Motivering
Tekst van het document
Tam-Omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3
Inhoudsopgave
Motivering
3
Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
Inleiding Aanleiding Ligging plangebied Omgevingsplan Raalte De bij het plan behorende stukken Leeswijzer
3 3 3 4 7 7
Hoofdstuk 2 2.1 2.2 2.3 2.4
Beschrijving van het plangebied Historische ontwikkeling Ruimtelijke situatie Functionele structuur Planbeschrijving
8 8 8 8 9
Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3
Beleid Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid
11 11 13 20
Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13 4.14 4.15 4.16 4.17
Aspecten fysieke leefomgeving en milieu Gezondheid Bodem Water Archeologie Cultuurhistorie Ecologie Geluid Trillingen Luchtkwaliteit Geur Activiteiten en milieuzonering Omgevingsveiligheid Verkeer en parkeren Duurzaamheid Klimaatadaptatie Ladder voor duurzame verstedelijking MER-toets
23 23 23 24 27 28 28 31 32 33 35 38 39 41 43 43 44 46
Hoofdstuk 5 5.1 5.2 5.3
Juridisch kader TAM-omgevingsplan Inleiding Opzet regels Nadere toelichting op de regels
47 47 47 48
Hoofdstuk 6 6.1 6.2
Financiële uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Kostenverhaal
49 49 49
Hoofdstuk 7 7.1 7.2 7.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Participatie Bestuurlijk vooroverleg Procedure
50 50 50 50
2
bestemmingsplan Tam-Omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3
Motivering Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
In het dorp Lierderholthuis bestaat een concrete behoefte aan woningen. De gemeente is voornemens om, op een perceel bestaand uit grasland tussen Molenerven en Lierderbroek, de realisatie en het gebruik van 20 woningen planologisch mogelijk te maken. De beoogde ontwikkeling wordt middels de stedenbouwkundige opzet en aanleg van groen ingepast in het bestaande straatbeeld. De invulling van het plangebied draagt bij aan de ruimtelijke kwaliteit en komt onder andere voort uit verschillende participatiemomenten met omwonenden en andere belanghebbenden. Het voornemen past niet binnen de regels van het geldende omgevingsplan. Het is tevens niet mogelijk om de nieuwbouwwijk mogelijk te maken met een binnenplanse omgevingsplanactiviteit, omdat het stedenbouwkundig plan ervan uitgaat dat er rijwoningen worden gerealiseerd. Hiermee wordt niet aan de wijzigingsbevoegdheid voldaan, omdat conform de wijzigingsbevoegdheid alleen vrijstaande of twee-onder-een-kap woningen zijn toegestaan. Om dit planvoornemen juridisch-planologisch mogelijk te maken, dient het omgevingsplan gewijzigd te worden. Voorliggende ruimtelijke motivering bevat de toelichting voor de benodigde wijziging van het omgevingsplan en vormt de onderbouwing van het besluit. Gemotiveerd wordt dat met deze wijziging tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt gekomen.
1.2
Ligging plangebied
De kern Lierderholthuis ligt ten westen van Heino. Het plangebied ligt aan de noordzijde van Lierderholthuis. Het plangebied ligt tussen Molenerven en Lierderbroek en staat kadastraal bekend als gemeente Heino, sectie G, en een deel van perceelnummer 1433. Figuur 1.1 toont de ligging van het plangebied ten opzichte van de kern Lierderholthuis. Figuur 1.2 toont globaal de ligging van het plangebied ten opzichte van de directe omgeving, voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding.
3
bestemmingsplan Tam-Omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3
Figuur 1.1: Ligging plangebied ten opzichte van Lierderholthuis
Figuur 1.2: Ligging plangebied ten opzichte van directe omgeving
1.3
Omgevingsplan Raalte
Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Door inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft iedere gemeente directe een omgevingsplan van rechtswege, hetgeen een tijdelijk deel betreft. Het omgevingsplan van rechtswege bestaat uit: Bestemmingsplannen, beheersverordeningen, uitwerkingsplannen, wijzigingsplannen & exploitatieplannen; Lokale verordeningen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan (bijvoorbeeld: Erfgoed- en/of Archeologieverordening en Geurverordening); Bruidsschat. Het geldend planologisch regime is vastgelegd in het "Omgevingsplan gemeente Raalte". Ter plaatse van het plangebied gelden in het omgevingsplan de volgende bestemmingsplannen, welke van rechtswege onderdeel uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan: Bestemmingsplan 'Lierderholthuis'; Paraplubestemmingsplan Parkeren; Hieronder worden bovenstaande bestemmingsplannen met betrekking tot het plangebied toegelicht, waarna wordt ingegaan op de strijdigheid van het planvoornemen ten opzichte van het planologisch regime.
1.3.1
Bestemmingsplan 'Lierderholthuis'
Ter plaatse van het plangebied gelden de bestemmingsplan 'Lierderholthuis' welke op 29 september 2016 door de gemeenteraad van Raalte is vastgesteld. In figuur 1.3 is een uitsnede van de verbeelding behorend bij de bestemmingsplannen opgenomen.
4
bestemmingsplan Tam-Omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3
Figuur 1.3: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Lierderholthuis' ter plaatse van het plangebied In deze bestemmingsplannen heeft het plangebied de volgende bestemmingen: enkelbestemming 'Agrarisch'; enkelbestemming 'Groen'; enkelbestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied'; dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde laag'; dubbelbestemming 'Wetgevingszone - wijzigingsgebied'. Navolgend wordt een beschrijving van de voor het plangebied relevante bestemmingen gegeven. Enkelbestemming 'Agrarisch' Gronden met de bestemming 'Agrarisch' zijn bestemd voor agrarische doeleinden en een dierenweide. Met de daarbij behorende erven en terreinen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met daaraan ondergeschikt: nutsvoorzieningen, wegen, straten, paden en in- en uitritten, parkeervoorzieningen, (infiltratie) groenvoorzieningen, water, recreatief medegebruik. Op basis van de bouwregels mogen enkel bouwwerken, geen gebouwen zijnde ter hoogte van maximaal 3 meter ten dienste van de bestemming worden gebouwd. Strijdigheid Het grootste deel van het plangebied is in het vigerende bestemmingsplan bestemd voor een agrarische functie middels de enkelbestemming 'Agrarisch'. Voorliggend plan voorziet in een planologische herbestemming van de als 'Agrarisch' aangeduide gronden naar gronden met de functie 'Wonen'. In de huidige situatie zijn geen gebouwen toegestaan, laat staan woningen.
Derhalve is sprake van een strijdige situatie. Enkelbestemming 'Groen' De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor (infiltratie) groenvoorzieningen, bermen en beplanting, voet- en rijwielpaden, speelvoorzieningen, waterlopen en waterpartijen en daaraan ondergeschikte voorzieningen. Strijdigheid De buitenrand aan de westzijde en noordzijde kent een groenfunctie. Hierbinnen is in het stedenbouwkundig plan enkel groen geschetst, waardoor het planvoornemen niet strijdig is met de groenfunctie.
5
bestemmingsplan Tam-Omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3
Enkelbestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' De voor 'Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor woonstraten, pleinen en paden, voet- en rijwielpaden, erven en terreinen, met daaraan ondergeschikt: nutsvoorzieningen, speelvoorzieningen, geluidwerende voorzieningen, kunstobjecten, kunstwerken, parkeervoorzieningen, (infiltratie)groenvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen zoals een bergbezinkvoorziening, water, evenementen, voorzieningen ten behoeve van het verzamelen van huishoudelijke afvalstoffen. Strijdigheid In het beoogde ontwerp zijn de toegangsweg, een aantal parkeerplaatsen en groen binnen de bestemming 'Verkeer Verblijfsgebied' ingetekend. Hiermee is het plan niet strijdig met de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied'. Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde laag' Op de voor ' Waarde - Archeologische verwachtingswaarde laag ' aangewezen gronden mag niet worden gebouwd, tenzij het bouwprojecten betreft met een grondbeslag van niet meer dan 5 ha en niet dieper dan 0,5 m onder maaiveld, of activiteiten betreft waarvoor geen omgevingsvergunning vereist is, of bouwprojecten waarvoor een reguliere omgevingsvergunning is verleend en waarbij een rapport is overlegd waarin de archeologische waarde van het terrein in voldoende mate is vastgesteld.
Strijdigheid Het plan is niet groter dan 5 ha waardoor het plan niet strijdig is met de dubbelbestemming. Gebiedsaanduiding 'wetgevingzone - wijzigingsgebied' Over de agrarische functie in het plangebied ligt eveneens een gebiedsaanduiding 'wetgevingzone - wijzigingsgebied'. Deze gebiedsaanduiding duidt een wijzigingsbevoegdheid: Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingzone - wijzigingsgebied' wijzigen in de functies 'Wonen - 1', 'Tuin' en/of 'Verkeer- en verblijfsgebied', met inachtneming van de volgende voorwaarden: a. er mogen ten hoogste 30 woningen worden gebouwd in de categorie vrijstaand en/of twee-aaneen; b. hierbij is het bepaalde in artikelen 13 Wonen - 1, 10 Tuin en 11 Verkeer - Verblijfsgebied van overeenkomstige toepassing; c. de wijziging kan alleen plaatsvinden, nadat is aangetoond dat er geen sprake is van een verontreiniging van de bodem, waardoor de nieuwe woonbebouwing niet uitvoerbaar zou zijn; d. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: 1. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; 2. een goede woonsituatie; 3. de milieusituatie; 4. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld; 5. de sociale veiligheid; 6. de verkeersveiligheid. Strijdigheid In het plangebied worden 20 woningen gerealiseerd. Dit is strijdig met het huidige planologische regime.
Daarnaast is het niet mogelijk om de nieuwbouwwijk mogelijk te maken middels de wijzigingsbevoegdheid, omdat het stedenbouwkundig plan ervan uitgaat dat er ook een rijtje woningen komt. Hiermee wordt niet voldaan aan de wijzigingsbevoegdheid, omdat onder sub a staat dat alleen vrijstaande of twee-onder-een-kapwoningen zijn toegestaan. Tevens kan niet aan de wijzigingsbevoegdheid worden voldaan omdat in fase 2 17 woningen zijn gerealiseerd. Samen met de 20 woningen voor fase 3 komt het totaal woningen uit op 37. Hiermee kan niet worden voldaan aan de voorwaarden dat er maximaal 30 woningen gerealiseerd worden.
1.3.2
Bestemmingsplan 'Paraplubestemmingsplan Parkeren'
Het 'Paraplubestemmingsplan Parkeren' voorziet in de planologische verankering van het parkeerbeleid van de gemeente Raalte en is door de gemeenteraad vastgesteld op 27 september 2018. Het bestemmingsplan komt voort uit de wens van de gemeente Raalte om de parkeerregeling vast te leggen in alle geldende bestemmingsplannen binnen de gemeentegrenzen. Het bestemmingsplan 'Paraplubestemmingsplan Parkeren' blijft onverkort van toepassing. De beoogde ontwikkeling voldoet aan de parkeerregeling zoals opgenomen in het parkeerbeleidsplan "Parkeernormen Raalte 2015" (zie 4.13 Verkeer en parkeren) en is derhalve niet strijdig met het bestemmingsplan.
6
bestemmingsplan Tam-Omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3
1.3.3
Strijdigheid
Het initiatief is strijdig met de enkelbestemming 'Agrarisch'. In de huidige situatie zijn geen gebouwen toegestaan, laat staan woningen. Derhalve is sprake van een strijdige situatie. Voorliggend plan voorziet derhalve in een planologische wijziging van de als 'Agrarisch' aangeduide gronden naar gronden met de functie 'Wonen - 2'.
1.4
De bij het plan behorende stukken
Het onderhavige bestemmingsplan 'Tam-Omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3' bestaat naast deze toelichting uit de volgende stukken. Motivering; Bijlagen bij de motivering; Verbeelding (identificatie NL.IMRO.0177.TAM20240006-ON01); Regels.
1.5
Leeswijzer
De toelichting van het bestemmingsplan kent de volgende opbouw. In Hoofdstuk 2 wordt ingegaan op het plan. Hoofdstuk 3 schetst het beleidskader. In Hoofdstuk 4 worden de relevante aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving en het milieu behandeld. Hoofdstuk 5 licht het juridisch kader van het TAM-omgevingsplan toe, onder andere bestaande uit een toelichting op de regels. Tot slot komen in Hoofdstuk 6 en 7 respectievelijk de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan bod.
7
bestemmingsplan Tam-Omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3
Hoofdstuk 2 2.1
Beschrijving van het plangebied
Historische ontwikkeling
Lierderholthuis is een dorp in de gemeente Raalte en telt ongeveer 460 inwoners verdeeld over de kern en het buitengebied. Het dorp is één van de kleinste kernen van de gemeente. De kerk in Lierderholthuis heeft een belangrijke rol gespeeld in het ontstaan als dorp. Lierderholthuis is waarschijnlijk vernoemd naar een ‘spieker’ (huis) gebouwd op een stuk land (holt) in de polder Lierderbroek. De naam Lierderbroek komt van het droogmaken (lyrden) van een laag drassig land (broek). Op onderstaande figuur is een vogelvluchtaanzicht van het plangebied weergegeven. Het plangebied is het akkerland linksboven waarop geen bebouwing aanwezig is.
Figuur 2.1: Vogelvluchtaanzicht plangebied
2.2
Ruimtelijke situatie
Lierderholthuis ligt in noordwestelijke richting ongeveer op tien kilometer afstand van Raalte. Voorts ligt het ingeklemd tussen de IJssel ter linkerzijde en de spoorlijn Zwolle - Almelo ter rechterzijde. Aan de overzijde van de spoorweg bevindt zich de plaats Heino. De ruimtelijke situatie in het plangebied bestaat volledig uit akkerland. Aan de oost- en zuidzijde van het plangebied grenzen de wegen Molenerven en Lierderbroek. Daartussen bevinden zich wat groenstroken.
2.3
Functionele structuur
In de jaren 1970 en 1990 werden er nieuwbouwwoningen gebouwd, wat bijdroeg aan de groei van het dorp. In 2016 werd een vervangende basisschool gebouwd. Verder zijn in het dorp voorzieningen als de kerk, een café, sportfaciliteiten en een dorpshuis aanwezig.
8
bestemmingsplan Tam-Omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3
2.4
Planbeschrijving
De eerdere uitbreidingen van Lierderholthuis zijn een aantal jaar geleden gerealiseerd. Voorliggend plan wordt geschreven om uitbreiding fase 3 van Lierderholthuis mogelijk te maken. In totaal worden 20 woningen gerealiseerd in verschillende woningtypologieën. De woningen die op deze locatie worden gebouwd sluiten aan bij de ambitie zoals die staat verwoord in het programma Wonen: “Jong en oud, arm en rijk, moeten een passende woning kunnen vinden in een toekomstbestendige woonomgeving, waarbij we ruimte geven aan eigenzinnig (samen)wonen voor onze huidige en nieuwe inwoners”. In het plan is ook rekening gehouden met de resultaten uit het behoefteonderzoek op basis van een enquête specifiek uitgezet in de kern Lierderholthuis. De belangrijkste uitkomst hiervan was dat relatief veel jongere mensen op zoek zijn naar een eerste woning, dus starters op de woningmarkt. Ook is een groot deel op zoek naar een twee onder een-kap of vrijstaande woning. Het woningbouwprogramma bestaat uit: 4 vrijstaande woningen (koop); 4 twee-onder-een-kapwoningen (koop); 12 rijwoningen (waarvan 4 sociale huurwoningen en 8 betaalbare koop). Er zijn in fase 3 zijn 4 sociale huurwoningen opgenomen (20%), 8 rijwoningen in de categorie betaalbare koop (40%), en 8 woningen in het hoogste segment (40%).
Dit sluit ook aan bij de doelstelling van het programma Wonen om voor de leefbaarheid van alle kernen in de toekomst voldoende huurwoningen én goedkopere koopwoningen toe te voegen die aansluiten op de woningvraag van starters en senioren. En om aan de vraag van nu te voldoen bouwen we ook eengezinswoningen om ook zo voldoende aanbod te creëren om doorstroming te bevorderen. Het aantal woningen en de verdeling over de segmenten is in afstemming met Plaatselijk Belang Liederholthuis tot stand gekomen. De 2 rijen betaalbare koopwoningen verschillen van elkaar in breedte van de woningen. Bij realisatie van de woningen resulteert dit ook in verschillen in VON-prijs. In het dure segment woningen is gekozen voor een gelijk aantal twee onder een-kap en vrijstaande woningen. Dit geeft een mix van woningtypen geschikt voor een mix aan doelgroepen (starters, senioren en doorstromers). In afstemming met Salland Wonen is overeengekomen dat er 4 sociale huurwoningen (20%) in het plan worden opgenomen. Hiervan geeft Salland Wonen aan dat dit voldoende is en dit sluit ook aan bij de resultaten vanuit het woningbehoefte onderzoek. De aantallen en het type woning sluiten aan bij het programma Wonen, waarbij rekening is gehouden met de resultaten vanuit het woningbehoefteonderzoek. In totaal worden 39 parkeerplaatsen gerealiseerd.
Rondom de woningen wordt een straat aangelegd, die vanaf Lierderbroek, bovenlangs de woningen naar Molenerven loopt. Ook worden wadi's aangelegd ten noorden van de woningen om te voldoen aan de waterbergingseis. Bovendien wordt op diverse plekken groen toegevoegd in het plan. In figuur 2.1 is een schetsontwerp weergegeven.
9
bestemmingsplan Tam-Omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3
Figuur 2.1: Schetsontwerp
10
bestemmingsplan Tam-Omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3
Hoofdstuk 3
Beleid
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Nationale omgevingsvisie (NOVI)
Wettelijk kader De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee moet ingespeeld worden op de grote uitdagingen die te wachten staan. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste op regionaal niveau worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. In de NOVI benoemt het Rijk 21 nationale belangen voor het omgevingsbeleid, inclusief de opgaven en de rol van het Rijk in het realiseren van deze opgaven. Deze opgaven komen samen in vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie. Duurzaam economisch groeipotentieel. Sterke en gezonde steden en regio's. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren.
In sommige gevallen moeten belangen worden afgewogen en scherper keuzes worden gemaakt. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Toetsing Het planvoornemen ziet toe op de herontwikkeling van een grotendeels braakliggend perceel, ten behoeve van een woonfunctie. Het plangebied is gelegen direct aangrenzend aan bestaand stedelijk gebied, waardoor wordt voorzien in efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte. Door de stedenbouwkundige opzet en inpassing in het straatbeeld wordt aangesloten bij de kenmerken en identiteit van het gebied waarin het plangebied gelegen is.
Conclusie Op basis van bovenstaande wordt geconcludeerd dat het planvoornemen inspeelt op de geformuleerde belangen uit de NOVI. Daarnaast zijn er geen nationale belangen uit de NOVI in het geding als gevolg van deze ontwikkeling, met name gezien de aard en omvang van het plan.
3.1.2
Rijksinstructieregels
Wettelijk kader De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s); het Omgevingsbesluit (Ob), het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het Besluit Bouwwerken leefomgeving (Bbl). Deze besluiten bevatten de regels voor het praktisch uitvoeren van de Omgevingswet. De instructieregels van het Rijk, zoals opgenomen in het Bkl hebben betrekking op: waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2); beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3); beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit; beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking; het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en
11
bestemmingsplan Tam-Omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3
recreatiegebieden; het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën; het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8). Aanvullend op bovenstaande bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Hierbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. Toetsing Hieronder wordt ingegaan op welke van bovenstaande instructieregels het voorliggende plan betrekking heeft. Waarborgen van de veiligheid (paragraaf 5.1.2 Bkl) Voor de ontwikkeling is de risicokaart geraadpleegd (zie ook paragraaf 4.12). Hieruit blijkt dat er in de directe omgeving geen externe risico’s aanwezig zijn die een dreiging vormen voor de woningen binnen het plangebied. Het waarborgen van de veiligheid voor deze ontwikkeling is voldoende geborgd. Beschermen van de waterbelangen (paragraaf 5.1.3 Bkl) De ontwikkeling heeft betrekking op nieuwbouw of aanpassingen in het watersysteem. Er is een toename aan verharding.
De waterbelangen in voorliggend plan zijn voldoende verankerd in het het waterhuishoudkundig plan dat is toegevoegd als Bijlage 5. Beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4 Bkl) Het plan heeft geen betrekking op een activiteit die trillingen tot gevolg heeft. Daarnaast is in hoofdstuk 5 beschreven dat o.a. de aspecten luchtkwaliteit en geur geen belemmering vormen voor de uitvoering van het plan. Voor wat betreft de luchtkwaliteit geldt dat het toevoegen van 20 wooneenheden niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het toevoegen van één wooneenheid en omzetten van de huidige agrarische functie naar een woonfunctie zorgt daarnaast niet voor geuremissie. In eerste instantie kan niet worden voldaan aan de grenswaarde van. Echter, kan de gemeente een hogere grenswaarde toestaan volgens het geuronderzoek dat is bijgevoegd als Bijlage 11 Beoordeling geurhinder. In de regels behorend bij dit plan is in artikel 9.5.3 Hogere grenswaarde geurbelasting geregeld dat een hogere grenswaarde voor geur wordt toegestaan. Vergeleken met de huidige situatie, waarbij het perceel een agrarische bestemming kent, vervallen juist de planologische mogelijkheden om op deze locatie dergelijke activiteiten te ontplooien. Zodoende ziet het plan voldoende toe op het beschermen van gezondheid en milieu.
Overige milieuaspecten worden verder beschouwd in Hoofdstuk 4 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu. Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5 Bkl) De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op het wijzigen van de huidige agrarische functie naar een woonfunctie. Deze uitbreiding sluit aan bij de stedenbouwkundige opzet die gemaakt is voor de uitbreiding van Lierderholthuis en qua stedenbouwkundige opzet een logisch vervolg is op de laatste uitbreiding. In de buurt zit geen cultureel erfgoed dat aangetast wordt. Daarmee is er geen sprake van de aantasting van landschappelijke, stedenbouwkundige of cultuurhistorische waarden. Het behoud van ruimte voor toekomstige functies zoals autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden (paragraaf 5.1.6) Niet van toepassing op voorliggend plan. Het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten als landsverdediging en nationale veiligheid, (paragraaf 5.1.7) Niet van toepassing op voorliggend plan. Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8) Niet van toepassing op voorliggend plan.
De relevante onderwerpen en bijbehorende onderzoeken die volgens de instructieregels aan bod moeten komen worden in Hoofdstuk 4 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu van voorliggende ruimtelijke motivering behandeld. Conclusie Op basis van hetgeen opgenomen in Hoofdstuk 4 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu met betrekking tot bovenstaande wordt geconcludeerd dat wordt voldaan aan de rijksinstructieregels.
3.1.3
Conclusie Rijksbeleid
Het planvoornemen speelt in op de geformuleerde belangen uit de NOVI en raakt geen rijksbelangen. Daarnaast wordt in Hoofdstuk 4 gemotiveerd dat het plan voldoet aan de relevante rijksinstructieregels. Geconcludeerd wordt dat onderhavig initiatief niet in strijd is met het relevante rijksbeleid.
12
bestemmingsplan Tam-Omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3
3.2
Provinciaal beleid
Het provinciaal beleid voor de fysieke leefomgeving is integraal vastgelegd in de Omgevingsvisie- en Omgevingsverordening Overijssel. De huidige visie en verordening zijn vastgesteld op 12 april 2017. De provinciale Omgevingsvisie en Omgevingsverordening worden elk jaar bijgewerkt. Dat gebeurt met de jaarlijkse Actualisatie. Het gaat om alle eerder vastgestelde beleidswijzigingen die nog moeten worden doorvertaald in de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Op 8 november 2023 zijn de 'Actualisatie Omgevingsvisie 2023' en 'Actualisatie Omgevingsverordening 2023' vastgesteld. Het plan is getoetst aan de geconsolideerde Omgevingsvisie en Omgevingsverordening vanaf 2017 (beiden 8 november 2023).
3.2.1
Omgevingsvisie Overijssel
In de Omgevingsvisie schetsen Provinciale Staten hun visie op de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van de provincie. Het vizier is daarbij gericht op 2030. Zij geven aan wat volgens hen de ambities en doelstellingen van provinciaal belang zijn en hoe zij Gedeputeerde Staten opdragen deze te realiseren. Het provinciaal beleid voor de fysieke leefomgeving staat primair in dienst van de sociaaleconomische ontwikkeling van Overijssel. Dit betekent dat de provincie ruimte wil bieden voor de ontwikkeling van werkgelegenheid en hoogwaardige woonmilieus tot stand willen brengen. Dynamiek ziet de provincie als een kans om de ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid te versterken. Dit wordt gedaan door in te zetten op een evenwichtige afweging van beleidsambities waaronder waterveiligheid, een gezond milieu en goede volksgezondheid. Daarnaast wordt ook gestuurd op het versterken van de waardevolle en karakteristieke kenmerken van het landschap. Om de omgevingsvisie tot uitvoering te brengen bevat deze een uitvoeringsmodel. In dat model staan de stappen 'of', 'waar' en 'hoe' centraal. Om een goed evenwicht te vinden tussen het bieden van ruimte aan initiatieven en het waarborgen van publieke belangen, varieert de provinciale sturing. Soms is deze sturing normstellend, maar meestal is de sturing richtinggevend of inspirerend.
3.2.2
Omgevingsverordening Overijssel
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie Overijssel te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die ruimtelijke onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. De Omgevingsverordening richt zich dan ook net zo breed als de Omgevingsvisie Overijssel - uitsluitend op de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel. Dit betekent dat regels worden gesteld op het gebied van de ruimtelijke ordening, maar ook op het gebied van mobiliteit, milieu, natuur, water en bodem. Het uitgangspunt 'decentraal wat kan, centraal wat moet' is toegepast bij de flexibiliteitsbepalingen in de verordening. Waar mogelijk zijn afwijkingsmogelijkheden toegepast in plaats van ontheffingsbepalingen. Voorliggend plan is getoetst aan de relevante beleidsregels uit de provinciale verordening en worden in de navolgende hoofdstukken beschreven.
3.2.3
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus. Aan de hand van de drie niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling passend is binnen het provinciaal beleid voor de fysieke leefomgeving. In navolgende afbeelding wordt het uitvoeringsmodel weergegeven.
13
bestemmingsplan Tam-Omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3
Figuur 3.1: Visualisatie Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel De betreffende niveaus worden hierna toegelicht, vervolgens wordt het plan getoetst aan de betreffende niveaus uit het uitvoeringsmodel. Generieke beleidskeuzes (of) Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden. Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel.
Ontwikkelingsperspectieven (waar) Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen aanvaardbaar zijn, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. Gebiedskenmerken (hoe) Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.
3.2.3.1
Generieke beleidskeuzes (of)
Bij de afwegingen op het eerste niveau 'Of – generieke beleidskeuzes' zijn artikel 4.4 (principe van concentratie), artikel 4.5 (Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik) en artikel 4.6 (Toekomstbestendigheid) uit de Omgevingsverordening Overijssel van belang. Navolgend wordt aan de artikelen getoetst. Artikel 4.4 (principe van concentratie 1. In omgevingsplannen worden alleen de ontwikkeling van woningbouw, bedrijventerrein, stedelijke voorzieningen, met
14
bestemmingsplan Tam-Omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3
2. 3. 4. 5.
bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen mogelijk gemaakt als die voorzien in een lokale behoefte of in de behoefte van bijzondere doelgroepen. Daarbij geldt voor bedrijventerreinen dat lokale behoefte wordt ingevuld als bedoeld voor lokaal gewortelde bedrijvigheid. In gebieden die deel uitmaken van een stedelijk netwerk kan het omgevingsplan voorzien in een bovenregionale behoefte aan ontwikkeling van woningbouw, bedrijventerrein, stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen. In gebieden die deel uitmaken van een streekcentrum kan een omgevingsplan voorzien in een regionale behoefte aan ontwikkeling van woningbouw, bedrijventerrein, stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen, mits dit past binnen de regionale programmering voor de regio waartoe het streekcentrum behoort. Een omgevingsplan kan voorzien in (een deel van) de behoefte van een buurgemeente aan ontwikkeling van woningbouw, bedrijventerrein, stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen, als dit past binnen de regionale programmering van de regio waartoe de gemeente behoort.
Toets Artikel 4.4 (principe van concentratie) 1. Op grond van de toetsing aan het gemeentelijk beleid wordt geconstateerd dat met de woningbouw wordt voorzien in een lokale behoefte (betaalbare woningen voor starters / kleine huishoudens). 2. Er is geen sprake van een bedrijventerrein. 3. Lierderholthuis is geen onderdeel van een stedelijk netwerk. Er wordt niet voorzien in bovenregionale behoefte. 4. Lierderholthuis betreft geen streekcentrum. Er wordt niet voorzien in regionale behoefte. 5. De ontwikkeling voorziet in de lokale behoefte van Lierderholthuis cq. gemeente Raalte en niet in de behoefte van een buurgemeente. Geconcludeerd wordt dat onderhavig initiatief in lijn is met artikel 4.4. Artikel 4.5 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik 1. Omgevingsplannen maken alleen extra ruimtebeslag voor stedelijke functies in de Groene Omgeving mogelijk aansluitend op bestaand bebouwd gebied en als aannemelijk gemaakt is dat: a. er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied; b. de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en transformatie; en c. mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut. 2.
Omgevingsplannen voorzien alleen in nieuwe ontwikkelingen in de Groene Omgeving die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen, als aannemelijk gemaakt is dat: (her)benutten van bestaande bebouwing in de Groene Omgeving in redelijkheid niet mogelijk is; en mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut. 3. Het tweede lid is niet van toepassing op stedelijke functies waarvoor extra ruimtebeslag op de Groene Omgeving plaatsvindt in de vorm van uitleg van dorpen en steden. Toets Artikel 4.5 (Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik) Onderhavig plan voorziet in het toestaan van de realisatie van woningen en het in gebruik nemen hiervan. De gronden waarop de realisatie van de woningen, en dus een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden, is beoogd betreffen geen "bestaand bebouwd gebied" zoals omschreven in de Omgevingsverordening. Binnen het bestaande bebouwd gebied is geen ruimte beschikbaar en het bestaand bebouwd gebied is ook niet geschikt te maken door hestructurering en/of transformatie. Het groene karakter ter plaatse van voorgenomen ontwikkeling wordt behouden en ondersteunt middels de aanleg van bomen en een haag rondom het plangebied. Derhalve wordt geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling in overeenstemming is met artikel 4.5 uit de Omgevingsverordening Overijssel.
Artikel 4.6 (toekomstbestendigheid) In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt, anders dan voor tijdelijk gebruik, waarvan aannemelijk is dat die toekomstbestendig zijn en dus: a. de mogelijkheden van toekomstige generaties om in hun behoeften te voorzien niet in gevaar brengen; b. duurzaam en evenwichtig bijdragen aan het welzijn van mensen, economische welvaart en het beheer van natuurlijke voorraden; en c. ook op lange termijn toegevoegde waarde hebben. Toets Artikel 4.6 (toekomstbestendigheid) Op basis van voorliggende motivering wordt geconstateerd dat sprake is van een nieuwe ontwikkeling die toekomstbestendig is op grond van: a. Hoofdstuk 4 en de uitgevoerde mer-beoordeling (Bijlage 12 Mededeling mer-beoordeling); b. Hoofdstuk 4 en de uitgevoerde mer-beoordeling (Bijlage 12 Mededeling mer-beoordeling); c. Sub-paragrafen 3.3.1 Omgevingsvisie Horizon gemeente Raalte 2040 in de zin dat de ontwikkeling bijdraagt aan de toekomstvisie van de gemeente Raalte.
15
bestemmingsplan Tam-Omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3
3.2.3.2
Ontwikkelingsperspectieven (waar)
In dit geval zijn vooral de ontwikkelingsperspectieven voor de stedelijke omgeving van belang. In de stedelijke omgeving is de uitdaging om de economische centra bereikbaar te houden en door herstructurering de kwaliteit van de woonomgevingen en bedrijfslocaties te vergroten. In Figuur 3.2 is een uitsnede van de perspectievenkaart behorende bij de Omgevingsvisie opgenomen.
Figuur 3.2: Uitsnede Perspectievenkaart Omgevingsvisie Overijssel Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap Van de ruimtelijke kwaliteitsambities staat in dit ontwikkelingsperspectief de ambitie Voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen voorop. Daarnaast gelden – net als voor alle andere ontwikkelingsperspectieven – de ruimtelijke kwaliteitsambities: zichtbaar en beleefbaar mooi landschap sterke ruimtelijke identiteiten als merken voor Overijssel continu en beleefbaar watersysteem Dit ontwikkelingsperspectief omvat gebieden waar verdere modernisering en schaalvergroting van de landbouw in combinatie met verduurzaming de ruimte krijgt. Die ruimte kan verdiend worden door te investeren in kwaliteitsvoorwaarden. Onder verduurzaming verstaan we hier: realisatie van de waterkwaliteitsdoelen, gezondheid en welzijn van mens en dier, bijdrage aan de energietransitie, natuuropgaven, klimaatbestendigheid en ketenoptimalisatie, en ontwikkelen met aandacht voor – en waar mogelijk in dialoog met – omwonenden. Agrarische ondernemers staan voor de uitdaging om hun – vaak grote – gebouwen en erven zo vorm te geven dat ze passen bij maat en schaal van het landschap en de ruimtelijke en milieukwaliteit versterken.
Doorwerking in het onderhavige plan Het woningbouwinitiatief ligt niet in lijn met het ontwikkelingsperspectief 'Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap'. Echter, is er behoefte aan de ontwikkeling en wordt het dorp op een logische plek uitgebreid. Daarnaast zijn er thans woningen gebouwd binnen hetzelfde ontwikkelingsperspectief ten oosten van het plangebied.
3.2.3.3
Gebiedskenmerken (hoe)
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch-cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De "stedelijke laag" kan in dit geval buiten beschouwing blijven aangezien er geen kenmerken vanuit deze laag op het plangebied van toepassing zijn. De 'Natuurlijke laag'
16
bestemmingsplan Tam-Omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3
'Dekzandvlakte en ruggen' De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk, door de wind gevormd, zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied. In de occupatiegeschiedenis zijn de dekzandgebieden voor het overgrote deel in cultuur gebracht als essenlandschap, oude hoevenlandschap en heideontginningslandschap. Kenmerkend reliëf is op veel plaatsen vervlakt, b.v. door egalisaties ten behoeve van de landbouw. De ambitie is de natuurlijke verschillen tussen hoog en laag en tussen droog en nat functioneel meer sturend en beleefbaar te maken. Dit kan bijvoorbeeld door een meer natuurlijk watersysteem en door beplanting met ‘natuurlijke’ soorten. En door de (strekkings)richting van het landschap te benutten in gebiedsontwerpen. Doorwerking in het onderhavige plan Aangezien de gronden reeds in gebruik zijn ten behoeve van een akkerland is het reliëf reeds verdwenen en is daardoor geen sprake van hoge en/of lage gebieden binnen het plangebied. De van oorsprong voorkomende 'Natuurlijke laag' is daardoor niet of nauwelijks meer aanwezig, laat staan zichtbaar. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de 'Natuurlijke laag'. De 'laag van het agrarisch-cultuurlandschap'
17
bestemmingsplan Tam-Omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3
Het overkoepelende agrarische cultuurlandschap heet 'Rivierenlandschap, oeverwallen en komgronden'. Kenmerken van dit agrarisch cultuurlandschap zijn wegdorpen op de oeverwallen, (handels)steden aan de rivier en een dynamisch landschap. Er is samenhang tussen rivier, uiterwaarden, dijken, wielen, oeverwallen, komgronden en natuurlijk reliëf/ rivierduinen. Er zijn veel functies: water, verdediging, vervoer, handel, schoonheid, natuur. Ook zijn er wegdorpen op oeverwallen, verspreide bebouwing op rivierduinen. Verkavelingen zijn gebaseerd op richting rivier en hoogteligging. Open reliëfrijk winterbed met weien hooiland, geulen en opgaand ooibos. Binnendijks zijn er oeverwallen als kleinschalig (mix) mozaïeklandschap (bebouwing, boomgaarden, akkerbouw, wegen paden); daarnaast bestaan open en verkavelde komgronden met weiland, waarin de patronen van de rivier soms nog te af te lezen zijn. Komgronden krijgen vanwege hun relatieve ruimte steeds meer functies toegeschoven waarvoor elders geen plek meer is (hoogspanningsleidingen, verkeerswegen etc.). De ambitie is de contrasten tussen het dynamische natuurlijke winterbed, de kleinschalige oeverwallen met dorpen, boomgaarden en beplantingen en lage grote open komgronden met verspreide erven op duintjes te vergroten en meer beleefbaar te maken. In de kommen is ruimte voor grootschalige landbouw.
De open komgronden zijn in principe geschikt voor het ontwikkelen van kleine clusters windturbines. De clusters staan op voldoende afstand van elkaar, zodat ze elkaar landschappelijk gezien niet beïnvloeden. Doorwerking in het onderhavige plan Het plangebied ligt in het agrarische cultuurlandschap 'komgebieden'. In kommen is ruimte voor functies waar elders geen plek voor is. De uitbreiding van het dorp Lierderholthuis vindt plaats op een logische plek waar elders in het dorp geen plek voor is. Het plan ligt in lijn met de 'laag van het agrarisch-cultuurlandschap'. De 'Stedelijke laag' Gelet op de ligging van het plangebied in combinatie met het voornemen wordt de 'Stedelijke Laag' buiten beschouwing gehouden. Dit aangezien er geen gebiedskenmerken van de 'Stedelijke Laag' van toepassing is. De 'Laag van de beleving' In de laag van de beleving komen de natuurlijke, functionele en sociale processen bij elkaar. Dit is de laag die gaat over de beleefbaarheid van ruimtelijke kwaliteit, identiteit en tijdsdiepte, van recreatieve gebruiksmogelijkheden die een belangrijke rol spelen bij de waardering van de leefomgeving. De laag van de beleving is de laag van de verbinding en het netwerk; tussen het stedelijke en het landelijke, de cultuur en de natuur, snel en traag, oud en nieuw, tussen nut en schoonheid.
De laag van de beleving benut vooral de kwaliteiten van de andere drie lagen, maar voegt ook eigen kenmerken toe, zoals landgoederen, recreatieparken en recreatieve routes. Het stelt kwaliteiten zoals de natuur, de productielandschappen en de steden in een ander daglicht en maakt ze beleefbaar en tot een belevenis.
18
bestemmingsplan Tam-Omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3
Figuur 3.3: Uitsnede 'Laag van de beleving' 'IJssellinie inundatieveld' De IJssellinie was een militaire verdedigingslinie die tussen 1951 en 1954 langs de IJssel gebouwd werd om Nederland door middel van inundatie (het onder water zetten van land) te beschermen tegen een vijandige inval. Cultuurhistorische waarden dienen behouden te worden door ze aandacht te geven in de planrealisatie. 'Donkerte' Lichte gebieden geven een beeld van economische dynamiek; zoals de steden en dorpen, de snelwegen, de kassengebieden, attractieparken en grote bedrijventerreinen. De donkere gebieden geven daarentegen een indicatie van het rustige buitengebied van Overijssel. Het zijn relatief luwe en dunbevolkte gebieden met een lage gebruiksdruk. De ambitie is gericht op het koesteren van donkerte als kwaliteit. Het streven is gericht op het handhaven van de donkerte en, waar mogelijk, de gebieden bij ontwikkelingen nog donkerder te maken. De sturing is gericht op het minimaal toelaten van kunstlicht. Het vereist het selectief inzetten en 'richten' van kunstlicht en het vermijden van onnodig kunstlicht bij ontwikkelingen. De kansen hiervoor doen zich met name voor bij ontwikkelingen die een grote invloed hebben op het aspect donkerte, zoals grotere woon- en werklocaties en wegen.
Ook de projectering van passages van auto(snel)wegen en regionale wegen speelt daarbij een grote rol vanwege het feit dat op- en afritten veelal leiden tot stedelijke ontwikkelingen. Doorwerking in het onderhavige plan De toekomstige invulling van het perceel voorziet in een zeer geringe toename aan licht. De toename van het desbetreffende aantal woningen doet geen afbreuk aan de donkerte in het gebied. Daarnaast wordt geen afbreuk gedaan aan de cultuurhistorische waarden van de IJssellinie. De laag van de beleving vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
3.2.4
Conclusie provinciaal beleid
Geconcludeerd wordt dat de in dit bestemmingsplan besloten ruimtelijke ontwikkeling niet strijdig is met de uitgangspunten uit het provinciale beleid. Het initiatief is in overeenstemming met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en het in de Omgevingsverordening Overijssel verankerde beleid.
19
bestemmingsplan Tam-Omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Omgevingsvisie Horizon gemeente Raalte 2040
3.3.1.1
Algemeen
De "Omgevingsvisie Horizon gemeente Raalte 2040" is vastgesteld op 26 november 2020. Na een uitgebreid participatieproces is deze visie tot stand gekomen met 115 visiemakers (inwoners, ondernemers, ambtenaren en vertegenwoordigers van andere organisaties). Het document geeft richting aan ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving in de gemeente Raalte. In de leefomgeving komen veel functies en belangen bij elkaar. Daarnaast zijn er ontwikkelingen in de samenleving die tot problemen of uitdagingen in de leefomgeving leiden. De visie gaat in op het DNA van de gemeente Raalte en de belangrijkste kernopgaven voor de komende jaren: Het Buitengebied Toekomstbestendige wijken en dorpen Identiteit en regio Voor voorliggend plan is met name kernopgave 2 van belang, aangezien de planlocatie in een van de kleine kernen ligt en daarmee als dorp wordt bestempeld. In de Omgevingsvisie beschrijft de gemeente Raalte haar ambities en ontwikkelrichtingen voor de toekomstbestendige dorpen. De gemeente omarmt de verduurzamingsopgave van de wijken en dorpen en de demografische veranderingen die plaatsvinden. De gemeente ziet de noodzaak en kans om samen te werken aan een verbouwing van onze wijken en dorpen tot duurzame, gezonde, klimaat- en levensloopbestendige leefomgevingen.
Nieuwbouw in de dorpen heeft een voorbeeldfunctie, daar laat de gemeente zien dat het anders kan en dat inwoners de ruimte krijgen om anders, flexibel en samen invulling te geven aan de opgaven. Daarbij pakken we de kansen die dit ons lokale bedrijfsleven biedt, in de bouw en innovatieve maakindustrie. De ambitie vraagt om een gemeente die de samenleving de ruimte geeft om duurzame en nieuwe woonvormen te ontwikkelen, maar ook richtinggevend en regisserend is bij ingrijpende veranderingen. Daarbij houden we vast aan vijf ontwikkelrichtingen. Hierbij zijn de volgende vijf ontwikkelingsrichtingen geformuleerd: 1. De gemeente kiest voor toekomstbestendige dorpen en wijken: energieneutraal, klimaatadaptief, gezond, veilig en levensloopbestendig. 2. De gemeente zorgt voor de inzet van flexibele en collectieve woonconcepten bij nieuwbouw en transformatie. 3. De gemeente kiest voor samenwerken aan voldoende ontmoetingsplekken in elk dorp en een goede bereikbaarheid van voorzieningen wanneer die op strategische plekken geclusterd zijn, zoals in het centrum van Raalte en Heino. 4. De gemeente kiest voor nieuwbouw en transformatie binnen bestaand bebouwd gebied waarbij woningbouw zo min mogelijk ten koste gaat van waardevol groen, binnen en buiten de kern. 5. De gemeente staat open voor woningbouw voor een bovenlokale behoefte.
3.3.1.2
Toetsing van het initiatief aan de 'Omgevingsvisie Horizon gemeente Raalte 2040'
De beoogde ontwikkeling betreffen woningen welke gasloos worden gebouwd waardoor bijgedragen wordt aan energieneutrale en klimaatadaptieve wijken. Deze ontwikkeling draagt bij aan het voorzien in de behoefte aan woningbouw binnen de gemeente Raalte aan de rand van een bestaand dorp, zonder dat dit ten koste gaat van waardevol groen. Het groene karakter van het plangebied wordt ondersteund middels de aanleg van bomen rondom het plangebied.
3.3.1.3
Conclusie
Onderhavig plan is in overeenstemming met de relevante kernopgave en bijbehorende ontwikkelingsrichtingen van de Omgevingsvisie van de gemeente Raalte.
3.3.2
Programma wonen 2021 - 2025
3.3.2.1
Algemeen
In het Programma Wonen 2021 - 2025 geeft gemeente Raalte aan hoe ze de komende jaren willen werken aan het wonen in de gemeente. Het woonbeleid kent een aantal accentverschuivingen ten opzichte van het huidige woonbeleid.
20
bestemmingsplan Tam-Omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3
In de gemeente kunnen jong én oud, arm en rijk, een passende woningen vinden in een toekomstbestendige woonomgeving waarbij ruimt wordt gegeven aan eigenzinning (samen) wonen voor de huidige én nieuwe inwoners. Deze ambitie wordt uitgewerkt in de volgende vijf thema's: Langer zelfstandig wonen in Raalte Duurzaam wonen in Raalte Huren in Raalte Kopen in Raalte Bouwen in Raalte Om het woningtekort het hoofd te bieden en onze ambitie waar te maken, versnellen en verhogen we onze bouwopgave. Voor de planningsperiode van 2020-2030 gaan we uit van het realiseren van 1500-2000 woningen. We benutten deze groei om gericht woningtypen toe te voegen welke nu nog missen in zowel de koop als de huur om zodoende de diversiteit en aantrekkelijkheid van de woningvoorraad te vergroten. Gezien de toenemende vraag naar appartementen, betaalbare rijenbouw, kleine levensloopgeschikte woningen en nieuwe en flexibele concepten, zullen we meer dan in het verleden de markt uitdagen om invulling te geven aan deze vraag (i.p.v. vooral kavels uit te geven). Nieuwe woongebieden richten we toekomstbestendig in. Deze nota met ons nieuwe woonbeleid begint met een beschrijving van onze kwaliteiten, ontwikkelingen en onze ambitie op het gebied van Wonen. Deze ambitie is ontleend aan de Omgevingsvisie en wordt vervolgens uitgewerkt in 5 thema’s.
Ruimtelijke uitgangspunten De kwalitatieve woningtypologie (prijs, type, eigendom) past bij de behoefte op de betreffende locatie (juiste woningen op de juiste plek) en de betreffende kern. Wat passend is verschilt per kern en per locatie. In veel kernen vormen groene erven en kleine weilanden een belangrijke karakteristiek en zijn van belang om de bestaande ruimtelijke en groene structuren te versterken en, waar mogelijk, onderling te verbinden. Nieuwbouw op deze locaties wordt niet uitgesloten maar de belangen worden zorgvuldig afgewogen.
3.3.2.2
Toetsing van het initiatief aan het 'Programma wonen 2021 - 2025'
Met nieuwbouwlocatie Liederholthuis fase 3 worden 20 woningen toegevoegd aan Liederholthuis. De woningen die op deze locatie worden gebouwd sluiten aan bij de ambitie zoals die staat verwoord in het programma Wonen: “Jong en oud, arm en rijk, moeten een passende woning kunnen vinden in een toekomstbestendige woonomgeving, waarbij we ruimte geven aan eigenzinnig (samen)wonen voor onze huidige en nieuwe inwoners”. In het plan is ook rekening gehouden met de resultaten uit het behoefteonderzoek op basis van een enquête specifiek uitgezet in de kern Lierderholthuis. De belangrijkste uitkomst hiervan was dat relatief veel jongere mensen op zoek zijn naar een eerste woning, dus starters op de woningmarkt. Ook is een groot deel op zoek naar een twee onder een-kap of vrijstaande woning. Het plan Lierderholthuis bestaat uit totaal 20 woningen. Er zijn infase 3 zijn 4 sociale huurwoningen opgenomen (20%), 8 rijwoningen in de categorie betaalbare koop (40%), en 8 woningen in het hoogste segment (40%). Dit sluit ook aan bij de doelstelling van het programma Wonen om voor de leefbaarheid van alle kernen in de toekomst voldoende huurwoningen én goedkopere koopwoningen toe te voegen die aansluiten op de woningvraag van starters en senioren. En om aan de vraag van nu te voldoen bouwen we ook eengezinswoningen om ook zo voldoende aanbod te creëren om doorstroming te bevorderen.
Het aantal woningen en de verdeling over de segmenten is in afstemming met Plaatselijk Belang Liederholthuis tot stand gekomen. De 2 rijen betaalbare koopwoningen verschillen van elkaar in breedte van de woningen. Bij realisatie van de woningen resulteert dit ook in verschillen in VON-prijs. In het dure segment woningen is gekozen voor een gelijk aantal twee onder een-kap en vrijstaande woningen. Dit geeft een mix van woningtypen geschikt voor een mix aan doelgroepen (starters, senioren en doorstromers). In afstemming met Salland Wonen is overeengekomen dat er 4 sociale huurwoningen (20%) in het plan worden opgenomen. Hiervan geeft Salland Wonen aan dat dit voldoende is en dit sluit ook aan bij de resultaten vanuit het woningbehoefte onderzoek. De aantallen en het type woning sluiten aan bij het programma Wonen, waarbij rekening is gehouden met de resultaten vanuit het woningbehoefteonderzoek. Het project laat een trendbreuk zien ten opzichte van de eerdere fasen waarin een groter aandeel woningen in het dure segment zaten en geen sociale huur was opgenomen naar een veel gemixter plan geschikt voor alle doelgroepen.
21
bestemmingsplan Tam-Omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3
3.3.2.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met het gemeentelijke woonprogramma.
3.3.3
Groenbeleid 'Groen, samen doen!'
3.3.3.1
Algemeen
In januari 2017 is het groenbeleid 'Groen, samen doen' van de gemeente Raalte door de gemeenteraad vastgesteld. In dit document worden de hoofdlijnen weergegeven van het nieuwe groenbeleid en de manier waarop de gemeente hieraan wil werken. Het groenbeleid past binnen de integrale visie op de openbare ruimte en is sterk geënt op de participatiegedachte. Daarnaast biedt dit document inspiratie voor de bewoners en de vrijwilligers die zich inzetten voor het groen. Het groenbeleid dat in deze nota is vastgelegd moet bij de afweging van diverse belangen worden meegenomen. Beleid en activiteiten zijn breed van toepassing op het groen (publiek en privaat eigendom) in de gemeente Raalte. Aanpassingen op het kapbeleid worden gelijktijdig meegenomen. Bij het opstellen van het nieuwe Omgevingsplan is deze groennota een van de onderleggers. Het groenbeleid manifesteert zich rond zeven thema's. Het thema 'handhaven en versterken van groenstructuren' is met name van belang.
3.3.3.2
Toetsing van het initiatief aan het 'Groenbeleid 'Groen, samen doen!''
In voorliggend geval blijven (waardevolle) houtopstanden binnen en in de directe nabijheid van plangebied behouden en worden deze eveneens versterkt middels het aanleggen van groen rondom de beoogde woningen.
3.3.3.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met het gemeentelijke groenbeleid.
22
bestemmingsplan Tam-Omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3
Hoofdstuk 4
Aspecten fysieke leefomgeving en milieu
In dit hoofdstuk wordt gemotiveerd op welke manier bij de voorgenomen activiteiten rekening is gehouden met diverse aspecten uit de fysieke leefomgeving, dit om te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor een aantal aspecten zijn onderzoeken uitgevoerd. De resultaten van deze onderzoeken zijn opgenomen in dit hoofdstuk. De bijbehorende rapportages zijn als bijlage aan deze ruimtelijke motivering toegevoegd.
4.1
Gezondheid
4.1.1
Algemeen
Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Hierbij gaat het zowel om het beschermen van de gezondheid (bijvoorbeeld voorkomen ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid) als het bevorderen van de gezondheid (bijvoorbeeld middels sport en ontspanning). De Omgevingswet bevat een algemene zorgplicht. Dit houdt in dat overheden, bedrijven én burgers verantwoordelijk zijn voor een veilige en gezonde leefomgeving. Ook kent de Omgevingswet 'specifieke zorgplichten', deze borduren voort op de algemene zorgplicht, maar zijn concreter. Een specifieke zorgplicht geldt voor specifieke activiteiten voor concreet genoemde belangen. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet, bevat het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. In een ruimtelijke procedure dient te worden getoetst of aan dergelijke (planologisch) relevante aspecten met betrekking tot de bescherming van de gezondheid en het milieu wordt voldaan.
Toetsing aan het aspect gezondheid is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid op dit thema. Het beoordelingskader kan dus per gemeente verschillen. Het gemeentelijk beleid ten aanzien van gezondheid kan in het omgevingsplan zijn vastgelegd in de vorm van omgevingswaarden. Nagegaan moet worden of hieraan toepassing is gegeven. Indien dit het geval is, dient het initiatief getoetst te worden aan deze omgevingswaarden. Indien het gemeentelijk beleid ten aanzien van gezondheid nog niet is vastgelegd in het omgevingsplan, dient te worden getoetst aan het omgevingsplan van rechtswege.
4.1.2
Onderzoek
Tot op heden heeft de gemeente Raalte in het omgevingsplan (nog) geen toepassing gegeven aan het vastleggen van het gemeentelijk beleid ten aanzien van gezondheid. Er kan dus ook niet worden getoetst aan bijbehorende omgevingswaarden. Wel is wat betreft gezondheid, in het kader van de specifieke zorgplicht, vanuit de Bruidsschat opgenomen dat in ieder geval alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid moeten worden genomen. Ook gelden, met het oog op het beschermen van de gezondheid, onder andere regels voor het graven in de bodem, het tijdelijk opslaan van vrijkomende grond, de aansluiting op drinkwater, afvoer van huishoudelijk afvalwater & hemelwater en overbewoning van woonruimte. In de hiernavolgende paragrafen van voorliggende motivering worden de relevante aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving en het milieu beschouwd, onder ander in het kader van de bescherming van de gezondheid.
4.1.3
Conclusie
Op basis van de motivering zoals opgenomen in hiernavolgende paragrafen wordt geconcludeerd dat het aspect 'Gezondheid' geen belemmering vormt voor het planvoornemen.
4.2
Bodem
4.2.1
Algemeen
Uit de Omgevingswet volgt dat gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor de zorg voor de fysieke leefomgeving, waaronder ook de zorg voor (de kwaliteit van) de bodem wordt verstaan. Het wettelijk instrumentarium onder de Omgevingswet is voor wat betreft de bodem gebaseerd op drie pijlers: het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie);