Omgevingsplan De Veldegge Noord Bijlagen 4 tm 9
Tekst van het document
3.2 Onderzoeksresultaten Huismus Tijdens het onderzoek naar de huismus werden tenminste 25 huismusnesten aangetroffen in de straten ten zuiden van de onderzoekslocatie. De kolonie concentreert zich voornamelijk aan de Johannalaan, ook zijn er enkele nesten in de nieuwbouwwoningen aan de Sinterstraat aanwezig (figuur 3.2). Binnen de begrenzing van de onderzoekslocatie werden tijdens beide veldbezoeken geen huismussen waargenomen. De huismussen die broeden in de kolonie aan de zuidzijde van de onderzoekslocatie foerageren voornamelijk in de ruime tuinen rondom de bebouwing. Op basis van deze waarnemingen kan geconcludeerd worden dat de onderzoekslocatie geen essentieel leefgebied vormt voor de huismus. Overtredingen van de verbodsbepalingen uit de Omgevingswet ten aanzien van de huismus zijn daarmee uitgesloten.
21754.001 versie D1
Figuur 3.1 Huismus in een van de tuinen ten zuiden van de onderzoekslocatie.
7 / 28
Figuur 3.2 Huismusnesten in de omgeving van de onderzoekslocatie (gele stippen).
Vleermuizen Tijdens het onderzoek naar het gebruik van de eikenlaan langs de Veldeggerweg als vliegroute voor vleermuizen werden gedurende beide bezoeken tientallen overvliegende dieren waargenomen. Het betrof uitsluitend gewone dwergvleermuizen en laatvliegers. Daarnaast werd incidenteel een foeragerende rosse vleermuis waargenomen. De tellingen van beide veldbezoeken zijn samengevat in tabel 3.5. Op basis van de resultaten van het onderzoek kan worden geconcludeerd dat de eikenlanen langs de Veldeggerweg een belangrijke functie vervullen alszijnde vliegroute voor in de woonkern van Heeten verblijvende gewone dwergvleermuizen en laatvliegers. Met name de hoge aantallen die werden waargenomen op 15 mei wijzen erop dat een aanzienlijk deel van de vleermuispopulatie van Heeten gebruik maakt van deze vliegroute. Tabel 3.5 Overzicht resultaten vliegroute-onderzoek Veldeggerweg soort
Aantal overvliegende dieren op 27-09-2023
Aantal overvliegende dieren op 15 mei 2024
Gewone dwergvleermuis
22
81
Laatvlieger
5
11
21754.001 versie D1
8 / 28
Boomvalk, ransuil en sperwer Gedurende het onderzoek naar het gebruik van het nest aan de Veldeggerweg zijn twee eksternesten aangetroffen in de eiken langs de Veldeggerweg. Beide nesten zijn gebouwd door hetzelfde broedpaar eksters. Het gebruik werd bevestigd door meerdere waarnemingen van territoriaal gedrag en een waarneming van een ekster die op het nest ging zitten. Behalve de twee nesten aan de Veldeggerweg werd nog een derde eksternest waargenomen in de grote eik aan de zuidzijde van het zonnepark. Dit nest wordt gebruikt door een tweede broedpaar eksters. De aanwezigheid van een broedplaats van boomvalk, ransuil en sperwer binnen de invloedsfeer van het planvoornemen kan worden uitgesloten.
Figuur 3.3
Aangetroffen eksternesten op de onderzoekslocatie (oranje stippen).
Das Tijdens de 3 veldbezoeken voor het onderzoek naar de das is de gehele onderzoekslocatie afgezocht op sporen van dassen zoals graafsporen, foerageersporen, mestputjes en vraatsporen. Hierbij lag de nadruk op het zoeken naar oversteekplaatsen van dassen in de greppels rondom de onderzoekslocatie. Daarnaast zijn gedurende 12 weken cameravallen opgehangen in houtwallen op de onderzoekslocatie. Tijdens geen van de veldbezoeken werden sporen van dassen waargenomen. Tevens werden er geen dassen waargenomen op de wildcamera’s. Gelet op de geïsoleerde ligging van de onderzoekslocatie tussen de N332 en de woonkern van Heeten is het zeer onwaarschijnlijk dat in de omgeving verblijvende dassen de onderzoekslocatie bereiken. Op basis van de geleverde onderzoeksinspanning kan de aanwezigheid van de das op de onderzoekslocatie worden uitgesloten.
21754.001 versie D1
9 / 28
Steenmarter Voor het onderzoek naar de steenmarter zijn tussen 3 augustus en 25 oktober 2023 drie wildcamera’s geplaatst in houtwallen en bosschages op de onderzoekslocatie. De locaties van de wildcamera’s is weergegeven in figuur 3.3. Wegens het gebrek aan resultaten is wildcamera 2 halverwege de onderzoeksperiode verplaatst van de Veldeggerweg naar de houtwal aan de zuidoostzijde van het zonnepark. Middels het camera-onderzoek zijn er meerdere waarnemingen van steenmarters verricht op camera 1 (figuur 3.4 en 3.5). Op 10 augustus werden twee jonge steenmarters waargenomen in één opname. Ook op camera 3 zijn enkele opnames van steenmarters gemaakt. Verwacht wordt dat de waargenomen steenmarters rust- en verblijfplaatsen hebben op de boerderijen aan de oostzijde van de onderzoekslocatie. Het kan echter niet worden uitgesloten dat er verblijfplaatsen van steenmarters aanwezig zijn op de onderzoekslocatie in de vorm van oude konijnenholen en takkenhopen. Daarom zijn aanvullend alle houtwallen, bosschages en greppels onderzocht op mogelijke verblijfplaatsen van steenmarters. Hierbij zijn diverse takkenhopen en (konijnen)holen aangetroffen (zie figuur 3.6).
Camera 3
Camera 2
Camera 1
Figuur 3.4
Locaties van wildcamera’s.
21754.001 versie D1
10 / 28
Figuur 3.5 Steenmarter waargenomen met camera 1 op 10 augustus 2023.
Figuur 3.6 Steenmarter waargenomen op camera 1.
Figuur 3.7 Potentiële verblijfplaatsen in de vorm van konijnenholen (blauwe stip) en takkenhopen (groen gemarkeerd) voor de steenmarter in de omgeving van de planlocatie.
Geen van deze mogelijke verblijfplaatsen wordt echter vernield of beschadigd als gevolg van het planvoornemen. Ook worden er geen belangrijke verbindingen doorsneden als gevolg van de voorgenomen plannen. De steenmarter kan zich tevens goed handhaven in stedelijk gebied. Negatieve effecten ten aanzien van de steenmarter zijn daarom redelijkerwijs uitgesloten.
21754.001 versie D1
11 / 28
Bunzing De bunzing stelt weinig eisen aan zijn biotoop en komt dan ook voor in een breed scala aan habitats, mits er voldoende dekking is. Deze dekking bestaat bijvoorbeeld uit houtwallen, greppels, akker- en boszomen. De grootte van het leefgebied bedraagt 8 tot 1000 hectare. De bunzing leeft in kleinschalige en afwisselende cultuurlandschappen en natuurgebieden. Een combinatie van kleine wateren en landschapselementen zoals rietzomen, ruigten, houtwallen en greppels is essentieel. Tegenwoordig wordt de bunzing ook aangetroffen in steden en dorpen met een natuurlijk karakter, zoals parken, tuinen en braakliggend terrein. De bunzing maakt nestplaatsen onder andere in houtstapels, takkenhopen, oude schuurtjes en stallen. De bunzing heeft een gevarieerd menu: konijnen, hazen, ratten, vogels, eieren, kikkers en padden. Volgens de gegevens van de NDFF zijn er de afgelopen 5 jaar geen waarnemingen van bunzing bekend op of in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. Ook zijn er op geen van de wildcamera’s waarnemingen van deze soorten verricht. Er is binnen de onderzoekslocatie echter wel geschikt habitat aanwezig voor de soort. Ruige greppels, bermen, houtwallen, meidoornhagen en bosschages bieden voldoende dekking. De tussenliggende agrarische percelen en het zonnepark kunnen dienen als foerageergebied. Takkenhopen en konijnenholen vormen geschikte verblijfplaatsen.
Daarnaast zijn ook op de erven binnen de begrenzing van de onderzoekslocatie mogelijk geschikte verblijfplaatsen aanwezig in de vorm van stenenstapels of oude schuurtjes. Gelet op de ligging van de onderzoekslocatie tussen de kern van Heeten en de N332 is er wel sprake van een barrière om de onderzoekslocatie. Met name de N332 is niet eenvoudig over te steken voor grondgebonden zoogdieren. In figuur 3.8 is een habitatanalyse van de onderzoekslocatie weergegeven voor de bunzing.
Figuur 3.8
Habitatanalyse bunzing.
Het planvoornemen leidt niet tot beschadiging of vernieling van potentiële verblijfplaatsen van de bunzing. Tevens worden geen belangrijke migratieroutes doorsneden. De agrarische percelen op de onderzoekslocatie zijn in gebruik als maïsakkers en vormen daarom slechts matig geschikt foerageerhabitat. In de omgeving is meer foerageergebied beschikbaar. Negatieve effecten ten aanzien van de bunzing zijn daarom redelijkerwijs uitgesloten.
21754.001 versie D1
12 / 28
Wezel De wezel leeft in kleinschalige en structuurrijke landschappen met een sterke afwisseling van onder andere graslanden, ruigten, bosjes, houtwallen en rietzomen. Daarnaast zijn natuurlijke vegetatie-overgangen en terreinreliëf belangrijke habitatskenmerken voor de wezel. Dit zijn bijvoorbeeld dijken, walletjes en greppels. Daarnaast is de wezel soms ook in groenere wijken, parken en braakliggende terreinen van dorpen en steden te vinden. De territoriumgrootte ligt tussen de 1 en 25 hectare voor mannetjes en tussen de 1 en 7 hectare voor vrouwtjes. Het voedsel van de wezel bestaat uit kleine zoogdieren (vooral woelmuizen), vogels, ongewervelden en fruit. Volgens de gegevens van de NDFF zijn er de afgelopen 5 jaar geen waarnemingen van bunzing of wezel bekend op of in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. Ook zijn er op geen van de wildcamera’s waarnemingen van deze soort verricht. De onderzoekslocatie vormt echter wel geschikt habitat. Ruige greppels, bermen, houtwallen, meidoornhagen en bosschages bieden voldoende dekking. De tussenliggende agrarische percelen en het zonnepark kunnen dienen als foerageergebied. De wezel kan gebruik maken van muizenholen die verspreid over de bosschages, houtwallen en greppels veelvuldig voorkomen.
Gelet op de ligging van de onderzoekslocatie tussen de kern van Heeten en de N332 is er wel sprake van een barrière om de onderzoekslocatie. Met name de N332 is niet eenvoudig over te steken voor grondgebonden zoogdieren. In figuur 3.8 is een habitatanalyse van de onderzoekslocatie weergegeven voor de wezel.
Figuur 3.9
Habitatanalyse wezel.
Het planvoornemen leidt tot een afname van matig geschikt foerageergebied van ongeveer 6 ha. Daarnaast zal op enkele plaatsen struweel en ruigte worden verwijderd en worden enkele droge greppels gedeeltelijk gedempt. Het is niet uitgesloten dat hierbij muizenholen worden vernield of beschadigd die gebruikt kunnen worden door de wezel.
21754.001 versie D1
13 / 28
Egel De egel komt in allerlei biotopen voor, mits er voldoende voedsel en schuilgelegenheid is. Schuilmogelijkheden voor de egel zijn struiken, bosschages, composthopen, tuinafval, houtwallen etc. Ook in dorpen en stedelijk gebied komt de egel voor. De grootte van het leefgebied verschilt per biotoop, van enkele hectares in bosgebied tot 30 hectare in open landschappen. Egels leven van ongewervelde dieren, kleine zoogdieren en amfibieën. Ook eten ze kleine hoeveelheden plantaardig voedsel, zoals vruchten en paddenstoelen. Van november tot eind maart houdt de egel een winterslaap.
Figuur 3.10 Egel vastgelegd op wildcamera 1.
Er is geen soortspecifiek onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van de egel op de planlocatie. De houtwallen, bosschages, struweelhagen en droge greppels op de onderzoekslocatie vormen geschikt habitat voor de egel. Op de wildcamera’s werden ook diverse waarnemingen van egels verricht (zie figuur 3.9). Het is aannemelijk dat er meerdere verblijfplaatsen van de egel aanwezig zijn in de houtwallen, ruige greppels, struweelhagen en bosschages op de onderzoekslocatie. Op basis van de soortecologie en het oppervlak van de planlocatie wordt ingeschat dat er op de planlocatie maximaal 4 volwassen egels voorkomen. Kerkuil Tijdens geen van de veldbezoeken op de onderzoekslocatie zijn sporen van kerkuilen aangetroffen. Bij het nachtelijke onderzoek naar de functie van de Veldeggerweg als vliegroute voor vleermuizen is ook speciale aandacht besteedt aan de aanwezigheid van kerkuilen op de onderzoekslocatie. Hierbij zijn geen zicht- of geluidswaarnemingen verricht. Daarnaast is geïnformeerd bij de kerkuilenwerkgroep van IVN Raalte. Er zijn geen nest- of roestplaatsen van de kerkuil bekend binnen de onderzoekslocatie. De kerkuil is een schaarse broedvogel in de gemeente Raalte, in de gehele gemeente zijn momenteel 18 broedparen bekend bij de werkgroep.
Op basis van de geleverde onderzoeksinspanning en de informatie vanuit de kerkuilenwerkgroep van IVN Raalte kan de aanwezigheid van roest- en nestplaatsen binnen de onderzoekslocatie worden uitgesloten. Overtreding van de verbodsbepalingen van de Omgevingswet ten aanzien van de kerkuil is niet aan de orde. Steenuil Het onderzoek naar de aanwezigheid van territoria van de steenuil in het plangebied is uitgevoerd door SAB. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in rapport 220357.02 (SAB, november 2023). De conclusie van dit rapport is als volgt: ‘Uit de resultaten blijkt dat steenuilterritoria in het plangebied en de omgeving ervan aanwezig zijn. Er bevindt zich één territorium gedeeltelijk in het plangebied of grenst hier in ieder geval direct aan en vier territoria liggen verder weg rondom het plangebied. Het territorium van de steenuil ligt maar voor een klein deel in het plangebied. Dit deel bestaat ook uit een vrij grootschalige akker, waardoor het niet een belangrijk onderdeel van het territorium vormt. Echter zijn er territoriale roepjes gehoord aan de noordzijde van Veldeggerweg 1.
21754.001 versie D1
14 / 28
Hoewel er bij de steenuilwerkgroep geen informatie bekend is over een broedplaats van een steenuil op dit perceel, is het zeker wel mogelijk. In de tuin staan namelijk redelijk wat bomen en heesters waar eventueel een steenuilkast in kan zijn geplaatst. Een andere mogelijkheid is dat er een broedplaats in een schuur aanwezig is. Hoe dan ook is dit erf zeer geschikt als leefgebied voor de steenuil. Er wordt daarom geadviseerd om navraag te doen bij de bewoners van Veldeggerweg 1 of er een nestkast of broedplaats aanwezig is van de steenuil op het betreffende perceel.’ Volgend op deze conclusie heeft Econsultancy op 4 april 2024 een sporenonderzoek uitgevoerd op het erf aan de Veldeggerweg 1. Tevens is navraag gedaan bij de bewoner(s) van dit adres. Tijdens het sporenonderzoek zijn geen sporen aangetroffen die wijzen op aanwezigheid van de steenuil op het erf. De bewoner van het erf geeft aan dat er in het verleden steenuilen hebben gebroed op het erf. In die tijd was er nog sprake van agrarische activiteiten op het erf. Sinds de agrarische activiteiten zijn gestaakt heeft de bewoner geen steenuilen meer waargenomen op het erf. Het is daarmee uitgesloten dat er momenteel een broedgeval van de steenuil aanwezig is op het erf aan de Veldeggerweg. De waargenomen steenuil broedt naar verwachting op één van de erven aan de oostzijde van de onderzoekslocatie.
Figuur 3.11
Resultaten steenuilenonderzoek uitgevoerd door SAB (Bron: SAB rapport 220357.02, november 2023).
21754.001 versie D1
15 / 28
Op basis van de geleverde onderzoeksinspanning kan de aanwezigheid van een broedplaats van de steenuil binnen de invloedsfeer van het planvoornemen worden uitgesloten. Het planvoornemen leidt daarnaast niet tot aantasting van essentieel leefgebied van de steenuil.
3.3 Samenvatting De resultaten van de uitgevoerde aanvullende onderzoeken wijzen uit dat de onderzoekslocatie deel uitmaakt van het leefgebied van de egel, wezel, steenmarter en bunzing. Negatieve effecten ten aanzien van bunzing en steenmarter zijn niet te verwachten omdat verblijfplaatsen en belangrijke verbindingen behouden blijven. Het beschadigen of vernielen van verblijfplaatsen van egel en wezel als gevolg van de ingreep kan echter niet worden uitgesloten. Daarnaast vormen de eikenlanen aan weerszijden van de Veldeggerweg een essentiële vliegroute voor in de omgeving verblijvende gewone dwergvleermuizen en laatvliegers. Ingrepen in de laanstructuur of het toepassen van verlichting kunnen leiden tot aantasting van deze essentiële functie.
21754.001 versie D1
16 / 28
4
VOORGENOMEN INGREEP OP DE LOCATIE EN ONDERBOUWING
4.1 Voorgenomen activiteiten en manier van uitvoering De initiatiefnemer is voornemens 93 woningen te realiseren op de onderzoekslocatie. Het planvoornemen bestaat uit een mix van vrijstaande woningen, twee-onder-een-kap woningen, rijwoningen en mogelijk rugaan-rug woningen. Uitsluitend de percelen rondom het zonnepark worden bebouwd. De agrarische percelen aan de zuidoost- en noordwestzijde van de onderzoekslocatie worden niet bebouwd. Bij de inrichting van de onderzoekslocatie wordt rekening gehouden met bestaande groenstructuren. Opgaande vegetatie blijft zoveel mogelijk behouden. Ten behoeve van de ontsluiting van de nieuwbouwwijk wordt echter wel een pad aangelegd naar de Veldeggerweg. Voor de aanleg van dit pad zal één van de eiken aan de Veldeggerweg gekapt moeten worden. Op enkele plaatsen wordt ruigte en struweel verwijderd en worden droge greppels gedempt.
Figuur 4.1
Inrichtingstekening planvoornemen.
21754.001 versie D1
17 / 28
4.2 Doel en belang van de activiteiten Net als het landelijke beeld laat zien is ook in Heeten behoefte aan woningbouw. In de gemeente Raalte en in Heeten zelf hebben veel huishoudens moeite met het vinden van een passende woning. De druk op de woningmarkt is groot. In beleid (onder andere omgevingsvisie Raalte 2040 en het programma Wonen) en in het coalitieakkoord 2022-2026 heeft de gemeente Raalte de ambitie uitgesproken om actief bij te dragen aan het oplossen van de woning schaarste. In de regionale Woonagenda staat dat het kwantitatief de opgave is om tot 2030 35.000 - 40.000 woningen te realiseren, jaarlijks moeten gemiddeld 3.500 - 4.000 woningen worden toegevoegd. Dat is de helft meer dan de afgelopen jaren in de regio is gerealiseerd (gemiddeld 2.600 woningen per jaar). In de regio is momenteel de harde plancapaciteit 10.292 en de zachte plancapaciteit 15.511 woningen. Dit betekent dat er nog zo'n 9.197-14.197 aan uitbreiding van de capaciteit gewenst is. Voor de gemeente Raalte wordt aangegeven dat de harde plancapaciteit 306 is en de zachte plancapaciteit 468 woningen. De gemeente zelf heeft aangegeven dat per 1 januari 2021 de harde plancapaciteit inmiddels 340 is. Het project Veldegge in Heeten is onderdeel van de regionale sleutelprojecten. Het wordt bij de zachte plancapaciteit van de gemeente Raalte gerekend.
In kwantitatief opzicht is er dus al rekening gehouden met de woningen die met dit ruimtelijk plan mogelijk worden gemaakt. Daarnaast is er voor de regio en de gemeente nog behoefte aan uitbreiding van de woningcapaciteit. Voor de komende tien jaar is er kwantitatief gezien voldoende behoefte aan de woningen die op de locatie Veldegge gerealiseerd kunnen worden, gezien de groei van ca. 800 huishoudens die er voor de gemeente Raalte voorzien wordt in de periode 2019-2035. In Heeten is er slechts sprake van harde plancapaciteit van 26 woningen, ook daar is meer dan voldoende ruimte in de programmering. Heeten bevat 9,38% van de huishoudens binnen de gemeente en zou in minimaal 5% van de prognoses moeten kunnen voldoen. Dit zou voor de planperiode een toename van ca. 150 huishoudens betekenen. Met het toevoegen van woningen in Heeten komt de gemeente tegemoet aan de lokale behoefte, zoals die naar voren komt in woonbehoefte enquêtes waarbij zowel startende jongeren als senioren aangeven op zoek te zijn naar een woning in Heeten, en aan de bovenlokale groeiopgave. Waarbij de nodige aandacht is voor starters/jongeren en senioren alsook betaalbare wooneenheden. Om tegemoet te komen aan de behoefte in Heeten is een deel van de onderzoekslocatie aangewezen als toekomstige woningbouwlocatie. Een uitleglocatie voor circa 80-90 woningen.
De locatie ligt direct aansluitend aan de laatste uitleglocatie van het dorp, genaamd Veldegge. Ruimtelijk gezien is het gebied een logische uitbreiding en afronding van de Veldegge.
21754.001 versie D1
18 / 28
4.3 Planning en onderbouwing van de activiteiten Voorafgaand aan de werkzaamheden wordt de planlocatie bouwrijp gemaakt. Op enkele plaatsen wordt ruigte en struweel verwijderd en worden droge greppels gedempt. Tevens is de insteek een tijdelijke bouwweg aan te leggen vanaf de rotonde op de kruising van de Holterweg en Telgenweg over het agrarische perceel aan de zuidoostzijde van de onderzoekslocatie naar de Veldeggerweg. De planning op hoofdlijnen ziet er als volgt uit: -
Ruimtelijke procedure eind 2024 – 2025 Start bouwrijp maken en kaveluitgifte eind 2025/2026
4.4 Alternatieven Locatie Vanwege het huidige woningtekort wordt nieuwbouw noodzakelijk geacht. De planlocatie grenst aan de woonkern van Heeten en staat direct in verbinding met de nieuwste uitbreiding van Heeten. De planlocatie is relatief geïsoleerd gelegen tussen de woonkern van Heeten en de N332. Alternatieve locaties verder verwijderd van de woonkern Heeten worden schadelijker geacht voor flora en fauna dan de huidige planlocatie. Planning Bij de uitvoering van kritische werkzaamheden zoals het verwijderen van opgaande vegetatie zal rekening gehouden worden met de gevoelige perioden van de te verwachten soorten. Werkwijze Bij de voorgenomen werkzaamheden wordt reeds de minst verstorende werkwijze gehanteerd door rekening te houden met gevoelige perioden en zoveel mogelijk groene structuren te behouden en worden nieuwe groenstructuren toegevoegd.
21754.001 versie D1
19 / 28
5
EFFECTEN VAN DE INGREEP OP FLORA EN FAUNA
5.1 Effecten op korte termijn op beschermde soorten Gewone dwergvleermuis en laatvlieger De eikenlanen langs weerszijden van de Veldeggerweg vormen een belangrijke vliegroute voor de gewone dwergvleermuis en laatvlieger. De vliegroute vormt een essentiële verbinding tussen verblijfplaatsen in de woonkern Heeten en foerageergebieden aan de noordzijde van Heeten. Gelet op de waargenomen aantallen overvliegende individuen tijdens het veldbezoek in het kraamseizoen van 2024 wordt de vliegroute gebruikt door tenminste één (kraam)kolonie gewone dwergvleermuizen en één kolonie laatvliegers. Ten behoeve van de ontsluiting van de nieuwbouwwijk worden twee eiken gekapt aan de Veldeggerweg. Het gaat om één grote eik en een vrij recent aangeplant eikje. Met name het verwijderen van de grote eik zorgt voor een onderbreking in het kronendak langs de Veldeggerweg van ongeveer 15 meter (zie figuur 5.1). Een dergelijke onderbreking is voor vleermuizen over het algemeen geen groot probleem. Ter hoogte van de N332 is sprake van een bredere onderbreking, bij deze onderbreking is tevens verlichting aanwezig in de vorm van straatverlichting. Gelet op het gebruik van de vliegroute leidt deze onderbreking niet tot verlies van functionaliteit van de vliegroute. Gezien het belang van de vliegroute kan echter geen risico worden genomen.
De functionaliteit van de Veldeggerweg als vliegroute voor vleermuizen dient te allen tijde gewaarborgd te worden. Door middel van het treffen van maatregelen wordt de functionaliteit van de vliegroute gewaarborgd. Gedurende de aanlegfase zal tijdelijk een vleermuispassage worden geplaatst met behulp van vleermuisschermen op palen. Deze passage bestaat uit twee schermen met een lengte van 5 meter aan weerszijden van de bouwweg. De schermen worden ter hoogte van de Te kappen eiken onderzijde van de boomkronen geplaatst zodat een relatief gesloten structuur ontstaat waarlangs vleer- Figuur 5.1 Te kappen eiken aan de Veldeggerweg. Door de muizen kunnen navigeren. De te overbruggen onder- kap van de eiken ontstaat een onderbreking van een vliegbreking in verband met de bouwweg betreft op deze route van ca 20 meter. wijze maximaal 5 meter. Tevens wordt het gebruik van kunstmatige verlichting gedurende zowel de aanlegfase als de gebruiksfase op de Veldeggerweg voorkomen. De kap van de beide eiken zal plaatsvinden buiten de actieve periode van de gewone dwergvleermuis en laatvlieger. Maatregel: Verwijderen eiken langs de Veldeggerweg buiten actieve periode van vleermuizen (november tot maart).
21754.001 versie D1
20 / 28
Meetregel: geen verlichting toepassen in zowel aanleg- als gebruiksfase op of rondom de Veldeggerweg. Maatregel: tijdelijk plaatsen van twee vleermuisschermen langs de zuidoostzijde van de Veldeggerweg aan weerszijden van de bouwweg gedurende de aanlegfase. Wezel Het planvoornemen leidt tot een afname van matig geschikt foerageergebied van ongeveer 6 ha bestaande uit voornamelijk maïsakkers en permanent grasland. Omdat groene structuren zoveel mogelijk behouden blijven is er geen sprake van significante aantasting van migratieroutes. In de omgeving van de planlocatie is meer foerageergebied aanwezig van een hogere kwaliteit. Met name het zonnepark en de randen om dit park heen biedt zeer geschikt foerageergebied. Er zijn naar verwachting voldoende uitwijkmogelijkheden voor eventueel aanwezige wezels. Wel worden op enkele plaatsen ruigte en struweel verwijderd en greppels gedempt waarin muizenholen aanwezig zijn. Deze muizenholen kunnen dienen als vaste rust- en verblijfplaats voor de wezel. Bij het verwijderen van ruigte en struweel en het dempen van greppels kunnen wezels verwond of gedood worden. Het doden en verwonden van individuen wordt voorkomen door het verwijderen van ruigte en struweel buiten de gevoelige voortplantings- en winterrustperioden uit te voeren. De geschikte periode voor het uitvoeren van deze werkzaamheden betreft de maanden september en oktober.
Daarnaast worden, om geen risico te nemen ten aanzien van het aanbod aan verblijfplaatsen, alternatieve verblijfplaatsen aangeboden in de vorm van takkenrillen. Maatregel: Verwijderen van ruigte en struweel buiten kwetsbare voortplantings- en winterrustperiode uitvoeren. De geschikte periode betreft de maanden september en oktober. Maatregel: Voorafgaand aan de werkzaamheden van alternatieve verblijfplaatsen in de omgeving van de planlocatie realiseren in de vorm van takkenrillen. Egel Voor de egel geldt dat de gehele onderzoekslocatie in principe geschikt is als leefgebied. Het verwijderen van ruigte en struweel kan leiden tot vernieling of beschadiging van rust- en verblijfplaatsen van de egel. Egels maken voor de voortplanting en de winterslaap gebruik van nesten van losse bladeren op goed verborgen plaatsen. De voorgenomen werkzaamheden leiden mogelijk tot het beschadigen of vernielen van dergelijke nestplaatsen. Deze nesten worden elk jaar opnieuw gebouwd, zolang de kapwerkzaamheden buiten de winterrust- en voortplantingsperiode worden uitgevoerd is het vernielen of beschadigen van verblijfplaatsen daarom in ecologisch opzicht geen groot probleem. Daarnaast wordt de opgaande vegetatie op de onderzoekslocatie grotendeels behouden.
Gelet op het gering oppervlak ruigte en struweel dat verwijderd wordt, zijn er naar verwachting voldoende uitwijkmogelijkheden voor op de onderzoekslocatie aanwezige egels. Om geen risico’s te nemen ten aanzien van de lokale populatie, worden echter 4 alternatieve verblijfplaatsen aangeboden op of in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. Deze verblijfplaatsen bestaan uit betonnen of houten egelhuisjes. Het doden en verwonden van egels wordt voorkomen door de kapwerkzaamheden buiten de gevoelige winterrust- en voortplantingsperiode uit te voeren onder ecologische begeleiding
21754.001 versie D1
21 / 28
Maatregel: Verwijderen ruigte en struweel buiten gevoelige winterrust- en voortplantingsperiode (geschikte periode betreft de maanden september tot en met november). Maatregel: aanbieden van 4 alternatieve verblijfplaatsen.
5.2 Effecten lange termijn op gunstige staat van instandhouding Gewone dwergvleermuis en laatvlieger Door de kap van twee eiken aan de Veldeggerweg ontstaat een onderbreking van een belangrijke vliegroute voor gewone dwergvleermuis en laatvlieger. Gedurende de aanlegfase wordt dit effect gemitigeerd door het plaatsen van vleermuisschermen. Na afronding van de werkzaamheden zal gezorgd worden voor een duurzame handhaving van de laanstructuur aan de Veldeggerweg. Op de plaats waar twee eiken gekapt worden, zullen twee eiken teruggeplant worden. Door gebruik te maken van een groot formaat aanplant wordt de onderbreking in het kronendak snel weer opgevuld. Maatregel: terugplaatsen twee zomereiken langs zuidoostzijde van de Veldeggerweg ter hoogte van de te kappen eiken na afronding van de werkzaamheden. Wezel Er zijn geen gegevens over de precieze populatiestand van de wezel in Nederland. De wezel is echter sinds 2020 op de Rode Lijst geplaatst met de status ‘gevoelig’ (zie tabel II) (Staatscourant 2020, 56788). De wezel heeft voornamelijk te lijden onder de vele veranderingen en drukfactoren in het agrarisch gebied. Dit is een probleem dat al langere tijd speelt, zo is de wezel populatie sinds 1950 al meer dan 50% achteruit gegaan. Het planvoornemen leidt tot een afname van matig geschikt foerageerhabitat. Dit habitat bestaat voornamelijk uit maïsakkers.
De groene structuren op de onderzoekslocatie blijven grotendeels behouden, er is daarom naar verwachting voldoende uitwijkmogelijkheid voor eventueel aanwezige wezels. Negatieve effecten op de lokale staat van instandhouding zijn daarom niet te verwachten. Wel is het van belang om de aanwezigheid van voldoende foerageer- en verblijfsmogelijkheden te waarborgen. Versterking van het leefgebied van de wezel vindt plaats door de aanplant van enkele struweelhagen. Deze hagen bestaan uit inheems, en bij voorkeur autochtoon plantmateriaal. Daarnaast kunnen verblijfs- en foerageermogelijkheden versterkt worden door het duurzaam handhaven van de takkenrillen. Takkenrillen vormen verblijfsplaatsen voor wezels, maar ook muizen profiteren van deze structuren. Muizen zijn belangrijke prooidieren voor de wezel. Maatregel: duurzaam handhaven van takkenrillen. Maatregel: Aanplant van struweelhagen.
21754.001 versie D1
22 / 28
Egel Door het ontbreken van structurele monitoring van de egel kan geen uitspraak gedaan worden over de landelijke staat van instandhouding van de egel. Wel is bekend dat er de afgelopen decennia sprake is van een daling van de dichtheden. Vermoedelijk zijn de belangrijkste oorzaken van de achteruitgang van de egel versnippering van het landschap en de vele slachtoffers van verkeer. Het planvoornemen zal niet leiden tot negatieve effecten op de staat van instandhouding van de lokale populatie. Egels kunnen zich goed handhaven in woonwijken zolang er voldoende groen aanwezig is. De groene structuren op de onderzoekslocatie worden grotendeels behouden. Mogelijk vormt het planvoornemen zelfs een verbetering van het leefgebied van de egel doordat tuinen en gazon rondom de nieuwbouwwoningen geschikt foerageerhabitat vormen. Het is echter wel van belang om maatregelen te treffen die het leefgebied van de egel duurzaam behouden en mogelijk zelfs versterken. Versterking van het leefgebied kan gerealiseerd worden door aanplant van enkele struweelhagen. Hiervoor dient inheems struweel gebruikt te worden. Struweelhagen bieden dekking en voedsel in de vorm van bessen en insecten. Dicht struweel biedt daarnaast mogelijkheden voor slaapplaatsen, voortplantings- en winternesten.
Zodoende wordt het leefgebied van de egel versterkt waardoor geen sprake is van een negatief effect op de staat van instandhouding. Maatregel: Aanplant enkele inheemse struweelhagen.
5.3 Schadelijke handelingen Omgevingswet Gewone dwergvleermuis en laatvlieger Alle vleermuissoorten vallen onder het beschermingsregime van de Habitatrichtlijn en de conventie van Bonn, in de Omgevingswet ondergebracht in paragraaf 11.2.3 (Bal). De schadelijke handelingen die van toepassing zijn op de vleermuizen betreffen het opzettelijk verstoren, doden of vangen van de dieren en het beschadigen of vernielen van de rust- en voortplantingsplaatsen. Het verstoren van een essentiële vliegroute leidt indirect tot het verlies van functionaliteit van rust- en voortplantingsplaatsen. Door het treffen van maatregelen wordt de functionaliteit van de vliegroute langs de Veldeggerweg echter gewaarborgd. Er is daarom geen sprake van schadelijke handelingen ten aanzien van gewone dwergvleermuis en laatvlieger als gevolg van het planvoornemen. Wezel en egel Kleine marterachtigen vallen onder het beschermingsregime ‘andere soorten’ uit de omgevingswet (artikel 11.54, eerste lid, onder a). Het is verboden deze soortgroep opzettelijk te doden of te verwonden en is het verboden de vaste voorplantingsplaatsen van deze dieren opzettelijk te vernielen of beschadigen. Bij het verwijderen van het leefgebied van wezel en egel zijn maatregelen nodig om de functionaliteit van het lokale leefgebied voor de soorten te behouden.
Hiermee wordt voorkomen dat de staat van instandhouding van de lokale populatie wordt aangetast. Omdat het niet uitgesloten is dat er verblijfplaatsen van deze soorten op de onderzoekslocatie aanwezig zijn, kan niet worden uitgesloten dat er sprake is van het vernielen of beschadigen van vaste rust- of voortplantingsplaatsen. Er is daarom sprake van een vergunningsplichtige flora-
21754.001 versie D1
23 / 28
en fauna- activiteit. Door het treffen van maatregelen wordt voorkomen dat dieren worden gedood of verwond gedurende de werkzaamheden. Wettelijk belang nationaal beschermde soorten De werkzaamheden zijn locatiegebonden en eenmalig van aard. Ze vinden zodoende plaats in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling.
21754.001 versie D1
24 / 28
6
TE TREFFEN MAATREGELEN
6.1 Inleiding Ten aanzien van vleermuizen, egel en wezel worden maatregelen noodzakelijk geacht om de functionaliteit van de onderzoekslocatie voor deze soorten te waarborgen. De vliegroute voor vleermuizen langs de Veldeggerweg dient behouden te blijven gedurende de aanlegfase en na afronding van het planvoornemen. Daarnaast wordt het leefgebied van de egel en wezel versterkt middels het aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen en de aanplant van struweelhagen. Het doden en verwonden van eventueel aanwezige egels en wezels wordt voorkomen door aantoonbaar zorgvuldig te handelen.
6.2 Mitigerende maatregelen Gewone dwergvleermuis en laatvlieger Om de functionaliteit van de vliegroute langs de Veldeggerweg te waarborgen wordt gedurende de aanlegfase een tijdelijke vleermuispassage geplaatst langs de zuidoostzijde van de Veldeggerweg. De passage bestaat uit een scherm dat op palen wordt bevestigd ter hoogte van de kronen van de naastgelegen eiken. Het gebruik van kunstmatige verlichting op de Veldeggerweg wordt gedurende zowel de aanleg- als gebruiksfase voorkomen. Na afronding van de werkzaamheden zal de vliegroute versterkt worden door de aanplant van 2 zomereiken. De locatie van de te treffen maatregelen is weergegeven in figuur 6.5.
Figuur 6.1 voorbeeld van een vleermuis scherm (bron: Rijkswaterstaat).
Egel Voor de egel worden tijdelijke kasten geplaatst binnen 200 meter van het plangebied. De planlocatie vormt het leefgebied van maximaal 4 volwassen egels. Daarom worden er 4 kasten van het type EGLT1 (figuur 6.2) of iets vergelijkbaars geplaatst. De kasten worden minimaal 3 maanden voorafgaand aan de werkzaamheden geplaatst. De kasten worden afgedekt met takken of bladeren. De exacte locaties zijn op het moment van schrijven nog niet bekend. In figuur 6.5 worden de voorgestelde locaties weergegeven, de exacte locatie zal worden opgenomen in een logboek dat ter goedkeuring aan het bevoegd gezag wordt overhandigd. Om het leefgebied van de egel op de planlocatie duurzaam in stand te houden en te versterken wordt ingezet op leefgebiedsversterking doormiddel van de aanplant van inheemse struweelhagen (figuur 6.3). Tevens worden enkele takkenrillen gerealiseerd, deze kunnen ook als verblijfplaats voor de egel dienen (figuur 6.4). Wezel Voor het aanbieden van tijdelijke alternatieven, zullen minimaal drie maanden voor de werkzaamheden, enkele takkenrillen worden aangelegd in de omgeving van de planlocatie. De takkenrillen hebben een afmeting van tenminste 1 meter breed, 1 meter hoog en 20 meter lang. Takkenrillen bestaan uit gestapeld snoeiafval. Ze zijn daarom eenvoudig aan te leggen, om de takkenril te fixeren kunnen palen gebruikt worden.
Ook knotbomen kunnen gebruikt worden om takkenrillen aan te leggen. De takken die vrij komen bij de snoei van de knotbo-
21754.001 versie D1
25 / 28
men kunnen verwerkt worden in de takkenril. In figuur 6.5 zijn de voorgestelde locaties voor de takkenrillen weergegeven. Foto’s van de takkenrillen of takkenstapels zullen in het logboek worden verwerkt en later worden opgestuurd naar het bevoegd gezag. Daarnaast wordt ingezet op leefgebiedsversterking doormiddel van de aanplant van inheems struweel op enkele plaatsen aan de rand van het plangebied.
Figuur 6.2 Egelkast van het type EGLT1 (Unitura).
Figuur 6.3 Voorbeeld van een bloeiende struweelhaag (E. Witter).
Figuur 6.4 Voorbeeld van een takkenstapel.
Figuur 6.5 Inpassing van de maatregelen in de directe omgeving van de planlocatie.
21754.001 versie D1
26 / 28
6.3 Zorgvuldig handelen Het doden en verwonden van egels en wezels dient voorkomen te worden door zorgvuldig te handelen. Snoeiof kapwerkzaamheden vinden plaats in de periode september tot en met november. Indien dit niet mogelijk blijkt dan zal ecologische begeleiding noodzakelijk zijn. Een ter zake kundig ecoloog zal in dat geval voor de werkzaamheden een inspectie uit te voeren om de aanwezigheid van beschermde soorten uit te sluiten. Op basis van deze inspectie zal de ecoloog het betreffende deel van de onderzoekslocatie vrijgeven.
21754.001 versie D1
27 / 28
7
SAMENVATTING
Econsultancy heeft in opdracht van Gemeente Raalte een activiteitenplan opgesteld in het kader van de Omgevingswet, ten behoeve van de voorgenomen realisatie van nieuwbouwwijk Veldegge-Noord te Heeten. De volgende onderzoeksvragen zijn beantwoord: • Welke beschermde soorten zijn in het plangebied aanwezig? o Gewone dwergvleermuis, laatvlieger, egel en wezel • Welke functie heeft het plangebied voor de soorten? o Vliegroute voor vleermuizen o Leefgebied egel en wezel • Wat is de omvang en duurzame staat van instandhouding van de bij de ingreep betrokken populaties van beschermde soorten? o Het gaat om tenminste één (kraam)kolonie van de gewone dwergvleermuis en één (kraam)kolonie van de laatvlieger. • Blijft de functionaliteit van de rust- en voortplantingsplaatsen behouden? o Rust- en voortplantingsplaatsen van egel en wezel worden mogelijk beschadigd of vernield als gevolg van de werkzaamheden. o De functionaliteit van rust- en voortplantingsplaatsen van gewone dwergvleermuis en laatvlieger wordt gewaarborgd door de functionaliteit van de vliegroute te allen tijde te waarborgen. • Welke eigenschappen van het gebied moeten gemitigeerd of gecompenseerd worden? o Rust- en voortplantingsplaatsen van de egel en wezel o Vliegroute voor vleermuizen.
• Hoe groot wordt het succes van de te nemen maatregelen ingeschat? o De te nemen maatregelen zijn conform de voor deze soorten aangereikte kennisdocumenten. • Welke maatregelen moeten getroffen worden om aan de zorgplicht te voldoen? o Kap- en snoeiwerkzaamheden worden buiten gevoelige voortplantings- en winterrustperioden uitgevoerd. • Zijn er voor de streng beschermde soorten geen meer bevredigende oplossingen. o Het planvoornemen betreft reeds de meest bevredigende oplossing. • Welk wettelijk belang is er waardoor de werkzaamheden moeten worden uitgevoerd? o In het belang van ruimtelijke ontwikkeling.
Econsultancy 12 juli 2024
21754.001 versie D1
28 / 28
Geraadpleegde bronnen
BIJ12 (2023a). Kennisdocument huismus. Opgehaald content/uploads/2023/02/Kennisdocument -Huismus-versie-2.1-februari-2023.pdf
van https://www.bij12.nl/wp-
BIJ12 (2023b). Kennisdocument gierzwaluw. Opgehaald van https://www.bij12.nl/wp-content/uploads/ 2023/07/ Kennisdocument-Gierzwaluw-2.0-juli-2023.pdf BIJ12 (2017c). Kennisdocument gewone dwergvleermuis. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-004Kennisdocument-Gewone-dwergvleermuis-1.0.pdf. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus (2021). Vleermuisprotocol 2021. Opgehaald van https://netwerkgroenebureaus.nl/vleermuisprotocol.
Bijlage 6
1/1
Nader onderzoek Wet natuurbescherming
Heeten, De veldegge Noord
Gemeente Raalte
Datum: 8 november 2023 Projectnummer: 220357.02
INHOUD 1
Inleiding
3
1.1 1.2 1.3 1.4
Aanleiding Plangebied Kwaliteitsborging Definitie product
3 3 7 8
2
Wettelijk kader
9
2.1 2.2 2.3
Verboden en zorgplicht Opzetvereiste Vrijstelling, gedragscodes en ontheffing
9 10 10
3
Ecologie van steenuil
12
4
Onderzoekmethodiek steenuil
13
4.1 4.2 4.3
Territoriumonderzoek Informatie plaatselijke uilenwerkgroep Sporenonderzoek
13 14 14
5
Resultaten en effectbeoordeling steenuil
15
5.1 5.2 5.3 5.4 5.5
Territoriumonderzoek Informatie plaatselijke uilenwerkgroep Sporenonderzoek Ligging steenuilterritoria Effectbeoordeling
15 16 17 17 18
6
Conclusie en advies
20
6.1 6.2 6.3 6.4 6.5
Ontheffing Wet natuurbescherming nodig? Ontheffing aanvragen Mitigerende maatregelen steenuil Broedperiode en zorgplicht Vervolgstappen
20 20 20 20 21
Geraadpleegde literatuur
22
1
Inleiding
1.1
Aanleiding De gemeente Raalte is voornemens om de woningbouwlocatie ‘de Veldegge’ in Heeten aan de noordzijde, op een gebied van ca. 3,5 hectare, uit te breiden. De Veldegge Noord wordt gezien als de 2e fase van de Veldegge. Voor de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan is het noodzakelijk dat de haalbaarheid ervan wordt aangetoond. Er dient daarom vanuit de ecologie onderzocht te worden of met de ruimtelijke ontwikkelingen die het plan toestaat sprake is van overtreding van de geldende natuurwet- en regelgeving. In dit kader heeft SAB reeds een quick scan natuur (SAB, 2023) uitgevoerd. Uit deze quick scan blijkt onder andere dat op voorhand de aanwezigheid van essentieel leefgebied van de steenuil niet kan worden uitgesloten. Voorliggende rapportage zet de bevindingen van het nader onderzoek naar deze soort uiteen. Volgens deze quick scan kunnen ook andere soorten niet worden uitgesloten. Deze worden echter door een ander ecologisch adviesbureau onderzocht. Het doel van het hierna beschreven onderzoek is om de aan- of afwezigheid aan te tonen van de steenuil en om vast te stellen wat de functies van het plangebied en het omliggende terrein voor deze soort zijn. Uiteindelijk wordt op basis van deze bevindingen een advies uitgebracht over de wettelijke consequenties hiervan en eventuele vervolgstappen die noodzakelijk zijn.
1.2
Plangebied
1.2.1
Huidige situatie In de quickscan die is gemaakt door SAB in 2023 werd een onderzoeksgebied beschreven bestaande uit een plangebied en drie studiegebieden (zie navolgende afbeelding).
3
Overzicht van het onderzoeksgebied uit de quickscan van SAB uit 2023. Het onderzoeksgebied is onderverdeeld in een plangebied en drie studiegebieden.
Inmiddels is het plangebied gewijzigd en zijn verschillende studiegebieden of delen van studiegebieden afgevallen. Onderstaande afbeelding geeft het huidige plangebied weer. Het plangebied bevindt zich aan de noordrand van Heeten (gemeente Raalte, provincie Overijssel). In de omgeving liggen woonwijken, sportvelden en agrarische gronden. In de nabijheid liggen natuurgebieden Boetelerveld en Sallandse Heuvelrug.
Topografische kaart met de globale ligging van het plangebied (omkaderd). Bron: PDOK.
4
Luchtfoto met de globale ligging van het plangebied (rood omkaderd). Bron: PDOK. Bewerking: SAB.
Het plangebied bestaat uit open grasland, weide, een wadi, een houtwal, een greppel met enkele struiken, agrarisch perceel met radijs en enkele bomen. In het plangebied is ook een boerderij met een toegangsweg aanwezig. Deze blijft behouden. Het plangebied grenst in het zuiden aan een woonwijk. In het noorden grenst het aan een zonneweide en in het oosten aan de Veldeggerweg. In het westen grenst het plangebied aan een bosschage. In het noordoosten grenst het plangebied aan de provinciale weg N332. Navolgende afbeeldingen geven een impressie van het plangebied ten tijde van het veldbezoek.
Aanzicht zuidwestelijke hoek van het
Aanzicht westelijke zijde van het plangebied;
plangebied;
5
Aanzicht aanwezige weide in het
Aanzicht aanwezige greppel in het westen
noordwesten van het plangebied;
van het plangebied;
Aanzicht boerderij;
Aanzicht wadi;
Aanzicht oostzijde plangebied;
Aanzicht aanwezige bomen, houtwal en agrarisch perceel in het plangebied.
1.2.2
Toekomstige situatie In het plangebied bestaat het voornemen woningen te bouwen. In het huidige plan worden er 70 tot 75 woningen gerealiseerd variërend van goedkope starterswoningen tot vrijstaande woningen in het duurdere segment. Zie navolgende afbeelding voor het meest actuele stedenbouwkundige schetsontwerp.
6
Het meest actuele schetsontwerp van 25-09-2023. Bron: SAB.
1.3
Kwaliteitsborging Kwaliteit van het ecologisch onderzoek en het geleverde product staat bij SAB hoog in het vaandel. Mede daarom zijn wij aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus (NGB); de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Om te allen tijde aan onze standaard te voldoen, hanteren wij de volgende werkwijze: − Het onderzoek wordt uitgevoerd conform geldige onderzoeksprotocollen, zoals het vleermuisprotocol (2021), de kennisdocumenten van BIJ12 (2017) en de soortinventarisatieprotocollen van het NGB (2017). − Het afwijken van de protocollen vindt enkel plaats indien dit ecologisch goed te onderbouwen en te rechtvaardigen is. − Het onderzoek wordt enkel uitgevoerd door deskundigen op het gebied van de betreffende soorten. Ecologen in opleiding tot deskundige zijn tijdens veldonderzoek altijd onder begeleiding van een deskundige.
Onder een ecologisch deskundige verstaan we iemand met aantoonbare ervaring en kennis op het gebied van soortspecifieke ecologie en die voldoet aan één of meerdere van onderstaande punten (www.rvo.nl): 1 Hij/zij heeft een afgeronde hbo- of universitaire opleiding, met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; 2 Hij/zij heeft een afgeronde mbo-opleiding, met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; 3 Hij/zij is werkzaam voor een ecologisch adviesbureau, zoals een bureau dat is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; 4 Hij/zij zet zich aantoonbaar actief in op het gebied van de soortenbescherming en is werkzaam of aangesloten bij de volgende Nederlandse organisaties: Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming 7
Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN, EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk gebied; 5 Hij/zij zet zich aantoonbaar actief in op het gebied van de monitoring en/of bescherming van de Nederlandse natuur. − Nadat het eerste conceptrapport gereed is, beoordeelt een collega het rapport op inhoud en vorm. De auteur verwerkt de geplaatste opmerkingen of bespreekt deze met de beoordelaar om zo tot een eensluidend advies te komen.
1.4
Definitie product Het product wat in deze rapportage geleverd wordt is een “nader onderzoek beschermde soorten” conform de begrippenlijst van het Netwerk Groene Bureaus (NGB 2020) en omvat daarmee alle eisen die het NGB aan dit product stelt.
8
2
Wettelijk kader De bescherming van dier- en plantensoorten is geregeld in de Wet natuurbescherming (wetten.overheid.nl). De artikelen waarin in dit hoofdstuk naar wordt verwezen, komen allen uit deze wet.
2.1
Verboden en zorgplicht Voor een aantal soorten is door middel van verboden een beschermingsregime opgenomen. Er is een apart beschermingsregime voor vogelrichtlijnsoorten (artikelen 3.1 tot en met 3.4), voor habitatrichtlijnsoorten (artikelen 3.5 tot en met 3.9) en voor andere soorten (artikelen 3.10 en 3.11). Naast de beschermde dier- en plantensoorten geldt op basis van artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming voor al de in het wild levende soorten ook een zorgplicht. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. Dit houdt onder meer in dat men negatieve gevolgen voor aanwezige soorten zo veel mogelijk beperkt door het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht.
2.1.1
Vogelrichtlijnsoorten Voor ruimtelijke ingrepen zijn de volgende verboden relevant, zoals vermeld in artikel 3.1: het is verboden om van nature in Nederland in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen, het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van deze soorten te beschadigen of te vernielen of nesten van vogels weg te nemen. Ook is het verboden deze soorten opzettelijk te storen wanneer dit van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort. De verboden in de wet zorgen voor een goede bescherming van nesten van alle in het wild levende vogelsoorten tijdens het broedseizoen. Globaal loopt het broedseizoen van half maart tot half augustus, maar ook de nesten van broedende vogels buiten deze periode zijn beschermd. Daarnaast zijn van een aantal vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd, dus ook als ze niet als broedlocatie worden gebruikt. Het betreft dan over het algemeen soorten die hun nest het gehele jaar als verblijfplaats gebruiken of soorten die niet of nauwelijks in staat zijn om een eigen nest te bouwen.
2.1.2
Habitatrichtlijnsoorten Voor ruimtelijke ingrepen zijn de volgende verboden relevant, zoals vermeld in artikel 3.5: het is verboden om soorten van de Habitatrichtlijn en van de verdragen van Bonn en Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, om eieren opzettelijk te vernielen, om voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en om planten van de Habitatrichtlijn en van het verdrag van Bern opzettelijk te ontwortelen of te vernielen.
9
2.1.3
Andere soorten Naast de Vogelrichtlijnsoorten en de Habitatrichtlijnsoorten worden in de wet nog een aantal andere dier- en plantensoorten beschermd. Voor deze soorten zijn bij ruimtelijke ingrepen de volgende verboden relevant, zoals is weergegeven in artikel 3.10: het is verboden de beschermde diersoorten opzettelijk te doden of te vangen en om de vaste voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en het is verboden om de beschermde plantensoorten opzettelijk te plukken, ontwortelen of te vernielen.
2.2
Opzetvereiste Bij veel van de hierboven genoemde verboden is er sprake van een opzetvereiste. Zo is het verboden om vogelnesten opzettelijk te beschadigen. In de wet wordt bij deze opzet uitgegaan van ‘voorwaardelijke opzet’. Bij voorwaardelijke opzet is men zich bij het handelen bewust van de mogelijke negatieve consequenties, terwijl men de handeling toch uitvoert (Europese Commissie, 2007). Een voorbeeld van voorwaardelijke opzet is iemand die in het voorjaar een boom omzaagt en daarbij ‘per ongeluk’ een vogelnest beschadigt. De persoon had niet de opzet dit nest te beschadigen. Maar in de broedtijd van vogels is er wel een aanzienlijke kans dat er in een boom een vogel nestelt. Er kan daarom toch sprake zijn van opzettelijke beschadiging van het nest; voorwaardelijke opzet.
2.3
Vrijstelling, gedragscodes en ontheffing Provinciale Staten kunnen in een verordening een vrijstelling verlenen van de bovenstaande verboden (artikel 3.10, lid 2). De provincie Overijssel heeft besloten voor een aantal algemeen voorkomende zoogdiersoorten en amfibieën een vrijstelling te verlenen, voor handelingen die men verricht in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en voor handelingen in het kader van bestendig beheer en onderhoud. Het betreft de soorten aardmuis, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, gewone bosspitsmuis, haas, huisspitsmuis, konijn, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, woelrat, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en middelste groene kikker. Daarnaast zijn de in paragraaf 2.1.1 beschreven verboden niet van toepassing op handelingen die men uitvoert in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud, wanneer men die handelingen uitvoert conform een goedgekeurde gedragscode (artikel 3.31). Gedragscodes kunnen daarbij zowel gebruikt worden voor de omgang met de Vogelrichtlijnsoorten, de Habitatrichtlijnsoorten als de andere beschermde soorten.
Wel geldt voor de Vogelrichtlijnsoorten en de Habitatrichtlijnsoorten de aanvullende eis dat de handelingen die men uitvoert een wettelijk belang dienen uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (artikel 3.31, lid 1 onder d). Het gaat dan onder meer om handelingen in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of ter bescherming van flora en fauna. Tot slot kunnen Gedeputeerde Staten, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat, onder bepaalde voorwaarde een ontheffing verlenen van de verboden (artikel 3.8 lid 1 en artikel 3.10 lid 2). Ook hierbij geldt voor vogelrichtlijnsoorten en
10