Bijlage III - Actualisatie 2026 Omgevingsverordening (2)
Tekst van het document
69
Aanpassing Omgevingsverordening – onderdeel gegevensverzameling grondwateronttrekkingen Waarom? De instructieregel voor waterschappen over de gegevensverzameling van grondwateronttrekkingen wordt uitgebreid, zodat ook kleinere grondwateronttrekkingen geregistreerd moeten worden. Voor een duurzaam grondwaterbeheer is het noodzakelijk om ook inzicht te krijgen in de kleinere grondwateronttrekkingen. De basis van deze aanpassing is het GS-besluit van 15 april 2025, kenmerk 2025-011702 Strekking van aanpassing Het derde lid van artikel 5.18 (instructieregels gegevensverzameling grondwateronttrekkingen) wordt aangepast zodat grondwateronttrekkingen vanaf een bruto pompcapaciteit van meer dan 10 kubieke meter per uur of een hoeveelheid van meer dan 12.000 kubieke meter per jaar geregistreerd moeten worden. Tekstvoorstel: Artikel 5.18 (instructieregels gegevensverzameling grondwateronttrekkingen) 1. De waterschapsverordening bepaalt dat: a. degene die grondwater onttrekt of water infiltreert, elk kwartaal de onttrokken hoeveelheid grondwater of geïnfiltreerd water meet met een nauwkeurigheid van ten minste 95%; b. degene die water infiltreert: 1) de kwaliteit van dat water meet, voor de parameters en met de frequentie die zijn opgenomen in bijlage 3 van de Drinkwaterregeling; en 2) de monsters analyseert volgens de eisen van bijlage 4 van de Drinkwaterregeling. 2.
In de waterschapsverordening kan worden bepaald dat voor kortdurende of seizoensgebonden onttrekkingen of infiltraties, in de voorschriften van de vergunning voor het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water of, als geen vergunning is vereist, bij maatwerkvoorschrift kan worden bepaald dat de hoeveelheid over een kortere tijdspanne wordt gemeten. 3. Het eerste lid geldt niet voor onttrekkingen of infiltraties kleiner dan 50.000 m3 per jaar en voor tijdelijke onttrekkingen of infiltraties van in totaal minder dan 50.000 m3 met een bruto pompcapaciteit kleiner dan 10 kubieke meter per uur dan wel een hoeveelheid minder dan 12.000 kubieke meter per jaar, tenzij het gaat om onttrekkingen of infiltraties op meer dan 50 meter beneden het maaiveld binnen de boringsvrije zone Salland Diep.
70
Aanpassing Omgevingsverordening – verdringingsreeks Waarom? Gedeputeerde Staten hebben op 28 januari 2025 ingestemd met het geactualiseerde Waterakkoord Twentekanalen-Overijsselse Vecht. Het Waterakkoord Twentekanalen-Overijsselse Vecht 2025 bevat afspraken tussen Rijkswaterstaat, provincies Overijssel en Drenthe en waterschappen Vechtstromen, Drents Overijsselse Delta en Rijn en IJssel over de wateraanvoer vanuit de IJssel, via sluis Eefde en de Twentekanalen richting Overijssel en delen van Drenthe. Op die manier wordt een deel van Overijssel en Drenthe van oppervlaktewater voorzien. In het kader van dit waterakkoord is afgesproken dat de regionale verdringingsreeks voor de Twentekanalen wordt aangepast zodat deze aansluit bij andere zoetwaterregio’s, zoals Noord-Nederland. Een verdringingsreeks geeft aan hoe het oppervlaktewater wordt verdeeld in tijden van watertekort en is van toepassing voor alle gebieden waar rijkswater kan worden aangevoerd. De regionale verdringingsreeks is geactualiseerd op basis van de inventarisatie van de watervraag voor alle functies, waaronder kwetsbare natuur en zettingsgevoelige gebieden. Met de actualisatie zijn de verschillen tussen de twee regionale verdringingsreeksen nagenoeg opgeheven. Dit vergroot de eenduidigheid voor waterbeheerders en gebruikers in beide gebieden.
De enige uitzondering is dat in de verdringingsreeks voor het Twentekanalengebied een watervraag is opgenomen voor doorspoeling van stedelijk water in geval van (de kans op) acuut risico voor de volksgezondheid. Deze watervraag is in de verdringingsreeks voor Noord-Nederland niet nader gespecificeerd. Basis van deze aanpassing is het Waterakkoord Twentekanalen-Overijsselse Vecht 2025.
Strekking aanpassing: Het huidige artikel 5.22 (regionale verdringingsreeks onttrekking Twentekanalen/Overijsselse vecht) wordt vervangen door een nieuw artikel 5.22 (regionale verdringingsreeks onttrekking Twentekanalen/Overijsselse Vecht): Tekstvoorstel: Afdeling 5.2 REGIONALE VERDRINGINGSREEKS Paragraaf 5.2.1 Rangorde van waterschaarste regionale wateren Artikel 5.21 (regionale verdringingsreeks onttrekking IJsselmeergebied) 1. In geval van watertekort of dreigend watertekort, wordt voor de verdeling van het beschikbare water over de in artikel 3.14, vierde lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving, bedoelde behoeften bij het beheer van de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan: a. gebruik als industrieel proceswater; b. tijdelijke beregening van kapitaal-intensieve gewassen.
71
2.
In geval van watertekort of dreigend watertekort, wordt voor de verdeling het beschikbare water over de in artikel 3.14, vijfde lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving, bedoelde behoeften bij het beheer van de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan: a. peilhandhaving; b. doospoelen en onttrekking voor beregening van akkerbouw; c. beregening van gras/mais; d. doorspoelen; e. overige belangen. Artikel 5.22 (regionale verdringingsreeks onttrekking Twentekanalen/Overijsselse vecht) 1. In geval van watertekort of dreigend watertekort, wordt voor de verdeling van het beschikbare water over de in artikel 3.14, vierde lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving bedoelde behoeften bij het beheer van de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan: a. onttrekking voor proceswater; b. doorspoeling ter bestrijding van verzilting of verontreiniging van oppervlaktewater waaruit proces- of gietwater onttrokken wordt; c. beregening van kapitaalintensieve gewassen. 2. In geval van watertekort of dreigend watertekort, wordt voor de verdeling het beschikbare water over de in artikel 3.14, vijfde lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving bedoelde behoeften bij het beheer van de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan: a. doorspoelen in geval van (de kans op) acuut risico voor de volksgezondheid; b. scheepvaart; c.
peilhandhaving en beregening voor akkerbouw; d. beregening gras/maïs; e. peilhandhaving en doorspoeling van niet kwetsbare natuur; f. doorspoeling voor aquatische ecologie (KRW).
Artikel 5.22 (regionale verdringingsreeks onttrekking Twentekanalen/Overijsselse Vecht) 1. In geval van watertekort of dreigend watertekort, wordt voor de verdeling van het beschikbare water over de in artikel 3.14, vierde lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving, bedoelde behoeften bij het beheer van de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan: a. gebruik als industrieel proceswater; b. tijdelijke beregening van kapitaal-intensieve gewassen. 2. In geval van watertekort of dreigend watertekort, wordt voor de verdeling het beschikbare water over de in artikel 3.14, vijfde lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving, bedoelde behoeften bij het beheer van de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan: a. doorspoelen in geval van (de kans op) acuut risico voor de volksgezondheid b. peilhandhaving; c. doospoelen en onttrekking voor beregening van akkerbouw; d. beregening van gras/mais; e. doorspoelen; f. overige belangen. Aanpassing toelichting: Afdeling 5.2 REGIONALE VERDRINGINGSREEKS In artikel 2.42 lid 2 van de Omgevingswet en artikel 3.14 Besluit kwaliteit leefomgeving is bepaald dat bij provinciale verordening voor de regionale wateren de rangorde kan worden bepaald van de maatschappelijke en ecologische behoeften bij watertekorten.
72
In de Artikel 5.21 en Artikel 5.22 is voor respectievelijk het IJsselmeergebied en het Twentekanalen/ Overijsselse Vechtsysteem van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Van watertekort is sprake als de vraag naar water groter is dan het aanbod via wateraanvoer van buiten het watersysteem. Het beheer van het regionale watersysteem is er, onder andere, op gericht alle watervragers zoveel mogelijk van het benodigde water te voorzien. In tijden van watertekort is dit echter niet meer mogelijk. De gevolgen voor waterverbruikers kunnen aanzienlijk zijn. De regionale verdringingsreeks biedt helderheid over welke behoefte in een situatie van watertekort voorgaat boven de anderen en draagt bij aan een slagvaardig en eenduidig optreden van de waterbeheerder in situaties van watertekorten. We volgen hiervoor de landelijke verdringingsreeks. Voor de onttrekkingen in het IJsselmeergebied en het Twentekanalen / Overijsselse Vechtsysteem is het echter noodzakelijk om een aparte verdringingsreeksen in deze verordening op te nemen. Daarbij wordt in de verdringingsreeks voor het Twentekanalengebied een watervraag is opgenomen voor doorspoeling van stedelijk water in geval van (de kans op) acuut risico voor de volksgezondheid. Deze watervraag is in de verdringingsreeks voor Noord-Nederland niet nader gespecificeerd.
Deze uitzondering is aanleiding om de verdringingsreeks voor Twentekanalen/Overijsselse Vecht in een apart artikel te regelen (artikel 5.22 (regionale verdringingsreeks onttrekking Twentekanalen/Overijsselse Vecht). Artikel 2.42 van de Omgevingswet legt de landelijke verdringingsreeks vast. De landelijke verdringingsreeks bepaalt hoe het beschikbare water in de door het Rijk beheerde wateren wordt verdeeld in tijden van watertekort. De reeks is van toepassing in alle rijkswateren. Daarnaast is er een groot aantal gebieden waar het oppervlaktewater niet door het Rijk beheerd wordt. In de landelijke verdringingsreeks zijn de 'watergebruikers' ingedeeld in 4 categorieën. De categorieën 1 (veiligheid en voorkomen onomkeerbare schade aan waterkeringen, onomkeerbare klink en zetting en onomkeerbare schade aan natuur) en 2 (drinkwatervoorziening en energievoorziening) en de prioriteitsvolgorde daarbinnen zijn door het Rijk vastgesteld. Er is geen ruimte voor regionale invulling. Binnen de categorieën 3 en 4 is er wel ruimte voor een regionale prioritering op basis van minimalisatie van de economische en maatschappelijke schade. Op 16 februari 2022 heeft de provincie Overijssel de Bestuursovereenkomst Waterverdeling regio IJsselmeergebied ondertekend.
In deze bestuursovereenkomst is afgesproken dat de provincies Groningen, Drenthe, Friesland, Flevoland, Noord-Holland en Overijssel een uniforme verdringingsreeks zullen hanteren. Daardoor wordt verzekerd dat tijdens een (dreigend) watertekort op eenduidige wijze afspraken gelden en communicatie over de waterverdeling volgens de laatste inzichten plaatsvindt. In de Bestuursovereenkomst is de volgende verdringingsreeks afgesproken voor de categorieën 3 en 4:
Categorie 1
Categorie 2
Categorie 3
Categorie 4
het waarborgen van de veiligheid tegen overstroming en het voorkomen van onomkeerbare schade
nutsvoorzieningen
kleinschalig hoogwaardig gebruik
overige belangen (economische afweging, ook voor natuur)
73
Subcategorieën van 1 1.1 de stabiliteit van waterkeringen
1.2 het voorkomen van klink en zettingen
Subcategorieën van 2 2.1 drinkwatervoorzien ing (leveringszekerheid ) 2.2 energievoorziening (leveringszekerheid )
Subcategorieën van 3 3.1 gebruik industrieel proceswater
Subcategorieën van 4
3.2 Tijdelijke beregening kapitaalintensieve gewassen
4.2 doorspoelen en onttrekking voor beregening van akkerbouw 4.3 beregening van gras/maïs
1.3 natuur, voorzover het gaat om het voorkomen van onomkeerbare schade
4.1 peilhandhaving
4.4 doorspoelen 4.5 overige belangen gaat voor 2 ->
gaat voor 3 ->
gaat voor 4 ->
Deze aanpassingen in de rangorde van functies bij de verdeling van water in geval van schaarste zijn vertaald in de tekst van artikel 5.21 van de Omgevingsverordening Overijssel 2024 over de verdringingsreeks IJsselmeer. Gedeputeerde Staten hebben op 28 januari 2025 ingestemd met het geactualiseerde Waterakkoord Twentekanalen-Overijsselse Vecht. Het waterakkoord Twentekanalen-Overijsselse Vecht 2025 bevat afspraken tussen Rijkswaterstaat, provincies Overijssel en Drenthe en waterschappen Vechtstromen, Drents Overijsselse Delta en Rijn en IJssel over de wateraanvoer vanuit de IJssel, via sluis Eefde en de Twentekanalen richting Overijssel en delen van Drenthe. Op die manier wordt een deel van Overijssel en Drenthe van oppervlaktewater voorzien. In het geactualiseerde Waterakkoord Twentekanalen/Overijsselse Vecht is afgesproken dat de regionale verdringingsreeks van de Twentekanalen zodanig wordt geformuleerd dat deze aansluit bij andere zoetwaterregio’s, zoals Noord-Nederland. In de geactualiseerde regionale verdringingsreeks valt de watervraag voor ‘tijdelijke beregening kapitaalintensieve gewassen’ onder categorie 3 van de regionale verdringingsreeks. Voorbeelden van dit type gewassen zijn o.a. bomenteelt, bloembollen- en bloementeelt.
Dit betekent dat de watervraag van deze gewassen een hogere prioriteit kan krijgen bij watertekorten ten opzichte van de watervraag van functies in categorie 4 (zoals bijvoorbeeld grasland en akkerbouw, scheepvaart, niet-kwetsbare natuur, doorspoeling stedelijk gebied). Dit houdt concreet in dat - om economische en maatschappelijke schade van droogte bij kapitaalintensieve gewassen te kunnen verminderen - in categorie 3 van de regionale verdringingsreeks een reservering is opgenomen. Deze reservering mag iedere waterbeheerder inzetten onder een aantal voorwaarden, onder andere wat betreft de maximale watervraag voor deze gewassen. In de praktijk zal de watervraag voor dit soort gewassen in Twente en zuid-Drenthe zeer beperkt zijn. De hoeveelheid kapitaalintensieve gewassen in dit deel van het land is namelijk beduidend kleiner is dan die in Noord-Nederland.
74
Aanpassing Omgevingsverordening -aanvulling toelichting paragraaf 4.11.2 windenergie Waarom? Op basis van de Elektriciteitswet zijn Gedeputeerde Staten in ieder geval bevoegd gezag voor de vergunningverlening van windparken met een capaciteit tussen 5 en 100 MW. In de nieuwe Energiewet die op 1 januari 2026 in werking treedt wordt de ondergrens opgehoogd. Reden daarvoor is dat de nieuwe type windturbines een groter vermogen hebben dan oudere types en de gemeente daardoor nooit meer bevoegd gezag zou kunnen zijn voor een klein windpark. In de Energiewet wordt geregeld dat Gedeputeerde Staten in ieder geval bevoegd gezag zijn voor windparken van 15 tot 100 MW. Dat wil niet zeggen dat de provincie niets meer mag zeggen over kleinere windparken. Wel moet dan - gelet op het subsidiariteitsbeginsel in de Omgevingswet – gemotiveerd worden dat er sprake is van provinciaal belang en dat het doeltre end en doelmatig is dat de provincie daarop stuurt. Inmiddels zijn programmeringsafspraken gemaakt die terug te vinden zijn in sectie 3.2 van het Provinciaal Programma Energiestrategie. Strekking aanpassing: De toelichting op paragraaf 4.11.2 wordt aangevuld met tekst waarin wordt ingegaan op de nieuwe Energiewet. Ook wordt gemotiveerd waarom het noodzakelijk is dat de provincie ook onder de Energiewet kan sturen op kleinere windparken.
In de toelichting op artikel 4.108c (programmeringsafspraken windenergie) maken we duidelijk dat de geldende progammeringsafspraken te vinden zijn in het Provinciaal Programma Energiestrategie (PPE).
Tekstvoorstel: Paragraaf 4.11.2 Windenergie Provinciaal belang In de Omgevingsvisie is de provinciale ambitie vastgelegd van een betrouwbare, duurzame en betaalbare energievoorziening met beperking van uitstoot van broeikasgassen. Daarbij zet de provincie in op een transitie waarin aan de ene kant bespaard wordt op energie door het terugdringen van het energieverbruik en het e iciënter gebruik van energie. Aan de andere kant zal er in de opwekking van energie een omslag gemaakt moeten worden van afhankelijkheid van fossiele brandsto en naar het steeds verder vergroten van het aandeel hernieuwbare energie in de energievoorziening (energie uit bronnen als de zon, wind, biomassa en ondergrond). Overijssel wil bijdragen aan een klimaatneutraal Nederland in 2050. In West-Overijssel is in de Regionale Energie Strategie (RES) de ambitie geformuleerd om 1,794 TWh aan duurzame energie op te wekken in 2030. Het RES-gebied Twente heeft als ambitie om 1,5 TWh duurzame elektriciteit duurzaam op te wekken in 2030. Om die ambitie te kunnen realiseren (3,3 TWh duurzame energie in 2030, waarvan 2 TWh
75
duurzame energie door wind op land) zal er ruimte gemaakt moeten worden voor wind- en zonne-energie, naast de inzet op energiebesparing en het verbeteren van systeeme iciëntie. Bij het vergroten van het aandeel hernieuwbare energie geldt voor windenergie dat de provincie in ieder geval de bestuurlijke afspraken met het Rijk over het realiseren van windenergie op land wil nakomen. Op grond van artikel 6.2 van de nieuwe Energiewet is de provincie in ieder geval bevoegd gezag voor de aanleg of uitbreiding windparken met een capaciteit van ten minste 15 MW maar minder dan 100 MW, met inbegrip van de aansluiting van dat windpark op een systeem. De ondergrens voor windparken waarvoor de provincie in ieder geval bevoegd is wordt daarmee ten opzichte van wat in de Elektriciteitswet was geregeld opgehoogd. Reden daarvoor is dat nieuwe types windturbines inmiddels een groter vermogen hebben dan oudere types. Voor windparken met een capaciteit van minder dan 15 MW geldt dat de provincie daarvoor ook het bevoegd gezag kan zijn als wordt voldaan aan het subsidiariteitsbeginsel (artikel 2.3 Omgevingswet). In dat kader merken we op dat het realiseren van het windbeleid zoals vastgelegd in de Omgevingsvisie en uitgewerkt in het Provinciaal Programma Energiestrategie (PPE), van provinciaal belang is.
Voor de ambities die daarin zijn benoemd en de evenwichtige spreiding van de opwek van windenergie over de provincie, is het nodig dat de provincie op basis van de programmeringsafspraken en de daaraan gekoppelde verdeling van schaarse rechten kan sturen op de tijdige realisatie van windturbines op geschikte plekken in de provincie. Als gemeenten conform de programmeringsafspraken en op basis van dezelfde criteria als de provincie hanteert voor de verdeling van schaarse rechten, medewerking verlenen aan windturbineparken van minder dan 15 MW, dan is er voor de provincie geen aanleiding om gebruik te maken van de ruimte die artikel 2.3 Omgevingswet biedt om daarvoor provinciale bevoegdheden in te zetten. In die gevallen is het doelmatiger en doeltre ender dat de gemeente daarvoor vergunning verleend. In het Provinciaal Programma Energiestrategie staat omschreven hoe wij gebruik maken van de ruimte van artikel 2.3 Omgevingswet om provinciale bevoegdheden in te zetten voor windparken met een capaciteit van minder van 15 MW. … Artikel 4.108c (programmeringsafspraken windenergie) We gaan maken programmeringsafspraken maken met gemeenten waarin we vastleggen hoeveel windturbines er per gemeente gerealiseerd gaan worden om te voldoen aan de afspraken die gemaakt zijn in het kader van de Regionale Energiestrategie.
Daarmee zorgen we voor een evenwichtige spreiding van de opgave voor windenergie over de provincie Doel daarvan is de openheid en kwaliteit van het landschap te waarborgen. In het Provinciaal Programma Energiestrategie is vastgelegd hoe Hoe we de programmeringsafspraken gaan maken en welke inhoud de afspraken hebben. krijgen, werken we verder uit in het Provinciaal Programma Energiestrategie. De geldende programmeringsafspraken staan in sectie 3.2 van het Provinciaal Programma Energiestrategie.
76
Aanpassing Omgevingsverordening – onderdeel aanpassing kaart overstroombaar gebied Waarom? Op de kaart met overstroombare gebieden staan nog enkele gebieden waarvoor het waterschap in 2018 na het afwaarderen van enkele regionale keringen verantwoordelijk is geworden voor de normering van de waterkeringen. Basis voor de aanpassing is het GS-besluit 15 april 2025, kenmerk 2025-003597. Strekking van de aanpassing We passen de kaart met overstroombare gebieden aan. De binnendijkse gebieden langs de Bovenstroomse Vecht en het Kanaal Almelo-De Haandrik worden van de kaart gehaald. Aanpassing kaart: De binnendijkse gebieden langs de Bovenstroomse Vecht en het Kanaal Almelo-De Haandrik worden van de kaart gehaald.
77
Aanpassing Omgevingsverordening – onderdeel artikel 3.132 (aanvulling vergunningsplichtige ontgrondingsactiviteiten) Waarom? In de Omgevingsverordening vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet waren functionele ontgrondingen in opdracht van Rijkswaterstaat en provincie vrijgesteld. Met de omzetting van de Omgevingsverordening is dit niet correct overgenomen. Strekking aanpassing In de toelichting op artikel 3.132 (aanvulling vergunningsplichtige ontgrondingsactiviteiten) staat: “Het opruimen van waterkeringen wordt aangewezen als een vergunningplichtige activiteit omdat er vaak cultuurhistorische en landschappelijke waarden bij betrokken zijn die om in concrete afweging vragen”. Uit artikel 3.133 lid 1 onder b blijkt duidelijk dat het de bedoelding is dat het aanleggen, verhogen, verzwaren of onderhouden van waterkeringen is vrijgesteld van de vergunningplicht. Aanpassing artikel 3.132 (aanvulling vergunningsplichtige ontgrondingsactiviteiten) Door het schrappen van de zinsnede ‘aanleggen, onderhouden, wijzigen of’ wordt de tekst van artikel 3.132 onder b wordt de tekst weer kloppend gemaakt. Onder b komt dan te staan: ‘het opruimen van rijkswaterstaatswerken en werken door of op last van de provincie Overijssel’.
Tekstvoorstel: Artikel 3.132 (aanvulling vergunningsplichtige ontgrondingsactiviteiten) Het verbod in artikel 5.1 van de Omgevingswet om zonder omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten bedoeld, geldt in afwijking van artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving ook voor de volgende activiteiten: a. het aanleggen, onderhouden, wijzigen of opruimen van een werk door of in opdracht van gemeenten of waterschappen, met inbegrip van de aanleg van waterpartijen als meer dan 10.000 m3 vaste sto en uit één of meer waterpartijen wordt ontgraven en waarbij dieper wordt gegraven dan 3 meter beneden het oorspronkelijke niveau; b. het aanleggen, onderhouden, wijzigen of opruimen van rijkswaterstaatswerken en werken door of op last van de provincie Overijssel; c. het aanleggen, onderhouden of veranderen van een oppervlaktewaterlichaam, bedoeld in art 16.7, onderdeel j, onder 2 van het Besluit activiteiten leefomgeving als: 1) het oppervlaktewaterlichaam een bodembreedte van niet meer dan 5 m; en 2) grondlagen dieper dan 3 m onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven; d. het ontgronden voor een waterput, reservoir bassin, vijver, poel of daarmee vergelijkbare voorziening zoals bedoeld in artikel 16.7, onderdeel a, onder 2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, als er meer dan 500 m3 vaste stof wordt ontgraven; e.
het aanleggen of wijzigen van gronddepots zoals bedoeld in art 16.7, onderdeel k onder 1, van het Besluit activiteiten leefomgeving, als de grond meer dan 5 jaar voor de voorgenomen ontgrondingsactiviteit is neergelegd.
78
Aanpassing Omgevingsverordening – onderdeel indieningsvereisten meldingen ontgrondingen Waarom? In de Omgevingsverordening die gold tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet, was geregeld dat in alle gevallen waar bij een vrijgestelde ontgronding méér dan 10.000 m³ grondspecie werd ontgraven, dit bij de provincie moest worden gemeld (artikel 3.3.2.2, lid 1). Hierbij werd verwezen naar het e-formulier dat op de provinciale website ter beschikking werd gesteld (Melding van vergunning vrijgestelde ontgronding). Door indieningseisen op te nemen in dit formulier kunnen we controleren of de initiatiefnemer terecht geconstateerd heeft dat er een vrijstelling geldt voor de betre ende activiteit en geen vergunningplicht. Strekking aanpassing Artikel 3.134 van de huidige Omgevingsverordening regelt het gebruik van het elektronische formulier dat op de datum van indiening van de aanvraag beschikbaar is via de landelijke voorziening. Met de toevoeging van het derde lid aan artikel 3.134 worden weer dezelfde indieningsvereisten aan de melding verbonden zoals die ook golden tot in werking treden van de Omgevingswet. Door specifieke eisen aan het indienen van de melding te stellen, kan beoordeeld worden of de melding op de juiste gronden is ingediend.
Tekstvoorstel: Aan artikel 3.134 (meldingsplicht vrijgestelde ontgrondingsactiviteiten) wordt een derde lid toegevoegd: Artikel 3.134 (meldingsplicht vrijgestelde ontgrondingsactiviteiten) 1. Het is verboden om zonder voorafgaande melding een ontgrondingsactiviteit bedoeld in artikel 16.7 en artikel 16.8 van het Besluit activiteiten leefomgeving en als bedoeld in het artikel 3.133 van deze verordening, te verrichten als daarbij meer dan 10.000 m3 wordt ontgraven. 2. De melding wordt uiterlijk twee weken voor het begin van de ontgrondingsactiviteit langs elektronische weg bij Gedeputeerde Staten gedaan met gebruikmaking van het elektronische formulier dat op de datum van indiening van de aanvraag beschikbaar is via de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 20.21 van de Omgevingswet. 3. Bij een melding van een, van vergunning vrijgestelde, ontgrondingsactiviteit, als bedoeld in art 3.134 lid 1, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. Een gewaarmerkte tekening met kadastrale aanduiding, waarop de ligging van het te ontgronden terrein is aangegeven. b. Een situatiekaart waarop de ligging van het te ontgronden terrein is aangegeven (schaal 1:10.000 of 1:25.000). Ook moet u op deze situatiekaart de locatie van een eventueel aan te leggen depot aangeven. c. Een exemplaar van de betrokken bestektekening inclusief dwarsprofielen. d.
Een plankaart bestemmingsplan (indien van toepassing). e. Een MER of notitie mer-beoordeling f. Een ondertekende machtiging als u dit formulier invult als gemachtigde. g. Straatnaam en huisnummer, postcode en plaats h. Kadastrale gegevens i. Begindatum en einddatum uitvoering werk
79
j.
Maximale diepte ontgronding beneden de oorspronkelijke ligging van de (water) bodem (m) k. Oppervlakte die ten hoogste wordt ontgrond (m2) l. Totale hoeveelheid te ontgraven grondspecie (vast - m3 gemeten in profiel) m. Totaal af te voeren hoeveelheid (vast - m3 gemeten in profiel) n. Omschrijving van het werk (vooral de doelstelling van het werk) o. Welke soorten oppervlaktedelfsto en komen vrij uit het werk en worden afgevoerd (gemeten in profiel)? (selecteer het aantal) p. Verwacht u dat alle hierboven aangegeven oppervlaktedelfsto en in het lopende kalenderjaar op de markt komen?
80
Aanpassing Omgevingsverordening – onderdeel correctie instructieregel bodemsaneringen in grondwaterbeschermingsgebieden Waarom? Er staat een verkeerde verwijzing in artikel 4.116 (toepassingsbereik paragraaf aanpak bodemverontreiniging). Strekking van de aanpassing: De verwijzing in artikel 4.116 (toepassingsbereik paragraaf aanpak bodemverontreiniging) naar paragraaf 5.1.4.5.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), wordt gewijzigd in een verwijzing naar paragraaf 5.1.4.5.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Tekstvoorstel: Artikel 4.116 (toepassingsbereik paragraaf aanpak bodemverontreiniging) 1. Deze paragraaf geeft instructieregels voor gemeenten over activiteiten met mogelijke risico's voor de kwaliteit van het grondwater en in het bijzonder voor de kwaliteit van het grondwater in of nabij waterwingebieden en grondwaterbeschermingszones, zoals: a. graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, als bedoeld in paragraaf 4.120 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. saneren van de bodem, als bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, als bedoeld in paragraaf 5.1.4.5.1 van het Besluit activiteiten kwaliteit leefomgeving. 2. Deze instructieregels zijn alleen van toepassing voor activiteiten waarvoor op grond van artikel 5.2.2.
van het Besluit activiteiten leefomgeving een voorafgaand bodemonderzoek moet worden verricht.
81