CConstaterende datRaalte
Koppel je AI →
Document · PDF

Motivering

Raadsvergadering 10 juli 2025, gemeente RaalteBij agendapunt: Vaststellen TAM-omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3 (hamerstuk)20.459 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

23

bestemmingsplan Tam-Omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3

het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies); het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer van historische bodemverontreinigingen). Om het omgevingsplan te wijzigingen waarmee een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie wordt toegestaan, dient op grond van artikel 5.89ka en 5.89i van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodemgevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan; een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling.

Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.

4.2.2

Onderzoek

Verkennend bodemonderzoek In opdracht van de Gemeente Raalte is in september 2024, door Lycens BV, een verkennend- en aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd dat is bijgevoegd als Bijlage 2 Verkennend bodemonderzoek. Het doel van het onderzoek is het vastleggen van de actuele bodemkwaliteit op de verschillende deellocaties en het beoordelen van eventuele risico’s bij het aantonen van verhoogde gehalten aan arseen. Resultaten grond Chemisch-analytisch zijn in de grond geen verontreinigingen aangetoond. De grond is hoogstens licht verontreinigd met barium. De verhoogde gehalten in de grond met barium hebben een natuurlijke oorzaak. Resultaten grondwater Chemisch analytisch zijn in het grondwater licht verhoogde concentraties aan chroom, barium, cadmium, koper en nikkel aangetoond. Aangezien met betrekking tot de licht verhoogde concentraties aan geen antropogene bron bekend is, zijn er vermoedelijk van nature verhoogde concentraties in het grondwater aanwezig in deze omgeving. Conclusies en aanbevelingen De opzet van het uitgevoerde onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. De gestelde “hypothese onverdachte locatie” dient te worden verworpen doordat er in zowel grond als grondwater licht verhoogde gehalten en concentraties zijn aangetoond.

De gevolgde onderzoeksstrategie geeft echter een representatief beeld van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie. Op basis van de onderzoeksresultaten bestaat ten aanzien van de chemische kwaliteit van de grond en het grondwater geen belemmering tegen de voorgenomen herontwikkeling van de locatie. Het uitvoeren van een nader bodemonderzoek is niet noodzakelijk.

4.2.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot bodem, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.3

Water

4.3.1

Beleidskader

4.3.1.1

Europees- en rijksbeleid

Uit de Omgevingswet en paragraaf 5.1.3 van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl) volgt, dat de gemeenteraad bij de vaststelling van (een wijziging van) het omgevingsplan rekening dient te houden met waterbelangen.

24

bestemmingsplan Tam-Omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3

Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over delen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat belast is met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Onder de Omgevingswet is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. Gemeenten kunnen zelf besluiten om omgevingswaarden vast te stellen. Indien hiervan sprake is, dient in een ruimtelijke procedure ook aan deze omgevingswaarde getoetst te worden. Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn opgenomen voldoende.

4.3.1.2

Provinciaal beleid

In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlaktewater en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied.

4.3.1.3

Waterschap Drents Overijsselse Delta

Het plan is gelegen binnen het beheersgebied van het waterschap Drents Overijsselse Delta. Het beleid van het waterschap Drents Overijsselse Delta staat beschreven in de Waterschapsverordening Drents Overijsselse Delta. Een plan kan mogelijk gevolgen hebben met de waterhuishouding in en rond het plangebied. De regelgeving hiervoor is vastgelegd in de Waterschapsverordening, het Waterbeheerprogramma van het waterschap en eventueel de waterkwaliteitsdoelstellingen van de Kaderrichtlijn water (KRW). Ook gemeentelijk beleid met betrekking tot waterhuishouding en klimaatadaptatie is van belang Het regels voor het beschermen van de waterbelangen zijn opgenomen in paragaaf 5.1.3 van het Bkl. Artikel 5.37 Bkl stelt dat er rekening dient te worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van het watersysteem en dat, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van het watersysteem (het waterschap) worden betrokken. Daarnaast kan het omgevingsplan ook specifieke regels over onderdelen van het watersysteem bevatten. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Naast de waterschapsverordening zijn er doelen vervat in het waterbeheerprogramma 2022-2027.

Het bevat de uitwerking van de ambities in de watervisie ‘Meer dan water’. Het waterbeheerprogramma bestaat uit drie delen: 1. Waterbeheerprogramma WDODelta 2022-2027; 2. Gebiedsuitwerkingen WBP 2022-2027; 3. KRW factsheets en een achtergronddocument. In het waterbeheerprogramma zijn doelen en maatregelen opgenomen over duurzaamheid, energie, innovatie, uitwisseling van kennis en de wijze waarop het waterschap haar taken uitvoert.

4.3.1.4

Gemeentelijk beleid

De gemeente Raalte heeft een ‘Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP)’ waarin de beleidskaders en activiteiten voor de inzameling, het transport en de verwerking van (stedelijk) afval-, hemel- en grondwater is verankerd. Het GRP gaat uit van de volgende principes wat betreft verwerken hemelwater: vasthouden, bergen, afvoeren Dit principe houdt in dat de eerste prioriteit ligt bij het water op locatie in de bodem te laten infiltreren. Als dit niet mogelijk is, dan dient het hemelwater lokaal te worden geborgen. Pas als dit niet mogelijk is, wordt gekeken naar oplossingen om het water (zo langzaam mogelijk) af te voeren. Het GRP gaat uit van de volgende principes wat betreft verwerken afvalwater: schoonhouden, scheiden, schoonmaken. De waterkwaliteit dient in de eerste instantie behouden te blijven. Daarnaast dienen de vuile en schone waterstromen gescheiden te blijven. Daarna kan het vuile water worden gezuiverd. Door het water goed te scheiden, kan de omvang van het te zuiveren water worden beperkt. Bij nieuwbouwplannen is het uitgangspunt dat hemelwater (zoveel mogelijk) infiltreert op het eigen terrein. Hitte, droogte, watertekort en wateroverlast zijn aspecten die van wezenlijke invloed zijn bij het ontwerpen en bij de realisatie van plannen voor zowel inbreidings-als uitbreidingslocaties.

Bestaande en nieuwe blauwe en groene elementen ondersteunen de klimaatadaptatie in het binnenstedelijk gebied en op bedrijven-en industrieterreinen. Afkoppelen van verhard oppervlak is niet een doel op zich. Doelmatigheid, haalbaarheid en betaalbaarheid van afkoppelmaatregelen worden meegewogen in ruimtelijke plannen. De samenhang met het beleid over klimaatadaptatie en overstromingsrisico wordt integraal beoordeeld.

25

bestemmingsplan Tam-Omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3

4.3.2

Onderzoek

4.3.2.1

Digitale watertoets

Op grond van artikel 56 in combinatie met artikel 78 van de Waterschapswet stelt het waterschap verordeningen vast die het nodig oordeelt voor de behartiging van de opgedragen taken. De taken die aan waterschap worden opgedragen betreffen, volgens artikel 1 van de Waterschapswet, de zorg voor het watersysteem en zorg voor het zuiveren van afvalwater. Eventueel kunnen nog de zorg voor andere waterstaatsaangelegenheden worden opgedragen, bijvoorbeeld vaarwegbeheer. Naast de Waterschapswet, die de organisatie van de waterschappen regelt, geven de Omgevingswet en de daarop gebaseerde regelgeving allerlei bepalingen over de inhoud van het waterbeheer, bijvoorbeeld in de vorm van doelstellingen en concrete normen. In artikel 2.5 van de Omgevingswet is bepaald: “Het algemeen bestuur van het waterschap stelt één waterschapsverordening vast waarin regels over de fysieke leefomgeving worden opgenomen.” De waterschapsverordening Drents Overijsselse Delta stelt regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving. Het doel van het wateradvies is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

In het kader van voorliggend plan is het wateradvies aangevraagd, het bijbehorende resultaat is bijgevoegd bij voorliggend toelichting als Bijlage 3 Het Wateradvies. Op basis van het wateradvies is de 'normale procedure' van toepassing, deze is aangevraagd bij het waterschap.

4.3.3

Waterparagraaf

Het waterschap Drents Overijsselse Delta heeft de ingestuurde watertoets (via www.wateradvies.nl) bekeken. Op basis van de aangeleverde informatie is een uitgangspuntennotitie opgesteld. In deze notitie zijn de kaders van het waterschap aangegeven die van belang zijn voor de weging van het waterbelang. In de notitie staan uitgangspunten die moeten worden uitgewerkt om tot een goede onderbouwing van de weging te komen. De uitgangspunten zijn bijgevoegd als Bijlage 4 Uitgangspunten waterbelang. Bestaande waterhuishouding Het plan ligt in het deelstroomgebied Soestwetering (benedenloop). Binnen het plangebied liggen geen A- of B-oppervlaktewaterlichamen die WDODelta beheert. Het plan ligt ook niet in een bergingsgebied van het waterschap. Het peilgebied bevat één peilvak en heeft een maximumpeil van NAP – 0,3 m. Dit peil is de instelhoogte bij een peilscheidend kunstwerk. Lokaal kunnen er verschillen optreden in het peil, afhankelijk van de afstand tot de instelhoogte. De Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) ligt op 56 cm onder het maaiveld. De hoogte van het maaiveld ligt gemiddeld op ongeveer NAP 1,1 m. De bodem (deklaag) bestaat voornamelijk uit kleigronden en U27OR (Associaties van enkelvoudige kaarteenheden). Waterveiligheid Overstromingsrisico Het plan ligt in een dijkringgebied.

Als wordt gebouwd in dijkringgebieden (gebieden met een risico op overstromingen) is de Provinciale omgevingsverordening (POV) van toepassing. In deze verordening zijn regels opgenomen om overstromingsrisico's te beperken. Volgens de Omgevingsverordening van de provincie Overijssel moet bij ontwikkelingen in overstroombaar gebied een overstromingsrisicoparagraaf in de toelichting bij een TAM-IMRO omgevingsplan worden opgenomen. Onder overstroombaar gebied verstaan we gebieden die normaal gesproken niet onder water staan, maar kunnen overstromen (tijdelijk onder water staan) als gevolg van een extreme gebeurtenis. Het gaat zowel om buitendijkse gebieden die bij hoogwater overstromen (bijvoorbeeld uiterwaarden) als om de beschermde gebieden achter de dijk (binnendijkse gebieden) die alleen bij een calamiteit onder water komen te staan. Volgens de viewer van de provincie Overijssel ligt het plangebied in overstroombaar gebied. Risico-inventarisatie Op de risicokaart komt het volgende kaartbeeld naar voren bij overstromingen met een kleine kans (1/1000 tot 1/10.000 jaar). Dit zijn de overstromingen vanuit het primaire systeem waar de dijken een strenge norm hebben. Voor de betreffende locatie wordt een maximale waterdiepte van 0,5 tot 1,0 meter gevonden. Op de kaart van middelgrote kans (1/100 jaar) wordt een maximale waterdiepte van minder dan 0,5 meter gevonden.

De risicokaart geeft geen tijd tot overstroming aan. Het plangebied

26

bestemmingsplan Tam-Omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3

heeft ongeveer een gemiddelde hoogte van 1,1 meter boven NAP. In geval van overstroming zijn er geen belemmeringen om de beoogde ontwikkelingen op de locatie toe te staan. Het Waterschap Drents Overijsselse Delta en de Veiligheidsregio zijn op de hoogte gesteld van de ontwikkeling. Het TAM-IMRO omgevingsplan maakt een wijziging van het omgevingsplan van de functie 'Agrarisch met waarden' naar grotendeels 'Wonen' en de realisatie van 20 reguliere woningen mogelijk. Gezien het feit dat het TAM-IMRO omgevingsplan geen verblijfsfunctie voor kwetsbare groepen mogelijk maakt, is het niet nodig om maatregelen te nemen. Waterberging Ten tijde van planontwikkeling uitbreiding Lierderholthuis is als uitgangspunt een bergingseis gehanteerd van 30mm, deze bergingseis is vastgelegd in het waterhuishoudkunig plan uitbreiding Lierderholthuis (2004) en voorgelegd aan het waterschap. Begin 2025 heeft Civicon het gehele plangebied opnieuw doorgerekend, de te realiseren waterberging in het plangebied bedraagt 63 mm. Daarmee kan een bui T=100 binnen het plangebied geborgen worden. Voor een verdere uitwerking wordt verwezen naar Bijlage 5 Waterhuishoudkundig plan. Overige significante punten uit het wateradvies zijn eveneens verwerkt in het waterhuishoudkundig plan.

4.3.4

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot water, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.4

Archeologie

4.4.1

Algemeen

Naast veiligheid en gezondheid is 'een goede omgevingskwaliteit' opgenomen in de centrale doelstelling (artikel 1.3 Ow). Dit duidt op het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. De essentie van het Europees beleid, conform het verdrag van Malta 1992, is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden zodat daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is, vooruitlopend op de Omgevingswet, opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart.

Middels deze kaarten kan worden afgeleid wat de archeologische en/of cultuurhistorische verwachting en het bijbehorende beleidsadvies is voor een specifieke locatie. Dit beleidsadvies schrijft per verwachting zowel drempelwaarden voor waarboven onderzoek benodigd wordt geacht, als welke onderzoeken dit betreft. De archeologische waarden en verwachtingen, alsook de cultuurhistorische waarden, zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen, welke zijn opgenomen in het omgevingsplan. De dubbelbestemming is vaak gebaseerd op de gemeentelijke beleidskaart in combinatie met aanvullende informatie uit onderzoeken. Normaliter is de geldende dubbelbestemming bepalend ten opzichte van de beleidskaart.

4.4.2

Onderzoek

Het plangebied kent de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde laag'. Op de voor 'Waarde Archeologische verwachtingswaarde laag' aangewezen gronden mag niet worden gebouwd, tenzij het bouwprojecten betreft met een grondbeslag van niet meer dan 5 ha en niet dieper dan 0,5 m onder maaiveld, of activiteiten betreft waarvoor geen omgevingsvergunning vereist is, of bouwprojecten waarvoor een reguliere omgevingsvergunning is verleend en waarbij een rapport is overlegd waarin de archeologische waarde van het terrein in voldoende mate is vastgesteld. Het plan is niet groter dan 5 ha waardoor het plangebied niet archeologisch onderzocht hoeft te worden.

27

bestemmingsplan Tam-Omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3

4.4.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot archeologie, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.5

Cultuurhistorie

4.5.1

Algemeen

Naast veiligheid en gezondheid is 'een goede omgevingskwaliteit' opgenomen in de centrale doelstelling (artikel 1.3 Ow). Dit duidt op het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. De gemeente moet voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime opnemen in het omgevingsplan. In het Bkl staan hiervoor instructieregels. Deze gaan over: ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten verplaatsing van beschermde monumenten gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand aantasting van de omgeving van een beschermd monument aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen conserveren en in stand houden van archeologische monumenten

4.5.2

Onderzoek

Het plangebied kent geen specifieke cultuurhistorische elementen of monumenten en ligt tevens niet in de nabijheid ervan. Geconstateerd wordt dat in het plangebied geen sprake is van cultuurhistorische waarde.

4.5.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot cultuurhistorie, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.6

Ecologie

4.6.1

Algemeen

De wetgever heeft besloten dat een deel van de natuurbeschermingsregels, die eerder grotendeels te vinden waren in de Wet natuurbescherming, over te laten gaan in het stelsel van de Omgevingswet. Het grootste gedeelte van de inhoudelijke regels voor de bescherming van de natuur hebben via het Aanvullingsbesluit natuur een plek gekregen in de algemene maatregelen van bestuur (AMvB's) behorende bij de Omgevingswet. Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, nationaal landschap en provinciaal beschermde gebieden, regels voor soortenbescherming van te beschermen plant- en diersoorten en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Gebiedsbescherming Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen en projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Bescherming van Natura 2000-gebieden, nationaal landschap en provinciaal beschermde gebieden kennen een interne alsook een externe werking.

Zowel ingrepen die binnen, als ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en negatieve effecten kunnen veroorzaken op de instandhoudingsdoelstellingen moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Conform Ow bijlage A is een Natura 2000-activiteit een: Activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.

28

bestemmingsplan Tam-Omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3

Stikstofdepositie Stikstofdepositie is geregeld in de Ow en Amvb's. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. In de Omgevingswet zal uiteindelijk een omgevingswaarde ten aanzien van stikstof worden ingevoerd. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn alle inheemse flora en fauna beschermt. De bescherming richt zich zowel op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als op bepaalde soorten van nationaal belang. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub g van de Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover beleid voeren. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma van soortenbescherming. Soortenbescherming in de Omgevingswet is vooral gericht op het reguleren van flora- en fauna-activiteiten, dit zijn activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dieren en planten in het wild. Er kan dan een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit benodigd zijn.

Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving worden onderzocht: of er soorten aanwezig zijn; welke soorten dat zijn; of deze negatief worden aangetast door de geplande werkzaamheden. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

4.6.2

Onderzoek

Econsultancy heeft in opdracht van Gemeente Raalte een quickscan natuurwaarden uitgevoerd in het plangebied. De quickscan is toegevoegd als bijlage Bijlage 6 Quickscan natuurwaarden. De quickscan natuurwaarden is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen plannen voor het realiseren van nieuwbouwwoningen. Het onderzoek heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de natuurbescherming onder de Omgevingswet een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in onderstaande tabel. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Omgevingswet voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel 4.1 Soortgroepen

29

bestemmingsplan Tam-Omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3

Soortenbescherming Ten aanzien van de teunisbloempijlstaart dient er een nader onderzoek uitgevoerd te worden naar aanwezigheid van deze soort op de onderzoekslocatie. Ten aanzien van algemene broedvogels dient er rekening gehouden te worden met nesten algemene broedvogelsoorten op de onderzoekslocatie ten tijden van het bouwrijp maken hiervan. Ten aanzien van algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën dient er rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Omgevingswet wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Gebiedsbescherming Met de bouw van de voorgenomen nieuwbouwwijk is het benodigd dat er een AERIUS-berekening wordt gedaan om te weten wat de gevolgen zijn van stikstofdepositie op omliggende natuurgebieden. Aanvullend ecologisch onderzoek Econsultancy heeft als gevolg van voorgaande conclusie m.b.t. de teunisbloempijlstaart aanvullend ecologisch onderzoek uitgevoerd in het plangebied. Dit onderzoek is toegevoegd als bijlage Bijlage 7 Aanvullend ecologisch onderzoek. Hieruit is gebleken dat er geen rupsen van de teunisbloempijlstaart zijn waargenomen.

Hierdoor kan er gesteld worden dat de onderzoeklocatie geen beschermde functie voor de teunisbloempijlstaart heeft.

30

bestemmingsplan Tam-Omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3

Stikstof Ten behoeve van de realisatie van de woningen is een stikstofberekening uitgevoerd. De stikstofberekening is toegevoegd als Bijlage 8 Stikstofdepositieberekening.. De bijbehorende rekenbestanden zijn toegevoegd als Bijlage 9 en Bijlage 10. Zowel tijdens de aanlegwerkzaamheden als de verkeersbewegingen in de gebruiksfase van de woningen is er geen stikstofdepositie tot gevolg. Er is geen significant negatief effect op nabijgelegen Natura 2000-gebieden.

4.6.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot ecologie en stikstof, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.7

Geluid

4.7.1

Algemeen

Op grond van de Omgevingswet is het noodzakelijk om bij een ruimtelijke procedure te onderzoeken welke geluidbelasting een plan ondervindt door activiteiten in de omgeving. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. Geluidaandachtsgebied Een geluidaandachtsgebied is een gebied langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein met GPP waarbinnen de standaardwaarde mogelijk wordt overschreden. Binnen een geluidaandachtsgebied moet de waarde van het geluid op een geluidgevoelig gebouw wordt getoetst aan de geluidnormen. De reikwijdte van een geluidaandachtsgebied is afhankelijk van de geluidemissie van de bron. De geluidaandachtsgebieden zijn vastgelegd in het Omgevingsplan. Voor zover dat nog niet is gebeurd geldt een overgangssituatie. Het geluidaandachtsgebied van een gemeenteweg, lokale spoorweg en waterschapsweg is tot een nader te bepalen tijdstip begrenst door vaste afstanden (art. 17.5 omgevingsregeling) als opgenomen in onderstaande tabel.

Tabel 4.2 Breedte geluidsaandachtgebied Breedte van het geluidaandachtsgebied vanaf de rand van de weg of de buitenste spoorstaaf (art 17.5 overgangsrecht geluidaandachtsgebied) Geluidaandachtsgebied Breedte weg bestaande uit 1 of 2 rijstroken, snelheid 30 km/u of 100 meter minder weg bestaande uit 1 of 2 rijstroken, snelheid meer dan 30 km/u weg 200 meter bestaande uit 3 of meer rijstroken 350 meter lokale spoorweg bestaande uit 1 of 2 sporen 200 meter lokale spoorweg bestaande uit 3 of meer sporen 350 meter Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw binnen de geluidzone van een provinciale weg waarvoor nog geen geluidproductieplafond (gpp) is vastgesteld, geldt de Wet geluidhinder (artikel 3.5, Aanvullingswet geluid). Toetswaarden geluidbelasting Per geluidbronsoort moet de geluidbelasting worden bepaald en worden getoetst aan de standaardwaarden (SW) en grenswaarden (GW) van het Bkl (standaardwaarden van het Bkl (art. 5.78t respectievelijk 5.78u). Hierbij gelden de opgenomen standaardwaarden. Tabel 4.3: Standaardwaarden geluidbelasting Geluidbronsoort Provinciale wegen Rijkswegen Gemeentewegen en Waterschapswegen Spoorwegen

Standaardwaarde 50 Lden 53 Lden 55 Lden

Indien de geluidbelasting op een plan voor een bepaalde geluidbronsoort hoger is dan de standaardwaarde moet een afweging worden gemaakt waarbij maatregelen en beleid wordt betrokken. Na dit aanvullend onderzoek is het mogelijk dat een bevoegd gezag afwijkt van de standaardwaarden en bij de besluitvorming een hogere omgevingswaarde vaststelt. Indien er voor meerdere bronsoorten de standaardwaarde wordt overschreden zal ook de cumulatieve geluidbelasting moeten worden bepaald en worden afgewogen. Hierbij gelden de in tabel 4.4 opgenomen grenswaarden.

31

bestemmingsplan Tam-Omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3

Tabel 4.4: Grenswaarden geluidbelasting Geluidbronsoort Provinciale wegen Rijkswegen Gemeentewegen en Waterschapswegen Spoorwegen

Grenswaarde 60 Lden 70 Lden 65 Lden

Een omgevingswaarde normeert de (totale) omgevingskwaliteit op een willekeurige plaats in het land of in een bepaald gebied. Indien een hogere omgevingswaarde voor geluid wordt toegestaan, moet door middel van een gevelisolatieberekening worden aangetoond dat de geluidsbelasting binnen de woning de maximaal toelaatbare waarde van 33 dB niet overschrijdt. Bij een nieuwe woning maakt de gevelisolatieberekening onderdeel uit van de bouwaanvraag. Onder de Ow is het gezamenlijk geluid van de verschillende geluidbronnen tezamen op de gevel het uitgangspunt. Om het gezamenlijk geluid te bepalen van wegverkeerslawaai worden de wegen met Gpp's en zonder Gpp's bij elkaar opgeteld.

4.7.2

Onderzoek

Voorgenomen ontwikkeling betreft het realiseren van 20 woningen. De woningen zijn geluidgevoelige gebouwen. Op grond van de Omgevingswet zou in de regel akoestisch onderzoek moeten worden uitgevoerd indien nieuwe woningen zich binnen het aandachtsgebied bevinden van wegen. Totdat de basisgeluidemissie is vastgesteld, geeft het overgangsrecht vaste afstanden voor de aandachtsgebieden. Deze zijn te vinden in artikel 17.5 van de Omgevingsregeling. Voor 30 km/h-wegen geldt een afstand van 100 meter en 200 meter voor snelheden daarboven. De woningen zijn gelegen aan de Molenerven en Lierderbroek. Gezien de zeer lage verkeersintensiteit binnen het dorp, afstand en afscherming lijkt het niet waarschijnlijk dat deze wegen (gezamenlijk) de standaardwaarde overschrijden. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai wordt niet noodzakelijk geacht.

4.7.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot geluid, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.8

Trillingen

4.8.1

Algemeen

Onder de Omgevingswet zijn de regels met betrekking tot trillingen door bedrijven (activiteiten) gedecentraliseerd. Dat betekent dat gemeenten zelf regels mogen stellen over trillingen als gevolg van activiteiten. Hiervoor gelden de instructieregels over trillingen door activiteiten op trillinggevoelige gebouwen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het onderdeel Trillingen is ook geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat.

4.8.2

Onderzoek

Tot op heden zijn door de gemeente in het omgevingsplan (nog) geen specifieke regels opgenomen in het kader van trillingen, hier kan dus niet aan worden getoetst. Hoewel het planvoornemen voorziet in de realisatie van trillinggevoelige ruimte zijn er geen trillingveroorzakende activiteiten aanwezig in de buurt van het plangebied. Er worden daarnaast geen trillingveroorzakende activiteiten mogelijk gemaakt.

4.8.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot trillingen, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

32

bestemmingsplan Tam-Omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3

4.9

Luchtkwaliteit

4.9.1

Algemeen

Als een gemeente activiteiten toelaat die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) dan moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats.

Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.

Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld: bij een omgevingsvergunning voor een 'milieubelastende activiteit' bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg.

4.9.2

Onderzoek

In het werkgebied van het plan liggen geen luchtkwaliteitsaandachtsgebieden. De drempelwaarde voor NIBM-projecten in de categorie woningbouw ligt bij circa 2.000 woningen. Onderhavig initiatief voorziet in de realisatie van 20 woningen, geconstateerd wordt dat het project daarmee NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op basis van onderstaande figuren is ter plaatse van het plangebied sprake is van de volgende concentraties: NO2-concentratie: 8 - 10 µg /m3; PM2,5-concentratie: 8-9 PM2,5µg /m3; PM10 concentratie: 10 - 12 µg PM10/m3.

33

bestemmingsplan Tam-Omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3

Figuur 4.1: Uitsnede luchtkwaliteitskaart stikstofdioxide (NO2)

Figuur 4.2: Uitsnede luchtkwaliteitskaart fijnstof (PM2,5)

34

bestemmingsplan Tam-Omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3

Figuur 4.3: Uitsnede luchtkwaliteitskaart fijnstof (PM10)

4.9.3

Conclusie

Het project draagt NIBM bij aan een verlsechtering van de luchtkwaliteit. Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot luchtkwaliteit, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.10

Geur

4.10.1

Algemeen

Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en (andere) milieubelastende activiteiten. De gemeente moet bij de vaststelling van (een wijziging van) het omgevingsplan rekening houden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van activiteiten met gebruiksruimte in de buurt van geurgevoelige gebouwen; bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande activiteiten met gebruiksruimte (geurveroorzakende bedrijven); Aanvaardbare geurhinder De geur van een activiteit (met gebruiksruimte) op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Gemeenten bepalen zelf welke mate van geurhinder zij aanvaardbaar vinden. De gemeente legt in het omgevingsplan vast wat de plaats is waar waarden voor geur gelden. Ook kennen sommige activiteiten afstandsregels. Dit zijn minimumafstanden tussen een geurgevoelig gebouw en een geurveroorzakende activiteit.

Geurhinder door activiteiten Activiteiten die op enige wijze geurhinder veroorzaken moeten voldoen aan de regels die in het (tijdelijk) omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit die voorheen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, gelden de regels uit de Bruidsschat. Op termijn worden de regels uit de bruidsschat geïntegreerd in het (permanente) omgevingsplan van de gemeente.

35

bestemmingsplan Tam-Omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3

Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). De beoordelingsregels zijn opgenomen in afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur.

4.10.2

Onderzoek

Rondom de planlocatie zijn een aantal intensieve veehouderijbedrijven gelegen. In casu dient onderzocht te worden of woningbouw op het voornoemde perceel mogelijk is en of er alsdan sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Ook dient onderzocht te worden of de ontwikkeling belemmerend kan werken op omliggende bedrijven (omgekeerde werking). Er dienen kortgezegd twee vragen beantwoord te worden: Is ter plaatse een goed woon- en leefklimaat te garanderen? Wordt niemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen omliggende bedrijven) Door Craeft Advies is een geuronderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 11 Beoordeling geurhinder. Op basis van de analyse van de milieuvergunningen, de bijbehorende berekeningen op basis van afstandscriteria en V-Stacks-berekeningen is te concluderen dat voor alle omliggende bedrijven wordt voldaan aan de grenswaarden voor de geurbelasting uit het Besluit kwaliteit leefomgeving, welke ter plaatse (ligging binnen de bebouwingscontour en in een niet-concentratiegebied) is gesteld op 2,0 ouE/m3, dit met uitzondering van het bedrijf aan de Lierderholthuisweg 55. Afwijken hogere geurbelasting Omdat de geurbelasting de grenswaarden uit artikel 5.109 lid 1 Bkl, zoals bedoeld in artikel 5.109 lid 2 Bkl overschrijdt dient hiervan te worden afgeweken.

Als motivering wordt aangedragen dat het dorp Lierderholthuis geklemd ligt tussen de concentratiegebieden van de gemeente Olst-Wijhe en de 'oude' gemeente Raalte, een dalende trend te verwachten valt vanwege stoppende veehouderijen en de achtergrondbelasting dit toelaat. De omliggende bedrijven ondervinden geen verandering in de beoordelingssystematiek door de beoogde functie. Ook een beoordeling op de rand c.q. hoekpunt van het bouwvlak leidt niet tot een andere conclusie. De bedrijven worden dienovereenkomstig niet onevenredig geschaad in hun bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden. Om hieraan formeel tegemoet te komen is een regel opgenomen waarmee is geregeld dat kan worden afgeweken van art. 5.109 lid 1 Bkl. De gemeente Raalte heeft geen geurbeleid. Daarom wordt gekeken naar adviezen van de GGD over geurhinder. In de GGD-richtlijn geurhinder van oktober 2002 zijn tabellen opgenomen over hoe erge geurhinder wordt ervaren bij bepaalde geurhinder. Liederholthuis valt onder niet concentratiegebied en de nieuwe woonwijk ligt binnen het bebouwingscontour. Uit het geuronderzoek blijkt dat de geurbelasting 4,0 ouE/m3. Uit afbeelding 4.4 blijkt dat een geurbelasting van 4,0 ouE/m3 ongeveer te vergelijken is met een hinder van 14%. Uit afbeelding 4.5 blijkt dat een percentage van 14% valt onder een redelijk goed milieukwaliteit.

Hieruit blijkt dat de geurbelasting voor de nieuwe woonwijk als acceptabel kan worden beoordeeld.

36

bestemmingsplan Tam-Omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3

Figuur 4.4: Geurhinderpercentages van de wettelijke waarden en de bandbreedtes.

37

bestemmingsplan Tam-Omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3

Figuur 4.5: Milieukwaliteit en geurgehinderden

4.10.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot geur, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.11

Activiteiten en milieuzonering

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) gaf al in 2017 aan dat de uitgave 'Bedrijven en milieuzonering 2009' (ook bekend als het 'paarse boekje' en in de jaren voor 2009 het 'groene boekje') niet meer geschikt was voor toepassing onder de Omgevingswet. De Omgevingswet bevat immers meer mogelijkheden om een lokale afweging op maat te maken, per locatie en per activiteit. Daarbij wordt getoetst aan milieuwaarden in het omgevingsplan. Hiervoor publiceerde de VNG in 2019 een regel-systematiek onder de naam 'Milieuzonering nieuwe stijl', voor toepassing onder de Crisis- en herstelwet. Deze nieuwe systematiek omvat geen koppeling meer van activiteiten aan milieucategorieën per SBI-code en de daarbij behorende richtafstanden. De regels voor milieuzonering onder de Omgevingswet zijn veranderd, er is geen sprake van een beleidsneutrale overgang. Het beleid ten aanzien van 'geur' en 'geluid' is onder het regime van de Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 en paragraaf 5.1.4.6 Besluit kwaliteit leefomgeving. Op grond van de 'staalkaart' kan er aan individuele bedrijven een milieucontour worden toegekend in het omgevingsplan en

38

bestemmingsplan Tam-Omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3

wordt er alsdan niet meer gewerkt met vaste richtafstanden. In de huidige transitiefase is dit nog niet uitwerkt in het omgevingsplan van de gemeente. De VNG heeft voor milieuzonering onder het regime van de Omgevingswet een brochure opgesteld, te weten het servicedocument 'Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet', welke bruikbaar is in de vertaling van het voorheen geldende bestemmingsplanregime. Daarbij hoort tevens een tabel met een nieuwe indeling van afstanden, deze is onderstaand opgenomen als onderstaande tabel. Tabel 4.5 Relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype. Afstand in meters Geur 10 FM 30 1 50 2 100 3 200 3 300 IT

Geluid FM 1 2 3 4 IT

De letters 'FM' staan voor functiemenging. De letters 'IT' staan voor industrieterrein. Uit de tabel volgt dat niet simpelweg gesteld kan worden dat de huidige milieucategorieën cijfermatig hetzelfde blijven als de toekomstige afstandscategorieën. Ook onder het Omgevingswetregime kunnen afstanden naar beneden worden bijgesteld, mits onderzoek is gedaan naar de aspecten geur en geluid.

4.11.1

Onderzoek

Type omgeving Rondom het plangebied wordt gewoond en er zijn rondom het plangebied voornamelijk agrarische gronden aanwezig. Geconstateerd wordt dat sprake is van een rustige woonwijk. De richtafstanden worden niet met één stap verkleind. Milieuhinder gevoelige functie of milieubelastende activiteit De functie 'Wonen' betreft geen milieubelastende activiteit. Daarom is geen sprake van enige vorm van aantasting van het woon- en leefklimaat van nabijgelegen milieuhindergevoelige functies. De te realiseren woning betreft een 'milieuhindergevoelige functie'. In dat kader wordt ten behoeve van voorgenomen ontwikkeling getoetst of deze 'milieuhindergevoelige functie' een belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van omliggende milieubelastende activiteiten en of ter plaatse van de beoogde woning sprake is van een 'goed woon- en leefklimaat'. Omliggende functies met milieuzonering Circa 102 meter ten zuidoosten van het plangebied zijn twee tennisvelden gelegen. Op grond van de VNG-brochure kent deze functie een maximale richtafstand van 50 meter voor het aspect geluid. Circa 159 meter ten westen van het plangebied is het dorpscentrum gelegen. Op grond van de basiszoneringslijst kent deze functie een maximale richtafstand van 30 meter voor het aspect geluid. Op circa 190 meter afstand ligt Grand Café De Wettering.

Op grond van de basiszoneringslijst kent deze functie een maximale richtafstand van 10 meter voor de aspecten geluid, geur en gevaar. Op circa 210 meter afstand ligt een agrarisch bedrijf aan Lierderholthuisweg 30. Op grond van de basiszoneringslijst kent deze functie een maximale richtafstand van 100 meter voor het aspect geur. Gezien het bovenstaande is ter plaatse van de beoogde ontwikkeling een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te verwachten, omdat de richtafstand nergens wordt overschreden. Omgekeerd worden omliggende bedrijven niet belemmerd in hun bedrijfsvoering en uitbreidingsmogelijkheden.

4.11.2

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot activiteiten en milieuzonering, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.12

Omgevingsveiligheid

4.12.1

Algemeen

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving.

39

bestemmingsplan Tam-Omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3

De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico (PR) en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal. Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal. Onder de Omgevingswet is het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's een manier van omgaan met het groepsrisico (GR) (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid (REV) en zijn digitaal raadpleegbaar. De data uit het REV wordt ontsloten via de Atlas leefomgeving. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen.

Kwetsbare gebouwen zijn alle gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing). Gebouwen en locaties zijn ook kwetsbaar als er veel personen een groot deel van de dag aanwezig zijn, bijvoorbeeld gebouwen met een kantoorfunctie. Daarnaast bestaan er ook zeer kwetsbare gebouwen. Een gebouw is 'zeer kwetsbaar' als het een gebouw is voor mensen die zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen, zoals een kinderopvang, basisschool, school/verblijf voor personen met een lichamelijke of geestelijke beperking, een woonfunctie voor 24-uurszorg en gevangenissen. Onder de Omgevingswet werken gemeenten in het kader van externe veiligheid met aandachtsgebieden. Gemeenten moeten in hun omgevingsplan regels opnemen omtrent externe veiligheid. Dat geldt onder meer als zij in de buurt van een risicobron nieuwe (kwetsbare) gebouwen toestaan of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan.

4.12.2

Onderzoek

Aan de hand van de Atlas voor de leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. In onderstaande figuur is een uitsnede van de kaart met betrekking tot het plangebied en de omgeving weergegeven. Op circa 806 meter ten westen van het plangebied is een buisleiding gelegen. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: niet is gelegen binnen een plaatsgebonden risicocontour; niet is gelegen binnen een aandachtsgebied; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van activiteiten met gevaarlijke stoffen.

Figuur 4.6: Risicokaart Hoogspanningslijn Op circa 106 meter ten westen van het plangebied is een bovengrondse hoogspanningslijn met rekenafstand van 110 kV aanwezig. Binnen 45 meter van de hartlijn mogen geen gevoelige functies, zoals woningen, worden opgericht. De situering van de bouwvlakken in het plangebied voldoet hieraan.

40

bestemmingsplan Tam-Omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3

Figuur 4.7: Bovengrondse hoogspanningslijn met rekenafstand

4.12.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot omgevingsveiligheid, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.13

Verkeer en parkeren

4.13.1

Algemeen

In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom). Wel is een veilige en gezonde fysieke leefomgeving één van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (artikel 1.3 Ow). Om in het omgevingsplan tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 2.4 en 4.2 Ow) te komen is van belang dat verkeer- en parkeerhinder worden voorkomen vanwege de impact op de fysieke leefomgeving. De verwerking van verkeersstromen heeft daarbij invloed op verkeersveiligheid, zo is voor een veilige indeling van een weg een bepaald ruimtebeslag noodzakelijk. Daarnaast moet een ontwikkeling, afhankelijk van de parkeerbehoefte die ontstaat, voorzien in voldoende parkeerplaatsen om te voorkomen dat de parkeerdruk toeneemt en parkeeroverlast ontstaat.

4.13.2

Onderzoek

Parkeerbehoefte In onderstaande tabel wordt de parkeerbehoefte in de beoogde situatie weergegeven. Voor het plangebied wordt het volgende uitgangspunt gehanteerd, op basis van de nota 'Parkeernomen Raalte 2015': Stedelijke zone: dorpen en buitengebied Rest bebouwde kom. In onderstaande afbeelding is een berekening van de benodigde parkeerplaatsen weergegeven waarbij rekening is gehouden met de aanwezigheidspercentages.

41

bestemmingsplan Tam-Omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3

Figuur 4.8 Berekening benodigde parkeerplaatsen In totaal worden er 39 parkeerplaatsen gerealiseerd waarbij een deel in de openbare ruimte in langparkeerplaatsen wordt opgelost en een deel op eigen terrein van de woningen. Op eigen terrein worden 16 parkeerplaatsen gerealiseerd en 23 parkeerplaatsen in de openbare ruimte. Dit is tevens te zien in Bijlage 1 Ontwerp. Geconcludeerd wordt dat het plan voorziet in de oplossing van de parkeerbehoefte binnen het plangebied. Verkeersgeneratie Het planvoornemen gaat gepaard met een verandering van het aantal verkeersbewegingen. Ten opzichte van de bestaande situatie worden er 20 woningen toegevoegd. Beoordeeld dient te worden of de verkeerswegenstructuur berekend is op de toename die met het planvoornemen ontstaat. In onderstaande tabel zijn de berekeningen op basis van de CROW-publicatie 'Parkeerkencijfers 2024' weergegeven, waarbij de huidige situatie is afgezet tegen de beoogde situatie. Hierbij zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: Verstedelijkingsgraad: weinig stedelijk (gemeente Raalte) Stedelijke zone: rest bebouwde kom Tabel 4.6 Verkeersgeneratie als gevolg van het plan Functie aantal eenheden Koop, vrijstaand Koop, twee-onder-een-kapwoning Koop, tussen/hoek Sociale huurwoning

4 4 8 4

verkeersgeneratie per woning per etmaal 8,2 7,8

totale verkeersgeneratie 32,8 31,2

7,4 4,8 Totaal

59,2 19,2 142,4

Met de realisatie van het planvoornemen zal de verkeersgeneratie met afgerond 143 voertuigbewegingen per etmaal toenemen. Gelet op de ligging nabij de entree van het dorp wordt gesteld dat deze toename aan verkeersbewegingen niet tot verkeersproblemen leidt. Het plangebied is goed bereikbaar. Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het omliggende wegennetwerk de toename aan verkeersbewegingen eenvoudig kan opvangen.

4.13.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot verkeer en parkeren, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

42

bestemmingsplan Tam-Omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3

4.14

Duurzaamheid

4.14.1

Algemeen

Duurzaamheid bij ruimtelijke ontwikkeling betekent onder andere dat voldaan moet worden aan wettelijke milieueisen, op het gebied van bijvoorbeeld bodem, lucht en geluid. Daarnaast betekent duurzaamheid aandacht voor water (o.a. waterberging, met het oog op de voortgaande klimaatverandering) en voor inrichting van de openbare ruimte (materiaalgebruik, verharding, groen, verlichting). Tot slot zijn circulariteit en energie speerpunten als het gaat om duurzaamheid. De gemeente Raalte beschikt niet over duurzaamheidsbeleid dat relevant is voor onderhavige ruimtelijke ontwikkeling.

4.14.2

Onderzoek

In casu wordt in het onderhavige initiatief voldaan aan de wettelijke milieueisen op het gebied van bodem, lucht en geluid. Dit volgt uit dit hoofdstuk en de behandelde omgevingsaspecten. Tevens wordt op een duurzame wijze omgegaan met water en klimaatadaptatie. Bij de nadere uitwerking van de stukken omtrent de bouwaanvraag wordt nader invulling gegeven aan duurzaamheidsaspecten van de bebouwing. Het is van essentieel belang dat in het onderhavige initiatief sprake is van duurzaam en zorgvuldig ruimtegebruik. Stedelijke uitbreiding ten koste van natuur wordt zodoende voorkomen. Geconstateerd wordt dat daarmee sprake is van een duurzaam gebruik van de fysieke leefomgeving.

4.14.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot duurzaamheid, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.15

Klimaatadaptatie

4.15.1

Algemeen

De verandering van het klimaat vraagt om klimaatadaptatie. De impact van klimaatverandering kan groot zijn en verschilt per sector. Zonder zorgvuldige voorbereiding op de veranderingen levert dat risico’s op voor de samenleving en de fysieke leefomgeving. Als gevolg van klimaatverandering is er in de fysieke leefomgeving een toegenomen kans op hittestress, droogte, wateroverlast en overstromingen. Deze negatieve gevolgen zijn als thema’s geformuleerd in het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie. Bij ruimtelijke ontwikkelingen spelen deze thema’s een belangrijke rol. Klimaatadaptatie van de fysieke leefomgeving is hierbij een van de belangrijkste opgaven. Klimaatadaptief ontwikkelen, bouwen en inrichten van de fysieke leefomgeving voorkomt problemen en beperkt financiële en maatschappelijke schade als gevolg van klimaatverandering en de gevolgen daarvan. Gemeentelijk beleid De gemeente Raalte beschikt niet over klimaatadaptatiebeleid.

4.15.2

Onderzoek

In casu worden nieuwe activiteiten toegestaan, namelijk de woningen. Een toelichting op de wijze waarop invulling is gegeven aan klimaatadaptatie is daarom noodzakelijk. Het plangebied is gesitueerd aan de rand van de kern Lierderholthuis. Op basis van onderstaande figuur zal het plangebied bij een overstroming die eens in de 1000 jaar zal plaatsvinden, gedeeltelijk overstromen. In dat scenario is sprake van een overstroming van de IJssel.. Op 4 km afstand richting het oosten zijn hogere gronden beschikbaar waar men heen kan vluchten in geval van nood. Hiermee is in voldoende mate sprake van waterveiligheid.

43

bestemmingsplan Tam-Omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3

Figuur 4.9 Uitsnede overstromingskanskaart Ter voorkoming van wateroverlast worden waterbergende maatregelen getroffen in de vorm van wateropvangend grasland. Bij het optreden van droogte kan op diverse manieren (financiële) schade ontstaan. Met onderhavig initiatief worden geen 'waterafhankelijke' activiteiten toegestaan. Wel kan het optreden van droogte schadevol zijn voor een fundering en dus bouwwerken. Bij de funderingswijze dient rekening te worden gehouden met de (fluctuerende) grondwaterstand. Gedurende (langdurige) hitte(stress) ontstaan aanzienlijke gezondheidsrisico’s voor personen. In dergelijke situaties is het belangrijk dat men zich aan de hitte kan onttrekken. Dat kan bijvoorbeeld in een gekoelde binnenruimte als een woning. Het creëren van schaduw(plekken) is van belang om hitte tegen te gaan. Bovendien helpt het om de toepassing van verharding te minimaliseren. Zodoende wordt het optreden van hitte(stress) in het plangebied voorkomen. Middels realisatie van waterberging wordt klimaatadaptief ontwikkeld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Raalte&id=ba9f5499-3b53-4129-a48a-d7105a368c41