CConstaterende datRaalte
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage III - Actualisatie 2026 Omgevingsverordening (2)

Informatievoorziening raad 19 maart 2026, gemeente RaalteBij agendapunt: Ontwerp Omgevingsvisie- en verordening provincie Overijssel29.575 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

In de Participatieverordening is vastgelegd wanneer en hoe betrokken partijen in de gelegenheid worden gesteld om vroegtijdig inbreng te leveren bij aanpassingen van beleid en de regels die daarvoor in de Omgevingsverordening worden gesteld. … 0.2.1 Fundamentele herziening omgevingsrecht Het Rijk heeft met de vaststelling van de Omgevingswet en de bijbehorende uitvoeringsbesluiten en uitvoerigsregeling een fundamentele herziening van het omgevingsrecht gerealiseerd. Doel van de Omgevingswet is dat het omgevingsrecht inzichtelijker en voorspelbaarder wordt en het gebruiksgemak van iedereen groter wordt. Ook moet er onder de Omgevingswet meer ruimte komen voor initiatieven van onderop. De Omgevingswet, die op 1 januari 2024 in werking treedt is getreden, integreert zo'n 26 wetten op het gebied van de fysieke leefomgeving. Hieronder vallen onderwerpen als: bouwen, milieu, waterbeheer, ruimtelijke ordening, monumentenzorg en natuur. Met de Omgevingswet wil het Rijk het wettelijk systeem 'eenvoudig beter' maken. … 0.2.3 Instrumenten onder de Omgevingswet De Omgevingswet biedt de provincie diverse juridische instrumenten om de doorwerking van beleid te realiseren, zoals dat is vastgelegd in de Omgevingsvisie en beleids- en uitvoeringsprogramma’s.

Instrumenten om de uitvoering van het beleid zelf ter hand te nemen In de eerste plaats biedt de Omgevingswet de provincie instrumenten om de uitvoering van het beleid zelf ter hand te nemen. Het gaat dan om de volgende instrumenten:  het provinciale projectbesluit;  de provinciale omgevingsvergunning waarbij in afwijking van het geldende omgevingsplan wordt verleend ten behoeve van een bouwplan;  de coördinatieregeling die het mogelijk maakt om vergunningen parallel te schakelen;  het instrumentarium van het grondbeleid (voorkeursrecht, onteigening en grondexploitatiebevoegdheden).

46

Instrumenten voor de beleidsdoorwerking vooraf De provincie beschikt op grond van de Omgevingswet over de volgende instrumenten voor de beleidsdoorwerking vooraf:  de provinciale Omgevingsverordening;  het provinciale instructiebesluit. De Omgevingsverordening bevat de instructieregels van Provinciale Staten (PS) gericht aan gemeenteraden om de inhoud van en de toelichting op gemeentelijke omgevingsplannen in overeenstemming te brengen met de inhoud van de verordening. Provinciale Staten kunnen een termijn stellen waarbinnen de instructie moet zijn opgevolgd. Ook kunnen zij bij regels aangeven in welke gevallen daarvan kan worden afgeweken en onder welke voorwaarden. De provinciale instructie is een instructiebesluit gericht aan één of enkele gemeenten om een gemeentelijk omgevingsplan met een bepaalde inhoud vast te stellen. Niet juridische instrumenten voor de doorwerking vooraf zijn beleidsregels, bestuursafspraken (prestatieafspraken) en het vooroverleg over gemeentelijke ruimtelijke plannen.

Instrumenten voor de beleidsdoorwerking achteraf Voor de beleidsdoorwerking achteraf kunnen de volgende juridische instrumenten worden ingezet:  zienswijzen op omgevingsplannen;  beroep tegen vastgestelde omgevingsplannen;  provinciale interventie waarmee een (deel van) een omgevingsplan wegens strijd met het provinciaal belang buitenwerking kan worden gesteld; en  niet verlenen van instemming voor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit als deze activiteit is opgenomen op de lijst advies en instemming (artikel 16.15 a sub d Omgevingswet). Het instrument van reactieve interventie kan worden ingezet als een zienswijze van de provincie niet is overgenomen of als het omgevingsplan gewijzigd is vastgesteld. De reactieve interventie kan zich alleen richten op die onderdelen van het omgevingsplan waarin een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aan de orde is. Een andere voorwaarde is dat er sprake moet zijn van provinciale belangen als bedoeld in artikel 2.3 van de Omgevingswet. De reactieve interventie is daarmee een instrument om de naleving van de Omgevingsverordening af te dwingen, maar ook van beleid dat niet goed geregeld kan worden in de verordening of alleen op een manier die onevenredig veel bestuurslasten met zich mee zou brengen.

0.2.4 Sturen en samenwerken onder de nieuwe Omgevingswet In het document 'Sturen en samenwerken onder de nieuwe Wet ruimtelijke ordening' (2008) is de provinciale bestuursfilosofie op basis van de Wro weergegeven. Deze bestuursfilosofie is ook toe te passen op de uitoefening van taken en bevoegdheden onder de Omgevingswet. Voor de provincie Overijssel is uitgangspunt dat gemeenten primair de instantie zijn die in omgevingsplannen de doelen van de Omgevingswet van duurzame ontwikkeling, bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van de fysieke leefomgeving juridisch vastleggen. Daarbij gaat de provincie er vanuit dat de gemeenten rekening zullen houden met het provinciale belang. Door middel van instructieregels in de Omgevingsverordening en met voorkantsturing zal de provincie tijdig helder maken op welke wijze volgens haar rekening moet worden gehouden met dat provinciale belang. Als overleg niet leidt tot het veiligstellen van het provinciaal belang, zal de provincie haar juridisch instrumentarium inzetten. Daarbij is op voorhand geen enkel instrument uitgesloten. Dit betekent dat de provincie zienswijzen zal indienen bij de

47

gemeenteraad en beroep op de Afdeling Bestuursrechtspraak zal instellen tegen gemeentelijke (ontwerp)plannen die in strijd zijn met het provinciaal belang, maar zo nodig een reactieve interventie zal doen waarmee het betre ende omgevingsplan buiten werking wordt gesteld. De provincie geeft als dit nodig is voor het provinciaal belang met een instructiebesluit de opdracht aan een of meer gemeenteraden om hun omgevingsplan aan te passen. Dat zal alleen bij uitzondering gebeuren. De provinciale sturing op de inhoud en de onderbouwing van omgevingsplannen vindt in principe vooraf plaats met de instructieregels in de provinciale Omgevingsverordening. De provincie is op grond van de Energiewet verplicht om een projectbesluit te nemen voor windprojecten met een capaciteit tussen 10 en 100 MW. De provincie zal alleen overgaan tot het vaststellen van projectbesluiten als opvolger van het provinciaal inpassingsplan als een gemeente niet bereid is of niet (tijdig) in staat blijkt een omgevingsplan vast te stellen hoewel het provinciaal belang daarom vraagt. De provincie zal verder alleen overgaan tot het vaststellen van projectbesluiten als een gemeente niet bereid is of niet (tijdig) in staat blijkt een omgevingsplan vast te stellen hoewel het provinciaal belang daarom vraagt.

De provincie zet als volgt in op het realiseren van provinciaal belang:  accent op samenwerking, overleg en voorkantsturing;  realisatie door (voor-)overleg en (prestatie-)afspraken;  bij strijdigheid: zienswijze geven, eventueel gevolgd door reactieve interventie/beroep en het niet verlenen van instemming bij een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De verordening wordt ingezet als dit selectief en doelmatig is, van belang voor de positie van de bewoners, als het Rijk dit eist of ter voorkoming van extra regels in een Algemene Maatregel van Bestuur. Overige instrumenten zoals het projectbesluit en de proactieve interventie zet de provincie selectief in. De verordening is dus één van de instrumenten ter realisatie van beleidsambities van provinciaal belang. In de Omgevingsvisie Overijssel wordt de inzet van dit instrument bepaald, maar ook van de andere instrumenten Daarnaast zullen als dit nodig is voor provinciaal belang ook andere instrumenten worden ingezet zoals (prestatie-)afspraken, gebiedsontwikkeling/uitvoeringsprojecten, subsidies en fondsen en kennis verwerven en delen. 0.2.5 Principebesluit tot inzet van de verordening Met de provinciale verordening kan het provinciaal bestuur vooraf regels stellen die gemeenten bij het maken van omgevingsplannen in acht moeten nemen.

De provincie Overijssel zet in principe alle instrumenten uit de gereedschapskist van de Omgevingswet in, dus ook de verordening. We gaan hier terughoudend mee om en zetten de verordening alleen in als het provinciale belang daarom vraagt. 0.2.6 Nieuwe Omgevingsvisie De Omgevingsvisie van Overijssel biedt al in de geest van de Omgevingswet een integraal beleidskader voor alle aspecten van het fysieke domein die van provinciaal belang zijn. De Omgevingsvisie kan daardoor ook onder de Omgevingswet als provinciaal beleidskader dienen en is na enkele aanpassingen onder het overgangsrecht van de Omgevingswet gebracht.

48

De Omgevingswet regelt echter geen overgangsrecht voor omgevingsverordeningen. Daardoor vervalt met de inwerkingtreding van de Omgevingswet de Omgevingsverordening zoals die in 2009 is vastgesteld en daarna geactualiseerd en gereviseerd is. Vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet is deze nieuwe verordening vastgesteld. De oude Omgevingsverordening is beleidsarm omgezet in afwachting van de integrale herziening van de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening die volgens planning eind 2024 zal worden vastgesteld. Deze nieuwe verordening is daardoor inhoudelijk grotendeels gelijk aan de oude Omgevingsverordening, maar wel helemaal herschreven en nu Omgevingswet-proof. De inhoud van deze Omgevingsverordening sluit aan op de nieuwe Omgevingsvisie en op de verplichte en vrijwillige beleids- en uitvoeringsprogramma’s die daaraan uitwerking geven.

0.2.7 Instructieregels van het Rijk Het Rijk heeft in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgelegd wat de nationale belangen en ambities zijn. Omdat ook voor de NOVI geldt dat het als beleid alleen het Rijk zelf bindt, is er voor gekozen om bepaalde belangen juridisch te borgen door middel van instructieregels. Deze instructieregels zijn te vinden in het Besluit kwaliteit leefomgeving. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels die voor het merendeel gericht zijn aan gemeenteraden. Deze inhoudelijke instructieregels verplichten om in omgevingsplannen op een bepaalde manier rekening te houden met nationale belangen. Voor een beperkt aantal onderwerpen is gekozen voor een getrapte regeling. Daarbij krijgt de provincie de opdracht om een nadere invulling te geven aan een nationale belang en daarvoor in de provinciale verordening instructies over omgevingsplannen op te nemen voor gemeenteraden. Niet elk nationaal thema waarvoor een getrapte regeling is gekozen, is voor elke provincie relevant. Zo zijn er in Overijssel geen erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde aangewezen. Voor de provincie Overijssel is alleen de opdracht om het Natuurnetwerk Nederland nader te regelen van toepassing. Met de regeling in Paragraaf 4.7.2 van de Omgevingsverordening wordt voldaan aan de opdracht in 2.44, lid 4 van de Omgevingswet.

Bij de Omgevingswet horen vier algemene maatregelen van bestuur die nadere invulling geven aan wat er in de Omgevingswet op hoofdlijnen voor het omgevingsrecht is geregeld. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat de instructieregels van het rijk, beoordelingsregels en regels over omgevingswaarden. Het Omgevingsbesluit (Ob) geeft regels over het bevoegd gezag voor vergunningen, over procedures, handhaving en uitvoering. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan de algemene regels voor activiteiten in de leefomgeving en of voor die activiteiten een vergunning of een melding nodig is. Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) staan de regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid van bouwwerken. Ook geeft het Bbl regels over de staat en gebruik van een bouwwerk en over het uitvoeren van bouw- en loopwerkzaamheden. Deze uitvoeringsregelgeving moet ervoor zorgen dat bij de toepassing van de instrumenten van de Omgevingswet sprake is van zorgvuldige afwegingen en een heldere besluitvorming. Het Besluit Kwaliteit Leefomgeving bevat ook de regeling voor de verstedelijkingsprincipes die van het Rijk moeten worden toegepast. In de Ladder voor Duurzame verstedelijking is een rechtstreeks werkende motiveringseis opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen die gericht is op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand.

Op grond van de Ladder voor Duurzame verstedelijking

49

moet nagegaan worden of er behoefte is aan een stedelijke ontwikkeling en of in die behoefte kan worden voorzien in of aansluitend aan het bestaande stedelijke gebied. In de Omgevingsverordening leggen we de Overijsselse verstedelijkingprincipes vast. wordt een nadere provinciale invulling gegeven aan de nationale Ladder voor Duurzame verstedelijking., waarbij een koppeling wordt gelegd met het principe van concentratie en de wijze waarop in Overijssel invulling wordt gegeven aan de regionale programmering van wonen, bedrijventerreinen, kantoren en detailhandel. Daarin leggen we nadrukkelijk een koppeling met de ruimtelijke ordeningsprincipes zoals concentratie, nabijheid en zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik door meervoudig en multidimensionaal gebruik van de ruimte. In de Overijsselse verstedelijkingsprincipes is een belangrijke rol weggelegd voor regionale programmering van wonen, bedrijventerreinen, kantoren en detailhandel. Daarmee wordt de behoefte van ontwikkelingen op het gebied van wonen en werken onderbouwd en is een zorgvuldige afstemming van het aanbod in de regio verzekerd.

50

AANPASSINGEN IN Afdeling 3.6 GRONDWATERBESCHERMING – stroomwegen en gebiedsontsluitingswegen Waarom? In dit onderdeel wordt voor uitleg van de begrippen stroomwegen en gebiedsontsluitingswegen verwezen naar tekst in de huidige Omgevingsvisie. In de nieuwe Omgevingsvisie komt deze tekst niet terug. Strekking aanpassing De verwijzing wordt geschrapt.

Tekstvoorstel Afdeling 3.6 GRONDWATERBESCHERMING Artikel 3.32 (grote en grootschalige risicovolle activiteiten in grondwaterbeschermingszones) In grondwaterbeschermingszones geldt voor grote en grootschalige risicovolle activiteiten een verbod met een mogelijkheid van een omgevingsvergunning. Het gaat hier om activiteiten die grote tot zeer grote risico's met zich kunnen meebrengen voor de bescherming van de grondwaterkwaliteit. Bij de beschrijving van de activiteiten en de gekozen grenzen/drempelwaarden is aansluiting gezocht bij het Besluit milieue ect-rapportage 1994, zoals die gold vóór de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit op 1 april 2011. Er is geen sprake van een directe inhoudelijke relatie. Er kunnen naast mer-beoordelingsplichtige activiteiten ook andere activiteiten voorkomen met specifieke risico's op verontreiniging van het grondwater, die vanwege aard en omvang als grote of grootschalige risicovolle activiteiten kunnen worden beoordeeld en daarmee vergunningplichtig zijn in de zin van de verordening. Qua beoordeling van de risico's gaat het dan om de kenmerken van een activiteit (o.a. omvang, cumulatie risico's, risico op calamiteiten, bekendheid risico's, omkeerbaarheid nadelige e ecten) en om de plaats waar de activiteit plaatsvindt (o.a. ligging ten opzichte van winputten, kwetsbaarheid bodem).

In die zin kan het begrip 'grote en grootschalige risicovolle activiteiten' in artikel 3.31 van de verordening ruim worden geïnterpreteerd. Het gaat om het specifieke belang van de grondwaterbescherming. Het tweede lid bevat een niet-limitatieve opsomming van grote en grootschalige risicovolle activiteiten. Hierna wordt een beschrijving van de activiteiten gegeven op basis waarvan kan worden vastgesteld in welke situaties een vergunningplicht geldt. De afbakening van de grenzen tussen grote en grootschalige risicovolle activiteiten is ook van belang voor de toepassing van de ruimtelijke regels in Paragraaf 4.8.2. Zie ook de toelichting op Paragraaf 4.8.2. a. Bij grote respectievelijk grootschalige dag- of verblijfsrecreatie (recreatieve of toeristische voorzieningen) kan worden gedacht aan voorzieningen of een combinatie van voorzieningen met een oppervlakte van ten minste 1 hectare (groot) respectievelijk 10 hectare (grootschalig) in het beschermingsgebied. De vergunningplicht geldt voor voorzieningen met een oppervlakte van 1 hectare of meer in de grondwaterbeschermingszone.

51

b. Van grote respectievelijk grootschalige woningbouwprojecten is sprake ingeval van de bouw van meer dan 10 woningen (groot) respectievelijk 100 woningen (grootschalig) in de grondwaterbeschermingszone. Een vergunningplicht bestaat bij de bouw van meer dan 10 woningen. c. Bij grote respectievelijk grootschalige stedenbouw denken wij aan de aanleg of de wijziging of uitbreiding van stadsprojecten met inbegrip van winkelcentra, bedrijven voor horeca, handel en dienstverlening of parkeerterreinen betrekking hebbend op een oppervlakte van ten minste 1 hectare (groot) respectievelijk 10 hectare (grootschalig) in de grondwaterbeschermingszone. Een vergunningplicht geldt vanaf 1 hectare. d. Grootschalige wegen zijn stroomwegen (hoofdwegen, autosnelwegen en autowegen) en de daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken voor het verkeer. Onder grote autowegen worden begrepen gebiedsontsluitingswegen. Voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van genoemde wegen geldt een vergunningplicht. Voor de begrippen stroomwegen en gebiedsontsluitingswegen wordt verwezen naar de provinciale Omgevingsvisie. e.

Met grote parkeerterreinen/transferia worden ondermeer bedoeld parkeerterreinen/ transferia voor ten minste 50 personenauto's, parkeerterreinen voor transportmaterieel, zoals vrachtwagens, tankauto's, bussen en dergelijke en parkeerterreinen waar handelingen met schadelijke sto en (bijvoorbeeld overslag) plaatsvinden. Voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van genoemde parkeerterreinen geldt een vergunningplicht. Van een grote waterweg/haven is sprake ingeval de waterweg/haven kan worden bevaren door schepen met een laadvermogen van 250 ton tot 900 ton. Van een grootschalige waterweg/haven kan worden gesproken bij een waterweg/haven die kan worden bevaren door schepen met een laadvermogen van 900 ton of meer. De vergunningplicht geldt voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van waterweg/havens die kunnen worden bevaren door schepen met een laadvermogen vanaf 250 ton. Voor aanleg, wijziging en uitbreiding van spoorwegen en bijbehorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken voor het verkeer per spoor geldt een vergunningplicht. De aanleg, wijziging of uitbreiding van een bedrijventerrein is vergunningplichtig bij een oppervlakte van ten minste 1 hectare in de grondwaterbeschermingszone. In dat geval is sprake van een groot bedrijventerrein. Van een grootschalig bedrijventerrein is sprake bij een oppervlakte van ten minste 10 hectare in de grondwaterbeschermingszone. f.

Van een grote buisleiding is sprake ingeval van een buisleiding voor het transport van olie (producten), chemicaliën of gas (met uitzondering van aardgas) die over een lengte van 1 kilometer of meer is gelegen of geprojecteerd binnen een grondwaterbeschermingszone. In dat geval geldt een vergunningplicht. Grootschalige buisleidingen zijn buisleidingen die over een lengte van 5 kilometer of meer in een grondwaterbeschermingszone liggen. Ook deze buisleidingen zijn vergunningplichtig. Voor transportleidingen voor aardgas, water, afvalwater en stoom geldt geen vergunningplicht. Een omgevingsvergunning wordt alleen verleend als de risico's op verontreiniging van het grondwater afnemen.

52

Termijn aanpassing omgevingsplan – nieuwe instructieregel Waarom? In de Omgevingsverordening worden een aantal nieuwe instructieregels opgenomen. Die kunnen gelezen worden als een verplichting aan gemeenten om direct na de inwerkingtreding hun omgevingsplan hierop aan te passen. Dit kan een doorkruising opleveren van het overgangsrecht dat de Omgevingswet biedt voor het omzetten van het tijdelijke deel van het geldende omgevingsplan dat bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege is ontstaan, in een omgevingsplan zoals de wetgever die beoog. Enkele gemeenten hebben in hun zienswijze op dit risico gewezen. De uiterlijke termijn voor de omzetting van het tijdelijke deel is door de wetgever gesteld op 31 december 2031. Het risico van doorkruising van het overgangsrecht van de Omgevingswet kan worden opgelost door een bepaling op te nemen die de termijn regelt voor het aanpassen van omgevingsplannen op nieuwe instructieregels.

Strekking aanpassing We regelen in de verordening een algemene termijn voor het aanpassen van omgevingsplannen op instructieregels. Vervolgens wordt met uitzonderingsbepalingen ervoor gezorgd dat gemeenten de aanpassing van hun omgevingsplan op de nieuwe instructieregels niet eerder hoeven te doen dan dat zij het tijdelijke deel van het omgevingsplan omzetten naar een omgevingsplan zoals de wetgever die beoogt.

Tekstvoorstel Artikel 4.2a (termijn aanpassing omgevingsplan) Lid 1 De termijn waarbinnen het omgevingsplan moet zijn aangepast op de instructieregels in dit hoofdstuk wordt gesteld op 3 jaar na inwerkingtreding van de instructieregel. Lid 2 Voor projectbesluiten die het omgevingsplan wijzigen en voor omgevingsvergunningen voor omgevingsplanactiviteiten waarmee van een geldend omgevingsplan wordt afgeweken, geldt dat de instructieregels in dit hoofdstuk moeten worden toegepast zoals die op het moment van het nemen van het besluit gelden. Lid 3 De termijn van 3 jaar bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing voor zover in de instructieregel een andere termijn wordt gesteld waarop het omgevingsplan aan deze instructieregel moet voldoen. Lid 4 De termijn van 3 jaar bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing voor zover de gemeente gebruik maakt van het overgangsrecht van de Omgevingswet voor het vervangen van de regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan als bedoeld in artikel 22.1 Omgevingswet, door regels die voldoen aan de eisen van de Omgevingswet.

53

TOELICHTING Artikel 2.23 lid 4 van de Omgevingswet biedt de provincie de bevoegdheid om een termijn te stellen waarbinnen uitvoering moet worden gegeven aan instructieregels. Wij maken van deze bevoegdheid gebruikt voor het stellen van een termijn waarbinnen het omgevingsplan moet zijn aangepast op de instructieregels in hoofdstuk 4. Een termijn van 3 jaar moet voldoende zijn om het omgevingsplan aan te passen op nieuwe instructieregels. Voor projectbesluiten voor zover die het omgevingsplan wijzigen, en op omgevingsvergunningen voor omgevingsplanactiviteiten waarmee van een geldend omgevingsplan wordt afgeweken, geldt dat de instructieregels direct na inwerkingtreding van de instructieregel moeten worden toegepast. We maken een uitzondering op de termijn van 3 jaar waarbinnen het omgevingsplan moet zijn aangepast, voor zover in de instructieregels een afwijkende termijn wordt gesteld. Dat is het geval bij de instructieregel die de vertaling van de geitenstop in gemeentelijke omgevingsplannen regelt. We maken ook een uitzondering op de termijn van 3 jaar voor zover gemeenten gebruik maken van het overgangsrecht van de Omgevingswet voor omgevingsplannen. Daarmee voorkomen we dat de gemeente eerder dan gepland het tijdelijk deel van het omgevingsplan als bedoeld in artikel 22.1 Omgevingswet moet omzetten naar regels die voldoen aan de eisen van de Omgevingswet.

Nieuwe instructieregels mogen er niet toe leiden dat gemeenten geen gebruik kunnen maken van het overgangsrecht dat de Omgevingswet biedt voor het omzetten van het tijdelijke deel naar het nieuwe deel van het omgevingsplan.

54

Aanpassing catalogus gebiedskenmerken Wat is de rol/ doel In de Omgevingsvisie staat de rode draad ruimtelijke kwaliteit. Dit voeren we o.a. sinds 2009 uit met de Catalogus Gebiedskenmerken. Onze partners zijn bekend met deze methode en positief over het gebruik hiervan. In deze Catalogus Gebiedskenmerken beschrijven we het provinciaal belang van de verschillende gebiedstypen en kenmerken en voegen hieraan een ambitie en sturing (normeren, richting geven, inspireren) toe. De Catalogus is separaat bijgevoegd. Hoe werkt het in de praktijk Nadat de of-vraag en de waar-vraag zijn beantwoord, komt de Catalogus in beeld voor de hoe-vraag. De gebiedskenmerken sturen dan de manier waarop de ontwikkeling plaats kan vinden: welke kenmerken en kwaliteiten willen we behouden, versterken en ontwikkelen. De Catalogus werkt al jaren goed, dit horen we zowel vanuit partners als vanuit de interne organisatie. Waarom nu een actualisatie Ruimtelijke kwaliteit is geen urgente opgave van de nieuwe omgevingsvisie. Daarom vinden alleen aanpassingen plaats om de catalogus aan te laten sluiten op de wijzigingen in de omgevingsvisie. Wat houdt de actualisatie in De inhoud van de Catalogus is grotendeels gelijk gebleven. Gewijzigd is de Stedelijke laag om deze beter te laten aansluiten bij de vernieuwing van ons beleid en meer recht te doen aan onze kwaliteitsambities.

Ook de laag van de beleving is aangepast om deze meer gebiedsgericht te maken. Hierin heeft cultureel erfgoed ook een goede plek gekregen. Wat is de relatie met de omgevingsverordening De Catalogus Gebiedskenmerken is onderdeel van de Omgevingsverordening en geeft invulling aan de rode draad ruimtelijke kwaliteit. In de omgevingsverordening staat dat initiatiefnemers, waaronder gemeenten, in het omgevingsplan rekening moet houden met de Catalogus Gebiedskenmerken.

55

2 Overige actualisatieonderwerpen (APK)

56

Aanpassing Omgevingsverordening – nieuwe instructieregel Afdeling 4.13 BOSSENSTRATEGIE Waarom? In de Omgevingsverordening wordt een nieuwe instructieregel bossenstrategie opgenomen die ervoor moet zorgen dat gemeenten in hun omgevingsplan gaan regelen dat nieuwe bossen waarvoor de provincie subsidie heeft verleend ook in de toekomst gehandhaafd blijven. Strekking aanpassing: De nieuwe instructieregel verplicht gemeenten om hun omgevingsplan een passende regeling op te nemen voor bomen en andere houtopstanden die aangeplant zijn op basis van de bossenstrategie. De gemeenten moeten in ieder geval kap verbieden. Op dat kapverbod kan de gemeente uitzonderingen maken als kap nodig is voor herstel en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden. In de instructieregel wordt verder geregeld dat gemeente de instructie pas hoeven uit te voeren op het moment dat ze voor de locatie het tijdelijke deel van het omgevingsplan omzetten naar een omgevingsplan zoals bedoeld in de Omgevingswet. Op het moment dat gemeenten aan de nieuwe bos een functie natuur of bos heeft toegekend, zorgt de instructieregel in artikel 4.65 (bos en natuur buiten het NNN) ervoor dat deze functietoedeling ook in de toekomst gehandhaafd blijft. Tekstvoorstel: Artikel 4.121 (instructieregel bossenstrategie) 1.

Omgevingsplannen die betrekking hebben op gronden waarop bomen en andere houtopstanden zijn geplant in het kader van de Overijsselse bossenstrategie, voorzien in regels voor deze gebieden die gericht zijn op behoud, herstel en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden. waarbij in ieder geval het kappen van houtopstanden niet is toegestaan.

2.

Omgevingsplannen die betrekking hebben op gronden waarop bomen en andere houtopstanden zijn geplant in het kader van de Overijsselse bossenstrategie, voorzien niet in nieuwe o ontwikkelingen waardoor de aanwezige en te ontwikkelen natuur- en landschapswaarden worden aangetast.

3.

Tot 1 januari 2032 wordt de instructie in lid 1 uitgevoerd op het moment dat het deel van het tijdelijke omgevingsplan dat van toepassing is op gronden waarop bomen en andere houtopstanden zijn geplant in het kader van de Overijsselse bossenstrategie, wordt omgezet naar het omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 Omgevingswet.

4.

Gemeenten kunnen in afwijking van het bepaalde in lid 1 in het omgevingsplan regelen dat het kappen van houtopstanden is toegestaan als dit nodig is voor herstel en ontwikkeling van natuuren landschapswaarden, mits herplant op dezelfde gronden is verzekerd.

57

TOELICHTING artikel 4.121 (instructieregel bossenstrategie) Provinciaal belang bossen en bomen Overijssel is een prachtige provincie met een zeer gevarieerd landschap. Bossen en bomen maken daar een belangrijk onderdeel van uit. Ze zijn van betekenis voor het behoud en de bescherming van plant- en diersoorten (biodiversiteit). Daarnaast vormt hout een duurzaam bouwmateriaal. Maar ook voor de kwaliteit van onze leefomgeving, voor een goed vestigingsklimaat voor wonen en werken én voor de regionale economie in Overijssel (denk aan toerisme) zijn bossen en bomen van belang. Bos en bomen kunnen daarnaast een belangrijke rol vervullen in de oplossing van het klimaatprobleem. Ze nemen immers CO2 op. Meer bomen en een gezonde bosontwikkeling betekent dus: minder CO2 in de lucht. We willen daarom meer mooie en gezonde bossen en bomen in Overijssel. Dat is goed voor de biodiversiteit, de kwaliteit van de leefomgeving en de vastlegging van CO2. Landelijke bossenstrategie Eind 2020 stelden Rijk en provincies een landelijke bossenstrategie vast met een ambitie voor meer en meer vitaal bos. Daarbij is aangegeven dat Rijk en provincies willen investeren in meer bomen buiten het bos en duurzaam gebruik van bomen en bos stimuleren. Er is een bestuurlijke afspraak gemaakt over financiering van de aanleg van 1.400 ha bos buiten natuurgebieden, aan te leggen vóór 2030.

Deze bosaanleg is bedoeld als compensatie van de uitgevoerde en nog uit te voeren kapwerkzaamheden in Natura 2000-gebieden. Overijsselse opgave Op 16 juni 2022 is de Overijsselse bossenstrategie 2020-2030 vastgesteld. De provincie sluit daarin aan bij de landelijke ambities voor meer bos. Dit betekent dat er 10% meer bos en 5% houtige elementen buiten het bos moet zijn gerealiseerd in 2030. Voor Overijssel betekent dit in totaal circa 3.900 ha bos extra. Daarnaast hebben we de ambitie om ons bos vitaal en klimaatbestendig te maken en houden. Om deze forse ambitie te realiseren is onder meer een subsidieregeling in het leven geroepen. Initiatiefnemers bieden we een vergoeding voor bosaanleg die vergelijkbaar is met de vergoedingen op basis van de Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap (SKNL). Het gaat om een vergoeding van de waardedaling van de grond en van de aanplant- en proceskosten. Grondeigenaren (met uitzondering van overheden) kunnen vervolgens voor het beheer op grond van het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL) subsidie aanvragen als de gronden binnen het NNN liggen. Juridische borging Als we als provincie subsidie verlenen voor de aanleg van nieuw bos, willen we wel zeker weten dat dit nieuwe bos daar in de toekomst ook in stand blijft.

Die zekerheid krijgen we als in het omgevingsplan van de gemeente geregeld is dat er op dat perceel alleen bos is toegestaan. De instructieregel bossenstrategie zorgt voor de juridische borging daarvan.

Artikelsgewijze toelichting Artikel 4.121 lid 1 Op grond van het eerste lid van artikel 4.121 zijn gemeenten verplicht om een passende regeling op te nemen in hun omgevingsplan voor gronden waarop in het kader van de Overijsselse bossenstrategie nieuwe bomen en andere houtopstanden zijn aangeplant. Dat kan een functietoedeling zijn van bos of

58

natuur, maar de regeling voorziet in ieder geval in een verbod om de nieuwe bomen en andere houtopstanden te kappen. Artikel 4.121 lid 2 In het tweede lid van artikel 4.121 is geregeld dat gemeenten geen nieuwe ontwikkelingen mogen toestaan die leiden tot aantasting van natuur- en landschapswaarden die gerealiseerd zijn door het aanplanten van nieuwe bomen en andere houtopstanden in het kader van de Overijsselse bossenstrategie. Artikel 4.121 lid 3 Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 beschikken gemeenten over een omgevingsplan van rechtswege. De gemeenten zijn verplicht om uiterlijk 1 januari 2032 het tijdelijke deel van dat omgevingsplan om te zetten naar een omgevingsplan zoals bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet. De omzetting mag gefaseerd worden doorgevoerd. De verplichting in het eerste lid om het omgevingsplan aan te passen voor gronden waarop nieuwe bomen en andere houtopstanden zijn gerealiseerd, kan de planning van de gemeente voor de omzetting van het tijdelijke deel van het omgevingsplan doorkruisen. Om dat te voorkomen is in het derde lid van artikel 4.121 geregeld dat de verplichting om het omgevingsplan aan te passen pas uitgevoerd hoeft te worden op het moment dat de gemeente het tijdelijke omgevingsplan voor die gronden omzet naar het omgevingsplan zoals bedoeld in artikel 2.4 Omgevingswet.

Artikel 4.121 lid 4 Op grond van het eerste lid zijn gemeenten verplicht een verbod op te nemen voor het kappen van de nieuwe bomen en houtopstanden die in het kader van de bossenstrategie zijn aangeplant. Het kan zijn dat het op enig moment toch noodzakelijk is om bomen te kappen. Bijvoorbeeld omdat een boom is doodgegaan,als er gevaarlijke situaties ontstaan door een boom die dreigt om te vallen of in het kader van duurzaam bosbeheer. Lid 4 biedt de gemeente de ruimte om de kap van bomen en houtopstanden toe te staan als dit in het kader van beheer en onderhoud nodig is. Daarbij moet wel verzekerd zijn dat herplant plaatsvindt op dezelfde gronden.

59

Aanpassing Omgevingsverordening – nieuwe instructieregels Raatakkercomplexen en Karrensporenzones Waarom? Gedeputeerde Staten hebben besloten om de cultuurhistorische waarde van 10 raatakkercomplexen (ook wel bekend als Celtic fields) en 8 bundels karrensporen specifiek te gaan beschermen via het ruimtelijk spoor. Raatakkers (ook wel Celtic fields) zijn overblijfselen van vierkante of rechthoekige, aaneengesloten stukjes grond waar landbouw bedreven werd in de prehistorie. Karrensporen zijn overblijfselen uit onze vroege jaartelling en late middeleeuwen, die ons een spoor laten zien, gevormd door karren in onverharde ondergrond, als gevolg van intensief gebruik. Door met instructieregels bescherming te regelen in gemeentelijke omgevingsplannen blijven de allerlaatste prehistorische raatakkers en laat middeleeuwse karrensporen in Overijssel bewaard voor volgende generaties.

Strekking aanpassing: De bescherming van raatakkercomplexen en karrensporenzones zal worden geregeld door in de Omgevingsverordening instructieregels op te nemen die de gemeente verplichten om in hun omgevingsplan te regelen dat op plekken waar karrensporen en raatakkers zijn aangewezen die van provinciaal belang zijn, nieuwe ontwikkelingen niet zijn toegestaan als die leiden tot aantasting van de unieke cultuurhistorische waarden die daar nog aanwezig zijn. Ten opzichte van de regeling zoals die in ontwerp ter inzage heeft gelegen, is naar aanleiding van bezwaren van grondeigenaren, een forse verbeteringsslag doorgevoerd. Op basis van een second opinion van archeologisch adviesbureau is preciezer op de kaart aangegeven waar de raatakkers en karrensporen die van provinciaal belang zijn, aanwezig zijn. De archeologische sporen die door recente ontwikkelingen verdwenen zijn, zijn van de kaart gehaald. De bu erzone van 50 meter die we in het ontwerp hebben gehanteerd, bleek bij nader inzien veel te ruim. Die is teruggebracht naar 10 meter of smaller, als door de feitelijke situatie ter plekke er geen risico op ongewilde beschadiging is. We gebruiken nu in plaats van het begrip ‘bu erzone’ nu het begrip ‘signaleringszone’ omdat dit beter recht doet aan de functie van deze zone.

We maken duidelijk dat binnen een signaleringszone nog steeds alle activiteiten zijn toegestaan die het geldende omgevingsplan mogelijk maakt, als bij de uitvoering er op gelet wordt dat daarbij niet per ongeluk de karrensporen op nabijgelegen percelen niet beschadigd worden. Verder zijn afwijkingsmogelijkheden opgenomen voor ontwikkelingen van groot openbaar en bovenlokaal belang, zoals brandpreventiemaatregelen. Ook komen we tegemoet aan zienswijzen die erop wijzen dat noodzakelijk bos- en natuuronderhoud wel mogelijk moet zijn ook als daardoor karrensporen beschadigd raken.

60

Tekstvoorstel: Toevoegen aan de begripsbepalingen: Artikel 1.1 (begripsbepalingen) Raatakkercomplexen Overblijfselen uit de prehistorie (IJzertijd) van vierkante of rechthoekige, aaneengesloten stukjes grond waar landbouw bedreven werd door de eerste agrariërs in de provincie Overijssel boeren uit de IJzertijd en die gekenmerkt worden door kwetsbaar microreliëf. Karrensporenbundels Karrensporen Overblijfselen uit de vroege jaartelling en late middeleeuwen en later van oude handelssporen die gevormd zijn doordat reizigers na verstuiving van zand met hun karren steeds weer naast het oude spoor gingen rijden, waardoor reliëfrijke bundels van sporen zijn gevormd in de onverharde ondergrond

Afdeling 4.17 RAATAKKERS EN KARRENSPOREN Paragraaf 4.17.1 Raatakkercomplexen Artikel 4.126 (werkingsgebied instructieregel raatakkercomplexen) 1. Deze paragraaf is van toepassing op gebieden die van grote hoge cultuurhistorische en archeologische waarde zijn vanwege de unieke overblijfselen in het landschap van rechthoekige landbouwstructuren die stammen uit de Prehistorie (IJzertijd). 2. Deze gebieden zijn aangewezen als raatakkercomplex en als zodanig geometrisch begrensd.

Artikel 4.127 (instructieregel raatakkercomplex) 1. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een raatakkercomplex voorziet in een verbod op alle activiteiten die kunnen leiden tot aantasting van de aanwezige cultuurhistorische en archeologische waarden van dat gebied. 2. Het omgevingsplan bevat in ieder geval het verbod om door afgravingen het karakteristieke microreliëf van de raatakkers te verstoren.

TOELICHTING Artikel 4.127 (instructieregel raatakkercomplex)

61

Overblijfselen uit de prehistorie in ons hedendaagse landschap zijn zeldzaam. Toch zijn er in Overijssel op enkele plekken nog de karakteristieke structuren van raatakkercomplexen te vinden die stammen uit de IJzertijd. Raatakkers zijn overblijfselen van vierkante of rechthoekige, aaneengesloten stukjes grond waar landbouw bedreven werd in de Prehistorie. Ze vertellen het verhaal van de vroegste vroege landbouw in Overijssel, een thema dat onlosmakelijk van aan deze provincie is verbonden. Vroeger moeten er in Overijssel honderden van dat soort complexen geweest zijn, maar inmiddels zijn daar nog maar een paar grotere complexen van over. Bij de herziening van de Cultuurhistorische Waardenkaart van Overijssel in 2022 kwamen deze raatakkercomplexen naar voren als een nieuwe categorie van zeer waardevolle cultuurhistorische elementen. Uit nader onderzoek van de provinciaal archeoloog blijken er nog 10 raatakkercomplexen binnen Overijssel te liggen die nog redelijk gaaf te zijn, maar ook erg kwetsbaar. De 10 raatakkercomplexen liggen binnen natuurgebieden en grotendeels op gronden die beheerd worden door natuur- en landschapsorganisaties. De ligging binnen natuurgebied heeft ervoor gezorgd dat deze complexen nu nog grotendeels intact zijn.

Toch lopen de complexen het risico om aangetast te worden omdat er binnen natuurgebieden ook werkzaamheden worden verricht die het karakteristieke microreliëf van raatakkers kunnen verstoren. Raatakkercomplexen worden niet altijd gemakkelijk herkend in het landschap en worden niet beschermd door het Rijk. De geschiedenis van de raatakkercomplexen in Overijssel vertelt ons het verhaal van hoe de boeren in de IJzertijd landbouw bedreveneerste agrariërs zich vestigden in Overijssel. Raatakkers zijn laten zien hoe landbouw toen al belangrijk was voor bewoners van de provincie. de vroegste landbouwmethode werd toegepast en Ze maken daarmee onderdeel uit van onze Overijsselse identiteit en zijn daaromdaarmee het beschermen waard. Vanwege het belang voor de cultuurhistorie van Overijssel en de grote kwetsbaarheid, ziet de provincie de bescherming en het behoud van de raatakkercomplexen als provinciaal belang. De provincie Overijssel is op grond van het Verdrag van Malta (het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed) verplicht om binnen haar vermogen archeologisch erfgoed te beschermen.

Vanwege het belang van die sporen voor de Overijsselse cultuurhistorische identiteit en de grote kwetsbaarheid daarvan, ziet de provincie voor zichzelf een taak om passende bescherming te regelen voor de raatakkercomplexen zoals die voor de instructieregels op kaart zijn gezet. Op dit moment is de bescherming van raatakkers nog niet goed geregeld. Gemeenten zijn weliswaar op grond van de Omgevingswet (artikel 5.130 Besluit kwaliteit leefomgeving) al verplicht om rekening te houden met archeologische sporen op hun gronden, maar dit biedt onvoldoende garantie dat de raatakkers die de provincie heeft aangewezen als van provinciaal belang, ook inderdaad behouden blijven. Met een instructieregel wordt geborgd dat de raatakkercomplexen een passende bescherming krijgen in gemeentelijke omgevingsplannen. Vanwege het belang om de raatakkers in de huidige staat te behouden, krijgen de gemeente de opdracht om in hun omgevingsplan alle activiteiten uit te sluiten die leiden tot aantasting van de cultuurhistorische en archeologische waarden van de raatakkers. Voor raatakkers geldt geen afwijkingsmogelijkheid. Dit soort archeologische sporen uit de Prehistorie zijn zo oud en zo zeldzaam, dat die naar ons oordeel altijd moeten worden ontzien, ook bij werkzaamheden voor noodzakelijk onderhoud aan bos en natuur.

62

Paragraaf 4.17.2 Karrensporenzones Artikel 4.128 (werkingsgebied instructieregel karrensporenzones) 1. Deze paragraaf is van toepassing op gebieden die van grote hoge cultuurhistorische waarde zijn vanwege de unieke overblijfselen in de onverharde ondergrond van eeuwenoude handelssporen. 2. De locaties waar de karrensporen zijn aangetro en, Deze gebieden zijn aangewezen als karrensporenzones en als zodanig geometrisch begrensd. 3. Rond de karrensporenzones zijn signaleringszones aangewezen die als zodanig geometrisch zijn begrensd. Artikel 4.129 (instructieregel karrensporenzones) 1. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een karrensporenzone voorziet in een verbod op alle activiteiten die kunnen leiden tot aantasting van de aanwezige cultuurhistorische waarden van dat gebied de karrensporen binnen deze zone. 2. Het omgevingsplan bevat in ieder geval het verbod om door afgravingen het karakteristieke microreliëf van de karrensporen te verstoren. Artikel 4.130 (instructieregel signaleringszones) 1. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een signaleringszone voorziet in de opdracht om bij uitvoering van activiteiten die op grond van het geldende omgevingsplan binnen deze zone zijn toegestaan, rekening te houden met de aanwezigheid van karrensporen in het naastliggende gebied. 2.

In afwijking van het eerste lid kan een opdracht in het omgevingsplan om bij de uitvoering van activiteiten rekening te houden met de aanwezigheid van karrensporen in het naastliggende gebied achterwege blijven voor die delen van de signaleringszone waar - gelet op de feitelijke situatie - geen risico bestaat dat de karrensporen in het naastliggende gebied beschadigd worden. Artikel 4.131 (afwijkingsmogelijkheden instructieregel karrensporenzones) 1. In afwijking van artikel 4.129 kan het omgevingsplan activiteiten toestaan die leiden tot aantasting van de aanwezige cultuurhistorische waarden van dat gebied, voor zover het gaat om ontwikkelingen van groot openbaar en bovenlokaal belang en mits is aangetoond dat het in redelijkheid niet mogelijk is om de werkzaamheden zo uit te voeren dat de karrensporen worden ontzien. 2.

63

In afwijking van artikel 4.129 kan het omgevingsplan activiteiten toestaan die leiden tot aantasting van de aanwezige cultuurhistorische waarden van dat gebied, voor zover die activiteiten noodzakelijk zijn in het kader van bosonderhoud en natuurontwikkeling en mits in het kader van een onderhoudsplan is aangetoond dat het in redelijkheid niet mogelijk is om de werkzaamheden zo uit te voeren dat de karrensporen worden ontzien. TOELICHTING Artikel 4.129 (instructieregel karrensporenzones) Provinciaal belang Bij de herziening van de Cultuurhistorische Waardenkaart van Overijssel in 2022 kwamen zones met karrensporen in beeld als een nieuwe categorie in cultuurhistorisch zeer waardevolle elementen. Dankzij de voortschrijdende techniek is op hoogtekaarten te zien dat op diverse plekken in de provincie nog karrensporen aanwezig zijn op plekken waar de bodem de laatste honderden jaren weinig geroerd is geweest. Uit nader onderzoek van de provinciaal archeoloog bleken er in Overijssel nog 8 zones locaties te zijn waar in het landschap nog bundels met karrensporen te vinden zijn aan de bovengrond die voor provinciale bescherming in aanmerking komen in de ondergrond. Door verstuiving van zand en door met karren telkens maar weer naast het oude spoor te gaan rijden zijn reliëfrijke karrensporenbundel gevormd in de onverharde ondergrond.

Het zijn overblijfselen uit de vroege jaartelling en late middeleeuwen en het eerste deel van de nieuwe tijd (16de/17de eeuw) van oude handelssporen die vertellen hoe er in Overijssel werd gereisd en handel werd gedreven. Er zijn nog maar een paar gave bundels over waardoor ze zeldzaam zijn. Karrensporen zijn erg kwetsbaar omdat het microreliëf gemakkelijk verstoord wordt door intensief gebruik van routes en werkzaamheden in het gebied. De bundels met karrensporen zijn vanwege hun zeldzaamheid en kwetsbaarheid het beschermen waard. Karrensporen worden niet beschermd door het Rijk en worden ook niet makkelijk herkend in het landschap. De 8 bundels karrensporen die de provincie wil beschermen liggen binnen natuurgebieden en grotendeels op gronden die beheerd worden door natuur- en landschapsorganisaties. De ligging binnen natuurgebied heeft ervoor gezorgd dat deze de bundels met karrensporen nog redelijk gaaf zijn. Toch lopen de complexen het risico om aangetast te worden omdat er binnen natuurgebieden ook werkzaamheden worden verricht die het karakteristieke microreliëf van karrensporen kunnen verstoren.

Met het bewaren van de karrensporen zorgen we ervoor dat het verhaal hoe onze voorouders reisden, zich verplaatsen en handel bedreven, en zich telkens weer aanpasten als gevolg van een zandverstuiving of ondergelopen gebied, ook voor toekomstige generaties terug te lezen is in het landschap. Zo blijft een stukje van de Overijsselse identiteit bewaard en beleefbaar. Vanwege het belang voor de cultuurhistorie van Overijssel, ziet de provincie de bescherming en behoud van de bundels met karrensporen als provinciaal belang. De provincie Overijssel is op grond van het Verdrag van Malta (het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed) verplicht om binnen haar vermogen archeologisch erfgoed te beschermen. Vanwege het belang van die sporen voor de Overijsselse cultuurhistorische identiteit, het gemeentegrens overschrijdende karakter van de sporen en de grote kwetsbaarheid daarvan, ziet de provincie voor zichzelf een taak om passende bescherming te regelen voor de karrensporen zoals die voor de instructieregels op kaart zijn gezet.

64

Grondeigenaren zijn op grond van de Omgevingswet (artikel 5.130 Besluit kwaliteit leefomgeving) al verplicht om rekening te houden met archeologische sporen op hun gronden. De passende bescherming die gemeenten op grond van de instructieregels in de Omgevingsverordening in hun omgevingsplan moeten regelen voor de raatakkers en de karrensporen die de provincie aanwijst, geeft de grondeigenaren meer inzicht in de verplichtingen die ze nu ook al hebben. Op dit moment is de bescherming van karrensporen nog niet goed geregeld. Gemeenten zijn weliswaar op grond van de Omgevingswet (artikel 5.130 Besluit kwaliteit leefomgeving) al verplicht om rekening te houden met archeologische sporen op hun gronden, maar dit biedt onvoldoende garantie dat de karrensporen die de provincie heeft aangewezen als van provinciaal belang, ook inderdaad behouden blijven. De instructieregels verplichten gemeenten om in hun omgevingsplan passende bescherming te regelen voor deze karrensporen. Dit levert inderdaad beperkingen op aan de wijze waarop percelen gebruikt en onderhouden kunnen worden op die plekken op het perceel waar de karrensporen en raatakkers aangetro en zijn. Ons doel daarbij is om de beperkingen van de gebruiksmogelijkheden van deze percelen zo klein mogelijk te houden.

Instructieregel karrensporenzones Met een instructieregel voor karrensporenzones wordt geborgd dat de karrensporenbundels een passende bescherming krijgen in gemeentelijke omgevingsplannen, waarbij alle activiteiten binnen deze zone die kunnen leiden tot verstoring van het microreliëf worden uitgesloten. Gemeenten moeten in hun omgevingsplan voor gronden die vallen binnen de aangewezen karrensporenzones een verbod opnemen op alle activiteiten die kunnen leiden tot aantasting van de cultuurhistorische waarden van de karrensporen binnen deze zone. De doelstelling van de provincie is om in ieder geval de karrensporen die liggen binnen de aangewezen karrensporenzones te behouden. Er kunnen zich echter binnen karrensporenzones nieuwe ontwikkelingen voordoen waarvan het maatschappelijk belang groter is dan het belang van behoud van de cultuurhistorische waarden van die karrensporen op die plek. Een voorbeeld is de aanleg van brandgangen vanwege het risico op natuurbranden of het realiseren van een hoogspanningsleiding die nodig is om de energie-infrastructuur in de provincie te versterken. Voor dat soort gevallen is in artikel 4. 131 lid 1 een afwijkingsmogelijkheid opgenomen van de verplichting om de karrensporen te beschermen. Voorwaarde is dat het moet gaan om nieuwe ontwikkelingen die van groot openbaar en bovenlokaal belang zijn.

Aangetoond moet worden dat het in redelijkheid niet mogelijk is om de karrensporen te ontzien. Wij gaan er daarbij vanuit dat voor de onderbouwing het advies wordt ingewonnen van de provinciaal archeoloog of de regio-archeoloog. Op gronden die zijn bebouwd of jarenlang intensief zijn bewerkt, wordt aangenomen dat de karrensporen daar inmiddels verdwenen zijn. De karrensporen die nu nog aangetro en worden, liggen als regel binnen bos- en natuurgebieden. Bij het noodzakelijke onderhoud van bos en natuurontwikkeling in die gebieden is het soms onvermijdelijk dat de karrensporen beschadigd raken bij de werkzaamheden die daarvoor moeten worden uitgevoerd. Om ervoor te zorgen dat noodzakelijke werkzaamheden in het kader van bosonderhoud en natuurontwikkeling ook binnen karrensporenzones doorgang kunnen vinden, bieden wij onder voorwaarden daarvoor ruimte. Onderbouwd moet worden dat de activiteiten noodzakelijk zijn voor het onderhoud van het bos of de ontwikkeling van natuurdoelstellingen. In het kader van een onderhoudsplan moet aangetoond worden dat het in redelijkheid niet mogelijk is om de werkzaamheden zo uit te voeren dat de karrensporen worden ontzien. Ook hierbij gaan wij er vanuit dat voor de onderbouwing het advies wordt ingewonnen van de provinciaal archeoloog of de regio-archeoloog.

65

We gaan samen met gemeenten, terreinbeherende organisaties en landgoedeigenaren een praktische handreiking ontwikkelen voor grondeigenaren. Daaruit moet duidelijk worden hoe noodzakelijk onderhoud aan bos en natuur zo kan worden uitgevoerd dat daarbij de aanwezige karrensporen zoveel mogelijk worden ontzien. Instructieregel Signaleringszones Bij de aanduiding van de karrensporen is een zone aangehouden van 50 meter breed aan weerszijden van de karrensporen om te verzekeren dat ook geen activiteiten plaatsvinden in de directe omgeving van de karrensporen die tot verstoring van het microreliëf kunnen leiden. Rond de karrensporenzones zijn signaleringszones op de kaart gezet. In deze signaleringszones zijn geen karrensporen aanwezig en in principe kunnen hier alle activiteiten worden uitgevoerd die het geldende omgevingsplan toestaat. Wel moet daarbij enige voorzichtigheid worden betracht om te voorkomen dat de karrensporen in de naastliggende karrensporenzone worden beschadigd. De instructieregels voor signaleringszones moet zorgen voor de bewustwording van de aanwezigheid van de karrensporen in de directe omgeving. We leggen geen beperkingen op aan gebruik dat is toegestaan op de gronden, maar benoemen wel nadrukkelijk de zorgplicht om bij de uitvoering van werkzaamheden niet de karrensporen in directe omgeving te beschadigen.

Voor de signaleringszone gaan we uit van een breedte van 10 meter, maar afhankelijk van de situatie ter plekke kan ook een smallere zone voldoende zijn om risico’s op onbedoelde beschadiging van karrensporen te beperken. Daarom is in de instructieregel de mogelijkheid om af te zien van het opleggen van een zorgplicht als gelet op de feitelijke situatie er geen risico bestaat dat de karrensporen beschadigd raken door activiteiten in het naastliggende gebied. Daarbij moet gedacht worden aan de situatie dat er een openbare weg ligt tussen het perceel waarop karrensporen zijn aangetro en en de percelen van een particulier of agrarisch bedrijf. Ook een duidelijke afscheiding tussen de percelen in de vorm van een hekwerk of houtwal kan ervoor zorgen dat er geen risico bestaat dat de karrensporen beschadigd raken door activiteiten op de naastliggende percelen.

66

Aanpassing Omgevingsverordening – onderdeel aanvullende eisen legger Waarom? Op verzoek van de waterschappen Drents Overijssels Delta en Vechtstromen wordt de verplichting geschrapt om in de legger van het waterschap lengte- en dwarprofielen van regionale waterkeringen en regionale oppervlaktelichamen vast te leggen. De verplichting om profielen vast te leggen is een aanvulling op de wettelijke eisen in de Omgevingswet. We zijn het met de waterschappen eens dat het voor de toets van waterstaatswerken aan de gestelde normen niet nodig is dat in de legger precies het lengteprofiel en dwarsprofielen van de regionale waterkeringen en regionale oppervlaktewaterlichamen worden bijgehouden. De beschermingszones rond de regionale waterkeringen zijn als beperkingengebieden opgenomen in de (kaart bij) de Waterschapsverordening. Het is niet nodig om ze ook nog een keer op te nemen in de legger. Dit voorkomt dubbel werk van het waterschap dat op andere plekken al verantwoordt hoe de waterstaatswerken erbij liggen. We vinden overzichtskaarten ook niet langer nodig en dus wordt de passage daarover in de toelichting ook geschrapt. De aanpassing is gebaseerd op het GS-besluit 15 april 2025, kenmerk 2025-011702.

Tekstvoorstel: Aanpassing artikel 5.8 (aanvullende eisen inhoud legger waterstaatswerken). Paragraaf 5.1.5 Watersysteem Artikel 5.8 (aanvullende eisen inhoud legger waterstaatswerken) 1. De waterschappen geven in de legger een nadere invulling van de begrenzing van regionale waterkeringen als bedoeld in Artikel 2.3 (aanwijzing regionale waterkeringen). 2. De legger bevat in aanvulling op de eisen die artikel 2.39 van de Omgevingswet daaraan stelt in ieder geval: a. het lengteprofiel en dwarsprofielen van de regionale waterkeringen en regionale oppervlaktewaterlichamen; en b. een omschrijving van de ondersteunende kunstwerken en de bijzondere constructies die deel uitmaken van de regionale waterkeringen, regionale oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden. 3. In geval van het meanderen van een oppervlaktelichaam wordt in afwijking van het tweede lid, onder a, in de legger de ruimtelijke begrenzing en het minimale dwarsprofiel vastgelegd. 4. Voor bergingsgebieden wordt in de legger de ruimtelijke begrenzing en het bergend vermogen vastgelegd.

67

Artikel 5.9 (instructieregel waterschapsverordening profiel vrije ruime) De waterschapsverordening wijst voor primaire waterkeringen en regionale waterkeringen het profiel vrije ruimte aan, waarbinnen ontwikkelingen worden tegengegaan die een toekomstige dijkverzwaring in de weg kunnen staan. TOELICHTING Paragraaf 5.1.5 Watersysteem Legger In artikel 2.39 van de Omgevingswet is bepaald dat de beheerder zorg draagt voor de vaststelling van een legger. Daarin is omschreven waaraan waterstaatswerken naar ligging, vorm, afmeting en constructie moeten voldoen. In de Omgevingswet worden waterstaatswerken gedefinieerd als oppervlaktelichaam, bergingsgebied, waterkering of ondersteunend kunstwerk. In artikel 2.41 van de Omgevingswet is geregeld welke basisgegevens in de legger moeten worden opgenomen. De ligging van de waterstaatswerken en daaraan grenzende beschermingszones is aangegeven op overzichtskaarten. In artikel 2.22 en artikel 2.23 van de Omgevingswet is bepaald dat bij Omgevingsverordening regels kunnen worden gesteld over de inhoud of motivering van de legger, met inbegrip van een technisch beheerregister. In Artikel 5.8 wordt hieraan uitvoering gegeven. De beheerder draagt er zorg voor dat de gegevens in de legger actueel blijven.

De legger voor de oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, regionale waterkeringen of ondersteunende kunstwerken kan door de beheerder desgewenst bij een of meer afzonderlijke besluiten, in afzonderlijke documenten of gecombineerd worden vastgesteld. De provincie heeft de regionale waterkeringen indicatief op kaart gezet. Artikel 5.8 bevat de opdracht aan de waterschappen om de regionale waterkeringen meer gedetailleerd op kaart te zetten. De legger is van belang voor de toetsing van de waterstaatswerken aan de gestelde normen. Deze toetsing wordt mogelijk door de gegevens in de legger, waarin de vereiste toestand van de waterstaatswerken is aangegeven, te vergelijken met de feitelijke toestand van de waterstaatswerken. De legger die op grond van de Omgevingswet wordt vastgesteld, moet worden onderscheiden van de legger als bedoeld in artikel 78 van de Waterschapswet. Desgewenst kunnen beide leggers in één document worden gecombineerd. De Waterschapswet bevat enkele procedurele bepalingen over de voorbereiding en vaststelling van de laatstgenoemde legger (toepassing inspraakverordening).

In het derde lid van artikel 2.39 van de Omgevingswet is bepaald dat bij of krachtens provinciale verordening vrijstelling kan worden verleend van de eis om op de legger ligging, vorm, afmeting en constructie van waterstaatswerken te omschrijven voor bepaalde waterstaatswerken die zich naar hun aard of functie niet lenen voor het omschrijven van die elementen, of van geringe afmetingen zijn. Waterschapsverordening In Artikel 5.9 is een instructieregel opgenomen voor de waterschapsverordening die de waterschappen verplicht om voor primaire en regionale keringen het profiel vrije ruimte aan te geven en daarbinnen ontwikkelingen tegen te gaan die een toekomstige dijkverzwaring in de weg kunnen staan.

68

Aanpassing Omgevingsverordening – onderdeel aanpassing normering wateroverlast Buitenpolder Kuinre Waarom? Op verzoek van het waterschap Drents Overijsselse Delta wordt de omgevingswaarde voor wateroverlast voor de Buitenpolder Kuinre naar beneden bijgesteld. In dat gebied blijkt er meer draagvlak te zijn voor de acceptatie van periodieke inundaties dan voor het nemen van maatregelen tegen wateroverlast zoals de aanleg van extra waterberging. Basis voor de aanpassing is het GS-besluit van 15 april 2025, kenmerk 2025-011702. Strekking van de aanpassing? De Buitenpolder Kuinre wordt - net zoals de veenweidegebieden rond de Weerribben nu al is – aangewezen als een bijzondere categorie binnen het beheersgebied van waterschap Drents Overijsselse Delta waarvoor een gemiddelde kans op overstroming van 1/10 per jaar wordt gehanteerd, waarbij 30% van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben. Aanpassing Omgevingsverordening: Artikel 2.8 en de bijbehorende kaart met de omgevingswaarden wateroverlast wordt aangepast zodat voor de Buitenpolder Kuinre dezelfde norm voor wateroverlast gaat gelden als voor de veenweidegebieden rond de Weerribben.

Artikel 2.8 (uitgangspunten omgevingswaarden wateroverlast buiten de bebouwde kom) 1. Buiten de bebouwde kom geldt een gemiddelde kans op overstroming van: a. 1/50 per jaar voor glastuinbouw en hoogwaardig land- en tuinbouw, waarbij 1 % van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben; b. b.1/25 per jaar voor akkerbouw, waarbij 1 % van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben; c. 1/10 per jaar voor grasland, waarbij 5 % van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben. 2. In afwijking van het eerste lid, geldt binnen het beheersgebied van waterschap Drents Overijsselse Delta een gemiddelde kans op overstroming van 1/10 per jaar voor de veenweidegebieden rond de Weerribben en de Buitenpolder Kuinre, waarbij 30% van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben. 3. In afwijking van het eerste lid, geldt binnen het beheersgebied van waterschap Vechtstromen een gemiddelde kans op overstroming van: a. 1/10 per jaar voor landbouwgronden in beekdalen; b. 1/1 per jaar voor laaggelegen gebieden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Raalte&id=92365ec4-6371-4a61-a0a7-232529c5d188