Bijlage VII - Omgevingsvisie .Overijssel voor en met elkaar. met wijzigingen gemarkeerd
Tekst van het document
We zijn een ondernemende provincie. We zien kansen en mogelijkheden die we volop benutten. Ons ondernemerschap is veelzijdig. Van de boeren die ons voedsel produceren tot aan de hightechbedrijven die de nieuwste technologieën ontwikkelen. De mkb- en familiebedrijven vormen de ruggengraat van onze regionale economie. Sociale contacten zijn belangrijk voor het welzijn en welbevinden. Mensen lezen, werken en ontmoeten elkaar onder andere in bibliotheken. Culturele ondernemingen zorgen voor vernieuwing en laten talent tot bloei komen.
We willen dat iedereen kan genieten van een breed cultureel aanbod, ongeacht de grootte van iemands portemonnee. Cultuur zorgt namelijk voor ontspanning, verwondering, inspiratie en het versterkt onze identiteit. Onze kracht zit daarom niet alleen in onze fysieke leefomgeving. Ook het sociale leven is een grote kracht van Overijssel. Onze inwoners hebben bij het opstellen van deze Omgevingsvisie aangegeven wat zij belangrijke waarden vinden. Die staan op onderstaande afbeelding weergegeven. Deze waarden willen we behouden en versterken en zijn daarom onderdeel van onze visie voor Overijssel.
Afbeelding: Een weergave van belangrijke waarden die door inwoners van onze provincie zijn benoemd
30
2.3. Werken aan onze opgaven en doelen: afwegen, prioriteren en kiezen Zoals in de inleiding van deze Omgevingsvisie al is benoemd, staan we voor een aantal grote opgaven. Met name op het gebied van klimaat en energie, verstedelijking en mobiliteit en landbouw en natuur. Hoe willen we hier mee omgaan? Welke doelen moeten en willen we bereiken? En welke kansen en perspectief zien we? Hoe zorgen we ervoor dat onze provincie een mooie, prettige, veilige en gezonde plek blijft om te wonen, werken, leven en recreëren, voor nu en in de toekomst? Stuk voor stuk ingewikkelde vragen. Met antwoorden die invloed hebben op elkaar. Al deze opgaven komen samen op het beperkte grondgebied van onze provincie. Het inpassen ervan is een ingewikkelde puzzel. Niet alleen om ruimte te vinden voor nieuwe functies. Maar ook om daarbij rekening te houden met de wisselwerking tussen de huidige situatie en de bestaande kwaliteiten (onder andere op het gebied van erfgoed, cultuur en identiteit). Het vraagt om zoeken naar balans. • Balans in het vinden van ruimte voor verschillende functies door zuinig, zorgvuldig en meervoudig ruimtegebruik, zowel boven- als ondergronds (multidimensionaal).
• Balans tussen de groene omgeving en het bebouwde gebied: hechte en unieke dorpen met de dagelijkse voorzieningen binnen handbereik in een mooie en vitale groene omgeving met ruimte voor de landbouw en natuur versus levendige steden waar het goed wonen en werken is, met volop voorzieningen en vertier. • Balans tussen rust en reuring: de stilte, donkerte en ruimte van het platteland versus dynamische (inter)nationale netwerken en knooppunten waarlangs we ons verplaatsen en handelen met de rest van Nederland en Noordwest-Europa. • Balans tussen de natuurlijke omstandigheden en het landgebruik: we houden oog voor de lange termijn en de grenzen van de natuurlijke omstandigheden.
31
Het zoeken naar balans vraagt om keuzes, prioritering, slimme combinaties en innovaties. Niet alles kan overal. Daarom moeten we zuinig, zorgvuldig en meervoudig met de ruimte omgaan. We zoeken naar samenhangende oplossingen en verweving van opgaven. Hierdoor kunnen opgaven elkaar versterken. In een gebied moeten alle belangen die bij een ontwikkeling betrokken zijn zorgvuldig worden afgewogen. Het gaat hierbij niet alleen om ruimtelijke belangen, maar ook sociaalmaatschappelijke, economische en duurzame belangen. We gaan uit van drie vragen: OF, WAAR en HOE (zie ook bijlage 3). • Bij de OF vraag gaat het om een duiding van de opgave of het initiatief: wat is de opgave / het initiatief, wat is het maatschappelijke belang, aan welke doelen / opgaven draagt het (nog meer) bij, hoe past het binnen deze Omgevingsvisie, etc. • Bij de WAAR vraag gaat het om een onderbouwde locatiekeuze. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de Leidende Principes en de Redeneerlijn uit deze Omgevingsvisie. • Bij de HOE vraag gaat het om een omschrijving van het doorlopen proces en de participatie, zoals beschreven in onze participatievisie en –werkwijze. Daarnaast vragen we een omschrijving van hoe het initiatief bijdraagt aan de brede welvaart met behulp van de Rode Draden. Met deze Omgevingsvisie sturen we met name op doelen.
De uitwerking van hoe we die doelen gaan halen vindt plaats in overleg met medeoverheden, partners, ondernemers en inwoners in bijvoorbeeld beleids- en/of uitvoeringsprogramma’s, gebiedsprocessen, projecten en initiatieven vanuit de samenleving.
Afbeelding: De vier Leidende Principes
32
Afbeelding: De Redeneerlijn op basis van de vier Leidende Principes
2.4. Brede welvaart voor al onze inwoners We zetten in op: • Het meewegen van brede welvaartsaspecten bij beleidsuitwerkingen, gebiedsprocessen, projecten en initiatieven met behulp van onze Rode Draden: ruimtelijke kwaliteit, sociale kwaliteit, gezondheid en duurzaamheid. Aanleiding Brede welvaart is alles wat mensen van waarde vinden. Naast materiële en economische welvaart gaat het ook om zaken als gezondheid, onderwijs, voorzieningen, milieu, leefomgeving, bereikbaarheid, sociale cohesie, persoonlijke ontplooiing, (on)veiligheid, toegankelijkheid en inclusiviteit. Bovendien betreft het niet alleen de kwaliteit van leven in het ‘hier en nu’, maar ook de effecten van onze manier van leven op het welzijn van mensen ‘elders’ buiten de provincie en ‘later’, de toekomstige generaties. In onze provincie gaat het, volgens de Monitor van de Leefomgeving, over het algemeen goed met de brede welvaart. De werkloosheid is laag en de gezondheid van mensen is over het algemeen goed. De ervaring van brede welvaart verschilt per bevolkingsgroep en is anders in de steden, in de dorpen en in de kernen. De steden scoren over het algemeen beter op het gebied van voorzieningen, maar slechter op inkomen, werkloosheid, vrijwilligerswerk, criminaliteit, milieu en natuur.
In onze hele provincie is er sprake van afname van het aantal mensen dat vrijwilligerswerk doet en hebben mensen minder vaak contact met familie, vrienden en buren. Vanwege het ‘Noaberschap in ons DNA’, scoren we als provincie wel hoger dan de rest van Nederland. Op het gebied van bewegen, sporten en gezondheid, scoort onze provincie minder goed. Op dit moment voldoen onze inwoners maar voor ongeveer 50% aan de beweegnorm van minstens 150 minuten per week matig intensieve inspanning.
33
Ondanks dat het over het algemeen goed gaat met de brede welvaart, is een deel van onze inwoners pessimistisch over de toekomst. Mensen maken zich zorgen over de betaalbaarheid van woningen en energie, stijgende kosten en of ze nog in hun levensonderhoud kunnen blijven voorzien, de milieuvervuiling en het gebruik van grondstoffen en natuurlijke hulpbronnen, de gevolgen van de klimaatverandering en de verandering van het landschap en de natuur. Werken aan brede welvaart met Rode Draden Bij deze Omgevingsvisie gaat het niet alleen om het maken van ruimtelijke keuzes en afwegingen. Ook sociaal-maatschappelijke, economische en duurzame aspecten spelen hierbij een rol. Keuzes maken doen we op basis van ons economische beleid en onze Rode Draden: • ruimtelijke kwaliteit. • sociale kwaliteit. • gezondheid. • duurzaamheid. Met behulp van de Rode Draden en het economische beleid willen we bijdragen aan het verbeteren van de brede welvaart van onze inwoners en ondernemers. Bij het maken van ons beleid, en bij de nadere uitwerking in beleids- en/of uitvoeringsprogramma’s, gebiedsprocessen, projecten en/of initiatieven willen we dat er oog wordt gehouden voor de impact daarvan op de mens en maatschappij. We vragen daarom bij de nadere uitwerking om een onderbouwing hoe dit bijdraagt aan de brede welvaart.
2.5. We benutten de ruimte zuinig, zorgvuldig en meervoudig We zetten in op: • Inbreiding voor uitbreiding. Uitbreiding is onder voorwaarden mogelijk en kan parallel ontwikkeld worden als er een goede visie is op het totaal. • We benutten de ruimte binnen het bebouwde gebied om kwalitatief goede woon-, werk- en leefmilieus te ontwikkelen. We werken hiermee aan nabijheid. We zetten in op zuinig, zorgvuldig en meervoudig ruimtegebruik, nabijheid en stimuleren de mobiliteitstransitie. • Bij inbreiding én uitbreiding is er oog voor de openbare ruimte en toekomstbestendigheid. Er blijft ruimte voor groen, biodiversiteit, klimaatadaptatie, duurzaamheid, bewegen, ontmoeten en ontspannen. Er wordt ingezet op verdichting door onder andere een combinatie van sloop, herbestemming of transformatie. Het bebouwde gebied en de groene omgeving blijven met elkaar in balans. • Inbreiding en uitbreiding moet passen bij de bestaande omgeving qua schaal, kwaliteiten en identiteit. Nieuwe ontwikkelingen voegen kwaliteit toe aan de bestaande situatie. Nieuw helpt bestaand. Aanleiding Al onze doelen en opgaven vragen om ruimte. Niet alles past naast elkaar binnen het grondgebied van onze provincie. We moeten daarom keuzes maken en zorgvuldig omgaan met de ruimte die we hebben, deze beschermen en zo goed mogelijk benutten.
Zuinig, zorgvuldig en meervoudig ruimtegebruik staat daarom voor ons voorop bij het maken van de keuzes in onze Omgevingsvisie. Daarom is dit ook een Leidend Principe.
34
Zuinig ruimtegebruik / inbreiding voor uitbreiding Zuinig ruimtegebruik houdt in dat nieuwe ontwikkelingen die ruimte vragen - zowel bovengronds als ondergronds – zo goed mogelijk ingepast worden. Uitgangspunt is de balans tussen de bebouwde en onbebouwde gebieden. Daarom zetten we in op inbreiding boven uitbreiding. Bij inbreiding zetten we in op verdichting, waarbij ruimte blijft voor open gebieden, zoals groen om te ontspannen of te verkoelen en plekken om te spelen en te ontmoeten. Verdichting vindt bij voorkeur plaats door slim te kijken naar een combinatie van sloop, herbestemming of transformatie. Hoger bouwen speelt hierbij een rol. En we zetten in op nabijheid: het realiseren van ontwikkelingen bij elkaar in de buurt. Waardoor ruimte bespaard kan worden die nu benodigd is voor mobiliteit. Hiermee ontstaat verdichting mét oog voor leefbaarheid, verplaatsingen, ontmoetingen, klimaatadaptatie en groen / biodiversiteit. Als inbreiding niet mogelijk is, dan is uitbreiding in de groene omgeving onder voorwaarden mogelijk. Dat kan alleen als er sprake is van een maatschappelijke behoefte aan de beoogde ontwikkeling én als er binnen het bestaande bebouwde gebied geen locaties beschikbaar zijn die hiervoor benut kunnen worden. We vragen gemeenten om dit in beeld te brengen in een visie waarin de wenselijke ontwikkeling van de kernen wordt weergegeven.
Uitbreiding moet in eerste instantie plaatsvinden aan de rand van en/of net buiten een kern. Een andere mogelijkheid is om gebruik te maken van de ruimte binnen bestaande erven of van vrijkomende agrarische bebouwing (VAB’s) met bijbehorende erven en gronden. Hierbij geldt dat dit wel past bij ons beleid op het gebied van landbouw. Bij een nieuwvestiging of uitbreiding kan de eis gesteld worden dat (elders) opstallen gesloopt worden en verharding wordt verwijderd. Hierdoor blijft het bebouwde en onbebouwde gebied met elkaar in balans.
Zorgvuldig en meervoudig ruimtegebruik Zorgvuldig en meervoudig ruimtegebruik houdt in dat we de ruimte slim willen gebruiken en functies goed willen combineren. Bij nieuwe ontwikkelingen vragen we een onderbouwing of de bestaande situatie of toekomstige ontwikkelingen niet worden belemmerd door deze nieuwe ontwikkeling en of er ruimte overblijft voor andere functies en opgaven. Dit doen we per gebied, maar ook over de hele provincie. Zo willen we in sommige gebieden geen functies toestaan die de ruimte voor de leidende functie in een gebied beperken. Een voorbeeld is de dat we geen nieuwe woningen in Vrijkomende Agrarische Bebouwing (VAB’s) willen realiseren (eventueel door sloop en nieuwbouw) in gebieden waar goede ontwikkelingsmogelijkheden voor de agrarische sector zijn, als die woningen deze ontwikkelingsmogelijkheden kunnen beperken. Bij het combineren van functies hebben we het over meervoudig en multidimensionaal ruimtegebruik. We geven voorrang aan ontwikkelingen binnen een gebied of locatie als deze ruimte bieden aan meerdere functies. Bijvoorbeeld het combineren van wonen, werken, voorzieningen en parkeren. Er wordt hierbij niet alleen gekeken naar functies bovengronds, maar ook wat er ondergronds mogelijk is. En er wordt gekeken op zowel wijk- of buurtniveau, als op gebouwniveau.
Dit bespaart ruimte en zorgt ervoor dat inwoners, bezoekers en bedrijven veel functies makkelijk dichterbij hebben. Dat draagt ook bij aan levendigheid en meer robuuste leefomgevingen. Niet alleen in bebouwd gebied, maar ook in de groene omgeving zien we kansen voor meervoudig en multidimensionaal ruimtegebruik. Bijvoorbeeld als er meerdere opgaven in een gebied spelen, zoals in landbouwgebieden met gebiedsspecifieke opgaven en kansen. Concentratie, nabijheid en (boven)regionale afstemming We willen slim omgaan met het concentreren van functies waartussen mensen zich vaak verplaatsen. Het gaat hier om stedelijke functies, zoals wonen, werken en voorzieningen. Door deze dicht bij elkaar te realiseren blijven reistijden kort en kunnen mensen en bedrijven elkaar
35
makkelijk ontmoeten en met elkaar samenwerken. Concentratie houdt in dat nieuwe ontwikkelingen zoveel mogelijk geconcentreerd worden in de vijf grote steden (Zwolle, Deventer, Almelo, Hengelo en Enschede). Daar mag voor (boven)regionale behoefte gebouwd worden. Hardenberg en Steenwijk hebben als streekcentrum in hun specifieke regio ook een centrale rol. Bij deze kernen is een eigen stedelijk systeem ontstaan, doordat de ligging te ver van Zwolle is om zich tot deze grote kern voor de genoemde functies te richten. Vanwege deze ietwat solitaire ligging zijn Steenwijk en Hardenberg aangemerkt als streekcentrum. Gemeenten stemmen onderling op basis van programmeringen af waar ontwikkelingen plaatsvinden. Toekomstbestendig Bij nieuwe ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met toekomstige opgaven, zoals ruimte voor klimaat-, biodiversiteits-, milieu- en leefbaarheids-opgaven. Nieuwe ontwikkelingen dragen daarmee bij aan de behoefte van de huidige generatie, en bieden ook ruimte voor de behoeften van toekomstige generaties. Het gaat daarbij om balans tussen het welzijn van mensen, economische welvaart, rekening houden met klimaatverandering en het water- en bodemsysteem, het beheer van natuurlijke voorraden en het opwekken van duurzame energie.
Aansluiten op en bijdragen aan de identiteit, kenmerken en kwaliteiten Van nieuwe ontwikkelingen vragen wij om aan te sluiten op de kenmerken van het gebied, het water- en bodemsysteem, de economische structuur, de aanwezige mobiliteitsnetwerken en de beschikbaarheid van nutsvoorzieningen. Daarnaast passen nieuwe ontwikkelingen in, of dragen ze bij aan, de bestaande kwaliteit, identiteit, cultureel erfgoed en de leefbaarheid en voegt de nieuwbouw ruimtelijke kwaliteit toe. Dit houdt onder andere in: het aansluiten bij het eigen karakter van steden, dorpen en kernen en omliggend landschap. Hierbij geldt als een belangrijk uitgangspunt: nieuw helpt bestaand. Dit houdt in dat nieuwe ontwikkelingen bij moeten dragen om de bestaande situatie te verbeteren.
2.6. Voorbereid op de toekomst: klimaatbestendig en duurzaam We zetten in op: • Inspelen op klimaatverandering en zuinig omgaan met onze voorraden door het water- en bodemsysteem sturend te laten zijn in onze ruimtelijke inrichting bij nieuwe ontwikkelingen, en bestaand gebruik na verloop van tijd hierop aan te passen. • Bijdragen aan het tegengaan van klimaatverandering door het stimuleren van het besparen van energie, en het beperken van uitstoot van broeikasgassen, door het opwekken van duurzame energie, het meer vastleggen van koolstof via het gebruik van natuur- en landbouwgrond en het inzetten op de mobiliteitstransitie. • Zuinig omgaan met voorraden door toe te werken naar een circulaire economie en maatschappij. • Een gezonde en schone leefomgeving door onze natuurlijke hulpbronnen zoals water, bodem en lucht te beschermen en kwalitatief op orde te brengen. Aanleiding Onze provincie staat voor meerdere opgaven die gekoppeld zijn aan klimaatverandering. Het KNMI heeft in 2023 nieuwe klimaatscenario’s gepresenteerd waaruit nog duidelijker blijkt dat het in de toekomst warmer, natter (met name in de winter), droger (met name in de zomer) wordt en dat de zeespiegel stijgt. Dit gaat gevolgen hebben voor onze provincie. Klimaatverandering ontstaat onder andere doordat er te veel broeikasgassen worden uitgestoten.
Door deze uitstoot te verminderen, kunnen we klimaatverandering tegengaan (klimaatmitigatie). Daarnaast moeten we leren om te gaan met de effecten van klimaatverandering (klimaatadaptatie).
36
Door uitputting en vervuiling te beperken blijven onze natuurlijke bronnen en grondstoffen behouden voor de toekomst. Deze bronnen zijn belangrijk voor de volksgezondheid, biodiversiteit en economie. Met natuurlijke bronnen bedoelen we voldoende schoon zoetwater, gezonde bodems en vruchtbare landbouwgronden, biodiverse bossen en natuur, schone lucht en grondstoffen voor de bouw en het opwekken van energie. De Overijsselse opgaven Droogte en beperkte waterbeschikbaarheid in Twente Water wordt, met name in Twente, een steeds schaarsere grondstof. De economie, welvaart en bevolkingsgroei is de afgelopen decennia toegenomen, wat een grotere vraag naar water heeft opgeleverd. Dit zal in de toekomst naar verwachting verder toenemen. Het aanbod van water is nu al beperkt door de focus op waterafvoer door aanpassingen in landinrichting en steeds langere droogteperiodes. En er kunnen steeds vaker lange periodes in de zomers voorkomen waarin geen of weinig neerslag valt. De droogte en beperkte wateraanvoer hebben op de hoge zandgronden in Twente effecten op de productieomstandigheden voor de landbouw, op de natuurwaarden en biodiversiteit en de drinkwatervoorziening. Grondwaterpeilen zakken in deze gebieden weg, waardoor wateronttrekkingen verdrogingseffecten op hun omgeving hebben.
Daarnaast kan drinkwaterwinning op langere termijn in deze gebieden steeds meer effecten hebben op de omgeving en moeilijker te realiseren zijn. Dit vormt een steeds groter dilemma bij het bouwen van nieuwe bedrijventerreinen of woningen. Daarom moet in de verstedelijkingsstrategie in Twente de waterbeschikbaarheid in brede zin als belangrijke opgave worden meegenomen. Op de langere termijn kan de waterbeschikbaarheid in de rest van Overijssel ook afnemen, met soortgelijke problemen in onze hele provincie. De balans tussen vraag en aanbod vereist daarnaast meer aandacht om het watergebruik te beperken. Dit stelt randvoorwaarden aan verstedelijking en de ontwikkeling van waterintensieve bedrijven.
Toenemende risico’s voor waterveiligheid in de IJssel-Vechtdelta De zeespiegelstijging en een grotere zoetwaterbeschikbaarheid hebben gevolgen voor het peilbeheer van het IJsselmeer en daarmee voor de IJssel-Vechtdelta. Het peil van het IJsselmeer gaat naar verwachting in de toekomst flexibeler worden beheerd, wat kan leiden tot grotere veranderingen in het waterpeil van de IJssel en de Vecht. Het risico op overstromingen langs deze rivieren en in de kuststrook langs het IJsselmeer kan hierdoor toenemen. De Kampereilanden merken de waterveiligheidsrisico’s als buitendijks gelegen gebieden als eerste. Ook de bevaarbaarheid van de IJssel komt onder druk te staan. Dit kan grote gevolgen hebben voor de scheepvaart. Daarom moet in de verstedelijkingsstrategie in de regio Zwolle de koppeling met waterveiligheid en wateroverlast in brede zin worden meegenomen. Wanneer dit gebiedsgericht wordt opgepakt kan dit leiden tot interessante landschappen waarin water, woon- en leefgebieden allemaal een plek krijgen. Bodemdaling in veenweidegebied in Noordwest Overijssel De kunstmatig lagere grondwaterstanden in het veenweidegebied zorgen voor oxidatie van het veen. Dit zorgt voor uitstoot van broeikasgassen en bodemdaling, dat kan leiden tot schade aan funderingen. Het waterpeil verhogen in het veenweidegebied heeft gevolgen voor de gebruikers.
Het kan leiden tot lagere opbrengsten voor de landbouw. Vernatting is een bewezen methode om bodemdaling tegen te gaan, maar of dit mogelijk is, is afhankelijk van de lokale en landschappelijke kenmerken. Om te kunnen vernatten is gebiedseigen water nodig. Momenteel stroomt een groot deel van dit water weg naar omliggende laaggelegen gebieden, zoals polders in Overijssel, Flevoland en Friesland. De omstandigheden in de diverse delen van het veenweidegebied zijn enorm verschillend en vragen om een gebiedsgerichte aanpak, afgestemd op de uiteenlopende omstandigheden per deelgebied, met oog voor een sociaal-economisch toekomstperspectief voor zowel ondernemers als inwoners.
37
Hogere temperaturen hebben negatieve effecten op mens en economie We krijgen steeds vaker te maken met hittestress, met name in grote steden als Zwolle, Deventer, Almelo, Hengelo en Enschede. Gebouwen en straten koelen ’s nachts nauwelijks af, waardoor de warmte langer blijft hangen. Zeker in gebieden met veel steen en weinig groen en water. Dit gaat ten koste van nachtrust en productiviteit overdag én brengt – vooral voor kwetsbare mensen – extra gezondheidsrisico’s met zich mee. De verdamping neemt toe en daardoor neemt ook het waterverlies toe. Hogere temperaturen van het oppervlaktewater zijn niet goed voor de kwaliteit van het oppervlaktewater. De waterafhankelijke industrie, natuur en recreatie ondervinden hier hinder of schade van. Risico natuurbranden Door klimaatverandering neemt de kans op onbeheersbare natuurbranden in Overijssel toe. Dit vormt een groeiend risico voor zowel mens als natuur. We verkennen samen met de Veiligheidsregio’s en betrokken partners de mogelijkheden voor het nemen van natuurbrandbeheersingsmaatregelen in gebieden waar het risico op natuurbranden relatief groot is. Zo werken we aan een veilige, klimaatbestendige leefomgeving. Extreme buien geven overlast Door langdurige neerslag en extreme buien ontstaat schade aan gebouwen, infrastructuur en landbouwgewassen.
Het water kan bij hevige regenbuien moeilijk in de bodem infiltreren, worden opgevangen, of worden afgevoerd in een omgeving met veel steen. Ook kan er overlast ontstaan door onbegaanbare wegen en lokale overstromingen. De afvoeren van de IJssel en de Vecht nemen toe en worden grilliger door seizoenen heen. Bovenregionale extreme buien, zowel binnen als buiten onze provincie, kunnen leiden tot overbelasting van het Overijsselse watersysteem. Beken in Twente, weteringen in Salland, de grote rivieren de IJssel en de Vecht en het IJsselmeer kunnen samen tot risico’s leiden voor onze waterveiligheid. Als dit voorkomt willen we de bereikbaarheid van ziekenhuizen en zorginstellingen waarborgen en het uitvallen van nutsvoorzieningen
voorkomen. De overlast en het herstel kunnen steeds langer aanhouden. De risico’s hierop zijn het grootst in West-Overijssel waar veel wateren samenkomen in de delta. Het is van belang om te werken aan een robuust watersysteem dat weersextremen (zowel droogte als teveel water) kan opvangen.
met de ruimtevraag van andere opgaven binnen onze provincie. De vraag naar elektriciteit wordt steeds groter, omdat we voor bijvoorbeeld verwarming, transport en productieprocessen steeds meer overstappen naar elektriciteit. Ons (provinciale) energiesysteem kan dit amper bijbenen, met netcongestie als gevolg.
De kwaliteit van onze leefomgeving staat onder druk Veel Overijsselse waterlichamen voldoen niet aan de voorwaarden van de Kaderrichtlijn Water, hoewel er wel vooruitgang wordt geboekt. Dit heeft te maken met stoffen die vrijkomen in de industrie, landbouw en bij lozingen van rioolwaterzuiveringsinstallaties en het uitspoelen naar het water- en bodemsysteem, met negatieve effecten op de natuur en de drinkwatervoorziening. Voor een gezonde leefomgeving is het belangrijk om ook te kijken naar een opeenstapeling van effecten. Bijvoorbeeld van verschillende gevaarlijke (chemische) stoffen die via de lucht in ons bodem- en watersysteem terechtkomen. Samen kunnen die (combinaties van) verschillende stoffen - met individueel wellicht een beperkt gezondheidseffect - bij mens en milieu tot een verhoogd risico leiden.
Op het gebied van circulaire economie moet ook veel gebeuren. Er is nog steeds veel vraag naar grondstoffen en natuurlijke hulpbronnen, dit zorgt voor schaarste. Dat levert problemen op voor bijvoorbeeld onze maakindustrie en voor de energietransitie, omdat deze stoffen essentieel zijn voor elektrische systemen. Om de vraag naar nieuwe grondstoffen en natuurlijke hulpbronnen te verminderen, moet er meer hergebruikt worden. Daarvoor is wel veel ruimte nodig om te kunnen recyclen (inclusief het opslaan van de (gerecyclede) stoffen) en veel energie.
Opraken van grondstoffen, energietransitie en circulaire economie Er zijn zorgen over de beschikbaarheid, betrouwbaarheid, betaalbaarheid en het uitputten van natuurlijke hulpbronnen, waaronder ook water en materialen. Daarom is het nodig om hier zuinig mee om te gaan en om te werken aan een energietransitie en een circulaire economie. Die energietransitie is al volop bezig. Om te voorkomen dat de aarde te sterk opwarmt hebben we als Nederland de opgave om minder CO2 uit te stoten en volledig klimaatneutraal te zijn en daar moeten we als provincie aan bijdragen. Daarnaast is het voor de lange termijn noodzakelijk om minder afhankelijk te worden van de eindige voorraad natuurlijke grondstoffen. Daarom willen we afstappen van het gebruik van fossiele brandstoffen en veel daarvan vervangen door hernieuwbare energie. Momenteel doen we dat vooral met zonnepanelen en windturbines. Dit vraagt veel ruimte en kan botsen
38
Water- en bodem sturend in de ruimtelijke inrichting De klimaatverandering vraagt om een andere inrichting en ander gebruik van onze ruimte en gronden. We streven naar regionale wateren bodemsystemen die robuust, veerkrachtig, klimaatbestendig, gezond, schoon en veilig zijn. Alleen dán zijn we in staat om met weersextremen om te gaan en behouden we een veilig, economisch sterk en gezond Overijssel. We willen daarom keuzes maken die in balans zijn met het water- en bodemsysteem, en waarbij we het wateren bodemsysteem sturend in de ruimtelijke inrichting als leidend principe inzetten. Dit pakt in de gebiedstypen die voorkomen in Overijssel (zie Visiekaart gebiedstypen aan het eind van deze paragraaf) op verschillende manieren uit. Zo vergroten we onze klimaatrobuustheid. Bij het plannen van een ontwikkeling wordt de wateropgave vroegtijdig meegenomen. In bebouwd gebied wordt gekeken naar mogelijkheden om water te infiltreren in de bodem en bij nieuwe ontwikkelingen wordt de wateropgave niet afgewenteld op de omgeving. De maatlat ‘Groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving’ is een goed hulpmiddel om dat te realiseren.
Het is belangrijk om vooraf goed na te denken over de locatiekeuze van functies in relatie tot het water- en bodemsysteem. Op kwetsbare locaties ligt een grotere opgave om ontwikkelingen klimaatrobuust te maken. Bij kwetsbare locaties moet gedacht worden aan laagtes en beeksystemen waar in natte perioden het water naartoe stroomt en/of afgevoerd wordt, bodems met slechte draagkracht, gebieden die bij keringen liggen en buitendijkse gebieden. Natuurgebieden bieden kansen voor waterberging en vergroten de sponswerking van de bodem. Deze gebieden kennen allemaal specifieke omstandigheden waar bij het realiseren van een ontwikkeling rekening mee moet worden gehouden. Dit kost vaak meer geld, tijd en/of innovatie en in bepaalde gevallen kan de klimaatrobuustheid simpelweg niet op orde of betaalbaar te krijgen zijn. Hierbij hebben de waterschappen, als kennishouder van de regionale water- en bodemsystemen, een cruciale rol in de weging van het waterbelang. Ook de gemeenten hebben kennis van het watersysteem, met name in het bebouwde gebied. Zij kunnen deze kennis inbrengen bij ontwikkelingen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet ook onderzocht worden hoe bestaande opgaven in de omgeving, zoals wateroverlast of hittestress, meegenomen en verbeterd kunnen worden.
Bijdragen aan het tegengaan van klimaatverandering Naast het omgaan met de effecten van klimaatverandering en het zoeken naar oplossingen voor de effecten daarvan, is het belangrijk om de klimaatverandering tegen te gaan. We zetten hiervoor in op het zuiniger en zorgvuldiger omgaan met energie, grondstoffen en natuurlijke hulpbronnen. En op het beperken van uitstoot van broeikasgassen door het opwekken van duurzame energie, het meer vastleggen van koolstof via het gebruik van natuur- en landbouwgrond en door te werken aan de mobiliteitstransitie. Dit vraagt om een forse verandering: Nederland – en ook onze provincie – is voor de energievoorziening nog grotendeels afhankelijk van fossiele brandstoffen. De omslag naar een nieuw energiesysteem is in volle gang. In onze provincie wekken we steeds meer energie op met onder andere windturbines en zonnepanelen. Voor zonnepanelen op
39
land hebben we onze doelstelling tot 2030 al gehaald. Voor windturbines op land hebben we onze doelstelling tot 2030 nog niet gehaald. We moeten meer dan ooit nadenken over waar ontwikkelingen kunnen plaatsvinden, en waar niet. En welke infrastructuur, zoals waterstof, op welke plek kan worden aangelegd, zodat bepaalde ontwikkelingen wel mogelijk zijn. In de energievisie zijn de contouren geschetst voor het energiesysteem dat hier invulling aan moet geven. In deze energievisie hebben we onze doelstellingen voor 2050 geformuleerd ten aanzien van onze mate van zelfvoorzienendheid. In welke mate we daarbij bepaalde technieken gebruiken om energie op te wekken, bepalen we bij de herijking van de energievisie in 2028. Wel staan nu in de energievisie al de contouren en onze ambitie voor zelfvoorzienendheid. De komende jaren halen we steeds minder fossiele energie van ver weg en wekken we steeds meer schone of schonere energie dichtbij op. Dit proces is in volle gang. Met deze verduurzaming maken we ook een omslag naar een energiesysteem dat om kan gaan met wisselende vraag naar en aanbod van energie en kan meebewegen met ontwikkelingen. Bij nieuwe ontwikkelingen vragen we daarom om de impact op het energiesysteem in beeld te brengen. Op heel veel plekken wordt energie in het netwerk gebracht, afhankelijk van het weer.
Hiervoor hebben we wel meer netinfrastructuur, zoals leidingen en kabels nodig. Het aanleggen van die leidingen en kabels kost tijd en ruimte. Met name het beschikbaar krijgen van de benodigde ruimte is een grote maatschappelijke uitdaging. Daarnaast duren processen en procedures lang. Ook is het vaak lastig om voldoende draagvlak voor deze ontwikkelingen te vinden. Hierdoor verwachten we dat we de komende jaren nog te maken zullen hebben met te weinig netcapaciteit. In onze provincie kiezen we ervoor om een deel van onze energievraag richting 2050 te voorzien met andere soorten energiesoorten dan elektriciteit. We gaan werken aan een grotere bijdrage vanuit warmte,
biogas en waterstof. Hiermee beperken we de druk op ons elektriciteitssysteem en verminderen we onze afhankelijkheid van één soort energie.
nieuwe functies mogelijk zijn, nieuwe locatieontwikkelingen zouden afhankelijk kunnen worden van de beschikbaarheid van een aansluiting op het elektriciteitsnetwerk. We moeten allemaal meer inzetten op het besparen van energie zodat ondernemers kunnen blijven ondernemen, huizen verwarmt kunnen worden en industrie kan blijven bestaan. Door meer koolstof vast te leggen via het gebruik van natuur- en landbouwgronden dragen we bij aan het tegengaan van klimaatverandering. Dit kan bijvoorbeeld door het toevoegen van bomen, bos en landschapselementen die CO2 opnemen en het tegengaan van bodemdaling in veenweidegebieden door bijvoorbeeld vernatting. En door het organische stofgehalte van de bodems te vergroten, waardoor koolstof wordt gebonden. Dit draagt bij aan verbetering van de natuur en biodiversiteit, beperkt (verdere) verzakking van gebouwen en infrastructuur door bodemdaling en zorgt voor betere omstandigheden voor landbouw.
Afbeelding: Illustrerende weergave van de ligging van de waterstofbackbone en de mogelijke aftakkingen
Ook als er meer netcapaciteit komt, zullen we moeten wennen aan het feit dat we opwek en verbruik beter op elkaar moeten gaan afstemmen. Op sommige momenten is er meer dan genoeg beschikbaar, op andere momenten is het te druk op het net. Ondernemers die erin slagen hun energiebehoefte flexibel in te richten, kunnen bijvoorbeeld energie gaan verbruiken op momenten dat het goedkoop is en daarmee hun onderneming versterken. Dit heeft ook gevolgen voor waar welke
40
Op het gebied van het zuinig omgaan met grondstoffen werken we toe naar een circulaire economie en maatschappij. Dit is een economie en maatschappij die spaarzaam omgaat met grondstoffen, waaronder energie en (drink)water, waar winning, gebruik en maximaal hergebruik dichtbij elkaar plaatsvinden (kringlopen sluiten) en waar gebruik van hernieuwbare grondstoffen wordt gestimuleerd. We zetten hierbij onder andere in op innovaties, optimalisatie van productieprocessen, versterken van regionale ketens en het verduurzamen van mobiliteit. We willen groene innovaties stimuleren, door kennisdeling, ketenontwikkeling en ondersteuning. Daarnaast zijn we samen met partners bezig om binnen programma’s en projecten het watergebruik terug te dringen.
Afbeelding: Visiekaart Gebiedstypen
41
Afbeelding: Visiekaart Energie
42
2.7. Samenhangende verstedelijking als motor van onze economie We zetten in op: • Zuinig, zorgvuldig en meervoudig gebruik van onze ruimte. Dit doen we door eerst te kijken naar de mogelijkheden binnen bestaand bebouwd gebied, met nadruk op de samenhang tussen de verschillende stedelijke functies zoals wonen, werken, voorzieningen, groen/biodiversiteit, mobiliteit en beschikbare netwerken. • Een regionale aanpak waarin we in samenwerking de drie Overijsselse Dagelijkse Stedelijke Systemen versterken en daarbij ruimte bieden om te bouwen voor lokale behoefte. • Concentratie en nabijheid. Groei landt met name in de vijf grote steden. Iedere kern kan sowieso bouwen voor de lokale behoefte. • Het verder ontwikkelen van onze economie met voldoende en goede toekomstbestendige werklocaties die bijdraagt aan de brede welvaart van onze inwoners. Aanleiding Op het gebied van verstedelijking is en blijft er onverminderd vraag naar ruimte voor wonen, werken en de bijbehorende bereikbaarheid. In heel Nederland zijn er tot 2030 980.000 nieuwe woningen nodig. Voor de periode na 2030 wordt nog een vergelijkbare bouwopgave verwacht, die ook in onze provincie zal landen. De vraag naar woningen gaat over woningen in verschillende prijsklassen en voor verschillende doelgroepen.
De woningbouwopgave komt voor een deel omdat we met steeds minder mensen in één woning wonen, maar ook door groei van de bevolking. De Overijsselse opgaven Voor Overijssel geldt er een woningbouwopgave van 47.300 woningen tot 2030, en een ambitie om 60.000 woningen tot 2030 te bouwen. Ook voor de periode tussen 2030 en 2050 en verder zal er een vergelijkbare woningbouwopgave zijn. Op het gebied van werklocaties geldt dat er binnen onze provincie tot 2040 behoefte is aan ongeveer
43
1000 hectare voor bedrijventerreinen, voor de periode erna verwachten we dat er behoefte is aan nog meer hectares. Voor zowel de woningbouwopgave als de opgave voor bedrijventerreinen maken gemeenten onderling programmeringsafspraken. Alleen woningen en werklocaties toevoegen is niet voldoende. Een bruisende, leefbare, veilige en economisch waardevolle woon- werk- en leefomgeving heeft meer nodig om bij te dragen aan het welzijn van onze inwoners en als belangrijke vestigingsvoorwaarde voor ondernemers en ondernemingen. Mensen zijn gelukkiger als ze wonen en werken op een plek die ze mooi of aantrekkelijk vinden, of waarmee ze een band hebben. Dat vraagt om een goede functiemenging, identiteit, ruimte om te ontspannen en te bewegen, verkoeling, voorzieningen, cultuur, onderwijs, zorg, veilige en prettige openbare ruimte en werkgelegenheid. Deze functies vragen allemaal om ruimte, hebben veel samenhang en beïnvloeden elkaar. Zo’n goede leefomgeving is ook goed bereikbaar. Niet alleen in het bebouwde gebied, ook binnen de groene omgeving. De blijvende bereikbaarheid van onze provincie, lopend, met de fiets, het openbaar vervoer, de auto, of vrachtverkeer is daarom van blijvend groot belang. In een duurzamere samenleving moeten we ons vaker afvragen of het wel nodig is om te reizen (minder).
En als we tóch de deur uitgaan, of dat op een minder vervuilende manier kan (anders en schoner). Minder, anders en schoner zijn de basis van de mobiliteitstransitie. Binnen onze provincie kennen we drie regio’s, met ieder hun eigen verstedelijkingsopgaven: Zwolle, Twente en Stedendriehoek. In de regio Zwolle is de opgave om de stedelijke en economische groei te realiseren in een kwetsbare delta. De regio Zwolle ligt centraal tussen de Randstad en het Noorden en Oosten van Nederland, wat kansen biedt voor stedelijke groei en nieuwe woon-, werk en
leefmilieus. In de regio komen het regionale en nationale watersysteem samen, waardoor keuzes elkaar beïnvloeden. Om goed voorbereid te zijn op de toekomst is het belangrijk dat de stedelijke opgave integraal wordt opgepakt met behoud en ontwikkeling van de kwaliteit van de leefomgeving en bereikbaarheid van de regio. Regio Zwolle ligt op een knooppunt van weg en spoor en om de regio op lange termijn bereikbaar te houden moet wordt gewerkt aan nieuwe mobiliteitsoplossingen. In de regio Twente is het vasthouden van talent de grootste opgave. Het Rijk ziet, net als wij, kansen voor een schaalsprong in Twente. Er is veel binnenstedelijke ontwikkelruimte en Twente heeft met een universiteit een goede uitgangspositie. Met nieuwe woon-, werk- en leefmilieus willen we talent aantrekken en behouden. Er moet ruimte zijn voor bedrijven om zich in Twente te vestigen, door te groeien, en mogelijkheden voor startups om uit te bouwen (scale ups). Ook moet het mobiliteitssysteem meegroeien, zodat mensen naar hun werk kunnen, kunnen recreëren en naar huis kunnen. Een belangrijke andere randvoorwaarde is meer rekening houden met, en ruimte maken voor, het watersysteem. Twente kampt met een drinkwatertekort en met verdroging en wateroverlast door piekbuien. In de regio Stedendriehoek is de belangrijkste opgave om de verstedelijking in balans te brengen.
Woningbouw moet hand in hand gaan met economische versterking, energie, brede welvaart en de nabijheid van groen. De regio wordt omsloten door landschappelijk en toeristisch fraaie gebieden als Salland, de Veluwe en de Achterhoek. Deze nabijheid is een belangrijke waarde die de regio koestert. De regio is gunstig gelegen op het kruispunt van (inter-)nationale verbindingen over weg, spoor en water en als schakel tussen zowel de Randstad en Twente, als Arnhem-Nijmegen en Zwolle. De verstedelijkingsopgave in de regio kan niet los worden gezien van de opgave voor de IJssel waar opgaven spelen rond waterveiligheid, ecologie, waterkwaliteit, bevaarbaarheid en zoetwaterbeschikbaarheid.
44
Een samenhangende verstedelijkingsaanpak in Dagelijkse Stedelijke Systemen Voor het aanpakken van de grote opgaven op het gebied van verstedelijking zetten we in op een samenhangende benadering van gebiedsontwikkeling. We hanteren bewust de term ‘verstedelijking’. Dit duidt op de samenhang tussen en de diversiteit van de opgaven in het Dagelijkse Stedelijke Systeem (DSS). Verstedelijking gaat om méér dan ‘slechts’ woningbouw, economie en bereikbaarheid. En het gaat niet alleen over steden, maar over alle kernen in de provincie. Stad en platteland. Van buurtschap of klein dorp, tot de grote stad. Daar hoort ook een leefbaar platteland bij. De gekozen term ‘verstedelijking’ omvat daarmee de vele functies die we in steden en dorpen tegenkomen: wonen, werken, winkels, voorzieningen (onderwijs, sport, cultuur, infrastructuur, etc.) en de samenhang hiervan met de opgaven rondom water, vergroening, biodiversiteit en klimaat in het bebouwde gebied. Binnen de Dagelijkse Stedelijke Systemen staan samenwerking en versterking centraal in onze aanpak. Dat doen we onder andere door het opstellen van verstedelijkingstrategieën. Het dagelijks leven van wonen, werken en ontspannen en de bijbehorende verplaatsingen, speelt zich grotendeels af binnen een netwerk van steden en omliggende dorpen. Dat noemen we de ‘Dagelijkse Stedelijke Systemen’.
We kennen er in onze provincie drie (die deels ook buiten de provinciegrenzen gelegen zijn): Regio Zwolle, Regio Stedendriehoek (waaronder Deventer) en Regio Twente. In deze DSS-regio’s spelen de grote steden een centrale rol op het gebied van wonen, werk en voorzieningen, zoals cultuur en zorg. Zwolle en Deventer bevinden zich in het economisch kerngebied van Nederland. De steden Almelo, Hengelo en Enschede nemen in Twente een eigen belangrijke positie in als een regio van kennis en innovatie met sterke internationale verbindingen. In een DSS-regio draait het niet alleen om de grote steden, juist het samenspel met de omliggende kernen maakt de DSSregio tot een eigen functionerend systeem. Doordat we voor iedere regio een eigen verstedelijkingsstrategie hebben of maken, maken we voor iedere regio een aanpak die past bij de unieke eigenschappen van
die regio. Binnen die regio blijven we op gebied van verstedelijking ook langjarig samenwerken met de gemeenten, waterschappen en het Rijk om deze maatwerkaanpak mogelijk te blijven maken. Zo krijgt iedere regio en iedere stad of dorp in de regio een bij de regio passende positie. De grote steden concentreren de woon- en werkgelegenheid en bevatten een ruime keus aan verschillende typen woon- en werklocaties, een sterke mkb-sector met florerende (familie-)bedrijven, een goede aansluiting tussen arbeidsmarkt en onderwijs en een goed voorzieningenniveau. Dit biedt een voedingsbodem voor creativiteit en innovatie, wat essentieel is voor de concurrentiepositie van onze provincie. We zetten in deze verstedelijkingsaanpak zuinig, zorgvuldig en meervoudig ruimtegebruik centraal. Dit gaat over concentratie, nabijheid, toekomstbestendigheid, inbreiding boven uitbreiding en meervoudig en multidimensionaal ruimtegebruik. Daarnaast zetten we in op geconcentreerde groei van steden én van de goed bereikbare middelgrote kernen en de dorpen. Iedere kern kan bouwen voor de lokale behoefte. We geven in deze Omgevingsvisie geen concrete definitie van, of invulling aan de term lokale behoefte, anders dan dat lokale behoefte de behoefte is op gemeentelijk niveau. Periodiek bepalen we, samen met de gemeenten, op regionaal niveau wat de lokale behoefte is. Hier worden meerdere bronnen voor gebruikt.
De vertaling hiervan leggen we vast in de programmeringsafspraken. We willen compacte aantrekkelijke steden en dorpen met de groene omgeving dichtbij. Zodat mensen snel kunnen genieten van rust en
45
ruimte. Dat draagt bij aan het woon- en werkgenot en de gezondheid van inwoners. De randen van de steden en dorpen worden ingericht als poort van de stad of het dorp en vormen een natuurlijke schakel tussen het bebouwde gebied en de groene omgeving. De randen zijn geschikt voor meerdere functies, waarbij moet worden voorkomen dat er verrommeling ontstaat of een te grote verdichting. Bij functieverandering in deze randen moet een zorgvuldige integrale afweging worden gemaakt. Ook bij inbreiding streven we naar voldoende groen, water en biodiversiteit. Het streven naar nabijheid is bij geconcentreerde groei een belangrijk uitgangspunt. Nabijheid van wonen en werkgelegenheid, nabijheid van voorzieningen en cultuur, nabijheid van ruimte voor groen en ontspanning, etc. In de programmeringsafspraken concretiseren we dit. Een goede bereikbaarheid in de hele provincie via robuuste infrastructuur netwerken is hierbij van belang, zodat basisvoorzieningen voor onze inwoners toegankelijk zijn. Daarbij is bereikbaarheid een motor achter de mobiliteitstransitie, waarmee we streven naar schonere, actievere (lopen en fietsen) en minder mobiliteit. Bij iedere toevoeging en/of uitbreiding wordt rekening gehouden met de bestaande situatie: de bestaande kwaliteiten, erfgoed, identiteit, etc.
Dit betekent niet dat er niks mag veranderen, maar wel dat nieuwe ontwikkelingen worden ingepast en eventueel aangepast zodat ze passend zijn. Dat vraagt om een goede onderbouwing, waarin aangegeven wordt hoe de nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan de doelen en opgaven, hoe deze voldoen aan de uitgangspunten van de Leidende Principes en hoe ze bijdragen aan de kwaliteitsambities van de Rode Draden.
Afbeelding: Een illustrerend toekomstbeeld voor Overijssel
46
Economie is van belang voor brede welvaart Kans hebben op leuk, passend en gewaardeerd werk en ontwikkelingsmogelijkheden vinden we van belang voor onze inwoners. Daarbij gaat het niet alleen om het hebben van voldoende en toekomstbestendige werklocaties die in grote mate bijdragen aan een aantrekkelijk vestigingsklimaat en prettige leefomgeving. Het gaat ook om ontwikkelkansen in de diverse werkvelden. Onder andere op het gebied van circulariteit, digitalisering, innovatie, onderwijs en arbeidsmarkt. Hierbij hebben we specifiek aandacht voor het middenen kleinbedrijf inclusief familiebedrijven, zij zijn de motoren van onze economie, zowel binnen het bebouwde gebied als in de groene omgeving. En ook voor de logistieke sector en defensie moet plek zijn. Binnen onze provincie willen we dat economische groei bijdraagt aan een hoger welvaartsniveau van onze inwoners in brede zin. Want een toekomstbestendige economische ontwikkeling is een essentieel middel om te werken aan maatschappelijke opgaven en transities, aan bestaanszekerheid in brede zin en aan een hoogwaardig voorzieningenniveau dat bereikbaar en toegankelijk is voor iedereen. En daarmee aan het welbevinden en dus de brede welvaart van onze inwoners. Onze economie is niet vanzelf ontstaan. Daar hebben we hard voor gewerkt en moeten we hard voor blijven werken.
We vinden het belangrijk, om in overleg met onze medeoverheden, partners, ondernemers en inwoners, te blijven werken aan een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor het bestaande bedrijfsleven, waaronder ons eigen mkb, familiebedrijven en voor nieuwe bedrijven en investeerders van buiten onze provincie die onze economie en samenleving verrijken. We willen voldoende, aantrekkelijke en toekomstbestendige werklocaties met goede (onderlinge) bereikbaarheid, zoals bedrijventerreinen, kantoorlocaties, stationsomgevingen, detailhandel locaties en woon-werkomgevingen. Werklocaties die bovendien goed (onderling) bereikbaar zijn. En op het behouden en beschermen van het bestaande areaal aan werklocaties en de huidige milieu categorieën. We vinden het belangrijk om bedrijventerreinen met een
47
zogeheten hogere milieubelasting (categorie 3, 4 en 5) te behouden. Ze vormen een belangrijk deel van het totale oppervlak aan bedrijventerreinen, en ze zijn van groot belang in diverse transities (circulair, energie, grondstoffen en mobiliteit/logistiek). We sturen daarnaast ook op behoud van watergebonden bedrijventerreinen, omdat met name onze binnenhavens cruciaal zijn voor de transitie naar een circulaire economie. Uitgangspunt hierbij is zuinig, zorgvuldig en meervoudig ruimtegebruik. Voor logistieke ontwikkelingen zoeken we aansluiting bij doorgaande grote corridors, zoals de North Sea Baltic Corridor. Deze corridor is een belangrijke route vanuit de grote zeehavens Rotterdam, Amsterdam en Antwerpen naar Noordoost- en Oost-Nederland, Duitsland, Scandinavië, Polen en de Baltische Staten. De positie van onze provincie op de North Sea-Baltic Corridor, haar vestigings- en ondernemersklimaat en de multimodale bereikbaarheid via de binnenvaart, over de weg en via het spoor, bieden kansen voor groei van logistieke activiteiten. Dit draagt bij aan onze economische activiteiten en werkgelegenheid. Het heeft ook een sterke relatie met het goederenvervoer.
Een aantrekkelijk vestigingsklimaat wordt ook bepaald door een goede aansluiting tussen arbeidsmarkt en onderwijs én ruimte voor innovatie en ondernemerschap, onder andere op het gebied van digitalisering, verduurzaming en internationalisering. Hiermee wordt de economische ontwikkeling in onze provincie in kwantitatieve, maar vooral in kwalitatieve zin verbeterd. Voor het sociaal-economisch functioneren van onze (binnen)steden en dorpskernen is het belangrijk dat er gericht wordt geïnvesteerd in aantrekkelijke winkelomgevingen met een goed detailhandel- en voorzieningenniveau. En functiemenging met wonen is voor de levendigheid van deze gebieden van belang. Daarbij zijn de (cultuurhistorische) kwaliteiten en bereikbaarheid van deze plekken uitgangspunt. Dit is niet alleen van belang voor de instandhouding van het detailhandel- en voorzieningenniveau voor de eigen bevolking, maar ook voor het functioneren van de toeristisch-recreatieve sector. Voor de toeristisch-recreatieve sector willen we de
vrijetijdseconomie behouden en versterken. We zetten daarbij in op kwaliteit, nieuwe producten, voldoende ruimte voor de sector en spreiding van gasten (inwoners en bezoekers) in ruimte en tijd. Bij groei én verduurzaming van de economie moeten we rekening houden met het feit dat productie en consumptie meer in balans moeten komen met de omgeving en de natuurlijke hulpbronnen. Daar is een overgang naar een circulaire economie voor nodig. Een te groot
48
deel van producten die we maken en kopen verandert nu nog in afval. Om de ecologische schade terug te brengen vraagt dit een andere visie op verdienmodellen en worden onder meer productieprocessen en logistieke bouwstromen ingericht met herbruikbare (natuurlijke) grondstoffen. We ondersteunen ondernemers in deze transitie. Specifiek voor de locatiekeuze van bedrijven zijn natuur, bodem en water meer sturend dan voorheen.
Afbeelding: Visiekaart Verstedelijking en Mobiliteit
49
2.8. Bereikbaarheid voor en door onze provincie We zetten in op: • Goede bereikbaarheid voor al onze inwoners, ongeacht leeftijd, inkomen of lichamelijke beperking, zodat bereikbaarheid geen belemmering is om deel te nemen aan de maatschappij. • Bereikbaarheid boven mobiliteit, door onder andere te streven naar nabijheid. • Bereikbaarheid op verschillende schaalniveaus: (inter)nationaal, regionaal en lokaal over robuuste netwerken. • Een goede balans tussen bereikbaarheid, zuinig ruimtegebruik en leefbaarheid, met verkeersveiligheid als randvoorwaarde. • De mobiliteitstransitie (minder, anders en schoner). Dit doen we met behulp van slimme locatiekeuzes voor maximalisering van het STOMP-principe (stappen, trappen, openbaar vervoer, mobiliteitsdiensten en privéautogebruik als volgorde van voorkeur).
afhankelijkheid van grondstoffen, vragen om een andere organisatie van bereikbaarheid. Dit geldt voor alle schaalniveaus: lokaal, regionaal, interregionaal, nationaal en internationaal. Door op elk schaalniveau de juiste maatregelen te treffen, kan de provincie haar strategische positie behouden en versterken én de leefbaarheid vergroten.
Aanleiding Onze provincie bevat belangrijke verbindingen binnen Nederland en tussen Nederland en Duitsland. De provincie kent drie Dagelijkse Stedelijke Systemen (DSS-regio’s) met elk hun eigen karakter en uitdagingen: Twente in het oosten, Stedendriehoek in het zuidwesten en Zwolle in het noordwesten. Deze gebieden vormen samen het economische en sociale hart van de provincie. De verbindingen tussen de drie DSS-regio’s zijn zo cruciaal, dat we ze de Overijsselse gouden driehoek noemen.
Veel lokale verplaatsingen gebeuren lopend, met de fiets of auto. Bij lange-afstandsverkeer begint of eindigt de reis ook op dit netwerk. Om dit in goede banen te leiden wordt onderscheid gemaakt tussen verblijfsgebieden (waar geleefd en gewerkt wordt) en wegen met een accent op doorstroming. De rol van het openbaar vervoer in lokale reizen is beperkt, zeker buiten de steden. Kleinschaliger en flexibelere vormen van openbaar vervoer passen beter bij de schaal van de lokale weginfrastructuur en bij de vervoersvraag. Een voorbeeld hiervan is Flex RRReis in Rijssen-Holten, waar vrijwilligers zonder vaste routes op afroep reizigers tussen de vele haltes in de gemeente vervoeren.
De bereikbaarheid in onze provincie staat onder druk. In de groene omgeving vanwege toenemende afstanden tot voorzieningen. En in en rondom de steden vooral tijdens spitsuren, wanneer de volledige capaciteitsgrenzen worden bereikt. De verstedelijkingsopgave vraagt ruimte en vergroot de druk op ons mobiliteitssysteem. De ambities en afspraken op het gebied van gezondheid, verkeersveiligheid, betaalbaarheid, leefbaarheid, het beperken van uitstoot en
50
De Overijsselse opgaven Lokale netwerken / lokale bereikbaarheid Lokale bereikbaarheid betreft het bereiken van bijvoorbeeld dagelijkse voorzieningen op korte afstanden, via het lokale netwerk. Vrijwel elke reis begint of eindigt op dit netwerk. Hier spelen vooral opgaven op het gebied van verkeersveiligheid en zuinig ruimtegebruik. Elke lokale situatie heeft een passend mobiliteitssysteem nodig met goede verbindingen naar omliggende bestemmingen.
Hoewel de groene omgeving de grootste reistijden en de meeste autoafhankelijkheid kent, zijn inwoners meestal tevreden over de bereikbaarheid. Voor inwoners in de dorpen en kernen in de groene omgeving is de bereikbaarheid van voorzieningen in en nabij de steden van belang. Men is ingesteld op een leven waarin veel met de auto wordt gereisd. Dat ligt anders in de ‘tussengebieden’, zoals
buitenwijken van grote steden en grotere kernen. Hier is de behoefte aan betere bereikbaarheid onder een groter deel van de bevolking. We onderzoeken in het kader van de streefwaarde bereikbaarheid hoe we de bereikbaarheid van deze gebieden kunnen verbeteren.
verbindingen zit het openbaar vervoer tussen de Twentse steden en omliggende kernen in de spits overvol. Op de weg zijn de grootste knelpunten de A1/A35 rond Hengelo, de N35 en de N36 bij Almelo en bijvoorbeeld de N342, de rondweg Oldenzaal.
Regionale netwerken / regionale bereikbaarheid Binnen onze DSS-regio’s zijn grote stromen woon-werkverkeer, verkeer naar onderwijs en zakelijk verkeer met de steden als zwaartepunten. Dagelijks reizen aanzienlijk meer mensen vanuit de regio naar de stad dan andersom, wat in mindere mate geldt voor de streekcentra. Het regionale netwerk, bestaand uit (rijks- en provinciale) wegen, doorfietsroutes, regionale busverbindingen en treindiensten faciliteert dit dagelijkse verkeer.
De Stedendriehoek is ook een stedelijke regio waar de drie steden samen een rol vervullen in voorzieningen voor de regio. Naast onderlinge verbondenheid is de Stedendriehoek sterk verbonden met de omliggende regio’s. Station Deventer heeft uitbreiding nodig om het groeiende nationale en internationale reizigersvervoer ruimte te bieden en betere overstapmogelijkheden te bieden tussen de lijnen Zwolle Arnhem en Randstad - Twente. De wegbereikbaarheid in de regio kampt met knelpunten op de A1 en A50. In Deventer leidt het autoverkeer tot diverse knelpunten in de stad, door bijvoorbeeld veel verkeer in bebouwd gebied waar ook de verblijfskwaliteit vergroot kan worden, zoals bij het Hanzetracé (N337) en de brug over de IJssel (N344).
Knelpunten binnen de DSS-regio’s hebben onze aandacht. Er liggen vooral uitdagingen in de bereikbaarheid van steden tijdens de spits en in de bereikbaarheid van werklocaties en voorzieningen buiten de steden, waar de auto soms de enige reismogelijkheid is. Regionale routes dwars door woongebieden veroorzaken barrièrewerking (bijvoorbeeld wegen die lastig over te steken zijn), verkeersveiligheidsrisico’s, en overlast. De (vaak) historisch gegroeide situaties, vragen om ingrijpende maatregelen. De drie DSS-regio’s hebben ieder hun eigen kenmerken. De regio Zwolle is uitgestrekt, wat leidt tot lange reisafstanden en een relatief grote afhankelijkheid van ov of auto. Dit leidt tot overvolle treinen op de trajecten Hardenberg-Zwolle en Enschede-Zwolle en op diverse busverbindingen. Op de weg zijn de grootste knelpunten de A28 door Zwolle, de N50 tussen Kampen en Hattemerbroek en de N35, in Zwolle en bij knooppunt Raalte (N35xN348). De grote steden in Twente zijn te typeren als meerdere steden die samen de voorzieningen voor een regio bedienen. In zo’n (polycentrische) regio zijn de steden onderling verbonden en hebben ze allemaal een belangrijke rol. Tussen de steden Enschede, Hengelo en Almelo is er sprake van intensieve reizigersstromen. Op meerdere
51
Interregionale of nationale netwerken / bereikbaarheid De Overijsselse gouden driehoek is cruciaal voor zowel de regionale als interregionale bereikbaarheid voor een groot deel van onze inwoners en ondernemers. Tussen Twente en de Stedendriehoek via de A1-corridor (A1, F1, Spoor en Twentekanaal). Tussen Zwolle en de Stedendriehoek via A50, N348-N35, F337, IJsselvalleilijn en IJssel. Tussen Zwolle en Twente via de N35, het spoor en de fietssnelweg F35. De verstedelijkingsopgave maakt het goed functioneren van deze gouden driehoek van toenemend belang. Onder andere willen we hiervoor hogere frequentie van de OV-verbindingen. Onze DSS-regio’s zijn met meerdere corridors verbonden met de rest van Nederland en het buitenland. Op deze corridors hebben zowel weg-, spoor-, water- als fietsroutes een belangrijke functie om de economische, sociale en onderwijsrelaties te versterken. Dit gaat zowel om verplaatsingen van bijvoorbeeld kenniswerkers, scholieren en studenten, die hoofdzakelijk gebruik kunnen maken van het openbaar
vervoer, als over logistiek en maakberoepen met fysieke materialen en gereedschappen die aangewezen zijn op de weginfrastructuur. Op deze verbindingen zitten knelpunten die met verdere verstedelijking mogelijk groter worden. Vanwege de schaarse ruimte zetten we op deze corridors in op een grote rol voor collectieve mobiliteit. Op bijvoorbeeld de corridor Zwolle-Twente-Münster is uitbreiding van frequentie en capaciteit nodig. De aanpak van de flessenhals bij Meppel verbetert de betrouwbaarheid van de spoorverbindingen met het Noorden. De Nedersaksenlijn biedt in dit opzicht ook kansen. De N35 is regelmatig overbelast en verkeersonveilig en kent een te lage basiskwaliteit. Het blijvend bevaarbaar houden van de IJssel en Twentekanaal, staat onder druk door te hoog water in de winter of te laag water in de zomer. We blijven ons inzetten voor volledig dubbelspoor tussen Deventer-Zwolle, evenals voor een station in Staphorst. Op veel van de doorgaande routes op dit schaalniveau zijn grote verkeersveiligheidsrisico’s, zoals op de vervlochten snelwegen A1/A35, op diverse wegvakken van de N35 en op de N36 en N50. Veel van deze knelpunten bevinden zich op Rijksinfrastructuur, zowel weg als spoor, wat samenwerking noodzakelijk maakt om deze op te lossen.
Internationale netwerken / bereikbaarheid Het internationale netwerk is bedoeld voor verplaatsingen van mensen en goederen over lange afstand. Het omvat de Europese TEN-T corridors, over zowel weg, spoor als water. Onze provincie ligt centraal op één van de TEN-T-corridors: de North Sea-Baltic Corridor. De A1, de A28-A37 en ook de A/N35 maken hier onderdeel vanuit, evenals de belangrijkste spoorverbindingen (Amsterdam-Berlijn, Zwolle-TwenteMünster). Hierover is internationaal treinverkeer mogelijk, zoals goederenvervoer en de IC Amsterdam-Berlijn. Recent is ook ZwolleEnschede toegevoegd aan het uitgebreide TEN-T-netwerk.
52
Het belang van robuuste netwerken De netwerken functioneren in samenhang. Een zwakke schakel in het regionale netwerk kan leiden tot ongewenst doorgaand verkeer in verblijfsgebieden, met overlast of ongevallen tot gevolg. Ook kan lokaal verkeer de doorstroming op nationale verbindingswegen hinderen. Dit speelt bijvoorbeeld op de A28 tussen Zwolle-Noord en Zwolle-Zuid, waar deze weg een rol vervult op alle schaalniveaus en regelmatig een knelpunt is tijdens de spits. Ingrepen op het ene schaalniveau kunnen problemen op het andere niveau veroorzaken of oplossen. Daarom is het belangrijk netwerklagen in samenhang te beschouwen. Ondanks het streven om lokaal autoverkeer te minimaliseren en de mogelijkheden te bieden om van het lokale netwerk gebruik te maken, blijft het vaak onvermijdelijk dat de doorgaande A- en N-wegen in sommige gevallen gebruikt worden door lokaal autoverkeer. Samen met het rijk en gemeenten zorgen we voor routes waarbij lokaal, regionaal en nationaal verkeer elkaar minder hinderen en voor een netwerkinrichting die uitnodigt tot lopen en fietsen op kortere afstanden en meer gebruik van openbaar vervoer. Dit komt de bereikbaarheid, veiligheid én leefbaarheid ten goede. Bereikbaarheid en nabijheid boven mobiliteit Goede bereikbaarheid is cruciaal voor ons dagelijks leven en voor onze economie.