CConstaterende datRaalte
Koppel je AI →
Document · PDF

Motivering Omgevingsplan De Veldegge Noord en bijlagen 1 tm 3

Raadsvergadering 22 januari 2026, gemeente RaalteBij agendapunt: Vaststellen TAM-omgevingsplan 13 De Veldegge Noord in Heeten (hamerstuk)26.031 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Het plangebied bevindt zich niet binnen een beekdal, primair watergebied of een stedelijke watercorridor. Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. Voor de aanleghoogte wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter. Dit is de afstand tussen de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en het maaiveld. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. Voor het dempen van watergangen / sloten (ook die niet in beheer zijn bij het waterschap) dient altijd een Watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Drents Overijsselse Delta. Het plangebied of een gedeelte daarvan ligt in een grondwaterbeschermingsgebied of intrekgebied van een drinkwaterwinning. Het plangebied of een gedeelte daarvan ligt in een grondwaterbeschermingsgebied of intrekgebied van een drinkwaterwinning. In deze gebieden is het beleid gericht op het verminderen van de risico's op verontreiniging van het grondwater. Drinkwatervriendelijke functies worden gestimuleerd en voor de overige functies wordt een restrictief beleid gevoerd. Het provinciale grondwaterbeschermingsbeleid voor de drinkwaterwinning is verwoord in de Omgevingsvisie Overijssel 2009. De regels omtrent grondwaterbescherming zijn verwerkt in de Omgevingsverordening Overijssel 2009.

Voor meer informatie kan worden gekeken op de internetsite van de provincie Overijssel: http://www.overijssel.nl/thema's/water/watergebruik0/item125728/ Voorkeursbeleid hemel- en afvalwater Bij de afvoer van overtollig hemelwater is het landelijk beleid dat het afstromend hemelwater ter plaatse in het milieu moet worden gebracht, dat wil zeggen lozen in de bodem (infiltratie) of in het oppervlaktewater. Het waterschap heeft de voorkeur om het hemelwater, daar waar mogelijk, te het infiltreren in de bodem. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi's geniet daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool (IT-riool) of infiltratiekratten een optie. Als infiltratie niet mogelijk is, kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. De afvoer van overtollig hemelwater uit het plangebied mag, ongeacht de toegepaste methode, niet tot wateroverlast leiden op aangrenzende percelen. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afgekoppelde hemelwater te garanderen. 4.12.2

Toetsing Er wordt niet gebouwd in een (regionale) waterkering en er wordt niet gewerkt met uitloogbare materialen. wel wordt water gedempt en neemt de verharding toe met 60

meer dan 1500 m2. Er is daarom compensatie nodig. Voor het besluitgebied is een waterhuishoudkundigplan opgesteld10. Samengevat is hierin het volgende opgenomen. Wateropgave Conform het waterschapsbeleid dient in totaal 5.464 m³ berging in waterbergende voorzieningen te worden gerealiseerd. Daarbij dient conform het gemeentelijke beleid 8.618 m³ water binnen het plangebied opgevangen te kunnen worden zonder dat water in de gebouwen treedt. Ontwerp en dimensionering hemelwater Hemelwater stroomt hoofdzakelijk oppervlakkig af richting de infiltratievelden/stroken. Vanuit de infiltratieveld/-stroken infiltreert het water de bodem in. Ten behoeve van de infiltratie wordt drainage onder de infiltratievelden/-stroken aangebracht. Op de particuliere percelen dient 398 m³ aan waterberging gerealiseerd te worden. Binnen de infiltratievelden/-stroken wordt 5.945 m³ aan waterberging gerealiseerd. Het eerste uur infiltreert 343 m³ in de infiltratievelden/-stroken. Bij een neerslagsituatie van 90 mm komt in het noordelijke deel van het plangebied water op het maaiveld (2.030 m³) te staan zonder de gebouwen in te stromen. Het water op het maaiveld komt niet hoger dan NAP +8,15 m (laagste vloerpeil). Met de waterbergende voorzieningen wordt voldaan aan de eisen van het bevoegd gezag. Wijze van afwatering Er worden twee overstorten incl.

geknepen afvoeren richting de watergangen ten noorden van het plangebied gerealiseerd. De geknepen afvoeren mogen een maximale diameter van 64 mm krijgen. De watergang waarop de overstorten lozen betreft een watergang zonder legger status. Beheer en onderhoud van deze watergang dient daarom geborgen te worden door de gemeente. Peilen Ten behoeve van de ontwatering gelden de onderstaande minimale peilen: •

Straatpeil: NAP +8,05 m;

•

Bouwpeil: NAP +8,35 m;

•

Infiltratievelden: NAP +7,55 m.

In verband met de te handhaven woning aan de Johannalaan 39 (vloerpeil NAP +8,15 m) wordt rond deze woning het maaiveld niet tot de minimale hoogtes opgehoogd. Oppervlaktewater Het plan veroorzaakt, door de voorziene compenserende maatregelen, geen nadelige gevolgen voor het oppervlaktewatersysteem in de omgeving.

10

BOOT (2025). Waterhuishoudkundig plan, ontwikkeling Veldegge-Noord te Heeten. Projectnummer P23-0989. 17 juni 2025

61

Vuilwater Binnen het plangebied wordt een VWA-stelsel aangebracht. Het VWA-stelsel wordt uitgevoerd met Ø250 mm PVC buizen. 4.12.3

Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.

4.13

Klimaatadaptatie

4.13.1

Algemeen Het klimaatadaptatie beleid in Nederland is vastgelegd in verschillende nationale, provinciale en gemeentelijke beleidstukken. Dit zal hieronder nader worden toegelicht. De landelijke aanpak gebeurt vanuit twee programma’s: het nationaal Deltaprogramma en de Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS). Rijksbeleid - Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) De Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) is de overkoepelende Nederlandse strategie op het gebied van klimaatadaptatie. Deze strategie uit 2016 beschrijft de belangrijkste klimaatrisico’s voor Nederland en zet de koers uit om deze risico’s aan te pakken. Het programmateam NAS heeft deze koers vertaald naar plannen en acties in het uitvoeringsprogramma 2018 - 2019. Dit programma richt zich op sectoren, ketens, thema’s en klimaatrisico’s die niet in het Deltaprogramma en het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie voorkomen en vult een aantal thema’s hieruit aan. Met het rapport ‘Nationaal perspectief klimaatadaptatie’ uit 2020 blikt het team terug op wat er tot dan toe bereikt is en biedt het perspectief voor de toekomst. Rijksbeleid - Nationaal Deltaprogramma In het nationaal Deltaprogramma staat hoe de overheid Nederland beschermt tegen overstromingen, zorgt voor voldoende zoetwater en werkt aan een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting.

Het Rijk, provincies, gemeenten, waterschappen, Rijkswaterstaat en verschillende maatschappelijke organisaties werken vanuit het Deltaprogramma samen aan deze opgaven, onder leiding van de Deltacommissaris. Het programma is opgebouwd rond drie thema’s: − Deltaprogramma Waterveiligheid − Deltaprogramma Zoetwater − Deltaprogramma Ruimtelijke adaptatie Alle drie de programma’s bevatten een Deltabeslissing (nationale kaders die voor heel Nederland gelden) en een Deltaplan (concrete maatregelen voor de uitvoering van het beleid). In de Deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie staat het nationale beleid voor de inrichting van waterrobuuste en klimaatbestendige gebieden. Het plan is opgesteld in 2018 en opgebouwd uit zeven ambities: kwetsbaarheid in beeld brengen, risicodialoog voeren en strategie opstellen, uitvoeringsagenda opstellen, meekoppelkansen benutten, stimuleren en faciliteren, reguleren en borgen, en handelen bij calamiteiten. 62

Kamerbrief ‘Landelijke maatlaat voor een groene, klimaatadaptieve gebouwde omgeving en verkenning groennorm’ Op 23 maart 2023 is kamerbrief ‘Landelijke maatlaat voor een groene, klimaatadaptieve gebouwde omgeving en verkenning groennorm’ aangeboden aan de Tweede Kamer. De ontwikkeling van de maatlat sluit aan op uitdrukkelijk advies van de Deltacommissaris om landelijk tot een consensus te komen over klimaatadaptief bouwen. De maatlat schept het kader voor klimaatadaptief bouwen en richt zich op locatie-inrichting en bouwwijze. De maatlat behandeld de klimaatthema’s hitte, wateroverlast, droogte en gevolgbeperking van overstromingen. Daarnaast worden ook de thema’s bodemdaling en biodiversiteit betrokken. Parallel aan de maatlat worden er met de kamerbrief ‘Water en Bodem Sturend ’ randvoorwaarden uitgewerkt voor de locatiekeuze voor nieuwe ontwikkelingen. De maatlat moet een impuls geven om groene klimaatbestendige gebieden en gebouwen te kunnen realiseren die ook bijdragen aan biodiversiteit en gezondheid. Om klimaatadaptief bouwen en inrichten standaard te maken, worden de mogelijkheden verkend om voor juridische borging van de maatlat. Op dit moment is deze echter nog niet juridisch gewaarborgd.

Gezien de (omvang van de) bouwopgave, de urgentie van extremer weer door klimaatveranderingen en de wens om daarin geen kansen te missen, wordt het gebruik van de maatlat zoveel mogelijk gestimuleerd. 4.13.2

Toetsing Waterveiligheid/gevolgbeperking overstromingen De kaart maximale overstromingsdiepte geeft de kans op overstroming weer binnen een gebied. Deze kaart laat voor de huidige situatie in vier beelden zien welke overstromingsdieptes mogelijk zijn. Van boven naar beneden wordt de kans steeds kleiner, maar worden de ruimtelijke gevolgen juist groter: − grote kans: de kans dat een gebied ongeveer 1 keer in de 10 jaar overstroomt; − middelgrote kans: de kans dat een gebied ongeveer 1 keer in de 100 jaar overstroomt; − kleine kans: de kans dat een gebied ongeveer 1 keer in de 1.000 jaar overstroomt; − bijzonder kleine kans: de kans dat een gebied ongeveer 1 keer in de 100.000 jaar overstroomt. Op de klimaateffectatlas valt te zien dat er in dit plangebied geen (verhoogde) kans op overstroming bestaat. Hittestress Door klimaatverandering wordt het vaker heet in de zomer. In steden is het vaak al warmer dan de landelijke omgeving vanwege onder andere de aanwezige verhardingen, ook wel het stedelijk hitte eiland effect genoemd. Dit heeft invloed op de gezondheid, buitenruimte, leefbaarheid, water en netwerken. Het plangebied is niet buitengewoon gevoelig voor hittestress, zie hierna.

63

Gevoeligheid Hittestress(bron: klimaateffectatlas.nl)

Met dit plan wordt bovendien een groene woonwijk gerealiseerd, waar de toevoeging van vele bomen binnen het besluitgebied zorgen voor een goede schaduwwerking. Andere maatregelen die kunnen worden genomen zijn het gebruik van lichte materialen (beige of lichtgrijze tegels i.p.v. bijv. asfalt), natuurlijke ventilatie door gebouwen dusdanig te ontwerpen dat ramen aan twee zijde van het gebouw open kunnen en fatsoenlijke zonwering op de zuidelijk zijde van hete gebouw. Wateroverlast Uit de klimaatatlas blijkt verder niet dat er ter plaatse grote problemen zijn op het gebied van droogte, oppervlakte en/of grondwater. Bodemdaling Op veel plekken in Nederland daalt de bodem. Dat kan verschillende gevolgen hebben, zoals een groter risico op overstromingen als er niet geïnvesteerd wordt in waterbeheer en schade aan funderingen. Raadpleging van de bodemdalingskaart wijst uit dat de locatie niet gevoelig is voor bodemdaling. Biodiversiteit Mensen wonen graag in een gezonde en groene omgeving en ook voor de natuur en biodiversiteit is een groene omgeving belangrijk. De klimaatverandering heeft ook als gevolg dat de biodiversiteit afneemt. Het stimuleren van biodiversiteit is niet alleen goed voor de natuur, het draagt ook bij aan de andere thema’s van klimaatadaptatie. Daarom is het belangrijk dat hier aandacht aan wordt besteed.

Daarom worden binnen het plangebied bloemrijke beplanting en bloeiende bomen in de openbare ruimte toegepast, welke bijen en insecten aantrekken. Daarnaast worden binnen het plangebied ingezet op inheemse soorten die bijdragen aan de biodiversiteit. 4.13.3

Conclusie Bij de planvorming is rekening gehouden met klimaatadaptatie. 64

4.14

Duurzaamheid

4.14.1

Algemeen Duurzaamheid is een belangrijk uitgangspunt van de Omgevingswet en komt tot uiting in verschillende aspecten van de wet. Zo introduceert de Omgevingswet het begrip ‘duurzame ontwikkeling’ als een overkoepelend doel. Duurzame ontwikkeling wordt gedefinieerd als een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Dit betekent dat bij besluitvorming rekening moet worden gehouden met langetermijneffecten. Het (wettelijk) kader voor duurzaamheid onder de Omgevingswet wordt verder ingevuld door onderliggende regelgeving, zoals het Bkl en het Bbl.

4.14.2

Toetsing De nieuwbouwwoningen worden gasloos ontwikkeld en zullen voldoen aan de nieuwste BENG-normen. Met dit project wordt derhalve rekening gehouden met de energietransitie en wordt aandacht besteed aan energiebesparende maatregelen. Daarnaast wordt in het besluitgebied op verschillende manieren bijgedragen aan duurzaamheid: −

veel ruimte voor wadi’s om toekomstig verwachte piekbuien te kunnen verwerken;

−

toepassen van zoveel mogelijk inheems groen toe om biodiversiteit te versterken, waaronder hagen op de erfgrenzen;

−

een groot aandeel groen en bomen als maatregel tegen hittestress;

−

door de uitvoering van een zonnestudie en het kiezen van de juiste boomtypen wordt de invloed op het bestaande zonnepark beperkt;

−

het streven naar een gesloten grondbalans;

−

voor de tijdelijke bouwweg wordt onderzocht of het gebruik van 100% gerecycled asfalt haalbaar is.

4.14.3

Conclusie Bij de planvorming is rekening gehouden met duurzaamheid.

4.15

Natuur

4.15.1

Algemeen

4.15.1.1

Soortenbescherming Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het besluitgebied. De Omgevingswet beschermt bepaalde plant- en diersoorten. Het gaat hoofdzakelijk om soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen. Daarnaast betreft het bepaalde soorten van nationaal belang. In principe zijn provincies verantwoordelijk voor de bescherming van soorten (artikel 2.18, lid 1, sub f). Echter kunnen ook andere overheden actief beleid voeren. Zo is het vaststellen van een programma voor soortenbescherming een mogelijkheid. 65

Soortenbescherming is in de Omgevingswet vooral gericht op het reguleren van flora-en fauna-activiteiten. Een flora en fauna-activiteit is een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of: 1 er soorten aanwezig zijn; 2 welke soorten dat zijn. Voordat een flora en fauna-activiteit mag worden verricht, moet gecontroleerd worden of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de directe nabijheid bepaalde beschermde soorten of habitats voorkomen. Als er aanwijzingen zijn dat deze aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn. Als nadelige gevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen. Voor schadelijke handelingen geldt in de meeste gevallen een vergunningplicht. In een aantal gevallen is echter ook sprake van een vrijstelling. 4.15.1.2

Gebiedsbescherming De bescherming van natuurgebieden is tweeledig; het Rijk is verantwoordelijk voor de bescherming van Natura 2000-gebieden en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een verantwoordelijkheid van de provincies. Natura 2000 Een Natura 2000-gebied is een beschermd natuurgebied van Europees belang. Bescherming van deze gebieden is nodig voor het behoud van de biodiversiteit (soortenrijkdom) en om te voldoen aan de verplichtingen van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Nieuwe ontwikkelingen (activiteiten) die - afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten – significant negatieve gevolgen kunnen hebben op een Natura 2000-gebied, zijn onder de Omgevingswet gedefinieerd als ‘Natura 2000-activiteit’. Deze kunnen zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied plaatsvinden. In de meeste gevallen vindt de activiteit echter plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect hebben op het Natura 2000-gebied. Dit wordt ook wel de 'externe werking van een Natura 2000-gebied' genoemd. Als het effect significant kan zijn, is in veel gevallen een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig. Het onderzoeksgebied ligt niet in een gebied dat als beschermd Natura 2000-gebied is aangewezen (zie navolgende afbeelding).

Wel liggen Natura 2000-gebieden Boetelerveld en Sallandse Heuvelrug in de omgeving van het onderzoeksgebied. Deze liggen respectievelijk 3,6 en 4,9 kilometer van het onderzoeksgebied verwijderd. Gezien de grote afstand kunnen negatieve effecten op deze natuurgebieden worden uitgesloten. Voor wat betreft stikstof is dit met een berekening geverifieerd11. Daarbij is er voor de gebruiksfase geen toename berekend. Voor de realisatie is een afname berekend door intern te salderen met de 11

SAB (2025) Onderzoek stikstofdepositie, Heeten, De Veldegge Noord. Projectnummer: 220357.01. 22 mei 2025

66

referentiesituatie. In gevolg van jurisprudentie door de Raad van State 12 kan bij onderzoek naar stikstof-depositie worden uitgegaan van intern salderen en geldt hierbij geen vergunningplicht wanneer geen sprake is van een significant negatief effect. Daarmee is voor intern salderen relevant wat de als referentiesituatie aangewezen gebruiksdoeleinden zijn (geweest) op de ontwikkellocatie.

A Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd in de omgevingsverordening van de provincies. Daarin zijn de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN-gebieden

12

Raad van State, 201907146/1/R2, dd. 20 januari 2021

67

vastgelegd en zijn regels gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kenmerken en waarden van NNN-gebieden. Het onderzoeksgebied ligt niet binnen Natuurnetwerk Nederland (zie navolgende afbeelding). Het dichtstbijzijnde gedeelte van het natuurnetwerk bevindt zich op ongeveer 430 meter ten noordwesten van het onderzoeksgebied. Er bevinden zich geen weidevogelleefgebieden en ganzenrustgebieden in de omgeving van het onderzoeksgebied. Omdat de vertaling van dit netwerk in de provinciale verordening geen externe werking kent, leiden de beoogde plannen niet tot effecten op deze gebieden. 4.15.2

Toetsing Voor de ontwikkeling zullen enkele agrarische percelen worden omgevormd tot woningbouwlocatie. Er dient daarom vanuit de ecologie onderzocht te worden of met de ruimtelijke ontwikkelingen die het plan toestaat sprake is van overtreding van de geldende natuurwet- en regelgeving. Er is daarom een QuickScan uitgevoerd13. In en nabij het onderzoeksgebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat in en rondom het onderzoeksgebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Er zijn mogelijk nest- of verblijfplaatsen of (essentieel) leefgebied van steenmarter, bunzing, wezel, egel, das, huismus, steenuil, kerkuil, ransuil, boomvalk of sperwer aanwezig binnen het onderzoeksgebied.

Ook is mogelijk een essentiële vliegroute van vleermuizen aanwezig. Hieronder is een overzicht weergegeven. Als het benoemde deelgebied, een deel er van of een specifiek natuurlijk element worden verwijderd of aangetast, is nader onderzoek naar de betreffende soort noodzakelijk: −

Huismus;

−

boomvalk, sperwer en ransuil;

−

steenuil en kerkuil;

−

steenmarter;

−

bunzing en wezel;

−

das;

−

egel;

−

essentiële vliegroute vleermuis.

13

SAB (2023). Quick scan natuur Heeten, Veldegge 2e fase. 18 januari 2023

68

Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. Indien nest- of verblijfplaatsen of leefgebied aanwezig blijken, dan moeten voor de werkzaamheden mitigerende maatregelen worden getroffen om negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen. Ook is voor de werkzaamheden dan waarschijnlijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk.

Samenvattend zijn er op de planlocatie mogelijk beschermde functies aanwezig voor de soort(groep)en vleermuizen, bunzing, wezel, steenmarter, das, egel, boomvalk, ransuil, sperwer, steenuil en kerkuil. Op basis hiervan heeft nader onderzoek plaatsgevonden14. Hieruit blijkt dat de beschermde soorten Gewone dwergvleermuis, laatvlieger, egel en wezel in het plangebied aanwezig zijn. Het gaat om een Vliegroute voor vleermuizen Leefgebied voor egel en wezel. Het gaat om tenminste één (kraam)kolonie van de gewone dwergvleermuis en één (kraam)kolonie van de laatvlieger. De rusten voortplantingsplaatsen van egel en wezel worden mogelijk beschadigd of vernield als gevolg van de werkzaamheden. De functionaliteit van rust- en voortplantingsplaatsen van gewone dwergvleermuis en laat-vlieger wordt gewaarborgd door de functionaliteit van de vliegroute te allen tijde te waarborgen. Rust- en voortplantingsplaatsen van de egel en wezel moeten gemitigeerd of gecompenseerd worden. Om aan de zorgplicht te voldoen moeten kap- en snoeiwerkzaamheden buiten gevoelige voortplantings- en winterrustperioden worden uitgevoerd.

14

Econsultancy (2024) RAPPORTAGE activiteitenplan Veldegge-Noord Heeten. 12 juli 2024 en SAB (2025) Nader onderzoek Wet natuurbescherming (steenuilen), Heeten, De veldegge Noord. Projectnummer 220357.02. 8 november 2023, en Nader onderzoek Wet natuurbescherming Heeten de Veldegge Noord, SAB, 8 november 2023

69

4.15.3

Conclusie De activiteiten zijn gelet op bovenstaande vergunningsplichtig voor een flora- en fauna activiteit. Gelet hierop is een aanvraag daartoe ingediend bij de provincie Overijssel (ontvangen 29 juli, zaaknummer Z2024-00005146). De provincie Overijssel heeft op 16 januari 2025 deze vergunning verleend. Aan de voorschriften behorend bij deze beschikking zal worden voldaan. Daarnaast geldt de algemene zorgplicht: De algemene zorgplicht, luidt als volgt: 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

Zodra een in het wild levend dier wordt aangetroffen tijdens de werkzaamheden kan deze worden gevangen en direct worden overgeplaatst naar een geschikte habitat in de nabijheid van het plangebied. Vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken, steenhopen en dergelijke) moet gefaseerd worden verwijderd, waardoor aan amfibie-en en grondgebonden zoogdieren gelegenheid wordt gegeven te vluchten. Voor vogels geldt een specifieke zorgplicht: 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Het onderdeel natuur vormt gelet hierop geen belemmering.

70

4.16

Archeologie

4.16.1

Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met archeologische waarden. De omgevingswet schrijft voor dat het aspect archeologie een plek heeft in het omgevingsplan. In het omgevingsplan is vastgesteld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. In beginsel moet de gemeente aan projecten kleiner dan 100 m2 vrijstelling verlenen van de verplichting tot archeologisch onderzoek (artikel 5.130 lid 4 Bkl). Met een inhoudelijke onderbouwing kan de gemeente echter afwijken van deze vrijstellingsgrens. De instructieregels voor de omgang met archeologie in het omgevingsplan zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.130, eerste lid). Uitgangspunt is dat bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. De archeologische verwachtingswaarde en de omgang daarmee legt de gemeente vast in het omgevingsplan (artikel 5.130 lid 3, 4 en 5 Bkl). Wanneer er een archeologische verwachtingswaarde is voor het projectgebied moet er een archeologisch onderzoek uitgevoerd worden conform de door de gemeente gestelde voorwaarden.

De uitkomsten van het onderzoek bepalen of vervolgonderzoek nodig is en of de bodemroerende werkzaamheden kunnen plaatsvinden.

4.16.2

Toetsing Ter plaatse van het besluitgebied geldt de dubbelbestemming Waarde - Archeologie – 1. De voor Waarde - Archeologie – 1 aangewezen gronden zijn mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische resten in de bodem. Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk groter dan 2.500 m2 of dieper dan 50 cm dient de aanvrager een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld. Daarom is in het kader van de ontwikkeling een archeologisch onderzoek15 uitgevoerd. Op basis van het nu uitgevoerde bureauonderzoek en aanvullend booronderzoek is geconstateerd dat de kans groot is dat in het plangebied archeologische waarden aanwezig zijn. Deze waarden hangen samen met de mogelijke aanwezigheid van kampelementen uit de vroege prehistorie, nederzettingen uit de latere prehistorie en boerenerven uit de Vroege en/of Volle Middeleeuwen. ADC ArcheoProjecten adviseert dan ook om de ligging, omvang, datering en het archeologische belang van deze (mogelijke) waarden nader in kaart te laten brengen. Dit advies geldt voor het grootste deel van het plangebied. Gezien de fasering in de ontwikkeling van het plangebied (slechts een deel wordt in eerste instantie verstoord door bodemingrepen) hoeft dat niet op hetzelfde tijdstip plaats te vinden. 15

ADC Archeo Projecten (2009) Een Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek. februari 2009

71

Wel moet er dan nadrukkelijk rekening mee worden gehouden dat de bevoegde overheid bij planaanpassing direct zal vragen om nader waardestellend archeologisch onderzoek. Het gebied met een hoge archeologische waarde dat mogelijk verstoord zal worden omvat 5,6 ha. Het nader vaststellen van de archeologische waarde kan het best door middel van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P). Deze onderzoeksmethodiek biedt snel voldoende inzicht in omvang van archeologische resten alsmede de kosten die met een eventueel vervolgtraject gemoeid kunnen zijn. Het geadviseerde proefsleuvenonderzoek heeft vervolgens plaatsgevonden 16. Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn in het noordwesten van het plangebied paalsporen aangetroffen waarvan de functie onbekend is. De paalsporen zijn mogelijk onderdeel van een gebouw die op historisch kaartmateriaal (en jonger) niet te zien is. Mogelijk zijn de sporen ouder dan 1800. Bij ingrepen die plaats vinden tot in de natuurlijke ondergrond (ca. 7,10 m NAP), wordt geadviseerd om verder onderzoek te doen naar deze sporen (zie navolgende figuur).

Voor het overige deel van het plangebied geldt dat er geen behoudenswaardige vindplaats is aangetroffen en wordt geadviseerd het terrein vrij te geven voor verdere ontwikkeling en de waarde archeologie te laten vervallen (zie navolgende figuur).

16

Econslutancy (2024). Evaluatierapport archeologisch proefsleuvenonderzoek De Veldegge Noord te Heeten, in de gemeente Raalte. 2 februari 2024

72

Deze opgraving heeft plaatsgevonden 17. Bij het definitief onderzoek aan de Veldegge Noord - Johannalaan is een vindplaats aangetroffen uit de Middeleeuwen – Nieuwe tijd . De sporen en structuren betreffen greppels, kuilen en paalkuilen die gerelateerd zijn aan een bewoningsareaal uit de Middeleeuwen. De structuren bestaan mogelijk uit een deel van een huisplattegrond en bijgebouwen. De daadwerkelijke datering van de sporen en mogelijke structuren kan in dit stadium van het onderzoek nog niet definitief vast gelegd worden. Met behulp van het vondstmateriaal in combinatie met de in te zetten monsters zal een definitievere datering benoemd kunnen worden. Opvallend in het onderzoeksgebied is het grote aantal vierkante kuilen, die voornamelijk in het zuidelijk deel van het gebied zijn waargenomen. Het gros van de kuilen kunnen vermoedelijk geïnterpreteerd worden als recente kuilen die mogelijk gebruikt zijn voor planten/bomen. Vanwege de recente aard van de sporen zal tijdens de uitwerking hier minimale aandacht aan worden besteed. De provincie Overijssel is eigenaar van de bodemvondsten van dit onderzoek. In het archeologisch depot Overijssel te Deventer worden alle vondsten die bij het onderzoek zijn gedaan opgeslagen. Het voorstel tot deponering wordt ook voorgelegd aan de depothouder. De uiteindelijke selectie kan afwijken van het in dit rapport opgenomen voorstel.

Daarnaast kan het depot aanvullende eisen stellen aan het te deponeren materiaal.

17

Econsultancy (2024). Evaluatierapport definitieve opgraving Veldegge Noord te Heeten, in de gemeente Raalte. 19 december 2024

73

Een selectie van de genomen monsters worden aangedragen voor specialistisch onderzoek en zal na oplevering van het definitief rapport niet worden gedeponeerd. De gedeselecteerde grondmonsters worden na oplevering van het definitief rapport eveneens niet gedeponeerd en dienen tot aan oplevering van de definitieve versie van het rapport als achtervang. In deze fase moet ervan worden uitgegaan dat de aangetroffen materiaalcategorieën: keramiek, grofkeramisch bouwmateriaal, met aantallen zoals weergegeven in bijlage 2 (deels) ter deponering zullen worden aangeleverd. Indien hiervan zal worden afgeweken zal dit te zijner tijd worden gecommuniceerd richting het gemeentelijk depot door middel van een (de)selectierapport. Deze vondstcategorieën behoeven geen aanvullende conserverings-behandeling voorafgaand aan deponering. 4.16.3

Conclusie Gegeven de uitgevoerde onderzoeken en opgraving vormt het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.

4.17

Cultuurhistorie

4.17.1

Algemeen Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Uit Europees beleid volgt dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van cultuurhistorische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.130, eerste lid) zijn instructieregels opgenomen die zich richten op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, (voorbeschermde) Rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van Rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

4.17.2

Toetsing In het besluitgebied bevinden zich geen monumentale en/of karakteristieke gebouwen. Deze bevinden zich tevens niet in de directe omgeving van het besluitgebied. Wel is bij het stedenbouwkundig ontwerp aansluiting gezocht op de bebouwing in de omgeving van het besluitgebied.

4.17.3

Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.

74

4.18 4.18.1.1

Mobiliteit en parkeren Parkeren Bij nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving dient aangetoond te worden dat voorzien wordt in de aanleg en instandhouding van voldoende parkeergelegenheid. Hiertoe heeft de gemeente een Nota Parkeernormen Raalte 2015 opgesteld, welke is vastgesteld in 28 mei 2020. Het plan voldoet hieraan, zie hoofdstuk 2.

4.18.2

Toetsing

4.18.2.1

Mobiliteit In het kader van de ontwikkeling is door een verkeersonderzoek 18 uitgevoerd. Het plangebied is onderverdeeld in 2 deelgebieden. Met de kencijfers van het CROW wordt de verkeersaantrekkende werking per weekdagetmaal berekend, het gemiddelde werkdagetmaal is verkeerskundig gezien echter relevant. Voor woonfuncties hanteert het CROW een omrekenfactor 1,11. Voor de verkeersafwikkeling op kruispuntniveau is het personenauto-equivalent per spitsuur relevant. Voor de omrekening naar pae hanteert Mobycon een factor van 1,01, en men neemt aan aan dat 10% van het verkeer per etmaal binnen het drukste spitsuur valt. Beide uitgangspunten zijn verkeerskundige vuistregels. Dit leidt zoals weergegeven in navolgende tabel tot een totale verkeersgeneratie van 90 motorvoertuigbewegingen per werkdagetmaal, omgerekend 10 pae per drukste spitsuur.

Onder andere op basis van een selected-link analyse die door de gemeente via TomTom move is uitgevoerd wordt ervan uitgegaan dat vanuit dit deelgebied 40% van het verkeer richting het noorden rijdt, 20% naar het zuiden, en 40% richting het oosten. In onderstaande figuur is de verdeling weergegeven voor de tussenliggende wegvakken. Mobycon gaat er verder vanuit dat 80% van het verkeer tijdens de ochtendspits vanaf de ontwikkeling rijdt en 20% richting de ontwikkeling, tijdens de avondspits is deze verhouding andersom.

18

Mobycon (2024). Onderbouwing verkeer Veldegge-Noord. 26 september 2024

75

Voor deelgebied zijn de verkeersbewegingen weergegeven in navolgende tabel; het gaat om tot een totale verkeersgeneratie van 520 motorvoertuigbewegingen per werkdagetmaal, omgerekend 58 pae per drukste spitsuur.

Omdat het verkeer vanuit dit deelgebied gebruik kan maken van de Sinterstraat en Meilerstraat voeren we een gevoeligheidsanalyse uit waarbij 100% van het gegenereerde verkeer gebruik maakt van zowel de Sinterstraat als de Meilerstraat. Dit is de hoogste waarde die theoretisch mogelijk is op deze wegvakken. De intensiteiten op wegvakken 4 (Sinterstraat) en 5 (Meilerstraat) nemen relatief Zoals in onderstaand tabel weergegeven, zijn er zowel in de huidige, toekomstig autonome en toekomstige situatie in motorvoertuigen per werkdagetmaal inclusief de ontwikkeling geen knelpunten op het gebied van verkeersveiligheid. De maximale acceptabele intensiteiten worden op geen van de wegvakken overschreden. De intensiteiten op wegvakken 4 (Sinterstraat) en 5 (Meilerstraat) nemen relatief veel toe. In de praktijk zal de intensiteit lager uitkomen door de verdeling van het verkeer over de twee wegvakken.

76

De verzadigingsgraad (max 17%) en de wachttijd (max 2,9 sec/pae) blijven op alle takken t.a.v. de Rotonde Holterweg/Telgenweg in zowel de ochtend- als avondspits binnen de grenswaarden. Er ontstaan dus geen doorstromingsknelpunten ten gevolge van de ontwikkeling.

Dat geldt ook voor de Rotonde Holterweg/N332. Al met al concludeert Mobycon dat het aspect ‘verkeer’ het realiseren van de ontwikkeling van 90 woningen van Veldegge-Noord in Heeten niet in de weg staat. 4.18.3

Conclusie De aspecten mobiliteit en parkeren vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit. In de juridische regels is geborgd dat ook daadwerkelijk wordt voorzien in de aanleg en instandhouding van voldoende parkeergelegenheid.

4.19

Ladder voor duurzame verstedelijking

4.19.1

Algemeen De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van leegstand. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.129g Bkl) is bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de toepassing van de ladder is vereist. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik en de totstandkoming van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling ‘buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied’ mogelijk wordt 77

gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bkl opgenomen. Een stedelijke ontwikkeling wordt gedefinieerd als ‘de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.’ Of een ontwikkeling of uitbreiding voldoende substantieel is volgt uit jurisprudentie. Daaruit blijkt onder meer dat een woningbouwontwikkeling die voorziet in de realisatie van meer dan 11 woningen binnen de bebouwde kom moet worden aangemerkt als woningbouwlocatie. Ook een kantoor, detailhandelsvoorziening of bedrijf met een oppervlakte van meer dan 500 m2 brutovloeroppervlak kan worden beschouwd als een stedelijke ontwikkeling. 4.19.2

Toetsing Voorliggend project voorziet in de realisatie van maximaal 90 woningen en betreft daarmee een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Derhalve is de ontwikkeling getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking 19. In de toetsing is aangetoond dat sprake is van zowel een kwantitatieve als een kwalitatieve behoefte. De ontwikkeling voorziet in een behoefte die niet binnen stedelijk gebied kan worden voorzien. De buiten stedelijk gebied gelegen ontwikkeling is daarmee gerechtvaardigd. Daarmee wordt geconcludeerd dat het project de toetsing aan de Ladder positief heeft doorlopen.

4.19.3

Conclusie De nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. Geconcludeerd wordt dat het voorgenomen initiatief buiten bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. De ontwikkeling voorziet in een behoefte die niet binnen stedelijk gebied kan worden voorzien, waardoor de buiten stedelijk gebied gelegen ontwikkeling gerechtvaardigd is. De voorliggende ontwikkeling voldoet daarmee aan de Ladder voor duurzame verstedelijking en is niet in strijd met het Besluit kwaliteit leefomgeving.

4.20

Omgevingskwaliteit

4.20.1

Algemeen Een goede omgevingskwaliteit is een van de centrale doelstellingen van de omgevingswet (artikel 1.3). De Omgevingswet legt zowel initiatiefnemers als overheden een zorgplicht op voor verbetering van de omgevingskwaliteit. Er is geen heldere definitie van het begrip omgevingskwaliteit. Onderdelen die bijdragen aan een goed omgevingskwaliteit zijn het stedenbouwkundige plan architectuur, natuur en landschap. Wanneer deze losse aspecten kwaliteit hebben leidt dat tot ’omgevingskwaliteit’. De gemeente is op basis van de artikelen 2.4 en 4.2 van de omgevingswet 19

SAB (2025). Toets Ladder voor duurzame verstedelijking Heeten, Veldegge-Noord. Projectnummer: 220357.01. 6 juni 2025.

78

verplicht dit aspect mee te nemen bij de évenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (etfal). De gemeente is vrij om dit te doen door middel van beleid of door regels. Of het aspect omgevingskwaliteit getoetst moet worden aan het omgevingsplan of aan de omgevingsvisie is daarom afhankelijk van de keuze van de gemeente. 4.20.2

Toetsing Met het onderhavig project worden agrarische percelen herontwikkeld ten behoeve van woningbouw. Dit zorgt voor een verbetering van de omgevingskwaliteit. Daarnaast kent het plan een sterk stedenbouwkundig ontwerp, waar veel aandacht is besteed aan het omliggende landschap en de nabij liggende bebouwing. Zie hoofdstuk 2.

4.20.3

Conclusie Het aspect omgevingskwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.

79

5 Juridische toelichting 5.1

Inleiding Dit omgevingsplan bestaat uit een toelichting, de planregels en een verbeelding. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het omgevingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: •

Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding, bestaande uit een lijn, een figuur, een lettercode etc.. Via een aanduiding wordt in de planregels iets specifieks geregeld. Dit kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook eigen regels hebben.

•

Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming betekent dat voor gronden meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkel’ bestemming en soms gelden er een of meerdere dubbelbestemmingen. In de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra regels in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen.

De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.

5.2

Algemene methodiek Verbeelding Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen worden opgenomen. Deze aanduidingen hebben alleen een juridische betekenis als in de planregels aan de betreffende aanduiding een gevolg wordt verbonden. Een aantal aanduidingen heeft juridisch gezien geen betekenis en is uitsluitend opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding (bijvoorbeeld topografische gegevens).

80

Planregels De planregels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1. Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de planregels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de planregels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de planregels (artikel 2). 2. Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Het betreft regels voor het toegestane gebruik en bouwregels. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld. 3. Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een anti-dubbeltelregel en algemene gebruiks-, aanduidings-, afwijkings- en wijzigingsregels. 4. Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk overgangsregels en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.

5.3

Specifieke regeling dit omgevingsplan De planregels in dit omgevingsplan zijn opgezet aan de hand van hetgeen in voorgaande paragraaf beschreven is, alsook het stedenbouwkundig plan, zie hoofdstuk 2.

81

6 Uitvoerbaarheid 6.1

Economische uitvoerbaarheid Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Dat zijn: − aangewezen bouwactiviteiten; − aangewezen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen. Het overzicht van kostenverhaalplichtige activiteiten staat in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. De gronden in het besluitgebied zijn in eigendom van de gemeente Raalte. Voor het woningbouwplan is een haalbaar financieel kader opgesteld (zie ook de financiële verkenning van de GREX in bijlage 19). Dit financiële kader wordt tegelijkertijd met het voorliggende wijzigingsbesluit voorgelegd aan het college van B&W en de gemeenteraad van Raalte. De economische uitvoerbaarheid van dit plan is hiermee voldoende aangetoond.

6.2

Participatie en overleg

6.2.1

Participatie Op grond van artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit wordt bij het vaststellen van een omgevingsplan aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Daarbij moet worden aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het toepassen van eventueel gemeentelijk participatiebeleid. Gedurende het planvormingsproces hebben twee bijeenkomsten plaats gevonden voor omwonenden en belanghebbenden. Tijdens de eerste bijeenkomst in februari 2023 zijn wensen en ideeën opgehaald. Zo hebben de aanwezigen aangegeven welke woningtypes passend zijn voor starters, gezinnen en senioren in Heeten. Daarbij is de grote behoefte aan betaalbare woningen sterk benadrukt. Tevens hebben de aanwezigen aangegeven voorkeur te hebben voor groene straten en groene plekjes verspreid in de buurt en wadi’s met een natuurlijk karakter. Deze inbreng is nadrukkelijk gebruikt bij het vormgeven van het stedenbouwkundig plan. Het concept stedenbouwkundig plan is in oktober 2024 tijdens een zeer goed bezochte informatiebijeenkomst gepresenteerd aan de aanwezigen. Het concept stedenbouwkundig plan is overwegend positief ontvangen. 82

6.2.2

Overlegpartners Burgemeester en wethouders dienen bij de voorbereiding van een wijzigingsbesluit overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In dit kader wordt het wijzigingsbesluit voor advies toegezonden aan betrokken instanties.

6.2.3

Zienswijzen Het ontwerp-omgevingsplan heeft van 2 oktober tot en met 12 november ter inzage gelegen. In deze periode zijn er twee zienswijzen binnengekomen welke vervolgens ook weer ingetrokken zijn. Het omgevingsplan wordt zodoende ongewijzigd vastgesteld door de gemeenteraad van Raalte.

83

84

Bijlage 1

1/1

Heeten, De Veldegge Noord Stedenbouwkundig plan concept

sab adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling

17 juli 2025

SAB bezoekadres: Frombergdwarsstraat 54 6814 DZ Arnhem correspondentieadres: Postbus 479 6800 AL Arnhem T: 026-3576911 F: 026-3576611 E: info@sab.nl I: www.sab.nl Opdrachtgever Gemeente Raalte Projectnummer 220357 Datum 17 juli 2025

Inhoudsopgave 01. Inleiding Aanleiding en doelstelling Plangebied Proces

02. Ruimtelijke analyse Historische ontwikkeling Hoogte, bodem en geomorfologie Infrastructuur en stedenbouw Groenstructuren

4 4 4 6

8 8 9 10 11

03. Uitgangspunten voor de Veldegge Noord

12

04. Concept

14

Concept Sferen van woongebieden

14 16

05. Stedenbouwkundig plan

18

Proefverkaveling Profielen Programma en parkeren Themakaart ontsluiting Themakaart water en groen

18 20 22 23 24

06. Erfinrichting Themakaart erfafscheidingen

26 26

1. Inleiding Inleiding en doelstelling Voor u ligt het stedenbouwkundig plan voor de Veldegge Noord in Heeten. De gemeente Raalte is voornemens om hier een nieuwe woonbuurt te ontwikkelen, waarmee de bestaande buurt de Veldegge tot afronding komt. De ambitie is om een prettige, klimaatadaptieve woonomgeving te realiseren met een gevarieerd woningaanbod, dat aansluit bij de behoefte in Heeten.

SPORTCOMPLEX

N332

ZONNEPARK

JOHANNALAAN

PLANGEBIED HOUTSKOOLSTRAAT

Plangebied De Veldegge Noord vormt een noordelijke uitbreiding van de Veldegge. De locatie ligt aan de noordrand van Heeten en wordt begrensd door sportvelden aan de westzijde, een zonnepark aan de noordzijde, en daarachter de provinciale weg N332. Aan de oostzijde grenst het plangebied aan de Veldeggerweg.

DE VELDEGGERWEG HOLTERWEG

4

GIETERIJSTRAAT

Een rondwandeling door het gebied

De Houtskoolstraat langs de zuidrand van het plangebied

Wonen aan de wadi, centraal in de Veldegge

Gieterijstraat in de Veldegge

Speeltuin aan de Johannalaan

Zicht op het plangebied vanaf de Veldeggerweg

De Veldeggerweg met kenmerkende laanstructuur

5

Proces Gedurende het planvormingsproces hebben twee bijeenkomsten plaats gevonden voor omwonenden en belanghebbenden. Tijdens de eerste bijeenkomst in februari 2023 zijn wensen en ideeën opgehaald. Zo hebben de aanwezigen aangegeven welke woningtypes passend zijn voor starters, gezinnen en senioren in Heeten. Daarbij is de grote behoefte aan betaalbare woningen sterk benadrukt. Tevens hebben de aanwezigen aangegeven voorkeur te hebben voor groene straten en groene plekjes verspreid in de buurt en wadi’s met een natuurlijk karakter. Deze inbreng is nadrukkelijk gebruikt bij het vormgeven van het stedenbouwkundig plan.

1e informatiebijeenkomst

Het concept stedenbouwkundig plan is in oktober 2024 tijdens een zeer goed bezochte informatiebijeenkomst gepresenteerd aan de aanwezigen. Het concept stedenbouwkundig plan is overwegend positief ontvangen. Na deze bijeenkomst is het stedenbouwkundig plan verder verfijnd aan de hand van opmerkingen en resultaten van enkele haalbaarheidsonderzoeken.

Wat is typisch voor wonen in Heeten? 6

Resultaten participatiebijeenkomst februari 2023

Bouwsteen ontsluiting; een doorlopende lus heeft de voorkeur aan de aanwezigen

Bouwsteen groen; bloemrijke en natuurlijke wadi’s hebben de voorkeur van de aanwezigen

Bouwsteen wonen; hierboven is per doelgroep aangegeven welke woningtypes als meest passend worden gezien. 7

Bouwsteen groen, water en spelen; groene straten en kleine groene plekjes hebben de voorkeur.

2. Ruimtelijke analyse Historische ontwikkeling 1900: Heeten is gesitueerd op een knooppunt van wegen en is rondom een kerk uit de 18e eeuw gegroeid. De gronden rondom het dorp waren in gebruik als akkergrond (es / enk). De dekzandrug (Heetener enk) werd in de vroege middeleeuwen in cultuur genomen. Later werd ook het omringende dekzandlandschap in cultuur gebracht. Langs de randen van de enk lagen boerderijen. Rond het plangebied zijn de Holterweg, Johannalaan en de 1900 Veldeggerweg te herkennen met een boerenerf langs de Veldeggerweg (de huidige boerderij is in 1930 gebouwd). 1950: Rond 1950 zijn er weinig wijzigingen in het plangebied. Heeten breidt uit met lintbebouwing rondom de Dorpsstraat. 1980: Rond 1980 zijn de eerste grootschalige woningbouwuitbreidingen achter de linten ontwikkeld en een sportcomplex aan noordzijde van Heeten. Heden: Het plangebied is door de aanleg van de N322 afgesneden van het buitengebied en door de ontwikkeling van de Veldegge tegen het dorp aan komen te 1980 liggen.

1950

8

Heden

Hoogte, bodem en geomorfologie Laarpodzolgronden 9,3m +NAP

Dekzandvlakte

7,6m +NAP 7,9m +NAP 7,7m +NAP

10m +NAP Hoge zwarte enkeerdgronden

Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Het plangebied bevindt zich op een hoogte van ca. 8 meter boven NAP. Ten zuidoosten van het plangebied ligt een dekzandrug (de Heetener enk), een hoger gelegen gebied, waar de kern Heeten is ontstaan.

Bodem In een groot deel van het plangebied komen laarpodzolgronden (lemig fijn zand) voor en in het zuidwesten van het plangebied komen hoge zwarte enkeerdgronden (leemarm en zwak lemig fijn zand) voor op de rand van de enk.

9

Dekzandrug

Geomorfologie De gemeente Raalte ligt in een uitgestrekt, laaggelegen dekzandlandschap.Op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) is de dekzandrug duidelijk te zien.

Ruimtelijke structuur

Legenda

De Veldegge heeft afwisselend voorkanten (Houtskoolstraat) en zijkanten (Meilerstraat) of achterkanten (Kuilovenstraat) naar het plangebied. In de Veldegge zijn de Sinterstraat en de Meilerstraat de belangrijkste ontsluitingswegen, die begeleid worden door voorkanten van bebouwing. Parkeren is op verschillende wijze opgelost.

N332 provinciaalse weg Hoofdstructuur Woonstraten

N3

Weg naar zonnepark

32

Langzaamverkeersverbinding Fietstunnel en vrijliggend fietspad Geclusterde parkeervoorziening Voorkanten woningen Achterkanten woningen

Centraal in de Veldegge ligt een wadi met begeleidende bebouwing.

an

la

a nn

ha

Jo Johanna

laan

Houtskoolstraat

Ho

lte

Ten westen van het plangebied ligt het sportcomplex dat via een houtsingel is afgescheiden van het plangebied. 10

rw

eg

Me

gg ld e Ve

Het zonneveld en de N322 hebben een duidelijke eigen structuur, welke niet aansluiten bij het oorspronkelijke landschap.

iler

str aat

er

we g

Sinterstraat

Het plangebied is bereikbaar vanaf Johannalaan, Houtskoolstraat en Veldeggerweg. De Johannalaan is een smalle doodlopende weg die enkele erven en het zonneveld ontsluit. De Veldeggerweg heeft een smal profiel met een begeleidende laanstructuur, die via een tunneltje een fietsverbinding naar het buitengebied vormt.

Speelvoorziening

Landschappelijke & groenstructuur

Legenda

De Veldeggerweg met het erf is een cultuurhistorische route, die het verhaal van het oorspronkelijke landschap vertelt. De laanbeplanting van oude eiken vormt een waardevol groen element langs de Veldeggerweg. De houtsingel met volgroeide bomen rondom het sportpark vormt een waardevol groen element langs de westelijke plangrens. Het plangebied zelf bestaat uit agrarisch grasland, dat door de Johannalaan (met erven) en een greppel met een aantal markante solitaire bomen in enkele open ruimtes is opgedeeld.

Enk Bosschage / houtsingel / bomen Bomenrij Open ruimtes Greppels Wadi (waterberging) Erf Zonnepark met struweelzone Zichtlijn Groene wig Veldegge

In de Veldegge is relatief weinig groen aanwezig. Er is één smalle wadi centraal in het gebied. Vanuit deze wadi is er een zichtlijn op het plangebied. De grote wadi langs de Houtskoolstraat is van belang voor de waterhuishouding en wordt gebruikt als trapveldje.

Agrarisch / gras

Ve lde gg

er w

eg

Houtskoolstraat

Markante solitaire bomen in plangebied

Oude eiken Veldeggerweg

11

3. Uitgangspunten voor de Veldegge Noord De uitgangspunten zijn een combinatie van de conclusies uit de ruimtelijke analyse (zie hoofdstuk 2) en de uitgangspunten die vanuit de gemeente Raalte zijn meegegeven om de Veldegge Noord tot een prettige, klimaatadaptieve woonomgeving te realiseren met een gevarieerd woningaanbod.

-

Wonen -

-

Ruimtelijke structuur

De Veldegge Noord is bedoeld om in de woningbehoefte van Heeten te voorzien met mogelijkheden om ook in de gemeentelijke ambities te voorzien. Wat betreft de verdeling is het uitgangspunt om minimaal 25% sociale huurwoningen te realiseren en daarnaast te streven naar de landelijke richtlijnen met minimaal 40% betaalbare woningen en maximaal 30% dure woningen (boven de betaalbaarheidsgrens).

-

-

Verkeer en parkeren -

-

bewoners uit de Veldegge (waaronder kinderen) een alternatief voor de Holterweg, die als minder veilig voor langzaam verkeer wordt gezien. De gemeente parkeernormen voor parkeren zijn van toepassing. De loopafstand naar parkeervoorzieningen voor bewoners is 50m.

De Veldegge Noord moet voor autoverkeer hoofdzakelijk ontsloten worden via de Sinterstraat en de Meilerstraat. Voor langzaam verkeer is een verbinding door De Veldegge Noord wenselijk die aansluit op de Johannalaan en de Veldeggerweg. Daarmee hebben

-

12

Een goede ruimtelijke aansluiting van de nieuwe woonbuurt op de Veldegge is van belang. Het zonnepark en de N322 zijn geen structuren waar direct op wordt aangesloten, maar er dient wel een goede overgang van de nieuwe woonbuurt naar deze grotere structuren te worden gerealiseerd. De oorspronkelijke landschappelijke structuur als aanleiding gebruiken voor de ruimtelijke structuur van de nieuwe woonbuurt. Daarbij is behoud van het landelijke karakter rondom de Johannalaan en Veldeggerweg van belang. Het vervolg van de Sinterstraat en Meilerstraat begeleiden met voorkanten van bebouwing. Achterkanten grenzend aan het openbaar gebied zoveel mogelijk voorkomen. Indien dit toch voorkomt dan dienen deze zorgvuldig te worden vormgegeven.

Groen -

-

-

-

Bestaande bomen worden zorgvuldig ingepast. Dat wil zeggen dat er rekening gehouden wordt met kroonprojecties en wortelpakketten. Het betreft de solitaire bomen in het gebied en de eiken langs de Veldeggerweg (deze zijn onderdeel van de hoofdgroenstructuur). De centrale groenzone (wadi) vanuit de Veldegge doortrekken in de Veldegge Noord en koppelen aan de groenzone richting de sportvelden om een samenhangend groennetwerk te realiseren. De ambitie is om een natuurinclusieve woonbuurt te realiseren. Groene erfafscheidingen zijn daarbij een uitgangspunt. Daarnaast is het van belang om met nieuwe bomen te zorgen voor verkoeling om hittestress tegen te gaan. De haag rondom het zonneveld dient behouden te blijven.

-

-

-

Spelen -

Water -

bui van 90mm in één uur. Daarbij moeten rijbanen binnen 3 uur weer ‘droog’ zijn. Er moeten voldoende waterbergende voorzieningen gerealiseerd worden om het hemelwater op te vangen. Hemelwater wordt zo veel mogelijk vastgehouden binnen het plangebied en stroomt hoofdzakelijk oppervlakkig af richting de bergende voorzieningen. De bestaande wadi langs de Houtskoolstraat heeft een bergingscapaciteit van 2.000m3. Deze mag anders vormgegeven worden, mits de bergingscapaciteit behouden blijft binnen het plangebied. Bij aanleg van de woonbuurt wordt rekening gehouden met voldoende ontwateringsdiepte en tevens ook met de peilmaten van bestaande woningen en het zonnepark.

De Veldegge Noord moet een waterrobuuste woonbuurt worden. In het Nota Klimaatadaptatie (oktober 2021) van de gemeente Raalte is vastgelegd dat een nieuwbouwwijk bestand moet zijn tegen een

-

13

Er dient een trapveldje ingepast te worden, dat dienst doet voor de Veldegge en de Veldegge Noord. Dat mag het huidige trapveld zijn langs de Houtskoolstraat. Een goede langzaamverkeersverbinding naar het recent gerealiseerde speelveldje aan de Johannalaan is wenselijk.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Raalte&id=1db11598-8b93-47ba-b686-87bcfdc72e14