Bijlage III - Actualisatie 2026 Omgevingsverordening (2)
Tekst van het document
Overijssel voor en met Elkaar! Actualisatie 2026 Omgevingsverordening - Provincie Overijssel Definitief januari 2026
1
Inleiding Wat is de rol/ doel De Omgevingsverordening borgt de juridische doorwerking van het provinciale beleid en bevat zowel rechtstreeks werkende regels voor inwoners en bedrijven als instructieregels voor gemeenten en waterschappen. Waarom wordt de Omgevingsverordening op onderdelen aangepast? De Omgevingsverordening wordt aangepast en aangevuld op de beleidswijzigingen die worden doorgevoerd met de nieuwe Omgevingsvisie. Deze aanpassingsronde wordt gebruikt om daarnaast ook nog wijzigingen door te voeren in het kader van de jaarlijkse APK.
Disclaimer: Deze documenten zijn digitaal te raadplegen in onze digitale viewer (link) en na besluitvorming door Provinciale Staten worden deze documenten in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) gezet. Deze aanpassingen in de Omgevingsverordening bieden we conform de Omgevingswet elektronisch (digitaal) aan op Regels op de kaart - Omgevingswet - Regels op de kaart - Omgevingsloket (overheid.nl). Bij verschillen tussen de pdf versie en de digitale versie op Regels op de Kaart, geldt de digitale versie.
2
Inhoudsopgave Inleiding ..............................................................................................................................................2 Samenvatting van gedeeltelijke aanpassingen in Omgevingsverordening .................................................4 1 Aanpassingen in de verordening op basis van de ontwerp-Omgevingsvisie ............................................8 Nieuwe instructieregel Artikel 4.122 (onderbouwing provinciale redeneerlijn) ......................................9 Aanpassing Omgevingsverordening – Overijsselse verstedelijkingsprincipes ..................................... 16 Nieuwe instructieregels - Ontwikkelingsperspectieven landbouwgebieden ....................................... 23 Water en bodem sturend – aanpassing artikel 4.13 (klimaatrobuust water- en bodemsysteem)........... 27 Paragraaf 4.5.3 Werklocaties (bedrijventerreinen en kantorenlocaties) – nieuwe instructieregels HMCbedrijventerreinen en watergebonden bedrijvigheid ......................................................................... 31 Aanpassing Omgevingsverordening – aanpassing begrip stedelijke centra ......................................... 38 Aanpassing Omgevingsverordening – nieuwe instructieregel energiesysteem ....................................
41 Aanpassing Omgevingsverordening – algemene toelichting .............................................................. 43 AANPASSINGEN IN Afdeling 3.6 GRONDWATERBESCHERMING – stroomwegen en gebiedsontsluitingswegen .............................................................................................................. 51 Termijn aanpassing omgevingsplan – nieuwe instructieregel ............................................................. 53 Aanpassing catalogus gebiedskenmerken ....................................................................................... 55 2 Overige actualisatieonderwerpen (APK) ............................................................................................ 56 Aanpassing Omgevingsverordening – nieuwe instructieregel Afdeling 4.13 BOSSENSTRATEGIE .......... 57 Aanpassing Omgevingsverordening – nieuwe instructieregels Raatakkercomplexen en Karrensporenzones ........................................................................................................................ 60 Aanpassing Omgevingsverordening – onderdeel aanvullende eisen legger ......................................... 67 Aanpassing Omgevingsverordening – onderdeel aanpassing normering wateroverlast Buitenpolder Kuinre ...........................................................................................................................................
69 Aanpassing Omgevingsverordening – onderdeel gegevensverzameling grondwateronttrekkingen ........ 70 Aanpassing Omgevingsverordening – verdringingsreeks ................................................................... 71 Aanpassing Omgevingsverordening -aanvulling toelichting paragraaf 4.11.2 windenergie ................... 75 Aanpassing Omgevingsverordening – onderdeel aanpassing kaart overstroombaar gebied ................. 77 Aanpassing Omgevingsverordening – onderdeel artikel 3.132 (aanvulling vergunningsplichtige ontgrondingsactiviteiten)................................................................................................................ 78 Aanpassing Omgevingsverordening – onderdeel indieningsvereisten meldingen ontgrondingen .......... 79 Aanpassing Omgevingsverordening – onderdeel correctie instructieregel bodemsaneringen in grondwaterbeschermingsgebieden ................................................................................................. 81
3
Samenvatting van gedeeltelijke aanpassingen in Omgevingsverordening De structuur van de Omgevingsverordening zoals die is vastgesteld voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft gehandhaafd. Uiteindelijk blijken er slechts beperkt aanpassingen nodig van de verordening op het nieuwe omgevingsbeleid, omdat veel bestaand beleid terugkomt in de nieuwe Omgevingsvisie en de programma's waarin dat beleid verder wordt uitgewerkt. Aanpassing van de regels op basis van de ontwerp-Omgevingsvisie
Redeneerlijn De provinciale redeneerlijn wijzigt het geldende Overijsselse uitvoeringsmodel. Op basis van de OF-WAAR-HOE-benadering in de Omgevingsvisie wordt de WAAR-vraag in de verordening steviger ingevuld op basis van de provinciale prioritering van maatschappelijke opgaven in de verschillende gebieden in Overijssel. Daarbij blijft veel ruimte voor lokaal maatwerk. Verstedelijking: de huidige regels voor concentratiebeleid brengen we in lijn met de termen en opzet van de nieuwe Omgevingsvisie zoals de term Dagelijkse Stedelijk Systeem (DSS). Daarnaast verduidelijken wat de ‘Overijsselse verstedelijkingsprincipes’ inhouden. Ontwikkelingsperspectieven landbouwgebieden De nieuwe instructieregel zet het onderscheid tussen landbouwgebieden met generieke opgaven & kansen en landbouwgebieden met specifieke opgaven & kansen op de kaart. We nemen in de nieuwe instructieregel voor landbouwgebieden met generieke opgaven & kansen de opdracht op om bij transitie van voormalige agrarische erven ervoor te zorgen dat de nieuwe functies geen beperkingen opleggen aan de ontwikkelingsmogelijkheden van de landbouw in de omgeving. Er is een flexibiliteitsbepaling opgenomen om waar nodig ruimte te bieden voor maatwerk.
Als we in toekomst een nadere invulling of preciezere invulling geven aan de ontwikkelingsperspectieven landbouw, kunnen daarvoor in dit nieuwe onderdeel van de verordening desgewenst aanvullende regels gesteld worden die kunnen verschillen per gebied. Water en bodem sturend Door een kleine aanpassing in de bestaande instructieregel water en bodem sturend wordt de verplichting om te onderbouwen dat de ontwikkeling bijdraagt aan het versterken van het regionale perspectief water en bodem dat voor dat gebied geldt, ook van toepassing op stedelijke gebieden. In de toelichting op de instructieregel komt een tekst te staan over het belang van tijdige afstemming met het waterschap vanwege de kennis en ervaring die daar is met het wateren bodemsysteem. Bedrijventerreinen voor hogere milieucategorieën (3, 4 en 5) en watergebonden bedrijvigheid Met nieuwe instructieregels zorgen we ervoor dat bedrijventerreinen die aangewezen zijn voor zware bedrijven en bedrijventerreinen voor watergebonden bedrijvigheid, beschikbaar blijven en komen voor dat type bedrijvigheid. In beide instructieregels zit een afwijkmogelijkheid. Daardoor blijft er ruimte voor gewenste transities op en nabij bedrijventerreinen voor milieucategorie 3, 4 en 5 en kunnen bedrijven die zich op een watergebonden locatie hebben gevestigd, maar geen gebruik maken van vervoer over water, daar voor alsnog blijven zitten.
Energiesysteem Met de nieuwe instructieregel energiesysteem stellen we een motiveringsverplichting in voor gemeenten bij nieuwe ontwikkelingen die een aansluiting nodig hebben op het energiesysteem vanwege de problemen die zich nu al voordoen door netcongestie. Gemeenten moeten in de
4
toelichting op de wijziging van het omgevingsplan laten zien dat ze nagedacht hebben over de mogelijke e ecten van de nieuwe ontwikkeling op de energiebalans van het energiesysteem en over mogelijke maatregelen om negatieve e ecten te beperken. Catalogus Gebiedskenmerken In de Omgevingsvisie staat de rode draad ruimtelijke kwaliteit. Dit voeren we sinds 2009 uit met onder andere de Catalogus Gebiedskenmerken. De inhoud van de Catalogus is grotendeels gelijk gebleven. De Stedelijke laag wordt gewijzigd om die beter te laten aansluiten bij de vernieuwing van ons beleid en meer recht te doen aan onze kwaliteitsambities. Ook de laag van de beleving is aangepast om die meer gebiedsgericht te maken. Hierin heeft cultureel erfgoed ook een goede plek gekregen.
Overige actualisatieonderwerpen die onderdeel uitmaken van de jaarlijkse “actualisatieronde” De Omgevingsverordening wordt niet alleen aangepast op nieuw beleid in de nieuwe Omgevingsvisie. Deze actualisatieronde wordt gebruikt om de Omgevingsverordening aan te passen op andere besluiten van Gedeputeerde Staten die nog moeten doorwerken in de verordening. Het gaat om onderwerpen die van belang zijn voor de uitvoering van het bestaande beleid.
Bossenstrategie (GS-besluit 21 juni 2022) De nieuwe instructieregel bossenstrategie zorgt ervoor dat gemeenten met een aanpassing van het omgevingsplan gaan borgen dat nieuwe bossen waarvoor de provincie subsidie heeft verleend, ook in de toekomst gehandhaafd blijven. Dit is een voorwaarde vanuit de subsidieregeling ‘Meer bos in Overijssel’ die nu ook via het ruimtelijk spoor geborgd wordt. In de regeling wordt rekening gehouden met de overgangstermijn die de wetgever aan gemeenten biedt om het tijdelijke deel van het omgevingsplan om te zetten naar het nieuwe omgevingsplan zoals de Omgevingswet die beoogt.
Erfgoed: Raatakkercomplexen en Karrensporenzones (GS-besluit 1 april 2025) We nemen in de Omgevingsverordening nieuwe instructieregels op waarmee cultuurhistorisch waardevolle en zeldzame overblijfselen in het landschap uit de prehistorieen de middeleeuwen en later een passend bescherming krijgen. Het gaat om raatakkercomplexen die het verhaal vertellen van de boeren in de IJzertijd en karrensporenbundels die het verhaal vertellen van oude handelsroutes door de provincie. We geven daarmee invulling aan onze provinciale verplichting op grond van het Verdrag van Malta om archeologische bodemvondsten zo goed mogelijk te beschermen. Kaart overstroombare gebieden (GS-besluit 15 april 2025) We passen de kaart met overstroombare gebieden aan omdat daarop nu nog enkele gebieden zijn opgenomen waarvoor het waterschap verantwoordelijk is geworden na het afwaarderen van enkele regionale keringen. Bodemsaneringen in grondwaterbeschermingsgebieden (herstel omissies) Er staan een paar fouten in de instructieregels die gaan over bodemsaneringen in grondwaterbeschermingsgebieden, zoals een verkeerde verwijzing naar het Besluit activiteiten leefomgeving, die in deze aanpassingsronde gecorrigeerd worden.
Indieningsvereisten meldingen ontgrondingen (herstel omissies) We willen de indieningseisen voor meldingen van ontgrondingen terugzetten in de verordening. Die zijn bij de omzetting van de toen geldende verordening per abuis niet meegenomen naar de Omgevingsverordening die voor de Omgevingswet moest worden vastgesteld. Voor een vlotte afhandeling van meldingen van ontgrondingen is het van belang om van tevoren duidelijk te
5
maken welke informatie daarvoor moet worden aangeleverd. Verder wordt duidelijk gemaakt dat alleen voor het opruimen van oude rijkswaterstaatswerken een ontgrondingsvergunning nodig is. Aanvullende eisen legger (GS-besluit 15 april 2025) In de instructieregels voor waterschappen worden enkele aanvullende eisen aan de legger geschrapt. Voor de toets van de waterstaatswerken aan de gestelde normen is het niet nodig dat in de legger precies het lengteprofiel en dwarsprofielen van de regionale waterkeringen en regionale oppervlaktewaterlichamen worden bijgehouden. Het schrappen van deze eis voorkomt dubbel werk van het waterschap die op andere plekken al verantwoordt hoe de waterstaatswerken erbij liggen. Gegevensverzameling grondwateronttrekkingen (GS-besluit 15 april 2025) De instructieregel voor waterschappen over de gegevensverzameling van grondwateronttrekkingen wordt uitgebreid, zodat ook kleinere grondwateronttrekkingen geregistreerd moeten worden. Voor een duurzaam grondwaterbeheer is het noodzakelijk om ook inzicht te krijgen in de kleinere grondwateronttrekkingen. Omgevingswaarde wateroverlast (GS-besluit 15 april 2025) Op verzoek van het waterschap Drents Overijsselse Delta wordt de omgevingswaarde voor wateroverlast voor het buitengebied bij Kuinre naar beneden bijgesteld.
In dat gebied blijkt er meer draagvlak te zijn voor de acceptatie van periodieke inundaties dan voor het nemen van maatregelen tegen wateroverlast zoals de aanleg van extra waterberging. Regionale verdringingsreeks onttrekking Twentekanalen/Overijsselse Vecht (actualisatie) De regionale verdringingsreeks onttrekking Twentekanalen/Overijsselse Vecht wordt volgens de afspraken die gemaakt zijn in het Waterakkoord Twentekanalen-Overijsselse Vecht 2025 gelijkgetrokken met de regionale verdringingsreeks onttrekking IJsselmeergebied. De enige afwijking is nu nog alleen dat rekening wordt gehouden met een watervraag voor doorspoeling van stedelijk water in geval van (de kans op) acuut risico voor de volksgezondheid. Aanvulling toelichting instructieregel windenergie op de nieuwe Energiewet (actualisatie) De toelichting op de instructieregel windenergie wordt aangevuld met het oog op de nieuwe Energiewet die op 1 januari 2026 in werking treedt. Onder deze wet zijn Gedeputeerde Staten niet meer automatisch bevoegd gezag voor de vergunningverlening voor kleinere windparken met een capaciteit tussen de 5 en 15 MW. Gelet op de ambities in het PPE om met programmeringsafspraken een evenwichtig verdeling van de opwek van duurzame energie over de provincie te verzekeren, sturen de instructieregels windenergie ook op de kleinere windparken.
Gelet op de eisen van het subsidiariteitsbeginsel in de Omgevingswet wordt in de toelichting nader toegelicht waarom de provincie ook de tijdige realisatie van kleinere windparken op geschikte plaatsen in Overijssel tot haar provinciaal belang rekent en waarom het doelmatig en doeltre end is dat de provincie daarop stuurt. Na de terinzagelegging zijn nog een aantal kennelijke fouten ontdekt in kaarten en teksten die met een gewijzigde vaststelling worden hersteld Uit check van alle kaarten in de verordening is gebleken dat er meer kaarten ‘kapot’ zijn gegaan bij het opladen in het Digitaal Stelsel Omgevingswet van de Omgevingsverordening die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is vastgesteld dan bij de vorige actualisatieronde al gezien was. Het gaat om de volgende kaarten: o Donkerte o Beekdalen en natte laagtes o Bebouwde kom o Laagveenontginningen o Zeer kwetsbare natuurgebieden
6
o o
Provinciale vaarwegen Provinciale wegen
Overige ambtshalve kaartaanpassingen o Op de kaart van het NNN staat een deel van het gascompressorstation Ommen ingetekend als onderdeel van het NNN. De Gasunie wil dit graag gecorrigeerd zien. o In de kaart van de voorkeursgebieden windenergie zitten enkele onlogische begrenzingen die gecorrigeerd worden. o De begrenzing van bestaand stedelijk gebied van enkele grote steden (oa Zwolle en Hengelo) sluit niet aan op de feitelijk situatie. Dit wordt gecorrigeerd op verzoek van deze gemeenten. In de tekstvoorstellen voor de Omgevingsverordening is met groen en onderstreept aangegeven wat nieuwe teksten zijn en is met rood en doorgehaald aangegeven welke teksten geschrapt worden.
7
1 Aanpassingen in de verordening op basis van de ontwerp-Omgevingsvisie
8
Nieuwe instructieregel Artikel 4.122 (onderbouwing provinciale redeneerlijn) Waarom? De provinciale redeneerlijn gaat de gemeenten helpen om provinciale belangen op een gestructureerde wijze mee te nemen in afwegingen die de gemeente moet maken om bij de locatiekeuze voor nieuwe ontwikkelingen te komen tot een evenwichtige toedeling van locaties. Het gaat daarbij om de provinciale belangen die in de Omgevingsvisie zijn benoemd en waarvoor in deze verordening instructieregels zijn opgenomen en die door de nieuwe ontwikkeling kunnen worden geraakt. De provinciale redeneerlijn geeft daarmee invulling aan de wijze waarop de WAAR-vraag vanuit de vier rode draden en de provinciale leidende principes beantwoord. Zie ook de toelichting bij het artikel. Strekking inhoud: De nieuwe instructieregel onderbouwing provinciale redeneerlijn verplicht gemeenten om in de onderbouwing van ontwikkelingen waarvoor het omgevingsplan moet worden aangepast, te onderbouwen op welke manier rekening is gehouden met de stappen die de Omgevingsvisie voor de provinciale redeneerlijn schetst en sluit aan op de prioritering van provinciale belangen die daarin wordt aangegeven. De onderbouwing staat in verhouding met de omvang van de ontwikkeling en de mate waarin de ontwikkeling in lijn is met provinciale belangen.
Als de provincie in het kader van visievormend traject heeft ingestemd met de locatie, dan kan de onderbouwing beperkt blijven tot de wijze waarop de redeneerlijn is toegepast bij de verdere uitwerking van de plannen. De tekst is aangepast ten opzichte van het ontwerp zoals dat ter inzage heeft gelegen. De instructieregel is vereenvoudigd door een verwijzing naar de tekst in de Omgevingsvisie over de provinciale redeneerlijn. Tekstvoorstel:
Artikel 4.122 (onderbouwing provinciale redeneerlijn) 1. Omgevingsplannen bevatten een onderbouwing waaruit blijkt dat de locatiekeuze voor nieuwe ontwikkelingen is afgewogen volgens de provinciale redeneerlijn zoals opgenomen in de Omgevingsvisie Overijssel en de prioritering die daarbinnen is aangegeven. 2. Toepassen van de redeneerlijn bij nieuwe ontwikkelingen houdt in dat op basis van een integrale afweging wordt bepaald of de opgave op de gekozen locatie een plek moet krijgen, waarbij rekening wordt gehouden met de vier leidende principes: a. duurzaam omgaan met de ruimte en voorraden; b. water- en bodem sturend in de ruimtelijke inrichting; c. inzetten op onze krachtige dagelijkse stedelijke systemen; d. voortbouwen op onze sterke netwerken; zoals die beschreven zijn in de Omgevingsvisie Overijssel. 3. De onderbouwing als bedoeld in het eerste lid staat in verhouding tot de omvang van de ontwikkeling en de mate waarmee de ontwikkeling in lijn is met provinciale belangen. 4. Als de provincie in het kader van een eerder visievormende traject heeft ingestemd met de locatiekeuze voor de nieuwe ontwikkelingen, dan wordt de provinciale redeneerlijn alleen nog toegepast op de afwegingen die bij de verdere uitwerking van de locatiekeuze aan de orde zijn en die nog niet in dat visievormende traject aan bod zijn gekomen.
9
1. Omgevingsplannen bevatten een onderbouwing waaruit blijkt dat nieuwe ontwikkelingen zijn afgewogen volgens de provinciale redeneerlijn waarbij achtereenvolgens de OF-, WAAR- en HOE vraag wordt beantwoord. 2. Bij de OF-vraag bedoeld in lid 1 wordt de ruimteclaim getoetst op de vraag of er een opgave is op de gekozen locatie gelet op: a. de principes van integraliteit en toekomstbestendigheid zoals vastgelegd in Artikel 4.6 (toekomstbestendigheid); b. het provinciale concentratiebeleid zoals vastgelegd in Artikel 4.4 (principe van concentratie van stedelijke functies); c. de resultaten van (boven)regionale afstemming bedoeld in Afdeling 4.5 (wonen, werken en recreëren) en Artikel 4.108c (programmeringsafspraken windenergie); en d. de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik zoals vastgelegd in Artikel 4.5 (zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik). 3. Bij de OF-vraag bedoeld in lid 1 worden in ieder geval de gebiedsspecifieke beleidskeuzes in acht genomen zoals vastgelegd in:
4.
a. Paragraaf 4.7.1 (Nationale Landschappen), b. Paragraaf 4.7.2 (Natuurnetwerk Nederland), c. Afdeling 4.8 (grondwaterbeschermingsgebieden), d. Afdeling 4.9 (watergebiedsreserveringen); en e. Paragraaf 4.10.4 (externe veiligheid).
Bij de WAAR-vraag bedoeld in lid 1 wordt op basis van een integrale afweging bepaald of de opgave op de gekozen locatie een plek moet krijgen, waarbij rekening wordt gehouden met: a. de (wettelijke) bescherming van grondwaterbeschermingsgebieden en Natura 2000 gebieden; b. de maatregelen die nodig zijn om in te spelen op klimaatverandering gelet op Artikel 4.13 (klimaatrobuust water- en bodemsysteem) en het Regionaal Waterprogramma; c. landgebruik dat afhankelijk is van specifieke natuurlijke en landschappelijke omstandigheden; d. de noodzaak om duurzaam om te gaan met ruimte en natuurlijke voorraden; e. ontwikkelingen die aansluiten op bestaande netwerken en die versterken, zoals het energienetwerk, de stedelijke netwerken, het mobiliteitsnetwerk en het Natuurnetwerk Nederland; f. programmeringsafspraken voor wonen, werken en wind, waarbij opgaven voorgaan op ambities; g. de e ecten van de ontwikkeling op de brede welvaart; en h. de volhoudbaarheid op de gekozen locatie van de ontwikkeling op lange termijn. 5.
Bij de HOE-vraag bedoeld in lid 1 wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkeling op een zorgvuldige wijze landschappelijk wordt ingepast en waarbij de ruimtelijke kwaliteit wordt versterkt vanuit de vierlagenbenadering in de Catalogus Gebiedskenmerken (Bijlage VII Catalogus Gebiedskenmerken) en in overeenstemming met de uitspraken die de Catalogus Gebiedskenmerken doet voor dat gebied.
10
6. Bij de afweging in het kader van de WAAR-vraag geldt de volgende prioritering: a.
de wettelijke bescherming van gebieden gaat altijd voor op de belangen genoemd onder b tot en met g;
b.
maatregelen die nodig zijn om in te spelen op klimaatverandering gaan voor op de belangen genoemd onder c tot en met g;
c.
landgebruik dat afhankelijk is van specifieke natuurlijke omstandigheden gaan voor op de belangen genoemd onder d tot en met g, tenzij er sprake is van een collectieve verstedelijkingsopgave van Dagelijks Stedelijk Systeem of er elders voldoende ruimte is voor dat landgebruik;
d.
het belang van duurzaam omgaan met ruimte en voorraden gaat voor op de belangen genoemd onder e tot en met g;
e.
ontwikkelingen die aansluiten op bestaande netwerken en die versterken, gaan voor op de belangen genoemd onder f tot en met g;
f.
opgaven gaan voor op ambities;
g.
weeg de toekomstbestendigheid en e ecten van de nieuwe ontwikkeling op de brede welvaart.
11
Toelichting Afdeling 4.14 PROVINCIALE REDENEERLIJN Rode draden en leidende principes Overijssels afwegingsmodel In de Omgevingsvisie Overijssel is een provinciale redeneerlijn afwegingsmodel ontwikkeld voor het sturen op de rode draden ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid, sociale kwaliteit en gezondheid en vanuit de leidende principes van het provinciale omgevingsbeleid. Deze leidende principes zijn: 1. duurzaam omgaan met de ruimte en voorraden 2. water en bodem sturend in de ruimtelijke inrichting 3. inzetten op onze krachtige dagelijkse stedelijke systemen 4. voortbouwen op onze sterke netwerken De rode draden en leidende principes zijn de basis voor een het Overijssels afwegingsmodel voor nieuwe ontwikkelingen waarmee provinciale belangen volgens een voorgeschreven redeneerlijn gestructureerd moeten worden afgewogen. In de provinciale redeneerlijn het provinciale afwegingsmodel worden drie stappen onderscheiden, waarbij eerst de OF-vraag moet worden wordt beantwoord, dan de WAAR-vraag en vervolgens de HOE-vraag. OF-vraag De eerste stap in het Overijssels afwegingsmodel stelt de vraag aan de orde OF er wel een maatschappelijke opgave is op de gekozen locatie.
Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen generieke beleidskeuzes die voor heel Overijssel gelden (de Overijsselse verstedelijkingsprincipes) en gebiedsspecifieke beleidskeuzes die op voorhand bepaalde ontwikkelingen uitsluiten in een bepaald gebied. Bij gebiedsspecifieke beleidskeuzes gaat het om gebieden met beperkingen vanwege waterveiligheid en wateroverlast, grondwaterbeschermingsgebieden, het Natuurnetwerk Nederland, Nationale landschappen of het Provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke sto en. De Overijsselse verstedelijkingsprincipes en gebiedssnepcifieke beleidskeuzes zijn op andere plekken in de Omgevingsverordening juridische geborgd. De Overijsselse verstedelijkingsprincipes zijn vastgelegd in artikel 4.6 (toekomstbestendigheid), artikel 4.4 (principe van concentratie van stedelijke functies), afdeling 4.5 (programmeringsafspraken voor wonen en bedrijventerreinen), artikel 4.108c (programmeringsafspraken windenergie) en artikel 4.5 (zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik). De gebiedsspecifieke beleidskeuzes zijn geborgd in paragraaf 4.71 (Nationale Landschappen), paragraaf 4.7.2 (Natuurnetwerk Nederland), paragraaf 4.7.3 (Bos en natuur buiten het NNN), afdeling 4.8 (grondwaterbeschermingsgebieden), afdeling 4.9 (watergebiedsreserveringen) en paragraaf 4.10.4 (externe veiligheid).
WAAR-vraag De tweede stap stelt de vraag aan de orde WAAR de opgave gelet op provinciale belangen het beste een plek zou kunnen krijgen. Voor de beantwoording van deze vraag is de provinciale redeneerlijn ontwikkeld. HOE-vraag De derde stap is de toets van ontwikkelingen aan de gebiedskenmerken en stelt de vraag aan de orde HOE de opgave op een goede wijze kan worden ingepast. Uitgangspunt daarbij is dat nieuwe ruimtelijke opgaven worden verbonden met bestaande gebiedskenmerken. In de Catalogus Gebiedskenmerken is benoemd welke gebiedskenmerken we van provinciaal belang vinden en waarom.
12
Provinciale redeneerlijn De provinciale redeneerlijn geeft voor de beantwoording van de WAAR-vraag bij locatiekeuzes aan wat vanuit het provinciaal belang bij een integrale afweging van opgaven prioriteit heeft en welke mate afwegingsruimte daarbij geldt. Bij de toepassing van de redeneerlijn bij de locatiekeuze wordt getoetst hoe de beoogde ontwikkeling zich verhoudt tot:
wettelijk beschermde gebieden zoals in ieder geval Natura 2000-gebieden en grondwaterbeschermingsgebieden, maatregelen die nodig zijn om in te spelen op klimaatverandering, landgebruik dat afhankelijk is van specifieke natuurlijke en landschappelijke omstandigheden, de noodzaak om duurzaam om te gaan met ruimte en natuurlijke voorraden, de aansluitmogelijkheden op bestaande netwerken, programmeringsafspraken voor wonen, werken en wind, waarbij opgaven voorgaan op ambities, e ecten op de brede welvaart, en de volhoudbaarheid op de gekozen locatie op de lange termijn.
Bij de onderbouwing voor het punt ‘volhoudbaarheid op lange termijn’ kunnen ook inrichtingsmaatregelen betrokken worden die het mogelijk maken om een functie te realiseren op een locatie die daarvoor in eerste instantie niet geschikt lijkt te zijn. Functie provinciale redeneerlijn De provinciale redeneerlijn gaat de gemeenten helpen om provinciale belangen op een gestructureerde wijze mee te nemen in afwegingen die de gemeente moet maken om bij de locatiekeuze voor nieuwe ontwikkelingen te komen tot een evenwichtige toedeling van locaties. Het gaat daarbij om de provinciale belangen die in de Omgevingsvisie zijn benoemd en waarvoor in deze verordening instructieregels zijn opgenomen en die door de nieuwe ontwikkeling kunnen worden geraakt. De provinciale redeneerlijn geeft daarmee invulling aan de wijze waarop de WAAR-vraag vanuit de vier rode draden en de provinciale leidende principes beantwoord. Op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Omgevingswet wordt de uitoefening van de taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet overgelaten aan de bestuursorganen van de gemeente, tenzij daarover andere regels zijn gesteld. Wij willen met de provinciale redeneerlijn gemeenten helpen om provinciale belangen op een gestructureerde wijze mee te nemen in de afweging die gemeenten moeten maken om bij nieuwe ontwikkelingen tot een locatiekeuze te komen.
De redeneerlijn biedt gemeenten ruimte, omdat zij met toepassing daarvan tot hun eigen locatiekeuze kunnen komen. Tegelijkertijd is geborgd dat provinciale belangen daarbij worden meegewogen en geprioriteerd. De redeneerlijn zorgt ervoor dat provinciale belangen voldoende (kenbaar) worden meegewogen bij de locatiekeuze voor nieuwe ontwikkelingen. Om te voorkomen dat we achteraf moeten bijsturen met het juridisch instrumentarium van de Omgevingswet, kiezen we ervoor om vooraf door middel van de redeneerlijn te borgen dat de provinciale belangen al bij het maken van de locatiekeuze systematisch worden meegewogen en geprioriteerd. We vragen met de instructieregel in artikel 4.122 van de gemeenten om in de onderbouwing van het plan duidelijk te maken hoe ze onze redeneerlijn hebben toegepast bij de afwegingen die de gemeente altijd moet maken als zich een nieuwe ontwikkeling voordoet. Niet alle elementen van de redeneerlijn zullen in alle gevallen van toepassing zijn op de nieuwe ontwikkeling. Voor kleine ontwikkelingen met weinig impact op provinciale belangen, kan volstaan worden
13
met een beperkte onderbouwing. Voor complexe ontwikkelingen waarbij allerlei provinciale belangen betrokken zijn, zal een uitgebreidere verantwoording van de toepassing van de redeneerlijn op zijn plaats zijn. Daarom is in artikel 4.122 bepaald dat de onderbouwing van de toepassing van de redeneerlijn in verhouding staat tot de omvang van de ontwikkeling en de mate waarmee de ontwikkeling in lijn is met provinciale belangen. In Overijssel hanteren we een kwalitatieve sturing op provinciale belangen. Die laat veel ruimte voor lokaal maatwerk, maar vraagt ook om interpretatie in het concrete geval. Om te voorkomen dat er pas tijdens de formele procedure duidelijk wordt dat er sprake is van interpretatieverschillen tussen wat de gemeente opmaakt uit de instructieregels en wat de provincie bedoelt, hebben we met gemeenten afspraken gemaakt over voorkantsamenwerking. We hebben afgesproken dat de provincie in een vroegtijdig stadium van de planontwikkeling meedenkt over de wijze waarop het beste rekening gehouden kan worden met provinciale belangen. Dan kijken we ook mee in de wijze waarop de redeneerlijn wordt toegepast. OF-vraag De eerste stap stelt de vraag aan de orde OF er wel een maatschappelijke opgave is op de gekozen locatie.
Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen generieke beleidskeuzes die voor heel Overijssel gelden (de Overijsselse verstedelijkingsprincipes) en gebiedsspecifieke beleidskeuzes die op voorhand bepaalde ontwikkelingen uitsluiten in een bepaald gebied. Generieke beleidskeuzes De generieke beleidskeuzes die overal in Overijssel gelden zijn: integraliteit toekomstbestendigheid concentratiebeleid (boven)regionale afstemming zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. De generieke beleidskeuzes concentratiebeleid, zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en toekomstbestendigheid, zijn in deze verordening geregeld in aparte artikelen (Artikel 4.4, Artikel 4.5 en Artikel 4.6). De eis van (boven)regionale afstemming komt terug in de artikelen die gaan over de programmering van woningbouw, bedrijventerreinen en windenergie. De eis van integraliteit geldt al op basis van de Omgevingswet omdat voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties alle betrokken belangen tegen elkaar moeten worden afgewogen. Integraliteit De Omgevingswet (artikel 2.1) eist een integrale afweging van alle belangen bij de vaststelling van ruimtelijke plannen. Deze afweging wordt inzichtelijk gemaakt in de toelichting op omgevingsplannen. In deze afweging zullen ook de aspecten die samen de duurzaamheid van een ontwikkeling bepalen aan de orde moeten komen.
In de verordening is de eis van integraliteit (een transparante en evenwichtige afweging tussen ecologische, economische en sociaal-culturele beleidsambities) daarom niet meer als zodanig opgenomen omdat dit een dubbeling met wettelijke eisen zou opleveren. Maatschappelijke behoefte Het voorkomen van onnodig ruimtebeslag op de Groene Omgeving begint met het nadenken over de vraag of er wel een maatschappelijke behoefte is aan de beoogde ontwikkeling. Hiertoe zijn in de verordening specifieke motiveringseisen opgenomen voor woningbouwprogrammering en de ontwikkeling van bedrijventerrein (zie Paragraaf 4.5.1 en Paragraaf 4.5.3).
14
Gebiedsspecifieke beleidskeuzes Bij gebiedsspecifieke beleidskeuzes gaat het om beperkingen voor functies die gelden in bepaalde gebieden in Overijssel. Het gaat om locaties waar beperkingen gelden vanwege waterveiligheid en wateroverlast, grondwaterbeschermingsgebieden, het Natuurnetwerk Nederland, Nationale landschappen of het Provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke sto en. WAAR-vraag De tweede stap stelt de vraag aan de orde WAAR de opgave een plek zou kunnen krijgen. In deze stap moet getoetst worden hoe de beoogde ontwikkeling zich verhoudt tot:
wettelijk beschermde gebieden zoals in ieder geval Natura 2000-gebieden en grondwaterbeschermingsgebieden, maatregelen die nodig zijn om in te spelen op klimaatverandering, landgebruik dat afhankelijk is van specifieke natuurlijke en landschappelijke omstandigheden, de noodzaak om duurzaam om te gaan met ruimte en natuurlijke voorraden, de aansluitmogelijkheden op bestaande netwerken, programmeringsafspraken voor wonen, werken en wind, waarbij opgaven voorgaan op ambities, e ecten op de brede welvaart, en de volhoudbaarheid op de gekozen locatie op de lange termijn. De provinciale redeneerlijn geeft aan wat bij een integrale afweging van deze opgaven prioriteit heeft en wat de ruimte is om gemotiveerd van deze prioritering af te wijken. Bij de onderbouwing voor het punt ‘volhoudbaarheid op lange termijn’ kunnen ook inrichtingsmaatregelen betrokken worden die het mogelijk maken om een functie te realiseren op een locatie die daarvoor in eerste instantie niet geschikt lijkt te zijn. HOE-vraag De derde stap is de toets van ontwikkelingen aan de gebiedskenmerken en stelt de vraag aan de orde HOE de opgave op een goede wijze kan worden ingepast. Uitgangspunt daarbij is dat nieuwe ruimtelijke opgaven worden verbonden met bestaande gebiedskenmerken. In de Catalogus Gebiedskenmerken is benoemd welke gebiedskenmerken we van provinciaal belang vinden en waarom.
15
Aanpassing Omgevingsverordening – Overijsselse verstedelijkingsprincipes Waarom? Gelet op de grote opgaven waarvoor de provincie staat als het gaat om verstedelijking, verduidelijken we wat de Overijsselse verstedelijkingsprincipes inhouden. Dit zijn onze eigen verstedelijkingsprincipes waarmee we sturen op provinciale belangen. In de Omgevingsvisie gebruiken we een nieuw term voor het stedelijk netwerk in Overijssel: Dagelijks Stedelijk Systeem. Het Dagelijks Stedelijk Systeem omvat alle kernen in een regio. Als we het begrip ‘Dagelijks Stedelijk Systeem’ zonder meer zouden gebruiken als synoniem voor het huidige begrip ‘stedelijk netwerk’ heeft dat voor bepaalde artikelen in de Omgevingsverordening ongewenste e ecten. Zo zou de bestaande bepaling in artikel 4.4 van de verordening veel te ruim uitvallen. De mogelijkheden tot verstedelijking die dan aan alle kernen binnen het DSS geboden zouden worden, sluiten niet aan bij het uitgangspunt van de Omgevingsvisie dat de grote steden in principe voorzien in het grootste deel van de behoefte, tenzij anders overeengekomen in regionale programmeringsafspraken. Strekking aanpassing Om te sturen op dat verstedelijking plaatsvindt op een passende manier hanteren wij ‘Overijsselse verstedelijkingsprincipes’. We blijven in de aanpassingen van de Omgevingsverordening zo dicht mogelijk bij de bestaande tekst en volgorde van artikelen.
Om te zorgen dat de verordening op dezelfde manier blijft sturen en maar ook ruimte laat voor maatwerk via regionale afstemming, stellen wij de volgende aanpassing van het bestaande artikel 4.4 (principe van concentratie van stedelijke functies) voor: Aan de benaming van artikel 4.4 dat het principe van concentratie regelt wordt toegevoegd: ‘van stedelijke functies’. Dit maakt duidelijk dat het principe van concentratie beperkter is ingestoken dan het ruime begrip ‘concentratie’ zoals dat in de nieuwe Omgevingsvisie wordt gebruikt. In de nieuwe Omgevingsvisie komt het begrip ‘stedelijke netwerken’ niet terug. Het nieuwe begrip ‘dagelijkse stedelijke systemen’ is te ruim voor het doel van deze bepaling, namelijk ervoor zorgen dat de bovenregionale behoefte aan woningbouw, bedrijventerrein en voorzieningen in principe in de vijf grote steden landt (Almelo, Deventer, Enschede, Hengelo en Zwolle). Lid 5 biedt voldoende ruimte om in overleg toch bovenregionaal aanbod mogelijk te maken in andere kernen, waaronder de grotere kernen Borne, Kampen en Oldenzaal. Deze 3 kernen worden in de geldende verordening naast de 5 grote steden gerekend tot de stedelijke netwerken. In de nieuwe Omgevingsvisie wordt ervoor gekozen om de bovenregionale behoefte in principe te laten landen in de 5 grote steden.
Vervolgens kan op basis van verstedelijkingsafspraken vanwege de specifieke situatie in het Dagelijks Stedelijk Systeem (DSS) ervoor gekozen worden om (een deel van) de bovenregionale behoefte te laten landen in andere kernen binnen het DSS. In artikel 4.4 lid 5 wordt expliciet gemaakt dat het bij de mogelijkheid om te schuiven met opgaven tussen kernen het niet alleen hoeft gaan om de lokale behoefte van een buurgemeente. Op basis van verstedelijkingsafspraken en de programmeringsafspraken die vervolgens gemaakt worden kan ook geschoven worden met de opgaven voor de bovenregionale behoefte. In lid 3 is ervoor gekozen om de grote steden) bij name te noemen. Volgens de nieuwe Omgevingsvisie moeten de verstedelijkingsopgave bij voorkeur landen in de 5 grote steden.
16
Omdat in lid 3 gekozen is voor het bij name noemen van de grote steden, wordt dat in lid 4 ook gedaan voor de kernen Hardenberg en Steenwijk. In lid 6 worden de criteria benoemd waaraan moet worden voldaan als in een andere kern dan de 5 grote steden wordt voorzien in een bovenregionale behoefte. De criteria zijn gebaseerd op paragraaf 6.7 van de Omgevingsverordening.
Tekstaanpassing:
Afdeling 4.2 OVERIJSSELSE VERSTEDELIJKINGSPRINCIPES LADDER VOOR DUURZAME VERSTEDELIJKING Artikel 4.3 (oogmerk Overijsselse verstedelijkingsprincipes Ladder voor duurzame verstedelijking Deze afdeling stelt voor de provinciale doelstellingen voor ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid gezondheid en sociale kwaliteit, aanvullende eisen op de ladder voor duurzame verstedelijking eisen aan de verstedelijking in Overijssel en is gericht op concentratie van stedelijke functies in kernen, het bevorderen van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en toekomstbestendigheid. Artikel 4.4 (principe van concentratie van stedelijke functies) 1. In omgevingsplannen worden alleen de ontwikkeling van woningbouw, bedrijventerrein, stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen mogelijk gemaakt als die voorzien in een lokale behoefte of in de behoefte van bijzondere doelgroepen. 2. Daarbij geldt voor bedrijventerreinen dat lokale behoefte wordt ingevuld als bedoeld voor lokaal gewortelde bedrijvigheid. 3. In gebieden die deel uitmaken van een stedelijk netwerk de grote steden Almelo, Deventer, Enschede, Hengelo, en Zwolle kan het omgevingsplan voorzien in een (boven)regionale behoefte aan ontwikkeling van woningbouw, bedrijventerrein, stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen. 4.
In gebieden die deel uitmaken van een streekcentrum de kernen Hardenberg en Steenwijk kan een omgevingsplan voorzien in een regionale behoefte aan ontwikkeling van woningbouw, bedrijventerrein, stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen, mits dit past binnen de regionale programmering voor de regio waartoe het streekcentrum de kern behoort. 5. Een omgevingsplan kan voorzien in (een deel van) de behoefte van een buurgemeente aan ontwikkeling van woningbouw, bedrijventerrein, stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen of in een deel van de (boven)regionale behoefte, als dit past binnen de regionale programmering van de regio waartoe de gemeente behoort. 6. In andere kernen dan de grote steden Almelo, Deventer, Enschede, Hengelo en Zwolle voorziet het omgevingsplan alleen in een bovenregionale behoefte als wordt voldaan aan de volgende criteria voor verstedelijking: a. het voorzien in een bovenregionale behoefte in de kern heeft toegevoegde waarde in de regionale programmering van wonen en bedrijventerreinen; b. de kern beschikt over een goede ontsluiting met openbaar vervoer; c. de ontwikkeling draagt bij aan het behoud en versterken van een klimaatrobuust water- en bodemsysteem; d. de locatie kan worden voorzien van voldoende drinkwater en energie; e.
er wordt geen onevenredig beslag gelegd op landbouwgronden.
17
Algemene toelichting In de Omgevingsverordening leggen we de Overijsselse verstedelijkingsprincipes vast. wordt een nadere provinciale invulling gegeven aan de nationale Ladder voor Duurzame verstedelijking., waarbij een koppeling wordt gelegd met het principe van concentratie en de wijze waarop in Overijssel invulling wordt gegeven aan de regionale programmering van wonen, bedrijventerreinen, kantoren en detailhandel. Daarin leggen we nadrukkelijk een koppeling met de ruimtelijke ordeningsprincipes zoals concentratie, nabijheid en zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik door meervoudig en multidimensionaal gebruik van de ruimte. In de Overijsselse verstedelijkingsprincipes is een belangrijke rol weggelegd voor regionale programmering van wonen, bedrijventerreinen, kantoren en detailhandel. Daarmee wordt de behoefte van ontwikkelingen op het gebied van wonen en werken onderbouwd en is een zorgvuldige afstemming van het aanbod in de regio verzekerd. …
Artikelsgewijze toelichting Artikel 4.4 (principe van concentratie van stedelijke functies) In het kader van het sturen op ruimtelijke kwaliteit wordt in dit artikel het principe van concentratie van stedelijke bebouwing vastgelegd. Dit houdt in dat stedelijke opgaven zoveel mogelijk geconcentreerd moeten worden in stedelijke netwerken. Daar mag voor de (boven)regionale behoefte gebouwd worden. In dit artikel is het principe van concentratie van stedelijke functies in kernen vastgelegd. Daarbij maken we onderscheid tussen de lokale behoefte waarin elke gemeente altijd mag voorzien en de bovenlokale behoefte waarin bepaalde kernen mogen voorzien. De lokale behoefte is de behoefte op gemeentelijk niveau. De bovenlokale behoefte is de behoefte die zich uitstrekt of voordoet buiten de grenzen van een lokale gemeenschap of gemeente, dus op regionaal of bovenregionaal niveau. De regionale behoefte is de behoefte die zich voordoet op het niveau van de regio. De bovenregionale behoefte is de behoefte die het niveau van regio overstijgt.
Het principe van concentratie houdt in dat stedelijke opgaven zoveel mogelijk geconcentreerd moeten worden in de 5 grote steden (Almelo, Deventer, Enschede, Hengelo en Zwolle). Daar mag niet alleen voor de lokale behoefte, maar ook voor de (boven)regionale behoefte gebouwd worden. We hanteren concentratiebeleid in het kader van het sturen op ruimtelijke kwaliteit, maar ook met het oog op de woonwerkbalans, nabijheid, agglomeratiekracht, economie en een bruisend stedelijk leven. Voor de overige kernen geldt dat alleen altijd voor de lokale behoefte en bijzondere doelgroepengebouwd mag worden. Deze kernen mogen ruimte bieden aan lokaal gewortelde bedrijvigheid. Onder lokaal gewortelde bedrijvigheid wordt in dit verband verstaan: bedrijven die hun oorsprong óf verzorgingsgebied hebben of vinden in de gemeente of kern waar ze gevestigd zijn of zich vestigen én toegevoegde waarde bieden aan de sociaal-economische structuur en voorzieningen.
18
Voor de stedelijke netwerken5 grote steden en de streekcentra de kernen Hardenberg en Steenwijk wordt de beperking dat in principe alleen in lokale behoefte mag worden voorzien, lokaal geworteld-zijn niet gesteld. De streekcentra kernen Hardenberg en Steenwijk vormen ook een uitzondering, in zoverre, dat die krijgen - gelet op hun streekfunctie - ruimte krijgen voor extra mogelijkheden voor om te voorzien in een regionale behoefte aan woningbouw, voorzieningen en werkgelegenheid. Daarbij wordt wel de eis gesteld dat deze extra mogelijkheden wel moeten passen binnen de regionale programmering. De verordening maakt verder nog een uitzondering op het principe dat alleen voor lokale behoefte gebouwd mag worden, voor situaties waarin samenwerkende gemeenten de afspraak gemaakt hebben dat een gemeente in (een deel van) de behoefte van een buurgemeente voorziet. Voorwaarde daarbij is wel dat de afspraak past binnen de regionale programmering zoals bedoeld in paragraaf 4.5.1 en 4.5.3 van deze verordening. De verordening biedt de mogelijkheid om in de overige kernen voor meer dan de lokale behoefte te bouwen. De verordening biedt de ruimte om als de samenwerkende gemeenten de afspraak te maken dat een gemeente in (een deel van) de (boven)regionale behoefte of de lokale behoefte van een buurgemeente voorziet.
In samenwerking met de regio en onderbouwd vanuit de verstedelijkingsstrategieën, wordt in afstemming met de provincie bepaald wat een passende groeiprofiel is voor een kern. Vervolgens wordt daaraan invulling gegeven in de regionale programmering zoals bedoeld in paragraaf 4.5.1 en 4.5.3 van deze verordening. In een andere kern dan de 5 grote steden kan alleen worden voorzien in een bovenregionale behoefte als wordt voldaan aan de voorwaarden die gesteld worden in lid 6 van artikel 4.4. We stellen deze voorwaarden vanuit het provinciale beleid voor dagelijkse stedelijke netwerken. De voorwaarden uit lid 6 gelden niet voor de situatie waarin in regionaal verband afgesproken is dat een gemeente mag voorzien in de lokale behoefte van een buurgemeente of in een regionale behoefte.
Artikel 4.5 (zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik) Door zuinig en zorgvuldig met de ruimte om te gaan zorgen we ervoor dat stedelijke functies in elkaars nabijheid komen te liggen. We besparen niet alleen ruimte, maar dragen daardoor ook bij aan de mobiliteitstransitie. Bewoners zullen eerder lopend, op de fiets of met het openbaar vervoer naar hun werk of voorzieningen gaan als de onderlinge afstand tot hun woning beperkt is. De provincie Overijssel gaat uit van het principe ‘inbreiding gaat voor uitbreiding”. Uitbreiding is onder voorwaarden mogelijk en kan parallel ontwikkeld worden als er een goede visie is op het totaal. Dit doen we vooral om het onderscheid tussen de bebouwde stads- en dorpsomgeving en de onbebouwde Groene Omgeving scherp te houden. Onder de noemer ‘zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik’ moeten gemeenten voor de uitleg van dorpen en steden in principe eerst de mogelijkheden benutten binnen gebieden die al een stedelijke functie hebben. Pas daarna mag een claim worden gelegd op gebieden die nu nog een groene functie hebben. Bij zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik wordt ook gekeken naar mogelijkheden van multifunctioneel ruimtegebruik en mogelijkheden om functies te stapelen, Bij inbreiding en verdichting moet er wel oog blijven voor een hoogwaardige kwaliteit van de ruimte.
In kernen moet er voldoende ruimte overblijven voor groen, water, klimaatadaptatie, verduurzaming en ontmoeting. De eis ‘inbreiding gaat voor uitbreiding’ betekent niet dat een plan dat voorziet in uitbreiding pas gerealiseerd kan worden als eerst alle inbreidingsmogelijkheden zijn benut. Uitbreiding is onder
19
voorwaarden mogelijk en kan parallel ontwikkeld worden als er een goede visie is op het totaal. We verwachten van gemeenten dat zij een visie formuleren op de ontwikkeling van de kern. Deze is specifiek van belang bij uitbreiding. Hieruit blijkt ook hoe inbreiding wordt ingezet om een compacte opbouw van het bestaand bebouwd gebied te realiseren, zodat voorzieningen bereikbaar blijven en er een duidelijk hart van de kern blijft. Voor ontwikkelingen in de Groene Omgeving geldt een variant op de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. Die verplicht gemeenten om eerst zoveel mogelijk bestaande bebouwing te gebruiken. Pas daarna mag – aansluitend aan de kern het erf – meegewerkt worden aan nieuw ruimtebeslag op de Groene Omgeving voor bouwen en verharden. Gelet op de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik werkt de provincie in principe niet meer mee aan de vestiging van nieuwe tankstations in de Groene Omgeving. Tankstations zijn stedelijke functies die in principe niet thuishoren in de Groene Omgeving. Het bestaande netwerk van tankstations biedt voldoende gelegenheid om onderweg te tanken. Door de transitie naar duurzame energie zal er naar verwachting veel minder vraag zijn naar mogelijkheden om onderweg te tanken. Als er nog tankstations bij moeten komen, dan kan daarvoor ruimte gezocht worden in of aansluitend aan bestaand bebouwd gebied.
In bijzondere situaties is er ruimte om toch nog een tankstation toe te staan, maar dan wel vanuit een zeer kritische benadering van nut en noodzaak. Wij willen hiermee niet de verplaatsing van een brandstofverkooppunt uit een kern naar een locatie buiten de bebouwde kom tegenhouden. Voor de leefbaarheid, de veiligheid en een goede ruimtelijke ordening kan verplaatsing van een brandstofverkooppunt naar een locatie buiten de kern juist zeer wenselijk zijn. Ook in die gevallen zal vanuit het oogpunt van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik in de Groene Omgeving eerst moeten worden gezocht naar een locatie aansluitend aan bestaand bebouwd gebied. Maar dan wel zo dat het brandstofverkooppunt op veilige afstand van woningen en andere kwetsbare functies een nieuwe plek krijgt. Met de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik geeft Overijssel een aanvulling van de Ladder voor duurzame verstedelijking zoals door het Rijk is opgenomen in paragraaf 5.1.5.4 van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl).
Waar het Rijk in de Ladder voor duurzame verstedelijking de vereiste onderbouwing beperkt tot stedelijke functies die voldoende substantieel is, moet op Op grond van de principes voor zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik moet voor elke claim die gelegd wordt op de Groene Omgeving nagegaan worden of daarvoor niet het bestaand bebouwd gebied of bestaande bebouwing in de Groene Omgeving benut kan worden. In principe komt alleen bestaande bebouwing in het buitengebied in aanmerking voor een nieuwe functie. Uitgangspunt voor de transformatie van een bestaand erf is dat voor bestaande bebouwing een nieuwe, passende functie wordt gezocht om zo kapitaalvernietiging tegen te gaan. Voor zover sprake is van onbenutte bebouwingsmogelijkheden op een erf, geldt dat die niet zonder meer mogen worden ingezet voor de nieuwe functie. Met name op agrarische bouwpercelen worden voor de agrarische functie ruime en flexibele bebouwingsmogelijkheden geboden. Een ruim bouwperceel is passend voor een agrarische functie omdat die aan het buitengebied gebonden is, maar niet voor stedelijke functies waarvoor in principe binnen het bestaand bebouwd gebied ruimte te vinden of te maken is in de vorm van uitbreiding van het bestaand stedelijk gebied. Niet altijd zal de bestaande bebouwing zonder meer geschikt zijn voor de nieuwe functie.
Als aanpassing of zelfs vervanging door nieuwe bebouwing nodig is, is een zorgvuldig ontwerp nodig waarmee de impact op de omgeving beperkt gehouden wordt en de ruimtelijke kwaliteit verbeterd wordt. Op de transformatie van een erf is de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving van toepassing.
20
Het bestaand bebouwd gebied definiëren wij als de gronden in of aansluitend aan kernen die op grond van het geldende omgevingsplan benut kan worden voor stedelijke functies. We rekenen tot bestaand bebouwd gebied ook gebieden die in een voorgenomen aanpassing van het omgevingsplan aangewezen is voor stedelijke functies. Voorwaarde is dat daarover schriftelijk een positief advies moet zijn uitgebracht door de provinciale diensten. De provincie Overijssel kiest voor een verbale aanduiding van het bestaand bebouwd gebied en geeft die niet zelf op kaart aan. Daarmee wordt ruimte geboden voor lokaal maatwerk en wordt voorkomen dat de provinciale verbeelding alleen een momentopname laat zien die geen recht doet aan wijzigingen die voortdurend optreden in de begrenzing van het bestaand bebouwd gebied. De wettelijk verplichte gemeentelijke Omgevingsvisie leent zich er goed voor om de contour van het bestaand bebouwd gebied inzichtelijk te maken. Dit maakt een totaalafweging mogelijk tussen potentiële inbreidingslocaties. Wij laten aan de gemeenten de keuze of zij stadsrandgebieden beschouwen als stedelijke omgeving of Groene Omgeving. Op grond van de Artikel 4.7 e.v. geldt voor de invulling van de stadsrandgebieden dat die moet plaatsvinden met toepassing van het Uitvoeringsmodel Overijssel.
Dat betekent onder meer dat rekening moet worden gehouden met de ontwikkelingsperspectieven zoals beschreven in de Omgevingsvisie Overijssel en met de richtinggevende en normerende uitspraken de Catalogus Gebiedskenmerken. In de gemeentelijke structuurvisie kan nadere invulling worden gegeven aan de ontwikkeling van deze gebieden. Op grond van de instructieregels over de toepassing van de provinciale redeneerlijn (artikel 4.122) zal de gemeente bij de keuze voor uitbreiding van het bestaand bebouwd gebied in de afweging de stappen van de OF-, WAAR- en HOE-vraag moeten doorlopen. Voor de beantwoording van de HOE-vraag moeten de richtinggevende en normerende uitspraken in de Catalogus Gebiedskenmerken in acht genomen worden. In de gemeentelijke structuurvisie omgevingsvisie kan nadere invulling worden gegeven aan de ontwikkeling van deze gebieden. Het is niet de bedoeling dat door toepassing van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik al het bestaand stedelijke groen en sport- en spelvoorzieningen uit bestaand bebouwd gebieden zullen verdwijnen. Vandaar dat nadrukkelijk het criterium is gesteld dat het in redelijkheid niet mogelijk is om voor de opgave een locatie binnen het bestaande bebouwde gebied te vinden. De principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik kennen een variant voor de toepassing binnen de Groene Omgeving.
Artikel 4.5, tweede lid richt zich op alle ontwikkelingen, die leiden tot extra ruimtebeslag op de Groene Omgeving door bouwen en verharden met uitzondering van uitleg van kernen, waarop lid 1 van toepassing is. Voordat medewerking wordt verleend aan de uitbreiding van een erf geldt dat eerst bezien moet worden of door optimaal gebruik van het bestaande erf tegemoet gekomen kan worden aan de wens voor meer ontwikkelingsruimte. Als het niet mogelijk is om voor de vestiging of verplaatsing van een agrarisch bedrijf een bestaand agrarisch bouwperceel te benutten, dan kan een nieuwe agrarisch bouwperceel worden aangewezen. In dat geval is paragraaf 4.5.1 (Kwaliteitsimpuls agro en food) van toepassing.
Artikel 4.6 (toekomstbestendigheid) Volgens Paragraaf 7.1.2 paragraaf 3.2 (Duurzaam omgaan met ruimte en voorraden) van de Omgevingsvisie Overijssel moeten oplossingen die gekozen worden voor maatschappelijke opgaven,
21
toekomstbestendig zijn. Dit betekent dat initiatieven moeten bijdragen aan een duurzame benadering van ontwikkelingen. Bij ontwikkelingen die voorzien in de behoefte van de huidige generatie, moeten opties open blijven om ook te voorzien in behoeften van toekomstige generaties. Het gaat daarbij om een evenwichtige benadering van het welzijn van mensen, economische welvaart en het beheer van natuurlijke voorraden. Nieuwe ontwikkelingen moeten ook op lange termijn toegevoegde waarde hebben. In de Omgevingsverordening (Artikel 4.6) komt de eis van toekomstbestendigheid terug als een motiveringseis. Deze motiveringseis houdt in dat bij omgevingsplannen aannemelijk gemaakt moet worden dat wordt voldaan aan de eis van toekomstbestendigheid.
22
Nieuwe instructieregels - Ontwikkelingsperspectieven landbouwgebieden Waarom? In de Omgevingsverordening worden nieuwe instructieregels opgenomen die de tweedeling in landbouwgebieden zoals de nieuwe Omgevingsvisie die schetst, op de kaart zet. De nieuwe instructieregels stellen voorwaarden aan de uitbreiding en de transitie van agrarische bouwpercelen. De tweedeling in landbouwgebieden is het vertrekpunt voor gebiedsprocessen die een nadere invulling van de opgaven en kansen op gebiedsniveau zullen opleveren. Strekking inhoud: Voor landbouwgebieden met generieke opgaven en kansen wordt geregeld dat bij de transformatie van agrarische bouwpercelen daar geen nieuwe functies kunnen komen die beperkingen kunnen opleveren voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de landbouw in de omgeving. Om ruimte te bieden voor gebiedsgericht maatwerk is een flexibiliteitsbepaling opgenomen. Voor landbouwgebieden met gebiedsspecifieke opgaven en kansen wordt geregeld dat de extra investeringen in ruimtelijke kwaliteit die gedaan moeten worden op grond van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (bij transformatie) of de Kwaliteitsimpuls Agro & Food (bij grootschalige uitbreidingen en nieuwvestigingen van agrarische bouwpercelen) ingezet gaan worden voor opgaven in de omgeving voor klimaat, natuur en water. Dat is een vergelijkbare constructie die nu geldt voor de zone Ondernemen met natuur en water.
Die zone komt te vervallen in de nieuwe Omgevingsvisie. In de instructieregel ontwikkelingsperspectieven landbouwgebieden wordt geregeld dat in landbouwgebieden met generieke opgaven en kansen de transitie van voormalige agrarische erven geen beperkingen mogen opleveren voor de omliggende landbouwgebieden. Zienswijzen zijn aanleiding om een afwijkingsbevoegdheid voor gemeenten op te nemen die ruimte biedt om in deelgebieden waar feitelijk geen ontwikkelingsmogelijkheden zijn, op nieuwe vrijkomende erven toch functies op te nemen die beperkingen opleveren voor de landbouw. Daarbij kan worden gedacht aan plekken binnen landbouwgebieden waar al veel burgerwoningen zijn. De andere afwijkingsmogelijkheid is bedoeld voor gebiedsgerichte aanpakken waar nieuwe functies op de ene plek weliswaar beperkingen oplevert, maar waardoor een gebiedsontwikkeling op gang gebracht kan worden die per saldo voor het grotere gebied meer ontwikkelingsruimte oplevert. Een voorbeeld is de situatie waarin de rood voor rood-woningen niet op de VAB-locatie wordt gerealiseerd voor in de nabijheid van een buurtschap. Nieuwe functies op VAB-locaties zijn niet de enige ontwikkelingen die beperkingen kunnen opleggen aan landbouwgebieden met generieke opgaven en kansen. Ook uitbreidingen van kernen kunnen gevolgen hebben voor de omliggende landbouwgebieden.
De provinciale redeneerlijn zorgt in die situaties voor een zorgvuldige afweging van belangen. Dat is geregeld onder de WAAR-vraag met het criterium over landgebruik dat afhankelijk is van specifieke natuurlijke omstandigheden, waartoe ook grondgebonden landbouw wordt gerekend die in principe voorgaat op andere ruimteclaims dan grondwaterbescherming en klimaatmaatregelen. Daarbij wordt vervolgens wel weer rekening gehouden met collectieve verstedelijkingsopgave van Dagelijks Stedelijk Systeem waarvoor na afweging van alle betrokken belangen ook een claim gelegd kan worden op landbouwgebieden met generieke opgaven en kansen.
23
Tekstvoorstel: Afdeling 4.15 ONTWIKKELINGSPERSPECTIEVEN LANDBOUWGEBIEDEN Artikel 4.123 (werkingsgebieden ontwikkelingsperspectieven landbouwgebieden) In Overijssel worden de volgende ontwikkelingsperspectieven landbouwgebieden aangewezen en als zodanig geometrisch begrensd: a. landbouwgebied met generieke opgaven en kansen; b. landbouwgebied met gebiedsspecifieke opgaven en kansen voor water, klimaat en natuur.
Artikel 4.124 (instructieregel transformatie (agrarische) bouwpercelen) 1. Een omgevingsplan voorziet binnen landbouwgebieden met generieke opgaven en kansen bij transformatie van (agrarische) bouwpercelen alleen in nieuwe functies die geen beperking opleveren voor de ontwikkeling van de landbouw in de omgeving van dat bouwperceel. 2. Een omgevingsplan dat binnen landbouwgebieden met gebiedsspecifieke opgaven en kansen voor water, klimaat en natuur voorziet in een grootschalige aanpassing of uitbreiding van een bestaand of voormalig agrarisch bouwperceel als bedoeld in Artikel 4.41 (Kwaliteitsimpuls Agro en Food, grootschalige wijziging agrarisch bouwperceel), verzekert dat de extra investering in ruimtelijke kwaliteit wordt ingezet voor een bijdrage aan de opgaven in de omgeving voor klimaat, natuur en water. 3. Een omgevingsplan dat binnen landbouwgebieden met gebiedsspecifieke opgaven en kansen voor water, klimaat en natuur bij transformatie van (agrarische) bouwpercelen voorziet in nieuwe functies, waarop Artikel 4.41 (Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving) van toepassing is, verzekert dat de extra investering in ruimtelijke kwaliteit wordt ingezet voor een bijdrage aan de opgaven in de omgeving voor klimaat, natuur en water. 4.