CConstaterende datRaalte
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage III - Actualisatie 2026 Omgevingsverordening (2)

Informatievoorziening raad 19 maart 2026, gemeente RaalteBij agendapunt: Ontwerp Omgevingsvisie- en verordening provincie Overijssel29.575 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Een omgevingsplan kan in afwijking van het eerste lid bij transformatie van (agrarische) bouwpercelen voorzien in nieuwe functies die beperkingen opleveren voor het gebruik van landbouwgronden in de omgeving van dat bouwperceel; a) als in dat gebied door de aanwezigheid van andere functies feitelijk geen ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw zijn; of b) als op basis van een samenhangende gebiedsvisie is aangetoond dat door de transformatie van het (agrarische) bouwperceel de ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw in het omliggende gebied per saldo verbeteren; TOELICHTING Afdeling 4.15 ONTWIKKELINGSPERSPECTIEVEN LANDBOUWGEBIEDEN

24

De Groene Omgeving bestaat voor een heel groot deel uit agrarische landschappen met ieder hun unieke kenmerken. Het agrarische landschap is hiermee beeldbepalend in onze provincie. De innovatieve agrarische sector is en blijft belangrijk voor onze provincie. Wij hebben de agrarische ondernemers nodig voor ons voedsel en andere landbouwproducten, de regionale economie en als belangrijke beheerders van het landschap. Daarnaast zijn ze een sociale drager op het gebied van leefbaarheid en sociale kwaliteit. In de nieuwe Omgevingsvisie onderscheiden we landbouwgebieden met generieke opgaven en kansen en landbouwgebieden met gebiedsspecifieke opgaven en kansen voor water, klimaat en natuur. Deze indeling is gebaseerd op de lokale omstandigheden, zoals het water- en bodemsysteem, de aanwezigheid van drinkwaterwinningen of Natura 2000 gebieden. Door rekening te houden met deze omstandigheden, kan de landbouw beter inspelen op de plaatselijke kansen en opgaven. Door onderscheid te maken tussen ‘landbouwgebieden met generieke opgaven en kansen’ en ‘landbouwgebieden met gebiedsspecifieke opgaven en kansen voor klimaat, water en natuur’ bieden we duidelijkheid over ontwikkelingsrichtingen voor de landbouw. We zoeken daarbij naar een passende balans tussen de landbouw met voldoende verdienvermogen en de draagkracht van de fysieke leefomgeving.

In gebiedsprocessen werken we dit in nauw overleg samen met de gebiedspartners en grondeigenaren uit. In de landbouwgebieden Landbouwgebieden met generieke opgaven en kansen zetten we in op het beschermen van de ruimte voor de landbouw. Deze landbouwgebieden zijn vanuit de aanwezige omgevingscondities bijzonder geschikt zijn voor landbouw. Met name in deze gebieden zetten we in op bescherming van ruimte voor landbouw. Dat betekent dat we het zuinig omgaan met deze landbouwgronden en de landbouw een nadrukkelijke plek geven bij planologische afwegingen. Daarom laten we bij transitie van (agrarische) bouwpercelen uitsluitend nieuwe functies toe die de ontwikkeling van de landbouw in de omgeving van het bouwperceel niet in de weg zitten. De bepaling in artikel 4.124 lid 1 kan te rigide uitpakken bij gebiedsontwikkelingen waarbij per saldo sprake is van verbetering van de situatie voor de landbouw. Daarom bieden we gemeenten in artikel 4.124 lid 4 in bepaalde situaties de mogelijkheid om toch nieuwe functies toe te staan die beperkingen opleveren voor het gebruik van landbouwgronden in de omgeving van het bouwperceel dat getransformeerd wordt. In artikel 4.124 lid 4 onder a gaat over de situatie waar in een gebied feitelijk geen ontwikkelingsmogelijkheden zijn voor de landbouw.

Binnen landbouwgebieden met generieke opgaven en kansen liggen gebieden waar in de loop van de tijd allerlei niet-agrarische functies een plek hebben gevonden. Deze functies kunnen zodanige beperkingen opleveren voor de omgeving dat geconstateerd moet worden dat er in de praktijk geen ruimte meer is om nieuwe agrarische bedrijven te vestigen of bestaande agrarische bedrijven door te ontwikkelingen. Dat er feitelijk geen ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw zijn in het deelgebied, zal de gemeente bij de toepassing van deze afwijkingsmogelijkheid moeten onderbouwen. Daarvoor kan gebruik worden gemaakt van een gemeentelijke gebiedsvisie of een programma als daaraan een degelijke analyse van de ontwikkelingsmogelijkheden aan ten grondslag ligt. In artikel 4.124 lid 4 onder b gaat het om de situatie waarin de nieuwe functies beperkingen opleggen aan de gebruiksmogelijkheden van landbouwgronden in de directe omgeving, maar deze gronden nog wel beschikbaar blijven voor de landbouw. Gedacht kan worden aan spuitvrijezones die aangehouden moeten worden voor nieuwe woonfuncties. Deze afwijkingsmogelijkheid biedt ook ruimte aan transformatieplannen waarbij de rood-voor-roodwoningen niet op de locatie zelf worden gerealiseerd,

25

maar elders in het gebied, in de omgeving van een kern. Voor die gevallen bieden we de ruimte om ook binnen landbouwgebieden met generieke opgaven en kansen mee te werken aan transformatieplannen die beperkingen opleveren voor het gebruik van gronden die bij de landbouw in gebruik zijn, onder de voorwaarde dat met een samenhangende gebiedsvisie wordt aangetoond dat per saldo de ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouwgebieden verbeteren. In de landbouwgebieden met gebiedsspecifieke opgaven en kansen voor water, klimaat en natuur zien we naast voedselproductie de productie van voedsel en andere landbouwproducten, ook kansen voor maatschappelijke diensten waarmee ook bijgedragen wordt aan de opgaven op het gebied van natuur, water en klimaat. We denken daarbij aan combinaties met andere functies zoals bijvoorbeeld recreatie en zorg voor het verbreden van het bedrijfsmodel. Bij de transitie van (agrarische) bouwpercelen in de landbouwgebieden met gebiedsspecifieke opgaven en kansen voor water, klimaat en natuur bieden we ruimte voor nieuwe functies voor andere maatschappelijke diensten dan voedselproductie de productie van voedsel en andere landbouwproducten.

We stellen daarbij , onder dan wel onder de voorwaarde dat de extra investeringen die vereist zijn op grond van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (artikel 4.11) worden ingezet voor een bijdrage aan de opgaven in de omgeving voor klimaat, natuur en water. Die voorwaarde wordt ook gesteld op het moment dat met toepassing van de Kwaliteitsimpuls Agro & Food (artikel 4.41) in dit gebied een agrarisch bouwperceel grootschalig wordt aangepast of uitgebreid als dit nodig is voor de bedrijfsontwikkeling van een agrarisch bedrijf. Bijvoorbeeld als er extra ruimte nodig is voor verbreding van de bedrijfsvoering of voor een omschakeling naar duurzame landbouw.

26

Water en bodem sturend – aanpassing artikel 4.13 (klimaatrobuust water- en bodemsysteem) Waarom ? Door een kleine aanpassing in de bestaande instructieregel water en bodem sturend wordt de verplichting om te onderbouwen dat de ontwikkeling bijdraagt aan het versterken van het regionale perspectief water en bodem dat voor dat gebied geldt, ook van toepassing op stedelijke gebieden. In de toelichting op de instructieregel komt een tekst te staan over het belang van tijdige afstemming met het waterschap vanwege de kennis en ervaring die daar is met het water- en bodemsysteem. Strekking aanpassing: De verplichting om bij nieuwe ontwikkelingen een onderbouwing te leveren op basis van regionale perspectieven water en bodem wordt uitgebreid tot het bestaand bebouwd gebied. Om in de verordening de koppeling te leggen met de kaart waarop de verschillende regionale perspectieven water en bodem sturend staan, wordt een nieuw lid 3 toegevoegd waarin dit wordt geregeld. In de toelichting wordt duidelijk gemaakt welke opgaven er zijn in bestaand bebouwd gebied en wat moet gebeuren om in die gebieden invulling te geven aan het principe water en bodem sturend. De toelichting wordt aangevuld met de oproep om vooral het waterschap vroegtijdig te betrekken bij de locatiekeuzes vanwege hun kennis en ervaring met het water- en bodemsysteem.

Verder wordt de tekst van de toelichting op een aantal punten verduidelijkt. Tekstwijzigingen: Afdeling 4.4 STUREN OP WATER EN BODEM Artikel 4.13 (klimaatrobuust water- en bodemsysteem) 1. In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt als onderbouwd is dat deze ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en het versterken van een klimaatrobuust water- en bodemsysteem. 2. In de onderbouwing bedoeld in het eerste lid wordt bij een ontwikkeling in het landelijk gebied in ieder geval duidelijk gemaakt hoe de ontwikkeling bijdraagt aan het regionaal perspectief water en bodem dat op die locatie van toepassing is. 3. Voor de toepassing van lid 2 worden de volgende gebieden aangewezen als regionaal perspectief water en bodem: a. zandgronden; b. IJssel, Vecht en Delta; c. veenweidegebieden; d. bebouwd gebied.

27

Toelichting Artikel 4.13 (klimaatrobuust water- en bodemsysteem) Provinciale ambitie De ambitie van de provincie is dat regionale watersystemen klimaatbestendig en veilig zijn, voldoende en goed (drink) water bieden voor verschillende functies en waarbinnen het grond- en oppervlaktewater van goede ecologische en chemische kwaliteit is. Ook zet de provincie in op het behoud en herstel van bodemkwaliteit, zodat ook het bodemsysteem de veranderingen kan opvangen die optreden door de opwarming van de aarde en verandering van het klimaat. Een klimaatrobuust water- en bodemsysteem is een veerkrachtig, regionaal systeem van grondwater, oppervlaktewater en bodem dat gebruiksfuncties in staat stelt om beter mee te bewegen met de e ecten van klimaatverandering. Daarin zijn de seizoense ecten van droogte en natte perioden meer in balans, houden gebruiksfuncties rekening met natuurlijke omstandigheden zoals reliëf en bodemopbouw en is er ruimte om extreme weersomstandigheden op te vangen. In plaats van het water- en bodemsysteem met technische ingrepen steeds weer aan te passen aan de functiewensen en e ecten van klimaatverandering, kiest de provincie voor het uitgangspunt dat het wateren bodemsysteem sturend is voor het landgebruik. Functies voegen zich daarbij naar het peil of waterbeschikbaarheid.

Een robuust water- en bodemsysteem is essentieel voor het toekomstige functioneren van stad en land. Behoud en 221 herstel is nodig om te anticiperen op e ecten van klimaatverandering en is een essentiële voorwaarde en een kans voor versterking van natuur, landbouw, waterkwaliteit en beperking van broeikasgasemissies. Onderzoeksverplichting Voor de leefbaarheid van Overijssel in de toekomst is het noodzakelijk dat het natuurlijke systeem - meer dan nu - leidend is voor ontwikkelingen. Daarom wil de provincie dat er bij nieuwe ontwikkelingen wordt onderzocht of die passen bij een klimaatrobuust water- en bodemsysteem. Vastgelegd moet worden hoe de ontwikkeling gaat bijdragen aan het behoud en het versterken van dat systeem. In de toelichting op het omgevingsplan wordt hiervoor een onderbouwing geleverd. Nieuwe ontwikkelingen zijn ontwikkelingen waarvoor het geldende omgevingsplan moet worden gewijzigd. Als een gebied geherstructureerd wordt, biedt dat de kans om de nieuwe ontwikkelingen in het bestaande bebouwde gebied zo vorm te geven dat die bijdragen aan een klimaatrobuust water- en bodemsysteem. Regionale perspectieven water en bodem Overijssel kent vier verschillende gebieden op basis van het aanwezige water- en bodemsysteem (zie kaart) met elk een eigen regionaal perspectief voor water en bodem voor de (middel)lange termijn (20302050).

Ontwikkelingen moeten bijdragen aan het regionaal perspectief water en bodem dat op die locatie van toepassing is. Zandgronden: op langere termijn speelt bij de zandgronden de onzekerheid dat wateraanvoer in gebieden waar dit nu nog mogelijk is, in de toekomst niet meer gegarandeerd is. Momenteel is er wateraanvoer vanuit de IJssel en het Twentekanalensysteem mogelijk in nabijgelegen gebieden. Dit gebeurt door gemalen, pompen en sluizen en dit is een technisch systeem. Echter, in de toekomst kan de situatie veranderen waarbij de mogelijkheden om water hoger in het systeem te krijgen onmogelijk worden. Dit is op dit moment nog niet aan de orde, maar sluiten we voor de middellange termijn niet uit.

28

Op hogere zandgronden zonder de mogelijkheid van externe wateraanvoer is het perspectief gericht op een vergroting van de watervoorraad in het voorjaar zodat grondwater langer beschikbaar blijft. Dit kan bereikt worden door een tragere waterafvoer, hogere grondwaterstanden en een vergrootte sponswerking van de bodem (water vasthouden). Daarnaast kunnen grotere beekdalen en overstromingsvlakten de piekbuien beter verwerken en vermindert wateroverlast lager in het systeem. Met deze maatregelen zal de concurrentie om water in het voorjaar en de zomer afnemen, omdat de grondwatervoorraad langer op peil blijft. Op zandgronden met de mogelijkheid voor wateraanvoer is het perspectief gericht op het opvangen van de gevolgen van extreme neerslag en tijdelijke tekorten. Het watersysteem kan piekbuien beter verwerken waardoor wateroverlast en hinder lager in het systeem beperkt blijft. Zorgvuldig beheer van de (grond)watervoorraad moet ervoor zorgen dat ook bij droogte voldoende water beschikbaar blijft voor de aanwezige functies. Bij het wegzakken van het (grond) waterpeil zal, zolang er voldoende oppervlakte water is, aanvulling plaats vinden vanuit de IJssel en het IJsselmeer. Dit gebiedsvreemde water is voor een aantal gebruiksfuncties van onvoldoende kwaliteit.

Omdat wateraanvoer van buiten het gebied steeds vaker niet mogelijk zal zijn, is het lange termijnperspectief gericht op het onafhankelijk worden van de aanvoer. De IJssel, Vecht en Delta: het perspectief voor de IJssel en Delta is een klimaatrobuust watersysteem met hoge ecologische kwaliteit dat extremen kan opvangen door (internationaal) integraal riviermanagement en hoogwaterbeschermingsmaatregelen. Het perspectief voor de Vecht is een klimaatrobuuste halfnatuurlijke laaglandrivier van hoge ecologische kwaliteit, voldoende afvoer jaarrond en afvlakking van extremen door integraal riviermanagement van bron tot monding. De Veenweidegebieden: hier is het perspectief gericht op het beperken van de bodemdaling en minimalisering van broeikasgasemissies. Dat kan door waterstanden te verhogen waarbij de gebruiksfunctie het peil volgt. Zo draagt dit perspectief ook bij aan klimaatadaptatie en -mitigatie. Wij zoeken in het gebiedsproces naar passende maatregelen waarbij oog is voor perspectief voor de landbouw, leefbaarheid van het platteland en het economische perspectief van het hele gebied. Bebouwd gebied: hier is het perspectief gericht op het niet verder vergroten van de opgave van klimaatadaptatie en daarnaast op het toepassen van klimaatadaptieve maatregelen en tegengaan van de klimaatopgave.

We vragen bij locatiekeuzes voor nieuwe verstedelijking rekening te houden met de bodem en de plek in het watersysteem en kwetsbare plekken te mijden. We willen voorkomen dat - als er op kwetsbare plekken gebouwd wordt - problemen in kosten, tijd en locatie worden afgewenteld. Voor bestaande bebouwing en infrastructuur vragen we gemeenten en initiatiefnemers om bij renovatie of herbouw van bestaande bebouwing en infrastructuur op kwetsbare plekken het ontwerp te heroverwegen. Samen met gemeenten en waterschappen, werken we de regionale perspectieven voor bodem en water verder uit en maken we inzichtelijk hoe deze perspectieven richting gaan geven aan ruimtelijke ontwikkelingen. Weging waterbelang Het is een wettelijke verplichting van de gemeente om het waterschap om advies te vragen voor de weging van het waterbelang (paragraaf 5.1.3 Besluit kwaliteit leefomgeving). We vinden het belangrijk dat gemeenten het waterschap zo vroeg mogelijk in het planproces betrekken bij nieuwe ontwikkelingen. Het waterschap beschikt over veel kennis van het regionale water- en bodemsysteem. Voor een goede afweging van alle betrokken belangen in het kader van evenwichtige toedeling van functies aan locaties, is een brede insteek van het waterbelang nodig.

Dat begint al bij de locatiekeuze, waar de vraag aan de orde gesteld moet worden of het gebied - gelet op het water- en bodemsysteem - geschikt is voor de beoogde

29

functie. Voor de provincie weegt het advies van het waterschap zwaar bij de beoordeling of is voldaan aan de instructieregel sturen op water en bodem.

30

Paragraaf 4.5.3 Werklocaties (bedrijventerreinen en kantorenlocaties) – nieuwe instructieregels HMCbedrijventerreinen en watergebonden bedrijvigheid Waarom? In de tekst van de nieuwe Omgevingsvisie staat dat we sturend willen zijn specifiek op behoud van HMC (hogere milieucategorie 3, 4 ,5) bedrijventerreinen en watergebonden kavels. Ook het rijk spreekt deze urgentie uit en zoekt naar adequaat beleid via de Ruimtelijk economische visie en de Nota Ruimte. Het besef bij rijk, provincies en gemeenten is met name gevoed door oproep van ondernemers, VNO-NCW, MKB-Nederland en de Ports van Twente, Deventer en Zwolle om als overheden hierop beleid in te richten. Met de bewoordingen in de visie van ‘sturing op HMC en watergebondenheid van kavels’ spreekt de provincie de ambitie uit, maar in de uitvoering moet het zijn beslag krijgen. In de programmeringsafspraken vangen we deze aspecten niet geheel op omdat die vooral gericht zijn op nieuw te ontwikkelen bedrijventerrein. Om te zorgen dat gemeenten deze sturing verankeren hun omgevingsplan worden in de Omgevingsverordening twee nieuwe instructieregels opgenomen. Daarmee wordt sturing gegeven op de ambities in de Omgevingsvisie voor bedrijventerreinen met hogere milieucategorieën en watergebonden bedrijventerreinen.

Strekking inhoud: De instructieregel voor bedrijventerreinen waar op grond van het geldende omgevingsplan activiteiten in milieucategorie 3, 4 en 5 zijn toegestaan, geeft aanwijzing aan gemeenten om de kwantitatieve milieugebruiksruimte die nu geregeld is, te behouden. Er komt bij deze instructieregel geen kaart: bepalend is wat er in het omgevingsplan nu al is geregeld voor zwaardere bedrijvigheid. Het eerste lid is vrij absoluut geformuleerd. De regeling is naar aanleiding van zienswijzen verduidelijkt. De verwijzing naar de nieuwe VNGhandreiking Activiteiten en milieuzonering bleek achteraf niet handig omdat die er juist op gericht is om ruimte te bieden aan nieuwe functies in de nabijheid van bedrijventerreinen door inperking van de milieugebruiksruimte. Daarom wordt verwezen naar de oude VNG-handreiking Bedrijven en milieuzonering om te definiëren voor welk type-bedrijventerrein de opdracht geldt om bestaande milieugebruiksruimte te handhaven. Om te voorkomen dat ook gewenste transities op of in de nabijheid van dit type bedrijventerreinen door het verbod op inperking van milieugebruiksruimte worden getro en, is in lid 4 de mogelijkheid om af te wijken ingebouwd.

Aan deze afwijkingsmogelijkheid wordt de voorwaarde verbonden dat het areaal aan bedrijventerreinen voor zwaardere milieuactiviteiten dat het areaal van dit type bedrijventerrein in de regio per saldo gelijk moet blijven. De instructieregel voor watergebonden bedrijventerreinen verplicht gemeenten om in hun omgevingsplan te regelen dat zich hier alleen watergebonden bedrijven kunnen vestigen. De bedrijventerreinen waarvoor deze instructieregel gaat gelden, worden in de Omgevingsverordening aangewezen en op kaart gezet. Deze instructieregel geldt niet alleen voor nieuw te ontwikkelen watergebonden bedrijventerreinen, maar ook voor bestaande bedrijventerreinen die ontwikkeld zijn voor watergebonden bedrijvigheid. Daar kunnen op dit moment bedrijven gevestigd zijn die niets doen met gebruik van of vervoer over water.

31

De opdracht aan de gemeente is om binnen de aangewezen gebieden niet-watergebonden bedrijven in het omgevingsplan ‘specifiek te bestemmen’. Wanneer deze zittende bedrijven op deze locatie stoppen, moeten hun opvolgers wel weer watergebonden zijn. Deze constructie moet ervoor zorgen dat aangewezen watergebonden bedrijventerreinen op termijn weer beschikbaar komt voor bedrijven die wel gebruik maken van het water of afhankelijk zijn van vervoer over water. Tekstwijzigingen: Artikel 4.26a (bedrijventerreinen en milieuzonering) 1. Omgevingsplannen die betrekking hebben op bedrijventerreinen waarop activiteiten zijn toegestaan met een hoge milieubelasting (in milieucategorie 3, 4 en 5 als bedoeld in de VNG-handreiking Activiteiten en milieuzonering), moeten blijven voorzien in regels voor deze locaties en voor de omgeving van deze locaties die gericht zijn op het handhaven van de bestaande milieugebruiksruimte voor bedrijfsactiviteiten die tot dan al geboden werd voor dat bedrijventerrein in deze milieucategorieën. 2. Omgevingsplannen laten in de omgeving van bedrijventerreinen waarop activiteiten zijn toegestaan met een hoge milieubelasting, geen nieuwe ontwikkelingen toe die een beperking kunnen opleveren van de geldende milieugebruiksruimte van deze bedrijventerreinen. 3.

Onder activiteiten met een hoge milieubelasting als bedoeld in lid 1 en 2 worden verstaan de milieubelastende activiteiten van bedrijven die volgens de VNG-handreiking Bedrijven en milieuzonering vallen in milieucategorie 3, 4 en/of 5. 4. In afwijking van het eerste en tweede lid kan een omgevingsplan nieuwe ontwikkelingen toelaten die de aanwezige geldende milieugebruiksruimte kunnen aantasten als die ontwikkelingen van groot openbaar en bovenlokaal belang zijn en mits aannemelijk gemaakt is dat daarvoor geen reële alternatieven zijn, mits verzekerd is dat het areaal van dit type bedrijventerrein in de regio per saldo gelijk blijft.

TOELICHTING Artikel 4.26a (bedrijventerreinen en milieuzonering) Provinciaal belang Voor een goed vestigingsklimaat is het van belang dat vraag en aanbod van bedrijventerreinen (nieuw en bestaand) in balans zijn. In Overijssel is staat het aanbod van bedrijventerrein waarop activiteiten met een hoge milieubelasting in de hogere milieucategorieën zijn toegestaan relatief beperkt. Dit aanbod staat onder druk door transformatie en herstructurering. Door het toevoegen van milieugevoelige functies op of in de nabijheid van bedrijventerrein waar tot dan activiteiten waren toegestaan in de hogere milieucategorieën, wordt de milieugebruiksruimte voor dit type bedrijvigheid steeds verder ingeperkt. De ontwikkeling van nieuw bedrijventerrein voor bedrijvigheid in de hogere milieucategorieën is een complexe opgave. Een vervangende locatie voor een bestaand bedrijventerrein dat ruimte biedt voor

32

bedrijfsactiviteiten met een hoge milieubelasting in de hogere milieucategorieën en dat getransformeerd wordt ten behoeve van andere stedelijke functies, is daardoor niet eenvoudig te realiseren. Het is daarom belangrijk om zuinig te zijn op bestaande bedrijventerreinen die in de behoefte kunnen voorzien aan locaties waar bedrijvigheid met een hoge milieubelasting hogere milieucategorieën zijn toegestaan. Een van de redenen waarom we sturen op behoud van bestaande bedrijventerreinen die ruimte bieden aan bedrijfsactiviteiten met een hoge milieubelasting met hogere milieucategorieën (3, 4 of 5) is dat we dit type bedrijventerrein nodig hebben voor de transitie naar een circulaire economie en de energietransitie. Onder bedrijfsactiviteiten met een hoge milieubelasting verstaan we de milieubelastende activiteiten van bedrijven die volgens de VNG-handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering” vallen in de milieucategorieën 3, 4 en 5. Het past bij het principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik dat we inzetten op het behoud van het bestaande areaal aan bedrijventerreinen en van de geldende milieugebruiksruimte milieucategorieën.

Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik betekent dat bij vraag naar bedrijventerrein dat geschikt is voor activiteiten met een hoge milieubelasting hogere milieucategorieën, altijd eerst gekeken wordt naar mogelijkheden om bestaand bedrijventerrein daarvoor te benutten, bijvoorbeeld door herstructurering. Het blijft bij het toepassen van het principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik overigens mogelijk om het bestaand bebouwd gebied uit te breiden met nieuw bedrijventerrein, als inbreiding in redelijkheid niet mogelijk is. Milieuzonering Het onderscheid in lagere en hogere milieubelasting milieucategorieën is gebaseerd op de VNGhandreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ (2024). Die handreiking vervangt de eerdere VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009. De handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ ondersteunt de uitvoeringspraktijk bij keuzes over de toelaatbaarheid en inpassing van milieuhinderlijke activiteiten onder de Omgevingswet. Het basisprincipe is nog steeds functiescheiding (waar nodig) en inwaartse zonering ten opzichte van milieugevoelige functies. Bij inwaartse zonering worden er beperkingen opgelegd aan de bedrijvigheid op het bedrijventerrein ten behoeve van milieugevoelige functies in de omgeving van het bedrijventerrein. In de nieuwe handreiking wordt gewerkt met zones met oplopende beschikbare milieugebruiksruimte per activiteit.

Handhaven Behouden aanwezige milieugebruiksruimte op bedrijventerreinen De instructieregel bedrijventerreinen en milieuzonering verplicht geeft aanwijzing aan de gemeenten om de bestaande milieugebruiksruimte op bedrijventerreinen voor bedrijfsactiviteiten met een hoge milieubelasting in de hogere milieucategorieën in principe te handhaven behouden. De opdracht in artikel 4.26a lid 2 om geen nieuw ontwikkelingen toe te staan in de omgeving van bedrijventerreinen die ruimte bieden aan bedrijfsactiviteiten met een hoge milieubelasting, moet voorkomen dat nieuwe milieugevoelige functies buiten het bedrijventerrein de milieugebruiksruimte van het bedrijventerrein inperkt. Wat de zone is waarvoor deze beperking geldt, is afhankelijk van de milieubelastende activiteiten die volgens het geldende omgevingsplan op het bedrijventerrein zijn toegestaan en de inwaartse zonering die op het bedrijventerrein voor omliggende milieugevoelige functies is toegepast. De bestaande milieugebruiksruimte wordt bepaald door de mogelijkheden die het geldende omgevingsplan biedt voor bedrijfsactiviteiten met een hoge milieubelasting. Op diverse plekken in de provincie kent het geldende omgevingsplan een zonering binnen bedrijventerrein. Vaak is dat een zonering met hoge milieucategorieën in het midden en lichtere milieucategorieën aan de rand.

Die zonering is dan uitgangspunt voor het bepalen van de afstand die voor gevoelige functies moet worden aangehouden ten opzichte van het bedrijventerrein om de bestaande milieugebruiksruimte te handhaven behouden.

33

Ander systeem van milieuzonering We kiezen met deze instructieregel voor een ander systeem van milieuzonering dan is uitgewerkt in de nieuwe VNG-handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’. Daarin wordt niet langer uitgegaan van een vaste richtafstand voor bedrijven uit een bepaalde milieucategorie, maar gewerkt met zones vanaf gevoelige functies die aflopende beperkingen hebben voor de uitstoot van geluid en geur. Daarbij bepaalt de afstand tot een gevoelige functie, hoeveel daadwerkelijke uitstoot is toegestaan bij activiteiten op het bedrijventerrein. Het nieuwe systeem van milieuzonering maakt het mogelijk om kortere afstanden aan te houden tussen bedrijfslocaties en milieugevoelige functies dan op basis van de VNG-handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ gebruikt is bij de indeling van bedrijven in milieucategorieën. Het zonder meer toepassen van dit nieuwe systeem van de nieuwe VNG-handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’, leidt ertoe dat de potentiële ruimte voor bedrijven met een zwaardere milieubelasting wordt ingeleverd.

Als bij het bepalen van die afstand alleen wordt uitgegaan van de bedrijfsactiviteiten die nu op het bedrijventerrein worden uitgeoefend en geen rekening wordt gehouden met milieubelastende activiteiten die zich in de toekomst op het bedrijventerrein zouden willen vestigen, verdwijnt er milieugebruiksruimte waarop je later een beroep zou willen doen. Daardoor is er op het bedrijventerrein in de toekomst geen ruimte meer voor bedrijfsactiviteiten waarvoor een grotere afstand tot milieugevoelige functies nodig is en die eerder wel waren toegestaan op het bedrijventerrein. Afwijkingsmogelijkheid Met de instructieregel bedrijventerreinen en milieuzonering zetten we in op behoud van de milieugebruiksruimte van bedrijventerreinen die het geldende omgevingsplan biedt. Er kunnen echter belangen zijn die zwaarder wegen dan het behoud van ruimte voor HMC-bedrijvigheid op die locatie, zoals de ontwikkeling van woningbouw op of in de omgeving van het bedrijventerrein waarvoor geen andere passende locaties te vinden zijn in of aansluitend aan de kern. Daarvoor is in de instructieregel een afwijkingsmogelijkheid opgenomen.

Inperking van de bestaande milieugebruiksruimte op dit type bedrijventerrein is alleen toegestaan als zich op of in de nabijheid van het bedrijventerrein nieuwe ontwikkelingen aandienen die van groot openbaar en bovenlokaal belang zijn en waarvoor aannemelijk gemaakt is dat daarvoor geen reële alternatieven zijn. Verder wordt de voorwaarde gesteld dat verzekerd moet zijn dat het areaal van dit type bedrijventerrein in de regio per saldo gelijk blijft. Met ‘de regio’ doelen we op de regio waarbinnen voor die gemeente de programmeringsafspraken bedrijventerreinen worden gemaakt. Dit Artikel 4.26a lid 4 is geformuleerd als een afwijkingsmogelijkheid onder voorwaarden. en Deze afwijkingsmogelijkheid voorkomt dat ook gewenste transities op of in de nabijheid van dit type bedrijventerreinen getro en worden door het verbod op inperking van milieugebruiksruimte in lid 1 en 2. Bovenlokaal Daarbij tekenen we aan dat woningbouwlocaties en nieuwe bedrijventerreinen die bedoeld zijn voor lokale behoefte van bovenlokaal belang kunnen zijn, vanwege de bijdrage die deze locaties conform volgens de programmeringsafspraken leveren aan het aanbod voor de regio. In dat geval kan dus ook een beroep gedaan op de uitzonderingsmogelijkheid in het tweede vierde lid.

Artikel 4.26b (aanwijzing watergebonden bedrijventerreinen) Als watergebonden bedrijventerreinen zijn de volgende gebieden in Overijssel aangewezen en als zodanig geometrisch begrensd:

34

a. Almelo: Haven Almelo, Haven Businesspark XL-1 b. Deventer: Bergweide 4 c. Enschede: Haven Enschede d. Hardenberg: Bruchterweg-Nieuwe Haven e. Hengelo: Haven Hengelo Twentekanaal f. Hof van Twente: Havens Delden, Goor, Markelo g. Kampen: Haatlandhaven, Zuiderzeehaven h. Zwartewaterland: terminal Hasselt, Industriehaven Genemuiden, Zwartsluis/Kranerweerd i. Zwolle: Voorst (Katwolderhaven, Scaniahaven, Katwolderhaven Voorsterhaven, (olie)terminals Katwolderweg, Margriethaven, Botermanhaven)

Artikel 4.26c (instructieregel watergebonden bedrijventerreinen) 1. Omgevingsplannen die betrekking hebben op watergebonden bedrijventerreinen staan laten in deze gebieden uitsluitend bedrijvigheid toe die gebruik maakt van de kadefaciliteiten van dat bedrijventerrein vervoer over water of anderszins afhankelijk is van de toegang tot oppervlaktewater. 2. In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan bedrijvigheid toestaan toelaten die geen gebruik maakt van de kadefaciliteiten van die locatie of anderszins afhankelijk is van de toegang tot oppervlaktewater (vervoer over) water voor zover het gaat om bedrijven die daar al gevestigd zijn op het moment dat deze instructieregel in werking is getreden.

TOELICHTING Artikel 4.26b (aanwijzing watergebonden bedrijventerreinen) In dit artikel wijzen we de bedrijventerreinen aan waarop de instructieregel watergebonden bedrijvigheid van toepassing is. Dit zijn de locaties die geschikt zijn voor watergebonden bedrijvigheid en die vanwege hun omvang, ligging en economische betekenis van provinciaal belang zijn. Watergebonden bedrijvigheid is bedrijvigheid die gebruik maakt van de kadefaciliteiten van de locatie voor vervoer over water, maar ook bedrijvigheid die anderszins afhankelijk is van toegang tot oppervlaktewater. Artikel 4.26c (instructieregel watergebonden bedrijventerreinen) Provinciaal belang We zien met name in onze binnenhavens kansen voor de transitie naar een circulaire economie. De toenemende vraag naar havengebruik, op- en overslag via water, vraagt sturing op huisvesting van watergebonden bedrijvigheid en een e iciënt gebruik van kadefaciliteiten in binnenhavens. We gaan zuinig om met de voorraad van watergebonden kavels door deze te behouden voor watergebonden bedrijven die

35

daadwerkelijk gebruik maken van de kadefaciliteiten of anderszins afhankelijk zijn van de toegang tot oppervlaktewater. Kadefaciliteiten Locaties met geschikte kadefaciliteiten voor de industrie zijn schaars en het ontwikkelen van dit soort bedrijventerreinen is zowel lastig als kostbaar. Daarom is het belangrijk om de beschikbare ruimte in binnenhavens en kavels aan het water te behouden, te reserveren en optimaal te benutten voor watergebonden bedrijvigheid. In de gemiddelde binnenhaven wordt nu een groot deel van de kavels aan het water gebruikt door bedrijven die geen watergebonden activiteiten uitvoeren. Vaak zijn deze kavels wat betreft ligging, vorm, omvang, milieucategorie en bereikbaarheid, uitstekend geschikt voor watergebonden bedrijfsactiviteiten. Reserveren watergebonden bedrijventerreinen voor watergebonden bedrijfsactiviteiten Met de instructieregel ‘watergebonden bedrijventerreinen’ reserveren we locaties aan vaarwater die aangewezen zijn als ‘watergebonden bedrijventerreinen’ voor bedrijvigheid die ook daadwerkelijk gebruik maakt van de gebruiksmogelijkheid die de ligging aan water biedt. Deze instructieregel geldt niet alleen voor kavels die nog moeten worden uitgegeven, maar ook voor kavels die op het moment van inwerkingtreding van deze instructieregel dit moment in gebruik zijn bij bedrijven die geen watergebonden activiteiten uitvoeren.

Voor die bedrijven geldt dat gemeenten in het omgevingsplan kunnen regelen dat op die locatie hun bedrijfsactiviteiten mogen blijven uitoefenen. Dit is geregeld in de afwijkingsmogelijkheid in lid 2 van de instructieregel. De regeling in het gemeentelijk omgevingsplan moet zo worden ingericht dat wanneer de niet-watergebonden bedrijvigheid op die locatie eindigt, het volgende bedrijf dat zich daar vestigt wel een watergebonden bedrijf moet zijn. Daarmee beogen wij een ‘uitsterfconstructie’ van niet-watergebonden bedrijven, zodat watergebonden bedrijventerrein op termijn weer beschikbaar komen voor bedrijven die wel gebruik maken van de kadefaciliteiten of anderszins afhankelijk zijn van de toegang tot oppervlaktewater. We verplichten de gemeenten met deze instructieregel dus niet om niet-watergebonden bedrijvigheid per direct naar elders te laten vertrekken of in het omgevingsplan onder overgangsrecht te brengen. We laten aan de gemeenten de ruimte om voor bestaande niet-watergebonden bedrijven te regelen wat voor het functioneren van deze bedrijven op de huidige locatie noodzakelijk is. De instructieregel watergebonden bedrijvigheid kan bij doorwerking in het omgevingsplan beperkingen opleveren voor de gebruiksmogelijkheden van gronden op de aangewezen terreinen. Dit kan voor bedrijven en bewoners aanleiding zijn om een verzoek om nadeelcompensatie te doen bij de gemeente.

Nadeelcompensatie kan aan de orde zijn op het moment dat er daadwerkelijk schade optreedt, die niet voor rekening van de eigenaar of de gebruiker van de gronden zou moeten blijven. Er kan geen rechtstreeks verzoek om nadeelcompensatie worden ingediend bij de provincie. De instructieregel zelf is namelijk volgens artikel 15.1, eerste lid, onder d van de Omgevingswet geen schadeoorzaak. Wel bestaat er voor de gemeente de mogelijkheid om de provincie vervolgens te vragen om een kostenvergoeding voor de uitgekeerde schadevergoedingen voor zover de kosten daarvan niet voor rekening van de gemeente horen te blijven. In die gevallen willen we graag vroegtijdig betrokken worden bij de besluitvorming om nadeelcompensatie uit te keren. Aanpassing kaart De kaart waarop de bedrijventerreinen zijn aangegeven waarop de instructieregel watergebonden bedrijventerreinen van toepassing is, is gebaseerd op actuele inzichten en kennis over de havens. Deze kaart kan worden aangepast als uit een integrale en regionaal afgestemde visie of verstedelijkingsstrategie blijkt dat het reserveren van een bedrijventerrein voor watergebonden bedrijvigheid niet langer gewenst is

36

omdat op die locatie is voorzien in andere stedelijke ontwikkelingen. De gemeente kan een verzoek tot aanpassing van de kaart doen bij de provincie, maar zal dan wel moeten onderbouwen dat compensatie van het verlies aan areaal voor watergebonden bedrijvigheid op een alternatieve locatie verzekerd is in de regio of daarbuiten. Als het aantoonbaar niet mogelijk is om compensatie te regelen, dan kan de provincie afzien van de eis van compensatie als de belangen die met de ontwikkeling worden gediend zwaarder wegen dan het belang van het behoud van het bestaande areaal aan watergebonden bedrijventerrein.

37

Aanpassing Omgevingsverordening – aanpassing begrip stedelijke centra Waarom? In de nieuwe Omgevingsvisie wordt het begrip ‘stedelijke centra’ niet meer gebruikt. Dit begrip wordt op dit moment onder andere gebruikt in de instructieregel voor grootschalige detailhandel op perifere locaties. Inhoudelijk wijzigt het beleid voor grootschalige detailhandel op perifere locaties niet. Strekking aanpassing: Voor de instructieregel voor grootschalige detailhandel op perifere locaties schrappen we het begrip ‘stedelijke centra’ en benoemen we dat deze regel geldt voor de kernen Almelo, Borne, Deventer, Enschede, Hengelo, Kampen, Oldenzaal en Zwolle. Dit levert een aanpassing op van artikel 4.21 (grootschalige detailhandel op perifere locaties) en van artikel 1.1 (begripsbepalingen). In de toelichting wordt verduidelijkt waarom grootschalige detailhandel op perifere locaties allen wordt toegestaan in de kernen Almelo, Borne, Deventer, Enschede, Hengelo, Kampen, Oldenzaal en Zwolle. Tekstwijzigingen: Artikel 4.21 (grootschalige detailhandel op perifere locaties) 1. In afwijking van Artikel 4.18, eerste lid kan in de stedelijke centra de kernen Almelo, Borne, Deventer, Enschede, Hengelo, Kampen, Oldenzaal en Zwolle nieuwe grootschalige detailhandel worden toegestaan op perifere locaties, alleen als: a.

voor deze vorm van grootschalige detailhandel aantoonbaar geen ruimte gevonden of gemaakt kan worden binnen of direct aansluitend aan het kernwinkelgebied van de kern; en

b.

aangetoond is dat de vestiging niet leidt tot onevenredige aantasting van het voorzieningenniveau of de leegstand in de regio of de vitaliteit van kernwinkelgebieden of een onevenredige aantasting van het woon-, leef- en ondernemersklimaat in de kernen; en

c.

regionale afstemming heeft plaatsgevonden met buurgemeenten en Gedeputeerde Staten.

2. De vestiging van een grootschalige detailhandel op een locatie buiten het kernwinkelgebied als bedoeld in lid 1, wordt alleen mogelijk gemaakt met een omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit waarbij afgeweken wordt van het geldende omgevingsplan (buitenplanse omgevingsplanactiviteit) op basis van een concreet verzoek.

TOELICHTING Artikel 4.18 Detailhandel

38

Gelet op het provinciale beleid voor voorzieningen in de grote kernen (Almelo, Borne, Deventer, Enschede, Hengelo, Kampen, Oldenzaal en Zwolle) stedelijke netwerken, streekcentra Hardenberg en Steenwijk en de overige steden en dorpen, wordt in de Omgevingsverordening het principe vastgelegd dat detailhandel geconcentreerd dient te worden in of bij bestaande kernwinkelgebieden. Onder kernwinkelgebieden verstaan wij die delen van binnensteden en dorpscentra waar de detailhandelsvoorzieningen van de kern geconcentreerd zijn en wijkwinkelcentra. Nieuwe vestigingen voor detailhandel kunnen alleen bij uitzondering worden toegelaten buiten de bestaande kernwinkelgebieden. De Omgevingsverordening benoemt de uitzonderingen die op deze regel gemaakt kunnen worden. Het gaat aan de ene kant om volumineuze detailhandel waarvoor geen ruimte gevonden kan worden in of aansluitend aan kernwinkelgebieden. De andere uitzondering is grootschalige detailhandel, maar daarvoor is de mogelijkheid om een uitzondering te maken op de algemene regel beperkt tot de stedelijke centra. Ook wijkwinkelcentra worden gezien als een perifere locaties. Voor wijkwinkelcentra wordt een uitzondering gemaakt op het concentratiebeleid, maar alleen voor detailhandel die voorzien in de eerste levensbehoeften. Grootschalige detailhandel kan alleen in of aansluitend aan bestaande kernwinkelgebieden worden toegestaan.

Ook hier geldt dat op grond van het principe van concentratie als regel alleen GDV gericht op de lokale behoefte kan worden toegestaan. Voor grootschalige detailhandel geldt dat wanneer er sprake is van een regionale uitstraling, hiervoor alleen ruimte is in de grote kernen (Almelo, Borne, Deventer, Enschede, Hengelo, Kampen, Oldenzaal en Zwolle) stedelijke centra. Daarbij zal allereerst afgewogen moeten worden of er behoefte is aan een dergelijke voorziening. In lijn met de Ladder voor duurzame verstedelijking gaat het bij de onderbouwing van de behoefte aan een dergelijke voorziening om zowel de kwantitatieve als de kwalitatieve behoefte, rekening houdend met de bestaande voorraad (zowel kwalitatief als kwantitatief). Een distributieplanologisch onderzoek kan een functie hebben in het bepalen van de kwantitatieve behoefte. Verder moet aangetoond worden dat de vestiging niet leidt tot een onevenredige aantasting van het voorzieningenniveau in de regio en het woon-, leef- en ondernemersklimaat in de kern. Verder moet aangetoond worden dat er regionale afstemming heeft plaatsgevonden over de voorgenomen vestiging met de buurgemeenten en Gedeputeerde Staten. Ook hier geldt dat voor de vraag met welke buurgemeenten regionaal moet worden afgestemd, bepalend is hoever de regionale uitstraling van de detailhandelsvestiging reikt.

Artikel 4.21 (grootschalige detailhandel op perifere locaties) Wanneer voor de vestiging van grootschalige detailhandel wordt uitgeweken naar perifere locaties, kan dit ongewenste concurrentie opleveren voor de winkels in de kernwinkelgebieden. Het is daarom alleen bij hoge uitzondering dat de provincie meewerkt aan de vestiging van dit type detailhandel op perifere locaties Het zeer ruime assortiment van grootschalige detailhandel op perifere locaties is gericht op een (boven)regionaal verzorgingsgebied. Regionale voorzieningen horen op grond van het principe van concentratie thuis in kernen met een bovenregionale verzorgingsfunctie op plekken die ook vanuit de regio goed bereikbaar zijn per auto en openbaar vervoer. De binnensteden van de grote kernen (Almelo, Borne, Deventer, Enschede, Hengelo, Kampen, Oldenzaal en Zwolle) zijn, door de massa en kwaliteit van het winkelaanbod in het centrum, voldoende veerkrachtig om de concurrentie van grootschalige detailhandel op een perifere locatie op te vangen. Voor andere kernen dan Almelo, Borne, Deventer, Enschede, Hengelo, Kampen, Oldenzaal en Zwolle maken we voor grootschalige detailhandel geen uitzondering op de algemene regel dat detailhandel geconcentreerd wordt in binnensteden en dorpscentra. De detailhandel in deze kernen is gericht op de

39

lokale behoefte. De grootschalige detailhandel voor de lokale behoefte is van een omvang die als regel nog in te passen is in kernwinkelgebied of anders op een locatie aansluitend op kernwinkelgebied. Juist daar levert de grootschalige detailhandel dan een belangrijke bijdrage aan een aantrekkelijk en goed bereikbaar aanbod in het centrum en daardoor aan de vitaliteit en leefbaarheid van de hele kern.

De vestiging van nieuwe grootschalige detailhandel buiten kernwinkelgebieden moet ook in de stedelijke centra de grote kernen Almelo, Borne, Deventer, Enschede, Hengelo, Kampen, Oldenzaal en Zwolle een uitzondering blijven. Daarom mag hiervoor niet op voorhand (zonder een concrete aanvraag) ruimte worden geboden in bestemmingsplannen. Wanneer zich een initiatief voordoet, kan daarvoor de route van een buitenplanse afwijking worden gevolgd, zoals mogelijk wordt gemaakt voor omgevingsplanactiviteiten waarvoor afgeweken wordt van het geldende omgevingsplan (artikel 5.21, lid 2 onder b Omgevingswet). Met deze regeling wordt voldaan aan afspraken die met het Rijk zijn gemaakt over grootschalige detailhandel met regionale e ecten, gelet op de mogelijke gevolgen die dat soort vestigingen kunnen hebben voor het voorzieningenniveau in binnensteden.

40

Aanpassing Omgevingsverordening – nieuwe instructieregel energiesysteem Waarom? In de Overijsselse energievisie hebben we aangegeven dat we voor een toekomstbestendig, betaalbaar, betrouwbaar, veilig, duurzaam en rechtvaardig energiesysteem inzetten op een gebalanceerde energiemix. Een eerste stap om dit te bereiken is om bij nieuwe ontwikkelingen na te denken over de impact van die ontwikkelingen op het energiesysteem, waarbij met name de belasting van het elektriciteitsnet vanwege de huidige congestieproblematiek aandacht vraagt. Dit betekent ook dat gemeenten bij omgevingsplannen die voorzien in nieuwe ontwikkelingen nadenken over de e ecten op het energiesysteem. Strekking aanpassing De instructieregel stelt een motiveringseis aan gemeenten bij nieuwe ontwikkelingen die een aansluiting nodig hebben op het energiesysteem. In de onderbouwing van de wijziging van het omgevingsplan moeten gemeenten laten zien hoe rekening wordt gehouden met de e ecten van de nieuwe ontwikkelingen op de energiebalans op het energiesysteem. Daarbij moeten ze ook nagaan of er maatregelen mogelijk zijn waarmee negatieve e ecten op de energiebalans worden voorkomen.

Tekstvoorstel

Artikel 1.1 (Begripsbepalingen): … energiesysteem de verbinding tussen vraag en aanbod (opwek en gebruik), transport en opslag van verschillende energievormen …

Afdeling 4.16 ENERGIESYSTEEM Artikel 4.125 (instructieregel energiesysteem) 1. 2.

In een omgevingsplan dat nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt waarbij sprake is van gebruik, productie of transport van energie, wordt rekening gehouden met de effecten daarvan op het energiesysteem. In de onderbouwing van het omgevingsplan bedoeld in het eerste lid, wordt gemotiveerd welke maatregelen zijn afgewogen waarmee negatieve effecten op het energiesysteem voorkomen kunnen worden.

Toelichting artikel instructieregel energiesysteem Provinciaal belang In de Overijsselse Energievisie hebben we aangegeven dat we in Overijssel kiezen voor een toekomstbestendig, betaalbaar, betrouwbaar, veilig, duurzaam en rechtvaardig energiesysteem. We willen een gevarieerde energiemix met een grotere rol voor energiebesparing, warmte, waterstof en biogas/groen

41

gas. Met gemeenten en netbeheerders voeren we het gesprek hoe we dit kunnen bereiken. Dit doen we langs de lijnen van sneller bouwen, programmeren & prioriteren van uitbreidingen van het energiesysteem en beter benutten van het bestaande en toekomstige energiesysteem. Het is van provinciaal belang dat gemeenten bij nieuwe ontwikkelingen nadenken over de impact van die ontwikkelingen op het energiesysteem, waarbij met name de belasting van het elektriciteitsnet vanwege de mogelijke congestieproblematiek aandacht vraagt. Dit maakt slimme keuzes en adaptief handelen noodzakelijk. Gemeenten hebben door het toelaten van bepaalde energievragende en/of energieleverende functies in bepaalde gebieden invloed op de belasting van het energiesysteem. Voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het belangrijk dat er goed gekeken wordt naar de e ecten van het toelaten van een energievragende en/of energieleverende functie op een bepaalde locatie op de ontwikkelingsmogelijkheden voor andere (maatschappelijke) functies in de (ruime) omgeving. De e ecten van nieuwe ontwikkelingen met impact op het energiesysteem, kunnen gemeentegrensoverschrijdend zijn en zijn dat in veel gevallen ook. Tegelijkertijd is sprake van een gedeeld belang om het energiesysteem ook in de toekomst goed te laten functioneren.

Gevolgen nieuwe ontwikkelingen Nieuwe ontwikkelingen kunnen grote e ecten hebben op het energiesysteem en de mogelijkheden voor andere ontwikkelingen in de omgeving. Daarom vragen we van gemeenten om in een vroegtijdig stadium van de planontwikkeling de mogelijke e ecten op het energiesysteem goed in beeld brengen en die in de afwegingen te betrekken. We verwachten van gemeenten en initiatiefnemers dat zij goed nadenken over mogelijke maatregelen om negatieve e ecten op het energiesysteem te voorkomen of te beperken. Dat kunnen alternatieve mogelijkheden zijn die minder impact hebben op he energiesysteem. Motiveringseis De regeling voorziet in een bijzondere motiveringsplicht, om te verzekeren dat aan de e ecten van nieuwe ontwikkelingen op het energiesysteem in een vroegtijdig stadium van de planontwikkeling aandacht wordt geschonken. Daarbij verwachten we van gemeenten dat zij in deze motivering in ieder geval de ambities betrekken voor de ontwikkeling van het energiesysteem zoals vastgelegd in de provinciale Energievisie, waaronder in ieder geval de ambitie van een gevarieerde energiemix van warmte, waterstof, biogas en elektriciteit. De afwegingen die de gemeente maakt, worden verantwoord in de toelichting op de wijziging van het omgevingsplan. Daarvoor zou een aparte energieparagraaf kunnen worden opgenomen in de toelichting.

We ontwikkelen samen met gemeenten een handreiking die de gemeenten gaat helpen om een onderbouwing te leveren waarmee zij voldoen aan de motiveringseis in dit artikel. We gaan er vanuit dat deze handreiking regelmatig bijgewerkt zal moeten worden om flexibel in te spelen op nieuwe inzichten en technieken. Overigens blijven daarnaast op nieuwe ontwikkelingen ook de Provinciale redeneerlijn in Afdeling 4.14, de Overijsselse verstedelijkingsprincipes de generieke bepalingen in Afdeling 4.2 en de sturing op ruimtelijke kwaliteit in Afdeling 4.3 (principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken) van toepassing.

42

Aanpassing Omgevingsverordening – algemene toelichting 0.1 Ambitie en bestuursfilosofie van de provincie Overijssel In de Omgevingsvisie Overijssel geven we onze visie op de fysieke leefruimte in Overijssel, hoe we - samen met onze partners - vorm en kleur willen geven aan die ruimte en hoe wij als provincie ons daar de komende jaren voor inzetten. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit, sociale kwaliteit en gezondheid zijn daarbij de leidende principes of 'rode draden'. In de Omgevingsvisie benoemen we de onderwerpen die de provincie op dit moment tot haar belang rekent. Per thema is nader uitgewerkt wat de provinciale ambities zijn. In paragraaf 4.2 van de Omgevingsvisie zijn de provinciale ambities op hoofdlijnen samengevat. In de Omgevingsvisie hebben we het instrumentarium aangewezen waarmee wij aan de ene kant ruimte bieden aan de sociaaleconomische ontwikkeling van Overijssel en tegelijkertijd de kwaliteit van het Overijssels landschap versterken. Instrumentarium waarmee wij als provincie onze ambities realiseren en waarmee tegelijk partners ruimte houden hun eigen doelen te realiseren. In de Omgevingsvisie Overijssel geven we onze integrale visie op de fysieke leefruimte in Overijssel. In de visie benoemen we onze ambities, doelen en het provinciale beleid zoals we die ook door middel van deze Omgevingsverordening willen vormgeven.

We beschrijven in de Omgevingsvisie hoe wij de uitvoering zien van dat beleid in de verschillende gebieden van Overijssel. In de Omgevingsvisie constateren we dat het niet gaat passen als we alle opgaven naast in elkaar in de ruimte zouden plaatsen. Daarom moeten we zuinig, zorgvuldig en meervoudig met die ruimte omgaan. Dit vraagt om het maken van keuzes, het goed inpassen van ontwikkelingen en het grijpen van kansen. We zoeken daarom naar samenhangende oplossingen en verweving van opgaven. Hierdoor kunnen opgaven elkaar versterken. In gebieden moeten alle belangen die bij een ontwikkeling betrokken zijn zorgvuldig worden afgewogen. In de Omgevingsvisie is een provinciale redeneerlijn ontwikkeld die ervoor moet zorgen dat provinciale belangen daarin op een evenwichtige wijze in de totale belangenafweging worden meegenomen. In de Omgevingsvisie worden vier leidende principes benoemd die we daarbij als uitgangspunt gebruiken:  duurzaam omgaan met ruimte en voorraden;  water- en bodem sturend;  inzetten op krachtige DSS-regio’s.  voortbouwen op onze bestaande netwerken. Naast ruimtelijke aspecten spelen in ons beleid ook sociaal-maatschappelijke en economische aspecten een rol. Die wegen we mee met behulp van de rode draden ruimtelijke kwaliteit, sociale kwaliteit, gezondheid en duurzaamheid. Ook in ons economische beleid zetten we in op het versterken van de brede welvaart.

In onze Omgevingsvisie bakenen we af wat we op grond van wettelijke taken moeten doen voor de fysieke leefomgeving in onze provincie en wat we daarnaast van provinciaal belang vinden. We sturen met ons beleid en met ons uitvoeringsinstrumentarium zoveel mogelijk op doelen, zodat er ruimte blijft voor maatwerk en gebiedseigen oplossingen. Daardoor kan flexibel worden ingespeeld op nieuwe ontwikkelingen.

43

Bestuursfilosofie De provincie Overijssel streeft naar maatschappelijke resultaten die belangrijk zijn voor de bewoners van Overijssel. Daarvoor:  pakken we complexe maatschappelijke uitdagingen integraal en samen met publieke, private en maatschappelijke partners aan;  bieden we bestuurlijke partners op het meest geëigende schaalniveau ruimte om op eigen gezag te handelen;  beperken we bestuurlijke en ambtelijke drukte door eenvoudige en heldere regels.

0.1.1 Instrumentenko er De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Deze instrumenten volgen uit de drie 'productielijnen' van de provincie: visie, waarborg en realisatie. De productielijn 'visie' omvat instrumenten als de Omgevingsvisie Overijssel en het verwerven en delen van kennis. De productielijn 'realisatie' omvat instrumenten als (prestatie)afspraken, gebiedsontwikkelingen uitvoeringsprojecten (inclusief inpassingsplan) en subsidies en fondsen. De verordening is één van de instrumenten uit de productielijn 'waarborg'. Hieronder vallen ook toezicht en handhaving en instrumenten als zienswijze, bezwaar en aanwijzing. Het gaat daarbij allereerst om beleidsinstrumenten zoals de Omgevingsvisie en de verplichte en vrijwillige programma’s op basis van de Omgevingswet. Ook het (gezamenlijk) kennis verwerven en delen beschouwen we als beleidsinstrument. Daarnaast beschikken we over uitvoeringsgerichte instrumenten zoals gebiedsontwikkelingen, (prestatie)afspraken, uitvoeringsprojecten (al dan niet inclusief een projectbesluit) en subsidies en fondsen. De Omgevingsverordening is een instrument waarmee de juridische doorwerking van beleid verzekerd kan worden. Het borgen van beleid doen we verder met toezicht en handhaving en instrumenten als zienswijze, het instellen van beroep en het nemen van instructiebesluiten.

Bij de inzet van instrumenten streven we naar toepassing van de meest optimale mix, zodat e ectief en e iciënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten bepalen we aan de hand van drie criteria die de hoofdlijnen vormen van onze bestuursfilosofie: De keuze voor inzet van deze instrumenten bepalen we aan de hand van deze drie criteria:  realisatie door partnerschap en positie bewoners: met welk participatievorm kunnen we maatschappelijke opgaven zo goed mogelijk aanpakken en is het in belang van de rechtsstaat?  e ectiviteit: met welk instrument kan het doel het best worden bereikt?  doelmatigheid: welk instrument voorkomt onevenredige administratieve lasten en/of bestuurlijke drukte? 0.1.2 Inzet van de verordening We zetten de verordening in voor onderwerpen waarvoor de provincie het belangrijk vindt dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt niet meer geregeld dan nodig is voor het belang zoals dat in de Omgevingsvisie is verwoord en in programma’s wordt uitgewerkt. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie dus niet in nieuw beleid.

44

Uitgangspunt voor het stellen van regels in de verordening zijn de drie criteria:  realisatie door partnerschap;  e ectiviteit (decentraal wat kan, centraal wat moet en ruimte voor partners); en  doelmatigheid (deregulering en helderheid). Dit betekent onder andere dat we met de regels die we stellen medeoverheden partners als gemeenten, waterschappen, ondernemers en bewoners zoveel mogelijk in positie brengen om verantwoordelijkheid te nemen. Ook regelen we niet meer dan strikt noodzakelijk. De inzet van de verordening beperkt zich tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of noodzakelijk is om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. Dubbelingen met andere regelgeving vermijden we. Wat ergens anders geregeld is, bijvoorbeeld in de Omgevingswet of sectorale wet- en regelgeving, wordt niet nog eens geregeld in deze verordening. Daarmee voorkomen we extra regeldruk. Bij de flexibiliteitsbepalingen in deze verordening is het uitgangspunt 'decentraal wat kan, centraal wat moet' toegepast. We kiezen voor ruime afwijkingsmogelijkheden en in principe niet voor onthe ingsconstructies. Ook is zoveel mogelijk gekozen voor positief geformuleerde voorwaarden.

In enkele gevallen was het niet goed mogelijk om een bepaling te formuleren als een 'ja, mits-constructie' en is een bepaling voor de benodigde juridische helderheid toch geformuleerd als een 'nee, tenzijconstructie'. Bij het stellen van regels die zich richten op de evenwichtige toedeling van functies aan locaties, is volgens de geest van de Omgevingswet in principe afgezien van rechtstreeks werkende regels. Een uitzondering op deze regel wordt gevormd door de geitenstop. Met rechtstreeks werkende regels is de bevriezende werking van het voorbereidingsbesluit van 28 september 2018 overgenomen. Omdat het bij de geitenstop gaat om een tijdelijk verbod om het aantal geiten uit te breiden als voorzorgsmaatregel in afwachting van de resultaten van landelijk onderzoek, is een ruime termijn genomen voor de instructie om de geitenstop te regelen in omgevingsplannen. In de tussentijd zorgen de rechtstreeks werkende regels ervoor dat het aantal geiten niet kan toenemen. 0.1.3 Status van de Omgevingsverordening De Omgevingsverordening richt zich - net zo breed als de Omgevingsvisie Overijssel - op de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel.

Dit betekent dat regels worden gesteld op het gebied van de ruimtelijke ordening, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, landschappen, natuur en cultureel erfgoed ruimte, erfgoed, water, bodem, klimaat, milieu, gezondheid, natuur, landbouw, landschap, wonen, werken, recreëren, mobiliteit, ondergrond, netwerken en cultuur. Daarmee geven we invulling aan de opdracht van artikel 2.6 van de Omgevingswet om één omgevingsverordening vast te stellen met daarin alle provinciale regels voor de fysieke leefomgeving in Overijssel. Rechtsbescherming De Omgevingsverordening Overijssel 2024 bevat algemene regels. Tegen het besluit tot vaststelling van algemene regels staan daarom geen bezwaar- en beroepsmogelijkheden open. Wel kunnen belanghebbenden in procedures tegen bijvoorbeeld omgevingsplannen, de onverbindendheid van de Omgevingsverordening inroepen.

45

Artikel 2.32 van de Omgevingswet biedt de mogelijkheid om onthe ing te verlenen van instructieregels. De onthe ing is bedoeld voor gevallen die in het algemeen voorzienbaar zijn, maar niet in het specifieke geval. In artikel 2.32, lid 5 is bepaald dat een onthe ing alleen wordt verleend als de uitoefening van de taak of bevoegdheid waarvoor onthe ing wordt gevraagd onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot het belang dat wordt gediend met de regel waarvan onthe ing wordt gevraagd. Onthe ing van instructieregels in een omgevingsverordening voor de inhoud van het omgevingsplan is mogelijk, als deze verordening dit zelf zo bepaalt (artikel 2.32, eerste lid, Omgevingswet). In de Omgevingsverordening Overijssel 2024 wordt deze bevoegdheid toegekend aan Gedeputeerde Staten voor alle instructieregels in Artikel 1.4 (hardheidsclausule instructieregels). Wanneer een onthe ing is verleend of geweigerd, kan hiertegen door belanghebbenden bezwaar en beroep worden ingesteld. De procedure daarvoor is geregeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bewoners van Overijssel worden bij elke wijziging van de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening betrokken, in ieder geval volgens de openbare voorbereidingsprocedure.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Raalte&id=92365ec4-6371-4a61-a0a7-232529c5d188