CConstaterende datRaalte
Koppel je AI →
Document · PDF

Motivering Omgevingsplan De Veldegge Noord en bijlagen 1 tm 3

Raadsvergadering 22 januari 2026, gemeente RaalteBij agendapunt: Vaststellen TAM-omgevingsplan 13 De Veldegge Noord in Heeten (hamerstuk)26.031 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Programma wonen 2021 - 2025 Als uitwerkingsprogramma onder de Omgevingsvisie is het gemeentelijke programma Wonen 2021-2025 opgesteld (voorheen woonvisie). In het Programma Wonen 2021 - 2025 geeft gemeente Raalte aan hoe ze de komende jaren wil werken aan het wonen in de gemeente. Hierin is de ambitie opgenomen dat jong én oud, arm en rijk, een passende woningen kunnen vinden in een toekomstbestendige woonomgeving waarbij ruimte wordt gegeven aan eigenzinning (samen) wonen voor de huidige én nieuwe inwoners. Deze ambitie wordt uitgewerkt in de volgende vijf thema's: 1. Langer zelfstandig wonen in Raalte: De gemeente staat voor een inclusief woonbeleid. Het is goed wonen voor alle inwoners van de gemeente Raalte, ook als dit door een bepaalde beperking of kwetsbaarheid minder vanzelfsprekend is. Inwoners van de gemeente Raalte kunnen op een veilige, verantwoorde en prettige manier zelfstandig thuis (blijven) wonen, ook als er zorg nodig is.Voor de woningbouwprogrammering betekent dit dat op inbreidinglocaties vooral levensloopbestendige woningen worden gebouwd. Dit betekent niet dat er direct een senior gaat wonen, deze woningen kunnen ook geschikt zijn voor bijvoorbeeld starters, maar dit draagt wel bij aan een meer levensloopbestendige woningvoorraad.

32

2. Duurzaam wonen in Raalte: De gemeente omarmt de duurzaamheidsopgave die op ons afkomt. De gemeente Raalte wil in 2050 energieneutraal zijn. Dit betekent dat in 2030 de CO2 uitstoot is gereduceerd met 49%. Voor alle nieuwbouw, geldt dat aanvragen van de omgevingsvergunning vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). Dat betekent dat nieuwbouw aan strenge duurzaamheidseisen moet voldoen. 3. Huren in Raalte: Inwoners van de gemeente Raalte die niet zelf in hun woonbehoefte kunnen voorzien door middel van het kopen van een huis, kunnen in Raalte een passende huurwoning vinden met een passende huurprijs. Er is in de toekomst vraag naar een ander type huurwoning (klein en levensloopbestendig) en op korte termijn is ook nog vraag naar meer huurwoningen. De gemeente wil met SallandWonen afspreken de reeds door haar ingezette koers van nieuwbouw van kleinere, levensloopbestendige eenheden en de verkoop van grotere eengezinswoningen voor te zetten om de huurvoorraad diverser en meer toekomstbestendig te maken. 4. Kopen in Raalte: Uit het traject van de Omgevingsvisie blijkt een breed gedragen beeld dat de gemeente Raalte moet inzetten op starters én ouderen. Hierdoor ontstaat doorstroming die alle vragers op de markt ten goede komt. De woningmarkt is de afgelopen jaren flink veranderd.

De laatste jaren is een toename van de woningvraag (van inwoners van de gemeente Raalte en van nieuwe vestigers) en steeds maar stijgende prijzen. In de woningbouwprogrammering zal meer dan voorheen aanbod worden gerealiseerd in het kleinere en goedkope/betaalbare segment. Dit kunnen kleine grondgebonden woningen zijn maar ook (levensloopbestendige) appartementen. Deze woningen zijn geschikt voor 1 en 2 persoonshuishouders: starters én senioren op de koopmarkt. Echter naar verwachting zal dit niet voldoende zijn om de vraag van de komende jaren op te vangen. Binnen de huidige woningprogrammering is een gedeelte grondgebonden koop in het middeldure segment opgenomen. Ook deze woningen zullen nodig zijn om aan de vraag te voldoen. Via de doorstroming naar dit segment komen woningen ook aan de onderkant van de markt vrij voor starters. Het is dus niet of-of maar en-en. De gemeente voegt zowel woningen toe aan de onderkant van de markt als ook woningen ter bevordering van doorstroming. 5. Bouwen in Raalte: Niet elke kern is hetzelfde, woningbouw moet passend zijn bij de kern. Het is daarbij belangrijk dat er in elk dorp ruimte blijft voor woningbouw, om minimaal de autonome bevolkingsgroei in de dorpen op te kunnen vangen. De gemeente hanteert hierbij het uitgangspunt inbreiding voor uitbreiding conform de Ladder voor duurzame verstedelijking.

Inbreidingen en transformatie van bestaand vastgoed (bijvoorbeeld winkels, kantoren, kerken of scholen) komt de kwaliteit van de totale leefomgeving in de kern ten goede en 33

heeft de hoogste prioriteit. Om het woningtekort het hoofd te bieden en de ambitie waar te maken, versnelt de gemeente haar bouwopgave. Voor de planningsperiode van 2020-2030 wordt in het programma Wonen nog uitgegaan van het realiseren van 1500-2000 woningen. Voor de planningsperiode van 2023-2033 gaat de gemeente op basis van het coalitieakkoord en uitgevoerd woningmarktonderzoek uit van het realiseren van 3000 woningen. Deze groei wordt benut om gericht woningtypen toe te voegen welke nu nog missen in zowel de koop als de huur om zodoende de diversiteit en aantrekkelijkheid van de woningvoorraad te vergroten. Gezien de toenemende vraag naar appartementen, betaalbare rijenbouw, kleine levensloopgeschikte woningen en nieuwe en flexibele concepten, wordt de markt uitgedaagd om invulling te geven aan deze vraag. Toetsing Het voorliggende plan ziet op de toevoeging van 90 woningen, welke bestaat uit een mix van sociale (27%), betaalbare (44%) en dure woningen (29%). Hiermee wordt een bijdrage geleerd aan de versnelling van de bouwopgave. Door de realisatie van levensloopbestendige woningen wordt de voorraad levensloopbestendige woningen vergroot.

Het toevoegen van een groot aandeel betaalbare rijwoningen, nieuwe, kleinere woonconcepten zoals rug-aan rug woningen en een substantieel aandeel (kleinere, levensloopbestendige) sociale huurwoningen, wordt op de ambities uit het programma Wonen om gericht woningtypen toe te voegen die de gemeente nog mist. Tot slot wordt een deel van het woningbouwprogramma ingezet ter bevordering van doorstroming. Deze mix aan woningen is geschikt voor een verscheidenheid aan doelgroepen. Jong, oud, huurder of koper. 3.4.3

Beleidsplan biodiversiteit Op 17 oktober 2024 heeft de gemeente Raalte het beleidsplan biodiversiteit vastgesteld. De gemeente Raalte wil graag meer biodiversiteit in haar gemeente, omdat deze onder druk staat en deze wel nodig is om te bestaan. De ambitie van de gemeente is daarom om samen met collega’s, bestuur, bewoners, organisaties en bedrijven de biodiversiteit in de gemeente te behouden en te versterken en met elkaar te verbinden. De focus ligt hierbij op de kernen. In het buitengebied gaat de gemeente aan de slag met het versterken van verbindingen die eigendom zijn van de gemeente. Per kern zijn natuurstructuurkaarten opgesteld, met kansen en bedreigingen voor het versterken van biodiversiteit. Concreet wordt gericht op drie sporen: natuurstructuren versterken, natuurinclusief bouwen en het versterken van de samenwerking. Bij projecten in de openbare ruimte gelden drie uitgangspunten: −

Streven naar 50 m2 openbaar groen per inwoner in een woonbuurt; 34

−

De groennorm (3-30-300): o

Iedereen ziet vanuit zijn woning minstens 3 grote volwassen bomen van vijftien meter of hoger, als deze boom volgroeid is;

o

Iedere buurt heeft minstens 30% boomkroonbedekking;

o

Iedere bewoner kan binnen 300 meter van zijn of haar huis, school of werkplek naar een openbare groene (koelte)plek (van minimaal 200 m2 groot) lopen zoals een parkje om verkoeling te zoeken of anderen te ontmoeten.

−

De 5V-norm (voedsel, veiligheid, vocht, voortplanting en verbinding), met voor gelaagdheid de norm 20-15-20. Dat betekent dat een stedelijk gebied bestaat uit: o

20% Bomen;

o

15% Middelhoge vegetatie zoals struiken en heesters;

o

20% Lage vegetatie zoals (kruidenrijk) gras.

Toetsing Op de natuurstructuurkaart van Heeten ligt het besluitgebied in een gearceerd vlak met de aanduiding ‘B’ (zie volgende afbeelding). Hier zijn kansen voor biodiversiteit, aangezien B een zoekgebied voor de aanleg van een robuuste groene structuur is. Daarnaast is langs de Veldeggerweg een bestaande bomenrij aanwezig. In het besluitgebied worden de kansen uit de groenstructuurkaart benut en wordt bijgedragen aan de ambities uit het biodiversiteitsbeleid. In het stedenbouwkundig plan zijn de bestaande solitaire bomen in het gebied en eiken langs de Veldeggerweg zorgvuldig ingepast. De ontsluitingswegen krijgen een begeleidende groenstructuur. Daarnaast worden rondom de wadi’s nieuwe bomen aangeplant en wordt in de nieuwe woonwijk voorzien in groene erfafscheidingen. De centrale groenzone vanuit de Veldegge is doorgetrokken in Veldegge Noord en gekoppeld aan de groenzone richting de sportvelden. Hiermee wordt een robuuste samenhangende groene structuur gerealiseerd. De ambitie is een gevarieerd groen aanbod te realiseren dat bijdraagt aan de biodiversiteit in het gebied. Dit wordt in een inrichtingsplan voor de openbare ruimte verder uitgewerkt.

35

Natuurstructuurkaart Heeten met globale ligging besluitgebied (rode cirkel) (bron: beleidsplan Biodiversiteit gemeente Raalte)

36

4 Gevolgen fysieke leefomgeving 4.1

Milieueffectrapportage

4.1.1

Algemeen De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet. Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma’s waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is. Voor plannen en programma’s die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht.

Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma’s die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd. De plan-m.e.r.-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect.

4.1.2

Toetsing Het plan voorziet in 90 woningen. Het gaat om activiteiten die zijn genoemd in de D-lijst (categorie D 11.2 Stedelijk vernieuwingsproject). Hiermee wordt namelijk bedoeld grootschalige integrale gebieds (her)ontwikkeling 3. Er is daarom een m.e.r beoordeling opgesteld4. Hierin is beoordeeld of als gevolg van de woningbouwontwikkeling nadelige effecten op het milieu zijn te verwachten. De navolgende tabel geeft een overzicht van de beoordeelde milieuaspecten en de daarbij behorende conclusies, zoals deze in de m.e.r.-beoordeling aan bod zijn gekomen.

3 4

ECLI:NL:RVS:2022:2394 SAB (2025). M.e.r.-beoordeling Woningbouwontwikkeling Veldegge Noord, Heeten. 220357.01. 16 juni 2025.

37

Aspect

Beoordeling milieueffecten

Natuur (gebiedsbescherming)

Op grond van uitgevoerde stikstofonderzoek zijn negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden door stikstof uitgesloten. De aanleg- en gebruiksfasen leiden niet tot rekenresultaten hoger dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen van de Nederlandse Natura 2000-gebieden. Negatieve gevolgen worden uitgesloten.

Natuur (soortenbescherming)

Uit de verkennende fase (quickscan) bleek dat de gebouwen en het besluitgebied potentiële verblijfplaatsen van steenmarter, bunzing, wezel, egel, das, huismus, steenuil, kerkuil, ransuil, boomvalk of sperwer bevatten. Een nader onderzoek is uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de beschermde soorten gewone dwergvleermuis, laatvlieger, egel en wezel in het besluitgebied aanwezig zijn. Het gaat om een vliegroute voor vleermuizen. Het gaat om tenminste één (kraam)kolonie van de gewone dwergvleermuis en één (kraam)kolonie van de laatvlieger. De functionaliteit van rust- en voortplantingsplaatsen van gewone dwergvleermuis en laatvlieger wordt gewaarborgd door de functionaliteit van de vliegroute te allen tijde te waarborgen. Leefgebieden voor de egel en de wezel zijn ook waargenomen. De rust- en voortplantingsplaatsen van egel en wezel worden mogelijk beschadigd of vernield als gevolg van de werkzaamheden. Rust- en voortplantingsplaatsen van de egel en wezel moeten gemitigeerd of gecompenseerd worden. Wanneer de (mitigerende) maatregelen worden uitgevoerd worden op basis van voorgaande belangrijk nadelige milieueffecten op het gebied van natuur in ieder geval uitgesloten.

Verkeer

De beoogde ontwikkeling zorgt voor een verkeersaantrekkende werking die heel beperkt toeneemt ten opzichte van de bestaande situatie. Er is geen nadelig milieueffect.

Geluid

Als gevolg van de ontwikkeling zal er sprake zijn van een verkeersaantrekkende werking. De toename van het verkeer blijft echter ruim onder de 40% waardoor geen sprake zal zijn van een merkbare geluidstoename bij de omliggende woningen. Er is geen belangrijk negatief milieueffect.

Luchtkwaliteit

Er zijn geen nadelige gevolgen te verwachten. Het project draagt Niet in Betekenende Mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit en gezien de bestaande achtergrondconcentraties is geen sprake van een wezenlijke verslechtering.

Archeologie

Op basis van de geldende dubbelbestemming ‘Archeologie’ zijn verschillende onderzoeken uitgevoerd op de plaats van de ontwikellocatie. Daaruit blijkt dat opgravingen nodig waren op een gedeelte van het besluitgebied. De sporen en structuren betreffen greppels, kuilen en paalkuilen die gerelateerd zijn aan een bewoningsareaal uit de Middeleeuwen. Deze vondsten zijn

38

bewaard of veiliggesteld, waardoor dit milieuaspect geen belangrijk negatief milieueffect zal hebben. Water

Uit het uitgevoerde waterhuishoudkundig plan blijkt dat extra capaciteit voor waterberging met twee overstorten inclusief geknepen afvoeren richting de watergangen ten noorden van het besluitgebieden dient gerealiseerd te worden. Voor vuilwater en het peilniveau zijn tevens eisen gesteld. Ervan uitgaande dat de conclusies opgevolgd zullen zijn, zijn er geen nadelige milieueffecten voor de omgeving van het besluitgebied.

De uitkomst van de toets is dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het plan die zouden kunnen leiden tot aanzienlijke milieueffecten. Voor de meeste milieuaspecten geldt dat er geen effect optreedt. Enkel voor wat betreft natuur (soortenbescherming) zijn er mogelijk negatieve milieueffecten. Er kan echter worden uitgesloten dat sprake zal zijn van een aanzienlijk nadelig milieueffect. De conclusie is dan ook dat aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten. Het opstellen van een MER is daarom niet nodig.

4.2

Bodem

4.2.1

Algemeen Om een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie toe te staan, dient op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.89i en 5.89j) aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodemgevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan; een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.

39

4.2.2

Toetsing Vanwege de realisatie van bodemgevoelige objecten in de vorm van een woningen is onderzoek5 uitgevoerd om te bepalen of de milieu hygiënische kwaliteit van de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. De dikte van de humeuze laag wisselt van 0,3 m tot lokaal 1,5 m. Gemiddeld genomen heeft deze een dikte van circa 50 cm. De humeuze laag bestaat uit zeer fijn tot matig fijn, zwak tot matig siltig, matig humeus zand. Lokaal is deze sterk siltig en/of sterk humeus. Onder deze laag bevindt zich zeer fijn tot matig fijn, zwak tot matig siltig, deels zwak grindig zand. Op een deel van het terrein is de laag onder de humeuze laag zwak tot matig (heel lokaal sterk) roest-/gleyhoudend. Deze laag bevindt zich maximaal tot 1,0 m -mv. Op basis van het “Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie” blijkt, dat vooralsnog heel Nederland (voornamelijk de bovengrond) als “verdacht” wordt aangemerkt met betrekking tot de parametergroep PFAS. PFAS komt diffuus in Nederland voor, maar dit betekent echter niet, dat alle locaties per definitie verdacht zijn op PFAS bóven de toetsnorm. Verwacht wordt, dat er verspreid over de onderzoekslocatie gelijke gehalten aan PFAS voorkomen. Uit het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem concludeert Econsultancy, dat atmosferische depositie de enige (beperkte) bron van PFAS-verontreiniging op de onderzoekslocatie is.

Van atmosferische depositie is bekend, dat dit tot beperkt verhoogde PFAS-gehalten in bodem en water kan leiden. Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Op de onderzoekslocatie zijn de volgende deellocaties onderzocht (zie navolgende afbeelding). Deellocatie A: Agrarische percelen / waterberging Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat deze deellocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "onverdacht, niet lijnvormig" (ONV-NL). Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is. De dikte van de humeuze laag wisselt van 0,3 m tot lokaal 1,5 m. Gemiddeld genomen heeft deze een dikte van circa 50 cm. De humeuze laag bestaat uit zeer fijn tot matig fijn, zwak tot matig siltig, matig humeus zand. Lokaal is deze sterk siltig en/of sterk humeus. Onder deze laag bevindt zich zeer fijn tot matig fijn, zwak tot matig siltig, deels zwak grindig zand. Op een deel van het terrein is de laag onder de humeuze laag zwak tot matig (heel lokaal sterk) roest-/gleyhoudend. Deze laag bevindt zich maximaal tot 1,0 m -mv. Zintuiglijk zijn in de bovengrond geen verontreinigingen aangetroffen. In de bovenen ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. In het grondwater ter plaatse zijn geen verontreinigingen groter dan de signaleringsparameter aangetoond.

De vooraf gestelde hypothese dat deze deellocatie als "onverdacht" dient te worden beschouwd, wordt voor deze deellocatie aanvaard.

5

Econsultancy (2024). Verkennend / actualiserend bodemonderzoek Veldegge-Noord Heeten. 12 februari 2024

40

Deellocatie B: Voormalig erf Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat deze deellocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "heterogeen verdacht, niet lijnvormig" (VED-HE-NL). Bij verdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem mogelijk verontreinigd is. De dikte van de humeuze laag wisselt van 0,3 m tot lokaal 1,7 m. Gemiddeld genomen heeft deze een dikte van circa 50 cm. De humeuze laag bestaat uit zeer fijn tot matig fijn, zwak tot matig siltig, matig humeus zand. Lokaal is deze sterk siltig en/of sterk humeus. Op een enkele plaats is deze laag niet of nauwelijks aanwezig of wordt deze pas dieper aangetroffen. Aangenomen dat dit veroorzaakt wordt door de voormalige aanwezigheid van bebouwing. Onder de humeuze laag bevindt zich zeer fijn tot matig fijn, zwak tot matig siltig, deels zwak grindig zand. Roest-/gleyverschijnselen zijn op deze deellocatie nauwelijks waargenomen. De verdachte (boven)grond is lokaal licht verontreinigd PAK. In het grondwater ter plaatse zijn geen verontreinigingen groter dan de signaleringsparameter aangetoond. De vooraf gestelde hypothese dat deze deellocatie als "heterogeen verdacht" dient te worden beschouwd, wordt voor deze deellocatie aanvaard. Deellocatie C: Toegangsweg Deze locatie is indicatief onderzocht. Zintuiglijk zijn in de grond geen verontreinigingen waargenomen.

In de bovengrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. Het grondwater ter plaatse is niet onderzocht.

Deellocatie D: Watergang Het slib in de watergang is indicatief onderzocht. Zintuiglijk zijn in het slib en de onderliggende bodemlaag geen verontreinigingen waargenomen. In de sliblaag zijn geen verontreinigingen aangetoond. Verkennend onderzoek asbest in bodem NEN 5707 Op de onderzoekslocatie is de volgende deellocatie onderzocht: Deellocatie B: voormalig erf Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd, dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie voor een "verdachte locatie met diffuse bodembelasting en een heterogene verontreiniging op schaal van monsterneming" (VED-HE-NL). Er zijn op het maaiveld en in de grond geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Analytisch zijn in de fractie <20 mm asbestgehalten < 2 mg/kg d.s. aangetoond. De gehalten bevinden zich daarmee ruim onder de interventiewaarde bodemkwaliteit. Conclusie en advies De onderzoeksresultaten komen overeen met de resultaten van eerder uitgevoerde bodemonderzoeken. Op grond van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd dat de kwaliteit van de grond voldoet aan de toelaatbare kwaliteit voor het bouwen van bodemgevoelige gebouwen. De signaleringsparameters in het grondwater 41

worden niet overschreden. Er bestaat geen reden voor nader bodem- en/of asbestonderzoek en er bestaan geen milieuhygiënische belemmeringen voor de beoogde herontwikkeling van de planlocatie.

Indeling in deelgebieden

4.3

Geluid

4.3.1

Algemeen Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. Geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen De mate waarin het geluid van (spoor)wegen en industrieterreinen omliggende geluidgevoelige functies mag belasten is geregeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Daarin zijn instructieregels opgenomen die erop zijn gericht het geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein te beheersen (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt daarbij onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (GPP) en bronnen met een basisgeluidemissie (BGE). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Daarom moet bij nieuwe ontwikkelingen gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de voornoemde bronnen, het geluid van deze bronnen op geluidgevoelige gebouwen altijd beoordeeld worden (artikel 3.20 Bkl). Daarbij wordt getoetst aan de onderstaande waarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving.

42

Grenswaarde in Lden (dB) Geluidbronsoorten

Standaardwaarde in Lden (dB)

Nieuwe geluidgevoelige gebouwen

aanpassing bron

50

60

65

53

70

70

55

65

70

50

55

60

40 Lnight

45 Lnight

50 Lnight

Rijks- en provinciale wegen Gemeente- en

Aanleg of

waterschapswegen Hoofd- en lokale spoorwegen Industrieterreinen

Als de (gezamenlijke) geluidbelasting niet voldoet aan de standaardwaarde kunnen geluidbeperkende maatregelen worden getroffen om het geluid te verminderen tot de standaardwaarde. Het Bkl biedt de mogelijkheid om een hogere geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toe te staan tot de grenswaarde, ook voor de geluidbelasting op bestaande geluidgevoelige gebouwen. Het bevoegd gezag kan dit alleen toestaan als met geluidbeperkende maatregelen niet aan de standaardwaarde voldaan kan worden. In dat geval moet gemotiveerd worden dat de maatregelen niet getroffen worden vanwege overwegende bezwaren van landschappelijke, stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, technische of financiële aard. Bovendien moet de binnenwaarde van 33 dB (artikel 4.30 Bbl) te allen tijde gewaarborgd zijn. Een geluidgevoelig gebouw kan binnen meer dan één geluidaandachtsgebied liggen. In dat geval moet bij de vaststelling van een hogere waarde, onderzoek worden gedaan naar de effecten van de cumulatie van alle geluidbronnen tezamen. Geluid door activiteiten Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient – naast het geluid afkomstig van (spoor)wegen en industrieterreinen – ook het geluid van overige activiteiten in de fysieke leefomgeving beoordeeld te worden.

Bij een aanpassing van het omgevingsplan houdt de gemeente rekening met het geluid door activiteiten met gebruiksruimte op geluidgevoelige gebouwen. Het gaat hierbij om het geluid van alle activiteiten tezamen. In de afweging betrekt de gemeente de specifieke plaatselijke situatie en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten voor de gezondheid van haar burgers en het milieu. Rekening houden met geluid werkt twee kanten op, het gaat om het toelaten van: 1. activiteiten met gebruiksruimte nabij geluidgevoelige gebouwen; 2. geluidgevoelige gebouwen nabij bestaande activiteiten met gebruiksruimte. Dit wijzigingsbesluit maakt de realisatie van geluidgevoelige gebouwen mogelijk, op korte afstand van een locatie met activiteiten die geluid(hinder) veroorzaken. Hierbij geldt dat getoetst moet worden aan de standaard- en grenswaarden zoals 43

omschreven in het permanente omgevingsplan of - indien dat nog niet aanwezig is - de standaard- en grenswaarden uit het Bkl (artikel 5.65 en 5.66). Voorafgaand de inwerkingtreding van de Omgevingswet werd gewerkt met de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering 2009'. Hierin is een lijst van inrichtingen opgenomen waarbij de inrichtingen op grond van de hinder die zij veroorzaken, zijn opgedeeld in 6 categorieën. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat een inrichting uit categorie 1 relatief weinig hinder veroorzaakt en een inrichting uit categorie 6 bijzonder veel hinder veroorzaakt. In de Omgevingswet wordt niet langer gewerkt met de term inrichting en wordt gesproken over milieubelastende activiteiten. Omdat in voorliggende situatie het gemeentebrede omgevingsplan nog niet gereed is en daarmee de bestemmingsplannen nog onderdeel uitmaken van omgevingsplan, is het kader van de VNG-publicatie nog wel relevant. Onder de Omgevingswet worden echter alleen nog de aspecten geluid en geur meegenomen in de afweging evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.3.2

Toetsing Gelet op voorstaande is akoestisch onderzoek verricht 6. Naar aanleiding van verkennend onderzoek naar de geluidbelasting vanwege de N332 voorziet het stedenbouwkundigplan in geluidwerende kokosmatten van 1,8 meter hoog teneinde voor iedere woning een geluidluwe begane grond te realiseren. Rijkswegen en provinciale wegen Er zijn overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde (toetsing Wgh) ten gevolge van de N332 op 10 woningen; de hoogste geluidbelasting bedraagt 53 dB(A). Daarmee is er geen overschrijding van de grenswaarde. Gemeente- en waterschapswegen Als gevolg van de omliggende gemeente- en waterschapswegen tezamen wordt de standaardwaarde van 53 dB Lden geheel niet overschreden, de hoogste geluidbelasting betreft 42 dB Lden. Er wordt voldaan aan de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. Afweging geluid In het ontwerp zijn reeds geluidreducerende schermen opgenomen. Aanvullende bronnen overdrachtsmaatregelen zijn onderzocht, maar stuiten op financiële, stedenbouwkundige en landschappelijke bezwaren. Voor de overschrijdingen vanwege de N332 dienen hogere waarden te worden aangevraagd conform de volgende tabel.

6

SAB (2025). Akoestisch onderzoek geluid wegverkeer, Heeten Veldegge Noord. Projectnummer: 220357.01. 15 juli 2025

44

Gecumuleerd en gezamenlijk geluid Voor onderhavig plan is een hoogste gecumuleerde en gezamenlijke geluidbelasting berekend van 55 dB Lden. Er bestaat geen gemeentelijk beleid voor de gecumuleerde waarde. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen en wanneer het ontwerp voor het gebouw is vastgelegd dient in ieder geval door middel van een aanvullend bouwakoestisch onderzoek te worden aangetoond dat de binnenwaarde uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) wordt gehaald voor de geluidgevoelige ruimtes. Voor gebouwen met een hoogste geluidbelasting van 53 dB wordt met de volgens het Bbl vereiste gevelwering bij voorbaat voldaan Ten behoeve van de ruimtelijke procedure voor de ontwikkeling ‘Veldegge Noord’ in Heeten is een nadere akoestische inzage van de N332 op het stedenbouwkundig plan gepresenteerd7. Door SAB is voorzien in een stedenbouwkundig plan met afscherming voor de maatgevende woningen. Ten behoeve van de geluidwerende kokosmatten, of vergelijkbaar, is uitgegaan van een standaard Kokowall met conform NEN 1793 een minimale geluidisolatie in categorie B3 en een minimale geluidabsorptie in categorie A2. De hoogte betreft 1,8 meter. Gevraagd is om een actualisatie van het akoestisch rekenmodel en of in totaliteit kan worden voldaan aan een geluidluwe begane grond. Hiervan is sprake.

Voor 10 woningen resteert in de verdere planologische procedure een hogere grenswaarde aanvraag van maximaal 53 dB inclusief aftrek art. 110g Wgh ten gevolge van de N332. Gelet hierop vormt geluid wegverkeer geen belemmering voor de haalbaarheid van dit plan. Geluid door activiteiten De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van maximaal 90 woningen. ‘Wonen’ betreft geen hinderveroorzakende activiteit. Dit betekent dat er geen nadere toetsing naar de woningen noodzakelijk is. Naast de hinder die een ontwikkeling zelf kan veroorzaken, dient ook onderzocht te worden of de beoogde ontwikkeling zelf hinder kan ondervinden van hinderveroorzakende functies uit de omgeving. Woningen moeten worden aangeduid als milieuhindergevoelig. Aangezien er in de omgeving van de ontwikkellocatie op grond van het geldende tijdelijk omgevingsplan hinderveroorzakende functies gevestigd c.q. mogelijk zijn, heeft een inventarisatie plaatsgevonden 8. De ontwikkellocatie ligt aan 7 8

SAB (2025) Veldegge Noord: geluidcontouren N332. Projectnummer 220357.01., 23 mei 2025 SAB (2025) Quick scan milieubelastende activiteiten. Projectnummer: 220357.01. 26 mei 2025

45

de noordrand van de bebouwde kom van Heeten. Het plan voorziet in de realisatie van woningen en wordt aan de noord- en oostkant omsloten door de N332, direct ten noorden ligt daarnaast een zonnepark, aan de westkant liggen sportvelden, aan de zuidrand liggen woningen. De beoogde woningen nabij de sportvelden zijn onderdeel van een gemengd gebied wat overgaat in een rustige woonwijk. Op beide wordt getoetst: de woningen aan de Johannalaan worden gezien als gemengd gebied, de andere woningen als rustige woonwijk. Onderstaande figuur toont voor welke woningen wordt uitgegaan van gemengd gebied (oranje) en welke woningen liggen binnen een rustige woonwijk (geel).

Navolgende kaart toont de mogelijk milieubelastende bestemmingen (functies) in de omgeving die zijn opgenomen in de omliggende bestemmingsplannen (die onderdeel zijn van het (tijdelijke)omgevingsplan).

46

Bestemmingen met milieubelastende functies rondom de beoogde woningen; oranje woningen zijn onderdeel van een gemengd gebied, gele woningen onderdeel van een rustige woonwijk

Voor de agrarische bestemmingen benoemd onder nummers 1, 3, 5 en 13 wordt niet voldaan op basis van de maximaal planologische mogelijkheden, maar wel op basis van de feitelijke situatie. Er wordt voldaan aan de richtafstanden voor het fokken en houden van rundvee (1, 3), voor het telen van maisland (1, 3, 5) en voor een zonneveld (13). Voor de sportbestemming benoemd onder nummer 12 wordt niet voldaan op basis van de maximaal planologische mogelijkheden, maar wel op basis van de feitelijke situatie. Er wordt voldaan aan de richtafstanden voor een niet-overdekt zwembad, een veldsportcomplex (met verlichting) en tennisbanen (met verlichting). Voor de overige mogelijke hinderveroorzakende activiteiten wordt voldaan aan de richtafstanden op basis van de maximaal planologische mogelijkheden. Er kan worden voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.3.3

Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.

47

4.4

Luchtkwaliteit

4.4.1

Algemeen Het Rijk toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10) dan verwacht mag worden. Soms worden hier de rijksomgevingswaarden overschreden of is de achtergrondconcentratie zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Bij een aanvraag voor één of meerdere activiteiten in een aandachtsgebied, dient het effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit beoordeeld te worden. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Ook voor activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied is het toetsen aan de omgevingswaarden van belang. Deze activiteiten kunnen immers zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Dit betekent dat een gemeente een initiatief soms moet toetsen aan de omgevingswaarden in een nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat dan om een locatie van een initiatief dat zelf buiten het aandachtsgebied ligt, maar hier mogelijkerwijs wel invloed op kan hebben.

Dit kan nodig zijn bij activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben. Denk aan extra verkeer of bedrijfsemissies. Ook in dat geval wordt de beoogde ontwikkeling getoetst aan de omgevingswaarden, tenzij de beoogde activiteit(en) niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Indien een ontwikkeling niet is gelegen in of in de nabijheid van een aandachtsgebied, hoeft de luchtkwaliteit in de meeste gevallen niet beoordeeld te worden. Net als onder de voormalige Wet milieubeheer is er namelijk een uitzondering voor activiteiten die maar weinig bijdragen aan de luchtvervuiling, oftewel: niet in betekenende mate (NIBM). In een aantal situaties moet de luchtkwaliteit wel beoordeeld worden: 1. bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (als bedoeld in het Bal); 2. bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter in lengte toeneemt; 3. bij de aanleg van een auto(snel)weg.

4.4.2

Toetsing De categorie woningbouw is opgenomen in bijlage 3A van de Regeling NIBM. De NIBM-grens voor woningbouwlocaties (voorschrift 3A.2) is ≤ 1.500 (netto) woningen met één ontsluitingsweg. Het voorgenomen plan zal de NIBM-grens uit de

48

regeling niet overschrijden en derhalve niet in betekenende mate bijdragen aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Bovendien blijkt uit de Atlas voor de Leefomgeving dat ter plaatse geen grenswaarden voor NOX of fijnstof overschreden worden.

Uitsnede Atlas Leefomgeving

4.4.3

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.

4.5

Geur

4.5.1

Algemeen Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en (andere) milieubelastende activiteiten. De gemeente moet bij de vaststelling van (een wijziging van) het omgevingsplan rekening houden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: 1. bij het mogelijk maken van activiteiten met gebruiksruimte in de buurt van geurgevoelige gebouwen; 2. bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande activiteiten met gebruiksruimte (geurveroorzakende bedrijven).

49

Aanvaardbare geurhinder De geur van een activiteit (met gebruiksruimte) op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Gemeenten bepalen zelf welke mate van geurhinder zij aanvaardbaar vinden. De gemeente legt in het omgevingsplan vast wat de plaats is waar waarden voor geur gelden. Ook kennen sommige activiteiten afstandsregels. Dit zijn minimumafstanden tussen een geurgevoelig gebouw en een geurveroorzakende activiteit. Geur veehouderijen In het Bkl worden twee soorten dieren onderscheiden. Dieren met een geuremissiefactor en dieren zonder een geuremissiefactor. − Dieren met een geuremissiefactor noemen we Odour Unit-dieren (ou-dieren). Met behulp van de geuremissiefactor kan de geurbelasting van deze dieren op een geurgevoelig object worden berekend. Het totaal aantal dieren en het stalsysteem bepaalt de emissie. − Dieren zonder een geuremissiefactor noemen we vaste afstand dieren (va-dieren). Voor deze dieren geldt een vaste afstand vanaf het emissiepunt van een dierenverblijf tot de gevel van een geurgevoelig object. Deze vaste afstand staat los van het dierenaantal.

Een omgevingsplan dat het houden van landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor toelaat, bevat als waarde voor de toelaatbare geur door die activiteit op een geurgevoelig gebouw de standaardwaarde. Het omgevingsplan kan een lagere of hogere waarde bevatten dan de standaardwaarde, mits die waarde niet hoger is dan de grenswaarde. In navolgende tabel zijn de standaardwaarde en grenswaarde weergegeven voor een standaard geurgevoelig gebouw (afgeleid uit artikel 5.109 Bkl). Bebouwingscontour en concentratiegebied

Standaardwaarde

Grenswaarde

Binnen bebouwingscontour en buiten concentratiegebied

2,0 ouE/m3

8,0 ouE/m3

Binnen bebouwingscontour en binnen concentratiegebied

3,0 ouE/m3

14,0 ouE/m3

Buiten bebouwingscontour en buiten concentratiegebied

8,0 ouE/m3

20,0 ouE/m3

Buiten bebouwingscontour en binnen concentratiegebied

14,0 ouE/m3

35,0 ouE/m3

Standaard- en grenswaarde toelaatbare ouE/m3 als 98-percentiel door houden landbouwhuisdieren met geuremissie op een standaard geurgevoelig gebouw

In een omgevingsplan dat het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor toelaat, wordt tot een geurgevoelig gebouw ten minste een vaste afstand aangehouden. In het omgevingsplan kan een afstand worden aangehouden die kleiner is dan de vaste afstand. De ruimte-voor-ruimte-woning is hierop een uitzondering. De afstanden zijn weergegeven in navolgende tabel (afgeleid uit artikelen 5.112 en 5.115 Bkl).

50

Soort gebouw

Afstand

Ondergrens afstand

Geurgevoelig gebouw gelegen binnen bebouwingscontour

100 m

50 m

Geurgevoelig gebouw gelegen buiten bebouwingscontour

50 m

25 m

Ruimte-voor-ruimte-woning binnen bebouwingscontour

100 m

n.v.t.

Ruimte-voor-ruimte-woning buiten bebouwingscontour

50 m

n.v.t.

Afstand door houden landbouwhuisdieren zonder geuremissie op geurgevoelige gebouwen.

De gemeente Raalte heeft gebruikgemaakt van de mogelijkheid om een afwijkend geurbeleid op te stellen welke afwijkt van de landelijke geurnormen. De gemeentelijke verordening geurhinder en veehouderij geldt sinds juni 2011. Daarin staat dat het besluitgebied in de bebouwde kom ligt. Op basis van bijlage 1 van de Mestoffenwet is de gemeente Raalte in een concentratiegebied gesitueerd. De gemeente Raalte heeft tevens nog geen bebouwingscontour geur vastgelegd. De terminologie van de Wet geurhinder en veehouderij (bijvoorbeeld geurgevoelige gebouwen in plaats van gebouwen) is daarom gebruikt in het vervolg van dit rapport. Dit is conform het tijdelijk omgevingsplan. Bruidsschat, tijdelijk omgevingsplan Artikel 22.90 van de bruidsschat geldt voor voorliggend initiatief, doordat de ontwikkeling geurgevoelige gebouwen betreft. Er gelden de volgende normen:

Er wordt bij dit onderzoek uitgegaan van normen binnen bebouwde kom in een concentratiegebied. Daarmee gelden de volgende normen en afstanden voor deze locatie: •

3,0 ouE/m3 voor ou-dieren: geurbelasting op het geurgevoelige object afkomstig uit de omliggende veehouderij(en);

•

100 meter voor va-dieren: afstand vanuit het bouwblok tot aan het geurgevoelige object;

•

50 meter voor alle dieren: gevel-tot-gevel afstand.

Voor dit project is enkel agrarisch geur relevant. 4.5.2

Toetsing In het besluitgebied worden geurgevoelige gebouwen (woningen) mogelijk gemaakt. De gegevens van de veehouderijen zijn afkomstig van de gemeente Raalte. De omliggende veehouderijen worden altijd in verschillende schalen bekeken: •

2.000 meter; eventueel van invloed voor de achtergrondberekening (oudieren); 51

•

800 meter; om te kijken naar de milieurechten en planologische rechten van veehouderijen met ou-dieren (voorgrondgeurberekening, omgekeerde werking);

•

100 meter; om te kijken naar de milieurechten en planologische rechten van veehouderijen met va-dieren (vaste afstand, omgekeerde werking).

Op basis van de aangeleverde gegevens zijn er 14 veehouderijen relevant, waarvan 4 enkel met ou-dieren en 10 met zowel va- als ou-dieren. Er zijn geen veehouderijen in de omgeving met enkel vaste-afstanden dieren. Navolgende figuur geeft de omliggende veehouderijen weer:

Relevant zijn de varkenshouderij aan de Kreilemansweg 6, de pluimveehouderij Schoonhetenseweg 78 en de varkenshouderij Holterweg 43-45 Er is gelet hierop geuronderzoek verricht 9. Vanuit de planologische situatie bezien geldt dat de afstand tussen de veehouderijen met va-dieren en de beoogde woningen in het besluitgebied voldoende groot is om aan de afstandsnormen van 100 meter te kunnen voldoen. Van belemmering is geen sprake. Op de plaats van het onderzoeksgebied is nergens een overschrijding van de geurnorm voor bebouwde kom (3 ouE/m3) geconstateerd. De hoogste geurbelasting als gevolg van een veehouderij bedraagt 2,6 ouE/m3. De beoogde geurgevoelige gebouwen zijn niet maatgevend voor de rechten van de omliggende

9

SAB (2025). Geuronderzoek met betrekking tot het project Veldegge Noord Heeten. Projectnummer: 220357.01. 14 mei 2025

52

veehouderijen. Dit komt doordat er op bestaande woningen een hogere of gelijke geurbelasting zijn waargenomen. De beoogde ontwikkeling zal derhalve geen inbreuk maken op de vergunde rechten van de veehouderij en de veehouderij vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project. Er bestaan geen wettelijke normen ten aanzien van achtergrondbelasting. Aan de hand van geurklasses uit de Handreiking die bij de voormalige Wet geur en veehouderij hoorde, is de achtergrondbelasting ten hoogste als ‘goed’ te beschouwen. De achtergrondbelasting vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project. Er zijn daarnaast geen andere geurveroorzakende activiteiten in de buurt van de ontwikkellocatie. Dit milieuaspect vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project. 4.5.3

Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.

4.6

Spuitzonering

4.6.1

Algemeen Bij ontwikkelingen in de buurt van de teelt van gewassen (akkerbouw, fruitteelt) moet rekening worden gehouden met 'spuitzones'. Dit is een zone, gebaseerd op jurisprudentie van de Raad van State, die moet worden aangehouden tussen gevoelige functies (zoals wonen) en de gronden waarop gewassen worden gehouden waarbij gewasbeschermingsmiddelen (mogen) worden gebruikt. De zone is bedoeld om voor omliggende functies een goed woon- en leefklimaat te kunnen garanderen. Regelgeving Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen (zoals fruitbomen) in de open lucht worden geteeld en nabijgelegen woningen. Over het algemeen wordt een afstand van 50 meter aanvaardbaar geacht. Echter, deze afstand is niet in regelgeving vastgelegd. Het blootstellingsrisico is afhankelijk van meerdere factoren zoals gebruikte middelen, gebruikte spuittechniek, windsnelheid en windrichting. Daardoor kan er geen globale (of specifieke) richtlijn worden gegeven die wetenschappelijk kan worden onderbouwd. Voor elk geval moet een locatiespecifieke afweging plaatsvinden. De Nederlandse wetgeving met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen is met name gericht op de reductie van de risico's van het gebruik van deze middelen voor het watermilieu.

De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb) bevat een toelatingsstelsel voor het op de markt brengen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. In deze wet zijn ook bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de bescherming van de gezondheid van de professionele 53

gebruikers en werknemers. Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat regels om de emissie van bestrijdingsmiddelen naar het water te reduceren. 4.6.2

Toetsing In de omgeving van het besluitgebied zijn agrarische gronden aanwezig waarop het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen niet is verboden. Om te voorkomen dat de beoogde woningbouw binnen de spuitzone van deze agrarische gronden komt te liggen is een spuitvrije zone opgenomen. Deze zone geldt voor de agrarische gronden tot een afstand van minimaal 50 meter tot de functies ‘Wonen - 1’, Wonen - 2’ en ‘Tuin’. Binnen deze zone mogen geen gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Hiermee wordt gegarandeerd dat geen sprake is van een spuitzone waar ter plaatse van de woonfunctie rekening mee moet worden gehouden. Het uitvoeren van een onderzoek spuitzonering is daarom niet aan de orde.

4.6.3

Conclusie Het aspect spuitzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.

4.7

Ontplofbare oorlogsresten Om de risico’s met betrekking op CE te minimaliseren wordt geadviseerd om voorafgaande aan de voorgenomen bodemroerende werkzaamheden een opsporingsproces, zoals bedoeld in het WSCS-OCE1, uit te voeren. Dit onderzoek zal worden uitgevoerd in het kader van de omgevingsvergunning.

4.8

Kabels en leidingen

4.8.1

Algemeen Bij vaststelling van een wijzigingsbesluit moet rekening worden gehouden met de bescherming van ruimtelijk relevante kabels en leidingen.

4.8.2

Toetsing Ten tijde van de aanvraag voor de omgevingsvergunning en voorafgaand aan de bouwactiviteiten zal een KLIC-melding worden gedaan.

4.8.3

Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt op voorhand geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.

4.9

Omgevingsveiligheid

4.9.1

Algemeen Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke 54

slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

In hoofdstuk 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn alle activiteiten opgenomen waarbij een vaste norm van toepassing is en voor welke activiteiten een berekening van PR-contour en aandachtsgebied vereist is. Groepsrisico Het groepsrisico betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Onder de Omgevingswet is gekozen voor een nieuwe benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden laten zien op welke locaties extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren zichtbaar op de kaart, zodat direct duidelijk is welke gevaren waar op kunnen treden. Daardoor heeft het bevoegd gezag bij het nemen van besluiten over ruimtelijke ordening de risico’s van activiteiten met gevaarlijke stoffen meteen in beeld. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het planproces meenemen.

Aandachtsgebieden zijn er voor brandgevaar, explosiegevaar en gifwolken. 4.9.2

Toetsing De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in risicovolle activiteiten die van invloed kunnen zijn op het aspect omgevingsveiligheid. Wel worden er met dit plan nieuwe kwetsbare gebouwen toegevoegd en dient gekeken te worden of dit

55

eventueel van invloed is op nabijgelegen risicovolle activiteiten. Daarom wordt stilgestaan bij alle risicobronnen in een straal van 1,5 km vanaf de ontwikkellocatie. De navolgende afbeelding bevat een fragment van de digitale risicokaart. Zichtbaar zijn een machinekamer, opslagkamer en installatie, waar geen specifiek risico van uitgaat. Zichtbaar is ook een buisleiding van de Gasunie waar onder hoge druk gas wordt vervoerd (N-557-30.GEO200349722, diameter, 212 inch, maximale werkdruk 4000Pa), met een kleine aftakking. De kleinste afstand tot het plangebied bedraagt echter meer dan 270 m, ruim genoeg om te concluderen dat er vanwege deze buisleiding geen onacceptabele risico’s uitgaan. Daar komt bij dat er mogelijkheden zijn om te vluchten van de buisleiding af, er voldoende bluswatervoorzieningen zijn en voldaan wordt aan de aanrijdtijden voor hulpdiensten. Dit wordt volledigheidshalve nog nagegaan bij de Veiligheidsregio.

Uitsnede digitale risicokaart (bron: Atlas leefomgeving) 4.9.3

Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.

4.10

Veiligheid

4.10.1

Algemeen Het aspect veiligheid wordt onder de omgevingswet hoog aangeslagen. Veiligheid maakt deel uit van de centrale doelstellingen van de omgevingswet (artikel1.3). Veiligheid is een belangrijk thema omdat het bijdraagt aan de volksgezondheid. Het aspect veiligheid valt uiteen in omgevingsveiligheid, hoogwaterveiligheid, brandveiligheid en constructieve veiligheid. Regels over de verschillende veiligheidsaspecten zijn/worden opgenomen in het omgevingsplan. Gemeenten zijn verplicht de risico’s van rampen, crises en branden te adresseren door normen ervoor

56

op te nemen in het omgevingsplan. Er is een zorgplicht voor zowel overheden als initiatiefnemers. 4.10.2

Toetsing Met het onderhavig plan worden agrarische gronden herontwikkeld ten behoeve van woningbouw. Op voorhand is er geen reden dat dit zal leiden tot onveilige situaties of een toename aan criminaliteit. Daarnaast is binnen het stedenbouwkundig ontwerp aandacht besteed aan een passende verkeersontsluiting en verscheidene vluchtroutes. Er is tot slot onderzoek gedaan naar de verkeerssituatie en of op een adequate wijze voorzien kan worden in een functionele en veilige ontsluiting, waar sprake van is, zie paragraaf 4.18.

4.10.3

Conclusie Het aspect veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.

4.11

Gezondheid

4.11.1

Algemeen Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit is een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet (artikel 1.3, sub a, Omgevingswet). Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in de voorgaande paragrafen gemotiveerd, echter ligt het voor de hand om hier te schetsen op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de besluitvorming omtrent het vaststellen van het wijzigingsbesluit omgevingsplan is meegenomen. Gemeenten kunnen hun gezondheidsambities tevens vastleggen in de omgevingsvisie, een programma en/of omgevingsplan.

4.11.2

Toetsing In voorgaande paragrafen met betrekking tot de aspecten luchtkwaliteit, geur, spuitzonering, trillingen en geluid is geconcludeerd dat in het besluitgebied sprake is van een gezonde leefomgeving: − In het besluitgebied is geen geluidhinder te verwachten; − In het besluitgebied is geen hinder van omliggende activiteiten te verwachten; − In het besluitgebied is geen trillinghinder te verwachten; − In het besluitgebied wordt ruim voldaan aan grenswaarden voor concentraties verontreinigende stoffen in de lucht, waardoor sprake is van een goede luchtkwaliteit; − In het besluitgebied is geen geurhinder te verwachten; − Er zijn geen onacceptabele risico’s op het gebied van het gebruik van gewasbestrijdingsmiddelen te verachten − Er zijn geen risicovolle bronnen in de nabije omgeving aanwezig. 57

Verder is in het stedenbouwkundig plan ruimte gereserveerd voor ruime groenstructuren, wandel en fietspaden en een speeltuin. Dit zorgt ervoor dat de toekomstige inwoners kunnen verblijven in een groene omgeving en dat kinderen onbezorgd dicht bij huis buiten kunnen spelen. Daarnaast zijn er in de directe omgeving voldoende voorzieningen om sport- en bewegen te stimuleren, zoals fiets- en wandelpaden en verscheidene sportvelden. 4.11.3

Conclusie Bij de planvorming is rekening gehouden met gezondheid.

4.12

Water

4.12.1

Algemeen Het waterbeleid in Nederland is vastgelegd in verschillende nationale, provinciale en gemeentelijke beleidstukken. Dit zal hieronder nader worden toegelicht. Rijksbeleid - Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 wordt allereerst de nationale belangen opgesomd: 1. waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); 2. waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; 3. waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; 4. in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; 5. realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO₂¬arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; 6. verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; 7. behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang.

Deze nationale belangen worden aangevuld met drie hoofdambities: 1. een veilige en klimaatbestendige delta; 2. een concurrerende, duurzame en circulaire delta; 3. een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw, herstel natuur en de landbouwtransitie is noodzakelijk. Een integrale aanpak van 58

samenhangende nationale en regionale opgaven vereist een gebiedsgerichte aanpak. Daarom zijn voor de rijkswateren in dit Nationaal Waterprogramma gebiedsgerichte uitwerkingen opgenomen. Het gaat om de Noordzee, de Zuidwestelijke Delta, de Rijn-Maasmonding, de grote rivieren, het IJsselmeergebied, de Waddenzee en Eems-Dollard en de Kanalen in het beheer van het Rijk. Deze zijn verbonden met de diverse gebiedsgerichte programma’s en uitwerkingen onder het Nationaal Waterprogramma, zoals de Gebiedsagenda’s Grote Wateren. Voor de overige wateren van Nederland wordt in andere programma’s de gebiedsgerichte uitwerking van het waterbeleid meegenomen. In de eerste plaats in de Omgevingsagenda’s onder de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). In het coalitieakkoord van eind 2021 is aangegeven dat de komende jaren structureel meer budget wordt uitgetrokken voor instandhouding van wegen, spoor, hoofdwatersysteem en vaarwegen. Het structureel extra budget loopt op via een geleidelijk ingroeimodel. De budgettaire kaders voor instandhouding zijn daarmee verruimd. Voor het Hoofdwatersysteem en het Hoofdvaarwegennet zal IenW binnen deze budgetaire kaders nog aanvullende keuzes moeten maken om de instandhoudingsopgaven op termijn beheersbaar te houden. Klimaatatlas waterschap Drents Overijsselse Delta Via de klimaatatlas kunt u de lokale situatie voor neerslag en hitte in het stedelijk gebied zien.

Deze gegevens geven een goed inzicht in mogelijke risico’s bij hoosbuien of extreme hitte. De klimaatatlas kan helpen om bestaande risico’s of risico’s die voortkomen uit de ruimtelijke ontwikkeling te minimaliseren. Daarnaast zijn in samenwerking met gemeenten en de provincie klimaatatlassen ontwikkeld die een breder beeld geven van de gevolgen van klimaatverandering: - Fluvius (Zuidwest-Drenthe en Noordwest-Overijssel) - RIVUS (West-Overijssel) Algemene Hoogtekaart Nederland Om een indicatief beeld van de hoogteligging van het plan te krijgen adviseren we om gebruik te maken van de Algemene Hoogtekaart Nederland. U kunt op deze site uw locatie aanwijzen om de exacte hoogte te bepalen. Relevant beleid Waterschap Drents Overijsselse Delta Het beleid van het Waterschap Drents Overijsselse Delta staat beschreven in het Waterbeheerplan 2016-2021, de beleidsnota Water Raakt!, Strategische Nota Rioleringsbeleid 2007, Visie Beheer en Onderhoud 2050, Beleid Beheer en Onderhoud Stedelijk water 2013-2018 en het Beleidskader Recreatief Medegebruik. Daarnaast is de Keur een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. De genoemde beleidsdocumenten kunnen worden ingezien op het hoofdkantoor van het Waterschap Drents Overijsselse Delta. Ook zijn deze te raadplegen op de internetsite: www.wdodelta.nl.

Op gemeentelijk niveau is het in overleg met he waterschap opgestelde gemeentelijk Waterplan en het (verbreed) gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) van belang. Invloed op de waterhuishouding Binnen het omgevingsplan worden meer dan 10 wooneenheden gerealiseerd en detoename van het verharde oppervlak bedraagt meer dan 1500 m 2. 59

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Raalte&id=1db11598-8b93-47ba-b686-87bcfdc72e14