CConstaterende datRaalte
Koppel je AI →
Document · PDF

MER -27-8-2021 (volledig incl. bijlagen) - anoniem

Raadsvergadering 25 november 2021, gemeente RaalteBij agendapunt: Bespreken principeverzoek uitbreiding varkenshouderij Heetenseweg 9A-9C (bespreekstuk)28.987 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

gecombineerd luchtwassysteem 85% emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser

0,83

4,98

4

Guste en Dragende zeugen

1170

D 1.3.12.4

BWL 2009.12.V4

gecombineerd luchtwassysteem 85% emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser

0,63

737,1

4

Vleesvarkens

360

D 3.2.15.4

BWL 2009.12.V4

gecombineerd luchtwassysteem 85% emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser

0,45

162

5

Gespeende biggen

6736

D 1.1.15.4

BWL 2009.12.V4

gecombineerd luchtwassysteem 85% emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser

0,1

673,6

Totaal:

6841,28

* emi s s i e i n kg NH3 per di erpl a a ts per ja a r vol gens de Regel i ng a mmoni a k en veehouderi j

Deze vergunde situatie is identiek aan de geldende omgevingsvergunning op grond van de Wabo uit 2015. De stikstofdepositie op de omliggende Natura2000 gebieden voor de vergunde situatie is inzichtelijk gemaakt met het verspreidingsmodel Aerius. In de Aerius-berekening (bijlage 6) zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: • Veebezetting en emissiepunten conform NB-wetvergunning d.d. 28-11-2014; • Ammoniakemissie op basis van nu geldende RAV; • Vervoersbewegingen op basis van akoestisch onderzoek omgevingsvergunning 2015; • Verbruik aardgas en dieselolie op basis van omgevingsvergunning 2015. Uit de Aerius-berekening (bijlage 6) komen ter plaatse van de (meest relevante) omliggende Natura2000 gebieden de volgende stikstofdeposities:

MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 34

MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 35

4.5

GEUR

4.5.1. Geuremissie De geuremissie van de vergunde veebezetting (omgevingsvergunning Wabo 2015) kan op basis van de WGV en geldende RGV als volgt worden berekend. Tabel 4 Overzicht geuremissie vergunde bedrijfsopzet Stalsysteem Stal

Diercategorie

Aantal dieren

Rav. Code

1

Vleesvarkens

3526

2

Kraamzeugen

3

N Geuremissie a g OUe per e dierOUe totaal s plaats** c

BWL / BB code

Omschrijving

D 3.2.6.1.2

BWL 2004.08.V2

Koeldeksysteem (200% koeloppervlak) met metalen roostervloer

17,9

63115,4

196

D 1.2.13

BWL 2006.08.V1

mestpan onder kraamhok

27,9

5468,4

Kraamzeugen

160

D 1.2.13

BWL 2006.08.V1

mestpan onder kraamhok

27,9

4464

4

Dekberen

6

D 2.4.4

BWL 2009.12.V4

gecombineerd luchtwassysteem 85% emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser

10,3

61,8

4

Guste en Dragende zeugen

1170

D 1.3.12.4

BWL 2009.12.V4

gecombineerd luchtwassysteem 85% emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser

10,3

12051

4

Vleesvarkens

360

D 3.2.15.4

BWL 2009.12.V4

gecombineerd luchtwassysteem 85% emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser

12,7

4572

5

Gespeende biggen

6736

D 1.1.15.4

BWL 2009.12.V4

gecombineerd luchtwassysteem 85% emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser

4,3

28964,8

118697,4 ** geuremi s s i efa ctor i n odour uni ts per s econde per di er vol gens de Regel i ng geurhi nder en veehouderi j

Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij in werking getreden. De Wet geuremissie uit veehouderij dient te worden getoetst aan de voornoemde wet- en regeling. De Wet maakt onderscheid tussen dieren met en zonder geuremissiefactoren. Voor dieren zonder geuremissiefactoren gelden vaste afstanden die moeten worden aangehouden tot geurgevoelige objecten. Voor dieren met omrekeningsfactoren, zoals vleesvarkens en gespeende biggen, wordt middels het verspreidingsmodel ‘V-Stacks vergunning’ de geuremissie uit de veehouderij omgerekend naar geurbelasting op de geurgevoelige objecten in de omgeving van de veehouderij. In de vergunde bedrijfssituatie is alleen sprake van dieren met geuremissiefactoren. De varkenshouderij is gelegen in een zgn. concentratiegebied. Op basis van de Wet geurhinder en veehouderij mag, nu de gemeente Raalte voor de intensieve veehouderij geen Geurverordening heeft vastgesteld, de geurbelasting afkomstig van de veehouderij niet meer bedragen dan: • geurgevoelig object gelegen binnen de bebouwde kom: 3,0 OUE/ m3 • geurgevoelig object gelegen buiten de bebouwde kom: 14,0 OUE/ m3 MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 36

4.5.2. Diercategorieën met geuremissiefactoren (individuele toetsing) Voor dieren met omrekeningsfactoren wordt middels het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning de geuremissie uit de veehouderij omgerekend naar geurbelasting op de geurgevoelige objecten in de omgeving van de veehouderij. In het rekenmodel dienen verschillende parameters ingevoerd worden, deze worden hieronder behandeld. Meteorologie Meteostation Eindhoven. X-, Y-coördinaten van de bronnen In het rekenmodel dienen de coördinaten van de bronnen van het bedrijf worden ingegeven. Met coördinaten worden de rijksdriehoeks- of Amersfoortse coördinaten bedoeld. Met “bron” wordt het emissiepunt van een stal bedoeld. Omdat er hier sprake is van mechanische ventilatie in de vorm van centrale afzuiging en luchtwassers worden de centrale emissiepunten c.q. de middelpunten van de stallen als bron ingevoerd. De gemiddelde gebouwhoogte De gemiddelde gebouwhoogte van de bron is het gemiddelde tussen de goot- en de nokhoogte van de stal. Geuremissie per bron (OUE/ m3) De geuremissie per bron (= stal) dient ingevoerd te worden. In de geldende Regeling geurhinder en veehouderij is de geuremissie per dier aangegeven. In deze regeling zijn voor de verschillende soorten varkens geuremissiefactoren opgenomen.

De geuremissie per stal is vastgesteld door het aantal dieren te vermenigvuldigen met de geldende geuremissiefactor op grond van de RGV. De hoogte van de uitstroomopening Met de hoogte van de uitstroomopening (emissiepunthoogte) wordt de hoogte bedoeld van het emissiepunt boven het maaiveld. Voor de mechanisch geventileerde varkensstallen is dit de uitstroomopening van de ventilator / ventilatiekoker of de luchtwasser. Deze uitstroomopening wordt als emissiepunt beschouwd. De diameter van de uitstroomopening De diameter van de uitstroomopening (emissiepuntdiameter) is van invloed op de verspreiding van de geur. Bij mechanische geventileerde stallen dient hiervoor de diameter van de ventilatoren of de luchtwassers te worden bepaald. Deze waarden zijn derhalve in het model ingevoerd. De uittreesnelheid De uittreesnelheid is alleen van belang indien het een verticale of vrije uitstroming betreft (emissiepunt). Deze heeft namelijk een ‘emissiepuntverhogend effect’. Voor een mechanisch geventileerde stal met een verticale uitstoot en een centrale afzuiging, dient de uittreesnelheid te worden berekend op basis van de diameter in combinatie met de veebezetting. MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 37

V-stacks 2020 Op grond van het voorgaande zijn in het thans geldende rekenmodel V-Stacks 2020 de volgende parameters ingevoerd (deze parameters zijn in overeenstemming met de omgevingsvergunning Wabo 2015): Parameters per stal:

Stal 1 (vleesvarkens) = 63.115 OU Emissiepunthoogte: Gemiddelde gebouwhoogte: Diameter uitstroomopening: Uittreedsnelheid:

7,5 m. 5,0 m. 0,80 m. 4,0 m/s

Stal 2 (kraamzeugen) = 5.468 OU Emissiepunthoogte: Gemiddelde gebouwhoogte: Diameter uitstroomopening: Uittreedsnelheid:

5,5 m. 3,4 m. 1,68 m. 1,85 m/s

Stal 3 (kraamzeugen) = 4.464 OU Emissiepunthoogte: Gemiddelde gebouwhoogte: Diameter uitstroomopening: Uittreedsnelheid:

6,5 m. 4,6 m. 1,37 m. 2,26 m/s

Stal 4 (G&D zeugen + opfok) = 16.685 OU Emissiepunthoogte: Gemiddelde gebouwhoogte: Diameter uitstroomopening: Uittreedsnelheid:

8,3 m. 5,2 m. 4,47 m. 1,40 m/s

Stal 5 (gespeende biggen) = 28.965 OU Emissiepunthoogte: Gemiddelde gebouwhoogte: Diameter uitstroomopening: Uittreedsnelheid:

11,3 m. 6,8 m. 3,91 m. 1,87 m/s

MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 38

In onderstaande tabel zijn de resultaten van de geurberekening weergegeven. Een volledige uitdraai van het programma V-Stacks 2020 is als bijlage 7 toegevoegd.

Uit deze berekening blijkt dat in de vigerende / vergunde situatie ter plaatse de maatgevende woning Heetenseweg 9 sprake is van een geurbelasting 16,2 Ou. Op grond van V-Stacks 2020 is ter plaatse sprake van een met geuroverbelaste situatie. Ter plaatse van de overige omliggende objecten wordt wel voldaan aan de geurnorm. Voor bedrijfswoningen, die onderdeel uitmaken van een andere veehouderij, geldt een minimaal in acht te nemen vaste afstand van 50 meter (gemeten vanaf emissiepunt). De dichtstbijgelegen bedrijfswoning behorende bij een veehouderij van derden (Heetenseweg 3) is gelegen op een afstand van circa 450 meter. 4.5.3 Diercategorieën met vaste afstanden In de vergunde bedrijfsopzet zijn geen dieren aanwezig waarvoor vaste afstanden gelden. 4.5.4 Overige afstand (gevel) Volgens de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) geldt een minimaal in acht te nemen afstand tussen de dichtstbijzijnde gevel van een stal waarin dieren worden gehouden en de gevel van het dichtstbijzijnde woning. Deze afstanden zijn in onderstaande tabel weergegeven. Categorieën

Afstand in acht te nemen

Werkelijke afstanden

Woning in de bebouwde kom

50 meter

>> 250 meter

Woning buiten de bebouwde kom

25 meter

155 meter

Woning behorende bij veehouderij

25 meter

>> 250 meter

Aan de genoemde vaste afstanden op basis van de Wet geurhinder en veehouderij wordt in de vergunde situatie derhalve voldaan.

MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 39

4.5.5. Cumulatieve stankhinder Met behulp van de cumulatieve geurberekening en beoordeling kan het effect van de vergunde bedrijfssituatie ter plaatse van de omliggende woningen in relatie tot de reeds bestaande “initiatieven” (bestaande intensieve veehouderijen) inzichtelijk worden gemaakt. Binnen een staal van 2 kilometer van de varkenshouderij van ............................ liggen 23 veehouderijen van derden. Het betreffen hier intensieve veehouderijen of grondgebonden bedrijven met een intensieve tak (> 100 OU). De betreffende lijst van veehouderij is als bijlage 8 opgenomen. Deze gegevens zijn verstrekt door de gemeente Raalte. Vervolgens zijn deze gegevens samen met de invoergegevens van ----- Heeten van de vergunde bedrijfsopzet ingevoerd in V-stacks Gebied. De berekeningen zijn uitgevoerd ter plaatse van de eerder genoemde omliggende en maatgevende geurgevoelige objecten in het buitengebied. De uitdraai van de cumulatieve berekening is als bijlage 9 aan deze MER toegevoegd.

Uit deze berekening blijkt dat de totale geurbelasting ter plaatse van de omliggende geurgevoelige objecten als volgt bedraagt: Tabel 5 Resultaten berekening V-stacks gebied RecepID X-c Y-coor Geurnorm lasting [OU/m3] 1 215387.0 485952.0 14.000 13.256 2 215417.0 485201.0 14.000 8.579 3 215515.0 485231.0 14.000 8.950 4 215161.0 485014.0 14.000 5.073 5 214807.0 485640.0 14.000 16.684 6 215088.0 487455.0 3.000 2.532 7 215812.0 483595.0 3.000 1.746

Adres Heetenseweg 9 Heetenseweg 13 Heetenseweg 15 Heetenseweg 6 Oosterenkweg 5 Kom Raalte Kom Heeten

Uit de berekening kan worden afgeleid dat in de vergunde situatie ter plaatse van diverse woningen in de omgeving de totale geurbelasting lager is dan de wettelijke (individuele) norm van 3 & 14 OU. Ter plaatse van de woning Oosterenkweg 5 is de totale geurbelasting (16.7 OU) hoger dan 14 OU. Deze geurbelasting wordt in hoofdzaak veroorzaakt door de naastgelegen varkenshouderij aan de Hofmeijersweg 18. Ter plaatse van de bebouwde kom van Raalte bedraagt de geurbelasting 2,5 OU. Het RIVM hanteert voor de beoordeling van (cumulatieve) geurhinder de volgende milieukwaliteitscriteria: Tabel 6 Relatie tussen de Achtergrondbelasting en de geurhinder (bron: invoerbestand infomil) GEURGEHINDERDEN Achtergrondbelasting * [ouE/m3 als 98-percentiel] 1 1,5 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Concentratiegebied 2% 3% 4% 5% 6% 7% 8% 10% 10% 11% 12%

MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 40

12 14 16 18 20

14% 16% 17% 19% 20%

De invoerwaarden in bovenstaande tabel betreffen de objecten gelegen in het buitengebied. In onderstaande tabel is de relatie tussen de milieukwaliteit en geurgehinderden weergegeven. Tabel 7 Relatie milieukwaliteit en geurgehinderden (bron: GGD-richtlijn geurhinder 2002) Milieukwaliteit

Geurgehinderden [%]

zeer goed

<5

goed

5 – 10

redelijk goed

10 – 15

matig

15 – 20

tamelijk slecht

20 – 25

slecht

25 – 30

zeer slecht

30 – 35

extreem slecht

35 – 40

ADRES Heetenseweg 9 Heetenseweg 13 Heetenseweg 15 Heetenseweg 6 Oosterenkweg 5 Kom Raalte Kom Heeten

GEURBELASTING 13.256 8.579 8.950 5.073 16.684 2.532 1.746

% GEHINDERDEN 15% 11% 11% 7% 18% 5% 4%

MILIEUKWALITEIT Matig Redelijk goed Redelijk goed Goed Matig Goed Zeer goed

Op basis van de berekende achtergrondbelasting is er ter plaatse van de omliggende woningen in het buitengebied (in een concentratiegebied) in de vergunde situatie sprake van een “matig” tot “goed” woon- en leefklimaat. Ter plaatse van de bebouwde kom is er sprake van een “goed” tot “zeer goed” woon- en leefklimaat.

MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 41

4.5.6. Geuremissie voerkeuken Het aanmaken van droogvoer inclusief de bijbehorende opslag vindt plaats in de centrale voerkeuken aan de zuidzijde in (biggen)stal 5. Om eventuele geurhinder bij het aanmaken en opslag van het droogvoer te voorkomen, wordt deze ruimte door middel van een relatief kleine (inpandige) ventilator op onderdruk gebracht. De vuile luchtstroom wordt op deze manier afgezogen en in het centrale luchtkanaal gebracht. Vervolgens wordt deze vuile lucht, alvorens deze in de buitenlucht wordt gebracht, via de gecombineerde luchtwasser geleid en hier gereinigd. Voor eventuele geurhinder afkomstig bij het aanmaken en opslaan van het brijvoer behoeft dan ook niet te worden gevreesd. 4.5.7. Geuremissie mestopslag De vrijkomende drijfmest wordt opgeslagen in mestkelders onder de aanwezige stallen en in de mestsilo. De mestkelders zijn gelegen onder de bestaande stallen en voorzien van een emissiearm systeem of de stallucht wordt afgezogen naar de bestaande gecombineerde luchtwassers. De mestsilo (2017) is afgesloten en voorzien van een doelmatige afdekking. Gelet op voornoemde behoeft in de huidige situatie voor ontoelaatbare geuremissie afkomstig van de opslag van mest niet te worden gevreesd.

4.6

ENERGIE- EN WATERVERBUIK

Het gemiddelde energie- en waterverbruik in de bestaande situatie is als volgt: Tabel 8 Energie- en waterverbruik vergunde bedrijfsopzet

Energiedrager

Verbruik per jaar

Gas (m3) Elektriciteit (kWh) Water (m3) Dieselolie (L)

12.000 780.000 leidingwater = 1.200 grondwater = 40.000 3.500

Ten aanzien van het voer- en grondstoffen verbruik wordt verwezen naar hoofdstuk 4 van deze MER.

4.7

MEST

De vrijkomende drijfmest wordt opgeslagen in mestkelders onder de aanwezige stallen en in de mestsilo. In totaal wordt in de huidige situatie ongeveer (10.050 + 2.500 =) 15.550 m3 drijfmest opgeslagen. Het betreffen hier mestdichte kelders en een mestsilo, die voldoen aan alle regels van de BRM. De mest wordt door erkende transporteurs (via intermediairs) afgevoerd uit de inrichting en afgevoerd naar landbouwgronden elders.

MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 42

Binnen het bedrijf is er voldoende mestopslagcapaciteit aanwezig om de mest, zoals wettelijk verplicht is gesteld, minimaal 6 maanden te kunnen opslaan. De vergunde bedrijfsopzet voldoet aan het gestelde in het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet. Gelet op voornoemde voldoet de opslag van vaste varkensmest aan het gestelde in de “Oplegnotitie bij de BREF voor de intensieve pluimvee- en varkenshouderij”.

4.8

AFVALSTOFFEN EN AFVALWATER

In de vergunde bedrijfsvoering komen onderstaande afvalstoffen vrij. Tabel 9

Overzicht afvalstoffen

Afvalstoffen Kadavers Restafval Papier Kapotte lampen KGA

Hoeveelheid/jaar

Wijze van opslag

Inzamelaar

60 ton 15 m3 500 kg 25 stuks 50 kg

koeling container dozen doos chemo-box

Rendac ROVA vereniging chemo-depot chemo-depot

Al het relevante bedrijfsafvalwater dat binnen de stallen vrijkomt wordt opgevangen in de mestkelders. Het afvalwater afkomstig van de spoelplaats wordt opgevangen en afgevoerd naar een mestkelder. Het bedrijfsafvalwater wordt gelijktijdig met de mest afgevoerd en uitgereden over beschikbare landbouwgronden. Het spuiwater van de aanwezige luchtwassers wordt afzonderlijk opgevangen in afzonderlijke kelders. Dit spuiwater wordt vervolgens als meststof afgevoerd en verwerkt door een hiertoe erkende inzamelaar. Het afvalwater afkomstig van de bedrijfswoningen en sanitaire voorzieningen wordt geloosd op een reeds bestaande IBA’s. Het niet verontreinigde hemelwater afkomstig van de daken en het erf wordt ter plaatse geïnfiltreerd in de bodem. De gevolgen voor het watersysteem en de mogelijke gevolgen voor de bodem (verzuring en eutrofiering) zijn hiermee voldoende gewaarborgd.

4.9

LUCHTKWALITEIT

4.9.1 Fijn stof De emissie van fijn stof (PM10) op basis van de vergunde veebezetting (omgevingsvergunning Wabo 2015) kan op basis van de geldende emissiefactoren (2021) als volgt worden berekend.

MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 43

Tabel 11 Overzicht emissie PM10 vergunde bedrijfsopzet Stalsysteem

Fijnstofemissie

BWL / BB code

Omschrijving

Fijnstof g PM10/ dier/jaar** *

D 3.2.6.1.2

BWL 2004.08.V2

Koeldeksysteem (200% koeloppervlak) met metalen roostervloer

153

539478

196

D 1.2.13

BWL 2006.08.V1

mestpan onder kraamhok

160

31360

Kraamzeugen

160

D 1.2.13

BWL 2006.08.V1

mestpan onder kraamhok

160

25600

4

Dekberen

6

D 2.4.4

BWL 2009.12.V4

gecombineerd luchtwassysteem 85% emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser

36

216

4

4

Guste en Dragende zeugen

1170

D 1.3.12.4

BWL 2009.12.V4

gecombineerd luchtwassysteem 85% emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser

35

40950

4

4

Vleesvarkens

360

D 3.2.15.4

BWL 2009.12.V4

gecombineerd luchtwassysteem 85% emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser

31

11160

5

5

Gespeende biggen

6736

D 1.1.15.4

BWL 2009.12.V4

gecombineerd luchtwassysteem 85% emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser

15

101040

EmissieStal punt

Diercategorie

Aantal dieren

Rav. Code

1

1

Vleesvarkens

3526

2

2

Kraamzeugen

3

3

4

Fijnstof totaal

749804

De totale emissie fijn stof (PM10 bedraagt in de vergunde situatie 749.804 g/jaar. In dit hoofdstuk is de emissie en immissie van fijnstof PM10 beoordeeld. Voor PM10 geldt een grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van 40 μg/m3. Daarnaast geldt dat de 24uurgemiddelde concentratie van 50 μg/m3 niet vaker dan 35 keer (dagen) per jaar overschreden mag worden. Daarnaast geldt er vanaf 1 januari 2015 voor PM2,5 (een fractie van PM10) de grenswaarde van 25 μg/m3, gedefinieerd als jaargemiddelde concentratie. Voor de PM2,5 is verder overigens geen maximaal aantal overschrijdingsdagen vastgesteld. Voor het vaststellen van de PM2,5-factor (gram per dier/ jaar) moet er bij bronnen in de intensieve veehouderij vanuit worden gegaan dat deze 20% van de PM10-factor bedraagt. Jaargemiddelde concentratie PM10 & Overschrijdingsdagen 24-uurgemiddelde grenswaarde Zoals hiervoor beschreven geldt voor PM10 een grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie

van 40 μg/m3. Daarnaast geldt dat de 24-uurgemiddelde concentratie van 50 μg/m3 niet vaker dan 35 keer (dagen) per jaar overschreden mag worden. Ten behoeve van de vergunde bedrijfsopzet is een luchtkwaliteitsonderzoek met behulp van verspreidingsmodel ISL3a2021 uitgevoerd. Onderzocht is of in de vergund situatie op de beoordelingslocaties, voldaan kan worden aan de grenswaarden zoals deze zijn opgenomen in de Wet Luchtkwaliteit // ministeriële regeling “Beoordeling luchtkwaliteit 2007” (Rbl). In onderstaande tabel is voor de vergunde bedrijfsopzet de berekende PM10concentratie weergegeven. De volledige fijn stof berekening is als bijlage 10 toegevoegd.

MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 44

Tabel 12

Resultaten ISL3a2021 berekening

Uit de voorgaande tabel blijkt dat op alle beoordelingslocaties ruimschoots kan worden voldaan aan de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van 40 μg/m3. De maximale concentratie ter plaatse van de maatgevende woning bedraagt 16.56 μg/m3. Het aantal overschrijdingsdagen betreft 6,1. De emissie van fijn stof kan in onderhavige situatie worden aangemerkt als “niet in betekende mate”. Gelet op voornoemde wordt voldaan aan het gestelde in de Wet luchtkwaliteit en bestaat er, mede gelet op de geringe emissie en de achtergrondbelasting, geen verdere noodzaak voor een verdere toetsing en/of (cumulatieve) beoordeling. Fijnstof PM2,5 Zoals hiervoor reeds beschreven geldt er vanaf 1 januari 2015 voor PM2,5 (een kleinere fractie van PM10) de grenswaarde van 25 μg/m3, gedefinieerd als jaargemiddelde concentratie. Voor de PM2,5 is geen maximaal aantal overschrijdingsdagen vastgesteld. De berekende PM10-concentraties op de verschillende beoordelingslocaties liggen maximaal op 16.56 μg/m3. In deze PM10-concentratie zit het aandeel PM2,5-concentratie verdisconteerd. De PM2,5-concentratie is immers de kleine fractie van de berekende totale PM10-concentratie. Daarnaast is de PM2,5-factor (gram per dier/ jaar) bij agrarische bronnen slechts 20 % van de PM10-factor.

Nu de berekende totale PM10-concentratie op alle beoordelingslocaties maximaal op 16.56 μg/m3 bedraagt en de PM2,5-concentratie slechts een kleine fractie (20%) van de berekende totale PM10-concentratie is, zal de totale PM2,5-concentratie ter hoogte van de beoordelingslocaties voor de gewenste situatie ruimschoots lager dan 25 μg/m3 blijven. Daarmee wordt voldaan aan de norm voor PM2,5. 4.9.3 NO2 In de vergunde situatie vinden dagelijks, op basis van het akoestisch onderzoek uit 2012 (Omgevingsvergunning 2015), de volgende aan- en afvoerbewegingen plaats: - Vrachtwagens: 5 per dag - Tractor: 1 per dag - Personenauto 3 per dag; Aantal voertuigen per dag = 9 stuks (56% is vrachtverkeer).

MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 45

Met behulp van de NIBM-tool versie 2017 (zie onderstaande afbeelding van de uitdraai) is de NO2 emissie in de vergunde bedrijfssituatie vastgesteld. Uit deze berekening blijkt, dat de emissiebijdrage NO2 van de voertuigen per dag maximaal 0,04 µg/m3 bedraagt. De grenswaarde voor NIBM is 1,2 µg/m3. De bijdrage met betrekking tot de emissie van N02 in de gewenste situatie kan hierdoor worden bestempeld als “niet in betekende mate”. Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie

2021

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

9

Aandeel vrachtverkeer

56,0%

NO2 in μg/m3

0,04

PM10 in μg/m3

0,00

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig

Figuur 11:

Worst-case berekening (bron: NIMB-tool)

4.9.4 Overige stoffen Ten aanzien van eventuele overige stoffen / emissies, op welke de Wet luchtkwaliteit van toepassing is, kan worden gesteld, dat mag worden verwacht dat deze emissies ruimschoots voldoen aan de geldende grenswaarden.

4.10

GELUID

4.10.1 Normering Bij de revisievergunning uit 2015 is een akoestisch onderzoek gevoegd. De geluidbijdrage van de inrichting is beoordeeld volgens de systematiek van de ‘Handreiking industrielawaai’. De gemeente Raalte heeft tot op heden geen (aanvullend) geluidbeleid vastgesteld. Voor de maximale geluidniveaus zijn de grenswaarden uit de Handreiking gehanteerd. De optredende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en de maximale geluidniveaus dienen in het kader van BBT zoveel mogelijk beperkt te worden. In de navolgende tabellen zijn voor de vergunde situatie de vastgestelde waarden opgenomen.

MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 46

Tabel 10 Richtwaarden langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (bron: Akoestisch rapport 2012)

Tabel 14 Grenswaarden voor maximale geluidniveaus (bron: Akoestisch rapport 2012)

Het inrichtingsgebonden verkeer van en naar de inrichting wordt beoordeeld volgens de ‘Circulaire inzake geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de Wet milieubeheer d.d. 29 februari 1996’. Hierbij wordt uitsluitend een maximum gesteld aan de gemiddelde geluidniveaus in een etmaal. Er is in het rapport uitgegaan van de voorkeursgrenswaarde van LArt = 50 dB(A) etmaalwaarde. Uit de resulaten blijkt dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau in de representatieve vergunde bedrijfssituatie voldoen aan de gehanteerde richt- en grenswaarden uit de ‘Handreiking’. In de vigerende Omgevingsvergunning uit 2015 zijn de bovenstaande geluidswaarden opgenomen als normstelling. MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 47

4.11

ONTSLUITING

De varkenshouderij van de initiatiefnemers ligt aan de Heetenseweg. De Heetenseweg is een drukke doorgaande provinciale weg. Ter plaatse van de varkenshouderij zijn momenteel twee in- en uitritten aanwezig. Alle vervoersbewegingen kunnen in de vergunde situatie via deze beide in- en uitritten plaatsvinden. De beide in- en uitritten / ontsluiting van de varkenshouderij is hieronder visueel weergegeven.

Figuur 12/13 aanzichtfoto’s ontsluiting varkenshouderij (bron: Streetsmart)

MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 48

4.12

VOLKSGEZONDHEID

Het houden van landbouwhuisdieren kan effect hebben op de volksgezondheid in de omgeving van de veehouderij. Risico's kunnen er ook zijn voor dieren die in nabijgelegen bedrijven worden gehouden. Het gaat hierbij om zoönosen (infectieziekten die van dieren op mensen kunnen overgaan) en bacteriën die resistent zijn tegen antibiotica, zoals MRSA. Ook vormt de emissie van fijnstof een risicofactor. Fijnstof uit stallen bestaat uit fijne en grovere fracties en bevat allerlei biologische agentia, waaronder endotoxinen. Daarnaast vormt geur een indirect risico voor de volksgezondheid. Ook geluidhinder en externe veiligheid zijn aspecten die effect kunnen hebben op de volksgezondheid. Het bevoegd gezag is wettelijk verplicht om de effecten van (ruimtelijke) ontwikkelingen op de volksgezondheid in de besluitvorming mee te wegen. Deze verplichting is onder andere opgenomen in de volgende bepalingen: Wet publieke gezondheid: Het college van burgemeester en wethouders bevordert de totstandkoming en de continuïteit van en de samenhang binnen de publieke gezondheidszorg. Ter uitvoering van deze taak draagt het college van burgemeester en wethouders in ieder geval zorg voor het bewaken van gezondheidsaspecten in bestuurlijke beslissingen. Tevens kunnen maatregelen geformuleerd worden ter beïnvloeding van gezondheidsbedreigingen.

Wet milieubeheer: In deze wet en de daarop berustende bepalingen worden onder gevolgen voor het milieu in ieder geval verstaan gevolgen voor het fysieke milieu, gezien vanuit het belang van de bescherming van mensen, dieren, planten en goederen, van water, bodem en lucht en van landschappelijke, natuurwetenschappelijke en cultuurhistorische waarden en van de beheersing van het klimaat, alsmede van de relaties daartussen. Wet Ruimtelijke Ordening: waarin is bepaald dat een ontwikkeling moet voldoen aan het begrip ‘goede Ruimtelijke Ordening (RO)’. Besluit milieueffectrapportage: waarin de verplichting staat om de effecten voor de volksgezondheid als milieugevolg van een activiteit te betrekken in de besluitvorming. Omgevingsverordening Overijssel: waarin het KGO-beleid is opgenomen voor de landbouw en de duurzame ontwikkeling van bedrijven. Voorwaarden zijn hierin dat bij uitbreiding van een bouwvlak veehouders in gesprek gaan met de omgeving over zijn plannen en extra investeert in dierenwelzijn, milieu en/of ruimtelijke kwaliteit.

MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 49

Onderzoek Intensieve Veehouderij en Gezondheid (IVG) Het RIVM heeft in 2008 een rapport gepubliceerd met betrekking tot intensieve veehouderij en volksgezondheid. Strekking van het Rapport RIVM 2008: Effecten van intensieve veehouderij(mega)bedrijven op de volksgezondheid kunnen op verschillende manieren tot stand komen. Bijvoorbeeld via direct diercontact, via de lucht, via mest en via voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong. In 2009 is het onderzoek Intensieve Veehouderij en Gezondheid (IVG) gestart. In juni 2011 zijn de resultaten bekend gemaakt van dit IVG-onderzoek. Hieruit is geen duidelijke afstand tot veehouderijbedrijven gebleken en geen relatie met de omvang van veehouderijen of dierdichtheid te benoemen waarbij gezondheidseffecten bij mensen vaker optreden. Uit een publicatie van juli 2012 inzake het infectierisico van omwonenden van veehouderijen blijkt dat nog geen wetenschappelijk onderbouwde uitspraken kunnen worden gedaan, met uitzondering van Q-koorts. Voornoemde afgeronde onderzoeksrapporten beschouwde de rechter niet als ‘algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten’. De Gezondheidsraad heeft op 30 november 2012 het advies ‘Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen’ gepubliceerd. Hierin wordt gesteld dat het niet bekend is tot welke afstand omwonenden van veehouderijen verhoogde gezondheidsrisico’s lopen.

Op basis hiervan is niet op wetenschappelijke gronden één landelijke ‘veilige’ minimumafstand vast te stellen tussen veehouderijen en woningen. Er zijn wel aanwijzingen dat omwonenden kunnen worden blootgesteld aan endotoxinen. Concentraties van bepaalde stofdeeltjes, endotoxinen en microorganismen, zullen afnemen met toenemende afstand tot een bedrijf en ook afhangen van de mate van emissie vanuit een bedrijf. Ook de meteorologische omstandigheden, de lokale bebouwing en beplanting kunnen van invloed zijn. Onderzoek Veehouderij en Gezondheid van Omwonenden (VGO) In 2014 is het onderzoek ‘Veehouderij en Gezondheid van Omwonenden (VGO)’ van start gegaan. Het RIVM, Wageningen UR, IRAS en NIVEL hebben gezamenlijk dit aanvullende onderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn bekend gemaakt in juli 2016. In het VGO is onderzocht of het wonen in de buurt van veehouderijen effect kan hebben op de gezondheid van de omwonenden. Hieruit komen een aantal positieve en een aantal negatieve gezondheidseffecten naar voren. Een eenduidig antwoord is dan ook niet te geven. Aangetoond is dat mensen die rondom veehouderijen wonen minder astma en allergieën hebben. Dicht bij veehouderijen wonen minder mensen met COPD, een chronische ziekte aan de longen. Daar staat tegenover dat de mensen in deze omgeving die wel COPD hebben, daar vaker en/of ernstigere complicaties van hebben.

Verder is er een verband gevonden tussen wonen nabij veehouderijen en een verlaagde longfunctie. Dit wordt waarschijnlijk veroorzaakt door stoffen die afkomstig zijn van de veehouderij. Niet alleen dichtbij veel veehouderijen wonen zorgt voor een lagere longfunctie. De longfunctie wordt in het hele onderzoeksgebied lager op momenten dat de concentratie van ammoniak in de lucht hoog is. Deze effecten zijn vergelijkbaar met de schadelijke gezondheidseffecten van verkeer in een stad. De onderzoekers vonden dat er meer longontstekingen in het onderzoeksgebied voorkomen dan in de rest van het land; een verschil dat na de Q-koorts-epidemie van 2007-2010 wel kleiner is geworden. Er werd een verband gevonden tussen pluimveehouderijen binnen 1 kilometer afstand van de woning en een licht verhoogde kans op longontsteking.

MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 50

Het is onduidelijk of de extra longontstekingen in dit onderzoeksgebied worden veroorzaakt door specifieke ziekteverwekkers die van dieren afkomstig zijn (zoönose-verwekkers), of dat mensen gevoeliger voor longontsteking worden door de blootstelling aan stoffen die veehouderijbedrijven uitstoten, zoals fijnstof, endotoxines (onderdelen van micro-organismen) en ammoniak. In het onderzoek is ook gekeken of bepaalde zoönoseverwekkers vaker voorkomen in de omgeving van veehouderijen ten opzichte van de rest van het land. Bij het hepatitis E-virus, de bacterie Clostridium difficiele en ESBL-producerende bacteriën is dat niet het geval. Wel lijken mensen iets vaker drager te zijn van de vee-gerelateerde MRSA-bacterie. Of deze verhoging komt door uitstoot vanuit veehouderijen is nog onduidelijk. Dit zijn de belangrijkste conclusies uit het VGO-onderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd in het oostelijk deel van Noord-Brabant en in Noord-Limburg. Sommige resultaten zijn mogelijk alleen van toepassing op het onderzochte gebied. Dat komt doordat lokale kenmerken, bijvoorbeeld luchtvervuiling uit omliggende industriegebieden, van invloed zijn op de bevindingen. Rapport Emissies van Endotoxinen uit de veehouderij (fase 3a) Tegelijk met het VGO-rapport is in juli 2016 het Rapport Emissies van endotoxinen uit de veehouderij (fase 3a) bekend gemaakt.

Dit rapport beschrijft het resultaat van metingen aan de emissies van endotoxinen uit de veehouderij. In stof worden van micro-organismen afkomstige endotoxinen gevonden. Endotoxinen zijn dode celwand-deeltjes van bacteriën die geen pathogene eigenschappen meer hebben. Wel kunnen endotoxinen na inademing tot gezondheidsklachten leiden. Endotoxine komt niet alleen in het fijnstof voor. Ook in de fractie 10-100 micrometer komen endotoxinen voor. Dit is relevant omdat een eigenschap van de grotere deeltjes is dat ze over het algemeen minder ver komen via de lucht en ook minder diep in de luchtwegen dringen. Meer onderzoek is nodig om de invloed van deze eigenschappen bij endotoxinen te bepalen. De Gezondheidsraad beveelt t.a.v. de endotoxinen-blootstelling een adviesgrenswaarde van 30 EU/m3 aan. Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies). Op 16 juni 2017 is het rapport ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies)’ bekend gemaakt. In dit rapport worden de resultaten uit het rapport ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden’ van juli 2016 bevestigd. Daarnaast wordt in het rapport ingegaan op de effecten van geitenhouderijen. Uit aanvullende studies volgen sterke aanwijzingen dat fijnstof en componenten ervan mensen gevoeliger maken voor luchtweginfecties.

Het onderzoek bevestigt ook de eerdere conclusie dat mensen met COPD, die in de buurt van veehouderijen wonen, vaker en ernstiger klachten hebben dan mensen die op grotere afstand van veehouderijen wonen. Daar staat tegenover dat wonen in de buurt van een veehouderij het immuunsysteem versterkt en de kans krijgen van onder andere astma en COPD juist kleiner is. Uit luchtmetingen in de woonomgeving blijkt dat de concentratie endotoxinen in de lucht toeneemt naarmate de afstand tot een veehouderij kleiner wordt of het aantal veehouderijen in een gebied (de dichtheid) groter wordt.

MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 51

ILVO-onderzoek Uit onderzoek van het Belgisch Instituut Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek (ILVO) in het voorjaar van 2017 blijkt dat een groot deel van de in het Nederlandse VGO-onderzoek aangehaalde risico’s niet relevant zijn, gebrek aan wetenschappelijke basis hebben en niet specifiek zijn voor omwonenden van veehouderijen. Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het veerijke WestVlaanderen. Het Nederlandse VGO-onderzoek kan volgens de Belgische onderzoekers niet claimen of suggereren dat veehouderijen een negatief gezondheidseffect hebben op omwonenden. Bijkomend onderzoek is dan ook nodig. Zo moet worden nagegaan of er een effect is van de gecombineerde emissies uit veehouderij, de transportsector en andere industriële sectoren. Op het eerste gezicht lijkt de impact van wonen nabij een stal op de gezondheid beperkt, maar er zijn nog een aantal vraagtekens die beantwoord moeten worden. In haar rapport stelt ILVO dat uit de stallen zowel primair fijn stof als ammoniak ontsnapt. Ammoniak op zich vormt geen bewezen gezondheidsrisico, maar in de buitenlucht, ver weg van de stallen, kan het zich binden aan andere vervuilende stoffen zoals roet. Wat ontstaat, is secundair fijn stof dat voor iedereen, niet enkel voor de omwonenden van veestallen, schadelijk kan zijn.

Om de gevolgen van deze combinatie van fijn stof en ammoniak, evenals het aandeel van de landbouwsector in de uitstoot van fijn stof beter in kaart te brengen, is naar de mening van de ILVO-onderzoekers verder onderzoek nodig. Niet omdat er een mogelijk risico bestaat, maar om uitsluitsel te geven en duidelijkheid te brengen in de discussie die er nu bestaat. In het Nederlandse volksgezondheidsonderzoek (VGO) wordt het verhoogde aantal longontstekingen in regio’s met intensieve veehouderij gelinkt aan verhoogde concentraties endotoxines. Maar volgens ILVO is het onwaarschijnlijk dat zuivere endotoxines de oorzaak zijn. De gebruikte grenswaarde is gebaseerd op endotoxines gehecht aan fijn stof, terwijl ze in stallen voornamelijk hechten aan grovere stoffracties. En dat grover stof dringt slechts binnen in de bovenste luchtwegen, niet in de lagere. Bovendien tonen recente studies, waaronder VGO, aan dat endotoxines bij omwonenden ook positieve effecten kunnen hebben in de bovenste luchtwegen, zoals een beschermend effect tegen astma en allergieën. Omdat duidelijkheid ontbreekt, is het volgens ILVO momenteel wetenschappelijk onmogelijk om een veiligheidsnorm voor omwonenden te definiëren en te hanteren. Ook hier is verder onderzoek nodig, ook met aandacht voor de mogelijke positieve effecten van endotoxines.

ILVO bestudeerde ook het risico op verspreiding van bacteriën, virussen, schimmels en parasieten die aanwezig kunnen zijn bij vee, en de effecten van geneesmiddelengebruik in de stallen in de ontwikkeling van resistentie. Het is echter weinig waarschijnlijk dat deze pathogenen zich verspreiden via de lucht, maar blootstelling via de ruimere leefomgeving zoals mest en water. Via voeding is het wel mogelijk. Denk aan besmettingen met Salmonella, Campylobacter, E. coli, Hepatitis E, antibioticaresistente bacteriën en azoleresistente schimmels. Het risico beperkt zich hier dus niet tot de omwonenden, maar breidt zich uit tot de algemene volksgezondheid.

MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 52

Vervolgonderzoeken en vervolgadvies Gezondheidsraad (2018) De Gezondheidsraad geeft aan dat het nog steeds niet duidelijk is of er sprake is van een oorzakelijk verband tussen longproblemen en veehouderijen. Daarvoor is het aantal kwalitatief goede onderzoeken zowel in Nederland als in het buitenland te beperkt. Hoewel niet kan worden vastgesteld wat de luchtwegeffecten rond veehouderijen veroorzaakt, is het volgens de Gezondheidsraad wel zinvol maatregelen te treffen en adviseert dan ook verdere reductie van de uitstoot van fijnstof. In de lucht rond veehouderijen zit veel fijnstof en uit onderzoek in stedelijke omgevingen blijkt dat fijnstof waarschijnlijk effecten veroorzaakt op luchtwegen en longen. Reductie van fijnstof bevordert dus de volksgezondheid als geheel. Ook adviseert de raad om de uitstoot van ammoniak verder te verminderen, omdat ammoniak bijdraagt aan de vorming van fijnstof. Op 14 februari 2018 heeft de Gezondheidsraad zijn advies ‘Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen: vervolgadvies’ gepresenteerd aan de tweede kamer (Kamerstuk 28, 973, nr. 197). De Gezondheidsraad constateert dat er aanwijzingen zijn dat de veehouderij via de emissies van fijnstof en ammoniak specifieke gezondheidsrisico’s voor omwonenden met zich meebrengt. Deze aanwijzingen zijn door de resultaten van het VGO-onderzoek en andere nieuwe kennis duidelijker geworden.

De Gezondheidsraad benadrukt dat de bewijskracht voor causaliteit tekort schiet. Ten aanzien van endotoxinen zijn meer metingen en betere berekeningen nodig. Dit moet uiteindelijk leiden tot een beoordelingsinstrumentarium. Te zijner tijd zal worden bezien op welke wijze dit beoordelingsinstrumentarium en de normstelling voor endotoxinen zullen worden verwerkt in de AMvB’s onder de Omgevingswet. Notitie handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid Het bestuurlijk Platform Omgevingsrecht (BPO) heeft een Notitie handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid opgesteld (25 november 2016). Deze notitie bevat als hulpmiddel voor bevoegde gezagen een systematiek om de endotoxineblootstelling van omwonenden van veehouderijen te beoordelen en helpt bevoegde gezagen om vergunningaanvragen te toetsen aan de adviesgrenswaarde van 30 EU/m3 endotoxinen. Hiervoor is voor legkippen, slachtkuikens en vleesvarkens een grafiek opgesteld waarbij de fijnstofemissie in kg/jaar is gerelateerd aan een minimale afstand in meters. Daar waar de minimale afstand tussen het dichtstbijgelegen emissiepunt en een woning kleiner is dan de adviesafstand, kan op basis van huidige kennis en inzichten gesteld worden dat risico’s voor de gezondheid niet uit te sluiten zijn. Bij het toepassen van dit ‘endotoxinen-toetsingskader’ word uitgegaan van een worstcase-benadering.

Voor fokzeugen is geen grafiek beschikbaar, maar fokzeugen veroorzaken minder fijnstof dan vleesvarkens. Het bepalen van een minimumafstand op basis van de fijnstof-emissie van vleesvarkens resulteert dus in een worstcasebenadering voor het onderhavige bedrijf. Ook het geheel toekennen van de totale fijnstof-emissie aan het dichtstbijgelegen emissiepunt betreft geen realistische weergave van de werkelijke situatie, aangezien het emissiegewogenzwaartepunt van de fijnstofemissies op veel grotere afstand van de omliggende woningen ligt dan de adviesafstand die volgt uit de grafiek. Tot slot wordt in deze benadering geen rekening gehouden met de mate van verspreiding van fijnstof-endotoxinen in de buitenlucht (emissiepuntparameters zoals hoogte, diameter en uittredesnelheid beïnvloeden de verspreiding van de ventilatielucht en geëmitteerde stoffen en daarmee dus ook de endotoxine-concentratie ter plaatse van omliggende woningen).

MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 53

Grafiek fijnstof emissie PM10 versus minimale afstand tot woningen (vleesvarkens) (Notitie handelings-perspectieven Veehouderij en Volksgezondheid, BPO)

In de vergunde situatie bedraagt de emissie van fijn stof PM10 in totaal 749,8 kg.

In de huidige situatie bedraagt de afstand tussen het dichtstbijgelegen emissiepunt van de varkenshouderij (stal 4 / guste & dragende zeugen en de woning Heetenseweg 9b ongeveer 178 meter. De minimale adviesafstand tot woningen bedraagt in de referentiesituatie 166 meter. Alle woningen bevinden zich in de huidige / vergunde situatie op meer dan 166 meter van de verschillende emissiepunten.

MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 54

5.

RUIMTELIJK ASPECTEN & BOUWPLAN

5.1

RUIMTELIJK BELEID

5.1.1

RIJKSBELEID

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De NOVI bevat de hoofdzaken van het beleid voor de fysieke leefomgeving. Uit de Omgevingswet volgt dat al het strategische beleid uit de bestaande beleidsdocumenten1 , met en zonder wettelijke grondslag, én het nieuwe strategische beleid op het beleidsterrein van de fysieke leefomgeving worden opgenomen in de NOVI. Het gaat om het strategisch beleid, omdat de NOVI een visie is en de hoofdzaken bevat van het beleid voor de fysieke leefomgeving (artikel 3.2 Omgevingswet). De Memorie van Toelichting (MvT) bij de Omgevingswet2 verwijst naar zogenoemde strategische delen: ‘Het instrument (omgevingsvisie, red.) komt in de plaats van gebiedsdekkende structuurvisies, de relevante delen van de natuurvisie, verkeers- en vervoerplannen, strategische gedeelten van nationale en provinciale waterplannen en milieubeleidsplannen’. Het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4, 2001) en de Rijksnatuurvisie 2014 gaan op in en worden vervangen door de NOVI en het bijbehorende Nationaal Milieubeleidskader. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervalt geheel, behalve paragraaf 4.9 Caribisch Nederland en Caribische Exclusieve Economische Zone. De NOVI geldt verder als wijziging van enkele onderdelen van het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP) op grond van de Waterwet.

Na de vaststelling van de NOVI staan belangrijke beleidsbeslissingen, beleidskeuzes en uitgangspunten niet alleen in de NOVI, maar soms ook nog in bestaande beleidsdocumenten. In veel gevallen zullen alleen de hoofdlijnen van bestaand strategisch beleid in de NOVI zijn opgenomen. De concretisering en uitwerking daarvan, ofwel het niet-strategische beleid, staat nog steeds in het bestaande beleidsdocument. Als voorbeeld kan worden gewezen op de uitwerking van het hiervoor al genoemde Nationaal Milieubleidsplan. Al deze bestaande beleidsdocumenten (met en zonder wettelijke grondslag) blijven gelden na inwerkingtreding van de Omgevingswet10, en het Rijk blijft daaraan nog steeds gebonden. Met het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning buitenplanse afwijking, zijn geen nationale belangen in het geding. De NOVI vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde bedrijfsontwikkeling. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Rijk legt met het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), de nationale ruimtelijke belangen juridisch vast. Enerzijds betreft het de belangen die reeds in de (ontwerp-) AMvB Ruimte uit 2009 waren opgenomen en anderzijds is het Barro aangevuld met onderwerpen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Het besluit is op d.d. 30 december ‘11 in werking getreden.

Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 55

rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken. Ter bescherming van deze belangen zijn reserveringsgebieden, begrenzingen en vrijwaringszones opgenomen. In het besluit is aangegeven op welke wijze bestemmingsplannen voor deze gebieden moeten zijn ingericht. Indien geldende bestemmingsplannen niet voldoen aan het Barro dan moeten deze binnen drie jaar na inwerkingtreding van het besluit zijn aangepast. Bij besluit van d.d. 28 augustus ‘12 (inwerking getreden op d.d. 1 oktober ‘12) is het Barro aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen hoofdinfrastructuur (reserveringen voor hoofdwegen en landelijke spoorwegen en vrijwaring rond Rijksvaarwegen), de elektriciteitsvoorziening, het regime van de herijkte ecologische hoofdstructuur en waterveiligheid (bescherming van primaire waterkeringen en bouwbeperkingen in het IJsselmeergebied). Het Barro doet geen specifieke uitspraken over zaken die in onderhavig plan worden geregeld en vormt daarmee geen belemmering. De ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking (verder: 'de Ladder') is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.

De uitgangspunten hierbij zijn dat de ontwikkeling voorziet in een behoefte, en dat de ontwikkeling in eerste instantie in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Artikel 3.6 lid twee Bro omschrijft de ladder als volgt: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien". Voor de Ladder is dus een onderzoek nodig die uit twee stappen bestaat: 1. Is sprake van een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’?; 2. Als hier sprake van is, dan moet motivering plaats vinden volgens de Ladder: Vind de ontwikkeling plaats binnen het bestaand stedelijk gebied die in die behoefte kan worden voorzien? De toepassing van de Ladder is medebepaald door uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS). De ABRS heeft in een 'overzichtsuitspraak' op d.d. 28 juni ‘17 op een rij gezet hoe de Ladder gebruikt moet worden. Hiermee wordt houvast geboden aan de rechtspraktijk. Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen 'bestaand stedelijk gebied' en 'stedelijke ontwikkeling'.

In de Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor: •

bestaand stedelijk gebied: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'.

•

stedelijke ontwikkeling: ´ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 56

De laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Artikel 1.1.1 Bro definieert een stedelijke ontwikkeling als “een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen”. De beoogde uitbreiding/oprichting van stalruimte & agrarische gebouwen wordt niet aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Omdat er bij onderhavig plan geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, is een motivering van het plan volgens de Ladder niet nodig. De duurzaamheidsladder uit artikel 3.1.6 lid 2 van het Bro vormt om die reden dan ook geen belemmering voor het verlenen van een buitenplanse afwijking. 5.1.2 PROVINCIAAL BELEID Het provinciaal beleid is verwoord in een aantal plannen. Het belangrijkste plan betreft de Omgevingsvisie Overijssel, welke is verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel. Omgevingsvisie Overijssel De Omgevingsvisie is een integrale visie waarin de beleidsambities en doelstellingen staan die van provinciaalbelang zijn voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Overijssel. Het uitgangspunt is gericht op het jaar 2030. De visie biedt kaders in de vorm van ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving.

Daarbinnen krijgen gemeenten, waterschappen, maatschappelijke organisaties en andere initiatiefnemers mogelijkheden om ruimtelijke ontwikkelingen te realiseren. De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn verwerkt in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. Deze beleidsthema's worden benaderd vanuit de overkoepelende rode draden duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit. Duurzame ontwikkeling voorziet in de behoefte van de huidige generatie, zonder voor toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien. Ruimtelijke kwaliteit is datgene wat de ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is. Ruimtelijke kwaliteit gaan vooral over 'goed': mooi, functioneel en toekomstbestendig. Sociale kwaliteit gaat over het welzijn of 'goed voelen' van de mens. In de omgevingsvisie gaat het over het welzijn van de mens in relatie tot de fysieke leefomgeving. Omgevingsverordening Overijssel De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria.

In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel.

MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 57

De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Voor een toelichting op het gestelde in de Omgevingsverordening Overijssel wordt verwezen naar de bijlage “relevante wet- en regelgeving (bijlage 11). Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: 1. generieke beleidskeuzes; 2. ontwikkelingsperspectieven; 3. gebiedskenmerken. Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht. Generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een maatschappelijke opgave. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen.

Andere generieke beleidskeuzes betreffen het voorkomen van overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantoorlocaties. Ook wordt in deze fase de zgn. Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking gehanteerd. Deze Overijsselse ladder geeft een nadere invulling aan de vraag hoe de behoefte moet worden bepaald, zowel in de stedelijke als in de groene omgeving, en op welke wijze de regionale afstemming vorm gegeven moet worden. Integraliteit, toekomstbestendigheid, concentratiebeleid, (boven)regionale afstemming en zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik zijn beleidskeuzes die invulling geven aan de Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking. Voor specifieke gebieden in Overijssel geldt dat niet alle initiatieven mogelijk zijn. Dit heeft te maken met zwaarwegende publieke belangen, gebiedspecifieke beleidskeuzes om de zwaarwegende publieke belangen te borgen, zijn: reservering voor waterveiligheid en beperking wateroverlast, drinkwater/grondwaterbeschermingsgebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur / EHS), de Nationale Landschappen en het provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen. Op grond van de kaart “gebiedsspecifieke beleidskeuzes (Of) is aangeven dat op de locatie Heetenseweg 9a het niet wenselijk is om ter plaatse productiewater uit de olie- en gaswinning op te slaan of te injecteren.

Voornoemde is onderhavige projectsituatie ook niet wenselijk.

MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 58

Figuur 14: Kaart Gebiedsspecifieke beleidskeuzes Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)

Waar - Ontwikkelingsperspectieven Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities. De ontwikkelperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend en bieden de nodige flexibiliteit voor de toekomst. Op grond van de kaart “Ontwikkelingsperspectieven (Waar) is op de projectlocatie Heetenseweg 9a geen aanduiding opgenomen. Hoe - Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt.

Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden. Figuur 15 geeft dit schematisch weer.

MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 59

Figuur 15: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)

Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld. De ontwikkeling vindt plaats aan de Heetenseweg 9a te Heeten. Generieke beleidskeuzes Bij de afwegingen in de eerste fase “generieke beleidskeuzes” zijn met name de artikelen 2.1.3 (lid 2), 2.1.5 (leden 1, 2, 3 en 5), 2.1.6 (lid 1), 2.1.7 (leden 1 en 5) en 2.6.4 van belang. Op de betreffende artikelen wordt hierna nader ingegaan. Artikel 2.1.3 Principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik (lid 2) Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving voorzien uitsluitend in ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen anders dan de uitleg van steden en dorpenwanneer aannemelijk is gemaakt: • dat (her)benutting van bestaande erven en/of bebouwing in de Groene Omgeving in redelijkheid niet mogelijk is; • dat mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut. Voorliggend plan voorziet onder andere in het uitbreiden van de bouwmogelijkheden ten behoeve van een varkenshouderij. Hierbij wordt de bebouwde ruimte / bouwvlak vergroot van ruim 2 hectare naar ongeveer 3,5 hectare. Hiermee wordt voorzien in een extra ruimtebeslag door het bouwen en verharden in de Groene Omgeving. De huidige bebouwingsmogelijkheden bieden onvoldoende ruimte om in de gewenste uitbreiding te voorzien.

Er is in de nabijheid van het agrarisch bedrijfsperceel geen alternatief bestaand bedrijfsperceel aanwezig waar de gewenste uitbreiding van de varkenshouderij gerealiseerd kan worden. Het is bovendien vanuit (kosten)efficiëntie en een doelmatige bedrijfsvoering niet wenselijk om de beoogde stalruimte elders te realiseren in verband met de doelstelling om een duurzaam gesloten varkensbedrijf te realiseren. Uitbreiding van de bestaande bedrijfslocatie is dan ook de enige reële mogelijkheid.

MER – varkenshouderij ----- Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 60

De bedrijfsomvang kan hierbij zo beperkt mogelijk blijven, aangezien er sprake is van geclusterde bebouwing en het erf zo optimaal mogelijk wordt ingericht. Gelet op voornoemde is het niet mogelijk de gewenste uitbreiding van de bouwmogelijkheden op bestaande erven en/of in bestaande bebouwing te realiseren. Bovendien wordt er, gelet op het advies van Het Oversticht (25 maart 2020 / bijlage 12), de beoogde uitbreiding c.q. het extra ruimtebeslag in ruime mate gecompenseerd. Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling voldoet aan artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening Overijssel. Artikel 2.1.5 Ruimtelijke kwaliteit (leden 1, 2, 3 en 5) Lid 1. In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken. Lid 2. In het kader van toelichting als bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan het Uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering) die in de Omgevingsvisie Overijssel is neergelegd. Lid 3. In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief dat in de Omgevingsvisie Overijssel voor het gebied is neergelegd. Lid 5.

In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan de vier-lagenbenadering die onderdeel uitmaakt van het Uitvoeringsmodel en op welke wijze de Catalogus Gebiedskenmerken is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. Gelet op het advies van Het Oversticht (d.d. 25 maart 2020 / bijlage 12) wordt de beoogde uitbreiding c.q. het extra ruimtebeslag in ruime mate gecompenseerd. Naast de basisinspanning vindt er tevens een extra kwaliteitsimpuls in het kader van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving plaats. Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de beoogde uitbreiding in overeenstemming is met artikel 2.1.5, lid 1, 2, 3 en 5. Artikel 2.1.6 Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (lid 1) Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving kunnen – met in achtneming van het bepaalde in artikel 2.1.3 en artikel 2.1.4 en het bepaalde in artikel 2.1.5 – voorzien in nieuwvestiging en grootschalige uitbreidingen van bestaande functies in de Groene Omgeving, uitsluitend indien hier sociaaleconomischer en/of maatschappelijke redenen voor zijn én er is aangetoond dat het verlies aan ecologische en/of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Raalte&id=8db81992-5fd0-4d5e-bc67-ba46eb8505ac