MER -27-8-2021 (volledig incl. bijlagen) - anoniem
Tekst van het document
MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 61
Artikel 2.1.7 Kwaliteitsimpuls agro en food (leden 1 en 5) Bedrijfsontwikkeling en nieuwvestiging van agrarische bedrijven mag uitsluitend worden toegestaan op bestaande agrarische bouwpercelen of op voormalige agrarische bouwpercelen. In afwijking van het gestelde in lid 1 en onverminderd artikel 2.1.5 kan ten behoeve van bedrijfsontwikkeling van een agrarisch bedrijf een bestaand of voormalig agrarisch bouwperceel grootschalig worden aangepast en/of uitgebreid als: 1. is onderbouwd dat het in redelijkheid niet mogelijk is om het bestaande agrarische bouwperceel voor de beoogde bedrijfsontwikkeling geschikt te maken; 2. het verlies aan ecologische en/of landschappelijke waarden in voldoende mate gecompenseerd zal worden door investeringen in de versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving; 3. aannemelijk is gemaakt dat er een kwaliteitswinst wordt geboekt op het gebied van duurzaamheid en sociale kwaliteit. De voorgenomen ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt met toepassing van de KGO-regeling (zie paragraaf 6.2). De provincie Overijssel biedt gemeenten de gelegenheid om een eigen beleidsinvulling te gegeven aan het KGO-beleid. De gemeente Raalte heeft tot op heden nog geen beleidskader KGO uitgewerkt. Gelet op het gestelde in paragraaf 6.3 is de ontwikkeling in overeenstemming is met het provinciale KGO-beleid.
De artikelen 2.1.6 (lid 1) en 2.1.7 (leden 1 en 5) vormen dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Artikel 2.6.4 Nieuwe ontwikkelingen Bestemmingsplannen voorzien alleen in nieuwe ontwikkelingen binnen gebieden die in artikel 2.6.2 begrensd zijn als Nationaal Landschap als die bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de kernkwaliteiten als benoemd in artikel 2.6.3 en zoals nader uitgewerkt in bijlage 7 van deze verordening. Het plangebied ligt niet in een gebied dat is aangewezen als Nationaal Landschap. De voorgenomen ontwikkeling is dan ook in overeenstemming met het gestelde in artikel 2.6.4 van de Omgevingsverordening Overijssel. Waar- Ontwikkelingsperspectieven Het plangebied behoort tot het gebied “Sturen op ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en sociale kwaliteit”. Het ontwikkelingsperspectief richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant veehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. De ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, maar ook die voor de andere sectoren, wil de provincie Overijssel in dit ontwikkelingsperspectief nadrukkelijk verbinden met behoud en versterking van cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen.
Het waterbeheer richt zich op optimale condities voor de lokaal aanwezige functies, rekening houdend met de klimaatopgave en de kenmerken van het watersysteem.
MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 62
Toetsing van het initiatief aan de 'Ontwikkelingsperspectieven' Voorgenomen ontwikkeling bestaat uit de uitbreiding van de bouwmogelijkheden ten behoeve van de varkenshouderij aan de Heetenseweg 9a (bouwvlak ongeveer 3,5 hectare). Voorliggende ontwikkeling is vanuit functioneel en ruimtelijk oogpunt mogelijk en draagt bij aan de economische vitaliteit van het landelijk gebied. De beoogde uitbreiding heeft de volgende meerwaarde voor het gebied en de omgeving: - het realiseren van een duurzame gesloten varkenshouderij met oog voor haar omgeving en maatschappelijke verantwoordelijkheid; - afname ammoniakemissie en stikstofdepositie ter plaatse van Natura2000 gebieden en naastgelegen NNN; - toepassen duurzame energieopwekking (klimaatneutraal / leveren van duurzame energie door toepassing zonnecollectoren op daken); - compensatie van bebouwing door KGO (versterken landschappelijke waarden); - opvang en infiltreren hemelwater. Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling in overeenstemming is met het ter plekke geldende ontwikkelingsperspectief. Hoe - Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarischcultuurlandschap, stedelijke laag en de laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen.
Bij toetsing van het ruimtelijke initiatief aan de gebiedskenmerken in vier lagen is van belang dat de locatie is gelegen in het landelijk gebied. Dit betekent dat de 'stedelijke laag' buiten beschouwing kan blijven. Vanwege het ontbreken van bijzondere eigenschapen binnen de 'laag van de beleving', wordt ook deze laag buiten beschouwing gelaten. 1. De 'Natuurlijke laag' Overijssel bestaat uit een rijk en gevarieerd spectrum aan natuurlijke landschappen. Deze vormen de basis voor het gehele grondgebied van Overijssel. Het beter afstemmen van ruimtelijke ontwikkelingen op de natuurlijke laag kan ervoor zorgen dat de natuurlijke kwaliteiten van de provincie weer mede beeldbepalend worden. Ook in steden en dorpen bijvoorbeeld in nieuwe waterrijke woonmilieus en nieuwe natuur in stad en dorp. Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart van de “Natuurlijke laag” aangeduid met de gebiedstypen 'Beekdalen en natte laagtes' .
MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 63
Figuur 16: Natuurlijke laag (Bron: Provincie Overijssel)
Figuur 16 betreft een uitsnede van de gebiedskenmerkenkaart van de “Natuurlijke laag”. Beekdalen en natte laagtes Het Overijsselse zandlandschap is van oorsprong kletsnat. In de laagtes van het zandgebied verzamelde zich het water. Hier ontwikkelden zich moerassen en broekbossen, waar het water in de loop van het seizoen geleidelijk uit weg sijpelde naar de lager gelegen delen, naar de beken en rivieren. Als ontwikkelingen plaats vinden in of in de directe nabijheid van beekdalen en natte laagtes, dan dragen deze bij aan extra ruimte voor de dynamiek van het stromende water en het vasthouden van water, aan versterking van de samenhang in het beeksysteem en aan vergroting van de zichtbaarheid, bereikbaarheid en beleefbaarheid van het water. Dit zijn uitgangspunten bij (her)inrichting. Toetsing van het initiatief aan de 'Natuurlijke laag' In het plangebied zijn de kenmerken van het oorspronkelijke landschap nauwelijks meer waarneembaar. In de jaren zijn de hoogteverschillen onder andere door zandverstuivingen, de ontginning en de ontwikkeling in de landbouw verminderd. Door toepassing van de KGO inspanning word getracht een bijdrage te leveren aan de invulling van de ontwikkeling en verbetering van het oorspronkelijke landschap.
Geconcludeerd wordt dat de 'Natuurlijke laag' geen belemmering vormt voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling, aangezien ter plaatse van de uitbreiding geen hoogteverschillen meer waarneembaar zijn. 1. De 'Laag van het agrarische cultuurlandschap' De locatie is op de gebiedskenmerkenkaart van de “Laag van het agrarisch cultuurlandschap” aangeduid met het gebiedstype 'Maten en flierenlandschap. Figuur 17 bevat een uitsnede van de gebiedskenmerkenkaart van de “Laag van het agrarische cultuurlandschap”.
MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 64
Figuur 17: Laag van het agrarisch cultuurlandschap (Bron: Provincie Overijssel)
Maten en flierenlandschap Laaggelegen kleinschalig landschap dat zich langs de beken, in de natuurlijke laagten heeft ontwikkeld. Langs de ontwateringssloten haaks op de beek werd vaak hakhout aangeplant. Dit diende tevens als perceelsafscheiding - daar, waar de ontwateringssloot niet altijd watervoerend was in geval van beweiding. Rond de beek ontstond een lineair landschap, met daaromheen in de natte laagtes een matenlandschap. Kleinschalig landschap langs beken en in laagten met veel variatie in ruimtelijke opbouw: de open ruimte van de watergang, de coulissen van hakhout-struweel, de open kamers van de hooien weilanden, met hier en daar een broekbos op de nattere plekken. Vloeivelden maakten onderdeel uit van het bemestingssysteem. Het Maten- en Flierenlandschap is veelal de contramal van het essenlandschap en het oude hoeven-landschap en was daar functioneel aan verbonden. Als ontwikkelingen plaats vinden in of nabij het Maten en Flierenlandschap, dan dragen deze bij aan versterking van het historische lineaire landschap met open 'kamers' en coulissen, aan accentuering van de overgang naar hogere gronden, de toegankelijkheid, de beleefbaarheid en het vasthouden van water. Inrichting van nog gave delen richt zich op het behouden van de cultuurhistorische waarden.
Toetsing van het initiatief aan de “Laag van het agrarisch cultuurlandschap” In het geval van voorliggend initiatief is geen sprake van onevenredige aantasting van de landschapswaarden. De voorgenomen ontwikkeling wordt landschappelijk ingepast in de omgeving, conform de daar voorkomende gebiedskenmerken. Zie paragraaf 6.2. Gezien het vorenstaande is de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming met de ter plekke geldende gebiedskenmerken van de “Laag van het agrarisch cultuurlandschap”. Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het provinciaal beleid zoals genoemd in de Omgevingsvisie Overijssel, die is verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel.
MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 65
5.1.3
GEMEENTELIJK BELEID
Omgevingsvisie gemeente Raalte De Gemeenteraad van Raalte heeft recent (oktober 2020) de omgevingsvisie “Horizon Raalte 2040” vastgesteld. Deze omgevingsvisie is een strategisch document en geeft richting aan de ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving van de gemeente Raalte. In de leefomgeving komen veel functies en belangen bij elkaar. In de omgevingsvisie zijn de spelregels en opgaven opgenomen, om zo richting te geven aan het vinden van een balans tussen het benutten en beschermen van de leefomgeving. In deze omgevingsvisie is, in navolging van ingediende zienswijzen, door de gemeente o.a. het volgende aangegeven: De agrarische sector is altijd in verandering geweest en agrariërs (ook uit de gemeente Raalte) hebben in het verleden laten zien met innovatie uitdagingen het hoofd te kunnen bieden. Naar ons idee wordt vrij breed gedeeld dat er veranderingen nodig zijn om de Nederlandse landbouw meer toekomstbestendig te maken. Daar wordt in de huidige discussie meestal onder verstaan: meer in balans met grond en omgeving. De discussie rond stikstof is een voorbeeld van de grenzen waartegen we aanlopen. Toekomstbestendig wil wat ons betreft ook zeggen: financieel haalbaar. Wij beseffen heel goed dat veranderingen ondernemers raakt die voor hun inkomen van hun bedrijf afhankelijk zijn.
We weten ook dat bedrijven erg kunnen verschillen en dat kan ook gelden voor hun toekomststrategieën. Voor die verschillen moet naar ons idee ruimte zijn in de gemeente Raalte. In onze visie hebben we het dan ook niet voor niets over nieuwe verdienmodellen die er moeten komen, indien bestaande verdienmodellen wegvallen of minder inkomsten genereren. Kortom: wij zijn het met u eens dat financiële haalbaarheid een belangrijke randvoorwaarde is voor succesvolle veranderingen in de landbouw. We beseffen ook dat deze transitie niet eenvoudig is. We hebben te maken met een complex bestaand systeem waarbij individuele ondernemers, maar ook overheden, niet altijd zelfstandig de mogelijkheid hebben om een andere koers te kiezen. Dit vereist samenwerking tussen de hele agrarische keten en overheden. En het vereist tijd. Deze Omgevingsvisie bevat een visie voor de langere termijn (indicatief: 2040). Niet elke verandering hoeft morgen al te worden gerealiseerd. Wij zijn het met u eens dat we ondernemers de ruimte moeten geven om tot innovatieve oplossingen te komen. Wij sorteren met deze visie dan ook bewust niet voor op één specifieke richting, maar willen in onze gemeente juist de ruimte geven voor uiteenlopende oplossingen.
Met ‘verbeteren van de productie’ bedoelen we dat we, bij uitbreiding van een agrarisch bedrijf, meer verwachten dan enkel een plan voor het bouwen van een nieuwe stal met het doel meer te gaan produceren. Een uitbreiding is naar ons idee een goed moment om ook verbeteringen door te voeren in bijvoorbeeld dierwelzijn, duurzaamheid, emissies naar de omgeving of maatregelen te treffen die de biodiversiteit op het bedrijf of in de omgeving versterken. Een moment van investeren in een bedrijf beschouwen wij als geschikt moment om de landbouw in Raalte toekomstbestendiger in brede zin te maken.
Uitbreiding van onderhavige varkenshouderij behoort gelet op dit gemeentelijke beleidskader in beginsel tot de mogelijkheden.
MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 66
Bestemmingsplan De gronden behoren tot het plangebied van het bestemmingsplan Buitengebied Raalte. Dit bestemmingsplan is op 8 juni 2012 door de gemeenteraad vastgesteld en als zodanig ook in werking getreden. Dit plan is vervolgens op 25 februari 2016 geconsolideerd vastgesteld. In onderstaand figuur is een kaartuitsnede opgenomen behorend bij het bestemmingsplan.
Figuur 18: Kaartuitsnede bestemmingsplan Buitengebied 2012-2016 (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Op grond van het bestemmingsplan bedraagt de omvang van het huidige bouwperceel ongeveer 2 hectare (exclusief mestsilo). Het perceel is o.a. bestemd als ‘enkelbestemming Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’ met bijbehorend bouwvlak. Het beoogde project, onder meer het realiseren van een nieuwe stalruimte, past niet binnen de kaders van het nu geldende bestemmingsplan.
5.2
BOUWPLAN
In de gewenste situatie wordt bestaande varkenshouderij verder ontwikkeld tot een gesloten varkenshouderij (fokzeugen + gespeende biggen + vleesvarkens). Om deze bedrijfsopzet te kunnen bewerkstelligen dienen de volgende nieuwe gebouwen en bouwwerken te worden gerealiseerd: • Stal 5 (bestaand): biggenstal => 2 extra afdelingen • Stal 6 (nieuw): vleesvarkensstal (5.376 vleesvarkens) • Stal 7 (nieuw): vleesvarkensstal (5.376 vleesvarkens) • Bouwwerk 9 (nieuw): mestsilo 5.000 m3 • Bouwwerk 10 (nieuw): bedrijfshal (scheiden mest) • Bouwwerk 11 (nieuw): educatieruimte & verkoop streekproducten De gewenste bedrijfsopzet met bijbehorende bouwplan is hierna weergegeven alsmede op de plattegrondtekening die als bijlage 2 is toegevoegd. MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 67
Figuur 19 & 20: situatieschets en plattegrond gewenste bedrijfsopzet (bron: vanwestreenen.nl)
MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 68
Figuur 21: bouwplan stallen vleesvarkens (bron: vanwestreenen.nl)
In de navolgende figuren wordt de beoogde bedrijfsopzet en bijbehorende bouwplan (indicatief) gevisualiseerd in 3D (aanzicht en vogelvlucht).
Figuur 22: 3D vogelvlucht gewenste bedrijfsopzet (bron: vanwestreenen.nl)
MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 69
Figuur 23: 3D aanzicht gewenste bedrijfsopzet (bron: vanwestreenen.nl)
5.3
KGO & LANDSCHAPPELIJKE INPASSING
In de Omgevingsvisie Overijssel en de Omgevingsverordening Overijssel is een nieuw instrumenten geïntroduceerd, namelijk de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO). Op basis van het provinciaal beleid ten aanzien van het KGO-instrument is het mogelijk om gemeentelijk niveau beleidskaders op te stellen. In het provinciale beleid is het volgende opgenomen: Plannen voor de Groene Omgeving kunnen voorzien in nieuwvestiging en grootschalige uitbreidingen van bestaande functies in de Groene Omgeving, uitsluitend indien hier sociaal-economische en/of maatschappelijke redenen voor zijn én er is aangetoond dat het verlies aan ecologische en/of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving. De gemeente Raalte heeft tot op heden geen verdere uitwerking en/of beleid omtrent de uitvoering van de KGO uitgewerkt. Gelet op voornoemde is Het Oversticht verzocht een advies op te stellen op welke wijze bij de beoogde ontwikkeling van de varkenshouderij aan de Heetenseweg 9a landschappelijk kan worden ingepast en (ruimtelijk) kan worden voldaan aan de KGO-inspanning. Het advies van Het Oversticht d.d. 25 maart 2020 is als bijlage 12 opgenomen. In het advies is het volgende aangegeven: Het perceel ligt in het dekzandgebied. De afwisseling van erven (met beplanting), lanen en open ruimtes zijn bepalend.
Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden aangesloten bij de kenmerken van dit deelgebied. Bij ontwikkelingen op de erven is het wenselijk in te spelen op het nattere karakter van dit deelgebied door in de beplantingskeuze hierbij aan te sluiten. De opgaven vanuit natuur en water richten zich op het ontwikkelen van natuurlijke oevers direct langs de weteringen en door vasthouden van water in verbrede watergangen. Dit sluit aan bij het sterke functionele en agrarische karakter van het deelgebied
MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 70
De uitbreiding van het erf betekent, hoewel compact, een forse opschaling. Met name vanaf de noordzijde gezien betekent dit een zichtbare ingreep in het landschap. Grote agrarische erven komen meer voor in het buitengebied van Raalte, maar bij elke uitbreiding is het wenselijk om een zorgvuldige inpassing te ontwerpen en een aanvullende ontwikkeling van kwaliteit landschappelijk of anderzijds te genereren. De meer rationele blokopzet van de broekontginning is kenmerkend voor dit deelgebied. De huidige beslotenheid door bosschages vormt een contrast met het meer open enk gebied aan de andere zijde van het kanaal. De nieuwe uitbreiding van het erf kan deze kenmerken benutten en versterken. Zowel de basisinspanning en de KGO kan hierop worden ingezet. Aanplant van de overgang van het erf naar het landschap. In aansluiting op de kenmerken van het broeklandschap (bossen, singels en bomenrijen), landschappelijke soorten (hak)hout: o Inpassing aan de zijde van de grote volumes, direct in aansluiting op de volumes en ook in het landschap aansluitend. De eigenaar wil hiervoor de bestaande aanplant aan de noordzijde van de stal benutten. Herplant van soorten is mogelijk tot een bepaalde maat van bomen en struiken. Wij adviseren hiervoor bij een deskundige advies te vragen. De nieuwe aanplant en groei van streekeigen struiken gaat relatief snel.
Bij herplant is er (soms na enkele jaren) kans op terugslag of het niet aanslaan van plantmateriaal. De eigenaar aan de noordzijde en de gemeente hebben in eerdere gesprekken met de eigenaar als wens geuit vrij zicht richting het open broekgebied te willen behouden. Dit is passend om de oorspronkelijke openheid van het broekgebied te laten ervaren. In het advies is hiermee rekening gehouden. • Inpassing en herinrichting van de voorzijde van het erf. Het huidige voorerf heeft een diversiteit van aanplant die minder passend is. De zone tussen de weg en de stallen is ruim in maat en kan worden ingericht met: een waterberging met natuurlijke uitstraling, een streekeigen erfbos waardoor het zicht op de stallen wordt doorbroken, een meer open voorterrein met erfbeplanting zoals vruchtbomen. De dennen op het voorerf kappen zodat de bestaande kersenbomen weer meer ruimte krijgen. Na verwijdering van de dennen nagaan wat extra kan worden aangeplant aan vruchtbomen. Om dit deel van het voorerf kan een haag worden aangeplant van gemengde streekeigen soorten. In aanvulling hierop is een extensief onderhouden bloemrijke zone passend. • Minimale verharding bij de uitbreiding van het erf. Gebruik van de bestaande verharding voor logistiek van de nieuwe stallen.
De huidige toegang aan de zuidzijde kan worden benut met in aansluiting aan de oostzijde een nieuwe verharding achter de stallen en silo’s langs: • Aan de achterzijde van de nieuwe stal is aan de noordoostzijde de logistieke draairuimte beperkt. Het benutten van de uiterste punt van het populierenbos zou zowel logistiek als ruimtelijk een meerwaarde geven. Door de kap van enkele populieren (productiehout) is er in totaliteit minder verharding nodig is. Het grootste deel van het productiebos blijft behouden. Het populierenbos is echter niet in eigendom en dit moet in overleg met landgoed Schoonheten. De eigenaar heeft het landgoed locaties voor uitruiling van gronden aangereikt, maar blijft afhankelijk van hun beslissing medewerking te verlenen. Ook maakt het bos onderdeel uit van het NNN en zal niet zonder aanvraag gekapt kunnen worden. Dit moet in afstemming met de provincie.
MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 71
Afwisseling van verharding op het erf, bij voorkeur toepassing van halfverharding en open verharding (grasrasters, open beton). Gras en zand op plekken die minder bereden worden. Dit is landschappelijk, voor klimaatadaptatie en voor biodiversiteit van waarde. • Wij adviseren de KGO inzet bij voorkeur op locatie te laten plaatsvinden zodat zowel de eigenaar zelfs alsook de omwonenden hier profijt van hebben. De inzet van de KGO geldt voor de korte en ook langere termijn. Een nadere verkenning van het historische landschap en de ambities voor natuur (Natuurnetwerk NNN) biedt hiervoor inspiratie. Advies aanvullende ruimtelijke randvoorwaarden KGO ontwerp gebouwen: • De stallen zijn bij uitbreiding steeds in een bepaalde vormgeving en kleurstelling op elkaar afgestemd. Het erf is compact en deze afstemming geeft eenheid aan het huidige erfensemble. Het is begrijpelijk dat de eigenaar met de nieuwe stallen ook hierop wil aansluiten. Anderzijds is er een ontwerpuitdaging, nu de familie het bedrijf meer zichtbaar wil laten zijn, aan meerwaarde toe te voegen.: o Wij adviseren de nieuwe gevel meer transparantie te geven zodat de passanten nieuwsgierig worden gemaakt om te gaan kijken. Ruimtelijk een verbijzondering van het ensemble en sociaal maatschappelijk de gewenste zichtbaarheid van ‘het leven in de stal’.
In een nader ontwerp moeten functionaliteit en ruimtelijke kwaliteit samen komen. Hierin is al afstemming gezocht. • Omdat het vanuit de hygiëne-eisen niet mogelijk is de passanten vrij in de stal te laten gaan, kan er op het voorerf zelf, een ‘paviljoen’ ontworpen worden waarin informatie wordt gegeven over het bedrijf. Dit volume kan ook gebruikt worden als rustplek voor passanten. Een combinatie met de natuurlijke waterberging geeft ruimtelijk een meerwaarde. Advies aanvullende ruimtelijke randvoorwaarden KGO landschap en natuur: • Het beleid is gericht op de versterking van het natte karakter door de aanleg van natuurlijke oevers en het vasthouden van water. Een aansluiting op het NNN maakt de ontwikkeling voor de langere termijn meer robuust als onderdeel van een ‘netwerk’. Mogelijke invullingen zijn: o Herstel van het netwerk van bomenrijen en singels dat oorspronkelijk aan de noordwestelijke zijde aanwezig was. • Gedeeltelijke verlaging talud slootprofiel, bijvoorbeeld de sloot langs de zijde van de weg. Dit in afstemming met het waterschap. • Versterking van lijnelementen zoals aanplant van (knot) bomen of singels langs een zijde van de waterloop. Dit in afstemming met het waterschap. • Aanleg en beheer van bloemrijke zones (weidemengsels) langs perceelsranden, lijnvormige landschapselementen of op de overgang van het erf naar het landschap.
• Behoud van natte laagtes in het landschap. • Aanleg en behoud van extensieve zones op het erf met takken/blader- /steenhopen en dood hout. Benutten van overhoeken op het erf voor waardplanten als brandnetel en braam (voor dekking en voedsel). Aanplant van vruchtbomen en besdragende soorten als Aalbes, Lijsterbes, Vuilboom, Meidoorn, Sleedoorn, Wegedoorn, Hondsroos, Egelantier en Kornoelje. • Plaatsing van nestgelegenheid op en nabij de gebouwen.
•
MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 72
Advies aanvullende randvoorwaarden KGO sociaal maatschappelijk en recreatief: • Voor grootschalige uitbreidingen als deze is het belangrijk de burger ‘mee te nemen’ in de ambitie van het bedrijf. • De inzet op het vlak van dierwelzijn en verkenning naar een betere bedrijfsmatige kringloop, aanvullend op de bestaande wettelijke eisen, kan worden gezien als KGO. Deze aspecten vallen onder de Agro en Food. Het is aan de landbouwadviseur dit verder uit te werken. • Het proces van het verkrijgen van draagvlak vanuit de omgeving en vanuit reacties het plan ruimtelijk aanpassen kan gedeeltelijk worden gezien als een inzet voor de KGO. In het planproces wordt dit al goed ingezet. In navolgende schets is het advies / ruimtelijk voorstel van Het Oversticht visueel weergegeven.
Figuur 24: Inpassingsplan / KGO compensatie
Initiatiefnemer ............................ heeft zich geconformeerd aan dit advies van Het Oversticht. Het advies en de gedane voorstellen zullen dan ook in het kader van de landschappelijke inpassing en de KGO volledig worden uitgevoerd.
MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 73
Daarnaast kunnen ten aanzien van de KGO nog de volgende aanvullen zaken worden aangedragen: • In de huidige bedrijfsopzet is het varkensbedrijf qua energieverbruik voor ongeveer 70% zelfvoorzienend door het plaatsen van 1.250 zonnepanelen. Door de realisatie van de nieuwe stallen kunnen ongeveer 3.000 extra zonnepanelen worden aangebracht. Op basis hiervan is het varkensbedrijf volledig zelfvoorzienend en wordt daarnaast een leverancier van duurzame energie. Hierdoor kan een grote bijdrage worden geleverd aan de benodigde energietransitie en doelstellingen ten aanzien van het klimaatbeleid. De benodigde warmte voor het huisvesten van met name de pasgeboren biggen wordt verkregen met warmte uit de al aanwezige luchtwassers. Deze luchtwassers filteren de stallucht van ammoniak, geur en fijn stof. Door het toepassen van warmtewisselaars wordt de verkregen warmte met toepassing van twee warmtepompen geschikt gemaakt om deze toe te passen in de vloerverwarming die aanwezig is in de diverse stallen. Op basis hiervan is de bedrijfsvoering van de varkenshouderij iet meer afhankelijk van aardgas. Ook de nieuwe stalruimte wordt duurzaam verwarmd door het toepassen van dit systeem. • In de gewenste bedrijfsopzet worden (bovenwettelijke) investeringen gedaan ten behoeve van het welzijn van de dieren (vergroten leefoppervlakte van de vleesvarkens).
Deze inspanning wordt vormgegeven door een certificering van de nieuwe stallen op basis van de Maatlat Duurzame Veehouderij; • In de gewenste bedrijfsopzet kunnen eventueel (bovenwettelijke) investeringen worden gedaan ten behoeve van de reductie van geuremissie & stikstofdepositie/ammoniakemissie. Hiertoe worden extra emissiereducerende technieken toegepast. Voornoemde komt voort uit de doelstelling om in de gewenste situatie ten opzichte van de omgeving, omliggende woningen en nabijgelegen natuurgebieden (NNN en N2000 Boetelerveld), ondanks dat sprake is van een vergroting van het aantal dieren en de mate bebouwing, geen toename van de geurbelasting en ammoniakemissie/stikstofdepositie te veroorzaken. Deze maatregel in het kader van de KGO is uitgewerkt in hoofdstuk 8 (MMA). De kosten voor het doorvoeren van deze investering ten behoeve van de KGO wordt geraamd op € 448.080,- excl. BTW. In overleg met de gemeente Raalte dient te worden afgestemd of deze (extra) investering noodzakelijk is gelet op de voornoemde inspanningen & compensatie ten aanzien van de KGO. Gelet op voornoemde voldoet het beoogde project en bijbehorende bouwplan aan de gestelde voorwaarden behorende bij het KGO-beleid van de provincie Overijssel.
MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 74
5.4
OVERIGE RUIMTELIJKE ASPECTEN
5.4.1
Archeologie & cultuurhistorie
Archeologie De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze (naar verwachting) in 2022 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Gronden binnen het plangebied zijn op basis van het geldende bestemmingsplan Buitengebied Raalte voorzien van de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1, 2 & 3'. Binnen deze dubbelbestemmingen geldt een archeologische onderzoeksplicht bij werkzaamheden c.q. realisatie van gebouwen en bouwwerken. De locatie Heetenseweg 9a te Heeten is niet voorzien van een dubbelbestemming “Waarde-Archeologie”. Ter plaatse zijn derhalve geen archeologische waarden te verwachten en geldt geen onderzoeksverplichting.
Wel geldt bij de uitvoering de bodemingrepen voor de realisatie van de gewenste bedrijfsopzet een algemene zorgplicht ten aanzien van archeologische waarden. Mochten dergelijke archeologische restanten ter plaatse worden aangetroffen dan dient hiervan melding te worden gemaakt. Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat bij het vaststellen van een plan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. Er bevinden zich in het beoogde plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor de uitvoering van het project.
MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 75
5.4.2 Watertoets & waterbergingsgebied Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de Waterschappen Groot Salland, Reest en Wieden, Regge en Dinkel, Rijn en IJssel en Velt en Vecht. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze Waterschappen de afgelopen jaren intensief samengewerkt met elkaar en met andere partners. Gevolg van deze samenwerking is een grotendeels gemeenschappelijk waterbeheerplan. De waterbeheerplannen beschrijven het beleid van de vijf Waterschappen in RijnOost. De hoofdthema's zijn: het waarborgen van veiligheid, het watersysteembeheer en het ontwikkelen van de afvalwaterketen. Ook opgenomen zijn de maatregelen voor het uitvoeren van de Kaderrichtlijn Water (KRW) en Waterbeheer 21e eeuw. De Waterschappen hebben voor het uitvoeren van de KRW-maatregelen een resultaatsverplichting. De plannen omvatten ook een uitvoeringsprogramma op hoofdlijnen voor de periode tot en met 2015. De plannen worden verder vormgegeven en uitvoeren in dialoog en in samenwerking met alle betrokken partijen. Om alle uitdagingen het hoofd te kunnen bieden is er naast aandacht voor water vooral ook ruimte voor water nodig om in de toekomst West-Overijssel veilig en leefbaar te houden.
Het Waterschap Groot Salland heeft meer ruimte voor water nodig om wateroverlast en verdroging te voorkomen waarbij natuurwaarden zich kunnen ontwikkelen. Met de uitvoering van het programma Ruimte om te leven met water wordt gestreefd naar realisatie. Uitvoering heeft de komende jaren prioriteit, vooral van de Kaderrichtlijn water maatregelen waarvoor een resultaatsverplichting geldt. Deze uitvoering vraagt na inrichting van het nieuwe watersysteem om een aangepast beheer en onderhoud. Om ook op de lange termijn doelmatig gestalte te kunnen geven aan het afvalwaterketenbeheer worden nieuwe (zuiverings)technologieën en werkwijzen ontwikkeld en doorgevoerd. Het Waterplan is een beleidsdocument waarin al het water binnen de gemeentegrenzen van Raalte integraal benaderd wordt. Door deze integraliteit vormt het Waterplan een sterke basis voor het streven naar een duurzaam, toekomstgericht watersysteem. Het Waterplan biedt daarnaast een waterkader voor alle beleidsvelden die raken aan het waterbeheer. Het Waterplan heeft geen wettelijke basis, maar vormt een functioneel beleidsdocument. Het Waterplan richt zich op zowel het watersysteem binnen de bebouwde kernen van de gemeente Raalte als daarbuiten. Het watersysteem buiten de bebouwde kernen is eveneens opgenomen in het waterbeheerplan van Waterschap Groot Salland.
De locatie Heetenseweg 9a is deels gelegen in een gebied dat is aangeduid als “waterbergingsgebied”. Dit gebied valt gedeeltelijk over de bestaande bebouwing en bouwvlak alsmede is de beoogde uitbreiding ook gedeeltelijk gelegen in dit gebied
MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 76
Figuur 25: situering waterbergingsgebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Op het gebied van waterbeheer spelen 2 soorten ontwikkelingen: 1. ontwikkelingen van 'derden' die van invloed zijn op het waterbeheer; 2. ontwikkelingen die van invloed zijn op het waterbeheer en die door het Waterschap worden geïnitieerd. Wat betreft de eerste groep ontwikkelingen, kan worden gesteld dat het bestemmingsplan hoofdzakelijk consoliderend van aard is. Er worden geen grootschalige functieveranderingen en/of herinrichtingen mogelijk gemaakt. Wel bestaat de mogelijkheid tot het vergroten van het bouwvlak en worden kleinschalige ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Bij deze toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen is het uitgangspunt dat de waterhuishoudkundige situatie niet mag verslechteren. Dat betekent dat in de primaire watergebieden het waterbelang nadrukkelijk een rol speelt bij de afweging of agrarische bouwvlakken kunnen worden vergroot. Onderdeel van de primaire watergebieden zijn de bergingsgebieden. Volgens de Waterwet zijn dit voor waterstaatkundige doeleinden bestemde gebieden, op grond van de Wro, die dienen ter verruiming van de bergingscapaciteit van een of meer watersystemen en die ook als bergingsgebieden op de Legger zijn opgenomen. Hieronder vallen de verschillende waterbergingen die in overleg tussen gemeente en Waterschap zijn aangewezen en door het Waterschap worden aangelegd.
Volgens de Waterwet dienen deze gebieden ruimtelijk bestemd te zijn voor het (tijdelijk) bergen van water. Het betekent ook dat toename van het verharde oppervlak en/of dempingen binnen het gebied moeten worden gecompenseerd, conform waterschapsbeleid. Ook combinaties met andere functies zoals groen en recreatie liggen voor de hand.
MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 77
Door de aanleg van natuurvriendelijke en ecologische oevers wordt bijvoorbeeld meer waterberging gerealiseerd. Daarnaast is het van belang om diffuse verontreinigingen te voorkomen door het gebruik van duurzame, niet-uitloogbare materialen (geen zink, lood, koper en PAK's-houdende materialen), zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Gebieden voor de instandhouding van de waterhuishoudkundige werken zijn tot uitdrukking gebracht in de deels geldende dubbelbestemming Waterstaat - Waterbergingsgebied. Omdat in de gemeente Raalte geen waterbergingsgebieden op grond van de verordening dienen te worden bestemd, is in het geldende bestemmingsplan een dubbelbestemming opgenomen voor de primaire watergebieden. Het bebouwen van deze gronden ten behoeve van de onderliggende bestemming is uitsluitend toegestaan als hiervoor vergunning is verleend door het bevoegd gezag. Vergunning wordt verleend als de waterbergende functie hierdoor niet onevenredig worden geschaad. Het bevoegd gezag wint hiervoor, met het oog op een zorgvuldige voorbereiding van het besluit, advies in bij de waterbeheerder, voordat ze beslist op het verzoek om af te wijken. In de huidige en gewenste situatie wordt bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard (beide bedrijfswoningen) geloosd op de gemeentelijke riolering.
Het bedrijfsafvalwater (schoonmaken van de stallen, spoelplaats etc.) wordt opgevangen in de mestkelders en vervolgens als meststof afgevoerd en uitgereden op landbouwgronden. Het beleid van de gemeente Raalte en het Waterschap is erop gericht het hemelwater af te koppelen van de riolering en te lozen op oppervlaktewater of zo mogelijk te laten infiltreren in de bodem. Voor lozing van het hemelwater dient in principe waterberging op eigen terrein gerealiseerd te worden. Als regel wordt genomen dat 10% van het te verharden oppervlak moet worden ingericht voor hemelwaterberging. In de gewenste situatie bedraagt de toename van het verharde oppervlak ongeveer 10.000 m2. Om het hemelwater afkomstig van deze nieuwe verharding te bergen, wordt op het noordwestelijk deel van het erf / perceel een hemelwatervijver gerealiseerd. De capaciteit van deze opvangvoorzieningen, welke ook in de landschappelijke inpassing zijn opgenomen, bedraagt minimaal 150 m3. Deze beoogde opvang van hemelwater wordt volledig op eigen grond aangelegd. Ter plaatse kan derhalve het hemelwater worden geïnfiltreerd. Watertoets Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen.
Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Het Waterschap heeft een watertoetstabel ontwikkeld waarmee met een aantal vragen in beeld te brengen is welke wateraspecten relevant zijn en met welke intensiteit het watertoetsproces doorlopen moet worden. De vragen zijn gericht op de locatie van de ruimtelijke ontwikkeling en welke veranderingen er mogelijk worden gemaakt. Voor de gewenste ruimtelijke ontwikkeling worden de effecten van de ontwikkeling per waterthema afgewogen.
MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 78
De relevante waterthema’s worden door middel van de watertoetstabel geselecteerd en moeten vervolgens, indien relevant, nader worden toegelicht.
Figuur 26: Watertoets
5.4.3 Flora en Fauna In de Wet natuurbescherming staan beschermingsregels voor de Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Vanwege de inwerkingtreding van deze wet op 1 januari 2017 zijn de Floraen faunawet, de Natuurbeschermingswet en de Boswet komen te vervallen. Zowel soortenbescherming als gebiedsbescherming zijn nu in de Wet natuurbescherming geregeld. Op onderhavige locatie is een Quick scan (natuurtoets) flora & fauna uitgevoerd ten aanzien van de soortenbescherming en gebiedsbescherming (o.a. NNN). Het volledige rapport is bijgevoegd als bijlage 13. De belangrijkste conclusies uit het onderzoek zijn hierna opgenomen:
MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 79
Conclusies op basis van de uitgevoerde QuickScan Flora en Fauna: De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’, en het opzettelijk ‘verstoren, beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd2. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verstoren of te doden en om opzettelijk de vaste rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen. Afhankelijk van de status van de beschermde soorten, kan soms ook gewerkt worden conform een door de Minister goedgekeurde, en op de situatie toepasbare, gedragscode. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied.
Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel.
MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 80
Een negatief effect op Natura 2000-gebied, zoals de toename van stikstofdepositie in Natura 2000gebied, kan niet op voorhand uitgesloten worden. Om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten vast te kunnen stellen dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rusten voortplantingsplaats en bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust-of voortplantingsplaats in het plangebied en er nestelen geen vogels. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier en amfibie gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier en amfibie beschadigd en vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, en die mogelijk gedood worden, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen `doden’ en het `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen’.
Door het bebouwen en verharden van een deel van het plangebied, neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor verschillende beschermde dieren af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties.
5.4.4 Bodem Ter plaatse van de beoogde nieuwe stalruimte is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek is het volgende gebleken: De onderzoekslocatie bestaat uit grasland. In zowel de bovengrond (BM1 en BM2) als in de ondergrond (OM1 en OM2) zijn geen verhogingen aangetroffen. In de grondwatermonsters (PB1 WM1 en PB3 WM1) zijn lichte verhogingen barium aangetroffen. In het grondwatermonster (PB2 WM1) zijn lichte verhogingen barium en nikkel aangetroffen. Tevens is in het grondwatermonster (PB1 WM1) de concentratie nikkel verhoogd aangetroffen ten opzichte van de tussenwaarde. Naar aanleiding van deze verhoging is de bestaande peilbuis opnieuw bemonsterd. Uit het analysecertificaat van het her-monster (PB1 HER Ni) blijkt dat er een lichte verhoging nikkel is aangetroffen in het grondwater. De verhoging nikkel in het grondwatermonster (PB1 WM1) geeft formeel aanleiding voor het laten uitvoeren van een nader onderzoek. Echter zijn er naar onze mening een aantal redenen om af te zien van een nader onderzoek: • In het her-monster van de bestaande peilbuis is slechts een lichte verhoging nikkel aangetroffen; • Er is geen eenduidige bron voor de verhoging aan te wijzen; • Zware metalen worden vaker verhoogd aangetroffen in het grondwater en kunnen van nature verhoogd voorkomen. Tevens kunnen zware metalen in concentratie sterk fluctueren.
Algemeen Als grond van de locatie vrijkomt, moet er rekening mee worden gehouden dat deze niet zonder meer elders toepasbaar is.
MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 81
Op hergebruik van grond is het “Besluit bodemkwaliteit” van toepassing. De toepassing van grond elders moet worden gemeld via het ‘meldpunt bodemkwaliteit’. De kwaliteit van de bodem en grondwater vormt geen beperking voor het realiseren van nieuwe stalruimte voor dieren. Het betreffende rapport is als bijlage 14 toegevoegd.
MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 82
6.
BESCHRIJVING VOORGENOMEN ACTIVITEITEN (GEWENSTE BEDRIJFSOPZET)
Initiatiefnemer is voornemens om op de locatie Heetenseweg 9a te Heeten het bestaande varkensbedrijf duurzaam te ontwikkeling tot een gesloten varkenshouderij. In de gewenste bedrijfsopzet is sprake van een varkenshouderij, die voldoet aan de geldende eisen op het gebied van welzijn & milieu en die tevens duurzaam en energieneutraal kan worden geëxploiteerd. Voor de toetsing aangaande de welzijnseisen voor de varkens in de gewenste bedrijfsopzet wordt verwezen naar hoofdstuk 3. De beschrijving van de gewenste bedrijfsopzet van de varkenshouderij en overige activiteiten alsmede de toetsing aan de milieuwetgeving komen in dit hoofdstuk aan de orde.
6.1
GEWENSTE BEDRIJFSOPZET
De gewenste maximale bedrijfsopzet kan als volgt worden weergegeven: o 1.526 fokzeugen o 8.100 gespeende biggen o 6 dekberen o 288 opfokzeugen o 14.102 vleesvarkens ............................ heeft als doelstelling om in de gewenste situatie, mede op basis van de gevoerde omgevingsdialoog met de omwonenden en ondanks een toename van 10.600 vleesvarkens, ter plaatse van de omliggende woningen te voldoen aan de geurnorm & geen ontoelaatbare geurbelasting te veroorzaken. Daarnaast is het wenselijk om geen toename van de stikstofdepositie te veroorzaken ter plaatse van de N2000 gebieden. In de gewenste bedrijfsopzet is het wenselijk om de stallen als volgt uit te voeren: •
De bestaande stal voor guste/dragende zeugen (incl. opfokzeugen en dekberen) blijft ongewijzigd;
•
De bestaande biggenstal wordt vergroot met 2 afdelingen en blijft ongewijzigd voorzien van een gecombineerde luchtwasser;
•
De bestaande 2 stallen voor het houden van de kraamzeugen, die reeds emissiearm zijn uitgevoerd, worden aangesloten op een gecombineerde luchtwasser. Deze gecombineerde luchtwasser krijgt een hoogte van 9,5 meter en een verhoogde uittreedsnelheid;
•
De bestaande vleesvarkensstal wordt, samen met de kraamstallen, aangesloten op een gecombineerde luchtwasser. Deze gecombineerde luchtwasser krijgt een uitstroomhoogte van 9,5 meter en een verhoogde uittreedsnelheid;
•
De beide nieuwe stallen voor de vleesvarkens worden uitgevoerd met een gecombineerde luchtwasser en krijgen een uitstroomhoogte van 12 meter en een verhoogde uittreedsnelheid.
MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 83
In de navolgende tabel is de gewenste bedrijfsopzet / veebezetting nader uitgewerkt: Tabel 14 Gewenste bedrijfsopzet Stalsysteem Stal
Aantal dieren
Diercategorie
Rav. Code
BWL / BB code
Omschrijving gecombineerd luchtwassysteem 85% emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser
1
Vleesvarkens
3350
D 3.2.15.4
BWL 2009.12.V4
2
Kraamzeugen
196
D 1.2.17.4
Dubbel GL mestpan BWL 2006.08V1 + biocombiwasser BWL 2009.12V4
3
Kraamzeugen
160
D 1.2.17.4
4
Dekberen
6
D 2.4.4
4
Guste en Dragende zeugen
1170
D 1.3.12.4
4
Opfokzeugen
288
D 3.2.15.4
5
Gespeende biggen
8100
D 1.1.15.4
gecombineerd luchtwassysteem 85% emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser gecombineerd luchtwassysteem 85% Dubbel GL mestpan BWL 2006.08V1 emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en + biocombiwasser BWL 2009.12V4 biologische wasser gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniak emissiereductie (45% geur en 80% BWL 2010.02.V6 fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniak emissiereductie (45% geur en 80% BWL 2010.02.V6 fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniak emissiereductie (45% geur en 80% BWL 2010.02.V6 fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser BWL 2009.12.V4
6
Vleesvarkens
5376
D 3.2.15.4
BWL 2009.12.V4
7
Vleesvarkens
5376
D 3.2.15.4
BWL 2009.12.V4
gecombineerd luchtwassysteem 85% emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser gecombineerd luchtwassysteem 85% emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser gecombineerd luchtwassysteem 85% emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser
Bovenstaande bedrijfsomvang / veebezetting omvat de maximale mogelijkheden binnen een bedrijfsopzet binnen een bouwvlak van ongeveer 3,5 hectare. Voor het beoogde bouwplan wordt verwezen naar hoofdstuk 6.
MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 84
6.2
WERKZAAMHEDEN EN ACTIVITEITEN
Binnen de beoogde bedrijfsopzet van de varkenshouderij aan de Heetenseweg 9a te Heeten zullen in de gewenste bedrijfssituatie 4-6 werknemers (FTE) in dienst zijn. In de gewenste situatie is er sprake van de volgende werkzaamheden en activiteiten: • het bedrijfsmatig houden van varkens in een gesloten bedrijfsopzet (fokzeugen + biggen en opfokzeugen + vleesvarkens); • het opslaan van veevoeder, grondstoffen & bijproducten; • het opslaan en aanmaken van droogvoer; • het opslaan van dunne mest in de kelders en mestsilo’s; • het in gebruik hebben van diverse stallen, een kantoor/kantine, hygiënesluis en 2 bedrijfswoningen; • het in gebruik hebben van een centrale voerkeuken; • het in gebruik hebben van een afleverruimte en een spoelplaats; • het realiseren van nieuwe emissiearme stalruimte voor vleesvarkens en gespeende biggen (2 afdelingen); • het toepassen van gecombineerde luchtwassers op de 2 nieuwe vleesvarkensstallen en een bestaande vleesvarkensstal; • het realiseren van een bedrijfshal voor het scheiden van de drijfmest (dikke en dunnen fractie); • het realiseren van extra mestsilo; • het realiseren van een ontvangst- / educatieruimte. Een plattegrondtekening inclusief situatieschets van de gewenste bedrijfsopzet is als bijlage 2 toegevoegd.
6.3
VENTILATIE VAN DE STALLEN (EMISSIEPUNTEN)
In de gewenste situatie worden de stallen als volgt geventileerd: Stal 1 + 2 + 3 3.350 vleesvarkens & 356 kraamzeugen Ventilatiebehoefte (3.526 x 60 m3 + 356 x 250 m3 =) Ventilatoren (Stienen SGS 92) / achter de luchtwasser Ventilatiecapaciteit (70 PA weerstand á 31.390 m3) Emissiepunthoogte: Diameter uitstroomopening ventilator: Diameter totaal: Uittreedsnelheid per ventilator (70 Pa): Uittreedsnelheid (V-stack / 130.550 m3):
300.560 m3 per uur 10 stuks 313.900 m3 9,5 meter (uitstroomopening ventilatoren) 0,92 m. (0,66 m2) 2,91 m. (6,65 m2) 13,12 m/s (31.390 m3 / 0,66 m2) 10 m/sec.
Stal 4 1.170 g&d zeugen, 6 dekberen & 228 opfokzeugen Ventilatiebehoefte (1.176 x 150 m3 + 228 x 80 m3 =) Ventilatoren (Stienen SGS 92) / voor de luchtwasser Emissiepunthoogte: Diameter uitstroomopening ventilator: Uitstroomopening luchtwasser: Uittreedsnelheid (V-stack / 75.276 m3):
194.640 m3 per uur 8 stuks 8,30 meter (uitstroomopening luchtwasser) 0,92 m. (0,66 m2) 15,66 m2 (diameter fictief 4,09 m.) 1,59 m/s (75.276 m3 / 15,66 m2)
MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 85
Stal 5 8.100 gespeende biggen Ventilatiebehoefte (8.100 x 25 m3 =) Ventilatoren (Stienen SGS 92) / voor de luchtwasser Emissiepunthoogte: Diameter uitstroomopening ventilator: Uitstroomopening luchtwasser: Uittreedsnelheid (V-stack / 97.200 m3):
202.500 m3 per uur 6 stuks 11,3 meter (uitstroomopening luchtwasser) 0,92 m. (0,66 m2) 11,98 m2 (diameter fictief 3,91 m.) 2,25 m/s (97.200 m3 / 11,98 m2)
Stal 6&7 5.376 vleesvarkens Ventilatiebehoefte (5.376 x 60 m3 =) Ventilatoren (Stienen SGS 92) / achter de luchtwasser Ventilatiecapaciteit (70 PA weerstand á 31.390 m3) Emissiepunthoogte: Diameter uitstroomopening ventilator: Uittreedsnelheid ventilator (70 Pa): Uittreedsnelheid (V-stack / 166.656 m3):
322.560 m3 per uur 11 stuks 345.290 m3 12,0 meter (uitstroomopening ventilatoren) 0,92 m. (0,66 m2) 13,12 m/s (31.390 m3 / 0,66 m2) 10 m/sec.
6.4
AMMONIAK
6.4.1 Ammoniakemissie De ammoniakuitstoot van de gewenste veebezetting kan op grond van de geldende RAV als volgt worden berekend: Tabel 16
Overzicht ammoniakemissie gewenste bedrijfsopzet Stalsysteem
Stal
Diercategorie
Aantal dieren
Rav. Code
1
Vleesvarkens
3350
2
Kraamzeugen
3
Ammoniakemissie
BWL / BB code
Omschrijving
Kg NH3 per dierplaats*
D 3.2.15.4
BWL 2009.12.V4
gecombineerd luchtwassysteem 85% emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser
0,45
1507,5
196
D 1.2.17.4
Dubbel GL mestpan BWL 2006.08V1 + biocombiwasser BWL 2009.12V4
0,435
85,26
Kraamzeugen
160
D 1.2.17.4
0,435
69,6
4
Dekberen
6
D 2.4.4
0,83
4,98
4
Guste en Dragende zeugen
1170
D 1.3.12.4
0,63
737,1
4
Opfokzeugen
288
D 3.2.15.4
0,45
129,6
5
Gespeende biggen
8100
D 1.1.15.4
BWL 2009.12.V4
0,1
810
6
Vleesvarkens
5376
D 3.2.15.4
BWL 2009.12.V4
0,45
2419,2
7
Vleesvarkens
5376
D 3.2.15.4
BWL 2009.12.V4
0,45
2419,2
Totaal:
8182,44
gecombineerd luchtwassysteem 85% emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser gecombineerd luchtwassysteem 85% Dubbel GL mestpan BWL 2006.08V1 emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en + biocombiwasser BWL 2009.12V4 biologische wasser gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniak emissiereductie (45% geur en 80% BWL 2010.02.V6 fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniak emissiereductie (45% geur en 80% BWL 2010.02.V6 fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniak emissiereductie (45% geur en 80% BWL 2010.02.V6 fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser gecombineerd luchtwassysteem 85% emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser gecombineerd luchtwassysteem 85% emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser gecombineerd luchtwassysteem 85% emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser
Kg NH3 totaal
** geuremi s s i efa ctor i n odour uni ts per s econde per di er vol gens de Regel i ng geurhi nder en veehouderi j
MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 86
In de gewenste situatie worden de stallen voor het huisvesten van kraamzeugen en de nieuwe stallen voor het huisvesten van vleesvarkens uitgevoerd met een erkend emissiearm stalsysteem (gecombineerde luchtwasser). Hieronder is de berekening van de bijbehorende ammoniakemissiefactor opgenomen. In de RAV (eindnoot 3) is het volgende opgenomen indien naast het toepassen van een luchtwassysteem in combinatie met een ander emissiearm stalsysteem: 3 De emissiefactor die bij de betreffende luchtwassystemen (en biofilters) staat vermeld, is gebaseerd op de toepassing van het luchtwassysteem bij een traditioneel (niet emissiearm) huisvestingssysteem. Indien het luchtwassysteem wordt toegepast in combinatie met een ander emissiearm huisvestingssysteem – niet zijnde een ander luchtwassysteem --, wordt de emissiefactor van die combinatie als volgt berekend: efc = 0,01 x (100 – rpl) x efa (efc en efa zijn daarbij de emissiefactoren van de combinatie respectievelijk van het andere emissiearme systeem is; rplgeeft het reductiepercentage van de luchtwasser weer). Indien het reductiepercentage van het andere huisvestingssysteem evenwel hoger is dan 70 (efa < 0,3efo, waarbij efo de emissiefactor van overige huisvestingssystemen van de betreffende diercategorie is), dan geldt evenwel: efc = 0,01 x (100 – rpl) x 0,3efo.
Kraamzeugen In de gewenste situatie worden de stallen voor het huisvesten van de kraamzeugen (stal 2 & 3) uitgevoerd met een mestpan in de kelder (BWL 2006.08V1) en een gecombineerde luchtwasser (BWL 2009.12V4). De ammoniakemissiefactor van de mestpan (BWL 2006.08V1) bedraagt 2,9 kg per dier per jaar (< 70% reductie) en het reductiepercentage van de luchtwasser BWL 2009.12V4 is 85%. Op basis van de formule efc = 0,01 x (100 – rpl) x efa bedraagt voor deze toepassing de ammoniakemissiefactor 0,435 kg per dier per jaar. 0,01 x (100 – 85) x 2,9 = 0,435. 6.4.2 Zeer kwetsbare natuurgebieden In de gewenste situatie is de veehouderij op grond van de Wet ammoniak en veehouderij niet gelegen binnen of in een zone van 250 meter van een ‘zeer kwetsbaar natuurgebied’. Het dichtbijgelegen ’zeer kwetsbaar natuurgebied’ wordt in de gewenste situatie niet verkleind en is ongewijzigd gelegen op een afstand van circa 980 meter ten zuidoosten van het emissiepunt van onderhavige veehouderij (zie ook figuur 5).
6.4.3 Ammoniakemissie afkomstig uit stalsysteem / IPPC In de gewenste situatie worden alle stallen uitgevoerd met een erkend emissiearm stalsysteem. In de gewenste situatie wordt gekozen voor een combinatie van een emissiearm stalsysteem in de mestkelders (kraamzeugen) en het toepassen van een gecombineerde luchtwassers (alle stallen). ............................ heeft er voor gekozen om in de gewenste situatie de stallen als volgt uit te voeren: • Stal 1: 3.350 vleesvarkens deze bestaande stalruimte wordt in de gewenste situatie uitgevoerd met een gecombineerde luchtwasser 85% (BWL 2009.12V4). Het aanwezige koeldeksysteem in deze bestaande stal wordt vervolgens buiten werking gesteld.
MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 87
• Stal 2 & 3: 196 & 160 kraamzeugen deze bestaande stalruimte is uitgevoerd met een mestpan (BWL 2006.08V1) en wordt in de gewenste situatie (tezamen met stal 1) voorzien van een gecombineerde luchtwasser 85% (BWL 2009.12V4). • Stal 4: 1.170 guste en dragende zeugen, 6 dekberen en 288 opfokzeugen deze bestaande stalruimte is reeds uitgevoerd met een gecombineerde luchtwasser 85% (BWL 2010.02V6) en wordt niet gewijzigd. • Stal 5: 8.100 gespeende biggen deze bestaande stalruimte is reeds uitgevoerd met een gecombineerde luchtwasser 85%. De BWL2010.02V6 wordt echter vervangen door de BWL 2009.12V4. • Stal 6 & 7: 5.376 vleesvarkens per stal deze nieuwe stalruimte wordt voorzien van een gecombineerde luchtwasser 85% (BWL 2009.12V4). De dimensioneringsplannen van de gecombineerde luchtwassers in de stallen zijn als bijlage 15 toegevoegd. Het betreft hier gecombineerde luchtwassystemen met allen een rendement van 85% (Devrie). De leaflets van de beoogde emissiearme stalsystemen zijn als bijlage 16 opgenomen.
BREF In de “Oplegnotitie bij de BREF voor de intensieve pluimvee- en varkenshouderij” is ten aanzien van het aspect huisvesting voor varkens het volgende opgenomen: Guste en dragende zeugen – stal 4 Bij de beoordeling van BBT voor huisvestingssystemen worden technieken vergeleken met het referentiesysteem voor de huisvesting van guste en dragende zeugen, namelijk een diepe mestkelder onder een volledige roostervloer met betonroosters. De mest wordt frequent of minder frequent verwijderd. Kunstmatige ventilatie zorgt voor de verwijdering van de gasvormige bestanddelen die vrijkomen uit de opgeslagen drijfmest. Dit systeem wordt in heel Europa algemeen toegepast. Voor de huisvesting van guste/dragende zeugen zijn de volgende systemen BBT: • volledige of gedeeltelijke roostervloeren met een vacuümsysteem eronder voor frequente mestafvoer, of; • gedeeltelijke roostervloeren met een verkleinde mestkelder. In de gewenste situatie worden de guste en dragende zeugen gehouden in een stal met een gedeeltelijke roostervloer (beton) en diepe kelders. Van hieruit wordt de mest vervolgens regelmatig afgevoerd. De stal is uitgevoerd met een gecombineerde luchtwasser 85% (BWL 2010.02V6). Hiermee voldoet deze bestaande stal aan bovenstaande eisen.
MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 88
Kraamzeugen – stal 2 & 3 Het verschil tussen volledige en gedeeltelijke roostervloeren is in het geval van kraamzeugen niet zo duidelijk vanwege hun beperkte bewegingsvrijheid. In beide gevallen komt de mest immers op hetzelfde roostergedeelte terecht. Reductietechnieken zijn daarom voornamelijk gericht op aanpassingen van de mestkelder. BBT is een box met een volledige metalen of kunststof roostervloer en met: • een combinatie van een water- en mestkanaal, of; • een spoelsysteem met mestgoten, of; • een mestpan. De kraamzeugen worden gehouden in een stal met een roostervloer vervaardigd uit kunststof en/ of metaal. De stallen zijn uitgevoerd met een mestpan (BWL 2006.08V1) en worden voorzien van een gecombineerde luchtwasser 85% (BWL 2009.12V4). Hiermee voldoen deze beide stallen aan bovenstaande eisen. Gespeende biggen – stal 5 Er is van uitgegaan dat reductiemaatregelen die van toepassing zijn op conventionele hokken voor gespeende biggen, in principe ook kunnen worden toegepast op vlakke batterijen, maar er is geen informatie verstrekt met betrekking tot praktijkervaring.