CConstaterende datRaalte
Koppel je AI →
Document · PDF

Motivering

Raadsvergadering 10 juli 2025, gemeente RaalteBij agendapunt: Vaststellen TAM-omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3 (hamerstuk)20.459 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

4.15.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot klimaatadaptatie, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.16

Ladder voor duurzame verstedelijking

4.16.1

Wettelijk kader

De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel van het Rijk ten behoeve van een zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen moet worden beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling ook binnen het stedelijk gebied mogelijk is. In artikel 5.129g Bkl staat de instructieregel dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak over de Ladder. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen.

4.16.2

Onderzoek

Stedelijke ontwikkeling of niet?

44

bestemmingsplan Tam-Omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3

Onderhavig initiatief maakt de toevoeging van 15 wooneenheden mogelijk. Dit is meer dan 11 woningen, derhalve is sprake van een woningbouwontwikkeling en dus een stedelijke ontwikkeling. De Ladder is daarom van toepassing op het onderhavige initiatief. Nieuw of niet? De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of er een nieuw of groter beslag op de ruimte is. Dus of het ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan het geldende omgevingsplan toestaat. Dit gaat over bestaande bebouwing. En ook over de bebouwing die nog kan worden gebouwd volgens het omgevingsplan, mits hiervoor de Ladder is toegepast. Het gaat dus om een stedelijke ontwikkeling die een nieuw of groter planologisch beslag legt op de ruimte. Of, als er alleen een wijziging van de gebruiksfunctie is, op een andere manier wezenlijke ruimtelijke effecten heeft. Van belang is dus in hoeverre het plan: 3. in vergelijking met het vorige plan, voorziet in een functiewijziging; 4. en welk planologisch beslag op de ruimte het plan mogelijk maakt in vergelijking met het vorige plan. In paragraaf 1.3 zijn de bestaande planologische bouwmogelijkheden ter plaatse van het plangebied toegelicht. In de bestaande situatie is ter plaatse van het plangebied een agrarische functie toegestaan waarbinnen woningbouw niet toegestaan is.

Met onderhavige wijziging van het Omgevingsplan wordt de bouw en het gebruik van 20 woningen mogelijk gemaakt. Als gevolg van het planologische besluit wordt derhalve meer bebouwing mogelijk gemaakt dan voorheen mogelijk was. Geconstateerd wordt dat met het toelaten van de activiteit sprake is van een groter ruimtebeslag. Daarmee is de stedelijke ontwikkeling 'nieuw'. Conform de ladder voor duurzame verstedelijking moet worden aangetoond dat sprake is van behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling. Behoeftebepaling Als een omgevingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, wordt rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Dit met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Hiervoor is niet relevant of het plangebied binnen of buiten het stedelijk gebied ligt. De behoefte wordt beoordeeld op het niveau van het verzorgingsgebied van de ontwikkeling. Dit gebied kan verschillen naar gelang de aard en omvang van de voorziene stedelijke ontwikkeling. De behoefte is het saldo van de aantoonbare vraag naar de ontwikkeling verminderd met het bestaande aanbod. Het aanbod dat feitelijk nog niet is gerealiseerd, maar wel in een omgevingsplan of omgevingsvergunning is vastgelegd, wordt meegerekend. Het heeft de voorkeur om de woningen binnenstedelijk te bouwen.

Als de woningen buiten het stedelijk gebied worden geprojecteerd, wordt rekening gehouden met de mogelijkheden om de woningen binnen het stedelijk gebied te bouwen. Gelet op hetgeen behandeld in hoofdstuk 1 en 2 maakt het projectgebied onderdeel uit van het stedelijk gebied behorend bij Lierderholthuis. Kwalitatieve en kwantitatieve behoefte Op basis van het beleid zoals beschreven in subparagrafen 3.3.2 bestaat er in het verzorgingsgebied (gemeente Raalte) concrete kwalitatieve- en kwantitatieve behoefte aan de geprojecteerde woningen. Om het woningtekort aan te pakken heeft de gemeente besloten om in de planningsperiode van 2020-2030 tussen de1500-2000 woningen te realiseren. Het doel is gericht woningtypen toe te voegen welke nu nog missen in zowel de koop als de huur om zodoende de diversiteit en aantrekkelijkheid van de woningvoorraad te vergroten. Om de kansen van starters op de woningmarkt te vergroten is het vooral van belang om meer goedkoop/betaalbaar aanbod te realiseren. In het plan worden daarom 8 betaalbare rijwoningen gerealiseerd. Gezien de huidige druk op de huurmarkt vindt de gemeente het van belang dat de corporatie op korte termijn zorgt voor een groei van de sociale huurwoningvoorraad. Er worden in voorliggend plan 4 sociale huurwoningen gerealiseerd waarmee een bijdrage wordt geleverd aan de groei van de sociale huurwoningvoorraad.

Daarnaast worden 6 twee-onder-een-kapwoningen en 2 vrijstaande woningen gerealiseerd. Dat het woningbouwprogramma niet alleen uit sociale huur en betaalbare koop bestaat sluit aan bij de behoefte uit het dorp Lierderholthuis. Deze behoeftebepaling is gedaan tijdens een inventarisatie vanuit de gemeente. Het plan voorziet hiermee in een kwantitatieve bijdrage aan de woningbouwopgave die aansluit bij de kwalitatieve behoefte. Uit de Laddertoets volgt dat het plan voldoet aan de uitgangspunten. Geconstateerd wordt dat met onderhavig plan sprake is van duurzame verstedelijking.

4.16.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot ladder voor duurzame verstedelijking, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

45

bestemmingsplan Tam-Omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3

4.17

MER-toets

4.17.1

Algemeen

De mer-regelgeving is uitgewerkt in verschillende onderdelen van de Omgevingswet. Afdeling 16.4 van de Omgevingswet bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. In bijlage V van het Omgevingsbesluit staan de projecten en de besluiten waarvoor een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije MER-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één MER-beoordelingsprocedure. Het aparte m.e.r.-beoordelingsbesluit dat nu nog moet worden genomen vervalt onder de Omgevingswet. Het resultaat en de motivering van de m.e.r.-beoordeling moeten straks in het (ontwerp)plan of (-)programma (zie art. 16.36, vijfde lid Omgevingswet en 11.1, eerste lid van het Omgevingsbesluit) of in het (ontwerp)besluit zelf (zie art. 16.43, tweede en derde lid Omgevingswet en 11.11, tweede lid van het Omgevingsbesluit) worden opgenomen. Op grond van artikel 16.43 van de Ow en artikel 11.6 van het Ob is de lijst met project-mer-plichtige en project-mer-beoordelingsplichtige projecten opgenomen in bijlage V van het Ob.

In bijlage V is een tabel opgenomen met vier kolommen: In kolom 1 staan de projecten opgesomd; In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt; Kolom 4 bevat tot slot de besluiten die betrekking hebben op de projecten waarvoor de project-mer-(beoordelings)plicht geldt.

4.17.2

Onderzoek

Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is een mededeling mer-beoordeling opgesteld, hiervoor wordt verwezen naar Bijlage 12 Mededeling mer-beoordeling. Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken, locatie en de kenmerken van de potentiële effecten van het project is geconcludeerd dat het optreden van aanzienlijke (negatieve) milieueffecten niet zodanig is dat mer noodzakelijk is.

4.17.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot mer, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

46

bestemmingsplan Tam-Omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3

Hoofdstuk 5 5.1

Juridisch kader TAM-omgevingsplan

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande situatie, de beoogde situatie, het relevante beleid en de relevante milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van dit TAM-IMRO Omgevingsplan, bestaande uit een plankaart (verbeelding) en regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit TAM-IMRO omgevingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord, dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde functies zijn aangewezen en waarom bepaalde bebouwing acceptabel is. Met het "Tam-Omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3" wordt de realisatie van 20 woningen mogelijk gemaakt. Deze wijziging van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Raalte is technisch opgesteld conform het InformatieModel Ruimtelijke Ordening (IMRO), maar is inhoudelijk uitgewerkt op basis van de vereisten volgens de Omgevingswet.

5.2

Opzet regels

Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen. Toepassing TAM-IMRO De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de – onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte – IMRO-standaard en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl. Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025.

Werkingsgebied De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Tam-Omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0177.TAM20240006-, zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In hoofdstuk 1 van voorliggende ruimtelijke motivering is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. plangebied opgenomen.

5.2.1

Preambule

In de preambule is opgenomen dat het TAM-IMRO omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk in het gemeentelijk omgevingsplan en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen.

5.2.2

Inleidende bepalingen

Hoofdstuk 1 van de regels bevat bepalingen die gelden voor het gehele plangebied en bestaat uit: Artikel 1: in dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen, dit voor een eenduidige interpretatie van deze begrippen. Artikel 4: dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. Artikel 2: dit artikel geeft aan voor welk werkingsgebied de regels van toepassing zijn. Tevens wordt aangegeven dat specifieke artikelen uit de Omgevingswet en het omgevingsplan van rechtswege niet van toepassing zijn indien strijdigheid bestaat met de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan. Daarnaast is een lid met betrekking tot 'aanvraagvereisten' opgenomen. Dit lid geeft aan dat de aanvraagvereisten uit paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan van rechtswege ook van toepassing zijn verklaard op omgevingsvergunningaanvragen vereist op basis van het TAM-IMRO omgevingsplan. Lid 13.1: dit artikel geeft aan dat gebruik zoals niet omschreven in de regels van dit hoofdstuk, als strijdig wordt aangemerkt.

47

bestemmingsplan Tam-Omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3

5.2.3

Functies en activiteiten

In Hoofdstuk 2 van de regels is opgenomen welke functies en activiteiten binnen het plangebied zijn toegestaan. Per toegestane functie is aangegeven waar en hoe bouwen ten behoeve van de functie is toegestaan. In paragraaf 5.3 worden de verschillende functies en gebiedsaanduidingen toegelicht en wordt ook per functie aangegeven waarom voor deze toedeling is gekozen.

5.2.4

Algemene bepalingen

Hoofdstuk 3 van de regels bevat de algemene bepalingen. Deze bepalingen gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: Artikel 12: in dit artikel worden de algemene bouwregels beschreven. Deze regels gaan uit van het principe dat bouw uitsluitend is toegestaan in overeenstemming de ter plekke toegestane functies. Dit artikel bevat algemeen geldende bepalingen ten aanzien van strijdig en toegestane bouw volgens de in het omgevingsplan toegekende functies en activiteiten. Artikel 13: in dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze regels gaan uit van het principe dat gebruik uitsluitend is toegestaan in overeenstemming de ter plekke toegestane functies. Dit artikel bevat algemeen geldende bepalingen ten aanzien van strijdig en toegestaan gebruik volgens de in het omgevingsplan toegekende functies en activiteiten. Artikel 14: dit artikel bevat bepalingen ten aanzien van beperkte afwijkingen ten opzichte van de in hoofdstuk 2 toegestane functies en bouwmogelijkheden. Voor deze afwijkingen geldt een omgevingsvergunningplicht.

5.2.5

Overgangs- en slotbepalingen

In Hoofdstuk 4 staan de overgangs- en slotbepalingen. In Artikel 16 is het overgangsrecht beschreven. Hierin wordt aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met het omgevingsplan.

5.3

Nadere toelichting op de regels

Kenmerk van de Nederlandse regelgeving op het gebied van de fysieke leefomgeving is dat er sprake is van een ‘ja, mits’-principe. Het omgevingsplan geeft voor veel functies aan onder welke voorwaarden ze voorstelbaar/inpasbaar zijn binnen het werkingsgebied of specifieke deelgebieden binnen het werkingsgebied. Het omgevingsplan vormt het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan welke functies op welke locaties binnen het werkingsgebied voorstelbaar worden geacht (en onder welke voorwaarden).

5.3.1

Functies en activiteiten

Ten westen en noorden van de beoogde woningen is de functie 'Groen' opgenomen ten behoeve van onder meer groenvoorzieningen en paden. Ook is de functie 'Wonen - 2' toegekend voor het uitgeefbaar gebied ten behoeve van de beoogde woningen. De tuinen zijn bestemd als functie 'Tuin'. Tot slot is de weg die rondom door het plangebied loopt aangemerkt als functie 'Verkeer - verblijfsgebied'.

48

bestemmingsplan Tam-Omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3

Hoofdstuk 6

Financiële uitvoerbaarheid

In dit hoofdstuk wordt de financiële uitvoerbaarheid toegelicht. Uitgangspunt hierbij is dat de kosten die gemaakt worden ten behoeve van het planvoornemen voor rekening komen van de initiatiefnemer.

6.1

Economische uitvoerbaarheid

In voorliggende ruimtelijke motivering is onderbouwd dat met het besluit tot wijziging van het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt en dat het initiatief uitvoerbaar is. Op voorhand is er geen reden om aan te nemen dat de toegekende functies om financiële redenen niet binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Gelet hierop kan aangenomen worden dat de realisatie economisch uitvoerbaar is. Daarnaast is om aan te tonen dat het plan economisch uitvoerbaar is de tabel van de grondexploitatie opgenomen. Deze is bijgevoegd als Bijlage 13 GREX.

6.2

Kostenverhaal

Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal bij gebruiksactiviteiten die mogelijk worden op grond van een nieuw toegedeelde functie of bij één of meerdere aangewezen bouwactiviteit(en). Het gaat om zogenaamde kostenverhaalsplichtige activiteiten zoals genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit (Ob). Kostenverhaal is mogelijk middels het afsluiten van een anterieure overeenkomst tussen de initiatiefnemer en het bevoegd gezag of via de publiekrechtelijke weg. Voor kostenverhaal via de publiekrechtelijke weg dient de gemeenteraad kostenverhaalregels vast te stellen in het omgevingsplan. Bovenstaande geldt niet indien de kosten die het initiatief vanwege artikel 8.15 Ob maakt anderszins verzekerd zijn dan wel vrijstelling wordt verleend voor de kosten in gevallen genoemd in artikel 8.14 Ob. De gemeente is de initiatiefnemer waarmee het kostenverhaal is gedekt.

49

bestemmingsplan Tam-Omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3

Hoofdstuk 7 7.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Participatie

In het coalitieakkoord van de gemeente Raalte is aandacht besteed aan participatie en met name de rol die de gemeente daarin speelt. De gemeente beschikt niet over participatiebeleid. In het kader van de beoogde ontwikkeling heeft participatie met omwonenden plaatsgevonden. Een verslaglegging van de wijze waarop participatie heeft plaatsgevonden is bijgevoegd als Bijlage 14 Verslag bewonersavond bij deze motivering. Het geluid dat het meest overheerst is dat het fijn is dat er zoveel woningen bij komen in meerdere typologieën en prijsklassen. Er is met name behoefte aan starterswoningen voor jongeren die in Lierderholthuis willen blijven wonen. Na afloop van de presentatie waren er dan ook vooral veel enthousiaste reactie van jongeren. Het is duidelijk dat mensen voor wat betreft het stedenbouwkundig plan flexibiliteit willen hebben en houden. Door uitbreiding fase 3 verwacht men nog meer wateroverlast in gebied rondom deze wadi, vanuit expertise is aangegeven dat water van fase 3 niet naar deze bestaande wadi zal afstromen.

7.2

Bestuurlijk vooroverleg

In het kader van het plan heeft vooroverleg plaatsgevonden met provincie Overijssel. Daarnaast heeft overleg heeft plaatsgevonden met de veiligheidsregio IJsselland. Onderstaand de reactie van de provincie: WBS: locatie ligt niet op het allerhoogste deel in de directe omgeving, maar nog wel dusdanig gunstig dat woningbouw mogelijk is. Ontsluiting /mobiliteit: plan sluit logisch aan bij aanwezige wegenstructuur en houdt rekening met mogelijke toekomstige uitbreidingen. Dit plan zorgt gelet haar ligging voor toename van automobiliteit. En ligt daarmee aan de achterkant van ons gewenste mobiliteitsbeleid (STOMP-principe). Zolang deze woningbouw er is voor de 'Lierderbroeker' valt dit nog te bilijken. Wanneer woningzoeken in Zwolle niet wat kunnen vinden en hier komen wonen wordt het een ander verhaal. Ruimtelijke kwaliteit: Er ontstaat een nieuwe dorpsrand. Deze beleef je vooral als je vanaf Laag Zuthmen over de Lierderholthuisweg het dorp nadert. Voorkom een te rommelig / te stenig beeld. Dit bijvoorbeeld door toepassing van een bomenstructuur. Klimaatadaptief / biodiversiteit: Zorg dat bij de verdere uitwerking wordt nagedacht over voorkomen van wateroverlast en daar waar het kan het openbaar groen een bijdrage levert aan biodiversiteit (ook door toepassing inheemse soorten).

Toekomstbestendige bouw: Er zijn soms, door een handige manier van uitvragen, de nodige winsten te behalen op het gebied van circulariteit. Omdat ook op dit vlak er doelstellingen liggen is het goed als vanuit de gemeente hierin stappen kunnen worden gezet. Woningbouwprogramma: Het plan voorziet bijna in de 30/40/30-verdeling. Voor Liederholthuis ieder geval een mooi resultaat. Ook zitten er diverse levensloopbestendige woningen bij. Wat gelet de woningbouwnoodzaak voor senioren (en daarmee ook doorstroming) een goede zaak is. Woningbouwuitgifte: De woningbouw is voor lokale behoefte. Gekeken naar de toename van nieuwbouw in Lierderbroekhuis de afgelopen 15 jaar ligt deze gemiddeld op zo'n 1 a 2 woningen per jaar. Voor deze 20 woningen schatten wij dan ook in dat dit voldoende moet zijn voor invulling van het woningbouwprogramma tot en met 2035. In voorliggende motivering wordt beschouwd dat invulling is gegeven aan bovenstaande punten.

7.3

Procedure

De procedure voor vaststelling van een wijzigingsbesluit op het omgevingsplan is geregeld in de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor het wijzigen van een omgevingsplan geldt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb. Het ontwerp van dit wijzigingsbesluit wordt op grond van artikel 3.11 van de Awb gedurende zes weken voor iedereen ter inzage gelegd en het wordt tegelijkertijd elektronisch beschikbaar gesteld via de landelijke website (LVBB). Voorafgaand wordt hiervan mededeling gedaan in het Gemeenteblad. Gedurende deze periode kan eenieder een zienswijze over het ontwerpbesluit bij de gemeenteraad naar voren brengen.

50

bestemmingsplan Tam-Omgevingsplan 6 Lierderholthuis fase 3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Raalte&id=ba9f5499-3b53-4129-a48a-d7105a368c41