CConstaterende datRaalte
Koppel je AI →
Document · PDF

Ontwerp bp Omgeving Hondemotsweg 30

Raadsvergadering 25 maart 2021, gemeente RaalteBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Hondemotsweg 30 (bespreekstuk)24.250 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Provinciale staten kunnen bij verordening regels stellen over de bosbouwkundig verantwoorde wijze van herbeplanting, bedoeld in het eerste lid.

2.3

Juridisch kader Natuurnetwerk Nederland Het NNN is het Nederlands netwerk van bestaande natuurgebieden, waaronder o.a. de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) en nog te realiseren verbindende natuurgebieden. De bescherming van het NNN staat los van de Wnb. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing, ontwikkeling, bescherming en instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Voor nieuwe ontwikkelingen binnen het NNN, waarbij wordt afgeweken van het bestaande bestemmingsplan, geldt een ‘nee, tenzij’ afweging.

Quickscan Natuurtoets Hondemotsweg 30 Raalte

Pagina | 5

Dit houdt kortweg in dat significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN niet toegestaan is. Regels voor beoordeling van effecten op het NNN zijn vastgelegd in provinciale verordeningen. De wezenlijke kenmerken en waarden zijn gekoppeld aan natuurdoelen. Wanneer bij een ontwikkeling mogelijke effecten op het NNN niet uitgesloten kunnen worden, is het noodzakelijk een NNN toetsing uit te voeren.

2.4

Algemene opzet en werkwijze onderzoeksmethodiek Dit natuurwaardenonderzoek betreft een inschatting van de (potentiële) aanwezigheid van en mogelijke nadelige effecten op beschermde soorten planten en dieren, wezenlijke kenmerken en waarden en instandhoudingsdoelen in het kader van de natuurwetgeving. Aan de hand van het veldbezoek en de geraadpleegde bronnen is op basis van expert judgement een inschatting gemaakt van het (potentieel) voorkomen van (functies van) beschermde flora en fauna en Habitattypen in en rond het plangebied. Op basis van beschreven ingrepen is een inschatting gemaakt van te verwachten negatieve effecten op de (potentieel) aanwezige beschermde soorten, soortfuncties en gebieden. De mogelijk negatieve effecten zijn getoetst aan de Wnb en het NNN beleid. Tot slot wordt geadviseerd over de noodzaak tot het nemen van mitigerende (verzachtende of inpassings-) of compenserende maatregelen, dan wel de noodzaak tot het uitvoeren van vervolgonderzoek. Bronnenonderzoek Het bronnenonderzoek gaat uit van bestaande en beschikbare gegevens. Voor een actueel overzicht van beschermde soorten die in de regio voorkomen zijn verspreidingsgegevens van internetmedia (o.a. het NDFF) en diverse verspreidingsatlassen van relevante soortgroepen en (jaar)verslagen van Particuliere Gegevensbeherende Organisaties (PGO’s) geraadpleegd (zie geraadpleegde bronnen).

Oriënterend terreinbezoek Het plangebied is op 18 juni 2020 bezocht. Tijdens het veldbezoek is zoveel mogelijk concrete informatie verzameld met betrekking tot de aan- of afwezigheid van beschermde soorten, o.a. zicht- en geluidswaarnemingen, sporenonderzoek naar de aanwezigheid van pootafdrukken, nesten, holen, uitwerpselen, haren, etc. Op basis van terreinkenmerken is beoordeeld of het terrein geschikt is voor de in de regio voorkomende beschermde soorten. Expert judgement Een quickscan natuurtoets is een momentopname door het jaar heen. De onderzoeksdatum is doorgaans niet geheel representatief voor onderzoek naar alle beschermde plant- en diersoorten onder de Wnb. Desondanks wordt, door het toepassen van expert judgement tijdens de quickscanfase een goed beeld verkregen van de te verwachten beschermde soorten in het onderzoeksgebied. Expert judgement betekent in deze, dat een ervaren en ecologisch HBO geschoolde (veld)ecoloog op basis van abiotische, biotische en antropogene kenmerken van het onderzoeksgebied en omliggend terrein, een inschatting maakt van de trefkans van beschermde planten diersoorten in het onderzoeksgebied.

Tijdens het toepassen van expert judgement wordt gekeken naar onder andere aanwezige standplaatsfactoren, terreingesteldheid, habitat- en biotoopkenmerken, verspreidingsgegevens, zicht- en geluidswaarnemingen, sporen, nesten, holen, uitwerpselen, haren, etc.

Quickscan Natuurtoets Hondemotsweg 30 Raalte

Pagina | 6

Gebruikte onderzoeksinstrumenten Bij dit onderzoek zijn de volgende instrumenten gebruikt:    

verrekijker (Leica Trinovid HD 10x32); bluetooth speaker (JBL Charge 3); warmebeeldcamera (Pulsar XP38); digitale fotocamera (Canon DSLR met groothoek lens).

Uitvoering Het ecologisch onderzoek om tot beantwoording te komen van de onderzoeksvragen is uitgevoerd middels volgend schematisch overzicht (figuur 1).

Onderzoeksvragen

Inventarisatiefase

Analysefase

Synthesefase

Bronnenonderzoek, veldbezoek en expert judgement

Resultaten

Conclusie en aanbevelingen

Fig. 1: Schematische weergave onderzoeksmethodiek.

Quickscan Natuurtoets Hondemotsweg 30 Raalte

Pagina | 7

PLANGEBIED & INGREPEN 3.1

Plangebied huidige situatie Het plangebied ligt in het buitengebied ten noordwesten van Raalte aan de Hondemotsweg nummer 30. Het onderzoeksgebied betreft een perceel met meerdere caravanstalling loodsen en schuren met omliggend grijs en groen (fig. 2, 3 en 4 en foto-impressie bijlage I).

3.2

Beschrijving geplande ingrepen toekomstige situatie Gepland staat de asbesthoudende daken van de loodsen te vervangen, de dakcontructie te vervangen en enkele (delen van) schuren te slopen. De daaruit voortvloeiende ingrepen zijn het amoveren van (delen van) schuren en de bewuste daken met dakcontructies en het plaatsen van nieuwe daken met dakcontructies. Er worden geen bomen gekapt. In figuur 2 wordt de globale situering van het plangebied weergegeven (rode arcering). In figuur 3 en 4 volgt een verdere uitzooming van het plangebied (rode arcering) in de omgeving en regio. Foto’s van het plangebied zijn opgenomen in bijlage I.

Fig. 2: Globale situering plangebied / onderzoeksgebied (rode arcering, bron: PDok).

Quickscan Natuurtoets Hondemotsweg 30 Raalte

Pagina | 8

Fig. 3: Globale situering plangebied (rode arcering) versus directe omgeving (bron: PDok).

Fig. 4: Globale situering plangebied (rode arcering) versus regio (bron: PDok).

Quickscan Natuurtoets Hondemotsweg 30 Raalte

Pagina | 9

NATUURWAARDENONDERZOEK In dit hoofdstuk zijn de (potentiële) aan- of afwezigheid van de onderzochte plant- en diersoorten in het onderzoeksgebied onderbouwd. De relevante soorten zijn nader toegelicht.

4.1

Veldbezoek Tijdens het veldbezoek, is een oriënterende inventarisatie uitgevoerd van de (potentie van) aanwezige beschermde soorten Wnb in en rond het plangebied, met de nadruk op de niet vrijgestelde beschermde soorten Wnb. De waarnemingscondities waren gunstig voor het uitvoeren van oriënterend ecologisch veldonderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd tijdens gunstig weer, de bodemvegetatie was zichtbaar en het was droog met weinig wind. Door het toepassen van expert judgement (§2.4), is de onderzoeksdatum representatief voor oriënterend ecologisch onderzoek naar de aanwezigheid van alle beschermde plant- en diersoorten onder de Wnb in en rond het plangebied. Er is een goed beeld verkregen van de aanwezige en in potentie te verwachten beschermde soorten Wnb in het plangebied. Tabel 1: Waarnemingscondities veldbezoek Datum 18 juni 2020

4.2

Begintijd 09:00

Eindtijd 11:30

Weersomstandigheden Wind 1B, bewolking 8/8, droog, 18°C

Flora In het onderzoeksgebied zijn de volgende biotopen (CBS, 2005) aangetroffen: 

526: Binnensteden en woonwijken.

De onderzoeksdatum is niet geheel representatief voor onderzoek naar plantensoorten. Desondanks is door het toepassen van expert judgement een goed beeld verkregen van de te verwachten soorten in het onderzoeksgebied. In het onderzoeksgebied zijn alleen algemene plantensoorten aangetroffen en te verwachten van voedselrijk agrarisch gebied. Ontheffingsplichtige of rode lijst plantensoorten binnen de Wnb zijn niet aangetroffen in het onderzoeksgebied tijdens het veldonderzoek en worden gezien de terreingesteldheid, aangetroffen soortensamenstelling en bekende verspreidingsgegevens ook niet verwacht.

Quickscan Natuurtoets Hondemotsweg 30 Raalte

Pagina | 10

4.3

Grondgebonden Zoogdieren Vrijgestelde soorten In het onderzoeksgebied zijn incidenteel vaste verblijfplaatsen van “algemene” grondgebonden zoogdiersoorten te verwachten, zoals huismuis, huisspitsmuis, veldmuis, rosse woelmuis, bruine rat en konijn. Ontheffingsplichtige soorten Er zijn in het onderzoeksgebied geen (sporen van) ontheffingsplichtige soorten grondgebonden zoogdieren aangetroffen en dezen worden gezien de terreingesteldheid en afwezigheid van sporen ook niet verwacht.

4.4

Vleermuizen In Tabel 2 is weergegeven welke combinatie van soorten en functies (potentieel) voorkomen in het onderzoeksgebied / plangebied. Potentiële rust- of verblijfplaatsen Verblijfplaatsen bevinden zich in donkere en voor vleermuizen bereikbare ruimten in boomholten, huizen, kelders etc. De loodsen en schuurtjes binnen het plangebied zijn van binnen te licht om geschikt te kunnen zijn als vaste rust- of verblijfplaats voor vleermuizen. In Tabel 2 is weergegeven welke combinatie van soorten en functies potentieel voorkomen in het plangebied. Potentiële vliegroutes Van veel vleermuissoorten is bekend dat zij gedurende lange tijd gebruik kunnen maken van dezelfde ruimtelijke structuren voor oriëntatie en via deze verbindingselementen van hun verblijfplaats naar de foerageergebieden trekken en weer terug. Vanwege dit traditiegetrouwe gedrag van vleermuizen vormen bepaalde lijnvormige structuren (bv. rijen woningen, watergangen, rijen bomen en singels) een belangrijk onderdeel van een vliegroute. In het onderzoeksgebied zijn geen doorlopende lijnvormige elementen aangetroffen die kunnen dienen als vliegroute voor vleermuizen (tabel 2). Potentieel foerageergebied Vleermuizen foerageren op locaties waar insecten aanwezig zijn, bijvoorbeeld langs randen van bossen en bomenrijen, bij lantaarnpalen, bij veehouderijen of boven open terreinen of water.

Verwacht wordt dat het onderzoeksgebied, gezien aanwezige luwtedelen en plat dak, deel uitmaakt van foerageerroutes, -gebieden van vleermuizen (tabel 2).

4.5

Vogels Aangezien dit natuurwaardenonderzoek een quickscan betreft, is geen volledige broedvogelinventarisatie uitgevoerd. Op basis van het uitgevoerde veldbezoek in combinatie met de terreingesteldheid, bekende verspreidingsgegevens en expert judgement is echter wel een goede uitspraak te doen over de te verwachten soorten. Jaarrond beschermde nesten Het onderzoeksgebied is audiovisueel afgezocht op de aanwezigheid van (sporen van) vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten als steenuil, kerkuil, huismus, gierzwaluw en huiszwaluw.

Quickscan Natuurtoets Hondemotsweg 30 Raalte

Pagina | 11

Tijdens het veldbezoek zijn geen (sporen, rust- of verblijfplaatsen van) vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten aangetroffen, deze worden dan ook niet verwacht. Vanwege de terreingesteldheid, afwezigheid van zicht- en geluidswaarnemingen, sporen, nesten, uitwerpselen etc. tijdens het veldbezoek, vormt het onderzoeksgebied geen essentieel leefgebied van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten. Jaarrond beschermd functioneel leefgebied Het onderzoeksgebied is audiovisueel afgezocht op de aanwezigheid van (sporen van) vogelsoorten met jaarrond beschermd functioneel leefgebied. Tijdens het veldbezoek zijn geen (sporen, rust- of verblijfplaatsen van) vogelsoorten met jaarrond beschermd functioneel leefgebied aangetroffen. Deze worden dan ook niet verwacht Overige broedvogels Gezien de terreingesteldheid, worden in het onderzoeksgebied verder alleen functies van algemene broedvogels verwacht van agrarische gebieden.

Rosse vleermuis Laatvlieger Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Kleine dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis

Foerageerroute

Vliegroute

Winterverblijfplaats

Paarverblijfplaats

Kraamverblijfplaats

Zomerverblijfplaats

Tabel 2: De potentieel voorkomende vleermuizen en aanwezige functies in en rond het onderzoeksgebied.

x x x x x x

X = potentieel aanwezig

4.6

Amfibieën, reptielen en vissen Vanwege de terreingesteldheid en situering van het onderzoeksgebied ten opzichte van omliggende sloten, kunnen incidenteel foeragerende exemplaren van de bruine kikker, gewone pad en bastaardkikker in het plangebied worden verwacht. Gezien de terreingesteldheid en verspreidingsgegevens worden geen ontheffingsplichtige beschermde soorten amfibieën, reptielen of vissen verwacht in of direct rond het onderzoeksgebied.

Quickscan Natuurtoets Hondemotsweg 30 Raalte

Pagina | 12

4.7

Dagvlinders, libellen, overige insecten en ongewervelde De onderzoeksdatum is niet geheel representatief voor onderzoek naar dagvlinders, libellen en overige insecten en ongewervelde. Desondanks is door het toepassen van expert judgement een goed beeld verkregen van de te verwachten soorten in het onderzoeksgebied. In het onderzoeksgebied zijn geen beschermde soorten dagvlinders, libellen, overige insecten en ongewervelde aangetroffen. Gezien de terreingesteldheid, ligging en verspreidingsgegevens, worden in en rond het onderzoeksgebied ook geen beschermde soorten uit deze soortgroepen verwacht.

Quickscan Natuurtoets Hondemotsweg 30 Raalte

Pagina | 13

EFFECTENTOETSING SOORTBESCHERMING

5.1

Mogelijk optredende effecten Op basis van de onderzoeksresultaten en de te verwachten effecten van de ingrepen is een toetsing aan de soortbescherming Wnb uitgevoerd. De geplande ingrepen (§3.2) kunnen potentieel overtreding van de onderstaande verbodsbepalingen van Hoofdstuk 3 Wnb inhouden. Wettelijk kader Wet natuurbescherming: Hoofdstuk 3. Soorten §3.1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn. Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. §3.2. Beschermingsregime soorten Habitatsrichtlijn. Artikel 3.5 1.

Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. §3.3. Beschermingsregime andere soorten. Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c.

vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Quickscan Natuurtoets Hondemotsweg 30 Raalte

Pagina | 14

5.2

Kwalificerende N2000 Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten Enigzins binnen de externe invloedsfeer op een afstand van ca. 5,8 kilometer zuidoostelijk van het plangebied ligt het N2000 gebied Boetelerveld (figuur 5). Het N2000 aanwijzingsbesluit is weergegeven in bijlage II. Met behulp van de effectenindicator van het Ministerie kan een oriëntatie worden uitgevoerd naar potentiële (significante) negatieve effecten op kwalificerende soorten door bepaalde activiteiten. De effectenindicator geeft informatie over de meest voorkomende storingsfactoren en de gevoeligheid hiervoor van de aangewezen beschermde Habitat- of Vogelrichtlijnsoorten. In figuur 6 zijn de resultaten van de effectenindicator en daarmee de potentiële optredende storingsfactoren voor het betreffende Natura2000 gebied opgenomen ten aanzien van de activiteit woningbouw. In deze paragraaf wordt verder ingegaan op de eventuele effecten die de geplande ruimtelijke ingrepen kunnen hebben op de kwalificerende Habitat- of Vogelrichtlijnsoorten van het dichstbijzijnde N2000 gebied. Effectenbeoordeling potentiële storingsfactoren N2000 Vanwege de aard van de ingrepen en de ligging / terreingesteldheid van het plangebied kunnen de volgende negatieve effecten op kwalificerende N2000 soorten door de effectenindicator opgesomde storingsfactoren worden uitgesloten.

Oppervlakteverlies (1) en versnippering (2) Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van een beschermd N2000 gebied. Uit het natuurwaardenonderzoek blijkt dat de kwalificerende N2000 soorten niet zijn aangetroffen of te verwachten zijn in het plangebied. Vanwege de geplande ingrepen treedt geen oppervlakteverlies of versnippering op omdat het plangebied buiten de N2000 begrenzing ligt.

Fig. 5: Globale begrenzing plangebied (rode arcering) versus omliggende N2000 gebieden (gele arcering. Bron: PDok).

Quickscan Natuurtoets Hondemotsweg 30 Raalte

Pagina | 15

Fig. 6: Potentieel optredende storingsfactoren op beschermde Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten Natura2000 door activiteit woningbouw (bron: www.synbiosys.alterra.nl).

Verontreiniging (7) Verontreiniging heeft meestal betrekking op afstroming van water (‘run-off’) met daarin bijvoorbeeld zware metalen, organische stoffen of strooizout. Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van een beschermd N2000 gebied. Door de geplande ingrepen komen geen verhoogde concentraties gebieds- , ecosysteem vreemde stoffen vrij. Er wordt gewerkt volgens de reguliere wettelijke normen, waardoor negatieve effecten als gevolg van verontreiniging op kwalificerende N2000 soorten daarom niet aan de orde zijn. Dit aspect wordt derhalve niet verder in deze effectenbeoordeling meegenomen. Verdroging (8) Door de geplande ingrepen treedt geen verandering op in lokale en regionale kweldruk aangezien het grondwaterpeil onveranderd blijft ten opzichte van de huidige situatie. Er zijn geen veranderingen in de grondwaterhuishouding. Negatieve effecten op kwalificerende soorten als gevolg van verdroging zijn daardoor uit te sluiten. Dit aspect wordt derhalve niet verder in deze effectenbeoordeling meegenomen. Verstoring door geluid (13), licht (14), trilling (15), optische verstoring (16) en mechanische effecten (17) Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van een beschermd N2000 gebied. Uit het natuurwaardenonderzoek blijkt dat de kwalificerende N2000 soorten niet zijn aangetroffen of te verwachten zijn in het plangebied.

Gezien de afstand van het plangebied tot het N2000 gebied en de ligging, wordt het onwaarschijnlijk geacht dat de geplande ingrepen leiden tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van kwalificerende N2000 soorten. Gezien de beperkte locale aard van de activiteiten die gepaard gaan met de geplande ingrepen, kunnen nadelige effecten door geluid, licht, trilling, optische verstoring of verstoring door mechanische effecten worden uitgesloten.

Quickscan Natuurtoets Hondemotsweg 30 Raalte

Pagina | 16

Cumulatieve effecten Voor zover bekend, is er ten aanzien van de geplande ingrepen, op dit moment geen sprake van cumulatieve effecten.

5.3

Flora, dagvlinders, libellen, reptielen, vissen, overige insecten en ongewervelde Uit de resultaten van het natuurwaardenonderzoek blijkt dat het voorkomen van beschermde ontheffingsplichtige soorten uit deze soortgroepen in het plangebied, vanwege de terreingesteldheid, situering van het plangebied en verspreidingsgegevens, redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Negatieve effecten op soorten uit deze soortgroepen, door de geplande ingrepen, zijn daarmee redelijkerwijs uit te sluiten. De geplande ingrepen houden voor deze soortgroepen dan ook geen overtreding van de verbodsbepalingen Wnb in.

5.4

Amfibieën en grondgebonden zoogdieren Vrijgestelde soorten Door de geplande ingrepen zijn er mogelijk tijdelijk negatieve effecten op de foerageermogelijkheden en verblijfplaatsen van “algemene” amfibieën en grondgebonden zoogdieren. Voor “algemene” amfibieën en grondgebonden zoogdieren geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen vrijstelling van de verboden zoals opgenomen in artikel 3.10 Wnb. Ontheffingsplichtige soorten Er zijn geen ontheffingsplichtige soorten amfibieën of grondgebonden zoogdieren aangetroffen en dezen worden ook niet verwacht in het plangebied. De ingrepen houden voor deze soorten dan ook geen overtreding van de verbodsbepalingen Wnb in.

5.5

Vleermuizen Uit de resultaten van het natuurwaardenonderzoek blijkt dat in het plangebied vaste rust- of verblijfplaatsfuncties en essentiële vliegroutes van vleermuizen uitgesloten kunnen worden. De geplande ingrepen houden voor wat betreft vaste rust- of verblijfplaatsfuncties en vliegroutes van vleermuizen dan ook geen overtreding van de verbodsbepalingen Wnb in. Het plangebied wordt verder potentieel gebruikt door vleermuizen als foerageerroute en -gebied. Gezien de hoeveelheid alternatief foerageergebied in de directe omgeving, wordt door de geplande ingrepen geen negatieve effecten verwacht op de foerageermogelijkheden van vleermuizen. In Tabel 3 is weergegeven op welke in het onderzoekgebied potentieel voorkomende combinatie van soortfuncties mogelijk negatieve effecten te verwachten zijn.

Quickscan Natuurtoets Hondemotsweg 30 Raalte

Pagina | 17

Foerageerroute

Vliegroute

Winterverblijfplaats

Paarverblijfplaats

Kraamverblijfplaats

Zomerverblijfplaats

Tabel 3: De potentieel voorkomende combinatie van soortfuncties in en rond het plangebied en mogelijke negatieve effecten.

Rosse vleermuis Bosvleermuis Laatvlieger Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Kleine dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis

x x x x x x x

X = potentieel aanwezig = Negatief effect niet te verwachten = Negatief effect niet uitgesloten

5.6

Vogels Alle broedvogels zijn gedurende hun broedseizoen beschermd en mogen in deze periode niet verstoord of geschaad worden. Als broedseizoen wordt gehanteerd: periode van nestbouw, periode van broed op de eieren en de periode dat de jongen op het nest gevoerd worden. Jaarrond beschermde nesten Uit de resultaten van het natuurwaardenonderzoek blijkt dat in het plangebied geen vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten zijn aangetroffen of worden verwacht. Vanwege de terreingesteldheid, afwezigheid van zicht- en geluidswaarnemingen, sporen, nesten, uitwerpselen etc. tijdens het veldbezoek, vormt het onderzoeksgebied tevens geen essentieel leefgebied van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten. De geplande ingrepen houden voor wat betreft vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten en essentieel leefgebied dan ook geen overtreding van de verbodsbepalingen Wnb in. Jaarrond beschermd functioneel leefgebied In het onderzoeksgebied zijn geen vogelsoorten te verwachten met jaarrond beschermd functioneel leefgebied. In de directe omgeving van het plangebied is voldoende leefgebied aanwezig voor eventueel aanwezige soorten buiten het plangebied, waardoor de geplande ingrepen voor deze soortgroep dan ook geen overtreding van de verbodsbepalingen Wnb inhouden.

Overige broedvogels Gezien de terreingesteldheid, worden in het onderzoeksgebied verder alleen functies van algemene broedvogels verwacht van agrarische gebieden.

Quickscan Natuurtoets Hondemotsweg 30 Raalte

Pagina | 18

EFFECTENTOETSING GEBIEDSBESCHERMING Op basis van de onderzoeksresultaten en de te verwachten effecten van de ingrepen is een toetsing aan de gebiedsbescherming Wnb, NNN beleid en beschermde houtopstanden Wnb uitgevoerd. Hierdoor is inzichtelijk gemaakt of door de geplande ingrepen mogelijk negatieve effecten te verwachten zijn op beschermde N2000 en NNN gebieden of beschermde houtopstanden en of hiervoor een passende beoordeling, danwel een ontheffing / vrijstelling / kapmelding in het kader van de Wnb of NNN vereist is.

6.1

Effectentoetsing Habitattypen N2000 Wnb In een oriënterende toetsing aan de gebiedsbescherming Wnb dient nagegaan te worden of het optreden van (significante) negatieve effecten op aangewezen Habitattypen door activiteiten en ontwikkelingen in of nabij N2000 gebieden al dan niet met zekerheid kunnen worden uitgesloten. In sommige situaties dienen ook ruimtelijke ingrepen buiten de begrenzing van deze gebieden getoetst te worden op mogelijke schadelijke uitstralende effecten, de zogeheten ‘externe werking’. Enigzins binnen de externe invloedsfeer op een afstand van ca. 5,8 kilometer zuidoostelijk van het plangebied ligt het N2000 gebied Boetelerveld (gele arcering figuur 5). Het N2000 aanwijzingsbesluit is weergegeven in bijlage II. Met behulp van de effectenindicator van het Ministerie van EZ, kan een oriëntatie worden uitgevoerd naar potentiële (significante) negatieve effecten op kwalificerende Habitattypen door bepaalde activiteiten. De effectenindicator geeft informatie over de meest voorkomende storingsfactoren en de gevoeligheid hiervoor van de aangewezen beschermde Habitattypen. In figuur 8 zijn de resultaten van de effectenindicator en daarmee de potentiële optredende storingsfactoren voor het Natura2000 gebied opgenomen ten aanzien van de activiteit woningbouw.

In deze paragraaf wordt verder ingegaan op de eventuele effecten die de geplande ruimtelijke ingrepen kunnen hebben op de kwalificerende Habitattypen van het N2000 gebied. Effectenbeoordeling potentiële storingsfactoren N2000 Vanwege de aard van de ingrepen en de ligging / terreingesteldheid van het plangebied kunnen de volgende negatieve effecten op kwalificerende N2000 Habitattypen door de storingsindicator opgesomde storingsfactoren worden uitgesloten. Oppervlakteverlies (1) en versnippering (2) Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van een beschermd N2000 gebied. Uit het natuurwaardenonderzoek blijkt dat de kwalificerende Habitattypen niet zijn aangetroffen of te verwachten zijn in het plangebied. Hierdoor treedt vanwege de geplande werkzaamheden geen oppervlakteverlies of versnippering op. Deze aspecten worden derhalve niet verder in deze effectenbeoordeling meegenomen. Verontreiniging (7) Verontreiniging heeft meestal betrekking op afstroming van water (‘run-off’) met daarin bijvoorbeeld zware metalen, organische stoffen of strooizout. Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van een beschermd N2000 gebied.

Quickscan Natuurtoets Hondemotsweg 30 Raalte

Pagina | 19

Uit het natuurwaardenonderzoek blijkt dat de kwalificerende Habitattypen niet zijn aangetroffen of te verwachten zijn in het plangebied. Door de geplande ingrepen komen geen verhoogde concentraties gebieds- , ecosysteem vreemde stoffen vrij. Er wordt gewerkt volgens de reguliere wettelijke normen, waardoor negatieve effecten als gevolg van verontreiniging op kwalificerende Habitattypen niet aan de orde zijn. Dit aspect wordt derhalve niet verder in deze effectenbeoordeling meegenomen.

Fig.7: Potentieel optredende storingsfactoren op beschermde Habitattypen Natura2000 door activiteit woningbouw (bron: synbiosys.alterra.nl).

Verdroging (8) Door de geplande ingrepen treedt geen verandering op in lokale en regionale kweldruk aangezien het grondwaterpeil onveranderd blijft ten opzichte van de huidige situatie. Er zijn geen veranderingen in de (grond)waterhuishouding. Negatieve effecten op kwalificerende Habitattypen als gevolg van verdroging zijn daardoor uit te sluiten. Dit aspect wordt derhalve niet verder in deze effectenbeoordeling meegenomen. Verstoring door optische verstoring (16) en mechanische effecten (17) Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van een beschermd N2000 gebied. Uit het natuurwaardenonderzoek blijkt dat de kwalificerende Habitattypen niet zijn aangetroffen of te verwachten zijn in het plangebied. Habitattypen zijn niet gevoelig voor verstoring door licht, geluid of trilling.

Quickscan Natuurtoets Hondemotsweg 30 Raalte

Pagina | 20

Gezien de afstand van het plangebied ten opzichte van het N2000-gebied, de beperkte locale activiteiten die gepaard gaan met de geplande ingrepen en de ligging van het plangebied, kunnen nadelige effecten door geluid, licht, trilling, optische verstoring of verstoring door mechanische effecten worden uitgesloten. Dit aspect wordt derhalve niet verder in deze effectenbeoordeling meegenomen. Cumulatieve effecten Voor zover bekend, is er ten aanzien van de geplande ingrepen geen sprake van cumulatieve effecten.

6.2

Beschermde Houtopstanden Wnb In de Wnb zijn bomen, bossen, houtwallen, heester- en struikhagen, struwelen en beplantingen van bosplantsoenen beschermd als:  de houtopstand buiten de 'bebouwde kom Wet natuurbescherming' ligt;  de houtopstand groter is dan 10 are (1.000 m2);  het om bomen gaat in een rijbeplanting van meer dan 20 bomen. Er worden geenhoutopstanden gekapt in het plangebied. Hierdoor zijn negatieve effecten op beschermde houtopstanden of een overtreding van de Wnb voor wat betreft het kappen of verwijderen van beschermde houtopstanden uitgesloten.

6.3

Effectentoetsing NNN beleid Het NNN bestaat in Overijssel uit een netwerk van natuur- en groen-blauwe landschapselementen, waaronder de Ecologische Hoofstructuur (EHS) en de Zone Ondernemen met Natuur en Water (ONW) figuur 8.

Fig. 8: Plangebied (rode arcering) versus omliggende NNN gebieden (groene arcering. Bron: PDok).

Quickscan Natuurtoets Hondemotsweg 30 Raalte

Pagina | 21

In de ONW gebieden buiten de EHS is ruimte voor economische ontwikkeling, in combinatie met versterking van natuur, landschap en water. In de zone ONW geldt voor ruimtelijke ontwikkelingen een ‘Ja, mits' principe. De bestaande functies zijn uitgangspunt voor de bestemmingen in dit deelgebied. Het plangebied ligt niet binnen de EHS of ONW begrenzing. Er is geen afname van EHS of ONW areaal en er wordt niet binnen de EHS of ONW begrenzing gewerkt. De geplande ingrepen veroorzaken daarmee geen negatieve effecten op de samenhang en kwaliteit van de bestaande flora en fauna, natuur-, bos- en landschapselementen en gebieden die aangewezen zijn voor groene en blauwe nieuwe natuur. Negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS en ONW gebieden, zijn daarmee uitgesloten. De geplande ingrepen passen daarnaast binnen de gewenste ontwikkelingen in Overijssel.

Quickscan Natuurtoets Hondemotsweg 30 Raalte

Pagina | 22

CONCLUSIES & AANBEVELINGEN EcoMilieu Advies heeft een ecologische oriëntatie natuurwetgeving uitgevoerd inzake de onderbouwing voor ruimtelijke planvorming op locatie Hondemotsweg nummer 30 te Raalte, gemeente Raalte, provincie Overijssel. Het onderzoeksgebied betreft een perceel met meerdere caravanstalling loodsen en schuren met omliggend grijs en groen. Gepland staat de asbesthoudende daken van de loodsen te vervangen, de dakcontructies te vervangen en enkele (delen van) schuren te slopen. De daaruit voortvloeiende ingrepen zijn het amoveren van (delen van) schuren en de bewuste daken met dakcontructies en het plaatsen van nieuwe daken met dakcontructies. Er worden geen bomen gekapt. Het plangebied ligt niet in het Overijsselse deel van het NNN en ligt op een afstand vanaf 5,8 kilometer ten opzichte van omliggende Natura2000 gebieden. In onderhavig rapport is een oriëntatie uitgevoerd aan gebieds- en soortbescherming in het kader van de Wnb en het NNN beleid.

7.1

Conclusies en aanbevelingen Soortbescherming Wnb Uit de effectentoetsing Soortbescherming Wet natuurbescherming wordt geconcludeerd dat bij uitvoering van de geplande ingrepen negatieve effecten mogelijk zijn op: 

(Broed)vogels;

Er worden door de geplande ingrepen geen negatieve effecten verwacht op de overige beschermde ontheffingsplichtige soorten of aanwezige functies. (Broed)vogels Gedurende de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen van vogels. Verstoring van broedgevallen van vogels dient ten alle tijde te worden voorkomen. Voor de in het plangebied te verwachten vogelsoorten kan hiermee rekening gehouden worden door werkzaamheden buiten de broedperiode uit te voeren. Voor het broedseizoen wordt geen standaardperiode gehanteerd, globaal wordt de periode half maart tot medio juli aangehouden. Hierbij dient rekening gehouden te worden met het feit dat veel vogels meerdere legsels per jaar kunnen hebben. Om te voorkomen dat vogels tot broeden komen binnen het plangebied kunnen voorbereidende maatregelen worden getroffen om het plangebied ongeschikt te maken. Zorgplicht en vrijgestelde grondgebonden zoogdieren en amfibieën Indien de planning het toelaat, kan schade aan de algemene vrijgestelde grondgebonden zoogdieren en amfibieën worden geminimaliseerd door werkzaamheden zoveel als mogelijk uit te voeren buiten de voortplantingsperiode februari t/m augustus. De minst schadelijke periode is de vorstvrije periode in september t/m november.

Quickscan Natuurtoets Hondemotsweg 30 Raalte

Pagina | 23

Wettelijk kader Wet natuurbescherming: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen §1.3. Beschermingsmaatregelen algemeen. Artikel 1.11. (Zorgplicht) Voor de Nederlandse soort- en gebiedsbescherming gelden tevens de algemene beschermingsmaatregelen van Artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming: 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde.

7.2

Conclusies bescherming Gebieden en houtopstanden Wnb en NNN Gebiedsbescherming Wet natuurbescherming Enigzins binnen de externe invloedsfeer op een afstand van ca. 5,8 kilometer zuidoostelijk van het plangebied ligt het N2000 gebied Boetelerveld. Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van een beschermd N2000 gebied. Gezien de locale aard van de geplande ingrepen en afstand ten opzichte van omliggende N2000 gebieden wordt het onwaarschijnlijk geacht dat de geplande ingrepen leiden tot negatieve effecten op kwalificerende Habitattypen. Vervolgstappen in het kader van de Gebiedsbescherming Wet natuurbescherming zijn dan ook niet aan de orde. Beschermde houtopstanden Wnb Door de geplande ingrepen worden geen negatieve effecten op beschermde houtopstanden of een overtreding van de Wnb verwacht voor wat betreft beschermde houtopstanden. Een overtreding van de Wnb voor wat beschermde houtopstanden is uitgesloten. Natuurnetwerk Nederland beleid Het plangebied ligt niet binnen de Overijsselse NNN begrenzing. Er is geen afname van NNN areaal en er wordt niet binnen de NNN begrenzing gewerkt. Door de geplande ingrepen kunnen negatieve effecten op het NNN uitgesloten worden. Vervolgstappen in het kader van het NNN beleid zijn dan ook niet aan de orde.

Quickscan Natuurtoets Hondemotsweg 30 Raalte

Pagina | 24

7.3

Aanbevelingen bovenwettelijke maatregelen Bovenwettelijke maatregelen zijn natuurinclusieve inpassingsmaatregelen die wettelijk gezien niet verplicht zijn om een project te realiseren. Duurzaam behoud en ontwikkeling van de biodiversiteit in de ruimtelijke omgeving blijkt echter steeds belangrijker te zijn voor de mens. Vogels en vleermuizen zijn bijv. belangrijke biocontrollers (natuurlijke bestrijders) die plaagsoorten als de eikenprocessierupsen, muggen, slakken, wespen, muizen, ratten, etc. effectief en gratis bestrijden. Door tijdens ruimtelijke ontwikkelingen zoals renovatie en nieuwbouw met eenvoudige duurzame houtbetonnen voorzieningen (van bijv. waveka.nl of vivara.nl) in of aan gebouwen natuurinclusief te bouwen, helpt u de natuur te verduurzamen, maar ook zeker de eigen omgeving plaagvrij en leefbaar te houden. Voor dit project kunnen o.a. de volgende natuurinclusieve aanbevelingen gedaan worden:    

Voor de beschermde huismus kunnen vogelvides onder de hoeken van dakpannen toegepast worden idpv vogelschroten of kunnen houtbetonnen nestkasten ingemetseld worden of aan de buitenmuur opgehangen worden. Voor de mezen (natuurlijke bestrijding eikenprocessierupsen) kunnen houtbetonnen nestkasten aan de buitenmuur opgehangen worden. Voor de steenuilen of kerkuilen (natuurlijke bestrijding eikenprocessierupsen, muizen en ratten), kunnen nestkasten opgehangen worden die kunnen dienen als rust- of nestplaats. Voor vleermuizen (natuurlijke bestrijding eikenprocessie(rups)vlinders, muggen, etc.) kunnen houtbetonnen vleermuiskasten opgehangen worden of in de buitenmuur worden gemetseld. Als vleermuizen via de nokpannen in een spouwmuur kunnen komen via een kleine ruimte van 3 x 2 cm is dat beter dan een vleermuiskast. Vleermuizen kunnen 10-tallen vlinders van de eikenprocessierups eten per nacht, die vervolgens geen eieren meer kunnen afzetten op de bomen. Door bij een eventuele beplantingsplan, rekening te houden met de aanplant van rijkelijk bloeiende nectarhoudende bomen en struiken, kunnen de bovenstaande en andere biocontrollers naar uw perceel gelokt worden, om daar hun werk te doen en duurzaam verblijf te nemen. Voor de egel (bestrijding van slakken en insecten) is de aanplant van heesters van belang als vaste verblijf- en voortplantingsplaats.

Er zijn veel soorten natuurinclusieve maatregelen mogelijk. Voor een overzicht van de mogelijkheden om deze en andere natuurinclusieve maatregelen duurzaam in uw project in te passen, wordt doorverwezen naar de volgende links: 

https://www.rvo.nl/onderwerpen/duurzaam-ondernemen/gebouwen/techniekenbeheer-en-innovatie/natuurinclusief-bouwen

https://www.arnhemklimaatbestendig.nl/wp-content/uploads/20190228Natuurinclusief-bouwen-en-ontwerpen-TOE-Brochure-NIB-2018-v4.pdf

https://www.waveka.nl

https://www.vivara.nl

Quickscan Natuurtoets Hondemotsweg 30 Raalte

Pagina | 25

GERAADPLEEGDE BRONNEN Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill, 2011. Vleermuizen, alle soorten vleermuizen van Europa en Noordwest-Afrika. Tirion Natuur i.s.m. Zoogdierverenining. Kapteyn, K., 1995. Vleermuizen in het landschap; Over hun ecologie, gedrag en verspreiding. Schuyt & Co Uitgevers en Importeurs BV/ Provincie NoordHolland, Haarlem. Krijgsveld, K.L., et al, 2008. Verstoringsgevoeligheid van vogels: Update literatuurstudie naar de reacties van vogels op recreatie. Vogelbescherming Nederland. Gegevensautoriteit Natuur BIJ12, Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging, 2017. Het protocol voor vleermuisinventarisaties. Lange, R., P. Twisk , A. van Winden & A. van Diepenbeek, 2003. Zoogdieren van WestEuropa. Stichting Uitgeverij van de KNNV en VZZ i.s.m. Vereniging Natuurmonumenten. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers (red.), 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen, Stichting Uitgeverij van de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, Utrecht. Ministerie van LNV, 2004. Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit TRCJZ/2004/5727, houdende vaststelling van rode lijsten flora en fauna. Opzeeland, I. et al, 2007. Herrie onder water: Vissen en geluidsoverlast. De Levende Natuur,jaargang 108, nummer 2. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, 2014. Soortenstandaard Grote modderkruiper 2.0. Sierdsema, H., 1995. Broedvogels en beheer.

Het gebruik van broedvogelgegevens in het beheer van bos- en natuurterreinen. SOVON-onderzoeksrapport 1995/04. Staatsbosbeheerrapport 1995-1. SOVON, 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels. Nederlands Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij en EIS-Nederland, Leiden. Sparreboom (red.), 1981. De amfibieën en reptielen van Nederland, België en Luxemburg. Twisk, P. et al, 2010. Veldgids Europese Zoogdieren. KNNV Uitgeverij en Zoogdiervereniging. Weeda, E.J., R. Westra, Ch. Westra & T. Westra, 1994. Nederlandse oecologische flora: wilde planten en hun relaties 1 t/m 5. KNNV Uitgeverij / IVN, Utrecht. Websites: SOVON (www.sovon.nl). BIJ12 (www.ndff-ecogrid.nl). RAVON, Reptielen Amfibieën en Vissen Onderzoek Nederland. (www.ravon.nl). Rijkswaterstaat (www.rijkswaterstaat.nl). Zoogdiervereniging (www.zoogdiervereniging.nl). Wetten.Overheid (https://wetten.overheid.nl).

Quickscan Natuurtoets Hondemotsweg 30 Raalte

Pagina | 26

BIJLAGEN

Quickscan Natuurtoets Hondemotsweg 30 Raalte

Pagina | 27

BIJLAGE I: FOTO-IMPRESSIE PLANGEBIED Plangebied

Plangebied

Quickscan Natuurtoets Hondemotsweg 30 Raalte

Pagina | 28

Plangebied

Plangebied

Quickscan Natuurtoets Hondemotsweg 30 Raalte

Pagina | 29

Plangebied

Plangebied

Quickscan Natuurtoets Hondemotsweg 30 Raalte

Pagina | 30

Plangebied

Plangebied

Quickscan Natuurtoets Hondemotsweg 30 Raalte

Pagina | 31

Plangebied

Plangebied

Quickscan Natuurtoets Hondemotsweg 30 Raalte

Pagina | 32

Plangebied

Quickscan Natuurtoets Hondemotsweg 30 Raalte

Pagina | 33

BIJLAGE II: N2000 AANWIJZINGSBESLUIT

Quickscan Natuurtoets Hondemotsweg 30 Raalte

Pagina | 34

8.3 Bijlage 3 – Bodemonderzoek

48

Verkennend bodemonderzoek Hondemotsweg 30 te Raalte Project: 2020-0236

projectnummer

project

versie

datum

auteur

controle

2020-0236 1.0 De heer B. Franke

Hondemotsweg 30 te Raalte 14 juli 2020 De heer R.A. Fieten

opdrachtgever

VantErve Advies

Inhoudsopgave 1.

Aanleiding ...................................................................................................................................................... 3

2.

Vooronderzoek .............................................................................................................................................. 4 2.1

Werkwijze .............................................................................................................................................................. 4

2.2

Locatiegegevens ..................................................................................................................................................... 4

2.3

Historische informatie............................................................................................................................................ 5

2.4

Geohydrologische gegevens .................................................................................................................................. 7

3.

Uitvoering onderzoek ..................................................................................................................................... 8 3.1

Hypothese .............................................................................................................................................................. 8

3.2

Onderzoeksstrategie .............................................................................................................................................. 8

3.3

Uitvoering veldwerk ............................................................................................................................................... 8

3.4

Zintuigelijke waarnemingen ................................................................................................................................... 9

3.5

Uitvoering laboratoriumonderzoek ....................................................................................................................... 9

4.

Resultaten .................................................................................................................................................... 11 4.1

Analyseresultaten grond ...................................................................................................................................... 11

4.2

Analyseresultaten grondwater............................................................................................................................. 12

5.

Conclusies .................................................................................................................................................... 13 5.1

Resultaten grond .................................................................................................................................................. 13

5.2

Resultaten grondwater ........................................................................................................................................ 13

5.3

Conclusies en aanbevelingen ............................................................................................................................... 13

6.

Betrouwbaarheid onderzoek ........................................................................................................................ 14

Bijlagen 1.

Locatiekaart

2.

Situatieschets

3.

Boorprofielen

4.

Toetsing analyseresultaten

5.

Analyserapporten laboratorium

6.

Achtergrond-, streef- en interventiewaarden

7.

Onderzoeksstrategie NEN 5740 ‘niet verdachte’ locaties

Pagina

2 van 15

Projectnummer:

2020-0236

Datum

14 juli 2020

1.

Aanleiding

In opdracht van VantErve Advies heeft Lycens B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Hondemotsweg 30 te Raalte. Voor de ligging van deze locatie wordt verwezen naar bijlage 1, de locatiekaart.

De aanleiding voor het onderzoek is de geplande planologische procedure en de geplande herinrichting van de locatie.

Het doel van het onderzoek is het bepalen van de bodemkwaliteit op de locatie en daarmee mogelijke verontreinigingen in grond en grondwater te signaleren welke consequenties kunnen hebben voor de geplande planologische procedure en de geplande herinrichting van de locatie. Hiervoor is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater beoordeeld door het verrichten van een aantal boringen en het analyseren van een aantal grond- en grondwatermonsters.

Het onderzoek is conform de Nederlandse Norm "Onderzoeksstrategie bij verkennend bodemonderzoek" (NEN 5740) uitgevoerd.

In hoofdstuk 2 worden de resultaten van het vooronderzoek beschreven. De opzet van het onderzoek wordt in hoofdstuk 3 en de verrichte veld- en laboratoriumwerkzaamheden worden in hoofdstuk 4 beschreven. Tot slot worden in hoofdstuk 5 de resultaten en conclusies van het uitgevoerde onderzoek weergegeven en worden aanbevelingen geformuleerd.

Pagina

3 van 15

Projectnummer:

2020-0236

Datum

14 juli 2020

2.

Vooronderzoek

2.1

Werkwijze

Het vooronderzoek is uitgevoerd conform NEN5725:2017. Conform deze norm bepaald de aanleiding van het onderzoek de minimale onderzoeksaspecten. In onderstaande tabel zijn deze onderzoeksaspecten per aanleiding weergegeven. In onderhavige situatie is sprake van aanleiding A. (Bodemonderzoek). Tabel 2.1: Onderzoeksaspecten in relatie tot aanleiding van het onderzoek

Locatiegegevens

2

Bodemopbouw en geohydrologie

3

Verwachting t.a.v. de bodemkwaliteit

4

Gebruik en beïnvloeding van de locatie, verdachte situatie, activiteiten, ongewoon voorval

5

Terreinverkenning Optioneel

G: Tijdelijke uitplaatsing

F: Ontgraven of toepassen van grond

E: Opstellen bodemkwaliteitskaart

D: Partijkeuring

C: Toepassen grond of baggerspecie

A: Bodemonderzoek 1

B: Nul-/eindsituatie onderzoek

Aanleiding tot vooronderzoek

Onderzoeksaspecten

Eigendomssituatie Hoogteligging Bodemopbouw Antropogene lagen in de bodem Geohydrologie Geval van ernstige bodemverontreiniging? Kwaliteit o.b.v. Bodemkwaliteitskaart O.b.v. uitgevoerde bodemonderzoeken Voormalig Huidig Toekomst Asbestverdacht? Verplicht

Het doel van het vooronderzoek is om op basis van minimaal de verplichte aspecten in tabel 2.1 inzicht te verkrijgen in de bodemopbouw, het (historische) gebruik van de locatie, de aanwezigheid van potentieel bodembedreigende activiteiten c.q. situaties en de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging.

2.2

Locatiegegevens

De onderzoekslocatie bevindt zich in het buitengebied ten noordwesten van de kern van Raalte. De onderzoekslocatie betreft een voormalig agrarisch bedrijf. Op de locatie bevindt zich een woning met diverse opstallen. Het buitenterrein is gedeeltelijk verhard met beton, gedeeltelijk verhard met elementverharding en gedeeltelijk onverhard. De Hondemotsweg bevindt zich direct ten westen van de onderzoekslocatie. In tabel 2.2 op de volgende pagina zijn de algemene locatiegegevens weergegeven.

Op basis van de door de opdrachtgever beschikbaar gestelde gegevens verklaart Lycens B.V. dat de onderzoekslocatie geen eigendom is van Lycens B.V. of een aan Lycens B.V. gerelateerd bedrijf.

Pagina

4 van 15

Projectnummer:

2020-0236

Datum

14 juli 2020

Tabel 2.2: Locatiegegevens Locatie

Hondemotsweg 30 te Raalte

Ligging locatie

In het buitengebied ten noordwesten van Raalte

Kadastrale gegevens

Gemeente Raalte, sectie M, nummer 3840, 3841, 3207, 3209, 2839, 3374

Oppervlakte

Circa 8.150 m2

Topografische aanduiding

Coördinaten: X: 213.739, Y: 491.154

Gebruik locatie - voormalig

Agrarisch bedrijf met wonen

- huidig

Wonen met opstallen

- toekomstig

Wonen

Opdrachtgever

VantErve Advies

Overige belanghebbenden

Initiatiefnemer(s)

2.3

Historische informatie

Onderstaand is een overzicht gegeven van de geraadpleegde bronnen. Er is van uitgegaan dat de geleverde informatie juist en volledig is. Lycens B.V. is niet aansprakelijk voor onjuiste of onvolledige informatie die door derden is verstrekt.

Bron: •

Omgevingsdienst IJsselland

•

Opdrachtgever: VantErve Advies

•

Bodematlas Provincie Overijssel

•

www.bodemloket.nl

•

https://bagviewer.kadaster.nl

•

www.topotijdreis.nl

•

https://topokaartnederland.nl/

•

http://rce.webgispublisher.nl/Viewer.aspx?map=Archeologie-in-Nederland&profileName=Viewer#

•

www.BROloket.nl

•

www.grondwatertools.com

•

https://www.infomil.nl/onderwerpen/lucht-water/handboek-water/thema-s/grondwater/achtergrond/

Historisch gebruik Vanaf eind 19e eeuw is ter plaatse van de huidige onderzoekslocatie de eerste bebouwing zichtbaar. Betreffende bebouwing bevond zich op het deel van de locatie grenzend aan de Hondemotsweg. In de jaren ’70, ’80 en ’90 van de vorige eeuw is de locatie ontwikkeld tot de huidige indeling. De uiterst zuidoostelijke bebouwing is vanaf 2009 zichtbaar. Het omliggende terrein is altijd in agrarisch gebruik geweest. De huidig aanwezige bebouwing is volgens kadastrale informatie hoofdzakelijk gerealiseerd in de periode van 1960 tot 1983. Een gering gedeelte van de bebouwing is in 1993 gerealiseerd.

Pagina

5 van 15

Projectnummer:

2020-0236

Datum

14 juli 2020

Informatie Omgevingsdienst IJsselland Door de omgevingsdienst is aangegeven dat op de locatie een bodemonderzoek is uitgevoerd. De geleverde rapportage is verderop in dit hoofdstuk samenvattend beschreven. In de directe omgeving is voor zover bekend geen bodemonderzoek uitgevoerd. Verder blijkt dat diverse bouwvergunningen bekend zijn, namelijk voor het (ver)bouwen van een woning, berging, tanklokaal, werktuigenberging en rundveestal. Uit de geleverde Hinderwetvergunning blijkt dat in één van de schuren (direct achter de woning bekend als Hondemotsweg 30) een bovengrondse dieseltank met een inhoud van circa 2.000 liter in een lekbak aanwezig is geweest. Op aangeven van de eigenaar van de locatie is de tank reeds geruime tijd niet meer aanwezig. Tot slot blijkt uit luchtfoto’s van 2006 en 2020 dat geen significante wijziging in bebouwingsvorm heeft plaatsgevonden.

Rapport: Milieutechnisch bodemonderzoek aan de Hondemotsweg 30 te Raalte, door Mos Grondmechanica, 623393, d.d. 11 januari 1994 Het onderzoek is uitgevoerd rondom de twee stallen achter de woning aan de Hondemotsweg 30. Het onderzoek is uitgevoerd in verband met de realisatie van de twee stallen. Boringen zijn uitpandig verricht. Zintuiglijk zijn geen bijzonderheden waargenomen. Analytisch werd in de grond een gehalte aan extraheerbare organochloorverbindingen (EOCL) rond de destijds geldende A-waarde gemeten. Overige parameters werden in de grond niet verhoogd gemeten. In het grondwater werd chroom licht verhoogd gemeten en werden aromatische verbindingen rond de destijds geldende A-waarde gemeten.

Provinciale bodematlas Het deel van de locatie waar in 1994 bodemonderzoek heeft plaatsgevonden heeft de status voldoende onderzocht. Voor zover bekend hebben op het overig terreindeel en in de omgeving van de locatie geen bodemonderzoeken plaatsgevonden. Voor zover bekend is geen sprake van verontreinigingen, saneringen en/of zorgmaatregelen.

Conclusie Op basis van de resultaten van het vooronderzoek is de voormalige tanklocatie als verdacht te beschouwen. Het overig deel van de onderzoekslocatie is ten aanzien van chemische parameters als onverdacht te beschouwen. Aangezien de tank geruime tijd niet meer aanwezig is wordt deze in combinatie met het overig (onverdachte) terreindeel onderzocht. Ten aanzien van asbest wordt de locatie als onverdacht beschouwd.

Pagina

6 van 15

Projectnummer:

2020-0236

Datum

14 juli 2020

2.4

Geohydrologische gegevens

Uit de Grondwaterkaart van Nederland (Dienst Grondwaterverkenning TNO) zijn de volgende (hydro)geologische gegevens afkomstig:

Ter plaatse van de onderzoekslocatie bestaat de toplaag van de bodem uit middelfijn zand. Vervolgens is tot ruim 30 mmv sprake van (middel)grof zand. Tot een diepte van circa 45 m-mv is een zandige kleilaag aanwezig waarna tot minimaal 250 m-mv opnieuw sprake is van overwegend zandlagen. Op grotere diepte kunnen deze lagen uit kleiig zand bestaan.

De stroming van het freatische grondwater in het eerste watervoerende pakket is globaal in westelijke richting. Lokaal kan de grondwaterstroming van deze richting afwijken. De onderzoekslocatie bevindt zich niet in een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied. De onderzoekslocatie is wel gelegen in de boringvrije zone ‘Salland’.

Pagina

7 van 15

Projectnummer:

2020-0236

Datum

14 juli 2020

3.

Uitvoering onderzoek

3.1

Hypothese

In het kader van de NEN5740 is een hypothese gesteld over het karakter van de onderzoekslocatie. Op basis van de resultaten van het vooronderzoek (hoofdstuk 2) wordt de locatie beschouwd als "onverdacht". De voormalige opslag van olie wordt niet als verdachte deellocatie onderzocht, aangezien deze al geruime tijd niet meer aanwezig is. De hypothese vormt het uitgangspunt van de gevolgde onderzoeksstrategie tijdens dit onderzoek.

3.2

Onderzoeksstrategie

Op basis van de gestelde hypothese wordt de locatie onderzocht conform de strategie voor een ‘onverdachte nietlijnvormige locatie’ (ONV-NL). De oppervlakte van de onderzoekslocatie bedraagt circa 8.150 m². Conform de gehanteerde onderzoeksstrategie kan afgeleid worden dat in totaal dertien boringen tot 0,5 meter diepte, vier boringen tot circa 2,0 m-mv of de heersende grondwaterstand en twee boringen tot circa 1,5 meter onder de heersende grondwaterstand uitgevoerd moeten worden. De boringen tot onder de grondwaterspiegel zullen met een peilbuis worden afgewerkt voor het grondwateronderzoek. Eén peilbuis wordt geplaatst ter plaatse van de voormalige bovengrondse tank.

3.3

Uitvoering veldwerk

Het veldwerk is uitgevoerd op 18 juni 2020 door de heer B.A. Jansen van Lycens B.V.. De veldwerkzaamheden zijn onder certificaat (K46918/10) uitgevoerd conform de BRL SIKB 2000: ‘veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek’ en de daarbij behorende protocollen.

In totaal zijn negentien boringen verricht. Hiervan zijn dertien boringen verricht tot circa 0,5 m-mv, drie boringen tot circa 1,4 à 2,0 m-mv en twee boringen tot circa 2,9 à 3,1 m-mv welke zijn afgewerkt met een peilbuis. Het filter van de peilbuizen staat op een diepte van respectievelijk circa 1,9 tot 2,9 m-mv en 2,1 tot 3,1 m-mv. Peilbuis 01 is ter plaatse van de voormalige brandstoftank geplaatst. De peilbuizen zijn na plaatsing op 18 juni 2020 en voor bemonstering conform NEN5744:2011 op 25 juni 2020 door de heer B.A. Jansen doorgepompt. De posities van de onderzoekspunten zijn op de tekening in bijlage 2 weergegeven.

Het vrijkomende materiaal is zintuiglijk beoordeeld op samenstelling, geur, kleur en overige bijzonderheden die kunnen duiden op een mogelijke bodemverontreiniging. De resultaten zijn samengevat beschreven in paragraaf 3.4. De uitgetekende bodemprofielen zijn opgenomen in bijlage 3.

Pagina

8 van 15

Projectnummer:

2020-0236

Datum

14 juli 2020

3.4

Zintuigelijke waarnemingen

Tijdens de locatie inspectie is achter de woning Hondemotsweg 32 op het noordelijk terreindeel een volledige puinverharding aangetroffen. Conform de Wet bodembescherming betreft puin geen bodem waardoor deze verharding buiten de scope van het onderzoek valt. Verdere bijzonderheden zijn tijdens de locatie inspectie niet aangetroffen.

Uit de bodemprofielen blijkt dat de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie uit zeer fijn zand in de boven- en ondiepe ondergrond en uit matig fijn zand in de ondergrond bestaat. Aan het vrijkomende materiaal zijn tijdens het uitvoeren van de veldwerkzaamheden zintuiglijk geen waarnemingen gedaan die duiden op een mogelijke bodemverontreiniging. Onder de aanwezige verhardingen zijn geen puinfundaties aangetroffen. Ter plaatse van peilbuis 01 (geplaatst ter plaatse van de voormalige bovengrondse brandstoftank) zijn geen waarnemingen gedaan welke duiden op de mogelijke aanwezigheid van een verontreiniging met olieproducten. Er zijn tevens geen waarnemingen gedaan welke duiden op een mogelijk verontreiniging met asbest in de bodem.

Tijdens het uitvoeren van het veldwerk is een gemiddelde grondwaterstand waargenomen van circa 1,4 à 1,6 m-mv. De grondwaterstand kan afhankelijk van seizoen en positie op de locatie variëren.

3.5

Uitvoering laboratoriumonderzoek

Bij de uitvoering van het laboratoriumonderzoek is de gehanteerde onderzoeksstrategie in de NEN5740 als leidraad gebruikt (bijlage 7). Het onderzoek is uitgevoerd door het laboratorium "Eurofins Analytico B.V." te Barneveld dat geaccrediteerd is volgens de AS3000. Voor het inschatten van de risico's van eventueel aanwezige verontreinigingen zijn de analyseresultaten (meetwaarden) van het laboratorium gestandaardiseerd (GSSD) en vervolgens getoetst aan de streef-, achtergrond- en interventiewaarden bodemsanering (bijlage 6). Het toets resultaat wordt weergegeven als index en geeft de verhouding weer tussen het gemeten gehalte en de streef-, achtergrond- en interventiewaarden.

Voor de beoordeling van de kwaliteit van de grond en het grondwater zijn drie mengmonsters van de bovengrond, twee mengmonsters van de ondergrond en twee grondwatermonsters chemisch-analytisch onderzocht op het standaardpakket (bijlage 7). In tabel 3.1 op de volgende pagina is de monstercodering, de samenstelling en het doel van het (samengestelde meng-) monster weergegeven.

Pagina

9 van 15

Projectnummer:

2020-0236

Datum

14 juli 2020

Tabel 3.1: Samenstelling van de (meng)monsters Monstercode

Monsters

Diepte (m-mv)

Doel

03-1 07-1 12-1 13-1 14-1 15-1 01-1 04-1 05-1 08-1 09-1 10-1 11-1 02-1 06-1 16-1 17-1 18-1 19-1 01-2 01-3 01-4 03-2 03-3 03-4 04-2 04-3 02-2 02-3 02-4 05-2 05-3 06-2 06-3

0,00-0,50 0,07-0,50 0,00-0,50 0,00-0,50 0,00-0,50 0,00-0,50 0,05-0,50 0,10-0,50 0,10-0,50 0,00-0,50 0,00-0,50 0,00-0,50 0,00-0,50 0,00-0,50 0,00-0,50 0,00-0,50 0,00-0,50 0,00-0,50 0,10-0,50 0,50-1,00 1,00-1,50 1,50-1,90 0,50-1,00 1,00-1,50 1,60-2,00 0,50-1,00 1,00-1,50 0,50-0,90 0,90-1,40 1,40-2,00 0,50-1,00 1,10-1,50 0,50-0,90 0,90-1,40

Vaststellen milieuhygiënische kwaliteit bovengrond westelijk terreindeel

01-1-1

2,10-3,10

02-1-1

1,90-2,90

Vaststellen milieuhygiënische kwaliteit grondwater ter plaatse van voormalige tanklocatie Vaststellen milieuhygiënische kwaliteit grondwater

Grond MM BG 1

MM BG 2

MM BG 3

MM OG 1

MM OG 2

Vaststellen milieuhygiënische kwaliteit bovengrond noordelijk en oostelijk terreindeel

Vaststellen milieuhygiënische kwaliteit bovengrond zuid(oost)elijk terreindeel

Vaststellen milieuhygiënische kwaliteit ondergrond noordwestelijk terreindeel

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Raalte&id=9611490e-34c2-4cf9-98e3-9b39c95d6c5b