Motivering Bopa Munstersestraat 3a
Tekst van het document
Langer zelfstandig wonen in de gemeente Raalte; Duurzaam wonen in de gemeente Raalte; Huren in de gemeente Raalte; Kopen in de gemeente Raalte; Bouwen in de gemeente Raalte;
4.4.2.2 Thema 5 bouwen in de gemeente Raalte In voorliggend thema komen alle voorgaande thema’s samen. Welk woningbouwprogramma is passend bij de ambitie en ontwikkeling van de woningmarkt. Het wonen in de gemeente Raalte betekent relatief rustig en groen wonen met een goed voorzieningenniveau binnen handbereik en een goede bereikbaarheid over de weg en het spoor. In de gemeente kunnen jong en oud, arm en rijk, een passende woning vinden. Bij nieuwbouw gaan we voor een woningvoorraad die aansluit op de toekomstige vraag, maar die mogelijk ook op korte termijn invulling kan geven aan de druk op de hedendaagse woningmarkt. Met een aantrekkelijk woningbouwprogramma worden jongeren verleid om in Raalte te blijven, of in een latere levensfase terug te keren en worden vestigers aangetrokken die graag naar Raalte willen komen. De gemeente voorziet met de nieuwbouw primair in de woonbehoefte van zijn inwoners en realiseren een ‘plus’ om de woningschaarste te verminderen en vestigers van buiten te faciliteren. De gemeente voegt woningbouwprojecten toe die de diversiteit van de woningvoorraad vergroten en waar nu en in de toekomst men trots op zijn.
BJZ.nu Gemeente Raalte
24
Raalte, Munstersestraat 3a Motivering Om aan de woningvraag van dit moment te voldoen, wordt de bouwopgave versnelt en verhoogt. Deze woningen realiseert de gemeente voor de lokale behoefte én het levert van een bijdrage aan oplossen van woningschaarste in de regio. Voor de planningsperiode van 2020-2030 gaat de gemeente uit van het realiseren van 1500-2000 woningen (ipv de 700 woningen tot 2030 wat daarvoor geraamd was). Hierbij geldt dat niet elke kern hetzelfde is. Woningbouw moet passend zijn bij de kern. Vanwege het voorzieningenniveau heeft de kern Heino en Raalte wel een ‘plus’ ten opzichte van andere kernen. 4.4.2.3 Toetsing initiatief aan Programma Wonen 2021-2025 In voorliggend geval worden 15 levensloopbestendige appartementen toegevoegd nabij het centrum van de gemeente Raalte. Er is in voorliggend geval sprake van een toevoeging van duurzame appartementen binnen de kern gesitueerd nabij voorzieningen. Hiermee wordt ingespeeld op de kwalitatieve behoefte. De gemeente wil namelijk meer bouwen om jongeren in de gemeente te houden, of in latere fase terug te laten keren en vestigers van buiten te kunnen faciliteren. Daarnaast zijn de levensloopbestendige appartementen uitermate geschikt voor meerdere doelgroepen zoals senioren en doorstromers. Zodoende komen met de ontwikkeling ook meer woningen vrij voor starters op de markt in Raalte.
Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met het programma wonen. Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met het ‘Programma Wonen 2021-2025’. 4.4.3
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Geconcludeerd wordt dat de in deze ruimtelijke motivering besloten ruimtelijke ontwikkeling in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie ‘Horizon’ Raalte verwoorde en in het woon programma verankerde gemeentelijk ruimtelijk beleid.
4.5
Beleid Waterschap
4.5.1
Beleid waterschap Drents Overijsselse Delta
Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Drents Overijsselse Delta wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Daarbij kan gaan om zowel nieuw beleid als staand beleid en maatregelen. Voor het nieuwe beleid, dat nog niet is vastgesteld door dagelijks en/of algemeen bestuur en waarbij het participatieproces nog niet voltooid is, heeft het waterbeheerprogramma een agenderende functie. Dit betekent dat invulling van de inhoud van dit nieuwe beleid buiten de scope van het waterbeheerprogramma ligt. 4.5.2
Gemeentelijk rioleringsplan
Het gemeentelijke rioleringsplan (GRP) beschrijft de beleidskaders (ambities)en de activiteiten voor de inzameling, transport en verwerking van stedelijk afval, hemel- en grondwater. Het GRP gaat uit van de volgende principes (tritsen): De trits “vasthouden --> bergen --> afvoeren” houdt in dat in eerste instantie getracht wordt het (gebiedseigen) water in de bodem te infiltreren. Indien dit niet mogelijk is dient het afstromend regenwater lokaal te worden geborgen in vijvers en watergangen. Pas in de laatste instantie kan overwogen worden het water (zo traag mogelijk) af te voeren naar de omgeving. BJZ.nu Gemeente Raalte
25
Raalte, Munstersestraat 3a Motivering Hitte, droogte, watertekort en wateroverlast zijn aspecten die van wezenlijke invloed zijn bij het ontwerpen en bij de realisatie van plannen voor zowel inbreidings- als uitbreidingslocaties. Met deze aspecten wordt rekening gehouden door het principe van de meerlaagsveiligheid als bouwsteen van wezenlijk belang te hanteren bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen. Bestaande en nieuwe blauwe en groene elementen ondersteunen de klimaatadaptatie in het binnenstedelijk gebied en op bedrijven- en industrieterreinen. De samenhang met het beleid over klimaatadaptatie en overstromingsrisico wordt integraal beoordeeld.
BJZ.nu Gemeente Raalte
26
Raalte, Munstersestraat 3a Motivering
HOOFDSTUK 5
ASPECTEN VAN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet. De beschrijving wordt per aspect in een aparte paragraaf opgenomen en kan vervolgens in subparagrafen worden onderverdeeld. De volgende aspecten komen aan bod: 1. Geluid door activiteiten 2. Bodemkwaliteit 3. Luchtkwaliteit 4. Omgevingsveiligheid 5. Milieuzonering 6. Geur 7. Ecologie 8. Archeologie & cultuurhistorie 9. Trillingshinder 10. Water 11. Verkeer en parkeren 12. Gezondheid 13. Besluit milieueffectrapportage 14. Duurzaamheid en klimaatadaptatie
5.1
Geluid door activiteiten
5.1.1
Algemeen
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: • • •
activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS).
Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de
BJZ.nu Gemeente Raalte
27
Raalte, Munstersestraat 3a Motivering gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.1.2
Situatie projectgebied
Met voorliggend project wordt ter plaatse van een bestaande woonfunctie nieuwe appartementen gerealiseerd. Dit betreffen nieuwe geluidsgevoelige gebouwen. Om deze reden moet rekening worden gehouden met de geluidshinder vanuit de omgeving. Weg- railverkeerslawaai In het omgevingsplan zijn nog geen geluidsaandachtsgebieden opgenomen. Daarom gelden voor wegen en spoorwegen de volgende afstanden: • • •
voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 m; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m.
Railverkeerslawaai In de nabijheid van het projectgebied zijn geen spoorlijnen aanwezig. Het dichtstbijzijnde spoor ligt op een afstand van 700 meter, waarbij er veel bebouwing tussen het spoor en het projectgebied gesitueerd is. Wegverkeerslawaai In voorliggend plan wordt er gesteld dat de wegen rondom het projectgebied, binnen 200 meter, een 30 km/u regime hebben waardoor onevenredige hinder van deze wegen uitgesloten kan worden. Daarbij is ook de wegverkeerslawaaikaart geraadpleegd (zie afbeelding 5.1). Op de kaart is te zien dat ter hoogte van de beoogde appartementen de geluidsbelasting van de weg maximaal 48 dB bedraagt. Hiermee wordt aan de standaardwaarden voldaan.
Afbeelding 5.1
Uitsnede wegverkeerslawaai (Bron: Atlasleefomgeving.nl)
BJZ.nu Gemeente Raalte
28
Raalte, Munstersestraat 3a Motivering Industrielawaai In de omgeving van het projectgebied zijn geen gezoneerde industrieterreinen aanwezig. Conclusie geluid door activiteiten De geluidsbelasting door gemeentelijke wegen binnen de projectlocatie bedraagt hoogstens 48 dB en blijft daarmee onder de standaardwaarde uit het Bkl. Hiermee is aangetoond dat er vanuit het aspect geluid sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.2
Bodemkwaliteit
5.2.1
Algemeen
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; • beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; • evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; • duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde.
Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet: •
Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn. • Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde. • Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn. • Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname. Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. 5.2.2
Situatie projectgebied
Voorliggend plan betreft de herontwikkeling van de gronden van een voormalig solitair landhuis. De gronden zijn in de huidige situatie al in gebruik ten behoeve van de functie wonen. Het geheel is nu al in gebruik ten behoeve van wonen. In verband met de graafwerkzaamheden en het vervoer van grond word ter plaatse wel een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Uit dit verkennend onderzoek is gebleken dat er ook nader onderzoek noodzakelijk is. Voorgaande onderzoeken zijn gebundeld in één rapportage en is toegevoegd aan deze motivering als bijlage 3. Hieronder wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten en conclusies van het onderzoek.
BJZ.nu Gemeente Raalte
29
Raalte, Munstersestraat 3a Motivering Resultaten en conclusie verkennend bodemonderzoek Tijdens de maaiveld- inspectie zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie geen asbestverdachte materialen op het maaiveld aangetroffen. Gehele locatie Ter plaatse van de locatie zijn meerdere inspectiegaten gegraven, bemonsterd en geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest. In de mengmonsters is analytisch geen asbest aangetoond of het gewogen asbestgehalte is ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. In de bovengrondmengmonsters en in het ondergrondmengmonster zijn geen verhogingen aangetroffen boven de interventiewaarde. In het mengmonster BM1 is een matige verhoging lood aangetroffen. Naar aanleiding van dezematige verhoging zijn de separate deelmonsters van BM1 geanalyseerd op lood. In de separaat geanalyseerde deelmonsters zijn geen verhogingen lood aangetoond boven de interventiewaarde. Er lijkt sprake te zijn van een heterogeen verdeelde verontreiniging met lood, overwegend in gehalten die de achtergrondwaarde overschrijden. Plaatselijk zijn matig verhoogde gehalten aangetoond; dit zijn vermoedelijk uitschieters op het algemene verontreinigingsbeeld en kunnen derhalve als lokale ‘spots’ worden beschouwd. In het grondwatermonster is een lichte verhoging tetrachlooretheen (Per) aangetroffen.
In de bovengrondmengmonsters en in het ondergrondmengmonster zijn geen concentraties PFAS aangetroffen boven de toepassingsnorm van 1,9 μg/kg voor PFOA en 1,4 μg/kg voor PFOS. Resultaten en conclusie nader bodemonderzoek In het verkennend onderzoek is ter plaatse van boorpunten 12 en 15 een verhoging met lood aangetroffen ten opzichte van de tussenwaarde in de bovengrond. In onderhavig naderbodemonderzoek zijn ter plaatse van boorpunten 12 en 15 meerdere boringen geplaatst voor de horizontale en verticale afperking. In de geplaatste boringen voor de horizontale en verticale afperking zijn geen verhogingen lood aangetoond boven de interventiewaarde. Omdat in de separate monsters geen concentraties zijn aangetoond boven de interventiewaarde kan gesteld worden dat op de locatie sprake is van een licht tot matige, diffuse verontreiniging met lood. Resume (hergebruik grond) In nader overleg met de gemeente en Omgevingsdienst is- en wordt nader afgestemd op welke wijze ter plaatse omgegaan moet worden met de verontreinigde grond die eventueel op dieper dan 1.50 meter weggegraven wordt. 5.2.3
Conclusie
Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1
Algemeen
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: o
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; BJZ.nu Gemeente Raalte
30
Raalte, Munstersestraat 3a Motivering o het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; o het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: •
Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. • Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. Aandachtsgebieden (toevoegen indien van toepassing in de gemeente) Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO 2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld: • • • 5.3.2
bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit’ bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg. Situatie projectgebied
Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling, in verhouding tot de standaardgevallen NIBM (artikel 5.54 Bkl), kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. 5.3.3
Conclusie
Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.4
Omgevingsveiligheid
5.4.1
Algemeen
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:
BJZ.nu Gemeente Raalte
31
Raalte, Munstersestraat 3a Motivering o
Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. o Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). o Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. o Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. Voor een project dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het project kwetsbare gebouwen worden toegestaan.
In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl) Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: 1. 2. 3. 4. 5.4.2
Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl) Situatie in en bij het projectgebied
Zoals te zien op de uitsnede van het projectgebied op de landelijke signaleringskaart externe veiligheid (afbeelding 5.2), is er geen sprake van een onaanvaardbaar risico. Het projectgebied (blauwe ster) ligt niet in een zone of aandachtsgebied. Een nader onderzoek naar het groepsrisico of plaatsgebonden risico is niet nodig.
BJZ.nu Gemeente Raalte
32
Raalte, Munstersestraat 3a Motivering
Afbeelding 5.2
5.4.3
Uitsnede projectgebied op Landelijke signaleringskaart externe Veiligheid (Bron: nl.ev-signaleringskaart.nl)
Conclusie
Vanuit het aspect externe veiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.5
Milieuzonering
5.5.1
Algemeen
Onder de Omgevingswet worden aspecten als geluid- en geurhinder niet meer in het milieuspoor geregeld, zoals voorheen in het Activiteitenbesluit of een milieuvergunning, maar direct in het omgevingsplan. Dit is een van de redenen waarom de VNG heeft besloten dat de VNG-handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uit 2009 met de richtafstanden per bedrijfsactiviteit niet meer goed past bij het integrale karakter van de Omgevingswet en het omgevingsplan. Milieuzonering nieuwe stijl (VNG handreiking mei 2019) anticipeert hierop en gaat uit van de beschikbare gebruiksruimte om activiteiten uit te voeren, onder meer voor geluid. De werkelijke milieubelasting van een bedrijfsactiviteit is dan bepalend of een activiteit op een bepaalde locatie past, en niet meer een richtafstand. De systematiek uit de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ is opgenomen in veel bestemmingen. Zolang die bestemmingsplannen van kracht zijn – ook na overgang in het tijdelijke omgevingsplan van rechtswege – wordt deze systematiek nog toegepast. In voorliggend geval geldt voor het project gebied het de oude systematiek. Hierna wordt de ontwikkeling op basis hiervan getoetst.
BJZ.nu Gemeente Raalte
33
Raalte, Munstersestraat 3a Motivering 5.5.2
Situatie projectgebied
Oude stijl (VNG handreiking ‘bedrijven en milieuzonering’) Gebiedstypen In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het projectgebied is gelegen in een omgeving waar voornamelijk woningen aanwezig zijn, daarom kan de omgeving worden aangemerkt met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. De richtafstanden behorende bij de te onderscheiden omgevingstypen worden in de navolgende tabel inzichtelijk gemaakt: Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Interne en externe werking Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.
past de functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de functie toe? (interne werking).
Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving. De functie ‘wonen’ betreft geen milieubelastende activiteit voor de omgeving. Van aantasting van het woonen leefklimaat van omwonenden is geenszins sprake. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie binnen het projectgebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving of wanneer de nieuwe functie de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantast. In dit geval wordt het appartementencomplex binnen het projectgebied
BJZ.nu Gemeente Raalte
34
Raalte, Munstersestraat 3a Motivering aangemerkt als milieugevoelige functie. In de directe omgeving van het projectgebied bevinden zich verschillende functies die horen bij een centrum. Denk hierbij aan de functies ’maatschappelijk’, ‘detailhandel’, ‘kantoor’, ‘centrum’ en ‘horeca’. Dergelijke activiteiten worden op basis van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ gekwalificeerd als maximaal categorie 2 bedrijven met een richtafstand van 30 meter. Rondom 30 meter van het beoogde appartementencomplex zijn geen van deze functies gelegen. Geconcludeerd wordt dat er wordt voldaan aan de richtafstanden staande in de VNG-uitgave. 5.5.3
Conclusie
Vanuit het aspect milieuzonering is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.6
Geur
5.6.1 Algemeen In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: • • • •
Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 Bruidsschat); Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 Bruidsschat); Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 Bruidsschat); Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 Bruidsschat).
Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: • • •
Geurnormen in het omgevingsplan; Rekenen; Afstandseisen;
BJZ.nu Gemeente Raalte
35
Raalte, Munstersestraat 3a Motivering • 5.6.2
Randvoorwaarden. Situatie projectgebied
In en rondom het projectgebied zijn geen agrarische bedrijven gevestigd. Daarnaast zijn er geen dierenverblijven voor landbouwhuisdieren waaraan getoetst hoeft te worden. 5.6.3
Conclusie
Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.7
Ecologie
5.7.1
Algemeen
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de natuur door stikstofdepositie. Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). 5.7.2
Gebiedsbescherming
Natura 2000-gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: • •
Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en • De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. BJZ.nu Gemeente Raalte
36
Raalte, Munstersestraat 3a Motivering Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 5.7.3
Soortenbescherming
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: o er soorten aanwezig zijn; en o welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 5.7.4
Situatie projectgebied
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Boetelerveld’ bevindt zich op circa 3,1 kilometer afstand van het projectgebied. in afbeelding 5.3 is de afstand van het projectgebied (blauwe ster) tot de Natura 2000-gebieden en het NNN weergegeven. Het projectgebied ligt op circa 1.5 kilometer afstand van het Natuurnetwerk Nederland (NNN).
Afbeelding 5.3
Uitsnede Natura 2000- en NNN gebieden (Bron: Atlasleefomgeving.nl, bewerkt)
BJZ.nu Gemeente Raalte
37
Raalte, Munstersestraat 3a Motivering 5.7.5
Beoordeling
5.7.5.1 Natura 2000 Storingseffecten Bij ingrepen in de ruimtelijke ontwikkeling nabij beschermde natuur geldt een (effect) afstand van 500 meter. Deze ontwikkeling valt buiten deze grens. De ligging van het projectgebied, de tussenliggende bebouwing en het toekomstig gebruik geven geen aanleiding om te verwachten dat er storingseffecten (geluid- en lichthinder) optreden ten opzichte van Natura 2000-doelstellingen. Daarom is een voortoets Natura 2000 niet noodzakelijk. Stikstofonderzoek Om de mogelijke negatieve effecten van het planvoornemen op Natura 2000-gebieden door stikstofdepositie inzichtelijk te krijgen, heeft BJZ.nu een AERIUS-berekening gedaan (zie bijlage 4). In de AERIUS-berekening met betrekking tot de aanlegfase en de gebruiksfase blijkt dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. 5.7.5.2 NNN-gebieden Aangezien het projectgebied is gelegen buiten het NNN van Overijssel en het NNN in Overijssel geen externe werking kent, is nadere toetsing niet aan de orde. 5.7.5.3 Soortenbescherming Het ecologisch onderzoekbureau Bureau Bleijerveld heeft een zogeheten ecologische Quickscan gedaan naar de mogelijke gevolgen van het project op de flora en fauna in de projectomgeving.
Hieronder worden de bevindingen van dit onderzoek uiteengezet. Zie bijlage 5 voor de quickscan Flora en fauna en bijlage 6 voor het nadere onderzoek ecologie voor de gehele onderzoeksrapporten. Quickscan flora en fauna Uit de ecologische quickscan komt het volgende beeld wat betreft de soortenbescherming: • • • • • •
Flora o Nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. Vogels o Nader onderzoek noodzakelijk geacht naar huismus. Vleermuizen o Nader onderzoek noodzakelijk geacht. Zoogdieren o Nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. Overige soorten o Nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. Houtopstanden o Nader onderzoek niet noodzakelijk geacht.
Nader onderzoek ecologie (huismus en vleermuizen) In de periode april - september 2024 is bebouwing op het adres Munsterstraat 3a te Raalte onderzocht op verblijfplaatsen van vleermuizen en nestplaatsen van huismussen. Er zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen in het onderzoeksgebied vastgesteld en er zijn geen nestplaatsen van huismussen in het onderzoeksgebied vastgesteld. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling (sloop aanwezige bebouwing), wordt geen vleermuis gedood of verstoord en wordt geen verblijfplaats van vleermuizen, of een ander beschermd grondgebonden zoogdier beschadigd of vernield. Ook wordt geen nestplaats van huismussen beschadigd of vernield.
BJZ.nu Gemeente Raalte
38
Raalte, Munstersestraat 3a Motivering 5.7.6
Conclusie
Vanuit het aspect ecologie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.8
Archeologie & cultuurhistorie
5.8.1
Algemeen
Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. 5.8.2
Archeologie
Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. Wat betreft het aspect ‘archeologie’ wordt opgemerkt dat de gemeente Raalte het archeologiebeleid heeft doorvertaald naar de dubbelbestemmingen in het bestemmingsplan. De gronden binnen het projectgebied zijn voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachtingswaarde’. Bij bouwprojecten met een grondbeslag van meer dan 100 m² is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Zodoende is al een verkennend archeologisch bureau en inventariserend onderzoek uitgevoerd. Het volledige rapport is toegevoegd als bijlage 7. Op basis van het archeologisch onderzoek is een programma van eisen opgesteld om het nadere proefsleuvenonderzoek en sloopbegeleiding. Het PvE is toegevoegd als bijlage 8 Hieronder volgen de belangrijkste resultaten en conclusies van het onderzoek. Situatie projectgebied archeologie Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase Er is sprake van een verstoord pakket met een gemiddelde dikte van 47 cm.
Hieronder is een geroerd pakket aangetroffen dat is geïnterpreteerd als oude ophogingslaag. Naast het gevonden fragment grijsbakkend aardewerk in boring 3 zijn door de bewoners bij eerdere werkzaamheden in en rondom de bestaande woning meerdere historische bouwmaterialen gevonden. De aanwezigheid van deze materialen is een sterke indicatie dat in het projectgebied mogelijk restanten van oudere bebouwing aanwezig zijn. De verwachting voor Middeleeuwen – Nieuwe Tijd kan daarom gehandhaafd blijven. Gelet op de te verwachten prospectiekenmerken en prospecteerbaarheid van een eventuele vindplaats is geadviseerd dit vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek conform de KNA Leidraad Inventariserend Veldonderzoek Deel: Proefsleuvenonderzoek (IVO-P).32 Dit proefsleuvenonderzoek zal alleen plaats vinden in het toekomstig te verstoren gebied. Verder wordt geadviseerd om dit proefsleuvenonderzoek te combineren met de begeleiding van de sloop van het bestaande gebouw om de relatie tussen de huidige bebouwing en eventuele oudere gebouwen te inventariseren. BJZ.nu Gemeente Raalte
39
Raalte, Munstersestraat 3a Motivering De regioarcheoloog neemt bovenstaand advies over. Een proefsleuvenonderzoek zal zodoende worden uitgevoerd. Indien de resultaten van het onderzoek tijdig binnen zijn worden deze toegevoegd aan deze motivering. Het PvE is toegevoegd aan de motivering.Hierin staat beschreven hoe het proefsleuvenonderzoek en de sloopbegeleiding plaatsvindt. Indien het bevoegd gezag akkoord is, zal hetgeen staande in het PvE uitgevoerd worden. 5.8.3
Cultuurhistorie
Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het projectgebied gelegen werelderfgoed. Situatie projectgebied cultuurhistorie Wat betreft het aspect ‘cultuurhistorie’ wordt opgemerkt dat het landhuis niet aangemerkt is als Rijks- of gemeentelijk monument. Ook in de directe omgeving zijn er geen monumenten aanwezig. Op basis van de gemeentelijke Cultuurhistorische Waardenkaart is het projectgebied aangewezen als ‘niet landschappelijk gewaardeerd’. Opgemerkt wordt dat met het voornemen wel gekeken is naar het bestaande landhuis en hoe qua architectonische uitstraling dit kan terugkomen in het ontwerp. 5.8.4
Conclusie
Vanuit het aspect archeologie en cultuurhistorie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.9
Trillingshinder
5.9.1
Algemeen
Voor het aspect trillingen vallen alle activiteiten die trillingen veroorzaken onder de afdeling '2.3 Milieubelastende activiteiten bruidsschat omgevingsplan'. De uitzonderingen hierop staan in artikel 22.41 van de bruidsschat De Omgevingswet beschermd trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen. Trillingshinder is met name een aandachtspunt indien de afstand tot het spoor van minder dan 250 meter bedraagt. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. 5.9.2
Situatie projectgebied
Het projectgebied bevindt zich op circa 700 meter van de dichtstbijzijnde spoorlijn. Het projectgebied bevindt zich hiermee ruimschoots buiten het aandachtsgebied voor trillingshinder. Met oog op het aspect trillingshinder is deze afstand voldoende groot. Er hoeven hiervoor geen maatregelen genomen te worden. 5.9.3
Conclusie
Vanuit het aspect trillingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
BJZ.nu Gemeente Raalte
40
Raalte, Munstersestraat 3a Motivering
5.10
Wateraspecten
5.10.1 Algemeen In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect water. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. In paragraaf 4.5 en 4.6 is reeds ingegaan op het beleid van het Waterschap Drents Overijsselse Delta en het gemeentelijke rioleringsbeleid. Hieruit is geconcludeerd dat het projectvoornemen in lijn is met de doelstellingen die in de watervisie zijn opgesteld. Echter, voor een nadere beoordeling voor de gevolgen van het projectvoornemen op de wateraspecten is wordt de zogeheten ‘watertoets’ uitgevoerd (zie Bijlage 9). In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen.
Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Uit de watertoets en na overleg met het waterschap is de ‘korte procedure’ van toepassing. 5.10.2 Watertoetsproces en waterhuishouding projectgebied Invloed op de waterhuishouding Binnen het projectgebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. Voor de aanleghoogte wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter. Dit is de afstand tussen de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en onderzijde bouwvloer. Om wateroverlast binnen woningen en bedrijven te voorkomen adviseren wij om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren (as van de weg). Voor lager gelegen ruimtes, zoals kelders en parkeergarages, wordt aandacht besteed aan het voorkomen van wateroverlast door bijvoorbeeld instromend hemelwater. Met het voornemen wordt door de realisatie van de parkeerkelder dan ook nader nagedacht hoe voorkomen kan worden dat het water hier naar binnen stroomt. Voorkeursbeleid hemelwater Bij de afvoer van overtollig hemelwater moet het afstromend hemelwater ter plaatse in de bodem dan wel op het oppervlaktewater worden teruggebracht. Het waterschap heeft de voorkeur om het hemelwater, daar waar mogelijk, te infiltreren in de bodem.
Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi’s heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool (IT-riool) of infiltratiekratten een mogelijkheid. Als infiltratie niet mogelijk is dan kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. De afvoer van overtollig hemelwater uit het projectgebied mag, ongeacht de toegepaste methode, niet tot wateroverlast leiden op aangrenzende percelen of het omliggende watersysteem. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Met het voornemen is nagedacht over de wijze waarop de bebouwing en verharding gerealiseerd moet worden. Met het huidige plan is veel zorgt voor de bestaande bomen en het behoud van het groen. Zodoende kan het water hier natuurlijk infiltreren in de grond. Compensatie bij verharding Om wateroverlast te voorkomen wordt geadviseerd om voor het aanwezig verhard oppervlak een berging ter compensatie voor de versnelde afvoer van het afstromende hemelwater te realiseren. Compensatie moet de BJZ.nu Gemeente Raalte
41
Raalte, Munstersestraat 3a Motivering volgende trap volgen: vasthouden-bergen-afvoeren. Voor kleine plannen geldt als regel dat 10% van het totale aanwezige verhard oppervlak wordt ingezet voor berging ter compensatie voor de versnelde afvoer van het afstromende hemelwater waarin maximaal 30 cm peilstijging is toegestaan. Geadviseerd wordt om de waterberging te ontwerpen op basis van bij voorkeur een vertraagde afvoer, een infiltratiesituatie. In de motivering dienen de maatregelen te worden beschreven waardoor versnelde afvoer van afstromend hemelwater binnen het projectgebied wordt voorkomen. Het huidig bestaande gebied is in de huidige situatie al verhard. Met het voornemen wordt echter wel verharding toegevoegd. Er is naar de waterberging ter plaatse gekeken en gekozen om middels infiltratiekratten ter plaatse het water te infiltreren in de bodem. Rioleringsplan Aan de situatie met betrekking tot de riolering verandert er met voorliggend plan niets. De toekomstige appartementen kunnen aangesloten worden op het bestaande rioleringsnetwerk die al ter plaatse ligt. 5.10.3 Conclusie Vanuit het aspect water is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.11
Verkeer en parkeren
5.11.1 Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die daardoor ontstaat. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie ‘Parkeerkencijfers, Basis voor parkeernormering, publicatie 744 (december 2024)’ van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Specifiek voor verkeersgeneratie en parkeren heeft het CROW de publicatie opgesteld. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Daarnaast heeft het college van burgemeester en wethouders van Raalte het parkeerbeleid vertaald in ‘Parkeernormen Raalte 2015’. Voor de parkeerbehoefte is zodoende naar deze kengetallen gekeken. 5.11.2 Uitgangspunten Qua functie, verstedelijkingsgraad, stedelijke zone, parkeernorm en verkeersgeneratie worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: o o o
Verstedelijkingsgraad: matig stedelijk (Bron: CBS Statline); Stedelijke zone: rest bebouwde kom; Functie wonen: o Koop, etage, duur, parkeernorm 2,1; o Koop, etage, midden parkeernorm 1,9; In de publicatie van de CROW is de verkeersgeneratie per functie uiteengezet. Daarnaast wordt hierin een minimaal en maximaal aantal verkeersbewegingen voor de functies aangegeven. In voorliggend geval is in overleg met de gemeente van het gemiddelde uitgegaan. Op basis van de ‘Parkeernormen Raalte 2015’ gelden voor de te realiseren appartementen in het projectgebied de volgende gemiddelde parkeernormen en normen voor de verkeersgeneratie. Hierbij is uitgegaan van een maximale invulling van het projectgebied. Tabel met uitgangspunten parkeerbehoefte en verkeersgeneratie:
BJZ.nu Gemeente Raalte
42
Raalte, Munstersestraat 3a Motivering Parkeernorm per appartement 2,1 1,9 Totaal
Aantal appartementen 3 duur segment 12 midden segment
Parkeerbehoefte 6,3 22,8 29,1 / 30 parkeerplaatsen
Verkeersbewegingen per appartement 7,3 5,9 Totaal
Aantal appartement
Totaal aantal verkeersbewegingen per weekdag (gemiddeld) 21,9 70,8 92,7 / 93 verkeersbewegingen
3 duur segment 12 midden segment
5.11.3 Parkeerbehoefte De deels verdiepte parkeerkelder biedt plaats voor 21 parkeerplaatsen. Op het buitenterrein worden 9 parkeerplaatsen gerealiseerd. In totaal worden er 30 parkeerplaatsen gerealiseerd wat voldoende is om aan de parkeerbehoefte te voldoen. 5.11.4 Verkeersgeneratie en ontsluiting De totale verkeersgeneratie voor de te realiseren appartementen komt afgerond neer op 93 verkeersbewegingen per etmaal. De Munstersestraat en omliggende wegen (Westdorplaan en Bentinckstraat) zijn van voldoende capaciteit om het extra verkeer veilig en vlot af te wikkelen. Het perceel wordt ontsloten door middel van de bestaande ontsluiting op de Munstersestraat. De aspecten ‘verkeer & parkeren’ vormen geen belemmeringen voor het initiatief. 5.11.5 Conclusie Vanuit het aspect verkeer en parkeren is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.12
Gezondheid
5.12.1 Algemeen In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: o
het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?) o het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid). Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld
BJZ.nu Gemeente Raalte
43
Raalte, Munstersestraat 3a Motivering gemotiveerd. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de besluitvorming omtrent verlening van de buitenplanse omgevingsvergunning is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van de activiteit optreedt. 5.12.2 Situatie projectgebied In voorliggend geval is er geen sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het nemen van een planologische procedure ten behoeve van het toestaan van de appartementen leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid. Er is met het stedenbouwkundige plan al rekening gehouden met een parkeerkelder zodat het projectgebied zo groen mogelijk kan worden ingevuld met ten behoeve is van de gezondheid. Het aspect gezondheid vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling en kan tekstueel aan bod komen in de toelichting op de planologische procedure. 5.12.3 Conclusie Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.13
M.e.r.-beoordeling
5.13.1 Algemeen Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of merbeoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: • • • •
In kolom 1 staan de projecten opgesomd; In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt; Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend.
Bij de project-mer-beoordeling is een mededeling nodig aan het bevoegd gezag. Deze mededeling bevat een beschrijving van de eisen die zijn opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit en bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten, met de bijbehorende motivering, op in het besluit en, voor zover hier sprake van is, in het ontwerp van het besluit (artikel 11.11, lid 2 Omgevingsbesluit). In de motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Omgevingsbesluit) wordt in ieder geval verwezen naar: 1. 2.
de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; en als is beslist dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt: a. 1˚. de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en b. 2˚. het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd.
Kenmerken en maatregelen als bedoeld in artikel 11.10, lid 3 Ob. Bij een mededeling als bedoeld in artikel 16.45, eerste lid, van de wet, verstrekt degene die voornemens is het project uit te voeren in ieder geval een beschrijving van: 1.
het project, met in ieder geval een beschrijving van:
BJZ.nu Gemeente Raalte
44
Raalte, Munstersestraat 3a Motivering a.
2. 3.
de fysieke kenmerken van het gehele project en, als dat van toepassing is, van sloopactiviteiten; b. de locatie van het project, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn; de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project; en voor zover er informatie over deze effecten beschikbaar is: de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project ten gevolge van: a. de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen; en b. het gebruik van natuurlijke bronnen, waaronder bodem, land, water en biodiversiteit.
5.13.2 Beoordeling De project-m.e.r-beoordeling is er voor kleine gebieden op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen. Deze beoordeling is alleen verplicht als het plan leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten en significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden optreden. Zoals is aangegeven in paragraaf 5.7.4 het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden op circa 3,1 kilometer afstand. Gezien de aard en omvang van het voornemen in relatie tot de ruime afstand tot Natura 2000-gebied wordt geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelen van een Natura-2000 gebied. Voorliggend initiatief voorziet in het toevoegen van 14 extra woningen en wordt daarmee gezien als een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in het Omgevingsbesluit Bijlage V onder J11. Voor voorliggend initiatief is een vormvrije aanmeldnotitie opgesteld waarin de potentiële gevolgen en effecten van de ontwikkeling worden toegelicht. De vormvrije m.e.r. beoordeling is toegevoegd aan deze motivering als bijlage 10. 5.13.3 Conclusie Uit de mer-beoordeling is gebleken dat de gevolgen van het uitvoeren van de activiteit op de fysieke leefomgeving geen aanleiding geven tot het opstellen van een mer-rapportage en dat er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.