CConstaterende datRaalte
Koppel je AI →
Document · PDF

Omgevingsplan De Veldegge Noord Bijlagen 4 tm 9

Raadsvergadering 22 januari 2026, gemeente RaalteBij agendapunt: Vaststellen TAM-omgevingsplan 13 De Veldegge Noord in Heeten (hamerstuk)25.265 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bijlage 4

1/1

Quick scan natuur

Heeten, Veldegge 2e fase

Gemeente Raalte

Datum: 18 januari 2023 Projectnummer: 220357.01

INHOUD 1

Inleiding

3

1.1 1.2

Aanleiding Plangebied

3 3

2

Wettelijk kader

9

2.1 2.2 2.3

Gebiedsbescherming Soortenbescherming Bescherming houtopstanden

9 10 10

3

Onderzoeksmethode

11

3.1 3.2 3.3

Deskundigheid Definitie product Werkwijze

11 11 11

4

Aanwezigheid beschermde gebieden en soorten

13

4.1 4.2 4.3

Ligging beschermde gebieden Aanwezigheid beschermde soorten Aanwezigheid houtopstanden

13 14 29

5

Effectbeoordeling en advies vervolgtraject

30

5.1 5.2 5.3 5.4

Mogelijke effecten op beschermde gebieden Mogelijke effecten op beschermde soorten Mogelijke effecten op beschermde houtopstanden Potentiële natuurversterking

30 30 36 37

6

Conclusie

39

6.1 6.2 6.3 6.4

Gebiedsbescherming Soortenbescherming Bescherming houtopstanden Vervolgstappen

39 39 41 41

Geraadpleegde bronnen Bijlage 1. Wettelijk kader

1

Inleiding

1.1

Aanleiding De gemeente Raalte is voornemens om de woningbouwlocatie ‘de Veldegge’ in Heeten aan de noordzijde, op een gebied van ca. 3,5 hectare, uit te breiden. De Veldegge Noord wordt gezien als de 2e fase van de Veldegge. Daarbij onderzoekt de gemeente ook de kansen en mogelijkheden voor bijvoorbeeld waterberging of woningbouw in aangrenzende studiegebieden. Voor de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan is het noodzakelijk dat de haalbaarheid ervan wordt aangetoond. Er dient daarom vanuit de ecologie onderzocht te worden of met de ruimtelijke ontwikkelingen die het plan toestaat sprake is van overtreding van de geldende natuurwet- en regelgeving. Voorliggende rapportage zet door middel van een quick scan natuur uiteen of met de ruimtelijke ontwikkeling mogelijk sprake kan zijn van het verstoren van beschermde natuurgebieden en beschermde soorten en of nader onderzoek hiernaar noodzakelijk is.

1.2

Plangebied

1.2.1

Huidige situatie Momenteel bestaat het onderzoeksgebied uit één plangebied met daaromheen drie studiegebieden. Deze verdeling is gemaakt omdat het, anders dan voor het plangebied, voor de studiegebieden nog onbekend is of deze ontwikkeld worden. Deze vier gebieden (gezamenlijk het onderzoeksgebied genoemd) bevinden zich aan de noordrand van Heeten (gemeente Raalte, provincie Overijssel). In de omgeving liggen woonwijken, sportvelden en agrarische gronden. In de nabijheid liggen natuurgebieden Boetelerveld en Sallandse Heuvelrug. Om het overzicht te behouden in deze quickscan zal het totale onderzoeksgebied worden opgedeeld in het plangebied en studiegebied 1, 2 en 3. Deze vier gebieden zullen in deze quick scan dan ook apart beschreven worden. Navolgende afbeelding geeft een visuele weergave van het onderzoeksgebied.

3

Overzicht van het onderzoeksgebied, onderverdeeld in een plangebied en drie studiegebieden.

Topografische kaart met de globale ligging van het onderzoeksgebied (omkaderd). Bron: PDOK.

1.2.1.1

Plangebied Het plangebied bestaat uit open grasland, weide, een wadi, een houtwal, agrarisch perceel met radijs en enkele bomen. In het plangebied is ook een boerderij met een toegangsweg aanwezig. Deze blijft behouden. Het plangebied grenst in het zuiden aan een woonwijk. In het noorden grenst het aan een zonneweide en in het oosten 4

aan studiegebied 3. In het westen grenst het plangebied aan de bosschage van studiegebied 2. Navolgende afbeeldingen geven een impressie van het plangebied ten tijde van het veldbezoek.

Aanzicht zuidwestelijke hoek van het

Aanzicht westelijke zijde van het plangebied;

plangebied;

Aanzicht aanwezige weide in het

Aanzicht aanwezige greppel in het westen

noordwesten van het plangebied;

van het plangebied;

Aanzicht boerderij;

Aanzicht wadi;

5

Aanzicht oostzijde plangebied;

Aanzicht aanwezige bomen, houtwal en agrarisch perceel in het plangebied.

1.2.1.2

Studiegebied 1 Studiegebied 1 wordt begrensd door een agrarisch perceel en sportvelden aan de westzijde, de provinciale weg N332 aan de noordzijde en het zonnepark aan de oostzijde. In het zuiden grenst het studiegebied aan studiegebied 2 en het plangebied. Studiegebied 1 bestaat uit een schapenweide en een agrarisch perceel waar nog een gewas op wordt verbouwd. Daarnaast bevindt zich een kleine houtsingel ten oosten van het tennisclubgebouw. Navolgende afbeeldingen geven een impressie van het studiegebied ten tijde van het veldbezoek.

Aanzicht schapenweide;

Aanzicht studiegebied 1 vanuit oostelijke hoek;

Aanzicht agrarisch perceel vanuit de meest

Aanzicht kleine houtsingel ten oosten van

noordelijke punt van studiegebied 1;

het tennisclubhuis.

6

1.2.1.3

Studiegebied 2 Studiegebied 2 bestaat uit een voetbalveld en een houtsingel van bomen en struiken aan de oostzijde van het studiegebied. Het perceel wordt aan de noordzijde begrenst door een tennisvereniging en in het westen door een ander voetbalveld. In het oosten grenst het studiegebied aan het plangebied. In het zuiden grenst het studiegebied aan een aantal bomen en een woonwijk. Navolgende afbeeldingen geven een impressie van het studiegebied ten tijde van het veldbezoek.

Aanzicht noordelijke zijde studiegebied 2;

Aanzicht oost- en zuidzijde studiegebied 2;

Aanzicht oostzijde studiegebied 2;

Aanzicht bestaande bosschage in het oosten van het studiegebied.

1.2.1.4

Studiegebied 3 Studiegebied 3 bestaat uit twee agrarische percelen, een weg met aan weerskanten een bomenrij en een greppel met enkele struiken (deze staat op de westelijke grens van dit studiegebied ten oosten van het zonneveld). Op het agrarische perceel in het westen van het studiegebied werd tijdens het veldbezoek radijs verbouwd. Het oostelijk gelegen agrarisch perceel lag tijdens het veldbezoek braak. Het studiegebied grenst van het noordoosten tot het zuidoosten aan de provinciale weg N332. In het noordwesten grenst het studiegebied ook aan een zonneweide. In het westen grenst het studiegebied aan het plangebied en aan een woonwijk. In het zuiden grenst het studiegebied aan een woning en aan een agrarisch perceel. Navolgende afbeeldingen geven een impressie van het studiegebied ten tijde van het veldbezoek.

7

Aanzicht westelijk gelegen agrarisch perceel;

Aanzicht bomenrij langs de Veldeggerweg;

Aanzicht oostelijk agrarisch perceel

Aanzicht zuidzijde studiegebied 3..

studiegebied 3;

1.2.2

Toekomstige situatie In het onderzoeksgebied bestaat het voornemen een woningbouwlocatie te realiseren. Daarbij wordt het plangebied als primair ontwikkelingsgebied gezien en de verschillende studiegebieden worden mogelijk ook ontwikkeld. Op dit moment wordt op hoofdlijnen bekeken of woningbouw op deze locatie kansrijk blijkt. De wens is om in elk geval 25% sociale huurwoningen te realiseren, ruimte te bieden aan CPO en minimaal 50% uitgeefbaar gebied te realiseren. Daarbij onderzoekt de gemeente ook de kansen en mogelijkheden voor bijvoorbeeld waterberging.

8

2

Wettelijk kader Hieronder staat een samenvatting van het wettelijk kader. Een uitgebreide beschrijving staat in bijlage 1.

2.1

Gebiedsbescherming

2.1.1

Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden Op grond van de Wet natuurbescherming kunnen natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna, door de Minister worden aangewezen ter uitvoering van de Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijn, de zogeheten Natura 2000-gebieden. Ook kan de Minister op grond van deze wet in enkele specifieke gevallen bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen. Bij de aanwijzing van een Natura 2000-gebied worden voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen voor te beschermen soorten en/ of habitats vastgesteld. Het is verboden om zonder vergunning een project te realiseren dat significant negatieve gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Als een plan of project mogelijk negatieve gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, vindt eerst een globale toetsing plaats, de voortoets. Als uit de voortoets blijkt dat er zeker geen negatieve gevolgen zijn, dan kan het betreffende plan worden vastgesteld, of geldt in het geval van een project geen vergunningplicht. Als de kans op significante gevolgen niet kan worden uitgesloten dan moet, conform artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming een passende beoordeling worden gemaakt.

2.1.2

Natuurnetwerk Nederland De Wet natuurbescherming draagt Gedeputeerde Staten op, om in hun provincie te zorgen voor een landelijk ecologisch netwerk, genaamd Natuurnetwerk Nederland. Voor dit netwerk geldt, op basis van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (het Barro), een ‘nee, tenzij’-beschermingsregime. Het bestemmingsplan, of een omgevingsvergunning waarmee van het bestemmingsplan wordt afgeweken, maakt geen ontwikkelingen mogelijk die kunnen leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van de aanwezige natuur, of tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden, tenzij er sprake is van groot openbaar belang, er geen reële alternatieven zijn, negatieve effecten zoveel mogelijk worden beperkt en overblijvende negatieve effecten worden gecompenseerd. Provincies dienen deze bescherming te regelen bij provinciale verordening. Daarnaast kunnen provincies bij provinciale verordening andere gebieden met bijzondere natuurwaarden beschermen, genaamd bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. Binnen het Natuurnetwerk Nederland in Overijssel liggen natuurgebieden die vanwege de hoge natuurwaarden (inter-)nationale bescherming genieten, waaronder de Nationale Parken en een groot deel van de Natura 2000-gebieden.

Naast de bestaande natuurgebieden bestaat het NNN in Overijssel deels uit gebieden die nog omgevormd zullen worden tot natuur.

9

Naast het NNN is in Overijssel ook sprake van de Zone Ondernemen met Natuur en Water (ONW). Binnen deze zone geldt een ‘ja, mits’-benadering. Hier zijn ontwikkelingsmogelijkheden voor bestaande en nieuwe functies, mits er wordt bijgedragen aan ruimtelijke kwaliteit.

2.2

Soortenbescherming De bescherming van dier- en plantensoorten is geregeld in de Wet natuurbescherming. Voor een aantal soorten is door middel van verboden een beschermingsregime opgenomen. Er is een apart beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten, voor Habitatrichtlijnsoorten en voor andere soorten. Naast de beschermde plant- en diersoorten geldt voor al de in het wild levende soorten ook een zorgplicht. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. Dit houdt onder meer in dat men negatieve gevolgen voor aanwezige soorten zoveel mogelijk beperkt door het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht. Provinciale Staten kunnen in een verordening een vrijstelling verlenen van de verboden van de wet. De provincie Overijssel heeft besloten voor een aantal algemeen voorkomende zoogdiersoorten en amfibieën een vrijstelling te verlenen, voor handelingen die men verricht in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en voor handelingen in het kader van bestendig beheer en onderhoud. Het betreft de soorten aardmuis, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, gewone bosspitsmuis, haas, huisspitsmuis, konijn, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, woelrat, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en middelste groene kikker.

Daarnaast zijn de verboden niet van toepassing op handelingen die men uitvoert in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud, wanneer men die handelingen uitvoert conform een goedgekeurde gedragscode. Tot slot kunnen Gedeputeerde Staten, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat, onder bepaalde voorwaarde een ontheffing verlenen van de verboden.

2.3

Bescherming houtopstanden Het is verboden houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, zonder voorafgaande melding bij de provincie. Een houtopstand is hierbij gedefinieerd als een eenheid van bomen of struiken met een oppervlakte van ten minste 1.000 vierkante meter of een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat. De wet schrijft verder voor dat wanneer een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, de grond binnen drie jaar moet worden herbeplant. Bovenstaande bescherming geldt niet voor alle houtopstanden. De regels zijn onder meer niet van toepassing op houtopstanden op erven of in tuinen en op houtopstanden binnen de, bij besluit van de gemeenteraad, vastgelegde grenzen van de bebouwde kom. Ook voor het dunnen van een houtopstand gelden de regels niet.

10

3 3.1

Onderzoeksmethode Deskundigheid Kwaliteit van het ecologisch onderzoek en het geleverde product staan bij SAB hoog in het vaandel. Mede daarom zijn wij aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus (NGB); de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Om aan onze standaard te voldoen, wordt ecologisch onderzoek enkel uitgevoerd door deskundigen. Onder een ecologisch deskundige verstaan we iemand met aantoonbare ervaring en kennis op het gebied van de ecologie van de betreffende soorten. Onze deskundigen voldoen aan de eisen van een ecologisch deskundige zoals de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland die stelt. Ecologen in opleiding tot deskundige werken altijd onder begeleiding van een deskundige.

3.2

Definitie product Het product wat in deze rapportage geleverd wordt is een “quick scan natuur”. Dit bestaat uit een “quickscan soorten” conform de begrippenlijst van het Netwerk Groene Bureaus (NGB 2020), aangevuld met verkennende analyse op het gebied van gebiedsbescherming (Natura 2000-gebieden en Natuurnetwerk Nederland) en een verkennende analyse op het gebied van houtopstanden.

3.3

Werkwijze Voor het onderzoek werd een bureaustudie uitgevoerd en werd een veldbezoek aan de locatie gebracht. Als eerste werd voor het onderzoek, op basis van informatie van de opdrachtgever, het onderzoeksgebied in beeld gebracht en werden de toekomstige ontwikkelingen beschreven. Vervolgens werd onderzocht welke beschermde plant- en diersoorten in de omgeving van het onderzoeksgebied zijn te verwachten. Hiervoor werd de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd op 6 december 2022, waarbij waarnemingen van de afgelopen 10 jaar werden opgevraagd. Aanvullend hierbij is gebruik gemaakt van andere bronnen, als websites en verspreidingsatlassen. Bij deze bureaustudie werd ook de ligging van het studiegebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden en gebieden die via de provinciale verordening zijn beschermd onderzocht. Hiervoor werd onder meer informatie van de website van de provincie geraadpleegd. Tenslotte werd bekeken of in het plangebied beschermde houtopstanden aanwezig zijn. Vervolgens werd een veldbezoek aan het studiegebied en de directe omgeving ervan gebracht. Dit bezoek vond plaats op 7 december 2022, bij droog, windstil bewolkt weer en een temperatuur van circa 2 graden. Doel van deze veldverkenning was om een indruk te krijgen van de habitats ter plaatse en om de geschiktheid van het studiegebied voor de verschillende soortgroepen te beoordelen.

Het veldbezoek heeft niet de status van een volledige veldinventarisatie. Het eenmalige veldbezoek geeft een globaal beeld van aanwezige soorten en habitats op basis van een momentopname.

11

Met de gegevens uit de bureaustudie en het veldbezoek is vervolgens een inschatting gemaakt van de mogelijke effecten op beschermde soorten, beschermde gebieden en beschermde houtopstanden. In dit geval is voor wat betreft de soortenbescherming bekeken welke deelgebieden en elementen hierin potentieel belangrijk zijn voor de soorten. Op basis van deze inschatting is een advies opgesteld met aanbevelingen voor vervolgstappen. Voor de soortenbescherming is dan ook inzichtelijk gemaakt voor welke soort nader onderzoek uitgevoerd moet worden als bepaalde elementen verwijderd of aangetast worden, of wanneer bepaalde deelgebieden wel of niet ontwikkeld gaan worden. Nadat het eerste conceptrapport gereed was, is dit beoordeeld op inhoud en vorm door een deskundig collega. Het commentaar is vervolgens besproken en verwerkt, om zo tot een eensluidend advies te komen.

12

4

Aanwezigheid beschermde gebieden en soorten In dit hoofdstuk beschrijven wij de ligging van het onderzoeksgebied ten opzichte van beschermde gebieden en beschrijven we de kans op de aanwezigheid van beschermde soorten. In het volgende hoofdstuk volgt een beoordeling van de mogelijke effecten op beschermde gebieden en beschermde soorten ten gevolge van de ontwikkeling.

4.1

Ligging beschermde gebieden

4.1.1

Ligging Natura 2000-gebied Het onderzoeksgebied ligt niet in een gebied dat in het kader van de Wet natuurbescherming is aangewezen (zie navolgende afbeelding). Wel liggen Natura 2000-gebieden Boetelerveld en Sallandse Heuvelrug in de omgeving van het onderzoeksgebied. Deze liggen respectievelijk 3,6 en 4,9 kilometer van het onderzoeksgebied verwijderd.

Globale ligging van het onderzoeksgebied (rood omcirkeld) ten opzichte van Natura 2000-gebieden. Bron: Aerius.

4.1.2

Ligging Natuurnetwerk Nederland Het onderzoeksgebied ligt niet binnen Natuurnetwerk Nederland (zie navolgende afbeelding). Het dichtstbijzijnde gedeelte van het natuurnetwerk bevindt zich op ongeveer 430 meter ten noordwesten van het onderzoeksgebied. Er bevinden zich geen weidevogelleefgebieden en ganzenrustgebieden in de omgeving van het onderzoeksgebied.

13

Globale ligging van het onderzoeksgebied (rood omcirkeld) ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland. Bron: Provincie Overijssel.

4.2

Aanwezigheid beschermde soorten

4.2.1

Zorgplicht, voor alle in het wild levende dieren en planten In het onderzoeksgebied is groen aanwezig. Het vormt daarmee geschikt leefgebied voor in het wild levende planten en dieren.

4.2.2 4.2.2.1

Vogelrichtlijnsoorten Vogelsoorten met niet-jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek zijn in het onderzoeksgebied soorten met niet-jaarrond beschermde nesten aangetroffen als kauw, houtduif en merel. Dergelijke soorten kunnen mogelijk in het onderzoeksgebied tot broeden komen. In een boom direct naast studiegebied 2 is daarnaast ook een vogelnest aangetroffen.

14

Aangetroffen vogelnest in een boom naast studiegebied 2.

4.2.2.2

Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten Naast de reguliere bescherming in het broedseizoen zijn er verschillende vogelsoorten van wie de nesten jaarrond worden beschermd. Deze jaarrond beschermde status is vanwege verschillende redenen. Zo zijn er soorten die het hele jaar gebruik maken van het nest. Daarnaast zijn er koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn. Ook zijn er soorten die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die nauwelijks in staat zijn zelf een nest te maken. Hieronder wordt in meer detail beschreven of en in welke mate het gebied geschikt kan zijn voor de betreffende soorten. Huismus Huismussen broeden in kieren en spleten van bebouwing en tevens vaak onder (golvende) dakpannen. Een geschikte leefomgeving van de huismus bestaat uit een combinatie van een geschikte nestgelegenheid, voedsel, drinkwater en voldoende dekking in de vorm van stekelige of groenblijvende struiken. Voornamelijk plekken waar bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen herbergen hoge dichtheden aan huismussen (BIJ12 2017a). Midden in het plangebied staat een boerderij (Johannalaan 39). De boerderij zelf maakt geen deel uit van het studiegebied en blijft dan ook behouden. De boerderij kon tijdens het veldbezoek niet goed worden gecontroleerd op aanwezigheid van geschikte broedplaatsen van huismus.

Aanwezigheid van deze soort kon dan ook niet worden uitgesloten. De boerderij blijft behouden en er gaan dus geen mogelijk aanwezige nestplaatsen verloren. Daarnaast is verstoring van de mogelijk aanwezige nestplaatsen ook niet te verwachten, omdat relatief veel tuin tussen de bebouwing en de weilanden aanwezig is waar uiteindelijk mogelijk gebouwd gaat worden.

15

Op twee locaties direct grenzend aan het onderzoeksgebied zijn daadwerkelijk huismussen waargenomen. Het betreft de adressen Kuilovenstraat 13 (grenzend aan het plangebied) en Veldeggerweg 1/1A (grenzend aan het plangebied en studiegebied 4). Voor beide adressen geldt dat hier een grote tuin met veel groen in de vorm van struiken, heggen en (kleine) bomen aanwezig is. Dit vormt uitermate geschikt leefgebied voor de huismus. Ook voor deze adressen geldt dat met de ontwikkeling van het onderzoeksgebied geen sprake van significante verstoring is te verwachten wat leidt tot het verlies van functionaliteit van de waarschijnlijk aanwezige huismusnesten. Uit het veldbezoek blijkt dus dat op percelen rond het onderzoeksgebied huismussen aanwezig zijn. Mogelijk zijn deze nog op meer locaties aanwezig dan met het veldbezoek is vastgesteld. In het onderzoeksgebied zijn op meerdere plekken geschikte foerageermogelijkheden voor deze mussensoort aanwezig. Het betreft dan: − Houtsingel/bosschage in zuidoostelijke punt van het plangebied; − Jonge houtsingel in greppel in noordelijk deel van het plangebied; − Kleine houtsingel aan westzijde van studiegebied 1, ten oosten van het tennisclubhuis; − Greppel met struiken op westelijke grens van studiegebied 3, ten oosten van het zonneveld. Gierzwaluw Gierzwaluwen broeden in Nederland in stedelijk gebied.

Ze broeden in kolonies, onder daken en in gebouwen. Veel gebruikte nestlocaties zijn onder scheefliggende of kapotte dakpannen, onder nokpannen, in gaten en kieren onder de dakrand en bij dakkapellen, daar waar het zink overloopt van de dakkapel naar de dakpannen. Daarnaast worden soms kunstmatige nestkasten of nestpannen, gaten in muren, gaten achter regenpijpen of ventilatieschachten als broedlocatie gebruikt. Nestlocaties dienen een vrije uitvliegroute op minimaal enkele meters boven de grond te hebben. Daken dienen verder minimaal een hellingshoek van 45 graden te hebben om als nestlocatie geschikt te zijn (BIJ12 2017b). Midden in het plangebied staat een boerderij. De boerderij zelf maakt geen deel uit van het studiegebied en blijft dan ook behouden. De boerderij kon tijdens het veldbezoek niet goed worden gecontroleerd op aanwezigheid van geschikte nestplaatsen van gierzwaluw. Aanwezigheid van deze soort kon dan ook niet worden uitgesloten. De boerderij blijft behouden en er gaan dus geen mogelijk aanwezige nestplaatsen verloren. Daarnaast is verstoring van de mogelijk aanwezige nestplaatsen ook niet te verwachten, omdat relatief veel tuin tussen de bebouwing en de weilanden aanwezig is waar uiteindelijk mogelijk gebouwd gaat worden. Verder zijn in het onderzoeksgebied geen gebouwen aanwezig. Nestplaatsen van de gierzwaluw zijn hier dan ook niet te verwachten.

Wespendief en zwarte wouw De wespendief en de zwarte wouw komen niet voor in de omgeving van het onderzoeksgebied. Het voorkomen van deze soorten in het onderzoeksgebied is dan ook uitgesloten.

16

Roek Het habitat van de roek bestaat uit vochtige gras- en bouwlanden met verspreid staande clusters van bomen. Ook parklandschappen en parken aan de rand van vochtige landbouwgebieden worden gebruikt. De roek is een kolonievogel. De nesten bevinden zich in clusters van hogere bomen van 15-25 hoogte. Er worden verschillende boomsoorten gebruikt, waarbij de aanwezigheid van stevige takvorken op enkele meters hoogte leidend is bij de boomkeuze. De functionele leefomgeving rond een nestplaats van een roek moet bestaan uit een combinatie van voldoende volwassen bomen van minimaal 15 meter hoog. Een gevarieerd boomsoortenbestand en minimaal 1,5 hectare vochtig bemest gras- of bouwland binnen een straal van 1500 meter van de nestlocatie (BIJ12, 2017c, SOVON, 2012). De bomen in en rondom het onderzoeksgebied zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van nesten. Er zijn geen bomen met meerdere nesten naast elkaar aangetroffen. Aangezien de roek een koloniebroeder is en er geen nestgroepen zijn aangetroffen in en rondom het onderzoeksgebied, kan aanwezigheid van nesten van de soort in en rondom het onderzoeksgebied worden uitgesloten. Boomvalk, sperwer en ransuil De boomvalk is een schaarse broedvogel die leeft in open landschappen, meestal met water in de buurt. De boomvalk broedde oorspronkelijk veel in heiden, bossen en bosranden op zandgrond.

Tegenwoordig broedt zij echter meer in open agrarische landschappen en aan de rand van steden. Ook in gebieden die rijk zijn aan menselijke verstoring zoals sport-, bedrijfsterreinen of langs snelwegen wordt door de boomvalk gebroed. Dit heeft deels te maken met een toenemende predatiedruk van havik in het oorspronkelijke broedgebied. De boomvalk gebruikt voornamelijk nesten van kraaien maar ook duiven of andere roofvogels om in te broeden en gedraagt zich in broedtijd onopvallend. Nesten kunnen in boomgroepen, vrijstaande bomen maar ook op hoogspanningsmasten zijn gelegen. De broedperiode is in mei-juni (SOVON 2002, www.vogelbescherming.nl). De sperwer komt voor in allerlei typen bos en kleinschalig landschap met boomgroepen. De soort broedde traditioneel in dichte, niet te oude naaldbossen of gemengde bossen. Onder andere door toename van de havik, die in vergelijkbaar gebied leeft en ook op de sperwer jaagt, broedt de sperwer tegenwoordig echter op allerlei plekken in dichte loofbosjes, wegbeplanting en stadstuinen. De sperwer maakt elk jaar een nieuw nest binnen het bezette territorium, vaak dicht bij het oude. Het nest wordt direct aan de stam op dikke takken gebouwd. Soms wordt het oude nest van een houtduif verder uitgebouwd. De soort broedt van eind april tot eind juni (SOVON, 2002).

Ransuilen broeden in allerlei gebieden, waar open veld aanwezig is met voldoende muizen. Ze mijden grote bossen, boomloze gebieden en steden. Tegenwoordig wordt vooral in kleine bosjes en agrarisch cultuurland gebroed. De soort nestelt in een oud nest van een andere soort, bij voorkeur van ekster of zwarte kraai, maar soms ook van houtduif, buizerd of havik. Ze broeden bij voorkeur in naaldbomen, die het beste dekking geven, maar ook in loofbomen, houtwallen, boomgroepen en solitaire bomen.

17

De broedperiode is van half februari tot eind juli, waarbij eileg plaatsvindt van half maart tot half april. (SOVON 2002, www.sovon.nl, www.vogelbescherming.nl). Alle bomen in het onderzoeksgebied en minimaal 75 meter eromheen zijn onderzocht op aanwezige holten en nesten. Deze zijn in studiegebieden 1, 2 en het plangebied niet aangetroffen. In studiegebied 3 is er een middelgroot nest aangetroffen in een zomereik (zie navolgende afbeelding). Deze eik bevindt zich in een bomenrij langs de Veldeggerweg en kan mogelijk van een boomvalk, sperwer of ransuil zijn, gezien de grootte van het nest.

Aangetroffen middelgroot vogelnest in een zomereik langs de Veldeggerweg.

Buizerd en havik De buizerd heeft de voorkeur voor een afwisselend landschap waar bossen worden afgewisseld door open terrein, weilanden en houtwallen. De combinatie van een bos of bosje met nabijgelegen open land is ideaal. De buizerd maakt in de meeste gevallen gebruik van een bestaand kraaien- of blauwe reigernest, en bouwt deze verder uit tot een omvangrijk nest. Het territorium en bijbehorende nesten wordt jaarrond verdedigd. Nesten bevinden zich in hoge bomen tussen de 6 en 27 meter, grofweg tussen de 1/3 en 2/3 van de boomhoogte. Het nest bevindt zich direct langs de stam of soms op een zijtak, enkel in grove dennen ook in de boomtop (SOVON, 2002). De havik komt voornamelijk voor in naald- en loofbos en kan een territorium levenslang bezetten. Ook moerasbos en parken worden gebruikt. Door onderlinge concurrentie en voedselgebrek in bosgebieden worden ook steeds vaker dieren in groengebieden rond de stad aangetroffen. De havik maakt (meestal) zelf een nest hoog in de kroon van een boom welke vaak jarenlang achtereen wordt gebruikt. Soms wordt een nest van een andere roofvogel opgelapt. Meestal worden naaldbomen maar soms ook loofbomen gebruikt. De broedtijd loopt van eind maart tot begin juli (SOVON, 2002, www.vogelbescherming.nl). De broedtijd van deze soort is van eind februari tot eind juli, met een legpiek van eind maart tot eind april.

In het onderzoeksgebied en 75 meter eromheen zijn alle bomen onderzocht op de aanwezigheid van nesten die groot genoeg kunnen zijn voor de buizerd of havik. Deze

18

zijn niet aangetroffen en zijn daarom hier ook niet aanwezig. Nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk. Steenuil en kerkuil De steenuil is een honkvaste soort die het gehele jaar in een klein territorium van enkele honderden meters verblijft. Het jachtgebied bestaat uit open terrein met lage vegetatie. Nesten worden het gehele jaar ook als verblijfplaats gebruikt. Nestplaatsen bevinden zich op erven van burgerwoningen, bij boerderijen in agrarisch cultuurlandschap en aan dorpsranden. Nesten worden hier in boomholten, nestkasten of nauwe ruimten in gebouwen gemaakt. De soort broedt vanaf maart tot mei. De jongen vestigen zich op korte afstand van het ouderlijk territorium (SOVON, 2002, BIJ12, 2017d). De kerkuil komt voor in cultuurland met gras- en bouwlanden die begrensd worden door kruidenrijke akkerranden, houtwallen, heggen of bosjes. Kerkuilen broeden vooral in de hoge, donkere en tochtvrije delen van boerenschuren, kerken, kastelen en torens en bij hoge uitzondering in een holle boom. Tegenwoordig broedt 90 procent van de gevallen in een speciale nestkast. De kerkuil is zeer honkvast en blijft zijn hele leven in de buurt van zijn gekozen leefgebied. De broedlocatie is vaak een andere als de winterverblijfplek (SOVON, 2002). Het gehele onderzoeksgebied bevindt zich aan de rand van het dorp en bestaat uit open terrein, houtsingels, bomenrijen en agrarische percelen.

Dergelijk terrein is geschikt als leefgebied voor de steenuil en kerkuil. Ook zijn er verschillende boerenerven in de buurt waar een steenuil of kerkuil zijn nestplaats kan hebben. Bovendien liet een omwonende weten dat hij een kerkuil had waargenomen in de buurt van één van de studiegebieden. Aanwezigheid van essentieel leefgebied van beide uilensoorten in het gehele onderzoeksgebied kan daarom niet worden uitgesloten. Overige vogelsoorten Andere vogelsoorten waarvan het nest jaarrond is beschermd, nestelen op hoge gebouwen (slechtvalk), op richels van bergen of steengroeven en soms op oude roofvogelnesten (oehoe), langs stromende beken (grote gele kwikstaart), of op speciale nestpalen (ooievaar) (SOVON 2002, vogelbescherming.nl, sovon.nl). Deze elementen zijn niet in het onderzoeksgebied aanwezig. Nesten van deze vogelsoorten worden dan ook niet verwacht. 4.2.2.3

Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten provinciaal Naast de landelijk beschermde soorten, zijn er ook nog soorten die alleen in de provincie Overijssel jaarrond zijn beschermd. Hieronder wordt in meer detail beschreven of en in welke mate het gebied geschikt kan zijn voor de betreffende soorten. Ringmus De ringmus is een soort die in Overijssel een jaarrond beschermde soort is onder categorie 5. Dit zijn nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Het habitat van de ringmus bestaat uit boomrijk agrarisch cultuurland. De soort komt vooral voor aan de rand van dorpen en bij boerderijen. De ringmus leeft van graan, onkruidzaden en insecten. Ringmussen zijn holenbroeders,

19

die ook profiteren van voor koolmezen opgehangen nestkasten (www.vogelbescherming.nl). Het onderzoeksgebied ligt aan de rand van het dorp en in studiegebied 3 en het plangebied is een klein gedeelte boomrijk agrarisch landschap aanwezig. Alle bomen in het onderzoeksgebied zijn onderzocht op holtes. Deze zijn echter niet aangetroffen. Ook zijn er geen nestkasten in en rondom studiegebied 3 en het plangebied aangetroffen. Vanwege het ontbreken van geschikte verblijfplaatsen kan het voorkomen van de ringmus in het onderzoeksgebied worden uitgesloten. Wulp en grutto De wulp komt voor in open heide- en hoogveengebieden, open duinen, laagveengebieden met gemaaid rietland, graslanden in halfopen agrarisch gebied en open akkerbouwgebieden. Het voedsel van de wulp bestaat uit een breed spectrum namelijk regenwormen, bessen, zaden, amfibieën en hagedissen. Tegenwoordig broeden de meeste wulpen in vaak open, soms ook meer besloten graslanden op zandige of venige gronden in het oosten en zuiden van het land (www.vogelbescherming.nl). De grutto komt voor in vochtige, kruidenrijke graslanden met een ontwikkeld bodemleven en voldoende insecten aan de oppervlakte. De soort komt vooral voor in veenweidegebied. De vogel broedt in onopvallende grasnesten in de buurt van ruig grasland. Volwassen grutto’s voeden zich met regenwormen en emelten.

De jonge grutto’s jagen op insecten zoals langpootmuggen (www.vogelbescherming.nl). In het onderzoeksgebied zijn een aantal (kleine) agrarische percelen aanwezig. Met name in het oosten van het plangebied en studiegebied 3 zijn agrarische percelen aanwezig. Er wordt echter niet verwacht dat de grutto en de wulp voorkomen op deze percelen. Dit is vanwege een combinatie van factoren. Zo zijn de agrarische percelen omringd door bomen. Deze bomen bieden roofvogels een goede mogelijkheid om op de grutto en de wulp te jagen. Ten tweede grenzen de percelen aan de dorpskern van Heeten. Ook dit levert verstoring op voor dergelijke weidevogels. Tenslotte levert de aangrenzende N332 ook een flinke verstoring. Al met al zorgt deze combinatie van verstorende factoren dat de wulp en grutto geen gebruik van deze weilanden zullen maken om te broeden. Het voorkomen van broedgebieden van beide soorten in het onderzoeksgebied kan daarom op voorhand worden uitgesloten. Naast bovengenoemde landelijk beschermde soorten genieten in provincie Overijssel nog enkele andere vogelsoorten extra bescherming. De nestlocaties van boerenzwaluw, huiszwaluw en bosuil zijn in provincie Overijssel jaarrond beschermd. Deze soorten nestelen in grote open schuren (boerenzwaluw), aan hoge witte gevels (huiszwaluw) en in boomholtes (bosuil).

Deze elementen zijn in het onderzoeksgebied niet aanwezig, waardoor de aanwezigheid van nesten van deze soorten in het onderzoeksgebied zijn uit te sluiten. Verder is het leefgebied van de oeverzwaluw en bonte vliegenvanger in de provincie Overijssel beschermd. Oppervlaktewater met een rijke oeverbegroeiing (oeverzwaluw) en bosgebied (bonte vliegenvanger) is in het onderzoeksgebied niet aanwezig. Hierdoor is uitgesloten dat leefgebied van deze soorten verloren gaat door de voorgenomen plannen.

20

4.2.3

Planten De vaatplanten die zijn beschermd middels de Wet natuurbescherming betreffen veelal zeldzame soorten, waarvan de meeste Rode Lijst-soorten, met specifieke groeiplaatsen in met name stabiele en natuurlijke biotopen, zoals bossen, zeeduinen, kalkgraslanden, beekdalen, veengronden en moerassen. Ook is een aantal soorten beschermd die groeit op oude en verweerde muren en zijn enkele zeldzame akkerplanten beschermd. Een deel van de beschermde planten komt alleen voor in Zuid-Limburg. Veel soorten komen voornamelijk voor op kalkhoudende en voedselarme grond (Sparrius et al. 2012). Naast de beschermde vaatplanten zijn er twee mossoorten beschermd. Beide soorten zijn zeer zeldzaam. Tonghaarmuts is in Nederland gevonden in vochtige, jonge wilgenbossen en in jonge aanplant van zomereik. Geel schorpioenmos groeit op moskussens op venig substraat (Janssen en Schamineé 2004, verspreidingsatlas.nl). In het onderzoeksgebied is sprake van een bemeste, voedselrijke en regelmatig bewerkte grond. Beschermde planten worden in een dergelijk biotoop niet verwacht.

4.2.4

Grondgebonden zoogdieren

4.2.4.1

Aanwezigheid soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Zoals beschreven in paragraaf 2.2, geldt voor een aantal meer algemeen voorkomende beschermde soorten zoogdieren een provinciale vrijstelling van de verboden in de wet. Het is goed mogelijk dat in of nabij het onderzoeksgebied deze soorten voorkomen, zoals de veldmuis. Deze soorten komen wijdverspreid voor en stellen geen hoge eisen aan hun omgeving.

4.2.4.2

Aanwezigheid soorten waarvoor geen vrijstelling geldt Deze beschermde grondgebonden zoogdieren komen voornamelijk voor in natuurlijkeof half-natuurlijke habitats zoals bos, heide of kleinschalig agrarisch landschap. Een aantal soorten is zeer zeldzaam en komt alleen in Zuid-Limburg voor. Dit geldt voor hamster, hazelmuis, eikelmuis, molmuis, lynx en wilde kat. Ook de wolf is zeer zeldzaam. Andere soorten, zoals bever, boommarter, das, eekhoorn, steenmarter, waterspitsmuis en wild zwijn komen algemener voor. Met name eekhoorn en steenmarter worden ook regelmatig in meer stedelijk gebied aangetroffen (Lange et al. 2003, verspreidingsatlas.nl). Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komen de bunzing, eekhoorn, egel, steenmarter en wezel in de omgeving van het onderzoeksgebied voor. Daarnaast ligt volgens verspreidingsatlas.nl het onderzoeksgebied in het globale verspreidingsgebied van de boommarter en das. Bunzing en wezel De bunzing heeft een voorkeur voor een kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de nabijheid. De soort kan ook voorkomen in een bebouwde omgeving met veel groen en in open bossen. De bunzing maakt zijn schuilplaats in oude holen van konijn, mol, vos en das, maar ook steenhopen, holle bomen en boomwortels worden als schuilplaats gebruikt (Bouwens, 2017).

21

De wezel is niet gebonden aan een bepaald landschapstype maar heeft een voorkeur voor een kleinschalig (cultuur-) landschap. Een vereiste is wel dat er voldoende dekking aanwezig is, bijvoorbeeld in de vorm van bosschages, houtstapels of heggen. De soort komt ook wel voor in een groene bebouwde omgeving. De soort mijdt natte gebieden. Als verblijfplaats gebruiken ze onder meer houtstapels, oude holen van muizen, ratten en konijnen (Bouwens, 2017). Voor deze soorten geldt dat in ieder deelgebied geschikte elementen aanwezig zijn, die als leefgebied en verblijfplaats kunnen dienen. Het betreft hier dan alle aanwezige houtsingels. Er zijn geen holen of andere elementen aangetroffen die mogelijk als verblijfplaats kunnen dienen, maar de houtsingels waren niet allemaal volledig bereikbaar en eventuele verblijfplaatsen kunnen ook goed verborgen zijn. In studiegebied 3 en het plangebied heeft een omwonende al verschillende keren marters (mogelijk bunzing) waargenomen in en rondom de hier aanwezige houtsingels. Aanwezigheid van (essentiële elementen van) deze martersoorten in alle deelgebieden kan al met al niet op voorhand worden uitgesloten. Steenmarter De steenmarter leeft bij voorkeur in een kleinschalig, parkachtig landschap. De soort is met name aanwezig in de nabijheid van dorpen, boerderijen en ook steden.

Elementen als groenstroken, heggen, bosjes en greppels zijn belangrijk voor het vinden van voedsel en als dekking. Binnen zijn leefgebied heeft de steenmarter vele schuilplaatsen, zoals boomholtes, takkenhopen, dicht struweel en ruimtes in bebouwing. Hier bewoont de soort bijvoorbeeld zolders, kruipruimtes of ruimtes in de spouw (www.zoogdiervereniging.nl). Het gehele onderzoeksgebied vormt geschikt leefgebied voor de steenmarter, vanwege verspreide aanwezigheid van houtsingels en weilanden. Boommarter De boommarter is een schuwe martersoort en heeft een voorkeur voor oud (loof-)bos, maar is ook in andere typen bos te vinden. De soort komt soms ook in meer open terreinen voor, mits er voldoende bosjes en lijnvormige elementen in de omgeving zijn, zoals heggen en houtwallen. De boommarter komt slechts incidenteel voor in de nabijheid van gebouwen. Boommarters kiezen een rustplaats in boomholten, konijnen-, vossen of dassenholen, tussen boomwortels of onder takkenbossen. Nesten worden vaak in oude spechten- of eekhoornholen of inrottingsholen gemaakt (www.zoogdiervereniging.nl). Het onderzoeksgebied grenst aan de dorpskern van Heeten. Ook is geen bos aanwezig en is de hoeveelheid bosschages en houtwallen en dergelijke relatief beperkt. Al met al is geen geschikt leefgebied voor de boommarter in het onderzoeksgebied aanwezig.

Van aanwezigheid van deze soort is hier dan ook geen sprake. Das De das leeft in allerlei soorten biotopen en heeft een voorkeur voor een kleinschalig landschap, met akkers, bosjes, weiland en houtwallen. Leefgebied van de das moet voldoende dekking bieden, met weinig verstoring, een groot voedselaanbod, een bodem waarin ze goed kunnen graven en met een grondwaterstand lager dan 1,5m

22

onder het maaiveld. De das is een omnivoor. Het belangrijkste voedsel voor de das zijn regenwormen. Daarnaast eten ze vruchten, noten, granen, paddenstoelen, knaagdieren, egels, slakken en insecten. Het onderzoeksgebied bevat verschillende elementen die geschikt zijn voor de das. Er zijn houtsingels en bosjes aanwezig die als geleiding kunnen dienen voor de das en waar deze mogelijk ook een burcht kan bouwen. Overigens is de aanwezigheid van een hoofdburcht hier niet te verwachten. Een bijburcht of vluchtpijp is eventueel wel mogelijk. De aanwezige agrarische percelen kunnen daarnaast als foerageergebied dienen. Ook is geschikt bos voor een hoofdburcht ook niet ver weg en ligt het binnen de afstand die dassen kunnen afleggen op zoek naar voedsel. De nabijgelegen N332 vormt wel een behoorlijk obstakel, maar desalniettemin is het gebruik van het gehele onderzoeksgebied door de das, waarbij het ook een essentiële functie kan hebben, niet op voorhand uit te sluiten. Eekhoorn De eekhoorn leeft in allerlei typen bos en is ook in tuinen of parken in de omgeving van bos aan te treffen mits daar voldoende voedsel beschikbaar is. Ze maken een bolvormig nest van takken en bladeren op minimaal vijf meter hoogte in de boom. Ook natuurlijke boomholtes, oude kraaien- of eksternesten, nestkasten of spechtenholen worden als nestlocatie gebruikt (zoogdiervereniging.nl).

Alle bomen in en rondom het onderzoeksgebied zijn gecontroleerd op nesten van de eekhoorn. Deze zijn niet aangetroffen. Ook zijn er geen sporen van de eekhoorn zoals in de vorm van afgekloven eikels en dennenappels aangetroffen. Aanwezigheid van essentieel leefgebied van de eekhoorn binnen het onderzoeksgebied is dan ook uitgesloten. Egel Egels komen in Nederland op veel verschillende plekken voor. Tuinen, bosranden, struweel en loofbos zijn goede leefgebieden. Ook in steden waar voldoende groen en schuilplaatsen zijn kunnen egels voorkomen (zoogdiervereniging.nl). Egels zijn ’s nachts actief en houden zich overdag op in nesten van bijvoorbeeld bladeren of mos. Deze nesten bevinden zich bijvoorbeeld onder struiken, in dichte hagen, in compostholen, in konijnenholen of in holtes onder boomwortels. In de zomer kunnen ze ook op kale grond onder struikgewas slapen. Een deel van het jaar, van november/december tot april/mei, zijn egels in winterslaap. Hun winternesten maken ze meestal in de grond maar ook in een gebouw of in een takken- of composthoop. Egels eten vooral dierlijk voedsel, zoals kevers, rupsen, oorwurmen, slakken, regenwormen, kleine zoogdieren of eieren. In het najaar eten ze ook wel vruchten en paddenstoelen (zoogdiervereniging.nl, provincie Overijssel 2019). In studiegebied 1 kan de egel gebruik maken van de kleine houtsingel ten oosten van het tennisclubgebouw.

In studiegebied 2 kunnen egels goed wegkruipen in de brede bosschage in het oosten van het gebied. Ook is er voldoende voedselaanbod door het aanwezige groen binnen dit studiegebied. In studiegebied 3 en het plangebied kunnen egels beschutting zoeken in de aanwezige houtwallen. Ook kunnen egels voldoende voedsel vinden tussen het aanwezige groen binnen de studiegebieden. Vanwege de aanwezigheid van geschikt habitat voor de egel, dient er nader onderzoek te worden

23

gedaan naar de soort. Indien één van bovengenoemde natuurlijke elementen zal worden verwijderd, dan dient het desbetreffende element nader onderzocht te worden. Indien een natuurlijk element blijft behouden dan is er geen nader onderzoek nodig naar het betreffende element. 4.2.5

Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komen de baardvleermuis, franjestaart, gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, watervleermuis en ruige dwergvleermuis in de buurt van het onderzoeksgebied voor. Alle vleermuissoorten, alsmede hun verblijfplaatsen, essentiële foerageergebieden en vliegroutes zijn beschermd volgens de Wet natuurbescherming. Vleermuizen zijn globaal op te delen in gebouwbewonende soorten zoals gewone dwergvleermuis en boombewonende soorten als rosse vleermuis en watervleermuis Daarnaast bestaan soorten die van beide elementen gebruikmaken. Daarbij is ook onderscheid te maken in zomer- en winterverblijfplaatsen van de verschillende soorten. Sommige soorten zoals de gewone dwergvleermuis verblijven het gehele jaar in gebouwen (spouwmuren, achter gevelbetimmeringen, etc.). Andere soorten als de rosse vleermuis verblijven jaarrond in bomen (in holten, holen en achter loshangend schors). De watervleermuis overwintert echter weer in bunkers, grotten en kelders en verblijft in de zomerperiode in boomholten (Dietz et al. 2011).

4.2.5.1

Gebouwbewonende vleermuissoorten Gebouwbewonende vleermuizen hebben hun verblijfplaats achter bijvoorbeeld gevelbetimmering, in spouwmuren, achter dakbeschot, achter luiken en in schoorstenen (BIJ12 2017e, Dietz et al. 2011). Tijdens het veldbezoek kon de boerderij in het plangebied niet goed gecheckt worden op aanwezigheid van geschikte kieren en spleten die kunnen dienen als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. Aanwezigheid van deze soorten kan dan ook niet worden uitgesloten. De boerderij blijft behouden en er gaan dus geen mogelijk aanwezige verblijfplaatsen verloren. Daarnaast is verstoring van de mogelijk aanwezige verblijfplaatsen ook niet te verwachten, omdat relatief veel tuin tussen de bebouwing en de weilanden waar uiteindelijk mogelijk gebouwd gaat worden, aanwezig is. Verstoring door kunstmatige verlichting kan wel zover reiken, maar het uitgangspunt is dat geen lichtbundels op de bebouwing gericht gaat worden, omdat dit voor de bewoners ook onwenselijk is. In het gehele onderzoeksgebied is verder geen bebouwing aanwezig. Verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen zijn hier dan ook uitgesloten.

4.2.5.2

Boombewonende vleermuissoorten Boombewonende soorten worden gevonden in holten en spleten in bomen en achter loshangend schors. Bomen dienen hiervoor een zekere diameter en leeftijd te hebben. Zo hebben vleermuizen genoeg ruimte in de boom. Grofweg zijn hardhout bomen als eik en beuk jonger dan 60 jaar en zachthout bomen jonger dan ongeveer 30 jaar voor een spechtenhol nog niet geschikt (Zoogdiervereniging & Probos 2012).

24

In het onderzoeksgebied en direct hieromheen staan verschillende bomen. Deze zijn tijdens het veldbezoek geïnspecteerd op geschikte holtes en loszittend schors. Deze zijn niet aangetroffen. Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen zijn daarom niet in het onderzoeksgebied te verwachten. 4.2.5.3

Essentieel foerageergebied Alle in Nederland voorkomende vleermuizen leven van insecten. Zij foerageren daarom op plaatsen waar veel insecten aanwezig zijn. Voorbeelden van veel voorkomende foerageergebieden zijn openingen op kruinhoogte tussen bomen, boven water en in de luwte van dijken. Als een dergelijk foerageergebied van zeer groot belang is voor vleermuizen van een bepaalde verblijfplaats, kan gesproken worden van een essentieel foerageergebied. Als een dergelijk foerageergebied verloren zou gaan, zou de voedselvoorziening van deze vleermuizen verdwijnen, waardoor ze de verblijfplaats moeten verlaten. Het verdwijnen van het foerageergebied leidt zo tot het niet meer functioneren van de verblijfplaats. Dergelijk essentieel foerageergebied is beschermd. In het onderzoeksgebied zijn houtsingels en/of een bomenrij aanwezig met open grasland. Dit type habitat vormt daarmee geschikt foerageergebied voor vleermuizen. In de omgeving van het onderzoeksgebied is echter soortgelijk foerageergebied aanwezig. Zo is er direct ten noordoosten van studiegebied 3 een houtopstand aanwezig met daar omheen open grasland, agrarisch perceel en bomenrijen. Soortgelijk habitat is ook aanwezig ten noorden en westen van studiegebied 1. Het is dan ook niet te verwachten dat er essentieel foerageergebied aanwezig is binnen het onderzoeksgebied. Nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk.

4.2.5.4

Essentiële vliegroutes Om zich van hun verblijfplaatsen naar hun foerageergebied te verplaatsen worden door een aantal soorten steeds dezelfde lijnvormige elementen gebruikt. Bijvoorbeeld de gewone dwergvleermuis gebruikt vaak bomenrijen waaraan het zich kan oriënteren. Als een dergelijke route verdwijnt of onderbroken wordt, vervalt deze mogelijkheid om van verblijfplaats naar foerageergebied te komen. Vleermuizen moeten dan een alternatieve route zoeken. Als dit niet mogelijk is en als de vliegroute door veel vleermuizen wordt gebruikt, kan dit een groot negatief effect op de vleermuizenpopulatie in het gebied hebben (Limpens et al. 2004). Daarom zijn dergelijke vliegroutes beschermd. In de studiegebieden 1 en 2 en het plangebied zijn bomenrijen en/of houtsingels aanwezig. De bomenrij in het westen van studiegebied 1 en in het oosten van studiegebied 2 lopen ook bijna in elkaar door. Ten oosten van de tennisvelden is daar een onderbreking. Deze bomenrij zou alsnog onderdeel uit kunnen maken van een vliegroute vanuit het dorp richting het noord(west)en naar het buitengebied. Er zijn echter in deze omgeving verschillende bomenrijen die van de dorpskern naar het buitengebied leiden. Er zijn hiervoor dan ook meerdere alternatieven. Er wordt dan ook niet verwacht dat deze bomenrij dient als essentiële vliegroute. In studiegebied 3 is een bomenrij aanwezig langs de Veldeggerweg.

Deze bomenrij loopt door het midden van het studiegebied en verbindt het stedelijk gebied met de houtopstand ten noordoosten van studiegebied 3. Vanaf deze houtopstand kunnen

25

vleermuizen de bomenrijen volgen richting het noorden of het zuidoosten. Hiervoor lijkt niet een goed alternatief. De bomenrijen langs de N332 is naar schatting geen goed alternatief vanwege de grote hoeveelheid verstorende kunstmatige verlichting van het verkeer. Aangezien de bomenrij langs de Veldeggerweg daarmee de geschikte enige vliegroute vormt vanaf het noordoostelijk deel van Heeten richting het noordoosten, wordt er verwacht dat deze bomenrij als essentiële vliegroute kan dienen voor vleermuizen. 4.2.6

Reptielen Reptielen komen in ons land voornamelijk voor op de hogere zandgronden, in duin-, bos- of heidegebieden. De ringslang komt daarnaast ook voor in veengebieden en laat zich ook in meer stedelijk gebied zien. Deze soort komt vooral voor ten noorden van de grote rivieren. De muurhagedis is gebonden aan warme, stenige plekken en leeft in Nederland vooral in Maastricht en is daarnaast op verschillende plaatsen uitgezet. (Creemers en van Delft 2009). Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komt de ringslang in de buurt van het onderzoeksgebied voor. Daarnaast ligt het onderzoeksgebied binnen het algehele verspreidingsgebied van de hazelworm, aldus verspreidingsatlas.nl. Ringslang De ringslang is sterk gebonden aan waterrijke habitats. De soort komt voor ten noorden van de grote rivieren en wordt vooral aangetroffen in laagveengebieden, natte heideterreinen en waterrijke zandgronden. Maar de soort komt ook voor op verhoogde terreinen zoals dijken, spoorbanen of struwelen. Belangrijk hierbij is de aanwezigheid van natuurlijke oevers met open plekken en ruigte zodat deze zowel zongelegenheid als schuilplaatsen bieden. Veel meer dan andere in Nederland levende reptielen wordt de soort ook in bebouwde omgeving en in agrarisch gebied aangetroffen. Leefgebieden van de ringslang hebben meestal veel ruimtelijke variatie en kleinschaligheid.

Voor de voortplanting is de ringslang afhankelijk van warme, vochtige plekken zoals composterende bladhopen of andere rottende boomresten. In cultuurlandschap wordt intensief gebruik gemaakt van door de mens aangelegde mest-, zaagsel- en composthopen of speciaal voor de ringslang aangelegde broeihopen. Ringslangen overwinteren op vorstvrije plaatsen onder takkenbossen, struiken, in oude konijnenholen of in kelders (Creemers & van Delft 2009). Er zijn geen permanent watervoerende elementen in of rondom het onderzoeksgebied aanwezig. Ook is er geen geschikt leefgebied aanwezig voor de ringslang om te verblijven en om zich voort te planten. Vanwege het ontbreken van functioneel leefgebied kan het voorkomen van de ringslang dan ook worden uitgesloten in het gehele onderzoeksgebied. Hazelworm De hazelworm leeft in bossen, bosranden, houtwallen en heide maar ook in parken en tuinen in een bosrijke omgeving. De soort wordt het meest in de randzone van heideen bosterreinen aangetroffen. Het leefgebied bestaat uit enigszins vochtige, met dichte vegetatie bedekte gebieden. Ze hebben daarbij een voorkeur voor habitats met voldoende gevarieerde structuur in de vegetatie en ook met holen en gaten in de

26

grond. Door deze variatie kunnen de dieren hun temperatuur regelen zonder in alle openheid te hoeven zonnebaden. Ook in kleinschalig cultuurlandschap kan de soort worden aangetroffen. Hazelwormen leven deels ondergronds, onder blad of onder heidestruiken. De overwintering gebeurt ondergronds, in droge holten, die gedeeltelijk zelf gegraven zijn (Creemers & van Delft, 2009). Verspreid over het onderzoeksgebied zijn enkele elementen aanwezig die potentieel geschikt leefgebied kunnen vormen voor de hazelworm. Echter, deze reptielsoort heeft een robuuster netwerk van geschikt leefgebied nodig, wat ook zonder barrières aansluit op een kernleefgebied in een heide- en bosterrein. Daarvan is in het onderzoeksgebied en de omgeving geen sprake. Aanwezigheid van de hazelworm in het onderzoeksgebied is derhalve niet aan de orde. 4.2.7

Amfibieën

4.2.7.1

Aanwezigheid soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Zoals beschreven in paragraaf 2.2, geldt voor een aantal meer algemeen voorkomende beschermde soorten amfibieën een provinciale vrijstelling van de verboden in de wet. Het is goed mogelijk dat in of nabij het onderzoeksgebied deze soorten voorkomen, zoals de bruine kikker of gewone pad. Deze soorten komen wijdverspreid voor en stellen geen hoge eisen aan hun omgeving.

4.2.7.2

Aanwezigheid soorten waarvoor geen vrijstelling geldt Beschermde amfibieën waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, komen voornamelijk voor in en nabij vennen, poelen en slootjes, met helder en schoon water, in heide-, veen- en bosgebied en in de uiterwaarden. De rugstreeppad is ook in de duinen aanwezig. De geelbuikvuurpad, vuursalamander en vroedmeesterpad worden bijna uitsluitend in Zuid-Limburg aangetroffen (Creemers en van Delft 2009, verspreidingsatlas.nl). Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komt de poelkikker in de buurt van het onderzoeksgebied voor. Daarnaast ligt het onderzoeksgebied binnen het algehele verspreidingsgebied van de kamsalamander, aldus verspreidingsatlas.nl. Poelkikker De poelkikker leeft vooral in gebieden met zwak zure, oligotrofe, schone, stilstaande wateren (vennen en hoogveenputten) in bos, heide en hoogveen maar ook in graslanden, agrarische kleipolders met kwel, laagveen, uiterwaarden en op ruderaal terrein. De poelkikker wordt slechts zelden aangetroffen bij grote vijvers, meren of stromende wateren. Hij heeft een voorkeur voor onbeschaduwde wateren met een begroeide oeverzone. De soort is kritisch wat betreft de waterkwaliteit dat voedselarm en schoon moet zijn. De dieren kunnen grote afstanden afleggen en kunnen op grote afstanden van het water worden gevonden.

De poelkikker overwintert op het land waar hij zichzelf ingraaft of gebruik maakt van muizenholletjes, houtstronken of stenen. De overwinteringsplaatsen liggen afhankelijk van het landschapstype binnen de 100 à 200 meter van het water (BIJ12, 2017; Creemers & van Delft, 2009, Goverse et al. 2015). Er zijn geen poelen of andere watervoerende elementen in of rondom het onderzoeksgebied aanwezig. Er zijn wel greppels en een wadi aanwezig in studiegebied 1, 3 en

27

het plangebied maar deze staan te lang droog in het jaar waardoor het ongeschikt is voor de voortplanting van de poelkikker. De poelkikker legt namelijk haar eitjes tussen de waterplanten. Het voorkomen van de poelkikker in het onderzoeksgebied is dan ook uitgesloten. Kamsalamander De kamsalamander komt voor in kleinschalige landschappen met bossen, heggen en struwelen. Dieren trekken half maart naar het voorplantingsbiotoop dat bestaat uit matig voedselrijke tot voedselrijke stilstaande wateren met een goed ontwikkelde onderwatervegetatie. Een poel mag niet geheel beschaduwd zijn en moet permanent water bevatten. De soort heeft een leefgebied in een straal van 300 tot 500 meter rond het voortplantingswater en overwintert tussen november en februari op vorstvrije locaties onder takenstapels of stenen. Sommige kamsalamanders blijven gedurende het hele jaar in het water (Creemers & van Delft, 2009, Goverse et al. 2015). Het onderzoeksgebied bevat geen geschikte poelen of ander oppervlaktewater wat als voortplantingswater kan dienen. De aanwezige robuuste houtsingels zouden in theorie als geschikt landhabitat kunnen dienen. Maar deze zijn voor de kamsalamander niet bereikbaar vanwege teveel belemmerende obstakels zoals de kern van Heeten en de N332. Al met al kan gesteld worden dat de kamsalamander niet in het onderzoeksgebied aanwezig is. 4.2.8

Vissen De beschermde vissoorten zijn veelal zeldzaam voorkomende soorten gebonden aan helder, stromend water van beekjes of rivieren. Een uitzondering hierop is de grote modderkruiper die vooral leeft in langzaam stromend water van sloten, vennen of plassen. De soort komt daar voor op plekken met veel onderwatervegetatie en een goed ontwikkelde waterbodem (Janssen en Schamineé 2004, verspreidingatlas.nl). In het onderzoeksgebied zijn geen permanent watervoerende elementen aanwezig. De aanwezigheid van beschermde vissen in het onderzoeksgebied is daarmee uitgesloten.

4.2.9

Insecten en andere ongewervelden Beschermde insectensoorten en andere beschermde ongewervelden zijn veelal zeldzaam en eisen een specifiek habitat. Beschermde vlindersoorten komen vooral voor in kruidenrijke en soortenrijke graslanden, heiden, venen en (vochtig) bos (Bos et al. 2006, vlinderstichting.nl). Beschermde libellensoorten leven met name in veengebieden, nabij beekjes of rivieren en bij vennen op de hogere zandgronden (Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie 2002). Beschermde keversoorten zijn gebonden aan oude, rottende bomen in bosgebieden of komen zeldzaam voor in (groter) permanent, helder open water van goede kwaliteit op veengrond (eis-nederland.nl, Janssen en Schamineé, 2004). De Europese rivierkreeft is in ons land nog maar van één plek bekend, op landgoed Warnsborn bij Arnhem. De Bataafse stroommossel is uit ons land verdwenen en de platte schijfhoren komt lokaal voor in laagveengebieden en het rivierengebied, in helder, stilstaand of zeer zwak stromend water met rijke plantengroei, in zowel meren, sloten als plassen (anemoon.org, verspreidingsatlas.nl).

28

In het onderzoeksgebied is geen sprake van open water, bos, soortenrijk grasland, heide of veen. Leefgebied voor deze soorten is hierdoor niet aanwezig. Beschermde insecten en andere ongewervelden zijn daarom niet te verwachten in het onderzoeksgebied.

4.3

Aanwezigheid houtopstanden In het oosten van studiegebied 2 is een houtopstand aanwezig. De bomen en struiken die aanwezig zijn, zijn namelijk onderdeel van een eenheid bomen en struiken waarvan de oppervlakte groter is dan duizend vierkante meter. Daarnaast zijn de bomen langs de Veldeggerweg in studiegebied 3 onderdeel van een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat.

29

5

Effectbeoordeling en advies vervolgtraject

5.1

Mogelijke effecten op beschermde gebieden

5.1.1

Natura 2000 Uit voorliggend onderzoek blijkt dat Natura 2000-gebied Boetelerveld op 3,6 kilometer van het onderzoeksgebied ligt. Met de geplande ruimtelijke ontwikkeling is een toename in stikstofuitstoot vanuit het onderzoeksgebied te verwachten. Nader onderzoek in de vorm van een AERIUS-berekening is derhalve noodzakelijk. Andere verstoringen als gevolg van de ontwikkeling, zoals verstoring van instandhoudingsdoelstellingen door geluid, zijn gezien de tussenliggende afstand uit te sluiten. Hiervoor is nader onderzoek daarom niet nodig.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Raalte&id=c4694e6c-a8b1-4f79-be54-994319fd0dfe