Bijlage VII - Omgevingsvisie .Overijssel voor en met elkaar. met wijzigingen gemarkeerd
Tekst van het document
Het gaat over een acceptabele hoeveelheid (reis)tijd, moeite en kosten en is afhankelijk van de persoon, de verwachtingen en de omstandigheden. Goede bereikbaarheid bevordert maatschappelijke deelname en leefbare steden en dorpen. Bereikbaarheid is te behalen door te zorgen dat het eenvoudig is om van a naar b te komen, en door te zorgen dat a en b minder ver van elkaar af liggen. Tot nu toe hebben we vaak wegen aangelegd om tegemoet te komen aan de toenemende mobiliteitsvraag. De gemiddelde afstanden die we afleggen voor onze dagelijkse bezigheden zijn in de afgelopen decennia daardoor fors toegenomen. Dit heeft veel inwoners in staat gesteld met grotere snelheden grote delen van de provincie te bereiken, maar maakt mensen ook afhankelijker van de auto. Dat is duur en belast de omgeving. We blijven de ruimte bieden
aan auto’s waar die nodig is. Tegelijk zetten we meer in op bereikbaarheid en nabijheid. Daardoor kunnen we de cyclus van toenemende afstanden, autoafhankelijkheid, autobezit en -gebruik en daardoor toenemende afstanden doorbreken. Zonder daarbij degenen te schaden die nog deel kunnen nemen aan de maatschappij dankzij hun auto. Nabijheid maakt werk of voorzieningen beter lopend en fietsend bereikbaar. Onze hub-aanpak bevordert geclusterde decentralisatie van voorzieningen op goed ov-bereikbare plekken. Bij nieuwe ontwikkelingen kunnen we eisen stellen aan nabijheid en bereikbaarheid. Goede (multimodale) bereikbaarheid heeft daarom ook een plek in onze Redeneerlijn. Onze verstedelijkingsopgave biedt ook kansen, bijvoorbeeld door woningen en voorzieningen te bouwen op plekken waar veel werkgelegenheid is. We concentreren verstedelijking op duurzaam bereikbare plekken, met name in onze steden en nabij andere goed bereikbare knooppunten in ons mobiliteitsnetwerk. Zo organiseren we nabijheid en kunnen we het ruimtegebruik van mobiliteit zoveel mogelijk beperken door het toepassen van het STOMP-principe (stappen, trappen, openbaar vervoer, mobiliteitsdiensten en privéautogebruik). Inwoners in de groene omgeving zullen voor veel verplaatsingen ondanks het STOMP-principe aangewezen zijn op de auto.
Voor inwoners die vanuit de groene omgeving naar het bebouwde gebied komen met de auto, willen we daarom eenvoudig overstappen naar een ander vervoersmiddel faciliteren. Zo draagt STOMP bij aan de bereikbaarheid van voorzieningen vanuit de groene omgeving. Met verdichting en functiemenging wordt ook het draagvlak voor betere ovverbindingen vergroot. Dit vraagt sector-overstijgende afwegingen waarbij duurzame bereikbaarheid een belangrijk afwegingscriterium wordt bij het ontwikkelen van functies op bepaalde plekken. Zo kan de verstedelijkingsopgave, naast dat deze door de schaalgroei in inwoneraantal en arbeidsplaatsen een opgave ten aanzien van mobiliteit met zich meebrengt, nadrukkelijk ook bijdragen aan de mobiliteitstransitie. Dit werken we verder uit in de verstedelijkingsstrategieën.
53
We werken aan een streefwaarde voor bereikbaarheid We werken aan een streefwaarde voor bereikbaarheid om inzicht te krijgen in zowel beleefde (kwalitatief) als meetbare (kwantitatieve) aspecten van bereikbaarheid. Omdat bereikbaarheid afhankelijk is van persoonlijke omstandigheden, zien we de streefwaarde als onderwerp van een politiek en maatschappelijk debat. De streefwaarde vormt de basis voor keuzes om de bereikbaarheid te verbeteren. We willen de bereikbaarheid van alle inwoners in onze provincie verbeteren, ongeacht leeftijd, inkomen of beperking, en niet alleen van degenen die beschikking hebben over een auto. Bij investeringen in mobiliteit hanteren we de volgorde: veiligheid, bereikbaarheid, duurzaamheid en reistijd. Verbetering van de bereikbaarheid is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van markt, samenleving en overheden. Dit vraagt om goede samenwerking. Het is belangrijk dat veranderende mobiliteitsdiensten, zoals regionaal openbaar vervoer (provincie) en WMO-vervoer (gemeente), goed op elkaar afgestemd blijven. Verkeersveiligheid als randvoorwaarde Verkeersveiligheid is belangrijk voor leefbaarheid en bereikbaarheid. Op plekken waar verschillende typen verkeersdeelnemers mengen, gelden verhoogde risico’s.
Daarom moeten we kwetsbare verkeersdeelnemers beschermen en de snelheid van gemotoriseerd verkeer beperken, zowel in bebouwd gebied als in de groene omgeving. We werken aan veiligere infrastructuur, zoals rijbaanscheiding op de N36 en het scheiden van verschillende typen verkeersdeelnemers. Ook willen we mensen bewust maken van veiliger gedrag. We gebruiken ontwikkelingen in netwerken en ruimtelijke ordening om de verkeersveiligheid te verbeteren en (nieuwe) risico’s te verminderen. Zo geven we de mobiliteitstransitie vorm: minder, anders, schoner en gedragsverandering Om te zorgen voor een goede bereikbaarheid van onze provincie op de lange termijn, moeten we veranderen en keuzes maken. Dit vraagt om een samenhangende benadering van mobiliteit en verstedelijking. Dit omvat technologische en infrastructurele ontwikkelingen, nabijheid, organisatorische verandering, maar vraagt bovenal om andere keuzes
van mensen, bedrijven en overheden. We streven naar minder, anders en schoner (reizen), met de daarbij behorende gedragsverandering.
Afbeelding: Illustratie (inter)nationale logistieke corridors
54
Minder reizen kan door digitale bereikbaarheid, zoals thuiswerken en e-learning, en door het verkleinen van afstanden en het combineren van reisdoelen. Anders reizen stimuleren we via het STOMP-principe. Zo kunnen we bereikbaarheid organiseren met minder ruimte en energiegebruik. Hoewel de auto in de groene omgeving vaak het primaire vervoermiddel is en blijft, kijken we ook daar naar de mogelijkheden van andere vormen van mobiliteit. Schoner reizen betekent de overgang naar zero-emissie voertuigen, zoals batterij-elektrisch en waterstof-elektrisch. Dit vereist dat mensen en bedrijven andere keuzes maken. Deels doen we dit door te investeren in doorfietsroutes en ov. Uit de eerste metingen van het geopende F35 traject Borne – Enschede blijkt een flinke toename in aantal fietsers, waaronder (voormalig) automobilisten. Daarmee draagt de F35 bij aan het oplossen van knelpunten in de autobereikbaarheid op o.a. de N35. Veel gedragsverandering kan bereikt worden zonder dat daar (kostbare) infrastructurele wijzigingen voor nodig zijn, bijvoorbeeld met onze werkgeversbenadering (Overijssel Onderweg). Deze benadering legt bovendien zwakke schakels in onze fiets- en ovnetwerken bloot, die we kunnen verbeteren. Dit werken we verder uit in het Regionaal Mobiliteitsprogramma (RMP).
2.9. Toekomstbestendige landbouw met duidelijkheid en perspectief We zetten in op: • Zuinig omgaan met ruimte en grond voor de landbouw. • Heldere ontwikkelingsrichtingen voor de landbouw, met onderscheid tussen gebieden met generieke opgaven en kansen, en gebieden met specifieke opgaven rond klimaat, water en natuur. • Het versterken van de landbouw als leverancier van voedsel en maatschappelijke diensten zoals landschapsbeheer. Aanleiding Nederland heeft van nature een aantal gunstige voorwaarden voor landbouw en voedselproductie: een gematigd klimaat, vruchtbare grond, de nabijheid van grote zeehavens en een goed ontwikkelde infrastructuur. Om optimaal van deze voordelen te profiteren, zijn in de afgelopen decennia veel ruilverkavelingen en landinrichtingen uitgevoerd. Die maakten het mogelijk om grootschaliger en gemechaniseerd te telen en om wateroverschotten snel af te voeren ten behoeve van de landbouw. Zo is een sterke landbouwsector ontstaan. Tegelijkertijd loopt de sector tegen grenzen aan. Het verdienvermogen staat onder druk en de geldende doelen voor de kwaliteit van de leefomgeving, geven randvoorwaarden mee voor natuur, water en klimaat. De Overijsselse opgaven We zijn trots op onze boeren, onze natuur en onze gemeenschappen.
De groene omgeving is een uitgestrekt gebied waar ontwikkelingen plaatsvinden, met unieke landschappen, hechte gemeenschappen, waardevolle natuur, een fijne leefomgeving en tal van ondernemers die er hun bedrijf hebben. Het is een prachtige plek om te wonen, te werken, recreëren en te ontspannen. Onze innovatieve landbouwsector is en blijft belangrijk. We hebben de agrarische ondernemers nodig voor ons voedsel, de regionale economie en als belangrijke beheerders van het landschap. Daarnaast zorgen ze voor de leefbaarheid en sociale
55
kwaliteit in het gebied en kan de sector bijdragen aan de energietransitie. De landbouw staat aan de vooravond van ingrijpende veranderingen. Dit brengt onzekerheid met zich mee en kan grote gevolgen hebben. Tegelijkertijd bieden die veranderingen ook kansen. Door als provincie mee te doen en verantwoordelijkheid te nemen, vergroten we de kans om de groene omgeving van onze provincie te versterken. En het nog beter te maken dan het nu al is. De landbouwsector in onze provincie staat voor grote opgaven. Die hebben vooral te maken met de noodzaak om de effecten van landbouwactiviteiten op natuur, milieu en klimaat terug te brengen tot binnen de wettelijke grenzen. Tegelijkertijd dwingen ontwikkelingen als geopolitieke spanningen, klimaatverandering, ruimtedruk vanuit andere sectoren en problemen met bedrijfsopvolging tot een koerswijziging. Dat raakt veel agrarische ondernemers direct. Duurzaamheid, circulariteit en extensivering blijven belangrijke thema’s voor de komende jaren. De aanhoudende onzekerheid over duidelijke kaders vanuit het Rijk maakt het echter lastig vooruitkijken. Een toekomstbestendige agro- en foodsector in Overijssel is er één die innovatief is en zich weet aan te passen. Alleen dan kan de sector concurrerend blijven en bijdragen aan voedselzekerheid in een veranderende wereld.
Dat moet wél gebeuren op basis van robuuste verdienmodellen, ook in relatie tot maatschappelijke diensten zoals recreatie en natuur, die aansluiten bij gebiedsspecifieke opgaven en kansen. Bescherming van landbouwgrond en perspectief voor de sector Met ons beleid willen we richting geven aan de landbouw, zodat er perspectief ontstaat op een toekomst met robuuste verdienmodellen voor de sector. Voedselzekerheid - de garantie dat er voldoende, veilig en gezond voedsel beschikbaar is, nu en in de toekomst - is daarbij het vertrekpunt. We streven naar een innovatieve en concurrerende agro-
en foodsector die duurzaam is en zoveel mogelijk circulair werkt. We zoeken naar balans tussen de landbouw en de draagkracht van de fysieke leefomgeving, met voldoende ruimte voor een gezond verdienvermogen. Voor onze voedselvoorziening is het van belang dat de landbouwbodems vitaal en gezond zijn en dat er voldoende schoon water beschikbaar is. We zien kansen om de positie van de landbouw te versterken: als producent van voedsel en groene grondstoffen, als beheerder van natuur, water en bodem, én als sector die dankzij kennis en innovatie voorop kan blijven lopen. In deze Omgevingsvisie geven we op hoofdlijnen richting en een eerste strekking voor beleid. De verdere uitwerking volgt onder andere via de landbouwvisie, beleid- of uitvoeringsprogramma’s, gebiedsprocessen, projecten en/of initiatieven. Samen met medeoverheden, partners, ondernemers en inwoners kijken we hoe we invulling kunnen geven aan de doelen voor natuur, water en klimaat. De opgaven in de groene omgeving vragen om een perspectief dat per sector en per gebied verschilt, waarbij de natuurlijke en fysieke omstandigheden en de lokale opgaven leidend zijn. Dit vraagt om een gebiedsgerichte benadering, waar maatwerk en samenwerking een belangrijk onderdeel van zijn.
Ook wordt er, indien nodig en gewenst, gezocht naar het combineren van functies, waarbij landbouw niet alleen gezien wordt als economische activiteit, maar ook als landschapsvormer, ecologische partner en sociale partner. Glastuinbouw concentreren we in het glastuinbouw-concentratiegebied Koekoekspolder. Vanwege de problematiek in het veenweidegebied en de ligging binnen het Nationaal Landschap is uitbreiding buiten dit concentratiegebied niet mogelijk. Agrarische ondernemers en bewoners vervullen een belangrijke sleutelrol in het landschapsbeheer. We zetten in op een sterkere verwevenheid van landbouw en natuur. Grondbeleid, agrarisch natuurbeheer en groene en blauwe diensten zijn belangrijke instrumenten om dit mogelijk te maken. In heel Overijssel stimuleren
56
we een basiskwaliteit natuur in gebieden waar andere functies dan natuur leidend zijn. We zetten ons in om de randvoorwaarden vanuit de Europese Unie, Rijk en provincie goed op orde te brengen. Het is mede aan de overheid om langjarige duidelijkheid te bieden over ruimtelijke en financiële kaders. Daarbij is de overheid één van de partijen die moet bijdragen aan het borgen van financiële kaders. Specifiek vanuit de overheid zijn nieuwe, structurele financiële kaders nodig voor die gebieden waar maatschappelijke opgaven rond natuur, water en klimaat samenkomen met gebiedspecifieke kansen. Tegelijkertijd speelt de keten zelf een belangrijke rol in het toekomstbestendig maken van de agrarische sector. De landbouwsector is zelf aan zet om, binnen de wettelijke ruimte, te komen tot een toekomstbestendig en houdbaar bedrijfsmodel. Dat vraagt om maatwerk per onderneming, afgestemd op de ambities van de ondernemer, de omgeving waarin het bedrijf ligt en de doelen die daar gelden. Agrarische ondernemers werken daar nu ook al aan door middel van verduurzaming, functiemenging, verbreding en innovatie. Bij nieuwe ontwikkelingen, zoals woningbouw of ruimte voor bedrijven in de groene omgeving, moeten we zorgvuldig afwegen wat waar mogelijk is. We moeten ervoor waken dat er voldoende ruimte blijft voor landbouw en voedselproductie.
Dat past bij de kracht van Overijsel, waarbij landbouw en voedselproductie niet alleen economisch van belang zijn. Maar ook onderdeel uitmaken van onze cultuur, bijdragen aan een leefbaar platteland en het landschap mede vormgeven. In ons omgevingsbeleid maken we onderscheid tussen verschillende typen landbouwgebieden. Die indeling is gebaseerd op de lokale omstandigheden, die we samen met de Wageningen Universiteit (WUR) in kaart hebben gebracht. Daarbij gaat het onder andere om het wateren bodemsysteem, de aanwezigheid van drinkwaterwinningen of Natura 2000 gebieden. Door rekening te houden met deze omstandigheden, kan de landbouw beter inspelen op de lokale kansen en opgaven. Dit
onderscheid biedt richting en meer duidelijkheid voor toekomstige ontwikkelingen binnen de verschillende typen landbouwgebieden. 1. Landbouwgebieden met generieke opgaven en kansen. Dit zijn gebieden die op basis van de aanwezige omgevingscondities goed geschikt zijn voor landbouw. In deze gebieden zetten we in op het beschermen van de ruimte voor landbouw en gaan we zuinig en zorgvuldig om met andere ruimteclaims. Bij planologische afwegingen krijgt het behoud van deze landbouwgronden dan ook nadrukkelijk aandacht. Indien maatschappelijke opgaven toch een ruimteclaim op landbouwgrond plaatsen, wordt hierover een zorgvuldige afweging gemaakt met het doorlopen van de Redeneerlijn.
57
2.
Landbouwgebieden met gebiedsspecifieke opgaven en kansen voor natuur, klimaat en water. In deze gebieden spelen meerdere opgaven. Landbouw blijft hier mogelijk, mits afgestemd op de lokale omstandigheden. We zien in deze gebieden naast voedselproductie vooral kansen voor multifunctionele landbouw en andere vormen van verbreding, zoals natuurbeheer, recreatie en zorg, die bijdragen aan de opgaven op het gebied van natuur, water en klimaat. In deze gebieden kunnen ook aanvullende gebiedsgerichte maatregelen nodig zijn, bijvoorbeeld om emissies te beperken of de waterhuishouding te verbeteren.
Afbeelding: Visiekaart Landbouw
58
2.10. Natuur ligt overal ‘om de hoek’ in een beeldbepalend landschap We zetten in op: • Biodiversiteitsherstel en -verbetering binnen Natura 2000 gebieden en ons Natuurnetwerk Nederland (NNN). • De leefomstandigheden voor wildeplanten en dieren buiten natuurgebieden in stand houden en waar nodig verbeteren. Dit doen we door toe te werken naar 10% groenblauwe dooradering, de uitbreiding van agrarisch natuurbeheer en het stimuleren van een basiskwaliteit natuur. • Natuur dichter bij mensen brengen door het vergroten van kennis en bewustzijn bij inwoners en ondernemers over de sociale, economische en maatschappelijke waarde van natuur in hun eigen omgeving. • Behouden en versterken van de (kern)kwaliteiten van onze landschappen, waaronder de Nationale Landschappen en landgoederen. Aanleiding De natuur en het landschap in Nederland zijn grotendeels door mensen gevormd. Door eeuwenlange activiteiten zoals landbouw, bebouwing en infrastructuur heeft de mens het landschap vormgegeven. Tegelijkertijd bepaalt de overheid via beleid, regelgeving en ruimtelijke ordening hoe het landschap zich ontwikkelt en beschermd wordt. Dit heeft gezorgd voor een landschap dat voortdurend verandert onder invloed van maatschappelijke keuzes, economische belangen en ecologische opgaven. Door veranderingen in landgebruik is de kwaliteit van de natuur en biodiversiteit echter achteruit gegaan.
En we staan niet altijd stil bij de gevolgen daarvan. Natuur is van grote waarde: voor onze gezondheid, schoon water, frisse lucht, rust en ontspanning, maar ook voor de beschikbaarheid van grondstoffen, biodiversiteit en de bestuiving van gewassen. Het gaat hierbij niet alleen om de natuurgebieden. Ook landschapselementen, groen in steden, verbindingszones en agrarische natuurgronden dragen bij aan de noodzakelijke biodiversiteit. We moeten daarom bewuster omgaan met
59
natuur. Niet alleen door haar te beschermen, maar ook door natuur te beleven en verantwoord te benutten. Dat is een voorwaarde voor een gezonde en prettige woon-, werk- en leefomgeving. De Overijsselse opgaven In Overijssel is de natuur altijd dichtbij. Ongeveer 20% van onze provincie bestaat uit bos- en natuurgebieden. Daarnaast zijn er talloze landschapselementen zoals houtwallen, singels, poelen en waterpartijen. Ook in het bebouwde gebied is veel groen en natuur te vinden. De variatie aan natuur is groot, dankzij de afwisseling in bodem, reliëf en waterhuishouding. Denk aan de IJssel die traag stroomt langs de Duursche Waarden, Vreugderijkerwaard en Reevediep richting de Keteldelta met stroomdalgraslanden en vochtige bossen. Of aan het Vechtdal met zijn beboste rivierduinen, de Wieden-Weerribben als grootste laagveenmoeras van Noordwest-Europa, en de Sallandse Heuvelrug met uitgestrekte bossen en heide, leefgebied van het kwetsbare korhoen. Ook het glooiende Twentse landschap met stuwwallen en rivieren zoals de Regge en de Dinkel is kenmerkend, net als de weidevogelgebieden waar soorten als grutto, tureluur en kievit thuishoren. Een groot deel van de natuurgebieden in onze provincie is stikstofgevoelig en kwetsbaar, onder andere door versnippering (geïsoleerde ligging) en verdroging.
In sommige gebieden spelen ook andere factoren mee, zoals de invloed van nutriënten, de toename van invasieve exoten, het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de effecten van klimaatverandering. De opgaven zijn groot: zowel voor het behoud van de natuurkwaliteit als voor het behalen van de wettelijke doelen op het gebied van natuur, en de samenhang met het omliggende landgebruik. Samen met medeoverheden, partners, ondernemers en inwoners werken we aan een robuustere natuur en een duurzame balans tussen menselijk gebruik en het behoud van onze waardevolle natuur.
In onze provincie streven we naar een aantrekkelijke, gezonde, veilige en prettige woon-, werk- en leefomgeving. Groen, natuur en landschappen spelen daarin een belangrijke rol, zowel binnen als buiten natuurgebieden én in het bebouwde gebied. De natuur is onmisbaar in onze leefomgeving. Het biedt ruimte voor ontspanning, sport en ontmoeting, draagt bij aan verkoeling tijdens warme periodes, zorgt voor schoon water en schone lucht, en ondersteunt de landbouw. Daarnaast is natuur een wezenlijk onderdeel van het karakteristieke Overijsselse landschap. Het is daarom belangrijk om de natuur te behouden, te beschermen en verder te ontwikkelen. Een robuust water- en bodemsysteem is daarbij onmisbaar, omdat veel planten-en diersoorten daarvan afhankelijk zijn. Ook groene en blauwe structuren, zoals houtwallen, sloten, poelen en kleine bosjes, vervullen een belangrijke ecologische functie, ook in het bebouwde gebied. Niet alleen het beschermen van individuele soorten is van belang, maar juist ook het op orde brengen van de omgevingscondities, het water- en bodemsysteem en de groenblauwe dooradering. Het samenspel tussen natuur, mens en landbouw heeft het Overijsselse landschap gevormd.
Door de eeuwen heen zijn, onder invloed van veranderingen in de samenleving, overheidsbeleid, techniek, natuurlijke processen en bijvoorbeeld de beschikbaarheid van meststoffen, verschillende typen landschappen ontstaan. Zo groeide een gevarieerd patroon van akkers, weiden, hooilanden en bebouwing, met hoeven, dorpskernen en landgoederen. Structuren, maatvoering en landschapselementen pasten zich steeds aan de tijd aan. Dat veelgelaagde landschap is nog altijd zichtbaar: in de bebouwing van historische binnensteden en dorpen, bij oude molens, kerken, boerderijen en landhuizen. Ook de ligging van wegen, dijken en gebouwen vertelt het verhaal van het landschap: van het organisch gegroeide essenlandschap tot de planmatige, rechte verkavelingen van jongere ontginningen. Dit landschap is niet alleen waardevol, maar ook aantrekkelijk. Veel mensen recreëren er - fietsend, wandelend, sportend of varend – en genieten van de rust, ruimte, natuur en historie. Juist dat maakt onze groene omgeving zo bijzonder. Daarom zetten we ons in om deze landschappen te behouden en te versterken.
60
Werken aan biodiversiteitsverbetering via verschillende sporen De kwaliteit van onze natuur en de biodiversiteit neemt af. Om de biodiversiteitsdoelen te halen, moet deze trend worden gekeerd. Ook voor het halen van de doelen van de Kaderrichtlijn water (KRW) is verbetering van de waterkwaliteit nodig. Het is belangrijk dat er een goede balans ontstaat tussen natuur, water, maatschappelijke belangen en ruimtelijke ontwikkelingen. Daarom werken we aan het verbeteren van de kwaliteit van natuur, water en biodiversiteit: 1. Binnen natuurgebieden: zorgen voor goede ruimtelijke en milieucondities voor natuurtypen, planten en dieren binnen de natuurgebieden zelf. 2. Buiten natuurgebieden: verbeteren van de ruimtelijke en milieucondities voor natuurtypen, planten en dieren in de omgeving van natuurgebieden, in de groene omgeving en in het bebouwde gebied. 3. Buiten natuurgebieden: realiseren van een netwerk van groene en blauwe verbindingen om natuurgebieden met elkaar te verbinden. 4. Buiten natuurgebieden: stimuleren van een basiskwaliteit natuur in gebieden waar andere functies dan natuur leidend zijn. Bij nieuwe (bebouwde) ontwikkelingen moet voldoende aandacht zijn voor natuur en de bestaande biodiversiteit. Dergelijke ontwikkelingen moeten bijdragen aan de versterking ervan. Ook in de bestaande bebouwde omgeving is biodiversiteit van belang.
Denk aan groenblauwe dooradering, het behoud en herstel van leefgebieden voor gebouwbewonende soorten, en het vergroenen van het bebouwde gebied. Beleven en benutten van natuur We zetten ook in op het beleven en benutten van natuur. Natuur dichtbij heeft een bewezen positief effect op de fysieke en mentale gezondheid van inwoners. Onze ambitie is dan ook om natuur dichter bij mensen te brengen. Wanneer natuur onderdeel is van het dagelijks leven, gaan mensen er zorgvuldiger mee om, waarderen ze haar meer en draagt dit bij aan hun welzijn. Daarom willen we de kennis en het bewustzijn over de waarde van de natuur in de eigen leefomgeving
vergroten. Via ons programma Natuur voor Elkaar, ons opdrachtgeverschap en bij de uitvoering van projecten geven we hier volop aandacht aan. Behouden en versterken van onze landschappen Onze provincie kent een grote landschappelijke variatie in de groene omgeving. Die diversiteit willen we niet alleen behouden, maar ook versterken. Dat kan door elk project en initiatief, groot of klein, te laten bijdragen aan de landschappelijke en ruimtelijke kwaliteit. In de groene omgeving hebben ‘groene’ functies voorrang. Ontwikkelingen die daar niet vanzelfsprekend thuishoren, worden alleen onder voorwaarden toegestaan. Voor ontwikkelingen die aansluiten bij de Leidende Principes en bij het gewenste gebiedsperspectief (bijlage 4), bieden we ruimte. Voorwaarde is wel dat elke ontwikkeling actief bijdraagt aan het behoud en de versterking van het landschap, de natuur, de cultuurhistorie en andere opgaven in de groene omgeving. Het tegengaan van klimaatverandering én het nemen van maatregelen om de effecten ervan op te vangen, vormt daarbij een overkoepelende opgave. Voor nieuwe ontwikkelingen in de groene omgeving gelden de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO) en de Catalogus Gebiedskenmerken. In deze catalogus is per landschapstype in Overijssel beschreven welke kwaliteiten en kenmerken behouden, versterkt en ontwikkeld kunnen of moeten worden.
Ook bevat de catalogus onze inzet voor Basiskwaliteit Natuur: een vrijwillige methode waarin we stimuleren, inspireren en faciliteren.
61
In de Nationale Landschappen IJsseldelta en Noordoost-Twente zetten we in op het behoud, duurzaam beheer en, waar mogelijk, versterking van de bijzondere kwaliteiten van deze gebieden. Daarnaast willen we de recreatieve toegankelijkheid vergroten. We willen landgoederen behouden en versterken. Landgoedeigenaren beheren 10% van Overijssel en creëren daarmee belangrijke maatschappelijke meerwaarde op het gebied van cultuurhistorie, ecologie, economie, landschap en sociale kwaliteit. Er zijn veel verschillende soorten landgoederen. Kenmerkend is dat het beheer is gericht op de volgende generaties en het landgoed als eenheid. Daarbij is men steeds op zoek naar optimale combinaties. Rendabele functies als landbouw en wonen worden gebruikt om de kwaliteit van onrendabele functies als natuur, cultuur en landschap te behouden en ontwikkelen. Bij de ontwikkeling van landgoederen is er aandacht voor de directe omgeving, de zogenoemde landgoedbiotoop, en voor de samenhang van landgoederenzones. Deze bijzondere vorm van maatschappelijk ondernemen ondersteunen we via de landgoedaanpak. Daarmee worden oude en nieuwe functies en waarden in samenhang versterkt voor de lange termijn. Deze aanpak kan ook worden toegepast door andere partijen, zoals recreatieondernemers, groene bedrijventerreinen of agrarische bedrijven.
Een goede samenwerking tussen landgoedeigenaren, pachters en andere gebiedspartners zien we als essentieel om het verdienvermogen van het landgoed te versterken en om bij te dragen aan de maatschappelijke meerwaarde die landgoederen creëren.
Afbeelding: Visiekaart Natuur
62
2.11. Gebiedseigen oplossingen in vier windstreken Onze visie voor Overijssel is niet in heel Overijssel hetzelfde. De opgaven en doelen verschillen, en niet alle oplossingen zijn overal op dezelfde manier mogelijk. Dit komt door het ter plaatse aanwezige water- en bodemsysteem en omdat elk gebied zijn eigen kwaliteiten, cultureel erfgoed en identiteit kent waarmee we rekening willen houden. Salland is anders dan Twente en het Vechtdal verschilt weer van Noordwest Overijssel. We nemen de cultuur(historie), de identiteit en kwaliteit van een gebied, netwerk of kern en de kracht van de gemeenschap als basis en proberen dat te versterken. Door de kwaliteiten en het erfgoed te combineren met nieuwe ontwikkelingen, behouden of versterken we het streekeigen karakter van een gebied. Dit biedt kansen om te innoveren en tegelijkertijd een herkenbaar Overijssel te blijven. Deze aanpak sluit aan op de specifieke behoeften van de verschillende gebieden en biedt zoveel mogelijk ruimte voor maatwerk. Dit resulteert in gebiedseigen oplossingen.
63
Voor de vier windstreken Salland, Noordwest Overijssel, Vechtdal en Twente hebben we dit verder uitgewerkt in gebiedseigen perspectieven. Daarbij is gebruik gemaakt van hetgeen we meekregen van onze partners tijdens de gebiedsdagen, inwonergesprekken en reacties op conceptteksten. We hebben daarin ook aansluiting gezocht bij visies en gebiedsinitiatieven in de gebieden. Op de volgende pagina zijn verkleinde versies van de illustratieve uitsneden opgenomen behorende bij de gebiedseigen perspectieven. In bijlage 4 zijn illustraties van de gehele windstreek opgenomen. De perspectieven geven een beeld van hoe de regio eruit kan komen te zien en zijn bedoeld om inspiratie te bieden om op een gebiedseigen manier en in samenhang, invulling te kunnen geven aan de opgaven die spelen. De uitgewerkte perspectieven zijn geen blauwdruk, maar inspirerend en uitnodigend bedoeld. We vertrouwen erop dat onze medeoverheden, partners, ondernemers en inwoners die met ons willen realiseren.
Afbeelding: Uitsnede illustratief gebiedseigen perspectief Salland
Afbeelding: Uitsnede illustratief gebiedseigen perspectief Het Vechtdal
Afbeelding: Uitsnede illustratief gebiedseigen perspectief Noordwest Overijssel
Afbeelding: Uitsnede illustratief gebiedseigen perspectief Twente
64
2.12. In overleg met de samenleving Voor het uitvoeren van deze visie is het van belang om de opgaven samen aan te pakken. We kunnen én willen dit als provincie niet alleen doen. Door samen op te trekken bereiken we meer. Bij veel opgaven heb je elkaar nodig om een doel te bereiken. Voor die opgaven willen we in overleg aan de slag om ze te kunnen realiseren. Dat vraagt om creativiteit en lef: buiten de gebaande paden denken en aan de slag gaan om bij te dragen aan een duurzame toekomst voor Overijssel. Voor lokale opgaven zijn gemeenten als eerste aan zet. Bij opgaven van provinciaal belang heeft de provincie een belangrijke sleutelrol als gebiedsregisseur. Dat doen we in overleg met medeoverheden, partners, ondernemers en inwoners. De opgaven van provinciaal belang komen voort vanuit wettelijke taken, zoals bijvoorbeeld de zorg voor voldoende en schoon water, natuur en het provinciale wegennet. Maar ook vanuit het provinciaal schaalniveau. Dit zijn bijvoorbeeld opgaven zoals ruimte voor woningen en bedrijven in balans met de groene omgeving, waarbij oog is voor de ruimtelijke kwaliteit. In onze Omgevingsvisie sturen we op doelen en opgaven. Deze doelen en opgaven moeten integraal en in samenhang bezien worden. We bieden ruimte voor maatwerk en gebiedseigen oplossingen, zodat er ook flexibel ingespeeld kan worden op de bestaande situatie en nieuwe ontwikkelingen.
In deze Omgevingsvisie zijn we duidelijk in ‘wat’ we willen en moeten bereiken. We hebben hiervoor doelen, opgaven en kaders opgenomen in hoofdstuk 6. Waar mogelijk geven we aan ‘waar’ doelen en opgaven zich bevinden. Daarnaast hebben we een Redeneerlijn geformuleerd als leidraad voor de locatieafweging. En we geven richting en ruimte aan ‘hoe’ we die doelen en opgaven gaan bereiken. Het OF, WAAR en HOE wordt nader toegelicht in bijlage 3. Verdere uitwerking vindt plaats in beleids- en of uitvoeringsprogramma’s, gebiedsprocessen, projecten en initiatieven. Dit doen we in overleg met medeoverheden, partners, ondernemers en
65
inwoners. We stemmen af met partners wie welke rol en verantwoordelijk heeft en wie welke besluiten neemt. Dat doen we met respect voor elkaars taken en verantwoordelijkheden. Voor de uitvoering van de Omgevingsvisie is de Omgevingswet daarbij de basis voor wat we verwachten van elkaar. We vragen om bij de start van een programma, (gebieds)proces en/of project om een startdocument op te stellen waar dit, en ook de kaders voor participatie en besluitvorming, in zijn opgenomen. Onderdeel ervan is om ook breder te kijken naar andere doelen en opgaven of lopende projecten en/of processen. We stimuleren onze medeoverheden, partners, ondernemers en inwoners ook om onderling de samenwerking te blijven zoeken. Daarbij zetten we ook ons eigen netwerk in. We verbinden opgaven en betrokkenen en creëren zo win-win situaties. Dit doen we onder andere door regelmatig in gesprek te gaan met gemeenten en waterschappen, waarin nieuwe ontwikkelingen vroeg in het proces worden besproken en waarbij gezamenlijk gekeken wordt hoe deze passend kunnen zijn. We zetten in op een regionale aanpak. Deze regionale aanpak vindt niet alleen binnen onze provinciegrenzen plaats, we kijken ook buiten onze provinciegrenzen. Niet alles is namelijk binnen onze provincie op te lossen. Soms zijn opgaven en de bijbehorende oplossingen zo groot dat een aanpak of benadering op een hoger schaalniveau nodig is.
De water-, natuur- of landbouwopgaven houden niet op bij een lokale grens (of de provinciegrens). En we lossen het woningbouwprobleem ook niet op in één stad of gemeente of enkel binnen onze provincie. We gaan daarom ook in gesprek met (de omliggende) provincies, het Rijk en Duitsland. We maken gebruik van de kennis en ervaringen van onze inwoners, ondernemers, partners en medeoverheden. In overleg met hen en met behulp van hun inzet en energie, denk- en ondernemerskracht, maken we onze provincie nóg mooier, nóg beter en nóg prettiger voor mensen om in te wonen, te werken en te leven.
Hoofdstuk 3: Leidende Principes en Redeneerlijn. Het hart van onze Omgevingsvisie!
66
3.1.
Inleiding
In dit hoofdstuk worden de Leidende Principes en Redeneerlijn toegelicht. Onder andere op basis van deze onderdelen is de visie in hoofdstuk 2 tot stand gekomen. In paragraaf 2.3. is een korte toelichting gegeven op de Leidende Principes en de Redeneerlijn. Dit hoofdstuk is een verdieping daarop. In bijlage 3 is daarnaast nog een nadere uitwerking van het OF, WAAR en HOE opgenomen. De vele opgaven die op ons afkomen, vragen om het maken van afwegingen, prioritering en keuzes, want niet alles kan overal. Dit doen we aan de hand van drie vragen: OF?, WAAR? en HOE? De OF vraag geeft een antwoord op vragen als: wat is de opgave / het initiatief, wat is het maatschappelijke belang, aan welke doelen / opgaven draagt het (nog meer) bij, hoe past het binnen deze Omgevingsvisie, etc. In hoofdstuk 6 van deze Omgevingsvisie zijn ambities, doelen en opgaven opgenomen. Bij de WAAR vraag gaat het om een onderbouwing van de locatiekeuze. Hiervoor zijn Leidende Principes en de Redeneerlijn opgesteld. Onze vier Leidende Principes zijn: • Duurzaam omgaan met onze ruimte en voorraden. • Water en bodem sturend maken in onze ruimtelijke inrichting. • We zetten in op krachtige DSS-regio’s (Dagelijkse Stedelijke Systemen). • Voortbouwen op onze bestaande sterke netwerken. Deze Leidende Principes kunnen elkaar raken.
De Redeneerlijn in deze Omgevingsvisie maakt duidelijk hoe we de Leidende Principes toepassen en hoe we prioriteren wanneer zij elkaar raken, en waar er ruimte is voor lokale bestuurlijke afwegingen. We gaan uit van ‘ja, tenzij’. De Redeneerlijn is een hulpmiddel voor de afweging waar een
67
ontwikkeling een plek kan krijgen en voor de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De HOE vraag leidt tot een omschrijving van het doorlopen proces en de participatie, volgens onze Participatievisie en -werkwijze. Daarnaast vragen we hoe het initiatief bijdraagt aan de brede welvaart met de Rode Draden. Zo zorgen we voor een zorgvuldige afweging van alle belangen op het gebied van brede welvaart, zoals economische, sociaal-maatschappelijke en duurzame belangen. De Rode Draden ruimtelijke kwaliteit, sociale kwaliteit, gezondheid en duurzaamheid geven houvast en maken onderdeel uit van ons ruimtelijk beleid. Duurzaamheid bijvoorbeeld door zuinig omgaan met ruimte en voorraden, maar ook door ruimte te bieden voor het opwekken van duurzame energie door onder andere het aanwijzen van voorkeursgebieden voor het opwekken van windenergie. Het versterken van ruimtelijke kwaliteit is als uitgangspunt opgenomen in de Omgevingsverordening en de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO) en werkt zo door naar ontwikkelingen en initiatieven. Onze Catalogus Gebiedskenmerken biedt inspiratie, richting en houvast voor het vormgeven en kiezen van de inpassing van nieuwe ontwikkelingen en initiatieven. Een ander voorbeeld is dat vanuit sociale kwaliteit en gezondheid aandachtspunten worden meegeven voor de ontwikkeling van aantrekkelijke woon-, werk- en leefomgevingen.
Voor de economische kant van brede welvaart hebben we economisch beleid; dit is op hoofdlijnen opgenomen in deze Omgevingsvisie in paragraaf 6.8. Daarom is er hiervoor geen aparte Rode Draad. Bij nieuwe ontwikkelingen of initiatieven vragen we om te onderbouwen hoe ze bijdragen aan de Rode Draden en daarmee de brede welvaart. Dit is daarom ook onderdeel van de Redeneerlijn.
3.2. Duurzaam omgaan met onze ruimte en voorraden We gaan duurzaam om met onze ruimte en onze voorraden, omdat beiden op een gegeven moment opraken. Duurzaam omgaan met de ruimte Om alles te doen wat we willen is steeds meer ruimte nodig. Ruimte die er niet altijd is. Zuinig, zorgvuldig en meervoudig ruimtegebruik staat daarom voorop bij het maken van de keuzes in onze Omgevingsvisie. We beschermen de ruimte die er is, en benutten die zo goed mogelijk. Concentratie, nabijheid en (boven)regionale afstemming: Plekken waar mensen vaak naartoe gaan, zoals hun werk, hun huis of voorzieningen, zien we het liefst dicht bij elkaar. Dat scheelt reistijd, is goed voor de bereikbaarheid en maakt het makkelijker voor bedrijven om samen te werken. Nieuwe ontwikkelingen concentreren zich zoveel mogelijk in en bij de vijf grote steden (Deventer, Zwolle, Almelo, Hengelo en Enschede) in de DSS-regio’s (Dagelijkse Stedelijke Systemen). Bij voorkeur op locaties die goed bereikbaar zijn voor verschillende soorten van vervoer. We werken dit samen met het Rijk en de regio’s uit in de verstedelijkingsstrategieën voor de drie DSSregio’s (Stedendriehoek, Twente en Zwolle). In de vijf grote steden mag voor (boven)regionale behoefte worden gebouwd, dus ook voor mensen van buiten de directe regio.
Voor alle overige kernen geldt dat altijd voor de lokale behoefte en bijzondere doelgroepen gebouwd mag worden. Onder voorwaarden is er voor deze kernen daarnaast ruimte om te bouwen voor meer dan hun lokale behoefte. In de verstedelijkingsstrategieën wordt per DSS-regio bekeken welke rol passend is voor de verschillende kernen. Gemeenten stemmen hun ontwikkelplannen onderling af in regionale afspraken voor wonen en werken. Hierbij is het van belang dat er samenhang is tussen het programmeren van woningbouwlocaties en nieuwe bedrijventerreinen en dat goed gekeken wordt naar de bereikbaarheid van beide.
68
Zuinig ruimtegebruik: Zuinig omgaan met onze ruimte betekent die ruimte – zowel boven als onder de grond – zo goed mogelijk benutten. Met een goede balans tussen bebouwde en onbebouwde gebieden. Uitbreiding moet in eerste instantie plaatsvinden aan de rand van en/of net buiten een kern. We bouwen liever binnen bestaande wijken (inbreiding) dan buiten de bebouwde kom (uitbreiding). Eerst kijken we of we meer woningen kunnen toevoegen op plekken waar al woningen zijn (verdichting). Niet door alle waardevolle groene ruimte in het bebouwde gebied vol te bouwen, maar wel door slim te kijken naar een combinatie van sloop, herbestemming of transformatie. Hoger bouwen speelt hierbij een rol. En we kiezen voor nabijheid: het realiseren van ontwikkelingen bij elkaar in de buurt, met mogelijk een andere rol voor binnenstedelijke mobiliteit. Daarmee ontstaat verdichting mét oog voor leefbaarheid, verplaatsingen, ontmoetingen, klimaatadaptatie en groen. Als inbreiding in bestaand bebouwd gebied niet kan, dan is uitbreiding in de groene omgeving onder voorwaarden mogelijk. Bij nieuwe ontwikkelingen vragen we voordat uitbereiding plaatsvindt in de groene omgeving een onderbouwing: • Dat er maatschappelijke behoefte is aan de beoogde ontwikkeling.
• Of er binnen het bebouwde gebied locaties benut kunnen worden of beschikbaar te maken zijn door bijvoorbeeld sloop, herstructurering en transformatie. • Of de mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut. Van gemeenten vragen we een visie op de ontwikkeling van hun kernen. Met niet alleen plannen voor woningbouw, maar ook aandacht voor wat er nog meer speelt. En waarbij er ruimte blijft voor groen, water, klimaatadaptatie, verduurzaming en ontmoeting. De eis ‘inbreiding gaat voor uitbreiding’ betekent niet dat uitbreiding pas kan als álle inbreidingsmogelijkheden zijn benut. We verwachten van
gemeenten dat zij een visie op de ontwikkeling van kernen maken, waaruit blijkt hoe inbreiding wordt ingezet om een compacte opbouw van het bestaand bebouwd gebied te realiseren. Met daarbij oog voor de leefbaarheid en belang van voldoende open en groene ruimte in een stad of dorp. In de visie kan daarnaast in beeld worden gebracht hoe de verhouding is tussen ontwikkelingen binnen bestaand bebouwd gebied en op uitbreidingslocaties. Zo draagt de ontwikkeling van een kern bij aan het bouwen van leefbare gemeenschappen met bereikbare voorzieningen en een herkenbaar hart van een kern. Hiermee kunnen parallel aan de ontwikkeling van de inbreidingslocaties ook uitbreidingslocaties worden ontwikkeld. Instrumenten die hiervoor ingezet kunnen worden zijn bijvoorbeeld een gemeentelijke Omgevingsvisie, een stedenbouwkundige visie op kern- of gemeenteniveau en een visie op hoger bouwen. Mogelijkheden op erven: Een andere mogelijkheid is om gebruik te maken van de ruimte binnen bestaande erven. Bij een nieuwvestiging of uitbreiding kan de eis gesteld wordt dat (elders) opstallen gesloopt worden en verharding wordt verwijderd, om zo de balans tussen bebouwd en onbebouwd gebied te bewaken. Bij vrijkomende agrarische bebouwing (VAB’s) maken we hergebruik van gebouwen, met bijbehorende erven en gronden, mogelijk. Dit moet wel passend zijn in de omgeving en bij ons landbouwbeleid.
We zien hier een link met de uitbreidingsbehoeften van kleine kernen en dorpen. In overleg met onze medeoverheden, partners, ondernemers en/of inwoners worden passende nieuwe initiatieven voor de VAB’s ontwikkeld. We nodigen gemeenten uit om met elkaar een Intergemeentelijk VAB-/Erftransformatie-programma te ontwikkelen. Door dit intergemeentelijk op te pakken, ontstaat samenhang tussen de gemeentelijke programma's (als een ‘paraplu’ van bestuurlijke afspraken). Zorgvuldig, meervoudig en multidimensionaal ruimtegebruik: Door zorgvuldig en meervoudig ruimtegebruik benutten we ruimte slim en combineren we functies.
69
Bij nieuwe plannen kijken we of ze bestaande of toekomstige ontwikkelingen niet in de weg zitten en of er genoeg ruimte overblijft voor andere functies. Dit doen we per gebied én voor de hele provincie. In sommige gebieden staan we geen functies toe als die de belangrijkste functie daar beperken. Bijvoorbeeld: geen nieuwe woningen op plekken van voormalige boerderijen (VAB’s) als in zo’n gebied de landbouw nog kan groeien. We willen niet dat die nieuwe woningen de agrarische ontwikkeling in weg zouden zitten. Bij het combineren van functies hebben we het over meervoudig en multidimensionaal ruimtegebruik. Als een gebied of locatie bijvoorbeeld meerdere functies kan hebben, dan geven we daar voorrang aan boven gebruik van een gebied of locatie voor maar één doel. Er wordt hierbij niet alleen gekeken naar functies bovengronds, maar ook wat er ondergronds mogelijk is. Een voorbeeld is om zowel op gebouwniveau als op wijk- en buurtniveau verschillende functies zoals wonen, werken en parkeren te combineren. Dit bespaart ruimte en zorgt ervoor dat inwoners, bezoekers en bedrijven veel functies dichtbij hebben. We zien ook kansen voor meervoudig en multidimensionaal ruimtegebruik als er meerdere opgaven in een gebied spelen, bijvoorbeeld in landbouwgebieden met gebiedsspecifieke opgaven en kansen.
Toekomstbestendig: Nieuwe ontwikkelingen houden rekening met ruimte voor klimaat-, biodiversiteits-, milieu- en leefbaarheidsopgaven. Zo dragen nieuwe ontwikkelingen bij aan de behoefte van de huidige generatie en bieden ook ruimte voor de behoeften van toekomstige generaties. We vragen aan gemeenten om aannemelijk te maken dat ontwikkelingen toekomstbestendig zijn en dus: • De mogelijkheden van toekomstige generaties om in hun behoeften te voorzien niet in gevaar brengen. • Duurzaam en evenwichtig bijdragen aan het welzijn van mensen, economische welvaart en het beheer van natuurlijke voorraden. • Ook op de lange termijn toegevoegde waarde hebben.
Aansluiten op en bijdragen aan de identiteit, kenmerken en kwaliteiten: Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan op de kenmerken van het gebied, het water- en bodemsysteem, de economische structuur, de aanwezige mobiliteitsnetwerken en de beschikbaarheid van nutsvoorzieningen. Daarnaast passen ze in of dragen ze bij aan de bestaande kwaliteit, identiteit, cultureel erfgoed en de leefbaarheid en voegt de nieuwbouw ruimtelijke kwaliteit toe. Ze sluiten aan bij het eigen karakter van steden, dorpen en kernen en omliggend landschap. Het gaat hierbij om het herontdekken of zelfs opnieuw uitvinden van de dragende kwaliteiten en structuren en daarbij aansluiten met eigentijdse vormen van grondgebruik en inrichting. Belangrijk uitgangspunt is dat nieuwe ontwikkelingen moeten helpen om de bestaande situatie te verbeteren. Het bebouwde gebied en de groene omgeving blijven hierbij met elkaar in balans en we versterken het contrast tussen de dynamische en luwe gebieden. Duurzaam omgaan met voorraden We werken we toe naar een circulaire economie en maatschappij die spaarzaam omgaat met grondstoffen, waar winning, gebruik en maximaal hergebruik dicht bij elkaar plaatsvinden (kringlopen sluiten) en waar gebruik van hernieuwbare grondstoffen wordt gestimuleerd. Dit beperkt het gebruik van niet-hernieuwbare grondstoffen, zoals fossiele brandstoffen.
Dat willen we doen door onder andere de volgende uitgangspunten: • Duurzaam omgaan met het gebruik van materiaal en hergebruik van grondstoffen en het sluiten van (regionale) kringlopen. • De vier pijlers van ons ontgrondingenbeleid: 1) balans tussen beschermen en benutten, 2) waardecreatie bij ruimtelijke ingrepen, 3) integratie van ontgrondingenbeleid binnen het bredere kader van ruimtelijke ontwikkeling en 4) borgen van duurzaamheid en circulariteit. • Innovaties, optimalisatie van productieprocessen waaronder het zuinig omgaan met het milieu, met zeer zorgwekkende stoffen en
70
•
•
grondstoffen. Dit geldt onder andere voor het bedrijfsleven, overheid, agro- en foodsector. We willen voorwaarden scheppen waaronder groene innovaties tot stand kunnen komen, bijvoorbeeld door het stimuleren van kennisdeling, keten-ontwikkeling en waar mogelijk en gewenst door actieve ondersteuning. Energie- en warmtetransitie door het opwekken van energie uit bronnen als zon, wind, biomassa, mono-mestvergisting, ondergrond en mogelijk in de toekomst andere duurzame energievormen zoals waterstof en kernenergie. We zien daarnaast goede mogelijkheden voor besparing en efficiënter gebruik van energie in (nieuwe) woningen of op bedrijventerreinen en productieprocessen van bedrijven, bij de verwarming en verkoeling van gebouwen en bij mobiliteit. Innovatie en andere systemen leveren hier in de toekomst ook een bijdrage aan. Zorgvuldig omgaan met (drink)water. Water vervult vele functies in onze maatschappij: schoon water is belangrijk voor onze natuur, landbouw, drinkwatervoorziening, recreatie en industrie. Daarmee is het een belangrijke randvoorwaarde voor de volksgezondheid, biodiversiteit en economie. Dit kan door water in gebieden langer vast te houden (zeker in droge perioden), het bergen van water (bij met name extreme neerslag) en het water te laten infiltreren in de bodem. Maar ook door zelf minder (drink)water te gebruiken en de kwaliteit van bronnen te bewaken.
Bijvoorbeeld door lokale ingrepen te doen, zoals het opvangen van water in huis en tuin en door hergebruik van grijs water. En door circulair gebruik van (drink)water, inclusief het water uit industriële processen en het binnen de Rijkskaders - hergebruik van effluent van rioolwaterzuiveringsinstallaties. (Drink)waterbesparing draagt bij aan het behoud van ons milieu. Het vermindert de vraag naar energie die nodig is om water te verwerken en te leveren, wat weer leidt tot vermindering van vervuiling die ontstaat bij die processen.
3.3. Water en bodem sturend maken in onze ruimtelijke inrichting Het water- en bodemsysteem vormt de basis voor de (toekomstige) inrichting van onze provincie. In ons omgevingsbeleid zoeken we naar oplossingen die zich goed verhouden tot of aansluiten bij het water- en bodemsysteem. Dan kunnen we veilig en gezond in onze provincie blijven wonen, werken en leven. Ook als we te maken krijgen met een ander en grilliger klimaat. Het water- en bodemsysteem is de onderlegger voor ruimtelijke opgaven zoals verstedelijking, woningbouw, landbouw en energievoorziening. Door in te spelen op de werking van het natuurlijke water- en bodemsysteem kunnen de diverse ruimtelijke functies op een logische, kosteneffectieve en houdbare manier worden ingericht. Het is de basis voor onze leefomgeving. Uitgangspunt is dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen worden ontworpen met het bestaande water- en bodemsysteem als vertrekpunt. Soms zijn bepaalde functies op een plek niet mogelijk, omdat er niet voldoende water beschikbaar is of de effecten van de klimaatverandering niet voldoende kunnen worden opgevangen. Het kan ook betekenen dat het ontwerp aangepast of de locatie heroverwogen moet worden. Voor bestaande functies geldt dat we in sommige gevallen meer overlast moeten accepteren, de huidige situatie moeten aanpassen of omvormen.
Hierbij hebben de waterschappen, als kennishouder van de regionale water- en bodemsystemen, een cruciale rol in de weging van het waterbelang. Wanneer de waterschappen zo vroeg mogelijk worden betrokken, zijn zij in staat in de planvormingsprocessen de waterbelangen te behartigen. Ook de gemeenten hebben kennis van het watersysteem, met name in het bebouwde gebied. Zij kunnen deze kennis inbrengen in de planvorming.
71
Gebiedsgerichte uitwerking van dit Leidende Principe Onze provincie bestaat uit verschillende landschappen. Elk landschapstype vraagt om een specifieke benadering van het Leidende Principe ‘Water en bodem sturend in de ruimtelijke inrichting’. De manier waarop water en bodem werken in het veenweidegebied is bijvoorbeeld heel anders dan op de zandgronden. Op de visiekaart in paragraaf 2.6. hebben we Overijssel ingedeeld in vier gebiedstypen: zandgronden, IJssel Vecht en Delta, veenweidegebieden en bebouwd gebied. Op de zandgronden willen we werken aan het vergroten van de grondwatervoorraad door herstel van de balans tussen onttrekking en aanvulling. Dit doen we door de afvoer van water te vertragen, de grondwaterstanden te verhogen, de bodem meer water te laten vasthouden en de waterkwaliteit te verbeteren. Daarnaast moet er voldoende ruimte in het landschap zijn om heftige neerslag te kunnen bufferen, te laten infiltreren naar de ondergrond en gecontroleerd te kunnen afvoeren. Dit kunnen we bereiken door voorwaarden te stellen aan ontwatering, onttrekkingen, bufferruimte, lozingen en het tegengaan van de afspoeling van stoffen. Deze voorwaarden moeten ervoor zorgen dat beken genoeg water hebben, de grondwaterstanden op peil kunnen komen, sterke kwelstromen intact blijven en de waterkwaliteit goed is.
In de regionale sponsstrategie werkt de Regio Zwolle met partijen aan deze opgaven. In de IJssel Vecht Delta nemen de risico's op overstromingen toe door onzekerheid over toekomstige waterafvoeren en waterstanden. We willen deze risico's beheersen door ruimte te reserveren voor toekomstige waterafvoer, waterberging, uitbreiding van infrastructuur en in te spelen op een eventuele stijging van het waterpeil van het IJsselmeer. We zijn terughoudend met het toestaan van buitendijkse ontwikkelingen. Bij het bouwen in gebieden die kunnen overstromen, beoordelen we de locatie op deze risico's. Als er toch gebouwd wordt op
plekken met een hoger risico, zorgen we ervoor dat de kwetsbaarheid voor wateroverlast of overstroming niet toeneemt.
maatregelen voor water en bodem sturend van toepassing zijn en leiden tot een gebiedsgerichte uitwerking.
In het veenweidegebied willen we werken aan het tegengaan of stoppen van veenoxidatie en bodemdaling door vernatting van het laagveen. Dit kan door peilopzet, het verdichten van het slotenpatroon en water in greppels te laten infiltreren. Het vernatten vereist maatwerk op basis van de lokale fysieke omstandigheden (veensoort, bodemopbouw, etc.) en landschappelijke kenmerken. Om het laagveengebied nat te kunnen houden, zijn hydrologische bufferzones nodig als randvoorwaarde om het wegstromen van water tegen te gaan. Het gebruik van gebiedseigen water voor het vernatten heeft de voorkeur, omdat dit dezelfde organische en chemische kwaliteit heeft als in het gebied aanwezig is en minder vervuiling veroorzaakt ten opzichte van gebiedsvreemd water.
Daarnaast is Overijssel geen eiland en bestaan er bovenregionale relaties met de omliggende provincies en Duitsland. Het water- en bodemsysteem werkt door van de lokale naar de West-Europese schaal, van bovenstrooms naar benedenstrooms. Dit geldt voor de IJssel als onderdeel van de Rijndelta, maar ook voor kleinere peilgebieden zoals polders in Noordwest Overijssel of de weteringen in Salland. In bovenstroomse gebieden moet rekening gehouden worden met de invloed op benedenstroomse gebieden en versnelde afvoer moet worden voorkomen. Dit geldt ook voor grondwaterstroming, waar water via de bodem naar de oppervlakte komt.
Voor bebouwde gebieden geldt een duidelijke relatie met het onderliggende gebiedstype. Zwolle in de IJsseldelta heeft andere opgaven dan Enschede, dat hoog op de zandgronden ligt. Bij het kiezen van locaties voor nieuwe stedelijke ontwikkeling willen we rekening houden met de bodem en de plaats in het watersysteem. De klimaatopgave mag niet worden vergroot en daarom zijn slappe, natte relatieve laagtes en overstroombare gebieden beperkt geschikt voor nieuwbouw. Klimaatrobuustheid kan vorm krijgen door eisen te stellen aan bouwwijzen zodat die zijn afgestemd op lokale water- en bodemkarakteristieken en rekening houden met lange termijn klimaatverandering. De hiervoor geschetste gebiedstypen zijn gebaseerd op hydrologische, geomorfologische en landschappelijke kenmerken en houden zich niet aan bestuurlijke grenzen. Ze gaan geleidelijk in elkaar over en beïnvloeden elkaar. In veenweidegebieden is bijvoorbeeld de invloed van aangrenzende zandgronden en de IJssel, Vecht en Delta merkbaar door grondwaterstromingen en overstromingsrisico. Ook voor de zandgronden is de grens met andere gebiedstypen niet scherp. In deze overgangsgebieden moet een lokale analyse uitwijzen welke
72
Technische maatregelen zijn en blijven lokaal, en voor specifieke opgaven zoals dijkversterking, mogelijk. Daarbij wordt wel gekeken of deze technische maatregelen passen bij het ‘in balans zijn en komen met het water- en bodemsysteem’ en ook of ze een goede keuze zijn gelet op de toekomst, houdbaarheid en betaalbaarheid. Afwentelen voorkomen • We voorkomen afwentelen naar toekomstige generaties (tijd) door nu rekening te houden met belasting van het huidige systeem, klimaatverandering en beheerkosten in de toekomst. Door bijvoorbeeld woningbouw of infrastructuur aan te leggen op plaatsen waar we als gevolg van klimaatverandering in de toekomst ruimte voor klimaatmaatregelen nodig hebben, zadelen we toekomstige generaties op met een probleem. • Afwentelen voorkomen naar andere gebieden of functies (ruimte): activiteiten op bepaalde locaties, zoals afstromen van verontreinigd regenwater in bebouwd gebied, mogen niet leiden tot effecten op een andere locatie, bijvoorbeeld wateroverlast en verslechtering van de waterkwaliteit. Onderbouwde uitzonderingen blijven mogelijk, doordat afwentelen soms niet te voorkomen is. Dit moet dan wel goed worden onderbouwd.
•
Niet afwentelen van privaat naar publiek (kosten): door bij investeringen voldoende rekening te houden met bijvoorbeeld klimaatverandering, bodemdaling en bodem- en watervervuiling, worden de kosten hiervoor nu meegenomen en niet naar de toekomst doorgeschoven. Bijvoorbeeld door rekening te houden met het water- en bodemsysteem bij het bouwrijp maken van een gebied, waardoor we geen kosten afwentelen op overheden en bewoners voor instandhouding van woningen, funderingen, wegen en leidingen.
Meer rekening houden met extremen In beleid, ruimtelijke inrichting en het ontwerpen van maatregelen houden we veel meer rekening met bovennormatieve weersextremen die horen bij klimaatverandering. Bijvoorbeeld momenten van extreme regenval of hittegolven. Door in de ruimtelijke inrichting meer flexibiliteit en veerkracht in te bouwen, kunnen we beter omgaan met deze extremen. Hiervoor hanteren we klimaatrobuuste ontwerpprincipes. Zo geeft de Maatlat groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving hier al handvatten voor. Buiten de bebouwde omgeving bieden natuurgebieden kansen voor waterberging en het versterken van de sponswerking van het landschap. Waterschappen hebben met klimaatstresstesten nog meer kennis over de effecten van weersextremen verkregen. Meerlaagsveiligheid Meer aandacht voor meerlaagsveiligheid is nodig om de risico’s op en gevolgen van overstromingen in de toekomst te beperken. Dit geldt niet alleen voor het hoofdwatersysteem, maar ook voor het regionale watersysteem, beekdalen en onbedijkte rivierdelen. Meerlaagsveiligheid bestaat uit: 1. Preventie: verkleinen van de overstromingskans door aanleg en versterken van dijken en keringen. 2. Gevolgbeperking: door ruimtelijke inrichting en maatregelen de effecten van een overstroming beperken. Denk aan bescherming van kritische infrastructuur, aangepast bouwen of instellen van risicozones.
73
3.
Crisisbeheersing: voorbereiden op een overstroming door verbeteren van de crisisbeheersing (organisatie en communicatie bij een eventuele calamiteit).
Minder afdekken, minder vergraven, minder verontreinigen Een gezonde en vitale bodem en het benutten van de natuurlijke kracht van de bodem is van belang voor het bestrijden van wateroverlast, droogte en hittestress. Daarnaast zijn duurzaam beheerde bodems beter bestand tegen klimaateffecten en helpen deze bij het opslaan en vastleggen van CO2 en stikstof. Daarom gaan we bodemafdekking, vergraven en extra verontreinigen van de bodem tegen. Hiermee bedoelen we: • Minder bodemafdekking: afdekking van de bodem met ondoordringbaar materiaal of door verwoesting gaat vaak ten koste van vruchtbare landbouwgrond of stadsbodem, is een risico voor de biodiversiteit, vergroot de kans op overstromingen en waterschaarste en draagt bij aan de opwarming van de aarde. • Niet vergraven: het behouden van een bodem met een intact profiel, omdat deze betere bodemecosysteemdiensten vervult (water vasthouden, stikstof en fosfaat kringloop, diversiteit bodemorganismen, bufferen van verontreinigende stoffen) dan een vergraven bodem. • Niet verontreinigen: beperken van emissies naar water- en bodemsysteem om gevoelige functies te beschermen: landbouw, natuur, drinkwater, industrie/bedrijfsleven, wonen. Comply or explain: pas toe of leg uit Het inspelen op de condities van het water- en bodemsysteem moet de basis zijn van de ruimtelijke inrichting.
Zo wordt een bijdrage geleverd aan het bereiken van doelen als biodiversiteit, klimaatmitigatie en waterkwaliteit. Mochten er onverhoopt toch redenen zijn om hiervan af te wijken dan geldt het principe ‘comply of explain’, ofwel: ‘pas toe of leg uit’. Als wordt afgeweken, moet uitlegbaar en toetsbaar zijn hoe dan wel de doelen bereikt worden.
Afbeelding: Een illustrerend toekomstbeeld voor Overijssel
74
3.4. We zetten in op krachtige DSS-regio’s In onze provincie zien we drie sterke en krachtige Dagelijkse Stedelijke Systemen (DSS)-regio's: Zwolle, Stedendriehoek en Twente. Dit zijn samenhangende regio's waarin een groot deel van het dagelijks leven van mensen plaatsvindt. Denk aan wonen, werken, voorzieningen en recreatie. We zien graag ontwikkelingen die de bestaande DSS-regio’s versterken en verbeteren. Dit willen we doen door ruimte te bieden aan bedrijvigheid en versterking van de grootstedelijke cultuur én door in te zetten op concentratie van (boven)regionale functies en voorzieningen op de hoogdynamische plekken binnen de stedelijke netwerken, waar zij het beste tot hun recht komen. Het concentreren van wonen, werken en voorzieningen (nabijheid) zorgt ervoor dat diensten, voorzieningen, bedrijven en kennisinstellingen het meest van elkaar profiteren. Dit bevordert de werkgelegenheid en arbeidsproductiviteit. Maar nog belangrijker: het vergroot de leefbaarheid en brede welvaart in onze regio’s. Iedere DSS-regio heeft zijn eigen profiel met een daarbij passend en variërend pakket aan woon-, werk- en leefmilieus en een totaalpakket aan voorzieningen. Dit geldt zowel binnen het bestaande bebouwde gebied als in de groene omgeving. Dit vraagt in de programmering van deze stedelijke functies regionale afstemming.