CConstaterende datRaalte
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage VII - Omgevingsvisie .Overijssel voor en met elkaar. met wijzigingen gemarkeerd

Informatievoorziening raad 19 maart 2026, gemeente RaalteBij agendapunt: Ontwerp Omgevingsvisie- en verordening provincie Overijssel37.709 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Daardoor willen we ook de bredewelvaartsverschillen tussen regio’s tegengaan. Dit sluit aan op de resultaten uit het rapport ‘Elke regio telt’ van de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur, de Raad voor het Openbaar Bestuur en de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving. We willen compacte aantrekkelijke steden en dorpen met de groene omgeving dichtbij, zodat mensen snel kunnen genieten van rust en ruimte. Dat draagt bij aan het woon- en werkgenot en de gezondheid van inwoners. De randen van de steden en dorpen worden ingericht als poort van de stad of het dorp en vormen een natuurlijke schakel tussen

75

het bebouwde gebied en de groene omgeving. De randen zijn geschikt voor meerdere functies, waarbij moet worden voorkomen dat er verrommeling ontstaat of een te grote verdichting. Bij functieverandering in deze randen moet een zorgvuldige integrale afweging worden gemaakt. Ook brengen we water en natuur meer binnen de bebouwde omgeving, om zo een gezondere leefomgeving te creëren en de biodiversiteit te verbeteren. De steden zijn een belangrijke schakel voor de verbinding met de rest van Nederland en daarbuiten. Zeker met het openbaar vervoer, maar ook weg en water spelen een cruciale rol in de verbinding met de rest van Nederland en daarbuiten. In de steden ontstaat de opgave om dit in samenhang vorm te geven en daarbij aandacht te hebben voor de opgaven die dit met zich meebrengt op andere verstedelijkingsthema’s. Voor deze omvangrijke en samenhangende opgave hanteren we bewust de term ‘verstedelijking’. Dit duidt de samenhang tussen en diversiteit van de opgaven in het bebouwde gebied. Verstedelijking gaat om méér dan ‘slechts’ woningbouw, economie en bereikbaarheid. Het gaat om een levendige, leefbare en bruisende plek voor iedere bewoner. Dat vraagt ook aandacht voor voldoende ruimte voor groen, biodiversiteit, water en klimaatverandering, ontspanning, veilige openbare ruimte, ontmoeting, recreatie en voorzieningen (onderwijs, zorg, sport, cultuur, infrastructuur, etc.).

Een DSS functioneert niet alleen door de steden. Stad en land functioneren in een DSS juist in een innig verband. De samenhang met de omliggende kernen en de groene omgeving is erg belangrijk. Iedere kern heeft daarbinnen zijn eigen rol en opgave. Voor iedere regio hebben of maken we een eigen verstedelijkingsstrategie die past bij de unieke eigenschappen van die regio. Binnen die regio blijven we op gebied van verstedelijking langjarig samenwerken met de gemeenten, waterschappen en het Rijk om deze maatwerkaanpak mogelijk te

maken. Zo krijgt iedere regio en iedere stad of dorp in de regio een bij de regio passende positie. Mensen bewegen zich voor de dagelijkse bezigheden door het hele Dagelijkse Stedelijke Systeem. Voor woon-werkverkeer, familiebezoek, gebruik van voorzieningen, ondernemen of recreatie en ontspanning. Dat maakt ook de onderlinge verbindingen binnen een DSS zo belangrijk. Bereikbaarheid van iedere kern, passend bij de aard van de kern moet daarom ook op orde zijn. Om dit optimaal te laten functioneren werken we aan een mobiliteitstransitie waarin minder, anders en schoner leidraad zijn. Zowel bij woningbouw- als bedrijvigheidontwikkeling is zuinig, zorgvuldig en meervoudig ruimtegebruik een belangrijk uitgangspunt. Dit betekent dat we steviger voorwaarden stellen aan stedenbouw, uitgaan van hoger bouwen en slimmer ruimtegebruik. Uiteraard met oog voor het belang van groene ruimte en ruimte voor ontspanning in het bestaande bebouwde gebied. Dit doen we ook in de ‘verstedelijkingsaanpak’ waar we alle opgaven in bebouwd gebied in samenhang brengen. Voor bedrijvigheid willen we dat bedrijven zich vestigen in clusters met een profiel, bijvoorbeeld op Topwerklocaties of locaties rond innovatieve thema’s. Of clusters van bedrijven met hogere milieucategorieën.

We zetten in op behoud van bedrijventerreinen met hogere milieucategorieën (3, 4 en 5), omdat dit type bedrijventerrein nodig is voor ruimte voor de transitie naar een circulaire economie en energietransitie. Grootschalige bedrijvigheid clusteren we op plekken met ruimte en goede aansluitingen voor overslag (weg, water en spoor). Voor overige kernen geldt dat zij alleen voorzien in hun behoefte aan bedrijventerrein op basis van de geldende programmeringsafspraken. Voor de drie DSS-regio’s stellen we

76

Ruimtelijk Economische Bouwstenen op, die een helder economisch profiel geven voor de DSS-regio tot aan 2040 en input vormen voor ruimtelijk-economische afwegingen binnen de programmering van bedrijventerreinen, verstedelijkingsstrategieën en de aanpak van de groene omgeving. Op het gebied van de mobiliteitstransitie bouwen we voort op onze sterke netwerken zoals weg, water en spoor, waarbij we aandacht hebben voor snelheid, veiligheid en doorstroming voor de bereikbaarheid van, naar en binnen onze provincie. Voor het grote belang van de bereikbaarheid in de hele provincie, streven we voor iedere kern naar een passende vorm van (publieke) bereikbaarheid. De steden zijn vervolgens de poort en verbinding naar de rest van het land en daarbuiten. De belangrijke corridors die de onderlinge verbinding vormen tussen de drie DSS-regio's zijn van cruciaal belang om deze schakel te kunnen zijn tussen regionaal en nationaal vervoer. Een uitdaging in zowel het bebouwde gebied als de groene omgeving is het tegengaan van ondermijning. In Overijssel is sprake van een toenemende aanwezigheid van criminele netwerken die zich bezighouden met ondermijnende activiteiten. Deze ontwikkeling vormt een bedreiging voor de veiligheid, leefbaarheid en rechtsorde. Wij willen een veilige leefomgeving voor al onze inwoners en ondernemers en daarom werken we aan het voorkomen en bestrijden van ondermijning.

In samenwerking met partners en uitvoering van plannen heeft dat onze nadrukkelijke aandacht. Tot slot kennen we drie Cultuurregio’s die samenvallen en verweven zijn met de DSS-regio’s. Elke Cultuurregio heeft een eigen profiel, waarin de ambities staan voor het cultuurbeleid in die regio.

3.5. Voortbouwen op onze bestaande sterke netwerken We willen voortbouwen op onze bestaande en sterke netwerken; nieuwe ontwikkelingen moeten hierop aansluiten. Op verschillende gebieden is onze provincie voorzien van een sterk netwerk. Of het nu gaat over mobiliteit, natuur, landbouw, water- en bodemsysteem, energie, of sterke sociale structuren zoals noaberschap, of de samenwerking die diepgeworteld zit in ons midden- en kleinbedrijf. Deze sterke netwerken bieden een goede basis om ontwikkelingen aan te koppelen. We willen deze netwerken blijvend hun functie laten vervullen, zodat zij bestand zijn tegen ontwikkelingen in de toekomst en de impact die dat op een netwerk heeft. Denk aan de toename van de verstedelijking, nieuwe vormen van mobiliteit, veranderingen in ons energiegebruik en –opwek of de gevolgen van de voortgaande klimaatverandering. Een sterk netwerk heeft flexibiliteit en veiligheid om mee te bewegen op verandering in de omgeving. Netwerken vertakken zich door de hele provincie. Een goed functionerend netwerk is daarmee een krachtig middel om bij te dragen aan de balans die we in de provincie hebben en willen houden. Dit netwerk fungeert namelijk als verbinding tussen bijvoorbeeld het bebouwde gebied en de groene omgeving, producent en afnemer, ondernemer en klant, flora en fauna, Overijssel met de rest van het

77

land en daarbuiten, en zeker zo belangrijk: als verbinder tussen onze inwoners. Door voort te bouwen op deze sterke netwerken zorgen we dat ontwikkelingen optimaal profiteren van deze netwerken én dat netwerken onderling elkaar versterken. Voorbeelden van dit principe zijn: • Liever ontwikkelen van wonen en werken op goed (ov-) bereikbare plekken dan het realiseren van grootschalige nieuwe infrastructuur. We blijven ons basis-ov-netwerk in de hele provincie waar mogelijk versterken. • Bestaande infrastructuur flexibel en weerbaar houden. • Werken ontwikkelen in nabijheid van werknemers. • Een krachtige landbouwsector als drager van een leefbaar platteland/ plattelandskracht. • Energie-opwek nabij energienetwerk en energievraag nabij opwek. • Natuurnetwerken beschermen, ontwikkelen en verbinden. • Samenwerking als basis voor regionale ontwikkeling. • Netwerken beschermen tegen ontwikkelingen die bestaande netwerken juist verzwakken.

3.6. De Redeneerlijn: toepassen van de Leidende Principes Onze Leidende Principes maken duidelijk hoe wij, vanuit ons provinciaal belang, ruimtelijke keuzes en afwegingen maken over functieveranderingen. Voor het structureren van deze keuzes en afwegingen maken we gebruik van de Redeneerlijn. De Redeneerlijn maakt, aan de hand van onze Leidende Principes, duidelijk hoe we belangen en functies bij nieuwe ontwikkelingen - die soms om dezelfde ruimte vragen – in samenhang afwegen en hoe we prioriteren wanneer zij elkaar raken. De Redeneerlijn is een instrument om provinciale belangen te betrekken bij afwegingen om tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te komen. In deze Omgevingsvisie en in onze Omgevingsverordening hebben we vastgelegd wat we van provinciaal belang vinden en waarom. Zorgvuldige gebiedsontwikkeling vraagt om een brede afweging die gaan over de vragen ‘OF’ een functie ontwikkeld wordt, ‘WAAR’ dat dat gebeurt en ‘HOE’ dat het beste kan. De Redeneerlijn is binnen dit proces een instrument dat gaat over locatiekeuze (WAAR). Het gaat daarmee dus niet over de vraag of een ruimteclaim terecht is (OF) en ook niet over de ruimtelijke inpassing in een gebied (HOE) – zie hiervoor ook de inleiding van dit hoofdstuk en bijlage 3. De Redeneerlijn laat ruimte voor lokale bestuurlijke afwegingen.

We geven vanuit onze Leidende Principes richting en prioriteit aan. Maar we stellen niet op voorhand op kaart vast waar welke nieuwe functies wel of niet plaats kunnen vinden. Dit biedt ruimte voor maatwerk en flexibiliteit. De Redeneerlijn is verwerkt in onze Omgevingsverordening. Hiermee borgen we dat bij lokale afwegingen over het toedelen van functies aan locaties, het provinciaal belang wordt meegenomen. Het is van provinciaal belang dat in deze afwegingen niet alleen de Leidende

78

Principes worden meegenomen, maar ook de priortering die we daarin aanbrengen met de Redeneerlijn. De regeling in de Omgevingsverordening houdt in dat gemeenten bij functieveranderingen – in verhouding tot de schaal van de ontwikkeling – in de onderbouwing van de locatiekeuze laten zien hoe daarbij de Redeneerlijn is toegepast. En dat rekening is gehouden met de prioritering die vanuit ons provinciaal belang van toepassing is. Aan grote locatiekeuzes, zoals die voor grootschalige nieuwbouwlocaties voor wonen of werken, gaat meestal een visievormend traject vooraf. Bijvoorbeeld een verstedelijkingsstrategie. Wij gaan er vanuit dat bij die visievormende trajecten ook de provinciale Redeneerlijn wordt betrokken. Als de provincie in dat visievormende traject heeft ingestemd met de locatiekeuze, dan staat die bij de verdere uitwerking in omgevingsplannen niet meer ter discussie. De onderbouwing voor de locatiekeuze heeft immers al plaatsgevonden in dat visievormende traject. De Redeneerlijn wordt dan alleen nog toegepast op de afwegingen die bij de verdere uitwerking van de locatiekeuze aan de orde zijn en die nog niet in dat visievormende traject aan bod zijn gekomen. Werking van de Redeneerlijn Het vertrekpunt bij de toepassing van de Redeneerlijn is de bestaande situatie - de bestaande functies en waarden - van het gebied waar een functieverandering gaat plaatsvinden.

Met behulp van de Redeneerlijn wordt beoordeeld of de nieuwe functie passend is op die locatie en of deze functie niet andere ontwikkelingen in de weg gaat zitten die vanuit provinciale belangen meer gewenst zijn op deze plek. De Redeneerlijn gaat uit van een ja, mits-benadering. Dat betekent dat we op zoek gaan naar de beste locatie voor gewenste ontwikkelingen. De Redeneerlijn heeft tot doel om op basis van integrale afwegingen te

komen tot het toedelen van functies aan locaties die het meest recht doen aan onze provinciale belangen. Bij het afwegen of een ontwikkeling of een initiatief passend is op een locatie, wordt de hele Redeneerlijn doorlopen. In de Redeneerlijn maken we onderscheid in de mate van afweegruimte. Hoger in de Redeneerlijn is er minder lokale afweegruimte. Hier sturen (Europese, landelijke) wettelijk bepalingen of ons provinciale beleid in deze Omgevingsvisie en onze Omgevingsverordening meer. Lager in de Redeneerlijn is meer ruimte voor lokale afweging en invulling. Uitgangspunt is dat per horizontale balk van de Redeneerlijn (zie de afbeelding hiernaast) een afweging wordt gemaakt. Hierbij wordt beoordeeld of een functie een belemmering vormt voor (instandhouding of ontwikkeling van) een te beschermen kwetsbare plek en of wordt bijgedragen aan een toekomstbestendig en klimaatrobuust Overijssel. In deze paragraaf volgt per horizontale balk in de Redeneerlijn een korte toelichting.

Afbeelding: de Redeneerlijn op basis van de vier Leidende Principes

79

(Wettelijke) beschermde gebieden Als eerste stap wordt gekeken welke juridisch verankerde bescherming er op een locatie rust. Bescherming uit bijvoorbeeld wettelijke bepalingen, Europese richtlijnen of zaken die we in onze eigen Omgevingsverordening juridische bescherming hebben willen of moeten geven. Dit gaat bijvoorbeeld om drinkwaterwingebieden, Natura 2000gebieden of beschermde stad- en dorpsgezichten. Nieuwe ontwikkelingen mogen hiermee niet in strijd zijn. Functies die goed samengaan met de wettelijk beschermde status van het gebied kunnen uiteraard wel ontwikkeld worden.

Maatregelen die nodig zijn om in te spelen op en het tegengaan van effecten van klimaatverandering Hiermee geven we, voor de locatiekeuze, nadere invulling aan het Leidende Principe ‘Water en bodem sturend maken in onze ruimtelijke inrichting’. Vertrekpunt voor de beoordeling of een nieuwe functie passend is, is het onderscheid in vier gebiedstypen waar verschillende maatregelen nodig zijn om in te spelen op doorzettende klimaatverandering. De indeling van deze gebiedstypen is weergegeven op de visiekaart in paragraaf 2.6. Voor ieder van de gebiedstypen is een ontwikkelingsrichting opgesteld, die inspeelt op de doorzettende klimaatverandering of die helpt klimaatverandering tegen te gaan, en de specifieke effecten die dat op verschillende gebieden heeft. Deze ontwikkelingsrichtingen zijn beschreven in paragraaf 3.3 (Leidende Principe: Water en bodem sturend maken in onze ruimtelijke inrichting). Nieuwe functies moeten passen bij de eigenschappen en

80

ontwikkelingsrichting van het gebied. Deze ontwikkelingsrichtingen zijn ook opgenomen in de Omgevingsverordening. Bij elke ontwikkeling moet inzichtelijk worden gemaakt of die bijdraagt aan een klimaatrobuust water- en bodemsysteem. Bij een initiatief moet worden onderbouwd hoe de voorgenomen functie passend is bij de specifieke omstandigheden.

Landgebruik dat afhankelijk is van specifieke natuurlijke omstandigheden Er is een onderscheid tussen functies (vormen van landgebruik) die wel of niet gebonden zijn aan specifieke natuurlijke omstandigheden van een locatie. Functies die afhankelijk zijn van specifieke omstandigheden zijn bijvoorbeeld natuur of landbouw met generieke opgaven en kansen, of het winnen van aardwarmte of grondwater. Voorbeelden van functies die minder afhankelijk zijn van specifieke omstandigheden en daardoor op meerdere plekken ontwikkeld kunnen worden, zijn woningbouw, bedrijvigheid of het opwekken van (duurzame) energie. Doorzettende klimaatverandering kan effect hebben op de natuurlijke omstandigheden van een plek. Om de ruimte in onze provincie zorgvuldig te gebruiken vinden we het van belang om mee te wegen of een functie afhankelijk is van deze omstandigheden. Die functie willen we waar nodig dan ook voorrang geven boven functies die minder gebonden zijn aan de natuurlijke omstandigheden. Reden hiervoor is dat als gevolg van doorzettende klimaatverandering deze plekken schaarser worden en we zuinig willen zijn op deze gebieden en ze

zorgvuldig willen benutten. We zijn terughoudend met functieverandering (Nee, tenzij) en vragen om een zorgvuldige onderbouwing. Zie hiervoor ook paragraaf 6.3. Landbouw en voedselvoorziening. Maar te strikt hanteren van dit uitgangspunt kan ongewenste effecten hebben. Bijvoorbeeld als een kern direct omsloten is door veel natuur of landbouwgrond met generieke opgaven en kansen. In zo'n geval zouden dan nauwelijks nog mogelijkheden overblijven voor het ontwikkelen van woningen, voorzieningen of werklocaties. Dit staat echter haaks op het Leidende Principe dat we werken aan krachtige DSS-regio’s, waarvoor ook een ruimtevraag geldt. Daarom hebben we een uitzondering (‘nee, tenzij’) opgenomen voor lokale en regionale verstedelijkingsopgaven die regionaal zijn afgestemd binnen de DSSregio. Voor overige verzoeken om functieverandering geldt “Nee, tenzij”. Hiervoor vragen we een nadrukkelijke onderbouwing, waarbij ook moet worden afgewogen of alternatieve locaties mogelijk zijn. Ook kan het zijn dat er gunstige omstandigheden zijn voor een opgave op een bepaalde plek, maar dat elders voor die opgave al voldoende is gedaan. Denk bijvoorbeeld aan leefgebied van te beschermen soorten waarvoor specifieke omstandigheden nodig zijn. Als zich een ruimtevraag aandient in een gebied dat hier geschikt voor is, dan zou dat bij het hanteren van het beschermen van het leefgebied voorrang vragen.

Wanneer echter elders in de provincie al voldoende leefgebied zou zijn voor een gunstige staat van instandhouding van deze soorten, is er meer afwegingsruimte voor ander gebruik op die locatie.

81

Om invulling te geven aan de afweegruimte die we hier bieden, hebben we de Redeneerlijn opgenomen in onze Omgevingsverordening. Hierdoor moet bij de beoordeling van plannen inzichtelijk worden gemaakt dat de voorgenomen functie niet elders ontwikkeld kan worden op een locatie waar zich géén functies bevinden die gebonden zijn aan natuurlijke omstandigheden. Als dat toch het geval is, wordt beoordeeld of de ontwikkeling plaatsvindt in het kader van een regionale programmeringsafspraak. Daarmee stimuleren we ook bovengemeentelijke afweging.

Duurzaam omgaan met onze ruimte en voorraden Een volgende stap in de Redeneerlijn biedt nog meer ruimte voor afweging aan de hand van het Leidende Principe ‘Duurzaam omgaan met onze ruimte en voorraden’. Duurzaam omgaan met onze ruimte kent twee belangrijke onderdelen: inbreiding gaat voor uitbreiding en meervoudig gaat voor enkelvoudig ruimtegebruik. Door af te wegen of nieuw ruimtebeslag kan worden beperkt of voorkomen of door meervoudig ruimtegebruik te stimuleren, gaan we zuinig om met schaarse ruimte. Zo heeft het bijvoorbeeld onze voorkeur om invulling van de opgave van 10% groenblauwe dooradering met name te laten landen in gebieden met meervoudige opgaven en kansen voor klimaat, water en natuur. Ook kijken we bij inbreiding voor wonen, werken of voorzieningen naar de optimale mogelijkheden om, passend bij de identiteit, in hogere dichtheden en/of multifunctioneel te bouwen. Voor hulp bij de afweging bij deze stap verwijzen we naar dit Leidende Principe.

bovenop die 100, het ontwikkelen van nog niet bereikte opgaven rondom groenblauwe dooradering of de realisatie van bedrijventerreinen niet in de weg zitten. Pas als aan alle opgaven is voldaan, kan er meer ruimte gelaten worden voor ambities. Ontwikkelingen die aansluiten op bestaande netwerken en deze versterken Het Leidende Principe ‘Voortbouwen op onze bestaande sterke netwerken’ vraagt om het in beeld brengen van de verschillende netwerken die er zijn (denk aan natuur, energie, infrastructuur, bebouwing of een sociaal netwerk). Is het mogelijk om hierop voort te bouwen en dat netwerk te versterken? Voorkomen moet worden dat nieuwe ontwikkelingen een bestaand netwerk verzwakken.

Opgaven gaan voor ambities Om voldoende ruimte te hebben voor alles wat een plek nodig heeft in onze provincie, is het relevant om onderscheid te maken tussen opgaven (taken) en ambities (streven). Als een opgave nog niet voldoende is ingevuld, moet dit meewegen en prioriteit krijgen wanneer keuzes nodig zijn. Als er aanvullende ruimte gevraagd wordt voor functiegebruik waarvoor al aan de opgave is voldaan, is er dus sprake van een aanvullende ambitie. Deze ambitie moet de ontwikkeling van een functie waar nog een opgave op te behalen is, niet in de weg zitten. Zo gaat op het moment dat de doelstellingen voor zon op land al behaald zijn, het behouden van voldoende landbouwgrond met oog op voedselzekerheid vóór op het realiseren van een lokaal zonneveld. Of als in de regionale woondeals is afgesproken om bij een kern 100 woningen te realiseren, mag eventuele aanvullende woningbouw

82

Weeg toekomstbestendigheid en effecten op brede welvaart mee Als laatste stap is het ook belangrijk om mee te wegen of een ontwikkeling op die plek, als 10 of 20 jaar en in voorkomende gevallen 50 of 100 jaar vooruit wordt gekeken, ook een verstandige ontwikkeling is. Past de beoogde ontwikkeling dan op deze plek? Dit is bedoeld om de toekomstbestendigheid te betrekken op het moment dat een keuze wordt gemaakt. Hetzelfde geldt voor het meenemen van de effecten op brede welvaart. Hiervoor verwijzen we naar paragraaf 2.4 Brede welvaart voor al onze inwoners van deze Omgevingsvisie en de uitwerking van de Rode Draden van deze Omgevingsvisie. Brede afweging van alle elementen in de Redeneerlijn De groene pijl in de Redeneerlijn symboliseert dat het van belang is om alle aspecten uit de Redeneerlijn te betrekken in de afweging. Ook in beschermde gebieden liggen wellicht kansen die goed te combineren zijn met de functie die bescherming nodig heeft en zo zou bij kunnen worden gedragen aan het versterken van de brede welvaart, of het binnen bereik brengen van een ambitie.

Hoofdstuk 4: Werken aan brede welvaart met Rode Draden

83

4.1.

Inleiding

In dit hoofdstuk worden de Rode Draden toegelicht. Bij het maken van keuzes is het belangrijk om naast ruimtelijke afwegingen ook rekening te houden met economische, sociaal-maatschappelijke en duurzame aspecten. Dit doen we met Rode Draden. Deze zijn verwerkt in de visie in hoofdstuk 2 en kort toegelicht in paragraaf 2.4. Dit hoofdstuk is een verdieping daarop. Brede welvaart is alles wat mensen van waarde vinden. Naast materiële/economische welvaart gaat het ook om gezondheid, onderwijs, milieu, leefomgeving, sociale cohesie, persoonlijke ontplooiing en (on)veiligheid. Bovendien gaat het niet alleen om de kwaliteit van leven in het ‘hier en nu’, maar ook de effecten van onze manier van leven op het welzijn van mensen ‘elders’ (buiten de regio) en ‘later’ (toekomstige generaties). Met deze Omgevingsvisie willen we een bijdrage leveren aan de brede welvaart van onze inwoners. We nemen daarom ook economische en sociaal-maatschappelijke aspecten in onze ruimtelijke afwegingen mee. Zo houden we oog voor de impact op de mens en de maatschappij. Zoals in de inleiding van het vorige hoofdstuk al is beschreven, doen we dat aan de hand van de vragen over het OF, WAAR en HOE. Voor het OF hebben we in deze visie doelen en opgaven opgenomen. Bij nieuwe ontwikkelingen of initiatieven is het van belang dat deze bijdragen aan of nodig zijn voor het behalen van deze doelen en opgaven.

Voor het WAAR hebben we Leidende Principes en een Redeneerlijn opgesteld. De Rode Draden zijn een belangrijk onderdeel van het HOE, maar spelen ook mee bij het WAAR. Ze maken daarom ook onderdeel uit van de Redeneerlijn.

84

We werken aan het behouden en verbeteren van brede welvaart met onze Rode Draden en ons economisch beleid. Bij nieuwe initiatieven vragen we te onderbouwen hoe deze initiatieven bijdragen aan de brede welvaart. Onze Rode Draden zijn: ruimtelijke kwaliteit, sociale kwaliteit, gezondheid en duurzaamheid. De Rode Draden zien we als belangrijke waarden die bijdragen aan een mooi, sociaal, duurzaam en gezond Overijssel. Voor deze Rode Draden hebben we kwaliteitsambities opgesteld, die we in dit hoofdstuk nader toelichten. Deze kwaliteitsambities hebben we in ons beleid meegewogen. Voor het behouden en verbeteren van de economische kant van brede welvaart, gebruiken we ons economisch beleid. Dat is beschreven in hoofdstuk 6 van deze Omgevingsvisie. De Rode Draden hebben overlap met elkaar. Ontwikkelingen kunnen bijdragen aan meerdere Rode Draden. Zo verbetert het vergroenen van de leefomgeving zowel de sociale kwaliteit als de gezondheid van mensen. En het draagt bij aan de ruimtelijke kwaliteit van een gebied of locatie. Een leefomgeving waarbij de milieucondities op orde zijn, zorgt voor verbetering van de gezondheid van mensen en draagt bij aan de Rode Draad duurzaamheid. De overlap tussen de Rode Draden zien we als een kracht. Door te werken aan één of meerdere van de Rode Draden, bereiken we op meerdere vlakken een verbetering van de brede welvaart.

4.2. Ruimtelijke kwaliteit Ruimtelijke kwaliteit is wat de ruimte geschikt maakt en houdt voor mens, plant en dier. Ruimtelijke kwaliteit gaat hierbij niet zo zeer over ‘mooi’, maar vooral over ‘goed’: gebiedseigen (belevingswaarde), functioneel (gebruikswaarde) en toekomstbestendig (toekomstwaarde). Ruimtelijke kwaliteit is van grote betekenis voor de inwoners, de gebruikers en de bezoekers van onze provincie. Het draagt bij aan een goede, mooie en prettige woon- en werk-, en leefomgeving.

dooradering verbindt natuurgebieden onderling en het bebouwde gebied met de groene omgeving. Het gaat bij Natuur als ruggengraat om groene en blauwe (verbindende) elementen, zoals houtwallen, watergangen, kruidenrijke graslanden en soortenrijke stroken in de akkerbouw. Daarmee bevorderen we niet alleen biodiversiteit, maar ook het benutten, beleven en de toegankelijkheid van natuur met behoud van identiteit. Het opnemen van de natuuropgave in bredere gebiedsopgaven geeft de natuur een duidelijk gezicht. Nabijgelegen dorpen en steden willen we als ‘poorten’ naar de natuur ontwikkelen en zo veel beter verbinden met de natuurgebieden ‘om de hoek’. Een goede stadlandverbinding vergroot de toegankelijkheid en daarmee wordt bewegen en ‘erop uitgaan’ gestimuleerd. Dat is goed voor zowel de mentale als fysieke gezondheid en de sociale kwaliteit. Andersom kan natuur ook meer onderdeel worden van het bebouwde gebied, waardoor natuurinclusieve steden en dorpen ontstaan. Deze kwaliteitsambitie sluit ook aan op het stimuleren van toekomstbestendige landbouw en omgaan met vrijkomende agrarische bebouwing (VAB’s) met bijbehorende gronden en erven.

De ‘Handreiking planologische concepten erftransformaties’ helpt gemeenten en provincie om agrarische ondernemers te kunnen bijstaan bij erftransformaties die een bijdrage leveren aan maatschappelijke opgaven, zoals op het gebied van natuur, landschap en water.

We hebben voor ruimtelijke kwaliteit zeven kwaliteitsambities die hun vertrekpunt hebben in de bestaande kwaliteiten van Overijssel: •

Bodem als basis met een robuust en beleefbaar watersysteem. Het water- en bodemsysteem is leidend voor (land)gebruik en nieuwe ontwikkelingen. Dit betekent dat ontwikkelingen rekening houden met de bodem, het reliëf en het watersysteem ter plekke en bijdragen aan het herstel daarvan. Door grote regionale verschillen in ons bodem- en watersysteem hebben we een gevarieerd landschap. Dit is in het verleden bepalend geweest voor de natuurkwaliteit, het (grond)gebruik en de inrichting van onze provincie. We onderscheiden in onze provincie vier typen gebieden met hun eigen bodem- en waterkenmerken. Die zijn weergegeven op de visiekaart in paragraaf 2.6. In paragraaf 3.3. zijn de gewenste ontwikkelingen op hoofdlijnen beschreven per gebied.

•

Natuur als ruggengraat. Voor heel Overijssel stimuleren we een basiskwaliteit natuur en werken we aan een groenblauwe dooradering voor met name natuur, landschap en water. Basiskwaliteit Natuur is gericht op het verbeteren van omstandigheden voor algemeen voorkomende soorten (flora en fauna) op plekken waar natuur niet de leidende functie is. Hiervoor hebben we een methode ontwikkeld die vrijwillig is, waarbij we inzetten op stimuleren, inspireren en faciliteren. Deze methode is ook verwerkt in de Catalogus Gebiedskenmerken. De groenblauwe

85

•

Voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen. Het uiterlijk van bijna driekwart van het oppervlak van onze provincie wordt bepaald door het agrarisch cultuurlandschap. Voor veel inwoners is dit hun woon- of werkomgeving en voor nog meer mensen de omgeving waarin ze hun vrije tijd doorbrengen. Het herkennen, koesteren en verder uitbouwen van de dragende structuren van het agrarische cultuurlandschap is onze leidraad. De verschillende onderdelen van

het agrarisch cultuurlandschap worden tot grotere ensembles verenigd en bijeengehouden door een aantal karakteristieke structuren: de wegenstructuur, de structuur van waterlopen, de bebouwingslinten en de nederzettingsvormen. Door nieuwe initiatieven zorgvuldig in te passen en aan te sluiten op de dragende structuren van een gebied, wordt het karakter en het onderscheid met andere gebieden versterkt. Het is daarbij de kunst om vormen van grondgebruik, bebouwingsvormen en infrastructuur zo te ordenen dat naast het karakter ook de samenhang in het gebied wordt versterkt en nieuwe kwaliteiten (kunnen) ontstaan. Zorgvuldige opstellingen van bebouwing, versterking van landschappelijke structuren en het beheer van kenmerkende landschapselementen horen daar vanzelfsprekend bij. •

86

Elke stad, dorp en buurtschap zijn eigen kleur: een brede waaier aan woon-, werk- en mixmilieus. Mensen koesteren verschillende wensen voor hun woning en woonomgeving. Dit verschil in woonwensen neemt eerder toe dan af. Aansluiten op het eigen karakter en de ligging vormen het vertrekpunt voor het ontwikkelen van een brede waaier aan woon-, werk- en mixmilieus. We hebben dan ook de ambitie om het palet aan woon-, werk- en mixmilieus verder te verbreden. Dit moet dan niet alleen gebeuren door aan te sluiten op bestaande kenmerken en kwaliteiten, maar ook door het herontdekken of opnieuw ontwikkelen van dit soort kenmerken en kwaliteiten. Daarbij spelen we ook in op hittestress, vergroening en andere klimaatopgaven in het bebouwde gebied. We streven hierbij naar fraaie dorpen en vitale steden. Met eigen cultuurhistorische identiteit, klimaatbestendig en met natuur om de hoek. We kijken eerst naar de mogelijkheden binnen de steden en dorpen, voordat we gaan uitbreiden (inbreiden gaat voor uitbreiden). Als er een goede visie is op het totaal kan parallel aan inbreiding uitgebreid worden aan de randen van steden en dorpen. In deze gebieden is een hoge dynamiek, maar ook een grote ruimtelijke druk. Daarom is het belangrijk dat hier een goede variatie en balans van functies komt. Hierbij gaan we tegelijkertijd verrommeling van de randen tegen en voorkomen we te grote

verdichting. Deze randen vervullen een cruciale rol doordat ze zowel poort van de stad als toegang vanuit de stad naar de groene omgeving zijn. •

Het contrast tussen dynamische en luwe gebieden versterken. Het contrast tussen rust en drukte is een grote kwaliteit van onze provincie. We hebben gebieden waar het ‘s nachts nog echt donker is, maar ook gebieden waar het licht nooit uit gaat. Dit contrast willen we versterken door hoog dynamische ontwikkelingen te concentreren rondom bestaande hoofdinfrastructuur, bebouwd gebied en bedrijventerreinen en daarnaast de luwe en donkere gebieden te beschermen. Deze kwaliteit wordt namelijk steeds zeldzamer. De infrastructurele hoofdstructuur is de motor voor de ontwikkeling en dynamiek (bundeling van stedelijke functies), maar respecteert tegelijkertijd de relatieve ‘luwte’ (extensieve vormen van grondgebruik). Dit draagt naast onze bereikbaarheidsambitie ook bij aan onze ambities voor veiligheid en gezondheid, omdat we zo de overlast van het verkeer (geluid, stof) zo veel mogelijk concentreren rond een beperkt aantal routes. Het is belangrijk om de steeds grotere vraag naar nieuwe vormen van energieopwekking ook te koppelen aan de dynamische gebieden. Denk aan het koppelen van windenergie aan bundels van infrastructuur. We bouwen voort op de sterke netwerken die er zijn en optimaliseren mobiliteit binnen het Dagelijks Stedelijk Systeem (DSS). Binnen het DSS sturen we op het combineren van gebiedsopgaven, waardoor de beschikbare ruimte zo effectief mogelijk wordt gebruikt.

De donkere gebieden zijn grofweg onze natuurgebieden en grote landbouwgebieden. Deze gebieden worden gekoesterd en we proberen het rustige en onthaaste karakter te behouden.

•

Aantrekkelijke routes voor een toegankelijk en beleefbaar Overijssel. Verschillende groepen mensen met verschillende aanspraken en behoeften maken gebruik van de mogelijkheden die het landschap biedt voor grote en kleine ommetjes, voor grote en kleine tochten en ontdekkingsreizen. Een netwerk van routes voor

wandelen, fietsen, paardrijden, varen en autorijden verhoogt de belevingskwaliteit aanzienlijk, omdat het de binnensteden, dorpscentra, landgoederen, de recreatievoorzieningen, de toeristische attracties en de natuurgebieden verbindt. Een verbindend netwerk, niet alleen als ontsluiting zodat je er kunt komen, maar ook als ruimtelijke structuur zodat je het landschap kunt ervaren. Aantrekkelijke routes en een toegankelijk landschap stimuleren het naar buiten gaan. Onze inzet is het accentueren en het beleefbaar houden of maken van regionale lange lijnen in onze provincie. Het gaat hier bijvoorbeeld om het herstellen en complementeren van de laanstructuren van Twente en Salland. Of het (her)inrichten van de grote doorgaande routestructuren van het provinciale wegen- en kanalennetwerk als lineair landschap. Maar het gaat ook om de beleving van de kwaliteiten van het landschap als je je rijdend, fietsend, wandelend of varend over de diverse routestructuren beweegt. •

87

Sterke merken van Overijssel. Gedeelde verhalen en waardering van gebieden met een sterke ‘sense of place’ zorgen ervoor dat mensen er identiteit en betekenis aan toekennen. Onze provincie heeft een aantal ‘sterke merken’ in huis: de waterrijke Kop van Overijssel, de Hanzesteden, het Wilde Hart van Vecht, Regge en Sallandse Heuvelrug, het rivierenlandschap van de IJssel, het

landgoederenlandschap ten noorden van Deventer, de Twentse steden en het Nationaal Landschap Noordoost Twente met het Dinkeldal zijn ijzersterke identiteiten met een groot potentieel. De verschillende identiteiten van deze gebieden zijn aanknopingspunten voor gebiedsgerichte ontwikkeling. Cultuurhistorische en landschappelijke waarden zijn belangrijk voor de identiteit. We willen de potentiële kwaliteiten zoveel mogelijk verzilveren. Daarbij kun je denken aan inrichtingskwaliteit, een eigen gezicht geven, het stimuleren van ondernemerschap, streekproducten en vergroting, verdieping en verbreding van de recreatieve mogelijkheden. Het gaat niet alleen om het maken van een prettige leefomgeving, maar ook om het gebied levendig en dynamisch te houden. Om de bestaande identiteit te behouden en nieuwe elementen toe te voegen, zijn investeringen nodig die nieuwe ontwikkelingen stimuleren. De landschappen vormen een goed uitgangspunt voor het maken van gebiedsplannen. Niet alleen historische en archeologische waarden zijn belangrijk, maar ook lokale gemeenschappen en tradities dragen bij aan de identiteit en kunnen inspireren bij nieuwe ontwikkelingen. De sterke kenmerken van een gebied zijn geen vast recept, maar geven richting om ontwikkelingen aan te laten sluiten bij het karakter van het gebied.

4.3. Sociale kwaliteit Met de Rode Draad sociale kwaliteit bedoelen we hoe mensen hun leefomgeving waarderen als het gaat om zaken als noaberschap, vitaliteit, inclusie en gezondheid. Door het stimuleren van sport en bewegen, positieve gezondheid en initiatieven vanuit de samenleving draagt sociale kwaliteit bij aan een gezondere en gelukkigere Overijsselse samenleving. Daarbij streven we ernaar dat Overijsselaars gezond en vitaal blijven, initiatief blijven nemen voor een fijne buurt en een omgeving die past bij wat ze nodig hebben. Zodat zij zo lang mogelijk zelfstandig kunnen leven in hun vertrouwde leefomgeving. Waar mensen lekker in hun vel zitten en voor elkaar klaar staan. Onze inwoners maken onze provincie tot wat ze is: een aantrekkelijke plek om te wonen, werken, recreëren en leven.

•

Een gezonde samenleving. Een samenleving waar toegang is tot voorzieningen en/of activiteiten die bijdragen aan (positieve) gezondheid. Positieve gezondheid is veel meer dan niet ziek zijn: het gaat om goed voor jezelf zorgen en plezier uit het leven kunnen halen. Denk daarbij aan goede voeding, bewegen in de buitenlucht, een fijn sociaal leven en mee kunnen doen in de samenleving. We helpen inwoners zodat ze de kans hebben gezond te blijven, gelukkig te zijn en te bewegen.

•

Overijssels noaberschap. Een samenleving waarin de sociale verbinding wordt versterkt vanuit de identiteit. Vrijwilligers, mantelzorgers en initiatiefnemers zijn de basis voor een vitale en aantrekkelijke leefomgeving. Ze doen belangrijk werk en zijn onmisbaar. We waarderen en stimuleren deze vrijwilligers. Samen voor en met elkaar. Inwoners bedenken samen de mooiste initiatieven om hun omgeving mooier, socialer en toekomstbestendiger te maken. En hoe mooi is het om een eigen idee, samen met buurtbewoners, leden van verenigingen of stichtingen, uit te voeren. We faciliteren initiatiefnemers bij het realiseren van hun plannen.

•

Een samenleving waarin mensen elkaar kunnen ontmoeten. Bij sociale ontmoetingsplekken in dorpen en wijken ontmoeten mensen elkaar en kunnen ze van elkaar leren. Het is de plek waar goede ideeën ontstaan voor een aantrekkelijke en sociale leefomgeving. Een plek om te sporten, samen activiteiten te doen, naar een voorstelling gaan, een boek te halen of gewoon gezellig koffiedrinken. De ontmoetingsplekken vormen ‘het cement van de samenleving’. Daarom ondersteunen en helpen we bij het komen tot eigentijdse sociale ontmoetingsplekken.

We hebben voor deze Rode Draad de volgende kwaliteitsambities: •

•

88

Een inclusieve en participatieve samenleving. Een samenleving waar iedereen mee kan doen en veilig zichzelf kan zijn. Een inclusieve samenleving zonder fysieke of sociale beperkingen betekent dat iedereen meedoet en meetelt. Zodat iedereen een fijn sociaal leven heeft. Dat we allemaal op onze eigen wijze bijdragen aan veiligheid en acceptatie in de samenleving. En dat we bereid zijn ons over verschillen heen te zetten en om te kijken naar de ander. Een actieve samenleving. Een samenleving waar de mogelijkheid om te sporten en te bewegen in de directe omgeving beschikbaar is en de omgeving uitdaagt tot bewegen. Sporten verbindt mensen met elkaar en versterkt de vitaliteit van de inwoners. We ondersteunen en stimuleren Overijsselaars om hun leven lang te bewegen, op hun eigen niveau en met hun eigen doel. Vitale en gezonde mensen hebben meer energie en kunnen goed voor zichzelf en hun leefomgeving zorgen.

Afbeelding: Een illustrerend toekomstbeeld voor Overijssel

89

4.4. Gezondheid Met onze Rode Draad gezondheid geven we in ons omgevingsbeleid expliciet uitvoering aan één van de belangrijke doelen van brede welvaart. Met gezondheid willen we zorgen voor ‘een langer leven in goede gezondheid en verminderde gezondheidsverschillen’ voor en tussen onze inwoners. Gezondheid is een brede term en bevat zowel milieukundige gezondheid als positieve gezondheid: • Milieukundige gezondheid: maatregelen die de gezondheid beschermen en/of de gezondheid bevorderen. • Positieve gezondheid betekent niet alleen aandacht voor lichamelijke of mentale ziekte, maar ook voor zingeving, kwaliteit van leven, meedoen en dagelijks functioneren.

milieukwaliteit ervoor zorgen dat de omgeving geen negatieve impact heeft op de gezondheid. Anderzijds willen we de leefomgeving zo inrichten dat deze positief bijdraagt aan de gezondheid door uit te nodigen tot beweging en ontmoeting. •

Actief in de wereld, waarin we ons beleid gebruiken voor het inzetten op actief bewegen (fietsen, wandelen). In ons beleid voor de woon-, werk- en leefomgeving en ons mobiliteitsbeleid (o.a. STOMP-principe) maken we meer plek voor beweging en ontmoeting en faciliteren we initiatieven die inzetten op meer bewegen. Actief bewegen draagt bij aan de fysieke en mentale gezondheid. Daarnaast zetten we in op meer beweging door sociale ontmoetingen aan te moedigen, omdat de verbinding met anderen bijdraagt aan de gezonde actieve deelname in de samenleving.

•

Thuis voelen, met aandacht voor inclusiviteit, cultuurhistorie en korte voedselketens. Iedereen moet zich in Overijssel thuis voelen. Door inclusiviteit te bevorderen, creëren we ruimte voor inwoners in al hun diversiteit. Dit maakt Overijssel sterk. De cultuurhistorie van onze provincie is iets wat ons daarbij allemaal bindt. Deze verbinding is er ook tussen stad en platteland en producent en consument. Zodat we elkaar begrijpen en respecteren.

We hebben voor deze Rode Draad de volgende kwaliteitsambities: •

•

90

Het realiseren van een langer leven in goede gezondheid en verminderde gezondheidsverschillen van inwoners van Overijssel. Iedereen heeft recht op een lang en gezond leven. We nemen maatregelen om te zorgen dat inwoners van onze provincie kwalitatief langer leven. De verschillen tussen inwoners van Overijssel verminderen we. Bij verschillen kan gedacht worden aan de verschillen tussen stad en platteland, tussen theoretisch en praktisch opgeleid, en tussen arm en rijk. Gezonde leefomgeving. Een leefomgeving met een goede milieukwaliteit (lucht, water, geluid en bodem), een groene en klimaatadaptieve leefomgeving en veilig, gezond en schoon kunnen wonen, werken, recreëren en reizen. De leefomgeving heeft grote invloed op onze gezondheid. Enerzijds willen we met een goede

4.5. Duurzaamheid Met de Rode Draad duurzaamheid staan we voor een duurzame ontwikkeling die voorziet in de behoefte van de huidige generatie, zonder de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Daarbij spelen onder andere schoon, veilig, leefcondities, milieu/natuur, circulariteit en minder verbruik van grondstoffen een belangrijke rol.

•

Bevorderen van een duurzame economie en leefomgeving die voorziet in de behoefte van de huidige generatie, zonder de behoeften van toekomstige generaties, zowel hier als in andere delen van de wereld, in gevaar te brengen. De economische ontwikkeling van en in onze provincie koppelen we bij voorkeur aan de sterke kanten van Overijssel, aan de (top)sectoren die ook in de toekomst kansen bieden. Bijvoorbeeld aan de agro- en foodsector, waar we voorlopers ruimte geven in proeftuinen en - samen met onze partners - de kansen voor ketenoptimalisatie concretiseren. Daarnaast gaat het ook om besparen van grondstoffen, energie en (drink)water. En om het opwekken van duurzame (betaalbare) energie en ontwikkeling van innovatie, infrastructuur en industrie.

•

Toekomstbestendig kringlopen sluiten, waarbij we inzetten op minder gebruik van niet hernieuwbare grondstoffen, efficiënt (her)gebruik van grondstoffen, producten en materialen en vermindering van de CO2-uitstoot. In onze provincie willen we verantwoord omgaan met grondstoffen en natuurlijke hulpbronnen en hebben we, als stip aan de horizon, de ambitie toe te groeien naar een circulaire economie. Een economie die spaarzaam omgaat met grondstoffen, waar winning, gebruik en hergebruik dicht bij elkaar plaatsvinden. Waarin reststoffen maximaal worden hergebruikt en biobased toepassingen worden gestimuleerd. Het sluiten van kringlopen staat hierbij centraal. Dit draagt ook bij aan het borgen van een gezonde leefomgeving door het beperken van schadelijke emissies, hier in onze provincie of elders.

We hebben voor deze Rode Draad de volgende kwaliteitsambities: •

•

91

Een schone en veilige leefomgeving in Overijsel. Door het waarborgen en bevorderen van onder andere de (fysieke) milieucondities en vergroening van onze leefomgeving dragen we bij aan de materiële welvaart, het welzijn en de gezondheid van onze inwoners alsook aan het realiseren van duurzame steden en gemeenschappen. In stand houden en bevorderen van de leefcondities, waarbij we de milieukwaliteit, water- en bodemkwaliteit en de natuur/biodiversiteit in Overijssel duurzaam beschermen, benutten en beleven. Met het bewerkstelligen van water- en bodemkwaliteit en natuur/biodiversiteit in alle onderdelen van ons beleid, versterken we de natuurlijke situatie en de milieucondities van onze provincie. Hiermee geven we uitwerking aan het welvaartsprincipe gericht op het natuurlijk kapitaal en een duurzame ontwikkeling.

Hoofdstuk 5: Bestuursstijl, uitvoering, samenwerking en monitoring. Van Visie naar Praktijk

92

5.1.

Inleiding

In dit hoofdstuk gaan we in op de manier waarop we ons omgevingsbeleid, in overleg met medeoverheden, partners, ondernemers en inwoners, willen uitvoeren, welke rol we daarbij pakken en hoe we het gaan monitoren. Dit staat al kort beschreven in onze visie in hoofdstuk 2, met name in paragrafen 2.3 en 2.12. Dit hoofdstuk is een verdieping daarop. Voor het uitvoeren van deze visie is het van belang om de opgaven samen aan te pakken. We kunnen én willen dit als provincie niet alleen doen. Door samen op te trekken bereiken we meer. Bij veel opgaven heb je elkaar nodig om een doel te bereiken. Voor die opgaven willen we in overleg aan de slag om ze te kunnen realiseren. Bij alles wat we doen, zetten we ons in voor de Overijsselse samenleving. De manier waarop we dat doen, is onze bestuursstijl.

Daarmee is de bestuursstijl een belangrijk onderdeel van onze Omgevingsvisie. Het draait namelijk niet alleen om de inhoudelijke keuzes voor een goede verdeling van de ruimte en de kwaliteit van onze (toekomstige) leefomgeving, maar ook om hóe we die keuzes maken. Om onze doelen en opgaven te behalen, en daarmee onze visie uit te kunnen voeren, gaan we uit van onze hoofdstrategie ‘doelgerichte samenwerking en uitvoering in gebiedsprocessen’. Daarnaast maken we gebruik van thematische samenwerking en uitvoering. In deze thematische werkwijze wordt deze Omgevingsvisie concreter uitgewerkt en uitgevoerd. Dit doen we onder andere met beleids- en uitvoeringsprogramma’s, thematische uitwerkingen, visies, samenwerkingsverbanden, etc. Tot slot maken we gebruik van participatie en passen we monitoring toe. In de afbeelding hieronder is dit schematisch weergegeven.

Afbeelding: Illustrerende weergave van de wisselwerking tussen de Omgevingsvisie en andere beleids- en/of uitvoeringsinstrumenten

93

5.2. Bestuursstijl Uitgangspunten van onze bestuursstijl We willen noaberschap in het bestuur brengen Hierbij is het uitgangspunt de rol die de verschillende medeoverheden, partners, ondernemers en inwoners daarbij hebben. We gaan uit van de kracht van de samenleving. Onze ambitie voor bestuursstijl kenmerkt zich door ‘noaberschap’: • Luisteren en verbinden: we brengen verschillende belangen, perspectieven en ideeën bij elkaar en leren daarvan. We hebben oog voor inhoud, proces én samenwerking. • Eerlijk en betrouwbaar: we doen wat we zeggen en we zeggen wat we doen. We geven aan wat wél en niét mogelijk is. Wanneer we opgaven oppakken, beschrijven we hoe we inwoners, partners en medeoverheden betrekken. Daarover maken we afspraken. Binnen de afspraken is ruimte voor maatwerk om plannen uit te voeren. • Open en uitlegbaar: we communiceren in duidelijke taal en spreken als provincie met één mond. We vertellen hoe we hebben nagedacht over besluiten die we nemen en wat we met ideeën en suggesties hebben gedaan. • Betrokken: het perspectief van de inwoners staat centraal. Onze inwoners betrekken we in de volle breedte. Dat doen we op allerlei manieren, passend bij de doelgroepen. En we denken mee met initiatieven. Hoe kan het wél? We willen zoveel mogelijk werken als één overheid in en met de samenleving De samenleving mag verwachten dat de overheden als één overheid opereren.

Dat is binnen een politieke context niet eenvoudig. We proberen daar zo dicht mogelijk bij te komen, maar we zullen daar nog de nodige uitdagingen in tegen komen. We maken afspraken over hoe we samenwerken, passen het geleerde toe en geven dit een plek in onze overleggen, zoals het Inter Bestuurlijke Toezicht en voorkantsamenwerking.

94

We willen gebiedsgericht werken en ruimte laten voor oplossingen in gebiedsprocessen Elk gebied is verschillend en vraagt om andere oplossingen. We zorgen ervoor dat de aanpak aansluit op de specifieke behoeften van onze regio’s en gebieden. Met ons omgevingsbeleid bieden we heldere kaders voor de gebiedsprocessen én laten we binnen de kaders van ons beleid zoveel mogelijk ruimte voor maatwerk om plannen uit te voeren en in gebiedsprocessen met elkaar oplossingen te vinden. Met ons omgevingsbeleid sturen we daarom op doelen, zodat duidelijk is waaraan voldaan moet worden. We ‘leren door te doen’ De inrichting van onze fysieke leefomgeving is nooit af en verandert continu. Dat gebeurt door nieuwe ontwikkelingen en als antwoord op nieuwe wensen en eisen die de samenleving en leefomgeving stellen. Soms is dan nieuw of aangepast beleid nodig. Monitoring en evaluatie zijn essentieel om te weten wat wél en niét werkt en om een aanpak bij te stellen wanneer dat nodig is. Provincie als gebiedsregisseur We vervullen een belangrijke rol bij het realiseren van de grote opgaven in onze leefomgeving. We weten of onderzoeken wat er speelt en brengen de belangen van de verschillende partijen in het gebied bij elkaar. Gemeenten zijn als eerste verantwoordelijk voor lokale opgaven. Als provincie zetten we ons in voor opgaven van provinciaal belang, deze beschrijven we in deze Omgevingsvisie.

De opgaven van provinciaal belang komen voort vanuit wettelijke taken, zoals op het gebied van zorg voor voldoende en schoon water, natuur en de provinciale infrastructuur. Maar ook vanuit het provinciaal schaalniveau. Dit zijn bijvoorbeeld opgaven als ruimte voor woningen en bedrijven in balans met de groene omgeving, waarbij oog is voor de ruimtelijke kwaliteit.

We zijn duidelijk in ‘wat’ we willen en moeten bereiken. We hebben hiervoor doelen, opgaven en beleid. Waar mogelijk geven we aan ‘waar’ doelen en opgaven zich bevinden. Daarnaast hebben we een Redeneerlijn geformuleerd als leidraad voor de locatieafweging. En we geven richting en ruimte aan ‘hoe’ we die doelen en opgaven gaan bereiken. Een nadere uitleg over het OF, WAAR en HOE is opgenomen in bijlage 3. We pakken hierbij onze rol als gebiedsregisseur. In de ‘Memorie van Toelichting bij de Omgevingswet’ staat hierover het volgende genoemd: ‘De provincies hebben een belangrijke bestuurlijke rol bij het verbinden en regisseren van de opgaven in de fysieke leefomgeving, opdat het geheel meer is dan de som der delen’. We stemmen af met partners wie welke rol en verantwoordelijk heeft en wie welke besluiten neemt. Dit is in lijn met de Omgevingswet die aangeeft dat provincies alleen taken voor de fysieke leefomgeving uitvoeren voor een provinciaal belang, als dit niet op een doeltreffende of efficiëntere wijze door de gemeente kan worden gedaan. We stimuleren onze medeoverheden, partners, ondernemers en inwoners, maar ook onze eigen uitvoerende diensten, om onderling de samenwerking te blijven zoeken. Daarbij zetten we ook ons eigen netwerk in. We verbinden opgaven en betrokkenen en creëren zo winwin situaties.

Dit doen we onder andere door regelmatig in gesprek te gaan met gemeenten en waterschappen, waarin nieuwe ontwikkelingen vroeg in het proces worden besproken en waarbij gezamenlijk gekeken wordt hoe deze passend kunnen zijn. We zetten in op een regionale aanpak. Deze regionale aanpak vindt niet alleen binnen onze provinciegrenzen plaats, we kijken ook buiten onze provinciegrenzen. Niet alle opgaven zijn namelijk binnen onze provincie op te lossen. Soms zijn opgaven en de bijbehorende oplossingen zo groot dat een aanpak of benadering op een hoger schaalniveau nodig is. De water-, natuur- of landbouwopgaven houden niet op bij een lokale of gemeentegrens (of de provinciegrens). En we lossen het woningbouwprobleem ook niet op in één stad of gemeente of alleen binnen onze provincie. We gaan daarom ook in gesprek met de omliggende provincies, het Rijk en Duitsland.

95

Rollen en instrumenten Om invulling aan onze provinciale taken en verantwoordelijkheden te geven, onderscheiden we op hoofdlijnen drie rollen met ieder hun eigen wederzijdse verwachtingen: samenwerken, faciliteren en kaderstellen. Welke rol we vervullen heeft te maken met de opgave, het gebied, de fase, de context en de gewenste samenwerking. Daarnaast kennen we meerdere instrumenten die ingezet kunnen worden om onze bestuursstijl tot uitvoering te brengen. Samenwerkende rol: • In deze rol werken we met onze medeoverheden en partners als evenwaardige partijen aan een helder en gezamenlijk doel. • Instrumenten die passen bij deze rol zijn bijvoorbeeld samenwerkingsovereenkomsten en beleids- en/of uitvoeringsprogramma’s met bijbehorende programmeringsafspraken. • Wederzijdse verwachtingen: Vertrouwen en gedeeld eigenaarschap zijn essentieel voor goede samenwerking. Dat mogen medeoverheden en partners van ons verwachten, en dat verwachten we ook van hen. Faciliterende rol: • In deze rol anticiperen we op initiatieven uit de samenleving en stimuleren we deze proactief. • Instrumenten die passen bij deze rol zijn bijvoorbeeld deze Omgevingsvisie, subsidieregelingen, het uitwisselen van goede praktijkvoorbeelden, het uitvoeren van onderzoeken of het opzetten van een kennisnetwerk.

• Wederzijdse verwachtingen: Van onze medeoverheden en partners verwachten we creativiteit, innovativiteit en proactiviteit. Zij mogen van ons verwachten dat we dit stimuleren en (mede) mogelijk maken.

Kaderstellende rol: • In deze rol sturen we door kaders te stellen en normerend op te treden. We zien toe op naleving hiervan. • Instrumenten die passen bij deze rol zijn bijvoorbeeld de Omgevingsverordening, ontheffingen en vrijstellingen. • Wederzijdse verwachtingen: Onze medeoverheden en partners mogen van ons duidelijkheid verwachten over wat wél en niét kan. We verwachten dat medeoverheden en partners de kaders en normen naleven. Betekenis voor ons Omgevingsbeleid Onze bestuursstijl komt op allerlei manieren in ons omgevingsbeleid tot uiting. Deze Omgevingsvisie is zoveel mogelijk op hoofdlijnen. Hierin geven we een toekomstperspectief (waar we naartoe willen) voor Overijssel voor de middellange termijn (2035) en de lange termijn (2050). Daar waar we een provinciaal belang en wettelijke taken en bevoegdheden hebben, geven we via kaders - zoals de te behalen doelen en opgaven in ons omgevingsbeleid - richting aan ontwikkelingen binnen de fysieke leefomgeving. Dit doen we onder andere in deze Omgevingsvisie, in onze Omgevingsverordening en in de Catalogus Gebiedskenmerken. Deze worden uiteindelijk door onze Provinciale Staten vastgesteld. Op basis van onze bestuursstijl geven we duidelijke kaders in ons omgevingsbeleid die ruimte laten voor uitwerking, maatwerk en flexibiliteit.

Dat is noodzakelijk om in te kunnen spelen op ontwikkelingen en initiatieven te stimuleren die bijdragen aan onze leefomgeving. Daarvoor hebben we in ons omgevingsbeleid richtinggevende en inspirerende uitspraken gedaan. Richtinggevende uitspraken zijn randvoorwaarden waarmee rekening gehouden moet worden. Hier kun je gemotiveerd van afwijken mits je aannemelijk

96

maakt en kunt onderbouwen dat met het alternatief de doelen en opgaven even goed of zelfs beter gerealiseerd kunnen worden. De inspirerende uitspraken bieden een wenkend perspectief: het zijn voorbeelden hoe onder andere ruimtelijke kwaliteitsambities ingevuld kunnen worden, bijvoorbeeld in de Catalogus Gebiedskenmerken. Je kunt je hierdoor bij plannen laten inspireren, maar dit hoeft niet. Daarnaast hebben we waar nodig, op basis van provinciaal belang en onze wettelijke taken en bevoegdheden, normerende uitspraken gedaan. Hiervoor geldt dat deze in principe opgevolgd moeten worden. Ze zijn daarom in onze Omgevingsverordening en in de Catalogus Gebiedskenmerken opgenomen. Het is mogelijk om hiervan af te wijken, maar dat vraagt een zorgvuldige onderbouwing. De voorwaarden hiervoor zijn opgenomen in de Omgevingsverordening of in de Catalogus Gebiedskenmerken. De uitvoering van de Omgevingsvisie vindt waar nodig plaats in bijvoorbeeld beleids- en/of uitvoeringsprogramma’s, gebiedsprocessen, projecten en/of initiatieven. Deze Omgevingsvisie is daarvoor het kader. Hierbij kunnen we verschillende instrumenten inzetten, in overleg met en met ruimte voor onze medeoverheden, partners, ondernemers en inwoners. Én binnen de gestelde kaders uit ons omgevingsbeleid.

We faciliteren initiatieven die bijdragen aan onze leefomgeving zoveel mogelijk (‘ja, tenzij’ of vragen om een nadere onderbouwing ‘dit kan als’). Dat doen we op allerlei manieren met kennis en ervaringen, mensen, middelen en besluiten. Kortom, we werken in overleg samen en faciliteren waar het kan, en we geven richting en stellen kaders waar het moet. De Omgevingsvisie is een cyclisch proces. De beleidskeuzes en de uitvoering beïnvloeden elkaar. Leren en monitoring zijn daarom belangrijke elementen in onze werkwijze, zie verderop in dit hoofdstuk.

5.3. Samenwerking en uitvoering Onze hoofdstrategie: doelgerichte samenwerking en uitvoering in gebiedsprocessen Onze uitvoeringsstrategie is gebaseerd op onze bestuursstijl, waarin we de uitvoering van ons beleid in overleg met onze medeoverheden, partners, ondernemers en inwoners samenhangend en gebiedsgericht willen gaan uitvoeren, passend bij het noaberschap in Overijssel. Met ons omgevingsbeleid sturen we op doelen en opgaven. Deze komen vaak voort uit wettelijke verplichtingen of uit bestuurlijke afspraken, maar komen ook uit ons eigen beleid waarin staat beschreven wat we als provincie belangrijk vinden. De doelen en opgaven staan uitgebreid beschreven in hoofdstuk 6. De uitvoering is gebaseerd op het uitgangspunt dat we de doelen en opgaven uit deze Omgevingsvisie zoveel mogelijk willen behalen door uitvoering in gebiedsprocessen, waarin we in overleg met medeoverheden, partners, ondernemers en inwoners onderzoeken en bepalen welke maatregelen getroffen moeten worden. Daarom schrijven we in ons omgevingsbeleid zo min mogelijk voor hoe of met welke maatregelen we deze doelen en opgaven gaan halen. Dit doen we, omdat we het belangrijk vinden om ruimte voor maatwerk en flexibiliteit te bieden bij het bereiken van de doelen en opgaven door samenwerking en uitvoering. Uitgangspunt hierbij is zoveel mogelijk ‘decentraal wat kan, centraal wat moet’.

In de gebiedsprocessen staat voorop dat meerdere opgaven in overleg uitgewerkt en uitgevoerd worden, in samenhang dus. Dit vinden we belangrijk, omdat hierbij actief gezocht kan worden naar maatregelen die elkaar versterken. Uitgangspunt bij de gebiedsprocessen zijn de kenmerken, kwaliteiten en identiteit van het gebied. Dit kan betekenen dat er niet één algemene maatregel genomen wordt om een opgave of doel te halen, maar dat dat afhankelijk is van het gebied. Maatwerk en gebiedseigen staat hierbij centraal. Daarnaast willen we met

97

gezamenlijk feitenonderzoek gebruik maken van elkaars kennis. Bijvoorbeeld van de kennis van waterschappen over het water- en bodemsysteem, en van de kennis van gemeenten, partners, ondernemers en inwoners over de lokale situatie. We willen hierbij in een zo vroeg mogelijk stadium samen optrekken. Gebiedsprocessen zijn er in vele vormen en soorten. De uitvoering vindt dus niet plaats in één gebiedsproces, waarbinnen alle opgaven en doelen bereikt moeten worden. We zoeken bij de samenwerking en uitvoering naar de juiste vorm van een gebiedsproces op het juiste schaalniveau. Het schaalniveau kan het schaalniveau van de provincie zijn, op regionaal niveau, op gemeentelijk niveau, op lokaal niveau, maar ook op het niveau van meerdere provincies, landelijk niveau of zelfs internationaal niveau. Voor de groene omgeving werken we met gebiedsprocessen onder andere vanuit ons programma Toekomst voor ons Platteland. Deze gebiedsprocessen zijn gericht op de samenhangende aanpak voor natuur-, water- en klimaatdoelen, het behouden en versterken van een leefbaar platteland en het benutten van economische kansen voor boeren en bewoners. Dat doen we door de 3x3-aanpak centraal te zetten die gericht is op een goed sociaal-economisch perspectief, een toekomstbestendige landbouw en het herstel van natuur, het watersysteem en het klimaat.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Raalte&id=88389166-8952-4afc-9df5-887806f68b65