dat vogels tot broeden komen binnen het plangebied kunnen voorbereidende maatregelen worden getroffen om het plangebied ongeschikt te maken. Zorgplicht en vrijgestelde grondgebonden zoogdieren en amfibieën Indien de planning het toelaat, kan schade aan de algemene vrijgestelde grondgebonden zoogdieren en amfibieën worden geminimaliseerd door werkzaamheden zoveel als mogelijk uit te voeren buiten de voortplantingsperiode februari t/m augustus. De minst schadelijke periode is de vorstvrije periode in september t/m november. Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de onderhavige ontwikkeling. 4.3 Bodemkwaliteit Sinds 1 januari 2008 is in het Besluit Bodemkwaliteit (Bbk) vastgelegd hoe we in Nederland omgaan met het hergebruik van schone en licht verontreinigde grond en de bescherming van de bodem. Bij vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de gewenste ontwikkeling. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Lycens B.V.

heeft een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Hondemotsweg 30 te Raalte, dat in bijlage 3 te vinden is. De aanleiding voor het onderzoek is de geplande planologische procedure en de geplande herinrichting van de locatie. Het doel van het onderzoek is het bepalen van de bodemkwaliteit op de locatie en daarmee mogelijke verontreinigingen in grond en grondwater te signaleren welke consequenties kunnen hebben voor de geplande planologische procedure en de geplande herinrichting van de locatie. Op grond van de beschikbare gegevens (resultaten vooronderzoek, zintuiglijke waarnemingen gedaan tijdens het veldwerk en de analyseresultaten) kan het volgende worden geconcludeerd: Resultaten grond De bovengrond op het westelijk terreindeel bevat een licht verhoogd gehalte aan PAK. Een directe oorzaak is onbekend. Op basis van de rekenregels voldoet de grond aan de achtergrondwaarden. In de overige boven- en ondergrondmonsters zijn geen van de onderzochte parameters in verhoogde gehalten gemeten. De milieuhygiënische kwaliteit van de grond vormt geen belemmering voor de geplande planologische procedure en/of de geplande herinrichting van de locatie. Resultaten grondwater Het grondwater ter plaatse van beide peilbuizen bevat een licht verhoogde concentratie aan barium.

Aangezien met betrekking tot de verhoogde concentraties geen antropogene bron bekend is, is barium vermoedelijk van nature in een verhoogde concentratie in het grondwater aanwezig.

31

De gemeten concentraties overschrijden de streefwaarden in geringe mate en vormen geen belemmering voor de geplande planologische procedure en de geplande herinrichting van de locatie. Conclusies en aanbevelingen De opzet van het uitgevoerde onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat er, ons inziens, milieuhygiënisch gezien geen belemmeringen zijn voor de planologische procedure en de geplande herinrichting van de locatie. De gestelde hypothese dat de locatie als "onverdacht" beschouwd kan worden ten aanzien van chemische parameters is niet juist gebleken op basis van de aangetoonde licht verhoogde gehalten aan PAK in grond en de licht verhoogde concentraties aan barium in het grondwater. De gevolgde onderzoeksstrategie geeft echter een representatief beeld van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie. Bovendien vormen de gemeten gehalten en concentraties geen belemmering voor het toekomstige gebruik van de onderzoekslocatie. Conclusie Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de onderhavige ontwikkeling.

4.4 Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidsnormen en richtlijnen met betrekking tot de geluidsniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. De wet stelt dat in principe de geluidbelasting op de gevel van gevoelige objecten niet hoger mag zijn dan de maximaal toelaatbare geluidsbelasting, dan wel een, door het college vast te stellen, nader bepaalde waarde (hogere waarde). Voor het vaststellen van een nader bepaalde waarde zijn plafondwaarden vastgelegd in de Wgh. Gevoelige objecten zijn volgens de Wgh woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen. Bestaande gevoelige objecten hoeven niet getoetst te worden aan de Wgh. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Met het planvoornemen wordt niet voorzien in het oprichten van nieuwe geluidsgevoelige objecten. Er worden geen nieuwe woningen toegevoegd en de bestaande woningen worden niet gewijzigd. Een gebouw voor inpandige opslag en stalling wordt ook niet aangemerkt als geluidgevoelig object. Daarom is toetsing aan de grenswaarden van de Wgh niet nodig. Daarnaast vinden er geen ingrijpende wijzigingen in de verkeersinfrastructuur plaats, waardoor in belangrijke mate verkeersstromen veranderen ten nadele van bestaande geluidsgevoelige objecten in de omgeving.

Geconcludeerd kan daarom worden dat akoestisch onderzoek niet noodzakelijk is voor de gewenste ontwikkeling. In paragraaf 4.8 (bedrijven en milieuzonering) wordt aan de hand van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' nader ingegaan op de milieubelasting van het project op de omgeving. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de onderhavige ontwikkeling.

32

4.5 Luchtkwaliteit Op basis van de luchtkwaliteitseisen in de Wet luchtkwaliteit, moet in principe bij elke nieuwbouwlocatie een onderzoek worden uitgevoerd. In de praktijk is dit echter niet altijd nodig. Op basis van de publicatie van het Ministerie van VROM (Staatscourant 9 november 2007, nr. 218) worden categorieën aangegeven van gevallen die niet in 'betekenende mate' bijdragen als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer, Besluit niet in betekenende mate bijdragen. Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet milieubeheer vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:   

woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: a. Motiveren dat een project binnen de getalsmatige grenzen van een categorie uit de Regeling NIBM valt. Er is dan geen verdere toetsing nodig, het project is in ieder geval NIBM. Dit volgt uit artikel 4, eerste lid, van het Besluit NIBM. b. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 1% of 3% grens niet overschrijdt. Hiervoor kunnen berekeningen nodig zijn. Ook als een project niet past binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM, is het mogelijk om alsnog via berekeningen aannemelijk te maken, dat de 3% grens niet wordt overschreden. Het project valt niet binnen de getalsmatige grenzen van een categorie uit de Regeling NIBM. Er dient daarom onderzocht te worden dat het project de 1% of 3% grens niet overschrijdt. Hiervoor kan de NIBM Tool worden gebruikt. Op basis van deze tool is berekend dat er sprake is van een overschrijding van NIBM grens bij een toename van 1.370 voertuigbewegingen of meer per weekdaggemiddelde.

Het staat vast dat als gevolg van de inpandige opslag en stalling de toename van het aantal verkeersbewegingen nimmer deze grens zal overschrijden. Het project draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit omdat de NIBM grens niet wordt overschreden.

33

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de onderhavige ontwikkeling. 4.6 Externe veiligheid Externe veiligheid is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving door onder andere productie, opslag, verlading en gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Vanaf 1 januari 2010 zijn er strikte risicogrenzen die in milieuvergunningen en bestemmingsplannen moeten worden vastgelegd. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Dit gaat concreet om bedrijven die risicovol zijn, vervoer van gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water, en transport van gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Externe veiligheid kan op twee manieren ingedeeld worden: 

Transportrisico behandelt de externe veiligheid langs transportassen waarover of waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd, zoals spoorlijnen, buisleidingen en snelwegen.

Risico bij inrichtingen gaat over externe veiligheid rond bedrijven waar met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt, bijvoorbeeld tankstations met LPG-verkoop.

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) verplicht gemeenten om afstand te houden tussen gevoelige objecten en risicovolle bedrijven. Er wordt gewerkt met een plaatsgebonden risicocontour (PR) en een groepsgebonden risico (GR): 

In het Bevi heeft iedere risicovolle inrichting een veiligheidszone gekregen. Dit heet de plaatsgebonden risicocontour (PR-contour). Binnen deze contour mogen nieuwe kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen, grootschalige kantoren) of beperkt kwetsbare objecten (zoals verspreid liggende woningen, bedrijfswoningen, kleinere kantoren) niet of niet zonder meer worden opgericht. Het Bevi gaat uit van een PR-contour 10-6/jr.

Naast het plaatsgebonden risico kent het Bevi ook het groepsgebonden risico (GR). Het groepsgebonden risico geeft aan wat de kans is op een ongeval met ten minste 10, 100 of 1000 dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde bron. Het aantal personen dat in de omgeving van de bron verblijft bepaalt daardoor mede de hoogte van het groepsrisico. Voor het GR geldt geen harde juridische norm, maar is een zogenaamde oriënterende waarde.

Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) is vanaf 1 januari 2011 het toetsingskader bij planontwikkeling in de nabijheid van hogedrukaardgasleidingen en overige leidingen met gevaarlijke stoffen. De afweging van de externe veiligheidssituatie van buisleidingen heeft grondslag in de Wet Milieubeheer (Wm) en in de Wro. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Het plan is getoetst aan de risicokaart www.risicokaart.nl. Hieruit blijkt dat:

34

Plaatsgebonden risico Het plangebied ligt niet binnen aan te houden afstand voor het plaatsgebonden risico PR10-6 van inrichtingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), aangewezen transportroute voor gevaarlijke stoffen onder het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) of buisleidingen die vallen onder het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Groepsrisico Het plangebied is eveneens niet gelegen binnen een invloedgebied van Bevi inrichtingen, transportroutes gevaarlijke stoffen of buisleidingen waarvoor een verantwoording van het groepsrisico is vereist. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de onderhavige ontwikkeling. 4.7 Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object.

Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden:  

ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling In de nabijheid van het plangebied aan de Hondemotsweg 30 liggen diverse bedrijven. De meest dichtstbijzijnde is een melkveehouderij die zich op een afstand van circa 170 meter bevindt. De afstanden tot de omliggende bedrijven voldoen aan de afstandseisen voor geurgevoelige objecten met betrekking tot de Wet geurhinder veehouderij.

35

Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de onderhavige ontwikkeling. 4.8 Bedrijven en milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: 

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;

het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd, waarin richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar zijn opgenomen. Bij de toetsing aan de richtafstanden gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Externe werking In de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ is de activiteit ‘caravanstalling’ niet specifiek opgenomen. De meest overeenkomstige activiteit is de activiteit ‘opslaggebouwen (verhuur opslagruimte)’ (SBI-2008 nr. 52109 B). Het betreft milieucategorie 2, waarbij de grootste richtafstand 30 meter voor geluid is. Voor geur en stof geldt een richtafstand van 0 meter, voor gevaar 10 meter. Gevaar houdt verband met de aanwezige gasflessen in caravans. In de overeenkomsten die worden afgesloten met de eigenaren van caravans is opgenomen dat de gasflessen uit de caravans moeten worden gehaald voor de stalling, wat overigens ook een eis van de verzekeraar is. Het aspect gevaar vormt dus geen belemmering. Van een richtafstand mag gemotiveerd worden afgeweken. Hierbij moet beoordeeld worden dat de activiteit ‘caravanstalling’ voor de omgeving niet tot overlast leidt.

Wanneer uit de beoordeling van de bedrijfssituatie en mogelijk relevante geluidbronnen voldoende aannemelijk is te maken, bijvoorbeeld met een scan dat geluidvoorschriften niet worden overschreven, is een akoestisch onderzoek niet noodzakelijk. Hondemotsweg 28 De woning aan de Hondemotsweg 28 te Raalte ligt op een afstand van 40 meter van de oprit en de stalling zelf wordt voor geluid afgeschermd door een ander gebouw.

36

Bij de activiteit ‘caravanstalling’ is enkel relevant geluid te verwachten bij het brengen en halen van de caravans dat plaatsvindt op de oprit, bij de inpandige opslag en stalling zelf zal geen geluid vrijkomen. Mede gezien het feit dat het halen en brengen van caravans geen dagelijkse activiteit is, is geen geluidoverschrijding te verwachten. In het kader van deze ontwikkeling is een IL-scan1 uitgevoerd. Hierbij is uitgegaan van 8 rijbewegingen per etmaal in hoogseizoen, waarvan 4 overdag en 4 in de avond (worst-case scenario). De auto’s rijden 1 minuut over de oprit bij komen en gaan.

Afbeelding 15 IL-scan op woning Hondemotsweg 28

Met het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,Lt) van 22,2 dB(A) overdag en 27 dB(A) in de avond op de woning Hondemotsweg 28 wordt ruim voldaan aan de normen uit het Activiteitenbesluit, te weten 50, 45, en 40 dB(A) voor respectievelijk de dag, avond en nachtperiode en aan de VNG streefwaarden Ruimtelijke ordening voor rustig buitengebied, te weten 45, 40 en 35 dB(A) voor respectievelijk dag, avond en nacht. Tevens is van belang te kijken naar de pieknormen L(A)max uit het Activiteitenbesluit voor de dag, avond en nachtperiode respectievelijk 70, 65 en 60 dB(A) en naar de VNG streefwaarden Ruimtelijke ordening voor rustig buitengebied, te weten 65, 60 en 55 dB(A). Een IL-scan geeft niet direct een maximale geluidbelasting (L(A)max), maar als je in de kolom immissieniveau Li-C meteo kijkt en daar circa 5 dB bij optelt voor kortstondige piekniveaus (bijvoorbeeld tijdens het optrekken en gasgeven van een auto op de oprit), dan is hier wel iets over te zeggen. L(A)max 53 + 5 = 58 dB(A). Ook daarmee wordt vandaan aan de normen voor het aspect geluid. Hondemotsweg 32 De woning aan de Hondemotsweg 32 te Raalte ligt op een afstand van 20 meter van de oprit, maar de aanpandige woning aan de Hondemotsweg 30 vormt aan die zijde een afscherming van geluid en de stalling zelf wordt voor geluid afgeschermd door een ander gebouw.

Bij de activiteit ‘caravanstalling’ is enkel relevant geluid te verwachten bij het brengen en halen van de caravans dat plaatsvindt op de oprit, bij de inpandige opslag en stalling zelf zal geen geluid vrijkomen.

1 Met een IL-scan kan in eerste instantie indicatief worden berekend of aan de te toetsen geluidniveaus worden voldaan

Een IL-scan is een vereenvoudigde rekenmethode waarbij geluidniveaus van bepalende geluidbronnen ruim worden ingevoerd. Bedrijfstijden worden ruim ingebracht. Met afschermingen, gevel reflectie en bodemgebied (hard/zacht) kan in de scan in beperkte mate rekening worden gehouden. De methode is alleen bruikbaar in niet complexe bebouwde situaties van bedrijf en omgeving. De methode is indicatief te hanteren. Wanneer uit een IL-scan blijkt dat geluidsbelastingen voldoende ruim zijn gelegen onder de toets waarden, is het in voldoende mate ook aannemelijk dat dit ook zal blijken uit een volledig akoestisch onderzoek. Liggen de berekende waarden van de scan te dicht bij de te toetsen geluidniveaus of er boven dan is alsnog een volledig akoestisch onderzoek nodig.

37

Mede gezien het feit dat het halen en brengen van caravans geen dagelijkse activiteit is, is geen geluidoverschrijding te verwachten. Ook hiervoor is een IL-scan uitgevoerd met dezelfde invoergegevens.

Afbeelding 16 IL-scan op woning Hondemotsweg 32

Met het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,Lt) van 20,2 dB(A) overdag en 24,9 dB(A) in de avond op de woning Hondemotsweg 32 wordt ruim voldaan aan de normen uit het Activiteitenbesluit, te weten 50, 45, en 40 dB(A) voor respectievelijk de dag, avond en nachtperiode en aan de VNG streefwaarden Ruimtelijke ordening voor rustig buitengebied, te weten 45, 40 en 35 dB(A) voor respectievelijk dag, avond en nacht. Tevens is van belang te kijken naar de pieknormen L(A)max uit het Activiteitenbesluit voor de dag, avond en nachtperiode respectievelijk 70, 65 en 60 dB(A) en naar de VNG streefwaarden Ruimtelijke ordening voor rustig buitengebied, te weten 65, 60 en 55 dB(A). Een IL-scan geeft niet direct een maximale geluidbelasting (L(A)max), maar als je in de kolom immissieniveau Li-C meteo kijkt en daar circa 5 dB bij optelt voor kortstondige piekniveaus (bijvoorbeeld tijdens het optrekken en gasgeven van een auto op de oprit), dan is hier wel iets over te zeggen. L(A)max 50,9 + 5 = 55,9 dB(A). Ook daarmee wordt vandaan aan de normen voor het aspect geluid. Conclusie IL-scans Om de activiteit ‘caravanstalling’ in te passen op het perceel Hondemotsweg 30 te Raalte is met de IL-scans in voldoende mate aangetoond dat kan worden voldaan aan de geluidvoorschriften uit het Activiteitenbesluit.

Op basis hiervan kan gemotiveerd worden afgeweken van de richtafstand uit de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’. Een volledig akoestisch onderzoek is voor de inpassing van deze activiteit niet nodig. Interne werking Op een afstand van circa 170 meter bevindt zich een melkveehouderij. Voor melkveehouderijen geldt een grootste richtafstand van 100 meter in geur. Omliggende bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering gehinderd. De opslagactiviteit vormt geen belemmering voor de exploitatie van omliggende bedrijven en heeft ook geen negatief effect op het woon- en leefklimaat van omliggende woningen. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de onderhavige ontwikkeling.

38

4.9 Vormvrije m.e.r.-beoordeling In kolom C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:   

de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten.

Relatie met voorgenomen ontwikkeling Gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de plandrempels uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve gevolgen voor de omgeving en het milieu optreden. Dit blijkt ook uit verschillende onderzochte omgevings- en milieuaspecten die in voorgaande hoofdstukken zijn beschreven. Conclusie Voor het bestemmingsplan is geen mer-procedure of mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r. 4.10 Verkeer en parkeren In het voorliggende plan wordt het perceel herzien naar een woonbestemming en wordt het gebruik van de voormalig agrarische bedrijfsbebouwing als inpandige opslag en stalling gelegaliseerd. Dit erf blijft gebruik maken van de huidige ontsluiting op de openbare Hondemotsweg. Deze weg betreft een goede, overzichtelijke ontsluitingsweg. Op het erf is ruim voldoende parkeergelegenheid (net als in de huidige situatie) voor de auto’s van de bewoners van het erf en voor de bezoekers van de stalling. De opslag- en stallingactiviteit brengt niet significant meer verkeersbewegingen met zich mee dan een agrarisch bedrijf. De lichte toename van het licht gemotoriseerde verkeer kan zonder meer worden opgenomen in het heersende verkeersbeeld van de Hondemotsweg.

Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de onderhavige ontwikkeling.

39

5. Water In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het verplicht ruimtelijke plannen te ‘toetsen op water’, de zogenaamde watertoets. 5.1 Geldend beleid water Voor het onderdeel water is diverse regelgeving van toepassing. Hierna wordt het relevante beleid voor de planlocatie aangeduid. 5.1.1 Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. De doorwerking van de beleidsambities en uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). De Waterwet (december 2009) stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteembenadering' centraal. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Dit zijn de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Met de Waterwet is de gemeente beter uitgerust om onder andere wateroverlast tegen te gaan.

Daarnaast zijn alle voormalige vergunningstelsels opgegaan in één watervergunning en drie lozingenbesluiten om zo de regeldruk te verlagen. 5.1.2 Provinciaal beleid De Omgevingsvisie Overijssel bevat het provinciale waterbeleid en daarmee is dat ook het Regionaal Waterplan. De provincie omschrijft haar ambitie met het waterbeleid voor de komende jaren in één zin als volgt: ‘We willen onze watersystemen zo inrichten dat ze voldoende en goed water bevatten en dat ze voor lange tijd veilig zijn en bestand tegen klimaatverandering’. 5.1.3 Waterschapsbeleid Het beleid van het Waterschap Drents Overijsselse Delta staat beschreven in het Waterbeheerplan 2016-2021, de beleidsnota Water Raakt!, Strategische Nota Rioleringsbeleid 2007, Visie Beheer en Onderhoud 2050, Beleid Beheer en Onderhoud Stedelijk water 2013-2018 en het Beleidskader Recreatief Medegebruik. Daarnaast is de Keur een belangrijk regel stellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. 5.1.4 Gemeentelijk waterbeleid In de Waterwet en de Wet milieubeheer zijn de gemeentelijke watertaken geregeld. Deze taken hebben betrekking op de gemeentelijke zorgplicht voor: 

inzameling en transport van stedelijk afvalwater.

het inzamelen en verwerken van afvloeiend hemelwater.

grondwater(maatregelen).

40

Het GRP beschrijft de beleidskaders (ambities)en de activiteiten voor de inzameling, transport en verwerking van stedelijk afval, hemel- en grondwater. Het GRP gaat uit van de volgende principes (tritsen): De trits “vasthouden  bergen  afvoeren” houdt in dat in eerste instantie getracht wordt het (gebiedseigen) water in de bodem te infiltreren. Indien dit niet mogelijk is dient het afstromend regenwater lokaal te worden geborgen in vijvers en watergangen. Pas in de laatste instantie kan overwogen worden het water (zo traag mogelijk) af te voeren naar de omgeving. De trits “schoonhouden  scheiden  schoonmaken” omvat ten eerste het niet toelaten dat de kwaliteit van water verslechtert (schoon houden), vervolgens het gescheiden houden van schone en vuile waterstromen en als laatste het zuiveren (schoonmaken) van verontreinigd water. Door water schoon te houden en vuile waterstromen zoveel mogelijk gescheiden te houden kan de omvang van te zuiveren water worden beperkt en tevens het zuiveringsrendement worden verhoogd. Ontvlechting vindt in principe plaats als dat doelmatig en kosteneffectief is. Bij nieuwbouw is de aanleg van een gemeentelijk hemelwaterstelsel (riool of watergang) gebruikelijk, waar de particulier het hemelwater naartoe kan afvoeren.

De infrastructuur wordt in principe zodanig ingericht dat de particulier in staat wordt gesteld het hemelwater (voor een deel) op eigen terrein te verwerken (lozen op aangrenzende sloot en/of infiltratie in de bodem). Is verwerking op eigen terrein niet mogelijk dan kan de particulier het hemelwater bovengronds afvoeren naar het gemeentelijk hemelwaterstelsel. Ten aanzien van de verwerking van grondwater bij nieuwbouw kan worden gesteld dat dit voldoende wordt ondervangen in het “watertoets proces”. Hierbij worden vooraf de waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze meegewogen bij de ontwikkeling van nieuwbouwlocaties. Hitte, droogte, watertekort en wateroverlast zijn aspecten die van wezenlijke invloed zijn bij het ontwerpen en bij de realisatie van plannen voor zowel inbreidings- als uitbreidingslocaties. Met deze aspecten wordt rekening gehouden door het principe van de meerlaagsveiligheid als bouwsteen van wezenlijk belang te hanteren bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen. Bestaande en nieuwe blauwe en groene elementen ondersteunen de klimaatadaptatie in het binnenstedelijk gebied en op bedrijven- en industrieterreinen. Afkoppelen van verhard oppervlak is niet een doel op zich. Doelmatigheid, haalbaarheid en betaalbaarheid van afkoppelmaatregelen worden meegewogen in ruimtelijke plannen.

De samenhang met het beleid over klimaatadaptatie en overstromingsrisico wordt integraal beoordeeld. Waterlopen met een beschermde status (Kaderrichtlijn water) staan vermeld op de verbeelding behorende bij een ruimtelijk plan. Informatie over de status van een KRW-lichaam en beoogde maatregelen verwoord in zogenaamde “factsheets”, wordt beschouwd als zwaarwegend belang waar slecht gemotiveerd van kan worden afgeweken door het treffen van mitigerende of compenserende maatregelen. 5.2 Waterparagraaf Zoals hiervoor uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten.

41

Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 5.2.1 Watertoets Ten behoeve van de watertoets is via het instrument www.dewatertoets.nl een wateradvies van het waterschap Drents Overijsselse Data gevraagd. Hierbij is de ‘normale procedure’ van toepassing en kan gebruik worden gemaakt van de standaard waterparagraaf (zie bijlage 4). Uit het wateradvies blijkt dat er geen (directe) waterschapsbelangen aan de orde zijn. Voor wat betreft de overige waterhuishoudkundige aspecten wordt hieronder nader op ingegaan. Huishoudelijk afvalwater In de directe omgeving van het plangebied ligt geen openbaar riool waarop woningen kunnen aansluiten.

De bestaande woningen zuiveren het huishoudelijke afvalwater met een eigen voorziening (individuele behandeling afvalwater). Hemelwater In de huidige situatie wordt overtollig hemelwater geïnfiltreerd in de bodem en/of afgevoerd naar de wetering langs de Hondemotsweg. In de toekomstige situatie blijft deze situatie gehandhaafd. Het effect op het oppervlaktewaterbeheer is hierdoor nihil. Ontwatering Voor het houden van droge voeten onder normale omstandigheden is de grondwaterstand van belang. Volgens de bodemkaart komt het grondwaterregime overeen met grondwatertrap VI. Dit betekent dat ter hoogte van het plangebied de gemiddelde hoogste grondwaterstand ongeveer NAP + 2,60 meter bedraagt. De bestaande woningen in het plangebied hebben een vloerpeil van circa NAP + 4 meter. Dit houdt in dat de bestaande woningen voldoen aan de ontwateringseis. Afwatering in extreme neerslaggebeurtenissen Als gevolg van klimaatverandering nemen de extreme neerslaggebeurtenissen toe. Bij elk plan zal er een toets moeten plaatsvinden hoe hiermee wordt omgegaan om de risico’s te beperken. De bestaande woningen in het plangebied hebben een vloerpeil van circa NAP + 4 meter. Het omringende maaiveld ligt op een hoogte van circa NAP + 3,5 meter. Bij een minimaal bouwpeil van NAP + 4 meter (richtlijn voor goede ontwatering) is het risico voor wateroverlast bij extreme neerslag klein.

5.3 Overstromingsrisico’s Het plangebied ligt ten oosten van de IJssel binnen het dijkringgebied Salland (nummer 53) aan. Dit dijkringgebied loopt een risico op overstroming als resultaat van haar situering in de lage delen van Overijssel en haar ligging ten opzichte van de primaire waterkering van de IJssel. Als gevolg van klimaatverandering nemen de overstromingsrisico's toe. De dijkringgebieden zijn vastgelegd in de nieuwe waterkaart. Voor dergelijke gebieden is het risico inzichtelijk gemaakt voor overstroming bij een doorbraak van de dijk. De gevolgen van een overstroming zijn bepaald door inzicht te geven

42

in de maximale waterdiepte tijdens een overstroming en de snelheid waarmee een gebied overstroomt.

Afbeelding 17 Uitsnede overstromingen risicokaart

Het plangebied is aangemerkt als liggende in een gebied dat minder snel en ondiep onderloopt (kleine kans). De maximale waterdiepte tijdens een overstroming is voor het plangebied in de huidige situatie ingeschat op minder dan 0,5 m (overstromingsdiepte; water boven maaiveld). De wettelijke norm voor de dijkring is een overschrijdingskans van 1:1.250 per jaar. Het overstromingswater zal doorgaans de weg van de minste weerstand volgen en derhalve zullen eerst de laaggelegen gebieden onder water lopen. Afhankelijk van hoe snel het water kan worden afgevoerd, kan in het plangebied overstroming plaatsvinden. Voor het plangebied is het van belang dat nagedacht wordt over voorzieningen die de risico's kunnen beperken. Bij nieuwe ontwikkelingen binnen de dijkringen is het gewenst dat tijdig wordt nagedacht over voorzieningen, dan wel maatregelen die kunnen worden getroffen waarbij eventuele risico's en nadelige effecten van een overstroming kunnen worden beperkt. Het betreft ook een stuk bewustwording dat bouwen in risicovolle gebieden bepaalde risico's met zich meebrengt en dat hier adequaat mee omgesprongen dient te worden. Bij de ontwikkeling van het plangebied dient rekening te worden gehouden met mogelijke overstroming(en).

43

6. Toelichting op de planregels In dit hoofdstuk worden, voor zover dit nodig en wenselijk wordt geacht, de van het bestemmingsplan deel uitmakende regels van een nadere toelichting voorzien. Een actueel bestemmingsplan met een heldere regeling draagt bij aan de handhaafbaarheid van de inrichting van het plangebied en geldt als toetsingskader voor het gebruik en de bouwmogelijkheden. 6.1 Inleiding De regels geven inhoud aan de aangegeven bestemmingen. Ze geven aan waarvoor de gronden en opstallen gebruikt mogen worden en wat en hoe er gebouwd mag worden. Bij dit bestemmingsplan is zo veel mogelijk aangesloten bij de regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van de gemeente Raalte, zoals deze is vastgesteld op 8 juni 2012. Verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen die in het gebied voorkomen, in beeld gebracht. Ook zijn aanduidingen opgenomen voor specifiek in het gebied voorkomende elementen. Regels De opbouw van de regels is gelijk aan die van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. De opbouw van de regels is als volgt: 

hoofdstuk 'Inleidende regels' van de regels geeft de algemene bepalingen weer. Het betreft de 'Begrippen' (artikel 1), waarin de in het plan voorkomende begrippen worden gedefinieerd. In artikel 2 'Wijze van meten' wordt aangegeven hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden; in hoofdstuk 'Bestemmingsregels' zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. Per bestemming is bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bebouwingsregels er gelden. Tevens zijn waar mogelijk flexibiliteitsbepalingen opgenomen (wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden); in hoofdstuk ‘Algemene regels’ staan aanvullende bepalingen die, in aanvulling op de bestemmingsbepalingen, voor het hele plangebied gelden. Hierbij kan worden gedacht aan de algemene afwijkingsregeling, die het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid geeft om op ondergeschikte punten van de regels in hoofdstuk 2 af te wijken; hoofdstuk 'Overgangs- en slotregels' van de regels heeft betrekking op het overgangsrecht en de slotbepaling.

6.2 Bestemmingsregels Navolgend wordt de bestemming ‘Wonen’ toegelicht. Gronden met de bestemming ‘Wonen’, zijn bestemd voor het wonen daaronder begrepen kleinschalige beroepen- en bedrijven-aan-huis. Daarnaast zijn er bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals erven, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, tuinen, water en paardenbakken mogelijk met daaraan ondergeschikt bed & breakfast en evenementen. Er mag een woning van maximaal 750 m3 en een bijgebouw van maximaal 150 m2 worden opgericht, tenzij anders middels een maatvoeringsaanduiding is aangegeven. Binnen de bestemming is er een aanduiding opgenomen dat het gaat om voormalige bedrijfsbebouwing en dat er caravanstalling is toegestaan.

44

7. Uitvoerbaarheid Dit hoofdstuk beschrijft de uitvoerbaarheid van het te ontwikkelen plan. De ruimtelijke uitvoerbaarheid, de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de economische uitvoerbaarheid wordt beschreven. 7.1 Ruimtelijke uitvoerbaarheid In voorgaande hoofdstukken is beschreven hoe het voorgenomen project past binnen het van toepassing zijnde overheidsbeleid. Geconstateerd is dat er geen belemmeringen zijn ten aanzien van de omgevingsfactoren. Ruimtelijk is de voorgenomen ontwikkeling daarmee uitvoerbaar. 7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan moet aangetoond worden. Een van de manieren om dit te achterhalen is het doorlopen van de bestemmingsplanprocedure. Tijdens deze procedure zijn verschillende momenten aanwezig waarop instanties, omwonenden en anderen een reactie kunnen geven op het bestemmingsplan. Daarbij gaat het achtereenvolgens om zienswijzen en beroep. Wanneer nodig wordt het bestemmingsplan aangepast op grond van ingediende reacties. Inspraak Vroegtijdig betrekken van inwoners en bedrijven is een belangrijke stap. De initiatiefnemer heeft de voorgenomen plannen kenbaar gemaakt bij de directe naaste omwonenden van de Hondemotsweg 28 en 32 en de overburen van de Hondemotsweg 15. Zij hebben aangegeven geen bezwaren te hebben tegen de plannen.

Vooroverleg De provincie Overijssel heeft een lijst (april 2015) opgesteld van categorieën bestemmingsplannen van lokale aard waarvoor vooroverleg niet noodzakelijk is. Het beleid is gesplitst in de rubrieken A (stedelijk gebied) en B (buitengebied/groene omgeving). Het voorliggende plan valt onder categorie B. Op basis hiervan kan vooroverleg achterwege blijven. Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan wordt zes weken ter inzage gelegd. Tijdens deze termijn heeft een ieder de mogelijkheid gehad om schriftelijk of mondeling een zienswijze naar voren te brengen. Vaststelling P.M. 7.3 Economische uitvoerbaarheid Het plan betreft een particulier initiatief. Voor de activiteiten die worden uitgevoerd geldt dat de initiatiefnemer zelf verantwoordelijk is voor de financiering van deze ontwikkelingen. Het bestemmingsplan leidt niet tot kosten voor de gemeente die via een exploitatieplan verhaald zouden moeten worden. Voor de benodigde procedure worden leges geïnd en via een overeenkomst is geregeld dat alle eventuele planschade op de initiatiefnemer wordt verhaald. Het financiële risico van het plan ligt bij de initiatiefnemer, waarmee de economische uitvoerbaarheid is gewaarborgd.

45

8. Bijlagen 8.1 Bijlage 1 – Erfontwikkelingsplan

46

Onderbouwing inrichtingsontwerp Hondemotsweg 30 Fam. Van Rossum

Het erf van de familie Van Rossum aan de Hondemotsweg bevindt zich in het beekdallandschap en wel in de dekzandlaagtes van dit zandlandschap.

Fig. 1: Verbeelding landschappelijke karakteristieken dekzandlaagte, bron: LOP-Salland

Landschaps Ontwikkelings Plan Volgens het Landschaps Ontwikkelings Plan Salland (LOP-Salland) wordt het ruimtelijk beeld van dit gebied voornamelijk bepaald door de karakteristieke lanen langs de wegen en de aanwezigheid van de landbouw. De inrichting van deze gebieden kennen een rationele opzet met bebouwingen gericht op de wegen en rechtlijnige structuren. Deze dekzandlaagtes hebben een wat natter karakter dan de dekzandvlaktes. Het landschapsbeleid is gericht op het behouden en versterken van de landschappelijke karakteristieken met streekeigen beplantingen. Het Erf aan de Hondemotsweg te Raalte wordt in relatie tot dit omliggende landschap ingepast. Voor het erf van de Fam. Van Rossum betekend dit dat er aan de zuidoostzijde van het erf ingespeeld wordt op het natte karakter van de dekzandlaagte. De uitheemse coniferen achter de schuur worden vervangen door een elzensingel, deze geven een sterk karakter aan deze dekzandlaagte. Daarnaast wordt er een kwaliteitsimpuls gegeven aan de iets hoger gelegen wal aan de noordoostzijde van het erf. De gebouwen en constructies in deze wal worden geruimd en de bestaande beplanting wordt aangevuld met bosplantsoen. De bestaande beplanting bestaat voornamelijk uit eikenbomen met enkele onderbegroeiingen.

Sortiment Het sortiment voor dit erf bestaat uit gebiedseigen beplanting. Dit is bepaald aan de hand van het bodemtype en het landschapstype. Dit sortiment heeft hoge cultuurhistorische en ecologische waarden. Dit jonge ontginningslandschap met bodemcode pZg23 bestaat uit een beekeerdgrond met lemig fijn zand. Het bossengemeenschapstype dat hier bij hoort is de Klasse der Elzenbroekbossen. De beplantingen die bij dit landschapstype horen zijn: - Alnus glutinosa, Fraxinus excelsior, Salix alba (boomvormers) en Frangula alnus, Ribes nigrum, Sambucus nigra en Sorbus aucuparia (heesters) Op de houtwal aan de noordoostzijde van het erf wordt het sortiment zoals hierboven aangegeven aangeplant als bosplantsoen ter aanvulling aan de bestaande beplanting. Er mogen zich enkele bomen ontwikkelen, de overige beplantingen worden periodiek eens per 3 tot 5 jaar afgezet. De elzensingel aan de zuidoostzijde van het erf bestaat uit Alnus glutinosa, deze worden als veren aangeplant en krijgen de ruimte om tot boom uit te groeien. De elzensingel kan eens per 10 tot 15 jaar worden afgezet, de hoogte waarop ze afgezaagd worden is gelijk aan de diameter van de stammen.

Fig. 2: Inrichtingsontwerp Hondemotsweg 30

Inrichtingsontwerp transformatie erf Hondemotsweg 30

Legenda Bestaand Kadastrale grens Basisregistratie Grootschalige Topografie Bestaande woning Bestaande schuren in nieuwe verschijningsvorm Bestaande erfverharding

Groen Bestaande bomen (indicatief weergegeven) Bestaande wal: verwijderen naaldhoutgewassen en aanvullen met bosplantsoen: Alnus glutinosa, Fraxinus excelsior, Frangula alnus, Ribes nigrum sambucus nigra en Sorbus aucuparia Bestaande coniferen vervangen voor elzenrij: Alnus glutinosa

32

Grasland/privétuin/weide

30

Erfinrichting Van Rossum

Opdrachtgever:

Fam. Van Rossum Hondemotsweg 30 8101 NJ Raalte

Tekening:

Inrichtingstekening

Formaat:

A3 - Landscape

Schaal:

1:500

Getekend door:

Guus Kolkman

Datum:

23-06-2020

sw

ot

em

nd

Ho

Project:

eg 28

0 1:500

5

10

15

20

25m

N

8.2 Bijlage 2 – Quickscan Natuurtoets

47

QUICKSCAN NATUURTOETS HONDEMOTSWEG 30 RAALTE Oriëntatie in het kader van de natuurwetgeving

Rapport EM200630 Datum 3-7-2020 In opdracht van

COLOFON

Titel: Quickscan Natuurtoets Hondemotsweg 30 Raalte Subtitel: Oriëntatie in het kader van de natuurwetgeving Rapportnummer: EM200630 Datum: 3 juli 2020 Auteur: Ing. R. Gerritsen Veldonderzoek: Ing. R. Gerritsen Opdrachtgever: VantErve Advies, Postbus 48, 8100 AA, Raalte

© EcoMilieu Advies Kötterskamp 21, 7688 RL, Daarle Tel: (06)30315951, e-mail: info@ecomilieu.nl EcoMilieu is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van EcoMilieu; opdrachtgever vrijwaart EcoMilieu voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Alles uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt mits onder bronvermelding: Gerritsen, R. (2020). Quickscan Natuurtoets Hondemotsweg 30 Raalte; Oriëntatie in het kader van de natuurwetgeving. Rapport EM200630. EcoMilieu Advies, Daarle.

INHOUDSOPGAVE INLEIDING ....................................................................................................................1 1.1 Aanleiding .............................................................................................................1 1.2 Onderzoeksdoel en -vragen.................................................................................1 1.3 Leeswijzer ..............................................................................................................1 1.4 Afbakening ............................................................................................................2 JURIDISCH KADER & ONDERZOEKSMETHODIEK ......................................................3 2.1 Juridisch kader Wet natuurbescherming ...........................................................3 2.2 Bescherming gebieden, soorten en houtopstanden Wnb................................3 2.3 Juridisch kader Natuurnetwerk Nederland ........................................................5 2.4 Algemene opzet en werkwijze onderzoeksmethodiek.....................................6 PLANGEBIED & INGREPEN ..........................................................................................8 3.1 Plangebied huidige situatie .................................................................................8 3.2 Beschrijving geplande ingrepen toekomstige situatie

.....................................8 NATUURWAARDENONDERZOEK .............................................................................10 4.1 Veldbezoek ..........................................................................................................10 4.2 Flora .....................................................................................................................10 4.3 Grondgebonden Zoogdieren .............................................................................11 4.4 Vleermuizen ........................................................................................................11 4.7 Dagvlinders, libellen, overige insecten en ongewervelde ..............................13 EFFECTENTOETSING SOORTBESCHERMING ............................................................14 5.1 Mogelijk optredende effecten ...........................................................................14 5.2 Kwalificerende N2000 Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten ...............................15 5.3 Flora, dagvlinders, libellen, reptielen, vissen, overige insecten en ongewervelde ...........................................................................................................17 5.4 Amfibieën en grondgebonden zoogdieren .....................................................17 5.5 Vleermuizen

........................................................................................................17 EFFECTENTOETSING GEBIEDSBESCHERMING .........................................................19 6.1 Effectentoetsing Habitattypen N2000 Wnb .....................................................19 6.2 Beschermde Houtopstanden Wnb ....................................................................21 6.3 Effectentoetsing NNN beleid .............................................................................21 CONCLUSIES & AANBEVELINGEN .............................................................................23 7.1 Conclusies en aanbevelingen Soortbescherming Wnb...................................23 7.2 Conclusies bescherming Gebieden en houtopstanden Wnb en NNN ...........24 7.3 Aanbevelingen bovenwettelijke maatregelen .................................................25 GERAADPLEEGDE BRONNEN ................................................................................................26 BIJLAGE I: FOTO-IMPRESSIE PLANGEBIED............................................................................28 BIJLAGE II: N2000 AANWIJZINGSBESLUIT ............................................................................34

INLEIDING 1.1

Aanleiding In opdracht van VantErve Advies, heeft EcoMilieu Advies een ecologische oriëntatie natuurwetgeving uitgevoerd inzake de onderbouwing voor ruimtelijke planvorming op locatie Hondemotsweg 30 te Raalte, gemeente Raalte, provincie Overijssel. De Wet natuurbescherming (Wnb) en het Natuurnetwerk Nederland beleid (NNN) verplichten vooraf te toetsen of ruimtelijke ingrepen of activiteiten conflicteren met aanwezige beschermde plant- en diersoorten, wezenlijke kenmerken en waarden of instandhoudingsdoelen. Het plangebied ligt niet in het NNN en ligt op een afstand vanaf ca. 5,8 kilometer ten opzichte van omliggende Natura 2000-gebieden (N2000). In onderhavig rapport is een oriëntatie uitgevoerd aan gebieds- en soortbescherming in het kader van de Wnb en het NNN beleid.

1.2

Onderzoeksdoel en -vragen Het doel is middels het uitvoeren van natuurwaardenonderzoek de geplande ingrepen te toetsen aan de Natuurbeschermingswetgeving, ten einde een eventuele overtreding van de Wnb te voorkomen en te voldoen aan de Zorgplicht Wnb. Concreet komen uit de doelstelling de volgende onderzoeksvragen naar voren, die middels deze oriëntatie worden beantwoordt:

1.3

Welke beschermde plant- en diersoorten komen (potentieel) voor in of direct rond het plangebied?

Wat zijn de effecten van de geplande ingrepen op deze beschermde soorten?

Wat zijn de effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden en instandhoudingsdoelen van beschermde N2000 en NNN gebieden en kunnen (significant) negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden en instandhoudingsdoelen van deze beschermde gebieden al dan niet met zekerheid worden uitgesloten?

Worden er beschermde houtopstanden gekapt?

Zijn de mogelijke negatieve effecten van de geplande ingrepen een overtreding van de Wnb en kunnen mogelijk negatieve effecten worden voorkomen middels mitigerende of compenserende maatregelen?

Leeswijzer In dit hoofdstuk is beschreven hoe dit onderzoek, het uitvoeren van ecologisch onderzoek in het kader van soort- en gebiedsbescherming, tot stand is gekomen en werd de doelstelling vertaald naar onderzoeksvragen. In hoofdstuk 2 wordt het juridisch kader nader uitgelegd en de onderzoeksmethodiek besproken. In hoofdstuk 3 volgt een algemene beschrijving van het plangebied en de voorgenomen ingrepen. In hoofdstuk 4 wordt aan de hand van bronnenonderzoek, een veldbezoek en expert judgement de (potentiële) aan- of afwezigheid van beschermde soorten onderbouwd.

Quickscan Natuurtoets Hondemotsweg 30 Raalte

Pagina | 1

In hoofdstuk 5 volgt de synthese van de resultaten en wordt een effectentoetsing uitgevoerd op beschermde soorten in het kader van de Wnb. In hoofdstuk 6 volgt een effectentoetsing op de gebiedsbescherming Wnb, NNN beleid en beschermde houtopstanden WNb. In hoofdstuk 7 volgen de conclusies, aanbevelingen voor eventuele noodzaak van vervolgonderzoek en worden bovenwettelijke maatregelen benoemd. Hierna volgen de geraadpleegde bronnen en bijlagen met een fotoimpressie van het plangebied en het N2000 aanwijzingsbesluit.

1.4

Afbakening De voorgenomen plannen kunnen mogelijk extra stikstofemissie tot gevolg hebben. In dit oriënterend natuurwaardenonderzoek is geen toetsing uitgevoerd aan de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op omliggende Natura 2000-gebieden. Eventuele effecten van stikstofemissie op omliggende Natura 2000-gebieden tijdens de aanlegen gebruiksfase dienen met behulp van de geactualiseerde AERIUS calculator inzichtelijk gemaakt te worden en separaat ter beoordeling voorgelegd te worden aan het bevoegd gezag.

Quickscan Natuurtoets Hondemotsweg 30 Raalte

Pagina | 2

JURIDISCH KADER & ONDERZOEKSMETHODIEK 2.1

Juridisch kader Wet natuurbescherming In de Wnb zijn Europese en Nederlandse beschermingsregels opgenomen voor Nederlandse natuurgebieden, plant- en diersoorten en houtopstanden. Kijk voor de volledige wettekst van de Wnb op: https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2020-0101. Sinds de inwerkingtreding van de Wnb op 1 januari 2017 zijn de provincies het bevoegd gezag voor de Wnb met betrekking tot o.a. vergunning- en ontheffingsverlening, vrijstelling, meldingsplicht, toezicht en handhaving. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het natuurbeleid van de grote wateren en het internationale beleid.

2.2

Bescherming gebieden, soorten en houtopstanden Wnb In de Wnb zijn verschillende beschermingsregels opgenomen voor Nederlandse natuurgebieden, plant- en diersoorten en houtopstanden. Dit betreffen: 1. 2. 3. 4.

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Zorgplicht; Hoofdstuk 2. Natura 2000-gebieden; Hoofdstuk 3. Soorten; Hoofdstuk 4. Houtopstanden, hout en houtproducten.

Hieronder wordt per hoofdstuk Wnb een beknopte omschrijving van de inhoud gegeven. In hoofdtuk 5, 6 en 7 van deze rapportage zijn daarnaast kaders opgenomen met relevante wetteksten uit de Wnb. Kijk voor meer informatie over de Wnb nationaal en per provincie op: https://www.rvo.nl/onderwerpen/agrarischondernemen/beschermde-planten-dieren-en-natuur/wet-natuurbescherming. Wnb Hoofdstuk 1. Zorgplicht Voor de Nederlandse soort- en gebiedsbescherming gelden de algemene beschermingsmaatregelen van Artikel 1.11 van de Wnb. De Zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer u een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, u zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van uw handelen. Bij de uitvoering van die handeling moet u negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen dan wel beperken of ongedaan maken. Wnb Hoofdstuk 2. Natura 2000-gebieden Het Europese Natura 2000-netwerk bestaat uit gebieden die zijn aangewezen onder de Europese Vogelrichtlijn en onder de Habitatrichtlijn. Beide richtlijnen zijn belangrijke instrumenten om de Europese biodiversiteit internationaal te waarborgen.

Alle Vogelof Habitatrichtlijngebieden zijn geselecteerd op grond van het voorkomen van soorten en habitattypen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben. Activiteiten die u uitvoert, mogen geen significante negatieve effecten hebben op de waarden en instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden.

Quickscan Natuurtoets Hondemotsweg 30 Raalte

Pagina | 3

Voor activiteiten die significante negatieve effecten hebben op de waarden en instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden geldt een vergunningsplicht. Wnb Hoofdstuk 3. Soorten In Hoofdstuk 3 van de Wnb zijn drie soorten beschermingsregimes opgenomen die samen bescherming bieden aan:     

Soorten Vogelrichtlijn; Soorten Habitatrichtlijn Bern Bonn; Nationaal beschermde soorten; Provinciaal beschermde soorten; Jaarrond beschermde nesten en essentiële leefgebieden van vogels.

Het uitgangspunt bij de soortenbescherming Wnb is dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. Voor ieder ruimtelijk plan is het verplicht om te toetsen of deze leidt tot overtreding van de betreffende verbodsbepalingen van Hoofdstuk 3 Wnb. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: 1. Ten eerste mag alleen van de verbodsbepaling afgeweken worden als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is. 2. Ten tweede moet tegenover de afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid. 3. Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort. Als aan deze drie vereisten is voldaan, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. Wnb Hoofdstuk 4. Houtopstanden, hout en houtproducten In de Wnb zijn bomen, bossen, houtwallen, heester- en struikhagen, struwelen en beplantingen van bosplantsoenen beschermd als:   

de houtopstand buiten de 'bebouwde kom Wet natuurbescherming' ligt; de houtopstand groter is dan 10 are (1.000 m2); het om bomen gaat in een rijbeplanting van meer dan 20 bomen.

Vanuit de Wnb is de bescherming van houtopstanden geregeld in de meldingsplicht en herplantplicht. Het kappen, rooien of ernstig beschadigen (ook door vee) van bomen, houtwallen, heester- en struikhagen, struwelen en beplantingen van bosplantsoenen die vallen onder de bescherming van de Wnb, is meldingsplichtig. Er zijn enkele uitzonderingen waarbij de (kap)meldingsplicht niet is vereist (art. 4.1 van de Wet natuurbescherming). De meldplicht geldt niet voor:     

houtopstanden in de 'bebouwde kom Wet natuurbescherming'; houtopstanden op erven en in tuinen; onderhoud om de groei van het overblijvende groen te bevorderen (dunning); periodiek kappen van hak- of griendhout; houtopstanden waarvoor vrijstelling is verleend;

Quickscan Natuurtoets Hondemotsweg 30 Raalte

Pagina | 4

wegbeplantingen en eenrijige beplantingen die bestaan uit populieren of wilgen, op of langs landbouwgronden en waterwegen.

Ook bij de volgende boomsoorten hoeft u de kap niet te melden:  vruchtbomen en windschermen om boomgaarden;  naaldbomen van maximaal 20 jaar oud, bedoeld als kerstbomen;  kweekgoed;  beplantingen die bestaan uit populieren, wilgen, essen of elzen voor de productie van houtige biomassa als zij: tenminste eens per 10 jaar worden geoogst; een aaneengesloten beplantingseenheid zijn die bestaat uit minstens tienduizend stoven per hectare en die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken, breder dan 2 meter; na 1 januari 2013 zijn aangelegd.

Wettelijk kader Wet natuurbescherming: Hoofdstuk 4. Houtopstanden, hout en houtproducten §4.1. Houtopstanden. Artikel 4.2 1. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij gedeputeerde staten. 2. Provinciale staten kunnen bij verordening regels stellen over de melding, bedoeld in het eerste lid. Deze regels kunnen in elk geval betrekking hebben op: a. de gegevens die bij de melding worden verstrekt, b. de termijn waarbinnen de melding wordt gedaan, en c. de wijze waarop de melding wordt gedaan. 3. Gedeputeerde staten kunnen het vellen van houtopstanden telkens voor ten hoogste vijf jaar verbieden ter bescherming van bijzondere natuur- of landschapswaarden. §4.1. Houtopstanden. Artikel 4.3 1. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, of anderszins teniet is gegaan, draagt de rechthebbende zorg voor het op bosbouwkundig verantwoorde wijze herbeplanten van dezelfde grond binnen drie jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand. 2. De rechthebbende vervangt binnen drie jaar na de herbeplanting, bedoeld in het eerste lid, herbeplanting die niet is aangeslagen. 3.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Raalte&id=9611490e-34c2-4cf9-98e3-9b39c95d6c5b