CConstaterende datRaalte
Koppel je AI →
Document · PDF

Motivering

Raadsvergadering 16 april 2026, gemeente RaalteBij agendapunt: Vaststellen TAM-Omgevingsplan 10 Raarhoeksweg 47/47a/47b/47c Raalte, hamerstuk17.692 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De sloopoppervlakte bedraagt in dit geval 1.041 m 2, bestaande uit de sloop van de jongveestal met een oppervlakte van 680 m2 en 361 m2 verworven sloopmeters. Op basis van de schuur voor schuur-regeling mag de gezamenlijke oppervlakte daarmee 547 m2 bedragen. In onderstaande tabel is dit uitgewerkt. Oppervlakte te bouwen Tot 100 m2 101 m2 – 500 m2 501 m2 en meer

Bouw/sloopverhouding 1:1 1:2 1:3

Benodigde sloopmeters 100 * 1 = 100 m2 400 * 2 = 800 m2 47 * 3 = 141 m2

Bij deelname aan de Schuur voor Schuur-regeling is normaal gesproken een voorwaarde dat de bestaande oppervlakte aan bebouwing wordt vastgelegd en dat er geen mogelijkheden zijn om deze oppervlakte aan bebouwing uit te breiden. In dit geval wordt hier een uitzondering op gemaakt, omdat anders het agrarisch bedrijf geen toekomstperspectief heeft. Er kunnen dan namelijk geen nieuwe gebouwen gerealiseerd worden wanneer dit noodzakelijk is vanwege veranderende milieuof dierenwelzijnseisen. In de regels van dit TAM-omgevingsplan is een specifieke beoordelingsregel opgenomen, waarmee onder voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend voor het uitbreiden van het agrarisch bedrijf met maximaal 10%. De bestaande gebouwen hebben een oppervlakte van 2.776 m2. Dit betekent dat er maximaal 278 m2 aan extra bebouwing gerealiseerd mag worden. Een bedrijf starten op een vrijkomend erf: educatieruimte Onderdeel van de ontwikkeling betreft het realiseren van een educatieruimte van circa 480 m2 in een bestaand gebouw (ligboxenstal). Dit betreft een nevenfunctie welke via de korte procedure (zie punt 2 in paragraaf 5.3.2.3 mogelijk zou kunnen worden gemaakt. De oppervlakte is echter niet toereikend (max. 250 m2). De beleidsnota Erven in beweging maakt een grotere oppervlakte mogelijk, waarmee de educatieruimte toegestaan kan worden.

Voorwaarde is dat er sprake is van een significante kwaliteitsverbetering op het erf. Daarvan is sprake (zie paragraaf 4.3). Geconcludeerd wordt dan ook dat het initiatief voldoet aan de beleidsregel ‘Erven in beweging’. 5.3.3

Economische agenda 2020-2025

5.3.3.1 Algemeen Het doel van de economische agenda is om de economische opgaven tot en met 2025 te benoemen. In de economische agenda staat dat de ambitie is om het aantal verblijfstoeristen te laten groeien tot boven de 300.000 per jaar, het aantrekken van meer dagtoeristen en recreanten en het vergroten van de besteding van de verblijfstoerist met 3% per jaar. Daarnaast zijn er 2 acties genoteerd die een relatie hebben tot het voorliggende plan:

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

25

Tam-Omgevingsplan 10 Raarhoeksweg 47 a, b en c Raalte Vastgesteld 1. De visie en ambities van het beleidsplan recreatie en toerisme (2017-2020) blijven voor de periode 2021-2025 van kracht (zie paragraaf 5.3.4). 2. De gemeente Raalte zet vooral in op kleinschalige recreatie die aansluit op andere activiteiten in het buitengebied. 5.3.3.2 Toetsing initiatief aan de Economische agenda 2020-2025 Het voornemen sluit aan bij de economische agenda. Er wordt een bijdrage geleverd aan het mogelijk maken van het aantal verblijfstoeristen te laten groeien, door het aanbieden van een onderscheidend recreatief concept. Met de realisatie van 12 recreatiewoningen en een educatief aanbod wordt een nieuw toeristisch product toegevoegd dat bijdraagt aan de spreiding en verbreding van het aanbod in de gemeente. De koppeling tussen recreatie, natuurbeleving en gezonde voeding draagt bij aan een onderscheidend profiel en versterkt de positie van Raalte als aantrekkelijke verblijfs- en recreatiegemeente. Ook betreft het een kleinschalige vorm van recreatie, welke aansluit op de andere activiteiten in het buitengebied. Voor de agrarische bedrijven wordt gekeken naar welke aanvullende functies een agrarisch bedrijf kan realiseren om zo een extra verdienmodel te realiseren. Recreatiewoningen worden gezien als nieuw verdienmodel. Vanwege de ligging van de Flierefluiter naast dit adres.

Zijn recreatiewoningen op deze locatie als een passende nieuwe functie beoordeeld en kunnen worden gezien als een aanvulling op recreatie en toerisme. 5.3.4

Beleidsplan recreatie en toerisme 2017-2022

5.3.4.1 Algemeen In het beleidsplan staat dat Raalte beschikt over een divers en kwalitatief hoogwaardig aanbod van verblijfsrecreatie. Er zijn meerdere campings, bungalowparken, mini-campings, hotels, groepsaccommodaties en een scala aan kleinschalige verblijfsmogelijkheden (plattelandskamers, B&B’s etc.). De gemeente Raalte primair in op het behoud van de diversiteit en het op peil houden van de kwaliteit van de accommodaties. Bij nieuwe grootschaliger vormen van verblijfsrecreatie, zoals een nieuw hotel, groepsaccommodatie of camping, maakt de gemeente Raalte per situatie een afweging. De gemeente ziet op dit moment geen tekort aan overnachtingsmogelijkheden. De gemeente ziet daarom vooral ruimte voor initiatieven die iets nieuws toevoegen aan het bestaande aanbod en passend zijn in de omgeving waarin de accommodatie gepland is. Dat een initiatief iets nieuws toevoegt aan het bestaande aanbod kan bijvoorbeeld blijken uit een vernieuwend bedrijfsconcept of een bijzondere accommodatievorm. 5.3.4.2 Toetsing initiatief aan het Beleidsplan recreatie en toerisme 2017-2022 Er is sprake van een vernieuwend bedrijfsconcept omdat het gaat om de transitie van een agrarisch bedrijf met bijbehorende recreatief tak. Het plan wordt opgezet vanuit circulariteit waarbij het uitgangspunt is dat de recreatiewoningen worden gebouwd van eigen geproduceerde bouwstoffen.

De doelgroep van de recreatiewoningen zijn om mensen beter bewust te maken van de herkomst van hun voedsel en voor een gezonde leefstijl. De gasten van de reactiewoningen kunnen verschillende arrangementen afnemen voor het onder begeleiding helpen op de boerderij of een coaching sessie te boeken. Het plan draagt bij aan het realiseren van de gemeentelijke ambitie zoals geschetst in het beleidsplan. Daarnaast worden de recreatiewoningen in de buurt van de Flierefluiter gebouwd. Dit is beoordeeld als een passende plek en een aanvulling op recreatie en toerisme. 5.3.5

Landschapsontwikkelingsplan Salland

5.3.5.1 Algemeen Met het landschapsontwikkelingsplan wordt een gedragen visie op het landschap uitgewerkt in zowel wensen als concrete en uitvoerbare projecten. Het landschapsontwikkelingsplan biedt een kader om ruimtelijke ingrepen in het landschap te toetsen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

Tam-Omgevingsplan 10 Raarhoeksweg 47 a, b en c Raalte Vastgesteld Op basis van het ‘dekzandlaagtes’.

landschapsontwikkelingsplan

ligt

het

plangebied

in

het

gebiedstype

5.3.4.2 Dekzandlaagtes Dit deelgebied lijkt zeer sterk op het deelgebied ‘dekzandvlaktes’, maar heeft een natte karakter (broekontginningen). De rechte lanen met de erven en de open ruimtes daartussen bepalen de hoofdstructuur van het landschap. Doorgaande structuren zoals het Overijssels Kanaal en de doorgaande wegen passen zich aan de karakteristiek van de dekzandlaagtes aan: laanbeplanting past hierin. Het landschapsbeleid is gericht op het behouden en versterken van de karakteristieken. Het verschil tussen dit deelgebied en ‘dekzandvlaktes’ is gelegen in de lagere ligging van de gronden langs de weteringen. Bij ontwikkelingen op de erven is het wenselijk in te spelen op het nattere karakter van dit deelgebied door in de beplantingskeuze hier bij aan te sluiten. De opgaven vanuit natuur en water richten zich op het ontwikkelen van natuurlijke oevers direct langs de weteringen. Dit sluit aan bij het sterke functionele en agrarische karakter van het deelgebied. In het onderstaande schema is een gewenst toekomstbeeld geschetst van het landschap van de dekzandlaagtes.

Afbeelding 5.2

Toekomstbeeld landschap dekzandlaagtes (Bron: Landschapsontwikkelingsplan Salland)

De landschappelijke karakteristiek van dit gebied bestaat uit: • • • • • • • •

Open ruimtes omsloten door rechte wegen; Erven met rationele opzet gekoppeld aan wegen; Bebouwing gericht op weg; Weg- en erfbeplantingen zijn belangrijkste ruimtevormende elementen; Doorgaande structuren (weg, kanaal) passen zich aan de omgeving aan, variatie open/ gesloten; Erfbeplantingen langs lanen zijn rationeel en kennen heldere overgang van erf naar landschap (door middel van bijvoorbeeld een haag); Blokvormige verkaveling; Erfbeplanting sluit aan bij natte karakter.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

Tam-Omgevingsplan 10 Raarhoeksweg 47 a, b en c Raalte Vastgesteld 5.3.5.3 Toetsing van het initiatief aan het landschapsontwikkelingsplan Salland Met een ruimtelijk kwaliteitsplan (zie bijlage 1) is geborgd dat de ontwikkeling aansluit op de karakteristieken van de dekzandlaagtes. Door de positionering van de recreatiewoningen aan de achterzijde van het erf en de aanplant van begeleidende beplanting wordt aangesloten op de rationele opzet van erven en de blokvormige verkaveling. Het voornemen is passend binnen het landschapsontwikkelingsplan. 5.3.5

Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het gemeentelijk beleid zoals hiervoor is toegelicht.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Tam-Omgevingsplan 10 Raarhoeksweg 47 a, b en c Raalte Vastgesteld

HOOFDSTUK 6 6.1

OMGEVINGSVEILIGHEID

Algemeen

Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij dit wijzigingsbesluit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • • • •

Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • • • •

Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).

Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Een gemeente kan binnen een aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen. Ze is verplicht een besluit te nemen over het wel of niet aanwijzen van voorschriftengebieden binnen een aandachtsgebied. Locaties binnen aandachtsgebieden waar zeer kwetsbare gebouwen zijn toegelaten moeten altijd als voorschriftengebied worden aangewezen. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. 6.2

Situatie in en bij het plangebied

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In afbeelding 6.1 is een uitsnede van de risicokaart met betrekking tot het plangebied (rode cirkel) en de omgeving weergegeven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Tam-Omgevingsplan 10 Raarhoeksweg 47 a, b en c Raalte Vastgesteld

Afbeelding 6.1

Uitsnede risicokaart (Bron: Atlasleefomgeving.nl)

Het voorgenomen plan maakt geen risicovolle activiteiten met gevaarlijke stoffen mogelijk en vormt daarmee geen risicobron. In de directe omgeving van het plangebied zijn daarnaast geen risicobronnen aanwezig en het plangebied ligt ook niet in een aandachtsgebied. Het onderdeel omgevingsveiligheid vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 6.3

Conclusie

Met voorliggend wijzigingsbesluit wordt de omgevingsveiligheid in voldoende mate gewaarborgd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Tam-Omgevingsplan 10 Raarhoeksweg 47 a, b en c Raalte Vastgesteld

HOOFDSTUK 7

BESCHERMEN VAN DE WATERBELANGEN

Op basis van paragraaf 5.1.3 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het beschermen van de waterbelangen. In dit hoofdstuk wordt daarom ingegaan op het effect van de ontwikkeling op de waterhuishouding.

7.1

Vigerend beleid

7.1.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 7.1.2

Rijksbeleid

Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: • • •

Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering; We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte; Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.

Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven om te gaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027. 7.1.3

Provinciaal beleid

In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 7.1.4

Waterschap Drents Overijsselse Delta

Het Waterbeheerprogramma 2022–2027 van Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDODelta) vormt de strategische koers voor het waterbeheer in de regio en is gebaseerd op de uitgangspunten van de Omgevingswet. Het programma is concreter uitgewerkt dan voorgaande plannen en richt zich op vier hoofdthema's: • • •

Waterveiligheid: Het voorkomen van overstromingen en wateroverlast door het versterken van dijken en het verbeteren van waterkeringen. Voldoende water: Zorgen voor een betrouwbare en duurzame watervoorziening voor landbouw, natuur en drinkwaterproductie. Schoon water: Het verbeteren van de waterkwaliteit door het verminderen van verontreinigingen en het bevorderen van ecologische gezondheid. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Tam-Omgevingsplan 10 Raarhoeksweg 47 a, b en c Raalte Vastgesteld •

Maatschappij & organisatie: Het versterken van samenwerking met partners en het verbeteren van de interne organisatie om de gestelde doelen te bereiken.

Het programma benadrukt de noodzaak om waterbeheer integraal aan te pakken, rekening houdend met klimaatverandering, duurzaamheid en samenwerking met andere overheden en belanghebbenden.

7.2

Wateraspecten

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de ontwikkeling rekening wordt gehouden met het aspect water. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is ‘het wateradvies’. Het doel van het wateradvies is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). In deze paragraaf wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie.

7.3

Het wateradvies en waterhuishouding plangebied

Het waterschap Drents Overijsselse Delta is geïnformeerd over het plan middels ‘het wateradvies’. Hieruit is gebleken dat voor het plan de ‘normale procedure’ van toepassing is. Het watertoetsresultaat is opgenomen in bijlage 2. Het waterschap heeft een uitgangspuntennotitie opgesteld. Deze is opgenomen in bijlage 3. De uitgangspuntennotitie is uitgewerkt in een notitie waterhuishouding. Deze notitie is opgenomen in bijlage 4.

7.4

Conclusie

Met voorliggend wijzigingsbesluit wordt in voldoende mate rekening gehouden met het aspect water.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Tam-Omgevingsplan 10 Raarhoeksweg 47 a, b en c Raalte Vastgesteld

HOOFDSTUK 8

BESCHERMING GEZONDHEID EN HET MILIEU

Op basis van paragraaf 5.1.4 houdt een omgevingsplan rekening met de bescherming van de gezondheid en het milieu, waaronder in ieder geval begrepen: • • • • •

geluid; bodemkwaliteit; de kwaliteit van de buitenlucht; geur en; trillingen.

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze het voornemen rekening houdt met bovenstaande onderwerpen. Tevens worden de aspecten ‘gezondheid’ en ‘duurzaamheid’ behandeld.

8.1

Geluid door activiteiten

8.1.1

Algemeen

Voor het beschermen van de gezondheid en het milieu staan in het Bkl regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en andere activiteiten. Ook zijn er regels opgenomen voor de bescherming van geluidgevoelige gebouwen. Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.21 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.21 Bkl). 8.1.2

Situatie plangebied

Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling. Weg- en railverkeerslawaai De geluidaandachtsgebieden van Rijks-, provinciale, gemeente-, waterschaps- en spoorwegen worden opgenomen in de Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG). Indien door de wegbeheerder nog geen geluidaandachtsgebieden zijn berekend gelden de volgende afstanden: • • •

voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 m; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m.

In voorliggend geval worden geen geluidsgevoelige gebouwen toegevoegd op basis van artikel 3.21 van het Bkl. Daarmee vormt weg- en railverkeerslawaai geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Industrielawaai Er is geen sprake van industrieterreinen met een geluidsaandachtsgebied in de nabijheid van het plangebied. Industrielawaai vormt geen belemmering voor het voornemen. Solitaire bedrijvigheid Zoals opgemerkt worden als gevolg van voorliggend TAM-omgevingsplan geen geluidgevoelige gebouwen mogelijk gemaakt. Van een beperking van bedrijvigheid in de omgeving is zodoende geen sprake. Daarnaast moet worden onderbouwd of de te realiseren functies niet voor geluidhinder zorgen bij omliggende geluidgevoelige functies, zoals burgerwoningen. Als gevolg van voorliggend TAM-omgevingsplan worden recreatiewoningen en een educatieruimte mogelijk gemaakt.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

Tam-Omgevingsplan 10 Raarhoeksweg 47 a, b en c Raalte Vastgesteld Recreatiewoningen zouden aangemerkt kunnen worden als een milieucategorie 1 functie, vergelijkbaar met de functie ‘hotels en pensions met keuken’ zoals opgenomen in de VNG-brochure. Hiervoor geldt een richtafstand van 10 meter voor het aspect geluid. Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan aangezien omliggende woningen op meer dan 100 meter afstand liggen van de recreatiewoningen. Er zijn in de lijst met bedrijfsfuncties uit de VNG publicatie geen functies opgenomen die exact overeenkomen met een educatieruimte. De meest vergelijkbare functie betreft een ‘kantoor, dienstverlening’ waarvoor een richtafstand van 10 meter geldt voor het aspect geluid. Aan deze afstand wordt eveneens ruimschoots voldaan. 8.1.4

Conclusie

Met voorliggend wijzigingsbesluit wordt in voldoende mate rekening gehouden met het aspect geluid.

8.2

Bodemkwaliteit

8.2.1

Algemeen

Het beschermen van de bodemkwaliteit is een onderdeel bij de afweging van de aspecten van de fysieke leefomgeving. Ter bescherming van de bodemkwaliteit zijn instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de kwaliteit van de bodem. 8.2.2

Situatie plangebied

Ter plaatse van het plangebied heeft Dumea een verkennend bodemonderzoek NEN5740 en NEN5707 uitgevoerd en een nader onderzoek conform NTA 5755. Hierna wordt ingegaan op de onderzoeksresultaten. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 5 bij deze motivering. Verkennend bodemonderzoek NEN5740 Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn boringen en inspectiegaten uitgevoerd ten behoeve van een bodemonderzoek conform de NEN5740 en NEN5707. Gehele locatie In de bovengrondmengmonsters en in de ondergrondmengmonsters zijn geen verhogingen aangetroffen boven de interventiewaarde, met uitzondering van het ondergrondmengmonster OM1. In het ondergrondmengmonster OM1 is een sterke verhoging PAK aangetoond. Naar aanleiding van deze verhoging zijn de separate deelmonsters geanalyseerd op PAK. In de separaat geanalyseerde deelmonsters is een verhoging PAK aangetoond boven de interventiewaarde ter plaatse van boorpunt 23. In het deelmonster van boorpunt 20 is een verhoging PAK aangetoond ten opzichte van de achtergrondwaarde. De sterke verhoging ter plaatse van boorpunt 23 geeft formeel aanleiding tot het laten uitvoeren van een nader onderzoek. In de grondwatermonsters zijn lichte verhogingen zware metalen aangetroffen. Voormalige dieseltank In het bovengrondmengmonster zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster zijn geen olie-gerelateerde verhogingen aangetroffen.

Verkennend bodemonderzoek NEN5707 "asbest in bodem" Tijdens de maaiveld- inspectie zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie geen asbestverdachte materialen op het maaiveld aangetroffen. Gehele locatie Ter plaatse van de locatie zijn meerdere inspectiegaten gegraven, bemonsterd en geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Tam-Omgevingsplan 10 Raarhoeksweg 47 a, b en c Raalte Vastgesteld In de mengmonsters is analytisch geen asbest aangetoond of de gewogen asbestgehalten zijn ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Nader bodemonderzoek NTA 5755 In het verkennend onderzoek is ter plaatse van boorpunt 23 een verhoging met PAK aangetroffen ten opzichte van de interventiewaarde in de ondergrond. In onderhavig nader bodemonderzoek zijn ter plaatse van boorpunt 23 meerdere boringen geplaatst voor de horizontale en verticale afperking. In de geplaatste boringen voor de horizontale en verticale afperking zijn geen verhogingen PAK boven de interventiewaarde aangetoond. Op basis van het onderhavig onderzoek kan gesteld worden dat de verontreiniging zowel horizontaal als verticaal in voldoende mate is afgeperkt. De geschatte oppervlakte met PAK verontreinigde grond bedraagt circa 21 m 2. De verontreiniging bevindt zich, op basis van onderhavige resultaten, van 0,50-0,90 m-mv. Het sterke verhoogd gehalte met PAK in grond betreft derhalve een geschatte hoeveelheid van 8,5 m 3. Op nieuwe verontreinigingen veroorzaakt tussen 1 januari 1987 (datum van inwerkingtreding van de Wbb) en de inwerkingtreding van de Omgevingswet, geldt overgangsrecht. Voor deze situatie blijft de zorgplicht van artikel 13 Wet bodembescherming gelden.

Deze bepaling verplicht bij bodemverontreiniging tot het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden gevergd. Op basis van de bevindingen en de uitgevoerde risicobeoordeling (zie bijlage VII) zijn er voor huidig gebruik geen onaanvaardbare risico’s. Geadviseerd wordt om bij ruimtelijke ontwikkelingen de verontreiniging met PAK in de ondergrond te saneren. 8.2.3

Conclusie

Het uitgevoerde bodemonderzoek vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Voor de aangetroffen PAK verontreiniging wordt opgemerkt dat deze voor sanering niet worden geroerd als gevolg van sloop- en grondwerkzaamheden. Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

8.3

Luchtkwaliteit

8.3.1

Algemeen

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • •

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

Tam-Omgevingsplan 10 Raarhoeksweg 47 a, b en c Raalte Vastgesteld dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. 8.3.2

Situatie plangebied

Gelet op de aard en de omvang van voorliggende ontwikkeling, in verhouding tot de standaardgevallen NIMB zoals omschreven in artikel 5.54 Bkl kan worden gesteld dat het project ‘niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging’. 8.3.3

Conclusie

Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

8.4

Geur

8.4.1

Algemeen

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: • • • •

Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 Bruidsschat); Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 Bruidsschat); Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 Bruidsschat); Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 Bruidsschat).

Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: •

Geurnormen in het omgevingsplan

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

Tam-Omgevingsplan 10 Raarhoeksweg 47 a, b en c Raalte Vastgesteld • • • 8.4.2

Rekenen Afstandseisen Randvoorwaarden Situatie plangebied

Binnen het plangebied blijft in de toekomstige situatie een kleinschalige veetak aanwezig met circa 30 stuks vleesvee (zoogkoeien en jongvee). De dieren worden gehuisvest in de bestaande loods, deels ingericht als strostal. De huidige vergunde situatie betreft een veestapel met 60 melkkoeien en 25 stuks vrouwelijk jongvee. Hierdoor neemt de totale emissie van dierlijke meststoffen en daarmee de geuremissie ten opzichte van de huidige (vergunde) situatie af. Daarnaast bevindt de loods zich op meer dan 100 meter afstand van (bedrijfs)woningen van derden. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de minimaal aan te houden afstand van 50 meter tot geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom (artikel 22.101 van het Omgevingsplan). Daarnaast wordt opgemerkt dat voorliggend TAM-omgevingsplan niet voorziet in het realiseren van nieuwe geurgevoelige gebouwen op basis van artikel 5.91 van het Bkl. 8.4.3

Conclusie

Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

8.5

Trillingshinder

8.5.1

Algemeen

De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. 8.5.2

Situatie plangebied

Aangezien de dichtstbijzijnde spoorlijn op een afstand ligt van circa 2,5 kilometer, zal er geen sprake zijn van trillingshinder binnen het plangebied. 8.5.3

Conclusie

Vanuit het aspect trillingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

8.6

Gezondheid

8.6.1

Algemeen

Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

Tam-Omgevingsplan 10 Raarhoeksweg 47 a, b en c Raalte Vastgesteld omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van de activiteit optreedt. 8.6.2

Situatie plangebied

De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit een combinatie van agrarische activiteiten, educatie en kleinschalige recreatie. Het plan kent geen functies die leiden tot een verhoogd gezondheidsrisico, zoals grootschalige intensieve veehouderij, risicovolle inrichtingen of grootschalige verkeersaantrekkende werking. De agrarische tak wordt beperkt tot een familiekudde van circa 30 stuks vleesvee. Dit aantal is zodanig kleinschalig dat geen sprake is van relevante gezondheidsrisico’s voor de omgeving, bijvoorbeeld in relatie tot geur, fijnstof of zoönosen. De educatieve activiteiten en recreatieve functies zijn gericht op kleine groepen bezoekers en dragen juist bij aan een gezonde leefstijl, door de nadruk op natuurbeleving, gezonde voeding en ontspanning. Verder wordt in de planuitwerking aandacht besteed aan klimaatadaptieve maatregelen, zoals infiltratie van hemelwater, groeninrichting en natuurinclusieve elementen. Deze dragen bij aan een gezonde leefomgeving. 8.6.3

Conclusie

Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.

8.7

Duurzaamheid

8.7.1

Algemeen

Doelen van de Omgevingswet zijn onder meer het tegengaan van klimaatverandering, het beheer van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen en het beheer van natuurlijke hulpbronnen (artikel 2.1, lid 3, onder i, o en p Ow). Met het oog op deze doelen wordt het plan aan de omgevingsaspect ‘duurzaamheid’ getoetst. 8.7.2

Situatie plangebied

In het projectvoornemen is aandacht voor het aspect duurzaamheid. Zo krijg voormalige agrarische bebouwing een duurzame vervolgfunctie als educatieruimte. Ook worden de verblijfsrecreatieve voorzieningen zo duurzaam mogelijk en zoveel mogelijk circulair gerealiseerd. Ten slotte wordt als gevolg van de ontwikkeling groen aangelegd. Dit zorgt voor onder andere de opname van CO 2. 8.7.3

Conclusie

Vanuit het aspect duurzaamheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

Tam-Omgevingsplan 10 Raarhoeksweg 47 a, b en c Raalte Vastgesteld

HOOFDSTUK 9

BESCHERMING VAN DE NATUUR

In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen het voornemen rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Voor deze aspecten zijn diverse regels opgenomen in het Bkl.

9.1

Gebiedsbescherming

9.1.1

Natura 2000-gebieden

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: • • •

9.1.2

Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 9.1.3

Situatie plangebied

Natura 2000-gebied Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het ‘Boetelerveld’. Deze bevindt zich op circa 5,5 kilometer afstand van het plangebied. Gelet op de afstand zijn directe effecten zoals licht- en geluidhinder niet te verwachten. Door BJZ.nu is een stikstofberekening uitgevoerd. Voor de volledige berekening wordt verwezen naar bijlage 6 bij deze motivering. Hierna wordt kort ingegaan op de onderzoeksresultaten. Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. De voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

Tam-Omgevingsplan 10 Raarhoeksweg 47 a, b en c Raalte Vastgesteld NNN gebied Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op circa 470 meter afstand van het plangebied. Aangezien het NNN gebied geen externe werking heeft wordt geconcludeerd dat het plan niet gepaard gaat met aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.

9.2

Soortenbescherming

9.2.1

Algemeen

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • •

er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 9.2.2

Situatie plangebied

Om de gevolgen van het voornemen voor beschermde plant- en diersoorten te bepalen is een naturwaardenonderzoek uitgevoerd. Deze is opgenomen in bijlage 7 bij deze motivering. Hierna wordt ingegaan op de onderzoeksresultaten. Flora Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet. Vogels Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet. Vleermuizen Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet. Zoogdieren Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet. Overige soorten Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet. Houtopstanden Er worden geen bomen gekapt zoals bedoeld in de omgevingswet die vallen onder het onderdeel houtopstanden. Geen herplant- of meldingsplicht. Specifieke zorgplicht Ten alle tijden geldt bij het uitvoeren van flora- en fauna-activiteiten dient de initiatiefnemer / uitvoerder van de activiteit te kunnen aantonen hoe tegemoetgekomen wordt aan de specifieke zorgplicht (art. 11.27, Bal).

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

Tam-Omgevingsplan 10 Raarhoeksweg 47 a, b en c Raalte Vastgesteld

9.3

Conclusie

Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de bescherming van de natuur.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

Tam-Omgevingsplan 10 Raarhoeksweg 47 a, b en c Raalte Vastgesteld

HOOFDSTUK 10

10.1

ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE

Wettelijk kader

Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Erfgoedwet maakt de Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet.

10.2

Archeologie

Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. Het gehele plangebied is op grond van de gemeentelijke Archeologische Beleidsadvieskaart gelegen in een gebied met een lage verwachtingswaarde. Een uitsnede van de beleidsadvieskaart is in afbeelding 5.3

Afbeelding 10.1 Archeologische Beleidsadvieskaart (Bron: gemeente Raalte)

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

Tam-Omgevingsplan 10 Raarhoeksweg 47 a, b en c Raalte Vastgesteld Voor gebieden met een lage verwachtingswaarde geldt dat voor plangebieden groter dan 10 hectare in het landelijk gebied / groter dan 5 hectare in de bebouwde kom en dieper dan 50 cm minus maaiveld een archeologische onderzoeksplicht. De bodemingrepen die zijn gemoeid met dit plan blijven daarmee ruimschoots onder de onderzoeksgrens. Daarom is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk.

10.3

Cultuurhistorie

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het plangebied gelegen werelderfgoed. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over: • • • • • •

ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; verplaatsing van beschermde monumenten; gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermend monument; aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

Binnen het plangebied bevinden zich geen monumenten of cultuurhistorisch waardevolle objecten. Het aspect cultuurhistorie vormt daarmee geen belemmering voor het voornemen.

10.4

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het voornemen in voldoende mate rekening houdt met de bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

43

Tam-Omgevingsplan 10 Raarhoeksweg 47 a, b en c Raalte Vastgesteld

HOOFDSTUK 11

11.1

M.E.R.- BEOORDELING

Algemeen

Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: • • • •

In kolom 1 staan de projecten opgesomd; In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt; Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend.

Indien een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een projectmer-(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als voor een plan een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft.

11.2

Situatie plangebied

Het voorliggende plan voorziet in de transformatie van een agrarisch erf naar een multifunctioneel agrarisch bedrijf met onder andere een verwerkingsruimte, educatieruimte (480 m²) en 12 recreatiewoningen. Daarbij wordt het bouwvlak van het agrarische erf enigszins gewijzigd ten opzichte van het bestaande situatie. Hierdoor kan een logische invulling van het erf worden bewerkstelligd, waarbij er voldoende ruimte is om het verblijfsrecreatieve concept uit te oefenen. Deze gewenste functies worden niet genoemd in kolom 1 van bijlage V bij het omgevingsbesluit. Daarmee is geen sprake van een mer-(beoordelings)plicht. Daarnaast wordt de agrarische bedrijfsvoering juist afgeschaald door beëindiging van de ligboxenstal en beperking tot een familiekudde van circa 30 vleesvee. Daarmee nemen de potentiële milieueffecten (zoals geur, ammoniak, fijnstof en zware verkeersbewegingen) af ten opzichte van de huidige situatie. Ook op het gebied van natuur en waterkwaliteit zijn geen significante negatieve effecten te verwachten.

11.3

Conclusie

Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

44

Tam-Omgevingsplan 10 Raarhoeksweg 47 a, b en c Raalte Vastgesteld

HOOFDSTUK 12

12.1

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Algemeen

In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden.

12.2

Kostenverhaal

Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden is de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie (zie artikel 8.13 aanhef en sub a Ob). Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen.

12.3

Situatie plangebied

In dit geval is een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hierin is verzekerd dat het risico op nadeelcompensatie voor rekening van de initiatiefnemer komt. De gemeentelijke kosten zijn hier ook in opgenomen. Het kostenverhaal voor de gemeente is hiermee volledig verzekerd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

45

Tam-Omgevingsplan 10 Raarhoeksweg 47 a, b en c Raalte Vastgesteld

HOOFDSTUK 13

13.1

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID

Participatie

Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief. De omwonenden van het plangebied zijn geïnformeerd over het voornemen. • • •

• • • • • •

•

In mei en juni 2022 hebben er keukentafelgesprekken plaatsgevonden met omwonenden. In september 2022 zijn omwonenden per mail geïnformeerd over de stand van zaken en een update van de plannen. Op zaterdag 1 juli 2023 heeft er een informatiebijeenkomst plaatsgevonden waarbij bijna alle omwonenden in een straal van 500 meter rond het bedrijf aanwezig waren. Tijdens deze bijeenkomst is het plan zoals omschreven in het 1e principeverzoek gepresenteerd en zijn er geen bezwaren en of bijzondere opmerkingen naar voren gekomen. Op zaterdag 7 oktober 2023 hield Erve Westenenk een open dag waarbij specifiek ook de buren en omwonenden weer waren uitgenodigd. Op zaterdag 20 april 2024 was er een open dag specifiek voor klanten van Erve Westenenk, waarbij ook enkele buren (welke klant zijn) aanwezig waren. Op zaterdag 21 september 2024 is er opnieuw een open dag gehouden voor klanten en niet klanten waarvoor omwonenden ook worden uitgenodigd. Na het positieve principebesluit van d.d. februari 2025 zijn er met nagenoeg alle buren en omwonenden in februari en maart 2025 opnieuw keukentafelgesprekken gevoerd. Hiervan zijn verslagen gemaakt en zijn bezwaren en reacties zoveel mogelijk verwerkt in het plan. Op 22 november is een inloopbijeenkomst georganiseerd waarin het ruimtelijk kwaliteitsplan en de verbeelding van het TAM-omgevingsplan zijn gepresenteerd.

Naar aanleiding van de inloopbijeenkomst op 22 november, waarin enkele zorgen zijn geuit en vragen zijn gesteld over de planregels, is op 8 december opnieuw een informatiebijeenkomst georganiseerd. Hierbij lag met name de focus op het toelichten van de planregels en de beantwoording van vragen over de inhoud TAM-omgevingsplan. In de dagen volgend op de bijeenkomst van 8 december heeft een verder inventarisatie plaatsgevonden van de zorgen die nog leven in de buurt en zijn nog afzonderlijk gesprekken gevoerd met omwonenden.

De uitkomsten van de verschillende participatiebijeenkomsten hebben bijgedragen aan de definitieve invulling van het plan. Aan belangrijke zorgen is zoveel als mogelijk getracht tegemoetgekomen. Zo wordt op het erf voorzien in voldoende parkeerruimte, waarmee verkeersopstoppingen of parkeren aan weerszijden van de weg wordt voorkomen. De parkeerplaatsen worden uit het zicht gerealiseerd en landschappelijk ingepast middels hagen. Ook worden de recreatiewoningen ondergeschikt op het achtererf gerealiseerd, voorzien van een robuuste groene inpassing. Zodoende wordt het zicht op de woningen beperkt. Verder is een convenant afgesloten met de omwonenden. Hierin zijn onder andere afspraken gemaakt over de exploitatie van de recreatievoorziening. Het convenant heeft als doel om afspraken vast te leggen tussen de exploitant en de omwonenden over het voorkomen, beperken en zorgvuldig afhandelen van overlast die voortvloeit uit de exploitatie van de recreatievoorziening. Het convenant beoogt een transparant kader te bieden voor communicatie, samenwerking en geschiloplossing. De exploitatie van de recreatievoorziening, alsmede een eventuele uitbreiding of groei daarvan, mag op geen enkele wijze een belemmering opleveren voor omliggende bedrijven en ondernemingen, waaronder mede wordt verstaan het beperken van hun bedrijfsvoering, ontwikkelingsmogelijkheden of vergunde activiteiten.

De convenant is na afloop van een afsluitende bijeenkomst op 17 december 2025 door beide partijen (exploitant en omwonenden) ondertekend.

13.2

Afstemming overlegpartners

Het plan wordt voorgelegd aan de relevante overlegpartners. In dit geval betreffen dit de provincie en het waterschap.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

46

Tam-Omgevingsplan 10 Raarhoeksweg 47 a, b en c Raalte Vastgesteld

13.3

Zienswijzen

Het ontwerp TAM-omgevingsplan heeft vanaf 24 december 2025 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Er is in deze periode één zienswijze ingediend, door het waterschap Drents Overijsselse Delta. In de zienswijze verzoekt het waterschap dat de wateraspecten van het plan verder uitgewerkt worden. Naar aanleiding van deze zienswijze is de waterparagraaf aangepast en is een notitie waterhuishouding opgesteld (zie bijlage 4).

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

47

Tam-Omgevingsplan 10 Raarhoeksweg 47 a, b en c Raalte Vastgesteld

HOOFDSTUK 14

14.1

JURIDISCHE VERANTWOORDING

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieuen omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van voorliggend TAM-omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

14.2

Opzet van de regels

14.2.1 Algemeen Zoals in paragraaf 1.3.2 is aangegeven, betreft het hier een TAM-omgevingsplan. Het juridisch bindende gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit de planregels en de bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in zes hoofdstukken: • • • • • •

Inleidende regels; Gebruiksactiviteiten; Ondergeschikte gebruiksactiviteiten; Bouwactiviteiten; Algemene regels; Overgangsregels.

14.2.2 Preambule Om duidelijk te maken hoe dit TAM-omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het omgevingsplan, is een preambule opgenomen. De preambule geeft aan hoe het TAM-omgevingsplan in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden: Dit plan beoogt het toevoegen van 12 recreatiewoningen, het toevoegen van een educatieruimte van maximaal 480 m2 en het vastleggen van de maximale oppervlakte aan agrarische bedrijfsgebouwen op de locatie Raarhoeksweg 47 waarbij met een omgevingsvergunning de maximum oppervlakte aan agrarische bedrijfsgebouwen met maximaal 10% kan worden uitgebreid als dit nodig is vanwege dierenwelzijnseisen. Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk in het omgevingsplan van de gemeente Raalte. Technisch is het dat niet, maar dat hoeft ook nog niet. Juridisch moeten de hoofdstukken van dit plan worden gelezen als paragrafen van hoofdstuk 22j van het omgevingsplan van de gemeente Raalte. Dus: • • • • • • •

hoofdstuk 1 (Inleidende regels) moet worden gelezen als hoofdstuk 22j, paragraaf 1; hoofdstuk 2 (Functies en gebiedsaanwijzingen) moet worden gelezen als hoofdstuk 22j, paragraaf 2; hoofdstuk 3 (Algemene regels) moet worden gelezen als hoofdstuk 22j, paragraaf 5; hoofdstuk 4 (Overgangsregels) moet worden gelezen als hoofdstuk 22j, paragraaf 6; bijlage 1 moet worden gelezen als bijlage 1.22j; bijlage 2 moet worden gelezen als bijlage 2.22j; bijlage 3 moet worden gelezen als bijlage 3.22j.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Raalte&id=5f117e2b-86e8-4c5f-9215-d2549eaa5cb3