CConstaterende datRaalte
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage V - Ontwerp-Zienswijzennota Omgevingsvisie en Omgevingsverordening (2)

Informatievoorziening raad 19 maart 2026, gemeente RaalteBij agendapunt: Ontwerp Omgevingsvisie- en verordening provincie Overijssel77.158 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 9

voor dergelijke gebieden gezamenlijk richtinggevende uitgangspunten te formuleren voor ruimtelijke opgaven waarbinnen gemeenten de vrijheid krijgen voor gebiedsgericht maatwerk op planniveau; e. meer van 'buiten naar binnen te werken', dus op basis van de genoemde praktijkervaring te bepalen wat er in de Omgevingsverordening aan 'de achterkant' nog geregeld moet worden voor wat betreft de wijze van samenwerking (in gebiedsprocessen) en de Redeneerlijn.

U geeft aan dat u risico's ziet voor het kunnen toepassen van gebiedsgericht maatwerk, dat de juridische vertaling een risico kan opleveren in beroepsprocedures en discussie en vertraging op kan leveren. Deze zorg snappen wij. Wij hebben paragraaf 3.6 van de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening op dit punt verduidelijkt en de juridische regeling in de Omgevingsverordening aangepast. Daarin hebben wij opgenomen dat de onderbouwing die bij een omgevingsplan wordt gevraagd op basis van de Redeneerlijn, in verhouding hoort te staan tot de omvang van de ontwikkeling en ook het doorlopen gezamenlijke traject wat daar in bepaalde gevallen aan vooraf is gegaan. Daarbij is ruimte voor maatwerk. Door de regeling aan te passen en het doel en de koppeling met ons provinciaal belang te verduidelijken, zijn wij er van overtuigd dat dit geen onbedoeld juridische houvast geeft in beroepsprocedures. Via voorkantsamenwerking en door vroegtijdig in planvorming de uitgangspunten uit onze Omgevingsvisie en Omgevingsverordening te betrekken, zien wij geen risico op vertraging in de planvorming. U doet een aantal concrete aanbevelingen om de toepassing, beschrijving, verankering en werkwijze van de Redeneerlijn te verbeteren. Wij hebben paragraaf 3.6 van de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening op dit punt verduidelijkt en de juridische regeling in de Omgevingsverordening aangepast.

Wij gaan er vanuit dat wij aan uw aandachtspunten tegemoetkomen.

Pagina 41 van 842 Ontwerp-Zienswijzennota Nieuwe Omgevingsvisie en Omgevingsverordening

Ja

Ja

12. Wonen

2025023459/4

13. Ondernemen, werken, voorzieningen en logistiek

2025023459/6

19. Kaartbijlage

2025023459/7

8. Landbouw en voedselvoorziening

2025023459/8

Principe van concentratie. De kern Hardenberg is in de ontwerpOmgevingsvisie als streekcentrum aangewezen met de mogelijkheid om te voorzien in een regionale behoefte. Deze positie en status heeft ons veel gebracht en wordt gecontinueerd in de ontwerpvisie. Daar zijn wij blij mee. Eveneens positief om te constateren dat in de visie de stationsomgevingen uit het NOVEX-programma stationsomgevingen (waar station Hardenberg onderdeel van uitmaakt) expliciet benoemd worden als goed bereikbare en multimodale knooppunten waar stedelijke ontwikkelingen bij voorkeur een plek kunnen krijgen.Voor de overige kernen geldt dat altijd voor lokale behoefte gebouwd mag worden. Onder voorwaarden is er voor deze kernen ook ruimte om te bouwen voor meer dan hun lokale behoefte. Wij vragen u om nog eens kritisch te kijken naar de wijze waarop dit geregeld is in de Omgevingsverordening (artikel 4.4 lid 5). Daarin wordt namelijk bepaald dat in een bovenregionale behoefte of de behoefte van een buurgemeente voorzien mag worden als dit past binnen de regionale programmeringsafspraken van de regio. Ruimte om te bouwen voor meer dan lokale behoefte hoeft echter niet per definitie gekoppeld te zijn aan een bovenregionale behoefte of de behoefte van een buurgemeente. Voorgesteld wordt daarom bovenlokale behoefte toe te voegen aan lid 5.

En daarbij ook de koppeling te leggen met het zoekgebied Vechtdal voor een regionaal bedrijventerrein (op grond van de Ruimtelijk Economisch Bouwsteen 2040 voor de regio Zwolle) en de 1.000 extra woningen voor regionale woningbehoefte waarin onze gemeente gaat voorzien op grond van de herijking van de woondeal. Watergebonden bedrijventerreinen. Hardenberg wordt op de kaart aangewezen als (binnen)haven. Specifiek gaat het over bedrijventerrein Bruchterweg-Nieuwe Haven. Wij onderschrijven het doel om te sturen op het gebruik van de (aan het water gelegen) kavels voor watergebonden bedrijvigheid. Veel van deze kavels worden in de praktijk ook al als zodanig gebruikt. De Hardenbergse werkwijze is dat wij sturen door te stimuleren en daarover voortdurend in nauw contact te staan met onze ondernemers. De voorliggende regeling voor watergebonden bedrijvigheid heeft een andere insteek. Vraag is of de provincie inzicht kan geven of eigenaren door deze regeling aanspraak kunnen maken op tegemoetkoming in de planschade (wegens mogelijke waardevermindering van de kavels) en zo ja, wie deze kosten dan moet dragen. Mobiliteit, Wij constateren dat de verbinding Twente-Drenthe (N34, N36, Vechtdal lijn en Nedersaksenlijn) niet als Nationale weg en spoornetwerk is opgenomen. Hetzelfde geldt voor de verbinding Hardenberg - Zwolle (N34(0) en de Vechtdallijnen).

Deze verbinden namelijk ook de regio's Twente en Zwolle (inclusief Hoogeveen) met elkaar. Graag zien wij dat deze netwerken alsnog als Nationale infrastructuur worden aangemerkt. Het netwerk in de gehele provincie krijgt dan meer vorm. Begrenzing landbouwgebieden. In de Omgevingsvisie maakt u onderscheid in twee typen grondgebonden landbouwgebieden. Deze indeling krijgt een duidelijke plek bij planologische afwegingen (zie afdeling 4.15 Omgevingsverordening), waarbij u op basis van de indeling kiest voor een zorgvuldige bescherming van de functie landbouw of stuurt op multifunctioneel en multidimensionaal ruimtegebruik. Ook wij hanteren bij onze planologische afwegingen al jarenlang twee typen gebieden in het buitengebied, namelijk enerzijds de open ontginningslandschappen met als hoofdkoers landbouw en de overige meer kleinschalige en gemengde gebieden. Wij constateren dat de provinciale begrenzing niet overal overeen komt met de begrenzing die wij hanteren. Dit verschil lijkt het gevolg van het feit dat de provinciale gebiedsindeling in hoofdzaak gebaseerd lijkt te zijn op het principe water en bodem sturend, terwijl in onze zonering vooral de kenmerken van het landschap en de aanwezigheid van niet-agrarische functies als uitgangspunt is genomen.

Wij verzoeken u om bij de beoordeling van omgevingsplannen in ons buitengebied voldoende ruimte te laten voor gemeentelijk en gebiedsgericht maatwerk.

In de Omgevingsvisie geven we de kaders rondom verstedelijking. In hoofdlijnen schetsen we dat verschillende kernen binnen een DSS daar een verschillende rol in hebben. In de Omgevingsverordening is die rolverdeling vastgelegd met het principe van concentratie (artikel 4.4). Daarbij wordt de mogelijkheid geboden om in het kader van regionale programmering voor woningbouw en bedrijventerreinen af te spreken dat andere kernen dan de grote steden een deel van de bovenlokale behoefte voor hun rekening nemen. Daarbij stellen we in het nieuwe lid 6 van artikel 4.4 wel voorwaarden - zoals een goede bereikbaarheid met openbaar vervoer - om recht te doen aan de verstedelijkingsprincipes die ook uitgangspunt zijn voor de verstedelijkingsstrategieën. In de verstedelijkingsstrategieën werken we dit per DSS op maat nader uit. De concrete vertaling daarvan per kern landt vervolgens specifiek voor woningbouw en bedrijventerreinontwikkeling weer in de programmeringsafspraken die we periodiek in regionaal verband opstellen.

Nee

We lezen dat u het sturen op het gebruik van de kavels voor watergebonden bedrijvigheid onderschrijft. We hebben in paragrafen 2.7 en 6.8 van de Omgevingsvisie zelf, extra duiding toegevoegd waarom we inzetten op het behoud van deze specifieke werklocaties. We hebben laten uitzoeken of er als gevolg van de instructieregels voor HMC en watergebonden bedrijvigheid sprake kan zijn van planschade. Dit is in sommige gevallen mogelijk bij de instructieregel voor watergebonden bedrijvigheid. We hebben hier in de toelichting bij de instructieregel extra duiding over opgenomen.

Ja

Bereikbaarheid van onze hele provincie is van belang, waarbij we ook voortbouwen op onze bestaande sterke netwerken. We leggen de focus op de directe onderlinge verbanden tussen de drie stedelijke gebieden binnen de Gouden Driehoek. We zijn het met u eens dat de verbinding TwenteDrenthe via de N36 en N34 onderdeel uitmaakt van de nationale corridors. Deze hebben we daarom toegevoegd aan de betreffende kaart. De N340 zien we als provinciale verbinding. Nationaal doorgaand (vracht-)verkeer kan beter gebruik maken van andere routes. De genoemde spoorlijnen zijn (op dit moment) vooral van regionale betekenis. U geeft aan dat de provinciale begrenzing van de landbouwgebieden niet gelijk ligt aan de begrenzing die de gemeente gebruikt. Vanuit de Omgevingswet wordt van gemeenten gevraagd om rekening te houden met provinciaal beleid. De begrenzing van onze landbouwgebieden is richtinggevend voor de ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, maar laat ruimte voor lokale interpretatie. We zijn terughoudend met het bieden van ontwikkelingsmogelijkheden voor andere functies dan landbouw in landbouwgebieden met generieke opgaven en kansen (nee, tenzij).

Ja

Pagina 42 van 842 Ontwerp-Zienswijzennota Nieuwe Omgevingsvisie en Omgevingsverordening

Nee

2025-023487 Thema

Zaaknummer

Zienswijze

Antwoord

3. Leidende principes en redeneerlijn

2025023487/1

U geeft aan dat in de opzet van een compacte stad meerdere functies om ruimte vragen, zoals bijvoorbeeld ook ruimte voor klimaatopgaven. Wij onderschrijven dit. Daarom is in de verstedelijkingsaanpak ook opgeschreven dat we opgaven binnen het stedelijk gebied in samenhang beschouwen. We werken hierin graag samen met alle relevante partners.

Nee

3. Leidende Principes en Redeneerlijn

2025023487/2

In de ontwerp Omgevingsvisie wordt gesteld dat “het concentreren van wonen, werken en voorzieningen ervoor zorgt dat diensten, voorzieningen, bedrijven en kennisinstellingen het meest van elkaar profiteren én dat dit de leefbaarheid en brede welvaart vergroot”. Vanuit de gedachte van een compacte opbouw van het stedelijk gebied is dit goed denkbaar. Echter: in de opzet van een compacte stad (ook vanuit de door u opgestelde Leidende Principes) moet hier een link worden gelegd met andere ruimtevragers zoals ruimte voor klimaatopgaven (o.a. voorkomen hittestress en opvang piekbuien). Ook deze aspecten maken immers deel uit van een brede welvaart. Uiteindelijke keuzes in de ruimte moeten vanuit deze brede scope gemaakt worden, in onze opvatting. Daarnaast wordt de focus gelegd op een mix van functies in relatie tot vergroting van brede welvaart en leefbaarheid: hoe zorgen we ervoor dat alle inwoners hiervan mee profiteren? Dit vraagt inzet vanuit visie, programma en uitvoering. Ook op dit punt is samenwerking van belang. Positie van de regio in de ontwerp Omgevingsvisie. Bij het versterken van de DSS-regio’s zet Overijssel de grote steden (Zwolle, Almelo, Hengelo, Enschede en Deventer) centraal als kloppend hart en motor van de regio.

Met Deventer als de enige Overijsselse gemeente in de Stedendriehoek, is een blijvend aandachtspunt hoe dit zich verhoudt tot onze regio en de regionale opgaven. Per thema (wonen, werken, bereikbaarheid) wordt dit afgestemd binnen de programmeringsafspraken. Daarnaast werkt de regio samen met o.a. Overijssel aan het Ontwikkelperspectief voor de verstedelijkingsstrategie. Hierin gaan de hiervoor genoemde thema’s een plek krijgen. Uw beleid en visie kent een tamelijk harde provinciegrens. Het regionaal afwegen, keuzes maken en programmeren vergt een grotere scope. Hier is gelukkig ervaring mee (woondeal afspraken Stedendriehoek, RPW). Maar het ontwikkelperspectief Stedendriehoek zal het beleid en de opgaven van beide provincies moeten integreren. Hoe gaat u hier mee om? Hoe ervoor te zorgen dat het ontwikkelperspectief Stedendriehoek is gegrondvest in de Redeneerlijn? En dat niet na vaststelling van het ontwikkelperspectief deze langs de maatlat van de Redeneerlijn wordt gehouden. Afstemming tussen beleid van beide provincies is hierbij nodig. Ook kan het zijn dat opgaven die initieel op het grondgebied van de ene provincie liggen, in een regionale afweging in de andere provincie landen. Hoe gaat u daar mee om? Voor Overijssel is de vergroting van de leefbaarheid en brede welvaart van de DSS-regio’s (voorheen Daily Urban System, nu Dagelijks Stedelijk Systeem) van groot belang.

Dit is een gedeeld belang vanuit de regio Stedendriehoek en sluit goed aan op de lijn uit het ontwikkelperspectief voor onze verstedelijkingsstrategie, waarin we keuzes mede baseren op een afwegingskader voor brede welvaart.

U vraagt aandacht voor de positie van Deventer als enige Overijsselse gemeente binnen de regionale samenwerking in de Stedendriehoek, de afstemming die dit vraagt met medeoverheden en de positie van het instrumentarium uit de omgevingsvisie, waaronder de Redeneerlijn. Elke samenwerking kent zijn eigen grenzen, daarbij zien we dat meerdere regio’s in Overijssel grensontkennend samenwerken. Voor Zwolle geldt dat er binnen 4 provincies met 20 gemeenten wordt samengewerkt. Hardenberg werkt binnen de regio Zwolle ook nadrukkelijk samen met Twente en Zuid Oost Drenthe. Deventer werkt samen in de Stedendriehoek en met WestOverijssel daar waar het gaat over Omgevingsdienst, GGD, Jeugdzorg etc. Juist daar waar grenzen spelen is het belangrijker nadrukkelijk de samenwerking op te zoeken. Gelderland en Overijssel zijn beide zeer betrokken bij de verdere ontwikkeling van de Stedendriehoek. Samen met regio en rijk werken we gezamenlijk aan de goede keuzes.

Ja

Wij begrijpen uw vraag over het doorwerken van gezamenlijke conclusies en inzichten uit een verstedelijkingsstrategie in daarop volgende planprocedures. Wij verduidelijken de visie en Omgevingsverordening op dit punt en passen de juridische regeling in de Omgevingsverordening aan. Daarin nemen we op dat een onderbouwing die bij een omgevingsplan wordt gevraagd, in verhouding moet staan tot de omvang van de ontwikkeling. Aan grote locatiekeuzes, zoals die voor grootschalige nieuwbouwlocaties voor wonen of werken, gaat meestal een visievormend traject vooraf. Bijvoorbeeld een verstedelijkingsstrategie. Wij gaan er vanuit dat bij die visievormende trajecten ook de provinciale Redeneerlijn wordt betrokken. Als de provincie in dat visievormende traject heeft ingestemd met de locatiekeuze, dan staat die bij de verdere uitwerking in omgevingsplannen niet meer ter discussie. De onderbouwing voor de locatiekeuze heeft immers al plaatsgevonden in dat visievormende traject. De Redeneerlijn wordt dan alleen nog toegepast op de afwegingen die bij de verdere uitwerking van de locatiekeuze aan de orde zijn en die nog niet in dat visievormende traject aan bod zijn gekomen. Ook als die is opgesteld met partners buiten onze provinciegrenzen.

Vanzelfsprekend zal in het vervolg bij de juridische verankering in het Omgevingsplan de Redeneerlijn gemotiveerd moeten worden, alleen kan deze dan niet tot een andere uitkomst leiden.

Pagina 43 van 842 Ontwerp-Zienswijzennota Nieuwe Omgevingsvisie en Omgevingsverordening

Wijziging Omgevingsvisie

3. Leidende principes en redeneerlijn

2025023487/3

De overige Leidende Principes moeten worden toegepast bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de DSS-regio. Een voorbeeld hiervan is “zuinig, zorgvuldig en meervoudig ruimtegebruik”: Overijssel stelt vanuit dit principe bijvoorbeeld “voorwaarden aan stedenbouw” (p.72 ontwerp Omgevingsvisie). Hiermee leidt de nieuwe Redeneerlijn tot onduidelijkheid: hoever gaat een motivering? Naar onze visie moet hier ruimte blijven voor gemeentelijke interpretatie bij de afweging en invulling van de ruimtelijke ontwikkeling. Wij pleiten voor meer flexibiliteit en ruimte om juist in ons gezamenlijke traject tot een Ontwikkelperspectief Regio Stedendriehoek integrale afwegingen te maken, die recht doen aan alle principes van brede welvaart.

3. Leidende Principes en Redeneerlijn

2025023487/4

11. Verstedelijking

2025023487/5

Toepassing van de Redeneerlijn in een DSS-regio. De Redeneerlijn geeft aan hoe de Leidende Principes toegepast moeten worden en is cruciaal in het beargumenteren van gebiedsafwegingen. De Redeneerlijn is als instructieregel opgenomen in de Omgevingsverordening en heeft daarmee een directe werking voor gemeenten en dus ook voor het Overijsselse deel van onze regio. Het opnemen van de nieuwe Redeneerlijn in de Omgevingsverordening zal naar onze interpretatie meer inzet vragen om een ontwikkeling te motiveren met mogelijke vertraging en kostenverhoging tot gevolg. Eén van de Leidende Principes is inzet op krachtige DSS-regio’s. In de Redeneerlijn zien we dit nog onvoldoende uitgewerkt: waar ligt het onderscheid tussen de ontwikkeling van een DDS-regio in relatie tot de overige Leidende Principes? Hoe wordt straks gewogen of ruimtelijke keuzes hieraan voldoen? Toepassing Leidende Principes: de positie van uitbreiding bestaand bebouwd gebied. U geeft in paragraaf 3.2 aan onder welke voorwaarden uitbreiding van het bestaand bebouwd gebiedmogelijk kan zijn. U vraagt een onderbouwing: • Dat er een maatschappelijke behoefte is aan de beoogde ontwikkeling. • Of er binnen het bebouwde gebied locaties benut kunnen worden of beschikbaar te maken zijndoor bijvoorbeeld sloop, herstructurering en transformatie.

• Of de mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut. Vanuit de Regio Stedendriehoek wordt in het kader van het ontwikkelperspectief voor de verstedelijkingsstrategie invulling gegeven aan de ruimtelijke opgaven vanuit langjarig perspectief. Vanuit dit doel werken we aan de verstedelijkingsstrategie. Wij vragen ruimte van de provincie om hier invulling aan te geven. Het op voorhand opleggen van strikte voorwaarden voor uitbreiding vanuit de in paragraaf 2.5 van de ontwerp Omgevingsvisie genoemde voorwaarden doet het zorgvuldige proces naar een verstedelijkingsstrategie tekort. In de Regio Stedendriehoek is bestuurlijk uitgesproken dat we groeien ‘in balans’: groei is geen doel opzich, maar draagt bij aan bestendiging en vergroten van de brede welvaart in onze regio. Daarbij hebben we oog voor de balans tussen verstedelijkingsopgaven en kwaliteit van natuur en landschap. Onze regio kenmerkt zich door haar onderscheidende landschap. Specifiek door de diversiteit aan landschapstypen en de afwisseling van open- en geslotenheid. Zoals verwoord in onze strategische agenda en het regio arrangement is onze ambitie dan ook het behoud én de versterking van die hoge landschappelijke kwaliteit. Wij vragen in de ontwerp provinciale Omgevingsvisie van Overijssel hier aandacht voor.

De landschappelijke kwetsbaarheid voor verstedelijkingsopgaven wordt óók gedeeld aan de westelijke zijde van de IJssel. De openheid draagt bij aan de herkenbaarheid en identiteit van het landschap en de leefkwaliteit van de regio in de brede zin. Door behoud van die hoge landschappelijke kwaliteit biedt het gebied potentie om de recreatieve druk op de Veluwe te ontlasten.

Wij begrijpen uw vraag over het doorwerken van gezamenlijke conclusies en inzichten uit een verstedelijkingsstrategie in daarop volgende planprocedures. Wij hebben de tekst in paragraaf 3.6 van de Omgevingsvisie en in de Omgevingsverordening op dit punt verduidelijkt en hebben de juridische regeling in de Omgevingsverordening hierop aangepast. Daarin hebben wijk opgenomen dat de onderbouwing die bij een omgevingsplan wordt gevraagd op basis van de Redeneerlijn, in verhouding hoort te staan tot de omvang van de ontwikkeling en ook het doorlopen gezamenlijke traject wat daar in bepaalde gevallen aan vooraf is gegaan. Dan is nog steeds een onderbouwing nodig, maar kan de omvang van de onderbouwing afhangen van wat al eerder is onderzocht en gezamenlijk geconcludeerd in een verstedelijkingsstrategie, ook als die in opgesteld met partners buiten onze provinciegrenzen. U geeft aan dat het opnemen van de Redeneerlijn als instructieregel in de Omgevingsverordening zorgt voor onduidelijkheid omdat niet duidelijk is hoeveel onderbouwing nodig is. Ook geeft u aan dat dit mogelijk meer tijd en kosten met zich meebrengt. Wij hebben paragraaf 3.6 van de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening aanpast, door meer te verduidelijken wat wij van belang vinden in zo'n onderbouwing.

Wij zien dit als een onderdeel van het motiveren dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies waarin ook de provinciale belangen een plek krijgen. In de visie en de Omgevingsverordening hebben we aangepast dat de benodigde onderbouwing proportioneel kan zijn met de omvang van het project en het doorlopen proces en de afstemming daarover in het voortraject.

Ja

In paragraaf 2.5 en 3.2 van de Omgevingsvisie beschrijven we onze visie op zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. Specifiek benoemen we hierbij de aandacht voor een ontwikkeling in balans. In het kader van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik geven we de voorkeur aan inbreiding en verdichting van bestaande kernen boven uitleg in groene gebieden. Hiermee beschermen we ook de kwetsbare landschappen rondom de steden waarover u in de zienswijze spreekt. Tegelijk is uitgangspunt van beleid dat het streven om de verdichtingsmogelijkheden optimaal te benutten geen oproep om alle groene ruimte in bebouwd gebied vol te bouwen met stedelijke functies. Juist daarom hebben we in paragraaf 2.7 het principe van 'verstedelijking' als integraal principe opgenomen, waarbij álle opgaven in bebouwd gebied in samenhang aan bod komen. Ook de voor een leefbare stad noodzakelijke ruimte voor groen, water en ontspanning hebben hierin een cruciale plek. Dit vraagt een zorgvuldige visie op de mogelijkheden van stedelijke verdichting en uitleg. Daarom vragen we gemeenten deze te maken. De samenwerking en visievorming in het kader van de Verstedelijkingsstrategie "Ontwikkelperspectief Verstedelijking in Balans" sluit daar naadloos op aan.

Nee

Pagina 44 van 842 Ontwerp-Zienswijzennota Nieuwe Omgevingsvisie en Omgevingsverordening

Ja

13. Ondernemen, werken, voorzieningen en logistiek

2025023487/6

13. Ondernemen, werken, voorzieningen en logistiek

2025023487/7

13. Ondernemen, werken, voorzieningen en logistiek

2025023487/8

19. Kaartbijlage

2025023487/9

In de programmering van de werklocaties is er geconstateerd dat er tot en met 2040 er een beleidsneutrale behoefte van 210 hectare netto voor de gehele regio Stedendriehoek resteert, inclusief kavels voor grootschalige bedrijvigheid. De daadwerkelijke behoefte zal waarschijnlijk hoger zijn, gelet op de woningbouwambitie en de wens om de beroepsbevolking en de werkgelegenheid in balans te houden. Daar zijn echter nog geen prognoses voor berekend. 45 hectare van de beleids neutrale behoefte betreft de behoefte in Deventer. Graag zouden we zien dat de provincie Overijssel hierop ingaat en aangeeft dat dit onderdeel is van de regionale verstedelijkingsstrategie. In het RPW hebben we met elkaar afgesproken dat regionale economische opgaven lokale en regionale meerwaarde moeten hebben. Vooral die lokale en regionale meerwaarde missen wij in de visie. Daarnaast moet de economische behoefte in de regio niet worden verward met de economische opgaven die wij als regio nastreven. Ook graag de koppeling toevoegen met het regionaal programma werklocaties waar de behoefte aan grootschalige logistiek nader wordt onderbouwd en regionaal geprogrammeerd. (Paragraaf 6.1, p. 125 onder logistiek). Economie. U kiest voor instructieregels voor bedrijven met hogere milieu categorieën en watergebonden bedrijven.

In de regio onderschrijven wij het belang van dergelijke locaties en zien de potentie van het benutten van water als duurzame vervoeras. In het regionaal programma werklocaties Stedendriehoek (RPW) hebben we daarom bijvoorbeeld opgenomen dat we bedrijventerreinen met hogere milieucategorie (>4.1) willen beschermen en watergebonden locaties optimaal willen benutten en transformatie in principe uitsluiten. We hanteren een “nee, tenzij” houding en bij gemotiveerde én regionaal afgestemde uitzonderingen zetten wij ons in voor compensatie locaties. De instructieregels zoals deze nu opgenomen zijn in de provinciale Omgevingsvisie gaan een flinke stap verder (namelijk vanaf milieucategorie 3.1) en beperken ons in de toepassing van het leidende principe dat uitgaat van meervoudig ruimtegebruik waarbij ingezet wordt vanuit de compacte stad opmix van wonen en werken: het is wenselijk om de ruimte te behouden om in te kunnen zetten op transformatie, bijvoorbeeld in gebieden die direct grenzen aan woongebieden of met een goede multimodale ontsluiting. De instructieregels maken het lastig om een goede afweging te maken tussen economische, ruimtelijke en maatschappelijke belangen.

Kortom ook ten aanzien van deze instructieregels vragen wij meer ruimte om aan de hand van ons gezamenlijke proces, met brede welvaart als onderlegger, integrale keuzes te maken, die mogelijk op onderdelen af kunnen wijken van deze instructieregels. Uiteraard een en ander indachtig de regionaal gemaakte afspraken in het RPW2025-2028 inclusief compensatiemaatregelen. De regio Stedendriehoek hanteert de VNG lijn in het RPW voor aanduiding van HMClocaties: vanaf categorie 4.1. De provincie kiest een andere indeling vanaf categorie 3.1. Hiermee komen regionale afspraken in een ander daglicht te staan en wordt samenwerking (over de provinciegrens) bemoeilijkt. Wij verzoeken u in de instructieregel aan te sluiten bij de in de Regio Stedendriehoek genoemde categorieën en categorie 3.1 buiten de instructieregel te houden. Algemene aandachtspunten. Samenwerkingsverbanden van gemeenten. Ook als het gaat om invloedsgebied lijken de grenzen niet te kloppen. In beide gevallen is de regio Stedendriehoek te klein aangegeven (in de richtingen: Heerde, Apeldoorn, Lochem, Zwolle).Wij verzoeken dan ook de kaarten hierop aan te passen.

Het is inderdaad zo dat de Verstedelijkingsstrategie Stedendriehoek de integrale opgave betreft voor wonen en werken. De 45 hectare (bovenkant bandbreedte) voor Deventer betreft een beleidsneutrale behoefte vanuit de programmeringsafspraken uit 2023. In 2026 gaan we bezig met het opstellen van nieuwe programmeringsafspraken bedrijventerreinen 20272030. Hierin gaan we onder andere nader in op regionale meerwaarde, verstedelijkingsambities en behoefte aan grootschalige logistiek.

Nee

Ook wij vinden het sturen op lokale- en regionale meerwaarde van belang. Dit doen we al binnen onze huidige programmeringsafspraken bedrijventerreinen 2023-2026. Op dit moment zijn wij bezig met de herziening van de programmeringsafspraken 2027-2030. Daarbij gaan we ook (weer) in op regionale meerwaarde en de behoefte aan o.a. (grootschalige) logistiek. In dit proces zoeken we ook afstemming met het regionaal programma werklocaties voor de Stedendriehoek.

Nee

We lezen dat u binnen het programma werklocaties stedendriehoek ook specifieke aandacht heeft voor de bescherming van HMC en watergebonden bedrijvigheid. We hebben in de paragrafen 2.7 en 6.8 van de Omgevingsvisie extra verduidelijking opgenomen waarom wij inzetten op het behoud van categorie bedrijventerreinen 3, 4 en/of 5 én watergebonden kavels. In de Omgevingsverordening hebben we ook extra duiding opgenomen over de nieuwe VNG-handreiking milieuzonering. In lijn met de ontwerp-Nota Ruimte hanteren ook wij het uitgangspunt dat we de ruimte voor economie zoveel mogelijk beschermen, door te sturen op het behoud van het huidige areaal. Categorie 3 bedrijventerreinen vormen een groot deel van dit huidige areaal en zijn van groot belang in diverse transities (circulair, energie, grondstoffen en logistiek).

Ja

U geeft aan dat de verbeelding van het Dagelijks Stedelijk Systeem van de stedendriehoek niet de juiste omvang en ligging heeft. Goed dat u dit aangeeft en we hebben de kaart, waarop dit indicatief is ingetekend, aangepast.

Ja

Pagina 45 van 842 Ontwerp-Zienswijzennota Nieuwe Omgevingsvisie en Omgevingsverordening

2025-023506 Thema

Zaaknummer

Zienswijze

Antwoord

Wijziging Omgevingsvisie

15. Vrije tijd, recreatie en toerisme

2025023506/1

In de ontwerp-Omgevingsvisie wekt u onterecht de veronderstelling dat diverse landgoederen in het Vechtdal niet goed toegankelijk zouden zijn. Het is ons onduidelijk waarop dat is gebaseerd. Zowel op landgoed Rechteren alsop landgoed Den Aalshorst is circa 95% van de aanwezige wegen en paden is jaarrond tussen zonsopgang en zonsondergang voor het publiek opengesteld. Op beide landgoederen zijn diverse gemarkeerde wandel- enfietsroutes aanwezig, maar ook buiten die routes liggen tientallen kilometers aan opengestelde wegen en paden. Ik stel voor om de tekst als volgt aan te passen: “De landgoederen, met bekende namen zoals o.a. Vilsteren, Den Berg, de Horte en Rechteren bezitten veel grond in het Vechtdal. Vrijwel alle landgoederen zijn op dit moment uitstekend toegankelijk voor het publiek, maar wellicht liggen hier voor een aantal landgoederen nog meer kansen voor recreatie en nieuwe verdienmodellen.”.

Het is niet onze intentie geweest om de indruk te wekken dat deze specifieke landgoederen beperkt toegankelijk zijn. De passage waarin wordt gesproken over de toegankelijkheid van landgoederen in het Vechtdal is bedoeld als algemene observatie. Wij onderschrijven dat op zowel Rechteren als Den Aalshorst een groot deel van de wegen en paden jaarrond toegankelijk is voor het publiek, en dat er diverse gemarkeerde wandel- en fietsroutes aanwezig zijn. Uw zienswijze draagt bij aan een genuanceerder beeld van de situatie ter plaatse. Wij hebben toegevoegd aan het Gebiedsperspectief Vechtdal in de Omgevingsvisie dat dit voorbeelden zijn van landgoederen met een hoge mate van openstelling, zoals door u genoemd.

Thema

Zaaknummer

Zienswijze

Antwoord

5. Bestuursstijl, uitvoering, samenwerking en monitoring van visie naar praktijk 14. Mobiliteit en luchtvaart

2025023582/1

Echter, soms kunnen ontwikkelingen en spoor elkaar belemmeren. Om dit te voorkomen denkt ProRail graag vroegtijdig mee bij ontwikkelingen in de nabijheid van het spoornetwerk.

Wij zijn en blijven graag met u in gesprek bij ontwikkelingen in de nabijheid van het spoornetwerk.

Nee

2025023582/2

We herkennen het dilemma van de voordelen van concentratie van functies bij stations en de benodigde (ontwikkel)ruimte voor het spoornetwerk. We stemmen hierover regelmatig met u af. Indien aan de orde, onderzoeken we ruimtelijke ontwerpen met een milieueffectrapportage. Bij grotere visievormende trajecten zoals de ontwikkeling van verstedelijkingsstrategieën zorgen we op gezette tijden ook dat we uw organisatie meenemen en zit het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ook aan tafel.

Nee

14. Mobiliteit en luchtvaart

2025023582/3

We herkennen het dilemma van de voordelen van concentratie van functies bij stations en de benodigde (ontwikkel)ruimte voor het spoornetwerk. We stemmen hierover regelmatig met u af. Bij (woning)bouwprojecten zijn vaak onze gemeenten in de lead. Wij zullen ze op dit aandachtspunt wijzen en verzoeken u ook rechtstreeks met onze gemeenten hierover contact te zoeken.

Nee

5. Bestuursstijl, uitvoering, samenwerking en monitoring van visie naar praktijk

2025023582/4

Het behoeden van de staat en werking voor nadelige gevolgen van activiteiten op de hoofdspoorweginfrastructuur is een taak die neergelegd is bij de Minister van infrastructuur en Waterstaat (art 2.19 iid 3 onder a sub 2 van de Omgevingswet). Als concessiehouder voor het beheer van de hoofspoorweginfrastructuur vraagt ProRail u om toekomstige uitbreidingen van het spoometwerk mogelijk te houden en rekening te houden met negatieve gevolgen voor zowel het spoor als uw eigen project. Dit kan door het houden van de juiste afstand tot het spoor en door een zorgvuldig ruimtelijk ontwerp bij de te onderzoeken varianten in de milieueffectrapportage. Rondom de hoofdspoorweginfrastructuur (HSWI) ligt een zogenaamd beperkingengebied (Omgevingsbesluit, artikel 3.5), ongeveer tot 11 meter buiten de HSWI. Doel van dit beperkingengebied is om het huidig functioneren en de veiiigheid op het spoornetwerk zeker te stellen. ProRail verzoekt u om in de planfase rekening te houden met het beperkingengebied. Voor de visie betekent dit dat bij het ontwikkelen van nieuwe woon- en werklocatles naast het spoor, ProRail u vraagt om toekomstige uitbreidingen van het spoornetwerk mogelijk te houden en de omgevingseffecten op de woon- en werklocaties te verminderen. Dit kan door het houden van de juiste afstand tot het spoor en door een zorgvuldig ruimtelijk ontwerp.

ProRail wenst voor het vervolg betrokken te worden indien door het project (negatieve) gevolgen te verwachten zijn voor de staat en instandhouding van de hoofdspoorweginfrastructuur of haar eigendommen.

Wij zijn en blijven graag met u in gesprek bij ontwikkelingen in de nabijheid van het spoornetwerk.

Nee

Ja

2025-023582

Pagina 46 van 842 Ontwerp-Zienswijzennota Nieuwe Omgevingsvisie en Omgevingsverordening

Wijziging Omgevingsvisie

14. Mobiliteit en luchtvaart

2025023582/5

In uw NRD benoemt u zoeklocaties die een relatie hebben met het bestaande en beoogde onderhoud, gebruik en vernieuwing van het spoor. Sommige van deze locaties zijn deels bovenop de HSWI geprojecteerd. Hierbij wil ProRail u erop wijzen dat het bouwen boven of op de HSWI vergunningplichtig is, privaatrechtelijke toestemming van ProRail vereist en een exclusief recht van ProRail is. Aan de vergunning en toestemming worden voorschriften verbonden met het oog op het voorkomen van nadelige gevolgen voor de staat en werking van de hoofdspoorwegen en uitbreiding daarvan. Dit betreft de volgende onderwerpen: 1. Paragraaf 2.6, 3.3 en 6.1: de gevolgen van de lagere bevaarbaarheid van de vaanwegen voor andere modaliteiten (zoals spoor) zijn niet in beeld gebracht, evenals de gevolgen die waterveiligheidsmaatregelen voor het bestaande en beoogde spoor zullen hebben. 2. Paragraaf 2.6: het is niet duidelijk welke gevolgen de “vematting” (tegen bodemdaling) voor het bestaande en beoogde spoor heeft. 3. Paragraaf 2.10 en 6.4: wat zijn de gevolgen van de natuurmaatregelen voor het gebruik van het bestaande en beoogde spoor? 4. Paragraaf 6.2: wat vraagt de energietransitie van het spoor: zowel fysiek als qua transportbehoefte over het spoor? Daarnaast vraagt ProRail uw aandacht voor het volgende: 1. In de visiekaart op p.13 is het spoornetwerk niet te onderscheiden van de andere modaliteiten.

Aanbevolen wordt om het spoor nader te duiden in deze kaart, of een separate kaart met de netwerken. In paragraaf 2.4 staat de provinciale inzet op Brede Welvaart. Bereikbaarheid lijkt vooralsnog geen deel uit te maken van de ambities op het gebied van Brede Welvaart. Het verdient aanbeveling om de definitie van Brede Welvaart van het PBL aan te houden, dus om Bereikbaarheid daar onderdeel van te laten zijn. In paragraaf 2.5, 2.7 en 3.2 zet de provincie in op “bouwen in nabijheid”. Bouwen in nabijheid van bestaande OV-knopen wordt alieen in paragraaf 6.6 genoemd. Het verzoek is om bouwen in nabijheid in alle genoemde paragrafen te noemen. Onze tekstsuggestie voor station Deventer in paragraaf 2.8 is: “Station Deventer heeft uitbreiding nodig om het groeiende nationale en internationale reizigersvervoer ruimte te bieden en betere overstapmogelijkheden te bieden tussen de lijnen Zwolle - Arnhem en Randstad - Twente.” In paragraaf 2.8 ziet ProRail graag verduidelijkt wat de genoemde streefwaarde voor bereikbaarheid over het spoor, c.q. investeringen daarin betekent.

14. Mobiliteit en luchtvaart

2025023582/6

14. Mobiliteit en luchtvaart

2025023582/7

11. Verstedelijking

2025023582/8

14. Mobiliteit en luchtvaart

2025023582/9

14. Mobiliteit en luchtvaart

2025023582/10

14. Mobiliteit en luchtvaart

2025023582/11

In Paragraaf 3.4 en 6.9 staat dat er voor iedere regio een passende publieke bereikbaarheid bepaald gaat worden. Op welke wijze kan ProRail een rol krijgen bij de totstandkoming daarvan?

13. Ondernemen, werken, voorzieningen en logistiek

2025023582/12

In paragraaf 6.8 zijn de locatiekeuzes voor bedrijvigheid nabij bestaand goederenspoor (en -terminals) onderbelicht.

14. Mobiliteit en luchtvaart

2025023582/13 2025023582/14

Paragraaf 6.9: in de paragraaf met bereikbaarheidsambities komt de Nedersaksenlijn niet voor. De inzet op Zero-Emissie spoorvervoer ontbreekt nog in de visie.

14. Mobiliteit en luchtvaart

In onze Omgevingsvisie geeft ons kaartmateriaal vrijwel altijd (een analyse van) de bestaande situatie weer. Nergens zijn concrete planlocaties opgenomen op de kaart. In algemene zin zullen we als zoeklocaties voor ontwikkelingen tot nadere planvorming en concretisering komen, rekening houden met de juridische kaders die er gelden. Daar waar die het belang van het spoornetwerk raakt, treden we in overleg met ProRail.

Nee

Vernatting van veen door het opzetten van grondwaterpeilen is een bewezen manier om veenoxidatie tegen te gaan en bodemdaling in veengebieden te remmen. In Overijssel lopen momenteel geen (beoogde) spoorverbindingen door veengebieden heen, maar wel door gebieden met een moerige ondergrond. Wanneer hier vernattingsopgaven spelen wordt ProRail bij de planvorming betrokken. Natuurmaatregelen kunnen divers van aard zijn. Wanneer het om vernattingsmaatregelen in de omgeving van natuurgebieden gaat en er is daar een (beoogd) spoorverbinding dan zal ProRail betrokken worden bij de planvorming. Op de kaart zijn met name de corridors weergegeven. Deze zijn veelal multimodaal. Overgens zijn hierop de spoorlijnen gestippeld en wegen met een doorgetrokken lijn weergegeven.

Nee

Dank voor de suggestie. Brede Welvaart is, zoals het begrip al zegt, een breed begrip. Bereikbaarheid maakt daar ook onderdeel van uit. We werken dit onder andere uit in de uitwerking van de streefnorm bereikbaarheid. We hebben naar aanleiding van uw zienswijze de tekst in paragraaf 2.4 hier op aangevuld. U vraagt ons om het bouwen in nabijheid van bestaande OV knopen in meerdere paragrafen te noemen. Wij hebben redactioneel gekozen om geen dubbelingen op te nemen in de tekst van de Omgevingsvisie.

Ja

Nee

Dank voor de suggestie. Deze tekst hebben we overgenomen in paragraaf 2.8.

Ja

We zijn op dit moment bezig met het uitwerken van de streefwaarde bereikbaarheid. Het is inderdaad niet uitgesloten dat dit ook kan leiden tot effecten op het gebruik van het spoor, maar het is nu nog te vroeg iets te kunnen zeggen over de daadwerkelijke impact op het spoor of benodigde investeringen daarop. Bij het uitwerken van het mobiliteits- en bereikbaarheidsbeleid in bijvoorbeeld de streefnorm bereikbaarheid of het regionaal mobiliteitsprogramma nemen we onze vaste overlegpartners mee. Daar waar dat voor de belangen van ProRail relevant is nemen we hierbij ook ProRail mee. Dank voor uw reactie, we begrijpen dat u in de Omgevingsvisie graag meer aandacht zou willen voor de bedrijvigheid in nabijheid van het bestaande goederenspoor. Omdat deze Omgevingsvisie strategisch is wordt dit onderwerp inderdaad niet gedetailleerd besproken. In de uitwerkingen van de Omgevingsvisie, bijvoorbeeld bij de verstedelijkingsstrategieën krijgt dit onderwerp meer aandacht. In de paragraaf 2.8 waar we de visie op bereikbaarheid beschrijven hebben we de Nedersaksenlijn opgenomen. We hebben inderdaad niet exact deze terminologie gebruikt. We streven echter wel naar spoorvervoer zonder uitstoot. Daarom is in pararaaf 6.9 "elektrificatie van onze nog resterende diesel-spoorlijnen" opgenomen.

Nee

Pagina 47 van 842 Ontwerp-Zienswijzennota Nieuwe Omgevingsvisie en Omgevingsverordening

Nee

Nee

Nee Nee

14. Mobiliteit en luchtvaart

2025023582/15

14. Mobiliteit en luchtvaart

2025023582/16

14. Mobiliteit en luchtvaart

2025023582/17

14. Mobiliteit en luchtvaart

2025023582/18

14. Mobiliteit en luchtvaart

2025023582/19

ProRail vindt het noodzakelijk om uw aandacht te vragen voor het combineren van functies dicht op het spoor in combinatie met het aanwezige goederenvervoer. Dit goederenvervoer kent afstandsbeperkingen en regels op basis van Basisnet. Het duidelijk opnemen van deze regels bij de ruimtelijke keuzes in uw provincie is naar ons idee nodig om de verwachtingen richting de omgeving en betrokkenen te beheersen. De aandacht voor het goederenvervoer per spoor is in deze Omgevingsvisie heel beperkt. Het goederenvervoer per spoor als duurzame manier van goederenvervoer wordt niet genoemd. Ook zou de toename van goederenvervoer over Overijsselse corridors en langere goederentreinen als benoemde ontwikkeling genoemd moeten worden. Voorkomen belemmeringen voor functioneren en veiligheid spoornetwerk. Het spoornetwerk maakt gebruik van elektriciteit dat via onderstations, relaiskasten, ondergrondse infrastructuur en bovenleidingen naar de trein en stations wordt geleid. Deze voorzieningen zijn noodzakelijk voor de elektriciteitsvoorziening van de hoofdspoorweginfrastructuur en daarmee voor het rijden van treinen.

In de uitwerking van uw Omgevingsverordening en concrete projectbesluiten verzoekt ProRail uw college om deze onderstations en relaiskasten niet in te sluiten door bebouwing, bebouwing te realiseren op te dichte afstand en te allen tijde bereikbaar te houden voor onderhouds- en hulpdiensten. Voor deze voorzieningen dient rekening te worden gehouden met een afstand van 5 meter gemeten vanaf de gevel met een hekwerk op de 5 meter-grens. Het functioneren van deze voorzieningen mag niet worden beïnvloed door ontwikkelingen in de omgeving. Dit geldt ook voor het overbouwen, onderbouwen of overkragen van deze voorzieningen. Uit onderzoek blijkt dat zicht op de hoofdingang de beste manier is om het station te vinden. Zichtlijnen naar het station spelen daar een belangrijke rol in en ProRail wil graag dat binnen de planontwikkelingen de zichtlijnen geborgd blijven. Bescherming van de omgeving tegen effecten van het spoor. Bij het ontwikkelen in de nabijheid van het spoornetwerk, is het voor een goede leefomgeving belangrijk dat eventuele nadelige effecten van het gebruik van het spoor op een zorgvuldige wijze worden gemitigeerd.

Bij de uitwerking van uw visie in de Omgevingsverordening en concrete projectbesluiten, vraagt ProRail aandacht voor de volgende aspecten (in bijlage 1 zijn deze verder toegelicht): Externe veiligheid; Geluid:Trillingen; Overwegveiligheid; Waterpeil/stabiliteit: Windbeleving en windhinderrisico’s; Schaduwwerking op zonnepanelen; Zonneparken / reflectie in relatie tot hoofdspoorweginfrastructuur. Bureau Spoorbouwmeester. Bureau Spoorbouwmeester is in 2001 op initiatief van de directies van NS en ProRail opgericht als een onafhankelijk adviserend orgaan voor ontwerp en vormgevingsopgaven binnen de spoorsector. Sinds het ontstaan van het bureau wordt aan en met het Spoorbeeld gewerkt, te vinden op www.SDoorbeeld.nl. Waar mogelijk kunt u hiervan gebruik maken bij de uitwerking van de visie.

We beseffen dat zeker in bebouwd gebied het vervoer van goederen over spoor beperkingen kan leveren voor opgaven rondom verstedelijking en vice versa. In paragraaf 6.9 benoemen we daarom ook dat voor het nu al drukke spoornet geldt dat wij oog hebben voor en rekening houden met tegenstrijdige belangen, zoals de capaciteitsvraag en -ambitie van personenvervoer, woningbouwambities in spoorzones en de veiligheid en leefbaarheid van onze inwoners langs het spoor, bijvoorbeeld bij de ontwikkeling van een railterminal. Dit heeft een sterke relatie met de Goederencorridor Noordoost Europa (GNOE).

Nee

Dank voor uw reactie, we begrijpen dat u in de Omgevingsvisie graag meer aandacht zou willen voor de onderstations en relaiskasten. Omdat deze Omgevingsvisie strategisch is wordt dit onderwerp inderdaad niet gedetailleerd besproken. In de uitwerkingen van de Omgevingsvisie, bijvoorbeeld bij de verstedelijkingsstrategieën krijgt dit onderwerp meer aandacht.

Nee

De suggestie met betrekking tot de inrichting van de directe omgevingen van stations valt buiten het abstractieniveau en scope van onze Omgevingsvisie. Bovendien is de inrichting van deze openbare ruimte onderwerp voor gemeenten om invulling aan te geven. Deze reactie valt buiten het abstractieniveau van de Omgevingsvisie zelf. Zoals u in uw zienswijze al aangeeft is dit bij de uitwerking in concrete projecten en bijbehorende besluitvorming relevant. Op dat moment zal rekening worden gehouden met de beleidsmatige en juridische kaders.

Nee

Bedankt voor deze suggestie. We kennen Bureau Spoorbouwmeester en betrekken deze organisatie graag bij de uitwerking van onze plannen. Veelal zullen de concrete ontwerpopgaven overigens bij gemeenten liggen.

Nee

Pagina 48 van 842 Ontwerp-Zienswijzennota Nieuwe Omgevingsvisie en Omgevingsverordening

Nee

2025-023611 Thema

Zaaknummer

Zienswijze

Antwoord

8. Landbouw en voedselvoorziening

2025023611/1

In uw zienswijze geeft u reflectie op de indeling van landbouwgebieden in generieke en gebiedsspecifieke gebieden en geeft u aan dat ondersteuning en ruimte voor creatieve oplossingen gewenst is. Onze Omgevingsvisie biedt richting en ruimte voor gebiedsgericht maatwerk en geeft richting aan toekomstige besluiten. Het biedt een raamwerk waarbinnen verdere uitwerking en uitvoering kan plaatsvinden. Bijvoorbeeld in een gebiedsproces waarbij gezocht wordt naar maatwerk om de doelen te realiseren.

Nee

8. Landbouw en voedselvoorziening

2025023611/2

Als het gaat om de landbouw, deelt de provincie de gebieden in in twee categorieën: gebieden met generieke opgaven en gebieden met gebiedsspecifieke opgaven. In de generieke gebieden weegt het belang van de landbouwsector zwaar mee. In de gebieden met gebiedsspecifieke opgaven ontstaat een stapeling aan opgaven, die een grote impact hebben op de toekomst van de landbouwsector in die gebieden. Het betekent voor de ondernemers in die gebieden minder ruimte om robuust en efficiënt te kunnen produceren - de transitie zal hier eerder plaats moeten vinden dan elders. Het vraagt veel van de ondernemers en hun innovativiteit. U doet een beroep op hun bereidheid om een groter deel van de opgaven te realiseren dan elders. Het is onze mening dat een dergelijke belasting voor inwoners en ondernemers alleen in een gebiedsproces, van onderop, gerealiseerd kan worden. De grotere bijdrage aan het publieke belang dat u van deze gebieden verwacht, mag ook blijken uit een grotere invloed op de toekomstige keuzes en voldoende facilitering van zowel de processen als de uitvoering van de plannen. Dat vraagt om financiële ondersteuning, maar ook om ruimte om met creatieve oplossingen te komen en tijd om opgaven te kunnen doorgronden en combinaties te kunnen maken. In de koploperprojecten doen we daar nu ervaring mee op.

We worden daarin goed ondersteund, maar merken ook wat het aan inzicht en kennis vraagt om mee te kunnen praten met de ambtelijke ondersteuning. Specifiek voor Polder Giethoorn zien we steeds op de kaarten terugkomen dat het is ingekleurd als een gebied met veen (veenweidegebied). Op dit moment is de Polder Giethoorn niet geclassificeerd als veenweidegebied, maar als zandgrond met een landbouwbestemming. Dat klopt ook met de feitelijke grondsituatie: er is in Polder Giethoorn geen veenlaag meer aanwezig - er is alleen sprake van moerige grond. Alleen langs de randen van het gebied is nog een dunne laag veen aanwezig, die al bijna is verdwenen. In kaarten die we hebben gezien over de aanwezigheid van veen tussen 2006 en 2021 blijkt dat de teruggang erg snel gaat. Ons vermoeden is dat er al bijna geen veen meer over is. Gezien het geringe aandeel veen vinden wij dat het zuidelijk deel van Polder Giethoorn niet moet worden ingekleurd als veenweidegebied.

Nee

8. Landbouw en voedselvoorziening

2025023611/3

U geeft aan dat het zuidelijk deel van Polder Giethoorn niet als veenweidegebied zou moeten worden ingekleurd. Bij het maken van de gebiedstypekaart is gekeken naar in welke gebieden er sprake is van veenweidegebiedsopgaven. Het gaat dan om de opgaven die in het veenweidesysteem spelen zoals klimaat en wateropgaven en het tegengaan van bodemdaling. Het gaat dus niet alleen om de aanwezigheid van veen in de bodem, Polder Giethoorn maakt onderdeel uit van het veenweidesysteem. In de gebiedsgerichte uitwerking voor Noordwest Overijssel kunnen gebiedspartners veel preciezer inzoomen op de opgave in het gebied en de daarbij passende maatregelen. Dat vraagt om maatwerk op perceelsniveau maar wellicht ook regionaal. De bodemsamenstelling, de regionale waterhuishouding en de effecten van maatregelen op het veenweidesysteem worden hierbij betrokken. U wijst op eerdere besluitvorming in het kader van de landinrichting en op gewekte verwachtingen over bemaling van de polder voor landbouwkundig gebruik. De betreffende polder maakt onderdeel uit van het veenweidesysteem en is in de Omgevingsvisie aangeduid als “landbouwgebieden met gebiedsspecifieke opgaven en kansen”. Wij willen hier via gebiedsgericht maatwerk in de gebiedsgerichte 3x3 aanpak werken aan de verschillende opgaven in het veenweidesysteem. Vernatting is daarbij de koers op hoofdlijnen. Functie volgt peil is ons uitgangspunt.

Dit vraagt om nader onderzoek en uitwerking en maatwerk. Om zo te kijken welke maatregelen passend zijn waarbij een renderende bedrijfsvoering mogelijk is en rekening wordt gehouden met de lokale omstandigheden en effecten op omliggende gebieden. Dit doen we voor zowel de korte termijn als ook voor de langere termijn en met maatregelen op perceelsniveau en op regionaal niveau.

Bovendien zegt de Omgevingsvisie: bij veenweide is vernatten de koers. Daar hebben wij echt moeite mee. In 2024 zijn de laatste afspraken uit de landinrichting van het Strategisch Groenproject NWO afgerond. Er is veel ruimte voor natuur gemaakt, waarbij steeds de toezegging is gedaan om de Polder Giethoorn te blijven bemalen voor akkerbouw. De inkt op de laatste contracten is nog niet droog, of u confronteert ons met nieuwe plannen in een heel andere richting. Vernatten maakt akkerbouw en het houden van melkvee nagenoeg onmogelijk. De impact hiervan voor de sector en het landschap is enorm en moeilijk aanvaardbaar. Onze oproep is daarom: teken alleen veenweide in waar er ook nog daadwerkelijk veen is. Vernatten van veengrond heeft gevolgen voor de omliggende gebieden, hou ook rekening met het gebruik van die omliggende gebieden.

Pagina 49 van 842 Ontwerp-Zienswijzennota Nieuwe Omgevingsvisie en Omgevingsverordening

Wijziging Omgevingsvisie

Nee

8. Landbouw en voedselvoorziening

2025023611/4

Tegelijk realiseren we ons dat het nabijgelegen natuurgebied en het grootste veenmoeras van Europa bescherming verdient. En dat de waterhuishouding één van de mogelijkheden is om bescherming te bieden. We denken als gebied graag mee over hoe we daar een bijdrage aan kunnen leveren, maar het is moeilijk daar open en vertrouwend in te staan, nu op de achtergrond steeds de wens wordt uitgesproken om deze polder, die nog geen honderd jaar geleden is drooggemalen voor voedselproductie, weer te gaan vernatten. We willen in ons gebied graag meedenken over de waterhuishouding en waterkwaliteit, maar wel in combinatie met een realistisch toekomstperspectief voor de landbouwsector. Natte teelten leveren geen realistisch toekomstperspectief op voor ondernemers. Voor ons is een realistisch toekomstperspectief: een toekomst waarin je kunt ondernemen zonder afhankelijk te zijn van subsidie. We zien een toekomstperspectief voor ons waarin boeren de ruimte krijgen om te innoveren met als doel om voedsel te blijven produceren, maar met minder emissies. Het is mooi dat ook dit perspectief zichtbaar is in de Omgevingsvisie. We willen als ondernemers die richting ook kunnen kiezen in ons gebied met gebiedsspecifieke opgaven.

Uit uw zienswijze begrijpen wij dat u zich zorgen maakt over het toekomstperspectief van de ondernemers in de landbouwsector in uw gebied. In onze 3 x 3 aanpak samen met gebiedspartners in Noordwest Overijssel zijn de uitvoering van deze doelen onlosmakelijk verbonden: we willen een goed sociaal-economisch perspectief voor ons platteland, een toekomstbestendige landbouwsector en herstel van de natuur, watersysteem en het klimaat. De Omgevingsvisie laat ruimte voor ondernemerschap en bedrijfsvoering rekening houdend met de omstandigheden en opgaven in het veenweidesysteem. Het vinden van een bij de gebiedsomstandigheden renderende bedrijfsvoering is onderdeel van dat gebiedsproces.

Thema

Zaaknummer

Zienswijze

Antwoord

11. Verstedelijking

2025023639/1

6. Water, bodem en klimaatadaptatie

2025023639/2

Verstedelijkingsprincipes: het ontbreken van een tussenlaag in de ontwerpOmgevingsverordening “goed bereikbare kernen/wonen langs de radialen”. De ontwerp-Omgevingsvisie benoemt dat verstedelijking primair wordt geconcentreerd in de vijf grote steden. Tegelijkertijd wordt de bijdrage van andere kernen benoemd, waaronder de zogenoemde goed bereikbare kernen (kernen met een bovenlokale OVknoop) en de overige kernen. Deze dragen ieder op hun eigen wijze bij aan de brede welvaart en vitaliteit van het Dagelijks Stedelijk Systeem(DSS). In de provinciale Woonagenda, de (provinciale) Woondeal Twente en de actualisatie hiervan wordt deze groep kernen en hun bijdrage aan de regionale woonbehoefte ook benoemd onder de noemer “kernen met wonen langs de radialen”. Wij verzoeken u daarom om in de ontwerp-Omgevingsvisie: • In paragraaf 2.7, 5.6.1 en 6.8 de kernen Wierden en Enter te benoemen als goed bereikbare kernen, passend binnen het DSS Twente; Water en bodem sturend: grondwaterkwaliteit (6.1 Ontwerp Omgevingsvisie en artikel 4.13 ontwerp-Omgevingsverordening). De provincie wil voldoende schone bronnen beschikbaar stellen zodat drinkwaterbedrijven drinkwater van goede kwaliteit kunnen produceren. Er staat onder meer dat verontreinigingen aan de bron worden tegengaan. Daarnaast wil de provincie de waterkwaliteit van oppervlakte- en grondwater verbeteren. Deze doelen onderschrijven wij.

In de gemeente Wierden wordt echter veel drinkwater gewonnen. Aangezien er naar nieuw aanbod wordt gezocht, is het niet de verwachting dat drinkwaterwinning in Wierden zal verminderen of zal stoppen. Een groot deel van het grondwaterbeschermingsgebied ligt in agrarisch gebied. Het is ons niet duidelijk wat deze beleidsdoelen betekenen voor het grondgebruik binnen grondwaterbeschermingsgebieden in onze gemeente. Wij pleiten voor een goede vergoeding voor grondeigenaren die ervoor zorgen dat (ook in de toekomst) schoon drinkwater kan worden gewonnen. Daarnaast vragen wij ons af of ter bescherming van de grondwaterkwaliteit en -voorraad geen regels moeten worden gesteld ten aanzien van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Wij verzoeken u in de ontwerpOmgevingsvisie en de ontwerp-Omgevingsverordening deze zaken te verankeren.

Op gebied van verstedelijking is onze visie dat we in regionale samenwerking tot de meest optimale werking van onze Dagelijks Stedelijk Systemen komen. Voor de regio Twente wordt hier onder andere in de verstedelijkingsstrategie Twente (ROS) op een constructieve wijze vorm aan gegeven in het traject rond het opstellen van de Ruimtelijke Ontwikkelstrategie Twente. In de Omgevingsvisie benadrukken we het belang van een goed functionerend Dagelijks Stedelijk Systeem en geven we in algemene zin onze kaders rondom verstedelijking. In de verstedelijkingsstrategieën zoals de ROS-Twente, brengen we gezamenlijk concreet in beeld brengen welke rol welke kern heeft bij de ontwikkeling van het DSS. Door niet in de Omgevingsvisie al deze indeling te maken, is er juist ruimte voor maatwerk waar vanuit de Leidende Principes van de Omgevingsvisie, iedere kern zijn eigen unieke plek kan hebben, passend bij het feitelijk functioneren van het DSS. Wij begrijpen uw zorgen om bestaande drinkwaterbronnen goed te beschermen voor de toekomst. De Omgevingsvisie geeft hiervoor de algemene kaders. Nadere uitwerking van het prinicipe om verontreinigingen tegen te gaan wordt verder uitgewerkt in het RWP. Binnen projecten werken we samen met de grondeigenaren aan het op orde houden of brengen van de waterkwaliteit en kijken we naar lokale oplossingen.

Wij pleiten bij het Rijk en Europa voor structurele financiering van agrarisch natuurbeheer en ecosysteemdiensten. Ook werken we aan een verkenning in welke mate we als provincie (aanvullende) eisen moeten of kunnen stellen aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in relatie tot de kwaliteit van grond- en oppervlaktewater, de gezondheid van omwonenden en de natuurkwaliteit. De resultaten van deze verkenning zijn nog niet bekend en vormen geen onderdeel van deze visie.

Nee

2025-023639

Pagina 50 van 842 Ontwerp-Zienswijzennota Nieuwe Omgevingsvisie en Omgevingsverordening

Wijziging Omgevingsvisie

Nee

Nee

7. Klimaatmitigatie en energie(transitie)

2025023639/3

Mestvergisting (6.2 ontwerp-Omgevingsvisie). In 2030 wordt volgens de ontwerp-Omgevingsverordening de helft van alle beschikbare mest vergist. Is dit de helft van de nu beschikbare mest of de helft van de in 2030 beschikbare mest? Wat is de prognose van de beschikbaarheid en overschot van mest in 2030?

7. Klimaatmitigatie en energie(transitie)

2025023639/4

7. Klimaatmitigatie en energie(transitie)

2025023639/5

7. Klimaatmitigatie en energie(transitie)

2025023639/6

7. Klimaatmitigatie en energie(transitie)

2025023639/8

Kleinschalige mestvergisting op erven wordt gepromoot. Gelet op risico's, financierbaarheid, flexibiliteit, etc. zien gemeente en de boeren graag mogelijkheden voor collectieve buurt monomestvergisters. Deze worden nu niet genoemd. Naast de kleine op erfniveau worden grootschalige industriële genoemd. De door ons gewenste tussenvorm niet. Wij verzoeken de ontwerpstukken aan te passen zodat buurt monovergisters toegestaan zijn in het landelijk gebied. Energietransitie (6.2 ontwerp-Omgevingsvisie). In o.a. de brief d.d. 1 september 2022, de brief d.d. 27 februari 2024 en de inspreekreactie op de Omgevingsvisie d.d. 18 september 2024 hebben wij een reactie gegeven op het zon en wind beleid zoals dit is opgenomen in het PPE en de ontwerp Omgevingsvisie. Deze reactie gaat over de aanwijzing van de voorkeursgebieden en de rolopvatting van de provincie. Wij verwijzen u hierna en vragen u rekening te houden met deze inbreng waarbij het uitgangspunt is dat in Wierden geen mogelijkheden gezien worden voor grote windturbines. Windenergie: inzetten op clustering. In de ontwerp-Omgevingsvisie, het Provinciaal Programma Energietransitie en de ontwerpOmgevingsverordening staat dat in de voorkeursgebieden voor windenergie geen eisen gelden voor de grootte van windparken en dat losse windturbines zijn toegestaan.

Zoals we eerder in brieven hebben aangegeven, vragen wij u nogmaals om duidelijk te maken op basis van welke ruimtelijke argumenten is bepaald dat Wierden grotendeels een voorkeursgebied voor wind is. We willen ook graag weten waarom in dit gebied losse windturbines mogen, terwijl in andere gebieden alleen clusters van minimaal vier windturbines zijn toegestaan. Voorkeursgebied wind en het initiatief Windpark Wierden. In de afgelopen periode is er op verschillende manieren met u gecommuniceerd over de strijdigheid van de woningbouwplannen van de gemeente Wierden en het door u geselecteerde Windpark Wierden langs de A35 voor het starten van een projectbesluit procedure. In onze brief van 3 juni 2025 hebben wij geïnformeerd dat onze woningbouwplannen voor lange en middellange termijn (na 2030) belemmerd worden. Gezien de woningbouwopgave is het belangrijk dat er veel woningen gebouwd worden en dat het hele gebied tussen de Klumpershoekweg, de A35 en de N36 gebruikt kan worden voor woningbouw en bijbehorende functies. Dit kan oplopen tot circa 600 woningen. Als er windturbines nabij dat gebied komen, kan een groot deel van de grond niet meer gebruikt worden voor woningbouw vanwege de afstandsnormen. 600 woningen waar een streep doorgezet kan worden.

Daarom lijkt het er nu op dat de gemeente en de kern Wierden aan de kant van Zuidbroek niet verder kan groeien zoals afgesproken in de geactualiseerde Woondeal Twente 2025-2030. Voor ons als gemeente is dat onacceptabel. Het is onbegrijpelijk dat een gebied zonder beperkingen voor woningbouw ineens grotendeels niet meer beschikbaar is door deze concrete ontwikkeling. Dit gebied biedt immers binnen onze gemeente dé mogelijkheid voor toekomstbestendige woningbouw die snel en in verschillende fasen realiseerbaar is in aansluiting op lokale, regionale en landelijke woningbouwtekorten. In een reactie van uw zijde wordt aangegeven dat wind boven woningbouw zou gaan volgens de Omgevingsvisie en de PPE, terwijl in het regeerprogramma is vastgelegd dat woningbouwplannen voorrang hebben op de ontwikkeling van windprojecten op land. Wij zijn in deze situatie ook benieuwd hoe u hier de ontwikkeling van een klein windpark (maximaal 2 turbines) afweegt tegen het niet doorgaan van de bouw van 600 extra woningen. Wij vragen u om een reactie op dit punt en in het licht van de woningnood uw beleid hierop aan te passen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Raalte&id=c7825319-2960-44db-9e9f-ba96b2e67a8f