CConstaterende datRaalte
Koppel je AI →
Document · PDF

Omgevingsplan De Veldegge Noord Bijlagen 4 tm 9

Raadsvergadering 22 januari 2026, gemeente RaalteBij agendapunt: Vaststellen TAM-omgevingsplan 13 De Veldegge Noord in Heeten (hamerstuk)25.265 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

5.1.2

Provinciale bescherming Het dichtstbijzijnde gedeelte van het natuurnetwerk bevindt zich op minimaal 430 meter ten westen van studiegebied 1. De bescherming van het NNN kent in de provincie Overijssel niet het begrip externe werking. Aangezien het onderzoeksgebied niet in het NNN ligt, leidt de voorgenomen ingreep niet tot vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van de aanwezige natuur. De voorgenomen ingreep zal geen effect op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN hebben. De bescherming van het NNN staat de uitvoering van het plan daarom niet in de weg.

5.2

Mogelijke effecten op beschermde soorten

5.2.1

Zorgplicht, voor alle in het wild levende dieren en planten In en rondom het onderzoeksgebied kunnen in het wild levende planten en dieren voorkomen. Bij de ruimtelijke ontwikkeling zouden deze planten en dieren kunnen worden gedood. Voor al de in het wild levende soorten geldt de zorgplicht van de Wet natuurbescherming. Dit houdt in elk geval in dat iedereen die weet dat hij schade aan natuur gaat veroorzaken door een bepaalde handeling, hij deze handeling daarom niet uitvoert, of maatregelen neemt om schade aan de natuur door de handeling zoveel mogelijk te voorkomen. Probeer bijvoorbeeld bij de ruimtelijke ingreep zoveel mogelijk bomen, struiken en overig groen te behouden. Werken buiten de winterperiode voorkomt dat dieren die in winterrust zijn verstoord of gedood worden. Wanneer verlichting wordt geplaatst, probeer uitstraling van licht naar de omgeving zoveel mogelijk te beperken, om verstoring van diersoorten te voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld door verlichting te beperken tot die plekken waar licht noodzakelijk is, lage en gericht armaturen te gebruiken in plaats van rondstralende armaturen en lampen goed te richten.

30

Om verstoring van dieren door straatverlichting en andere vormen van verlichting tot een minimum te beperken, dienen lichtbundels zo veel mogelijk naar beneden te worden gericht.

5.2.2

Vogels Uit voorliggend onderzoek blijkt verder dat in en direct rond het onderzoeksgebied vogels aanwezig zijn en ook kunnen broeden. Voor deze vogels geldt artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming, die het onder meer verbiedt vogels te doden, te vangen of in gebruik zijnde nesten van vogels te beschadigen of te vernielen.

5.2.2.1

Vogelsoorten met niet-jaarrond beschermde nesten Bij de geplande ontwikkeling zouden nesten van broedende vogels kunnen worden beschadigd, wat verboden is onder de Wet natuurbescherming. De periode waarin de meeste vogelsoorten broeden, loopt globaal van half maart tot half augustus, maar ook broedgevallen buiten deze periode zijn gewoon beschermd. Om overtreding van de wet te voorkomen adviseren wij u om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Ook zullen vogels in en direct rond het onderzoeksgebied geen nest bouwen, omdat te veel verstoring aanwezig is. Indien de werkzaamheden echt in de broedperiode gestart moeten worden, is nader onderzoek naar broedende vogels noodzakelijk. Kort voor de start van de werkzaamheden dient dan door een ecoloog met kennis van vogels door middel van één veldbezoek onderzocht te worden of broedende vogels in en direct rond het onderzoeksgebied aanwezig zijn. Als deze niet aanwezig zijn, kunnen de werkzaamheden starten. Als wel een broedende vogel aanwezig is, mogen de werkzaamheden niet starten. Er dient dan met een ecoloog met kennis van vogels naar een oplossing gezocht te worden.

5.2.2.2

Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten Naast soorten waarvan het nest alleen in de broedtijd beschermd is, zijn mogelijk ook soorten aanwezig waarvan het nest jaarrond is beschermd. Dit betreft de soorten boomvalk, sperwer, ransuil, steenuil, kerkuil en huismus. Met de geplande werkzaamheden kunnen mogelijke nesten worden verstoord en/of essentieel leefgebied worden aangetast. Ook is kans aanwezig op het verwonden of doden van vogels. In deze gevallen is sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming. In studiegebied 3 is er een middelgroot nest aangetroffen dat mogelijk toebehoort aan een boomvalk, sperwer of ransuil. Indien dit het geval is, is het mogelijk dat het gehele onderzoeksgebied als primair foerageergebied dient voor deze soorten. Dit beperkt zich dus niet enkel tot studiegebied 3. Als er met de geplande werkzaamheden geen

31

rekening wordt gehouden met dit nest, gaat het nest mogelijk verloren (bijvoorbeeld bij kap) of vindt verstoring plaats (bijvoorbeeld bij werkzaamheden in de broedperiode van deze soorten), waardoor de functionaliteit van het nest wordt aangetast. Verlies van functionaliteit kan ook plaatsvinden, omdat omliggend primair leefgebied door de ruimtelijke ontwikkeling verloren is gegaan. In deze gevallen is sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming. Om uit te sluiten of het nest toebehoort aan één van bovengenoemde soorten, dient er nader onderzoek te worden gedaan. Mogelijk maakt het onderzoeksgebied deel uit van het foerageergebied van de kerkuil of steenuil. De geplande werkzaamheden in ieder deelgebied kunnen negatieve effecten hebben op het leefgebied van beide uilensoorten. In het geval dit leidt tot aantasting van de functionaliteit van de nestplaatsen in de omgeving, is sprake van een overtreding van de Wet natuurbescherming. De aan- of afwezigheid van essentieel leefgebied van beide soorten dient daarom nader onderzocht te worden. In het plangebied en studiegebied 1 en 3 zijn groenstructuren aanwezig die mogelijk essentieel foerageergebied vormen voor huismussen die in de omgeving van het onderzoeksgebied aanwezig zijn (zie paragraaf 4.2.2.2 voor de specifieke elementen).

In het geval met de geplande ruimtelijke ontwikkeling één van deze groenstructuren verloren gaat, kan hierdoor mogelijk de functionaliteit van huismusnesten in de omgeving worden aangetast. In dat geval is sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming. Nader onderzoek is dan naar het betreffende te verwijderen element nodig. Overige vogelsoorten waarvan het nest jaarrond is beschermd zijn niet in het onderzoeksgebied of in de omgeving aanwezig. 5.2.3

Overige beschermde soorten

5.2.3.1

Soorten waarvoor provinciale vrijstelling geldt In en nabij het onderzoeksgebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Dit betreft bijvoorbeeld de soorten bruine kikker en gewone pad. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Wel geldt ook voor deze soorten altijd de eerder beschreven zorgplicht.

5.2.3.2

Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Door het uitgevoerde onderzoek is duidelijk geworden dat enkele essentiële elementen, van soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, niet op voorhand kunnen worden uitgesloten in het onderzoeksgebied. Het betreft essentieel leefgebied van steenmarter, bunzing, wezel, das en egel en een mogelijk essentiële vliegroute van vleermuizen. Beschermingsregime ‘andere soorten’ De steenmarter, bunzing, wezel, das en egel vallen onder het beschermingsregime ‘andere soorten’, waarvoor de verboden van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming gelden. Daarmee is het onder meer verboden deze soorten te doden of rust- of verblijfplaatsen te beschadigen.

32

De steenmarter is een opportunistische soort en kan zich ook wel in stedelijk gebied handhaven, mits er voldoende natuurlijke elementen aanwezig zijn. Met de mogelijke ruimtelijke ontwikkeling in het onderzoeksgebied, hoeft dus niet per se een negatief effect op te treden. Echter, de mate van de hoeveelheid groen is daarin wel belangrijk. Omdat dit nog niet bekend is, is daarom op voorhand niet in te schatten welk specifiek element in welk deelgebied essentieel kan zijn. Derhalve is nader onderzoek voor elk deelgebied noodzakelijk. Voor de bunzing, wezel en egel kan iedere houtsingel in ieder deelgebied mogelijk essentieel leefgebied vormen. In het geval in een deelgebied een houtsingel wordt aangetast of verwijderd, kan sprake zijn van het doden van individuen of het vernielen van verblijfplaatsen. Daarom is nader onderzoek naar de bunzing en wezel hiervoor in het betreffende deelgebied noodzakelijk. Voor de das kan het gehele onderzoeksgebied als mogelijk essentieel leefgebied in gebruik zijn. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan belangrijk foerageergebied, of een aanwezige verblijfplaats verloren gaan. Derhalve is voor de soort voor ieder deelgebied nader onderzoek noodzakelijk. Indien verblijfplaatsen of essentieel leefgebied aanwezig blijken, dan moeten voor de werkzaamheden mitigerende maatregelen worden getroffen om negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen.

Ook is voor de werkzaamheden dan waarschijnlijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Beschermingsregime Habitatrichtlijn De mogelijk essentiële vliegroute van vleermuizen valt onder de habitatrichtlijn. Vleermuizen zijn habitatrichtlijnsoorten, waarvoor de verboden van artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming gelden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden in studiegebied 3 is kans op verstoring van de mogelijk aanwezige essentiële vliegroute door bouwlampen, bouwwerkzaamheden, etc. reëel. Indien de bomenrij wordt gekapt, of er onderbrekingen in worden aangebracht door enkele bomen te kappen, kan de mogelijk aanwezige functie van vliegroute ook verloren gaan. Vleermuizen gebruiken bomenrijen zoals op de Veldeggerweg om van hun verblijfplaats naar een foerageergebied te vliegen. Indien deze route wordt aangetast kunnen vleermuizen deze route niet meer vliegen en kunnen ze in het meest ongunstige geval hun verblijfplaats verlaten. Er is dan sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming. In geval ruimtelijke ontwikkelingen in studiegebied 3 gaan plaatsvinden, is nader onderzoek naar de bomenrij noodzakelijk Indien de vliegroute essentieel blijkt, dan moeten voor de werkzaamheden mitigerende maatregelen worden getroffen om negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen.

Ook is voor de werkzaamheden dan waarschijnlijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Andere soorten waarvoor de provinciale vrijstelling niet geldt, zijn niet in of nabij het onderzoeksgebied aanwezig. Negatieve effecten op die soorten zijn dan ook niet te verwachten en nader onderzoek naar die soorten is dan ook niet nodig.

33

5.2.4

Aanvullend onderzoek naar beschermde soorten: onderzoekseisen en -periodes Voor veel beschermde plant- en diersoorten zijn protocollen opgesteld waarin beschreven staat waar het nader soortgericht onderzoek aan moet voldoen om aan- of afwezigheid van de betreffende soort aan te kunnen tonen.

5.2.4.1

Kleine marters (bunzing en wezel) De aanwezigheid van kleine marters kan worden vastgesteld door het gebruik van de ‘struikrover’; een buis met wildcamera waarmee kleine marters kunnen worden waargenomen (zoogdiervereniging.nl) in combinatie met een andere methode, zoals cameravallen, marterboxen, sporenbuizen en nestkasten. Wanneer onderzoek in de actieve periode (maart tot en met augustus) van de dieren wordt gedaan, dan dienen de onderzoeksinstrumenten minimaal 6 weken op de onderzoek locatie te worden geplaatst. Buiten de actieve periode van de dieren is er minder trefkans. Daarom is dan een dubbele hoeveelheid instrumenten nodig en dient er minimaal 12 weken onderzoek te worden gedaan (Bouwens 2017).

5.2.4.2

Steenmarter Voor de steenmarter is geen kennisdocument beschikbaar. Om aan- of afwezigheid vast te stellen wordt tijdens andere veldbezoeken in de periode van februari tot en met oktober gelet op sporen en individuen van deze soort. Ook wordt extra navraag gedaan bij gebruikers van het studiegebied of omwonenden. Tenslotte kunnen op verdachte plekken nog cameravallen geplaatst worden.

5.2.4.3

Das Aanwezigheid van dassen in een gebied kan het beste aangetoond worden door de sporen die ze achterlaten te inventariseren, cameravallen te plaatsen en navraag te doen bij plaatselijke dassenwerkgroepen. Er wordt voor sporenonderzoek in het plangebied en de omgeving ervan gezocht naar burchten, graafactiviteit, wissels, haar aan prikkeldraad, mestputjes, vraatsporen, etc. Deze zaken zijn in agrarisch gebied vooral te vinden langs beplantings- en boselementen en andere lijnvormige elementen. Dit onderzoek wordt verricht van september tot en met mei. Daarbij wordt rekening gehouden met minder activiteit gedurende koudere perioden. Indien met het sporenonderzoek aanwijzingen worden gevonden die kunnen duiden op aanwezigheid van de das, worden op deze plekken cameravallen geplaatst (BIJ12 2017). Deze cameravallen blijven minimaal zes weken staan, waarbij éénmaal de batterijen en geheugenkaartjes worden vervangen. Vaak zijn dassenwerkgroepen actief in gebieden. Zij beschikken over veel informatie ten aanzien van de das. Wij gaan na of een dergelijke werkgroep in de omgeving actief is en doen bij hun navraag over recente activiteit van de laatste vijf jaar. Eventueel doen we ook navraag bij beheerders en omwonenden.

Afwezigheid van de das kan middels bovenstaand onderzoek aangetoond worden, als drie veldbezoeken onder goede omstandigheden en voldoende verspreid over het jaar worden uitgevoerd én navraag is gedaan bij dassenwerkgroepen, beheerders en/of

34

omwonenden. Als in dat geval geen aanwijzingen zijn gevonden dat de das aanwezig is in het onderzoeksgebied én eventueel aanwezige burchten al langer dan vijf jaar buiten gebruik zijn, kan de aanwezigheid van de das met voldoende juridische zekerheid uitgesloten worden (BIJ12 2017). 5.2.4.4

Egel Voor de steenmarter is geen kennisdocument beschikbaar. Om aan- of afwezigheid vast te stellen wordt tijdens andere veldbezoeken in de periode van februari tot en met oktober gelet op sporen en individuen van deze soort. Ook wordt extra navraag gedaan bij gebruikers van het studiegebied of omwonenden. Tenslotte kunnen op verdachte plekken nog cameravallen geplaatst worden.

5.2.4.5

Roofvogelonderzoek (boomvalk, sperwer en ransuil) Nestonderzoek vindt plaats door in de broedperiode van de te onderzoeken vogels te kijken of deze aanwezig zijn bij het nest en broedgedrag vertonen. Hierbij dient het nest minimaal drie maal gecontroleerd te worden. Het onderzoek vindt plaats in het voorjaar tot en met de zomer, waarbij de veldbezoeken verspreid over deze periode uitgevoerd worden.

5.2.4.6

Kerkuil Het nader onderzoek naar het broedgebied van de kerkuil dient plaats te vinden volgens bepaalde richtlijnen zoals verwoord in het kennisdocument van de kerkuil (BIJ12, 2017). Onderzoek naar de aanwezigheid van (nesten van) kerkuilen dient door middel van een combinatie van zowel veldonderzoek als navraag bij uilenwerkgroepen en omwonenden te gebeuren. Ook dient voornamelijk in februari en maart gelet te worden op krijsende uilen en vanaf juni tot augustus op bedelende jongen. In totaal dienen minimaal drie veldbezoeken uitgevoerd te worden.

5.2.4.7

Steenuil Onderzoek naar de steenuil dient te worden uitgevoerd conform de richtlijnen van het kennisdocument steenuil (BIJ12, 2017). De aanwezigheid van de steenuil kan het gehele jaar worden aangetoond. De beste periode om een territorium van een steenuil vast te stellen is van 15 februari tot en met 15 april. In deze periode kunnen ’s avonds territoriumroepen van een steenuil worden afgespeeld. Ook dient overdag het plangebied op sporen van een steenuil onderzocht te worden. In totaal dienen minimaal drie veld-bezoeken verricht te worden om afwezigheid met voldoende zekerheid aan te kunnen tonen. De afwezigheid van broedende steenuilen is met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid aangetoond als tijdens drie gerichte veldbezoeken in de periode van 15 februari tot en met 30 april geen aanwezigheid kan worden aangetoond.

5.2.4.8

Essentiële vliegroute onderzoek vleermuizen Het nader onderzoek naar een essentiële vliegroute van vleermuizen dient plaats te vinden volgens bepaalde richtlijnen, zoals verwoord in het vleermuisprotocol 2021 (Netwerk Groene Bureaus, Gegevensautoriteit Natuur). Het vleermuisprotocol stelt vast dat er minimaal twee veldbezoeken uitgevoerd dienen te worden. Eén daarvan dient plaats te vinden in de periode van 15 mei tot en met 15 juli. Het andere veldbezoek kan pas na en tussenperiode van 8 weken worden uitgevoerd.

35

Tijdens deze veldbezoeken zal gebruik worden gemaakt van een batdetector of batlogger. Dit zijn apparaten waarmee de onhoorbare ultrasone geluiden van vleermuizen worden opgevangen en vertaald in voor mensen hoorbare geluiden. Door het uitvoeren van twee veldbezoeken kan met voldoende juridische zekerheid aannemelijk worden gemaakt of er een essentiële vliegroute aan- of afwezig is in studiegebied 3. Mocht uit dit onderzoek blijken er en essentiële vliegroute van vleermuizen aanwezig is, dan dient mogelijk een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. Navolgend overzicht geeft de onderzoeksperiodes van alle te onderzoeken soorten weer. Overzicht van onderzoeksperiodes van de te onderzoeken soorten. Soortgroep

Jan

Feb

Mrt

Apr

Mei

Jun

Jul

Aug

Sep

Okt

Nov

Dec

Steenmarter Kleine marters Das Egel Steenuil Kerkuil Roofvogel Essentiële vliegroute vleermuizen

5.3

Mogelijke effecten op beschermde houtopstanden In het onderzoeksgebied is een houtopstand van meer dan 10 are aanwezig en ook een bomenrij van meer dan 20 bomen. Echter, deze structuren liggen in studiegebied 2 en 3 en deze liggen in zijn geheel binnen de bebouwde kom van beschermde houtopstanden. Zie navolgende afbeelding voor de bebouwde komgrens van het noordelijk deel van Heeten. Het beschermingsregime voor houtopstanden van de Wet natuurbescherming is hier daarom niet op van toepassing.

36

Bebouwde komgrens voor houtopstanden van de Wet natuurbescherming (blauw omkaderd). Bron: gemeenteraalte.maps.arcgis.com.

5.4

Potentiële natuurversterking Naast de wettelijke verplichtingen voor bescherming van natuurwaarden vanuit de Wet natuurbescherming en de provinciale verordening is het ook belangrijk om waardevolle natuurelementen te beschouwen en potentiële natuurversterking te benoemen. Dit kan dan in de planvorming meegenomen worden.

5.4.1 5.4.1.1

Behouden en uitbreiding van bestaande elementen Houtsingels en bomenrijen Momenteel is er een aantal houtsingels en bomenrijen aanwezig in het onderzoeksgebied. Deze natuurlijke elementen zijn: − de houtsingels in het oosten en langs de noordrand van het plangebied, − de houtsingel in het oosten van studiegebied 2, − de dubbele bomenrij langs de Veldeggerweg in studiegebied 3, − de houtsingel op de westgrens van studiegebied 3. Dergelijke elementen bieden leefgebied voor een breed scala aan dieren. Ook vormen deze lijnvormige elementen mogelijkheden om veilig te verplaatsen. Er wordt dan ook geadviseerd om deze elementen te behouden, verder uit te breiden en te verbinden. Zo kan de houtwal in het oosten van het plangebied verbonden worden met de houtsingel buiten het onderzoeksgebied langs de oostzijde van het zonneveld. Daarnaast kan ook een houtsingel doorgetrokken worden langs de noordrand van studiegebied 3, ten westen van de Veldeggerweg. Ook kan gekeken worden om deze lijnvormige elementen te verbinden met elementen buiten het onderzoeksgebied. Zo kan een verbinding worden gelegd met de bomenrij

37

langs de N332. Trek vervolgens de bomen die ten noorden van studiegebied 1 staan langs de N332 door tot aan de rotonde ten noordwesten van studiegebied 1. Verbind deze dan met de bestaande bomenrijen. Op deze manier wordt er een potentiële vliegroute gecreëerd voor vleermuizen richting het noorden. 5.4.1.2

Wadi Momenteel is er een grote wadi aanwezig in het zuiden van het plangebied. Deze dient als afwatering van de wijk die ten zuiden van de wadi ligt. Vaak worden robuuste grassoorten gebruikt als beplanting voor een wadi. Maar door dit te combineren met hogere beplanting die van nature gewend is aan wisselende waterstanden ontstaat er meer variatie. Dit heeft een positief effect op de biodiversiteit. Deze natuurlijke wadi’s kunnen dan ook functioneren als een ecologische hotspot en stepping stone. Ook zorgt de variatie in beplanting voor een goede doorwortelde bodem die op de lange termijn waterdoorlatend blijft. Een natuurlijke wadi is tevens goedkoper in onderhoud dan een met gras ingezaaide wadi.

5.4.1.3

Poel Een ander waardevol natuurlijk element is een poel. Globale eisen aan een poel zijn: − De poelen moeten geïsoleerd van ander oppervlaktewater liggen om te voorkomen dat vis in de poelen kan komen en de eitjes en larven van de amfibieën opeten. − Afmeting ligt tussen 2000 m2 en 150 m2. − De poel loopt af tot maximaal 1,5 meter diep (kleinere poelen tot 1 meter diep) − Afhankelijk van de grondwaterstand kunnen de poelen ook een leembodem krijgen om ervoor te zorgen dat er permanent water in de poel blijft staan, ook in de zomer. − Leg land/overwinteringshabitat voor amfibieën in de directe omgeving van de poel aan. Dit bestaat uit bosjes en geleidende structuren als ruigtestroken, hagen of houtwallen die aanwezig zijn naar de poel toe. Zo kan de wadi bijvoorbeeld worden verbonden met de bestaande houtsingel in studiegebied 2 doormiddel van bijvoorbeeld een ruigtestrook, houtsingel of takkenril.

5.4.2

Overige mogelijkheden voor ecologische versterkingen − Variatie is heel belangrijk. Hoe meer variatie er in het gebied is hoe meer verschillende soorten zich er kunnen vestigen. Denk hierbij aan variatie in vegetatie, hoogteverschillen in het landschap, aan- of afwezigheid van water, bodemopbouw, etc. Hierbij is robuustheid wel belangrijk. Oftewel dat het gebied met bijvoorbeeld water of een houtsingel groot genoeg is om zichzelf te handhaven. − In het gebied zijn kleine hoogteverschillen aanwezig. Door deze hoogteverschillen kan er een diversiteit aan flora ontstaan. − Zorg voor overhoekjes met dood hout, steen en bladhopen waar allerlei insecten, amfibieën en kleine zoogdieren kunnen leven en overwinteren. − Het aanleggen van kruidenrijk grasland of ruigte- en distelstroken met inheemse en streekeigen soorten is ook erg waardevol voor de biodiversiteit in het onderzoeksgebied. Hiermee neemt de hoeveelheid insecten toe, wat weer als voedsel dient voor andere dieren. − Tenslotte kan ook gedacht worden aan het natuurinclusief inrichten van de nieuwbouwwoningen.

38

6

Conclusie De gemeente Raalte is voornemens om de woningbouwlocatie ‘de Veldegge’ in Heeten aan de noordzijde, op een gebied van ca. 3,5 hectare, uit te breiden. De ambitie is om in te zetten op een inclusieve samenleving en de bouw van duurzame woningen. Gefaseerde ontwikkeling is het uitgangspunt, met een kwalitatief woningbouwprogramma, dat aansluit bij de behoefte in Heeten. Voor de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan is het noodzakelijk dat de haalbaarheid ervan wordt aangetoond. Er dient daarom vanuit de ecologie onderzocht te worden of met de ruimtelijke ontwikkelingen die het plan toestaat sprake is van overtreding van de geldende natuurwet- en regelgeving. In deze quick scan is onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het onderzoeksgebied. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het onderzoeksgebied.

6.1

Gebiedsbescherming Natura 2000-gebied Boetelerveld ligt in de buurt van het onderzoeksgebied. Een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van het Boetelerveld is vanwege een mogelijke toename in stikstofdepositie door de ruimtelijke ontwikkeling in het onderzoeksgebied niet uit te sluiten. Hiervoor dient een AERIUS-berekening uitgevoerd te worden. Verder blijkt uit de quick scan dat in de omgeving van het onderzoeksgebied geen Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde natuur aanwezig is. De provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg en nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk.

6.2

Soortenbescherming In en rondom het onderzoeksgebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. In en nabij het onderzoeksgebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat in en rondom het onderzoeksgebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield.

39

Er zijn mogelijk nest- of verblijfplaatsen of (essentieel) leefgebied van steenmarter, bunzing, wezel, egel, das, huismus, steenuil, kerkuil, ransuil, boomvalk of sperwer aanwezig binnen het onderzoeksgebied. Ook is mogelijk een essentiële vliegroute van vleermuizen aanwezig. Hieronder is een overzicht weergegeven. Als het benoemde deelgebied, een deel ervan of een specifiek natuurlijk element worden verwijderd of aangetast, is nader onderzoek naar de betreffende soort noodzakelijk: − huismus − Plangebied o Houtsingel/bosschage in zuidoostelijke punt o Jonge houtsingel en greppel in noordelijk deel − Studiegebied 1 o Kleine houtsingel aan westzijde, ten oosten van tennisclubhuis − Studiegebied 3 o Greppel met struiken op westelijke grens − Boomvalk, sperwer en ransuil − Hele onderzoeksgebied − Steenuil en kerkuil − Hele onderzoeksgebied − Steenmarter − Hele onderzoeksgebied − Bunzing en wezel − Plangebied o Houtsingel/bosschage in zuidoostelijke punt o Jonge houtsingel en greppel in noordelijk deel − Studiegebied 1 o Kleine houtsingel aan westzijde, ten oosten van tennisclubhuis − Studiegebied 2 o Houtsingel aan de oostzijde van het studiegebied − Studiegebied 3 o Greppel met struiken op westelijke grens o Houtsingel in de zuidoostelijke punt − Das − Hele onderzoeksgebied − Egel − Plangebied o Houtsingel/bosschage in zuidoostelijke punt o Jonge houtsingel en greppel in

noordelijk deel − Studiegebied 1 o Kleine houtsingel aan westzijde, ten oosten van tennisclubhuis − Studiegebied 2 o Houtsingel aan de oostzijde van het studiegebied − Studiegebied 3 o Greppel met struiken op westelijke grens − Essentiële vliegroute vleermuis − Studiegebied 3 o Bomenrij langs de Veldeggerweg

40

Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. Indien nest- of verblijfplaatsen of leefgebied aanwezig blijken, dan moeten voor de werkzaamheden mitigerende maatregelen worden getroffen om negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen. Ook is voor de werkzaamheden dan waarschijnlijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk.

6.3

Bescherming houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling.

6.4

Vervolgstappen − Houd rekening met de zorgplicht; − Houd rekening met broedende vogels; − Laat nader onderzoek uitvoeren naar boomvalk, sperwer, ransuil, steenuil, kerkuil, huismus, bunzing, wezel, steenmarter, das, egel en vleermuizen volgens overzicht uit paragraaf 6.2; − Laat een AERIUS-berekening uitvoeren.

41

Geraadpleegde bronnen Literatuur BIJ12. 2017a. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. BIJ12. 2017b. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. BIJ12. 2017c. Kennisdocument Roek Corvus frugilegus, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. BIJ12. 2017d. Kennisdocument Steenuil Athene noctua, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. BIJ12. 2017e. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. Bos, F. Bosveld, M. Groenendijk, D. van Swaay, C. Wynhof, I. De Vlinderstichting. 2006. De dagvlinders van Nederland. Verspreiding en bescherming. Nederlandse fauna deel 7. Bouwens, S. 2017. Handreiking kleine marters in relatie tot soortbescherming. Provincie Noord-Brabant. Zoogdiervereniging, rapport 2017.32. Creemers, R. van Delft, J. 2009. De Amfibieën en Reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna deel 9. Dietz, Ch. von Helversen, O. Nill, D. 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Janssen, J. A. M. Schamineé, J. H. J. 2004. Europese Natuur in Nederland. Soorten van de habitatrichtlijn. Lange, R. Twisk, P. van Winden, A. van Diepenbeek, A. 2003. Zoogdieren van WestEuropa. Limpens, H. J. G. A. Twisk, P. Veenbaas, G. 2004. Met vleermuizen overweg. Uitgave DDW en VZZ. Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie. 2002.

De Nederlandse Libellen (Odonata). Nederlandse Fauna deel 4. Netwerk Groene Bureaus, Definitielijst Netwerk Groene Bureaus 2020, 16 januari 2020. Ministerie EZLI. 2012. Memorie van toelichting bij Wet natuurbescherming. Kamerstuk.

Ministerie EZ. 2015. Memorie van antwoord bij Wet natuurbescherming. Kamerstuk Eerste Kamer der Staten-Generaal. Provincie Overijssel, 2019. Soortenbescherming in Overijssel. Bunzing, egel, hermelijn en wezel. Provincie Overijssel. SOVON. 2002. Atlas van de Nederlandse Broedvogels. Verspreiding, aantallen, verandering. Nederlandse Fauna deel 5. Sparrius, L. Odé, B. Beringen, R. Basisrapport Rode Lijst Vaatplanten 2012 volgens Nederlandse en IUCN-criteria. FLORON rapport 57. Zoogdiervereniging & Probos. 2012. Laanbeheer en vleermuizen; met oog voor veiligheid en cultuurhistorie; met bijdragen van E. A. Jansen, M. H. A. van Benthem, C. de Groot, P. Twisk & H. J. G. A. Limpens.

Websites www.aanpakstikstof.nl www.anemoon.org www.aerius.nl www.eis-nederland.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.sovon.nl statline.cbs.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vlinderstichting.nl www.vogelbescherming.nl

Bijlage 1. Wettelijk kader Gebiedsbescherming Inleiding Op grond van artikel 2.1 van de Wet natuurbescherming kunnen natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna, door de Minister worden aangewezen ter uitvoering van de Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijn, de zogeheten Natura 2000-gebieden. Ook kan de Minister op grond van deze wet in enkele specifieke gevallen bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen. De Wet natuurbescherming draagt Gedeputeerde Staten daarnaast op, om in hun provincie te zorgen voor een landelijk ecologisch netwerk, genaamd Natuurnetwerk Nederland. De bescherming van dit natuurnetwerk wordt geregeld bij provinciale verordening. Daarnaast kunnen provincies bij provinciale verordening andere gebieden met bijzondere natuurwaarden beschermen, genaamd bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. Hieronder wordt een toelichting gegeven bij de verschillende vormen van gebiedsbescherming. Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden Voor alle Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden geldt op basis van artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming een zorgplicht. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze gebieden.

Dit houdt onder meer in dat men negatieve gevolgen voor deze gebieden zoveel mogelijk beperkt door het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht. Uit de Memorie van Toelichting blijkt, dat de Wet natuurbescherming, buiten de zorgplicht, al voldoende instrumenten bevat om schadelijke handelingen in Natura 2000-gebieden te beperken. Deze zorgplicht is daarmee primair bedoeld om de eigen verantwoordelijkheid vast te leggen, die een ieder heeft voor een zorgvuldige omgang met de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden. Natura 2000-gebieden Bij de aanwijzing van een Natura 2000-gebied worden voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen voor te beschermen soorten en/ of habitats vastgesteld. Conform artikel 2.7, lid 2 van de Wet natuurbescherming is het verboden om zonder vergunning een project te realiseren dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Als een plan of project mogelijk negatieve gevolgen kan hebben op Natura 2000-gebied, vindt eerst een globale toetsing plaats, de voortoets. Als uit de voortoets blijkt dat er zeker geen negatieve gevolgen zijn, dan kan het betreffende plan worden vastgesteld, of geldt in het geval van een project geen vergunningplicht.

Als de kans op significante gevolgen niet kan worden uitgesloten dan moet, conform artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming een passende beoordeling worden gemaakt. In dit geval wordt een plan eveneens m.e.r.-plichtig1. Blijkt uit de passende beoordeling dat er geen aantasting plaatsvindt van de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied, dan kan het betreffende plan worden vastgesteld, of kan voor de projecten door Gedeputeerde 1

Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001, welke plicht in de Nederlandse wetgeving is verankerd in artikel 7.2a van de Wet milieubeheer.

Staten een vergunning worden verleend. In bepaalde gevallen kan, ondanks dat uit de passende beoordeling blijkt dat aantasting van de natuurlijke kenmerken mogelijk is, een plan toch worden vastgesteld of kan een vergunning toch worden verleend. Er dient dan te worden voldaan aan de zogeheten ADC criteria. De ADC criteria houden in: i) dat er geen alternatieve oplossingen zijn, ii) dat er sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang en iii) dat de nodige compenserende maatregelen worden getroffen. Bijzondere nationale natuurgebieden In uitzonderlijke gevallen kan de Minister, op grond van artikel 2.11, bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen. De Minister kan dit doen voor een gebied dat is of wordt aangemeld als Habitatrichtlijngebied, maar nog niet definitief is aangewezen. Ook kan het voor een gebied dat nog geen onderdeel is van het Natura 2000-netwerk, maar waar compenserende maatregelen worden getroffen voor de realisatie van een project met significante gevolgen. Tot slot kan een gebied worden aangewezen in het geval dat dat noodzakelijk is in het kader van de Vogel- of Habitatrichtlijn, om een gunstige staat van instandhouding te realiseren.

Ter bescherming van de bijzondere nationale natuurgebieden kan de Minister verschillende maatregelen nemen, waaronder toegangsbeperkingen tot het gebied, het gebruik maken van zijn of haar aanschrijvingsbevoegdheid en het treffen van behoud- en herstelmaatregelen in het gebied. Natuurnetwerk Nederland Ter bescherming van vogelsoorten, van soorten van de Habitatrichtlijn en van rode lijstsoorten dienen provincies, op basis van artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming, zorg te dragen voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend ecologisch netwerk, genaamd Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur, EHS). Voor dit netwerk geldt, op basis van artikel 2.10 van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (het Barro), een ‘nee, tenzij’-beschermingsregime. Het bestemmingsplan, of een omgevingsvergunning waarmee van het bestemmingsplan wordt afgeweken, maakt geen ontwikkelingen mogelijk die kunnen leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van de aanwezige natuur, of tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden, tenzij er sprake is van groot openbaar belang, er geen reële alternatieven zijn, negatieve effecten zoveel mogelijk worden beperkt en overblijvende negatieve effecten worden gecompenseerd.

Provincies dienen deze bescherming te regelen bij provinciale verordening. Daarnaast kunnen provincies bij provinciale verordening andere gebieden met bijzondere natuurwaarden beschermen, zoals weidevogelgebieden of ganzenfoerageergebied. De precieze invulling van de bescherming verschilt van provincie tot provincie. In paragraaf 2.1 staat de bescherming beschreven die in dit geval van toepassing is.

Soortenbescherming Verboden en zorgplicht Voor een aantal soorten is door middel van verboden een beschermingsregime opgenomen in de Wet natuurbescherming. Er is een apart beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten (artikelen 3.1-3.4), voor Habitatrichtlijnsoorten (artikelen 3.5-3.9) en voor andere soorten (artikelen 3.10 en 3.11). Naast de beschermde plant- en diersoorten geldt op basis van artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming voor al de in het wild levende soorten ook een zorgplicht. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. Dit houdt onder meer in dat men negatieve gevolgen voor aanwezige soorten zoveel mogelijk beperkt door het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht. Vogelrichtlijnsoorten Voor ruimtelijke ingrepen zijn de volgende verboden relevant: het is verboden om van nature in Nederland in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen, het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van deze soorten te beschadigen of te vernielen of nesten van vogels weg te nemen. Ook is het verboden deze soorten opzettelijk te storen wanneer dit van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort. De verboden in de wet zorgen voor een goede bescherming van nesten van alle in het wild levende vogelsoorten tijdens het broedseizoen.

Globaal loopt het broedseizoen van half maart tot half augustus, maar ook de nesten van broedende vogels buiten deze periode zijn beschermd. Daarnaast zijn van een aantal vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd, dus ook als ze niet als broedlocatie worden gebruikt. Het betreft dan over het algemeen soorten die hun nest het gehele jaar als verblijfplaats gebruiken of soorten die niet of nauwelijks in staat zijn om een eigen nest te bouwen. Habitatrichtlijnsoorten Voor ruimtelijke ingrepen zijn de volgende verboden relevant: het is verboden om soorten van de Habitatrichtlijn en van de verdragen van Bonn en Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, om eieren opzettelijk te vernielen, om voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en om planten van de Habitatrichtlijn en van het verdrag van Bern opzettelijk te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten Naast de Vogelrichtlijnsoorten en de Habitatrichtlijnsoorten worden in de wet een aantal diersoorten en plantensoorten beschermd. Voor deze soorten zijn bij ruimtelijke ingrepen de volgende verboden relevant: het is verboden de beschermde diersoorten opzettelijk te doden of te vangen en om de vaste voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en het is verboden om de beschermde plantensoorten opzettelijk te plukken, ontwortelen of te vernielen.

Opzetvereiste Bij veel van de hierboven genoemde verboden is er sprake van een opzetvereiste. Zo is het verboden om vogelnesten opzettelijk te beschadigen. In de wet wordt bij deze opzet uitgegaan van ‘voorwaardelijke opzet’. Bij voorwaardelijke opzet is men zich bij het handelen bewust van de mogelijke negatieve consequenties, terwijl men de handeling toch uitvoert. Een voorbeeld van voorwaardelijke opzet is iemand die in het voorjaar een boom omzaagt en daarbij ‘per ongeluk’ een vogelnest beschadigt. De persoon had niet de opzet dit nest te beschadigen. Maar in de broedtijd van vogels is er wel een aanzienlijke kans dat er in een boom een vogel nestelt. Er kan daarom toch sprake zijn van opzettelijke beschadiging van het nest; voorwaardelijke opzet. Vrijstelling, gedragscodes en ontheffing Provinciale Staten kunnen in een verordening een vrijstelling verlenen van de bovenstaande verboden. Zie paragraaf 2.2 voor de vrijstelling die in deze provincie van toepassing is. Daarnaast zijn de verboden niet van toepassing op handelingen die men uitvoert in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud, wanneer men die handelingen uitvoert conform een goedgekeurde gedragscode. Gedragscodes kunnen daarbij zowel gebruikt worden voor de omgang met de Vogelrichtlijnsoorten, de Habitatrichtlijnsoorten als de andere beschermde soorten.

Wel geldt voor de Vogelrichtlijnsoorten en de Habitatrichtlijnsoorten de aanvullende eis dat de handelingen die men uitvoert een wettelijk belang dienen uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Het gaat dan onder meer om handelingen in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of ter bescherming van flora en fauna. Tot slot kunnen Gedeputeerde Staten, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat, onder bepaalde voorwaarde een ontheffing verlenen van de verboden. Ook hierbij geldt voor Vogelrichtlijnsoorten en Habitatrichtlijnsoorten dat aan de handelingen die men verricht een wettelijk belang van de Vogelrichtlijn respectievelijk de Habitatrichtlijn ten grondslag dient te liggen.

Bescherming houtopstanden De bescherming van houtopstanden is geregeld in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming. Het is verboden houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, zonder voorafgaande melding bij de provincie. Een houtopstand is hierbij gedefinieerd als een eenheid van bomen of struiken met een oppervlakte van ten minste 1.000 vierkante meter of een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat. De wet schrijft verder voor dat wanneer een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, de grond binnen drie jaar moet worden herbeplant. Bovenstaande bescherming geldt niet voor alle houtopstanden. De regels zijn niet van toepassing op houtopstanden op erven of in tuinen, op fruitbomen, op windschermen om boomgaarden, op naaldbomen bedoeld om te dienen als kerstbomen, op kweekgoed, op bepaalde beplantingen van wilgen of populieren, op bepaalde beplantingen

bedoeld voor de productie van houtige biomassa en op houtopstanden binnen de, bij besluit van de gemeenteraad, vastgelegde grenzen van de bebouwde kom. Ook voor het dunnen van een houtopstand gelden de regels niet. De provincie kan regels stellen ten aanzien van de meldingsplicht en de plicht tot herbeplanting. Ook kan de provincie een ontheffing verlenen ten behoeve van herbeplanting op andere grond. Verder kan de provincie ontheffing verlenen en kan de provincie bij verordening vrijstelling verlenen van zowel de meldingsplicht als de plicht tot herbeplanting.

Bijlage 5

1/1

RAPPORTAGE activiteitenplan Veldegge-Noord Heeten

Rapport activiteitenplan Veldegge-Noord, Heeten Opdrachtgever

Gemeente Raalte Zwolsestraat 16 8101 AC Raalte

Rapportnummer

21754.001

Versienummer

D1

Status

Definitief

Datum

12 juli 2024

Opsteller1

De heer G.J. Sieperda, MSc

Kwaliteitscontrole

De heer K. Schilderman, MSc

1

Vrijgave In onze rapportages wordt niet gewerkt met handtekeningen en/of parafen. Conform protocol en eisen uit het kwaliteitssysteem wordt het rapport aantoonbaar vrijgegeven.

KWALITEITSZORG Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NENEN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Daarnaast staat veilig werken bij Econsultancy voorop en zijn we gecertificeerd voor VCA*. BETROUWBAARHEID Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. Al onze rapportages worden opgesteld conform de ‘Handreiking omgaan met AVG in bodemonderzoeken’ opgesteld door de VKB (29 juni 2022). Hiermee voldoet de rapportage aan de eisen die de wet en NEN normen ons stellen en wordt tevens voldaan aan de AVG. In het kader van de AVG dient, voorafgaand aan publicatie of bij uitlevering aan derden, bijlagen met kadastrale uittreksels en namen van opdrachtgevers, door de publicerende instantie, verwijderd dan wel zwart gelakt te worden. GELDIGHEID ONDERZOEK In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Omgevingswet, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................................. 1

2

GEGEVENS VAN DE LOCATIE EN HET GEBRUIK DOOR FLORA EN FAUNA .................................................. 2 2.1 2.2 2.3

3

VERSPREIDING VAN BESCHERMDE SOORTEN OP DE LOCATIE .................................................................. 5 3.1 3.2 3.3

4

Effecten op korte termijn op beschermde soorten ..................................................................... 20 Effecten lange termijn op gunstige staat van instandhouding .................................................... 22 Schadelijke handelingen Omgevingswet ...................................................................................... 23

TE TREFFEN MAATREGELEN .................................................................................................................... 25 6.1 6.2 6.3

7

Voorgenomen activiteiten en manier van uitvoering .................................................................. 17 Doel en belang van de activiteiten ............................................................................................... 18 Planning en onderbouwing van de activiteiten............................................................................ 19 Alternatieven................................................................................................................................ 19

EFFECTEN VAN DE INGREEP OP FLORA EN FAUNA ................................................................................. 20 5.1 5.2 5.3

6

Onderzoeksmethode ...................................................................................................................... 5 Onderzoeksresultaten .................................................................................................................... 7 Samenvatting ............................................................................................................................... 16

VOORGENOMEN INGREEP OP DE LOCATIE EN ONDERBOUWING .......................................................... 17 4.1 4.2 4.3 4.4

5

Locatiegegevens en huidige situatie .............................................................................................. 2 Verantwoording effectenstudie en verspreidingsinformatie ......................................................... 3 Deskundige begeleiding ................................................................................................................. 4

Inleiding ........................................................................................................................................ 25 Mitigerende maatregelen ............................................................................................................ 25 Zorgvuldig handelen ..................................................................................................................... 27

SAMENVATTING ...................................................................................................................................... 28

21754.001

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van Gemeente Raalte opdracht gekregen voor het uitvoeren van diverse aanvullende ecologische onderzoeken en het opstellen van een activiteitenplan in het kader van de Omgevingswet, ten behoeve van de voorgenomen uitbreiding van de woonwijk Veldegge-Noord te Heeten. De volgende onderzoeksvragen zullen in onderhavige rapportage worden beantwoord: • Welke beschermde soorten zijn in het plangebied aanwezig? • Welke functie heeft het plangebied voor de soorten? • Wat is de omvang en duurzame staat van instandhouding van de bij de ingreep betrokken populaties van beschermde soorten? • Blijft de functionaliteit van de rust- en voortplantingsplaatsen behouden? • Welke eigenschappen van het gebied moeten gemitigeerd of gecompenseerd worden? • Hoe groot wordt het succes van de te nemen maatregelen ingeschat? • Welke maatregelen moeten getroffen worden om aan de zorgplicht te voldoen? • Zijn er voor de streng beschermde soorten geen meer bevredigende oplossingen? • Welk wettelijk belang is er waardoor de werkzaamheden moeten worden uitgevoerd? Uit de quickscan natuurwaarden, die door SAB in januari 2023 is uitgevoerd (rapportage 220357.01, d.d. 18 januari 2023) blijkt dat er op de planlocatie mogelijk beschermde functies aanwezig zijn voor de soort(groep)en vleermuizen, bunzing, wezel, steenmarter, das, egel, boomvalk, ransuil, sperwer, steenuil en kerkuil.

Econsultancy heeft daarom nader onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van beschermde functies van de genoemde soorten. Het onderzoek naar aanwezigheid van de steenuil is echter uitgevoerd door SAB.

21754.001 versie D1

1 / 28

2

GEGEVENS VAN DE LOCATIE EN HET GEBRUIK DOOR FLORA EN FAUNA

2.1 Locatiegegevens en huidige situatie De onderzoekslocatie (± 11 ha) betreft enkele percelen aan de noordoostzijde van Heeten. In figuur 2.1 is de onderzoekslocatie weergegeven.

Figuur 2.1 Topografische ligging van de onderzoekslocatie.

De onderzoekslocatie betreft enkele agrarische percelen aan de noordzijde van de woonkern Heeten. De percelen werden gedurende het onderzoek gebruikt voor maïsteelt of beweiding van schapen. Er zijn diverse houtwallen en bosschages aanwezig op de onderzoekslocatie. Aan weerszijden van de Veldeggerweg is een eikenlaan aanwezig. Aan de noordzijde wordt de onderzoekslocatie begrenst door de N332, tevens is er een zonnepark aanwezig tussen de onderzoekslocatie en de N332. Rondom het zonnepark is een groene zone aanwezig bestaande uit kruidenrijk grasland, ruigte en een meidoornstruweelhaag. Het agrarisch landschap aan de noordzijde van de N332 wordt gekenmerkt door relatief grootschalige agrarische percelen die worden afgescheiden door houtwallen, lanen en bosschages. Aan de zuidzijde wordt de onderzoekslocatie begrenst door de nieuwbouwwijk Veldegge en een bedrijventerrein. In figuur 2.2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. Figuur 2.3 t/m figuur 2.5 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.

21754.001 versie D1

2 / 28

Figuur 2.2 Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving. De onderzoekslocatie is ingetekend met een witte stippellijn, de planlocatie is rood gearceerd.

Figuur 2.3 Dubbele eikenlaan langs de Veldeggerweg.

Figuur 2.4 Meidoornhagen zonnepark.

rondom

Figuur 2.5 Onderzoekslocatie zuidzijde.

vanaf

2.2 Verantwoording effectenstudie en verspreidingsinformatie Door SAB is in januari 2023 een quickscan natuur uitgevoerd (rapport 220357.01, d.d. 18 januari 2023). De quickscan is uitgevoerd aan de hand van een bureaustudie en een veldbezoek. Het veldbezoek is afgelegd op 7 december 2022. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de omliggende percelen onderzocht. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten op basis van het aanwezige habitat. Uit deze quickscan kwamen de volgende conclusies naar voren: • • •

De onderzoekslocatie maakt mogelijk onderdeel uit van het functioneel leefgebied van de huismus, kerkuil en steenuil; De onderzoekslocatie maakt mogelijk onderdeel uit van het functioneel leefgebied van de das; Op de onderzoekslocatie zijn mogelijk beschermde functies voor bunzing en wezel aanwezig;

21754.001 versie D1

3 / 28

• • •

Op de onderzoekslocatie zijn mogelijk beschermde functies voor steenmarter aanwezig; Op de onderzoekslocatie is mogelijk een belangrijke vliegroute voor vleermuizen aanwezig; Op de onderzoekslocatie is mogelijk een jaarrond beschermde nestplaats van ransuil, boomvalk of sperwer aanwezig.

2.3 Deskundige begeleiding De deskundige die betrokken is bij het project, betreft een ervaren ecoloog2. Econsultancy is lid van de branchevereniging Netwerk Groene Bureaus en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen.

2 Alle ecologen van Econsultancy hebben op HBO, dan wel universitair niveau een opleiding genoten met als zwaartepunt (Nederlandse)

ecologie en/of • Zijn als ecoloog werkzaam voor een ecologisch adviesbureau dat is aangesloten bij het netwerk Groene Bureaus en/of • Zetten zich aantoonbaar actief in op het gebied van soortenbescherming bij de daarvoor in Nederland bestaande organisaties.

21754.001 versie D1

4 / 28

3

VERSPREIDING VAN BESCHERMDE SOORTEN OP DE LOCATIE

3.1 Onderzoeksmethode Voor het onderzoek naar de huismus zijn tussen 1 april en 15 mei twee veldbezoeken uitgevoerd, gedurende de ochtend. Tijdens de veldbezoeken is gezocht naar roepende huismussen. Mannetjes huismussen roepen met name in het voorjaar (’s ochtends) vaak vanaf de dakranden/goten waar hun nesten zich bevinden. Bij het aantreffen van roepende mannetjes mag worden aangenomen dat zich onder het betreffende dak één of meerdere nesten bevinden. Tevens is gedurende de rondes in de ochtend gelet op huismussen die (met nestmateriaal) onder dakpannen of andere nestlocaties verdwijnen. Behalve op de onderzoekslocatie, is ook de directe omgeving onderzocht op de aanwezigheid of geschiktheid van de bebouwing voor huismus. Tijdens de veldbezoeken is in het bijzonder gelet op de functie van de op de onderzoekslocatie aanwezige bosschages, houtwallen en greppels voor in de omgeving verblijvende huismussen. De onderzoeksopzet is conform hetgeen is voorgeschreven in het kennisdocument voor de huismus (BIJ12, versie juni 2022). Tabel 3.1 Overzicht veldbezoeken voor het onderzoek naar de huismus. Datum

Tijd

Temperatuur

Weersomstandigheden

27 april 2023

10:00 - 12:00

16 oC

Onbewolkt, droog, wind ZO2

8 mei 2023

9:00 - 11:00

18 oC

Bewolkt, droog, wind ZW1

Voor het onderzoek naar vleermuizen zijn in de periode half april tot half oktober in totaal twee veldbezoeken uitgevoerd. De veldbezoeken zijn in de avonduren uitgevoerd. De inventarisatiemethode is conform het protocol voor vleermuisonderzoek (versie januari 2021), dat is opgesteld door het vleermuisvakberaad van het Netwerk Groene Bureaus. De onderzoeksinspanning is gebaseerd op de functie vliegroute voor de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Het protocol heeft tot doel het belang van de functie van onderzoekslocatie voor soorten vleermuizen effectief en efficiënt vast te stellen dan wel uit te sluiten. Het totaal aantal veldbezoeken is vastgesteld op basis van de grootte van de onderzoekslocatie, uitgaande van twee waarnemers per veldronde. Verwacht wordt dat met twee bezoeken omtrent deze soortgroep voldoende zekerheid is verkregen over de functie van de onderzoekslocatie. Voor het onderzoek is gebruik gemaakt van professionele batdetectors met opnamemogelijkheid (Pettersson D240x of Elekon M batlogger). Een batdetector zet het voor het menselijk gehoor niet hoorbare ultrasone geluid van vleermuizen om naar frequenties die wel hoorbaar zijn. Op basis van de geluidsfrequenties en ritmes kunnen verschillende soorten vleermuizen worden onderscheiden.

De opnamemogelijkheid is belangrijk omdat de geluidsopnames kunnen worden gebruikt voor het determineren van soorten die op basis van hun geluid moeilijk zijn te onderscheiden (met name Myotis-soorten) en waarbij het sonogram uitsluitsel kan geven. Hierbij is gebruik gemaakt van analyseprogramma Batsound.

21754.001 versie D1

5 / 28

Tabel 3.2 Overzicht veldbezoeken voor het onderzoek naar vleermuizen. Datum

Tijd

Temperatuur

Weersomstandigheden

27 september 2023

19:15- 21:30

19 oC

Droog, bewolkt, wind ZO3

15 mei 2024

21:15 – 23:30

18 oC

Droog, bewolkt, wind NW2

Voor het onderzoek naar de das zijn drie veldbezoeken uitgevoerd waarbij de voor de das relevante delen van de onderzoekslocatie zijn geïnspecteerd op de aanwezigheid van dassensporen (graafsporen, foerageersporen, mestputjes, vraatsporen). Wanneer deze niet worden aangetroffen kan worden uitgesloten dat de onderzoekslocatie deel uitmaakt van het functioneel leefgebied van in de omgeving verblijvende dassen. Tabel 3.3 Overzicht veldbezoeken voor het onderzoek naar de das. Datum

Tijd

Temperatuur

Weersomstandigheden

27 april 2023

12:00 - 14:00

16 oC

Onbewolkt, wind ZO 2

8 mei 2023

11:00 - 13:00

18 oC

Bewolkt, droog, wind ZW 1

27 september 2023

18:15 - 19:15

19 oC

Bewolkt, droog, wind ZO3

Voor het onderzoek naar de steenmarter is tijdens de veldbezoeken voor de overige soorten gelet op de aanwezigheid van sporen. Daarnaast worden op de delen van de onderzoekslocatie die mogelijk deel uitmaken van het functioneel leefgebied van de steenmarter gedurende 6 weken cameravallen geplaatst. Voor het onderzoek naar bunzing en wezel zijn gedurende 6 weken cameravallen geplaatst op de voor deze soorten relevante delen van de onderzoekslocatie. Aanvullend wordt een leefgebiedsanalyse uitgevoerd voor deze soorten. Omdat de afwezigheid van bunzing en wezel lastig is aan te tonen met behulp van cameraonderzoek wordt conform het kennisdocument kleine marterachtigen (BIJ12, januari 2024) en de handreiking kleine marterachtigen van de provincie Overijssel wordt op basis van een verkennend veldonderzoek en een bureauonderzoek een habitatbeoordeling uitgevoerd. Als uit deze beoordeling blijkt dat bunzing en wezel mogelijk in het plangebied aanwezig zijn, dan zal op basis hiervan een vergunning worden aangevraagd. Op de onderzoekslocatie is één nest aangetroffen dat mogelijk in gebruik is door boomvalk, sperwer of ransuil. Aanvullend onderzoek is noodzakelijk om vast te stellen of het nest in gebruik is door één van deze soorten en daarmee een jaarrond beschermde status heeft. Dit onderzoek bestond uit 3 veldbezoeken die in het voorjaar en het begin van de zomer zijn uitgevoerd.

Tijdens de veldbezoeken is het nest geobserveerd totdat met voldoende zekerheid gesteld kan worden of het nest in gebruik is door één van genoemde soorten.

21754.001 versie D1

6 / 28

Tabel 3.4 Overzicht veldbezoeken voor onderzoek naar mogelijke nestplaats boomvalk, ransuil en sperwer. Datum

Tijd

Temperatuur

Weersomstandigheden

27 april 2023

12:00 - 14:00

16 oC

Onbewolkt, wind ZO 2

8 mei 2023

11:00 - 13:00

18 oC

Bewolkt, droog, wind ZW 1

1 juni 2023

10:15 - 11:30

14 oC

Bewolkt, droog, wind NO3

Voor het onderzoek naar de kerkuil is navraag gedaan bij de lokale uilenwerkgroep om een beeld te krijgen van de aanwezige territoria op en in de omgeving van de onderzoekslocatie. Daarnaast is tijdens en na het onderzoek naar vleermuizen gelet op foeragerende kerkuilen op de onderzoekslocatie. Op basis van deze informatie ontstaat een goed beeld van de aanwezige territoria op en in de omgeving van de onderzoekslocatie. Het onderzoek naar de aanwezigheid van territoria van de steenuil op de onderzoekslocatie is uitgevoerd door SAB (rapport 220357.02, d.d. 8 november 2023). Het onderzoek is conform het kennisdocument Steenuil (BIJ12, juli 2017) uitgevoerd. De onderzoeksresultaten worden in onderhavig rapport samengevat, voor een uitgebreide beschrijving van de methodiek en waarnemingen wordt verwezen naar het onderzoeksrapport dat is opgesteld door SAB (rapport 220357.002).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Raalte&id=c4694e6c-a8b1-4f79-be54-994319fd0dfe