CConstaterende datRaalte
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 8 Uitspraak raad van State

Raadsvergadering 14 maart 2024, gemeente RaalteBij agendapunt: Vaststellen Correctieve herziening bestemmingsplan Buitengebied Raalte, Schanebroeksweg 11 en 13 (bespreekstuk)25.985 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Met betrekking tot het betoog van [appellante sub 5] dat zij in het vorige plan de beschikking had over een groter bouwvlak, overweegt de Afdeling dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Voor zover [appellante sub 5] heeft gewezen op het feit dat de Provinciale subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Noord-Brabant uitgaat van een bouwvlak van 0,66 hectare voor haar perceel, overweegt de Afdeling dat uit het door [appellante sub 5] overgelegde berekeningsformulier Provinciale subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Noord-Brabant blijkt dat het in dit verband gaat om een oppervlakte voor bonte weiderand en niet om een bouwvlak in de zin van het plan. 2.14.3.1. De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 5] op dit punt heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellante sub 5] is in zoverre ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 6] voor het overige 2.15. [appellante sub 6] betoogt dat in het plan ten onrechte niet al haar bestaande kassen als zodanig zijn bestemd. 2.15.1. [appellante sub 6] exploiteert een kwekerij aan de [locatie 10] te [plaats]. De kwekerij beschikt onder meer over kassen met een oppervlakte van ongeveer 3990 m². In het plan is aan een deel van de gronden van [appellante sub 6] ter hoogte van de kruising van de Geelderseweg met de Geelders de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)" toegekend. Aan de andere percelen is de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden met landschappelijke waarden (AL)" toegekend. Ingevolge artikel 3.2.2. lid h van de planvoorschriften mag de gezamenlijke oppervlakte van hoge ondersteunende voorzieningen met een permanent karakter in de vorm van teeltondersteunende kassen op gronden met de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)" niet meer bedragen dan 1000 m². In lid j is bepaald dat in afwijking van het bepaalde onder h de oppervlakte van hoge ondersteunende voorzieningen met een permanent karakter niet meer bedragen dan 2313 m², indien en voor zover het bestemmingsvlak is gelegen aan [locatie 10]. 2.15.2. Op 5 december 1977 is een bouwvergunning verleend voor de bouw van een kas met een oppervlakte van 570 m² en een kas met een oppervlakte van 1743 m².

Niet aannemelijk is geworden dat er nadien nog bouwvergunningen zijn verleend met betrekking tot deze gronden. Het standpunt van het college dat in het plan rekening is gehouden met het vergunde oppervlak is derhalve juist. In aanmerking genomen dat niet aannemelijk is geworden dat voor het overige oppervlak aan kassen een bouwvergunning is verleend en reeds eerder aan [appellante sub 6] mededeling is gedaan van strijdigheid op dit punt met het destijds geldende bestemmingsplan heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de opstallen niet als zodanig bestemd dienen te worden. 2.16. [appellante sub 6] betoogt dat in het plan ten onrechte het halfverharde zandpad ten zuiden van haar kassen niet als zodanig is bestemd. 2.16.1. In het plan is aan het desbetreffende pad de bestemming "Zandpad (ZP)" toegekend. Ingevolge artikel 27.1. van de planvoorschriften zijn de gronden daarmee bestemd voor onverharde

wegen en paden, met dien verstande dat zij halfverhard mogen zijn indien en voor zover zij reeds halfverhard waren op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerpplan; met daarbij behorende andere bouwwerken en voorzieningen, zoals groen- en waterhuiskundige voorzieningen. In de zienswijze op het deskundigenbericht alsmede ter zitting heeft de raad te kennen gegeven dat het pad reeds halfverhard was op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerpplan en derhalve als zodanig is bestemd. De Afdeling is gelet hierop van oordeel dat deze beroepsgrond feitelijke grondslag mist. 2.17. [appellante sub 6] richt zich voorts tegen de artikelen 3.3, 3.5.2 en 6.3 van de planvoorschriften. Zij stelt dat deze bepalingen onvoldoende objectieve criteria bevatten. 2.17.1. Ingevolge artikel 3.3.1. van de planvoorschriften kan het college van burgemeester en wethouders wat betreft gronden met de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)" nadere eisen stellen ten aanzien van a. de situering, de oppervlakte, de (goot)hoogte van bebouwing; b. de aard, hoogte en situering van erfafscheidingen; c. voorzieningen ter voorkomen van hemelwaterproblematiek in verband met de nieuwe bebouwing, een en ander op basis van een door de aanvrager over te leggen landschappelijk inpassingsplan. In artikel 3.3.2.

van de planvoorschriften is bepaald dat de genoemde nadere eisen uitsluitend mogen worden gesteld: a. indien dit noodzakelijk is voor een verantwoorde stedenbouwkundige, cultuurhistorische en/of landschappelijke inpassing; b. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de omliggende waarden; c. ter verbetering van de gebiedskwaliteit ten behoeve van duurzaam agrarisch grondgebruik; d. ten behoeve van de milieusituatie; e. ten behoeve van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. De Afdeling is van oordeel dat deze nadere eisenregeling aldus voldoende objectief is begrensd. 2.17.2. Ingevolge artikel 6.3. van de planvoorschriften kan het college van burgemeester en wethouders wat betreft de gronden met de bestemming "Agrarische doeleinden met landschappelijke waarde (AL)" nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van bebouwing ten behoeve van: a. de verkeersveiligheid; b. de milieusituatie; c. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. De Afdeling is van oordeel dat deze nadere eisenregeling aldus voldoende objectief is begrensd. 2.17.3. Ingevolge artikel 3.5.1 van de planvoorschriften kan het college van burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van: a. het bepaalde in 3.1 ten behoeve van nevenactiviteiten, mits:

[…] b. het bepaalde in 3.2.2. onder d ten behoeve van een geringe afstand, indien: 1. deze situering uit een oogpunt van doelmatige bedrijfsvoering of een doelmatige inrichting van het terrein noodzakelijk wordt geacht en uit landschappelijk en stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar wordt geacht; 2. deze situering noodzakelijk is in verband met de bestaande bebouwing; c. het bepaalde in 3.2.2. onder e tot niet meer dan 6 m, indien dat voor een doelmatige bedrijfsvoering noodzakelijk is; d. het bepaalde in 3.2.2. onder g ten behoeve van een geringe dakhelling, indien dat voor een doelmatige bedrijfsvoering noodzakelijk en/of gewenst is; e. het bepaalde in 3.2.2. onder h ten behoeve van een gezamenlijke oppervlakte van 2500 m², indien dat voor een doelmatige bedrijfsvoering noodzakelijk en/of gewenst is. In artikel 3.5.2. van de planvoorschriften is bepaald dat de in 3.5.1. onder b, c, d en e genoemde vrijstellingen slechts worden verleend, indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het bebouwingsbeeld. De Afdeling is van oordeel dat de vrijstellingsbevoegdheid hiermee voldoende objectief is begrensd. 2.18.

De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 6] heeft aangevoerd omtrent de omvang van het bouwblok, het zandpad en de artikelen 3.3, 3.5.2 en 6.3 geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellante sub 6] is in zoverre ongegrond. Het beroep van [appellant sub 7] 2.19. Het college heeft bij het bestreden besluit goedkeuring onthouden aan het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" met de aanduiding 'huidige bedrijfactiviteiten toegestaan' wat betreft de gronden aan [locatie 11], aan de zinsnede "[locatie 11]: handel in tractoren" in artikel 12.1 en aan de 17e regel '[locatie 11]' in de tabel van artikel 12.2.1. van de planvoorschriften. Het college betoogt dat ter plaatse in het verleden met toepassing van de Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (RBV) agrarische bedrijfsbebouwing is gesloopt. Het is in strijd met deze regeling om op de locatie waar met toepassing van deze regeling is gesloopt, opnieuw bedrijfsgebouwen op te richten, aldus het college. 2.19.1. [appellant sub 7] kan zich niet verenigen met dit besluit.

Hij betoogt dat de RBV-regeling geen bepaling bevat die nieuwe bebouwing uitsluit op gronden waar met toepassing van de RBV-regeling bebouwing is gesloopt. Ook het streekplanbeleid sluit volgens hem niet uit dat op dergelijke gronden nieuwbouw plaatsvindt. [appellant sub 7] wijst er op dat de oude bedrijfslocatie aan de [locatie 12] niet geschikt noch bestemd was voor zijn bedrijfactiviteiten en dat de locatie aan de [locatie 11] is gekozen na uitvoerig overleg met het gemeentebestuur. Hij voert aan dat het vorige plan zijn tractorenhandel zonder meer toestond.

2.19.2. [appellant sub 7] exploiteerde tot en met 2006 een tractorenhandel aan de [locatie 12] in de bebouwde kom van Lennisheuvel. Niet in geding is dat die locatie niet bestemd en geschikt was voor een tractorenhandel. [appellant sub 7] heeft begin 2006 de gronden aan [locatie 11] gekocht. Bij brief van 13 maart 2006 heeft het gemeentebestuur zich in principe akkoord verklaard om mee te werken aan de bedrijfsverplaatsing naar deze locatie. [appellant sub 7] heeft begin 2007 zijn bedrijfsvoorraad naar de [locatie 11] verplaatst. 2.19.2.1. Op het [perceel] was voordat [appellant sub 7] een deel van het perceel kocht een legkippenhouderij en een eiersorteerinrichting/groothandel in eieren gevestigd, genaamd [bedrijf] Het [bedrijf] heeft in het kader van de RBV de legkippenhouderijtak geheel beëindigd en de aanwezige agrarische bedrijfsopstallen gesloopt. Van de gesloopte bedrijfsbebouwing is 5583 m² ingezet om ruimte-voor-ruimte kavels te kunnen realiseren. 2.19.2.2. In het plan is aan het gedeelte van de gronden aan [locatie 11] met daarop de woning met tuin de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" toegekend, met de aanduiding 'huidige bedrijfsactiviteiten toegestaan'.

Ingevolge artikel 12.1 zijn de op de plankaart voor "Bedrijfsdoeleinden (B)" aangewezen gronden voor zover aangeduid met 'huidige bedrijfsactiviteiten toegestaan' op het adres [locatie 11] bestemd voor handel in tractoren. In artikel 12.2.1 is - voor zover hier van belang - bepaald dat voor gebouwen op het perceel [locatie 11] een maximaal oppervlak geldt van 1200 m², een maximale goothoogte van 6 meter en een maximale hoogte van 9 meter. De rest van de gronden aan de [locatie 11] is in het plan bestemd als "Agrarische doeleinden". 2.19.3. In het bestreden besluit is, zoals het college ter zitting heeft erkend, uitgegaan van een foutief uitgangspunt ten aanzien van de gebruiksmogelijkheden onder het vorige plan van het perceel [locatie 11]. Het gaat, anders dan waarvan is uitgegaan, niet om gebruik als tractorenhandel dat in strijd was met het vorige plan, maar om gebruik van gronden voor tractorenhandel dat in het vorige plan als zodanig was bestemd. Het bestreden besluit berust in zoverre derhalve niet op een deugdelijke motivering. Dit klemt in het onderhavige geval te meer nu in de RBV niet is bepaald dat nieuwbouw op een locatie waar met gebruikmaking van die regeling bebouwing is gesloopt, niet is toegestaan.

Het beroep van [appellant sub 7] is gegrond, zodat het bestreden besluit, voor zover het betreft de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" met de aanduiding 'huidige bedrijfsactiviteiten toegestaan' wat betreft de gronden aan [locatie 11], aan de zinsnede "[locatie 11]: handel in tractoren" in artikel 12.1 en aan de 17e regel '[locatie 11]' in de tabel van artikel 12.2.1. van de planvoorschriften, wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd. Het beroep van [appellant sub 8] 2.20. [appellant sub 8] betoogt dat het plan ten onrechte slechts voorziet in één bouwvlak voor zijn gronden aan de [locatie 13] en de [locatie 14]. Hij wenst opname van twee afzonderlijke bouwvlakken, één voor de gronden aan [locatie 13] en één voor de gronden aan [locatie 14]. [appellant sub 8] voert aan ter plaatse twee afzonderlijke agrarische bedrijven te exploiteren, met afzonderlijke milieuvergunningen, mestnummers, USB-nummers en Laser-nummers en een gescheiden boekhouding. [appellant sub 8] betoogt dat hij aan het gemeentelijk beleid opgenomen in paragraaf 3.3.1. van de plantoelichting een recht ontleent aan opname van een bouwblok voor beide bedrijven.

[appellant sub 8] betoogt dat zijn bedrijfsvoering door de huidige planregeling voor de tweede maal onder het overgangsrecht is gebracht, hetgeen niet aanvaardbaar is. Tot slot betwist [appellant sub 8] de stelling van de raad en het college dat splitsing van het bouwvlak gezien moet worden als nieuwvestiging, hetgeen in strijd is met het streekplan. Mocht er al sprake zijn van strijd met het streekplanbeleid, dan heeft het college ten onrechte de mogelijkheid om af te wijken van het beleid niet onderzocht, aldus [appellant sub 8]. 2.20.1. [appellant sub 8] is eigenaar van de percelen [locatie 13 en 14]. Hij exploiteert aan de [locatie

13] een melkveehouderij en een varkensmesterij. Aan de [locatie 14] exploiteert hij een vleesstierenmesterij. In het vorige plan was aan de gronden aan [locatie 13] de bestemming "Agrarisch bedrijfscentra II" toegekend. Ingevolge artikel II.15, lid B, onder 1, sub a, van de voorschriften van dat plan mocht ter plaatse niet meer dan één agrarisch bedrijf worden gevestigd. De gronden aan de [locatie 14] waren in het vorige plan bestemd als "Agrarisch gebied". In het plan is aan de gronden van [appellant sub 8] aan [locatie 13 en 14] de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)" met de aanduiding 'intensieve veehouderij toegestaan' toegekend. Ingevolge artikel 3.1.van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor agrarische bedrijfsdoeleinden aangewezen gronden bestemd voor het bedrijfscentrum van het agrarisch bedrijf, met dien verstande dat: a. per bestemmingsvlak ten hoogste één agrarisch bedrijf is toegestaan. b. intensieve veehouderijbedrijven uitsluitend zijn toegestaan indien en voor zover de gronden zijn aangeduid met intensieve veehouderij toegestaan.

(…) In artikel 1 van de planvoorschriften is het begrip agrarisch bedrijf gedefinieerd als: een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen (houtteelt en boomkwekerijen daaronder begrepen) en/of door middel van het houden van dieren, niet zijnde: een glastuinbouwbedrijf of een gebruiksgerichte paardenhouderij. 2.20.2. De gronden van [appellant sub 8] zijn in het reconstructieplan aangeduid als verwevingsgebied. In het reconstructieplan is bepaald dat in verwevingsgebied nieuwe bouwblokken niet zijn toegestaan. Nu het voorheen geldende plan niet voorzag in twee bouwvlakken op de gronden van [appellant sub 8], leidt inwilliging van het verzoek van [appellant sub 8] tot het toekennen van een nieuw bouwblok als bedoeld in het reconstructieplan. Instemming met de wens van [appellant sub 8] leidt derhalve tot strijd met het reconstructieplan. Het beroep van [appellant sub 8] geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college in dit geval niet aan het in het reconstructieplan neergelegde beleid heeft kunnen vasthouden. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat volgens het deskundigenbericht de organisatorische binding tussen alle bedrijfsactiviteiten op de percelen [locatie 13 en 14] van dien aard is dat één agrarisch bedrijf wordt uitgeoefend en dat dit in het plan als zodanig is bestemd.

De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 8] heeft aangevoerd geen reden dit standpunt niet te volgen. Het feit dat [appellant sub 8] er voor heeft gekozen om op een later moment dan de datum waarop de gronden aan [locatie 13] zijn aangeschaft, de gronden aan de [locatie 14] aan te kopen en daarop uit oogpunt van risicospreiding een afzonderlijke bedrijfstak op te richten met een gescheiden boekhouding, brengt niet met zich dat recht bestaat op een tweede bouwvlak in het onderhavige plan. Voor zover [appellant sub 8] heeft aangevoerd dat hij op grond van het gemeentelijk beleid zoals weergegeven in paragraaf 3.3.1. in aanmerking komt voor een extra bouwvlak, overweegt de Afdeling dat het uitgangspunt voor de bouwvlaktoekenning in het onderhavige plan de regeling onder het vorige plan vormde. Nu in het vorige plan aan de gronden van [appellant sub 8] slechts één bouwvlak was toegekend, kan hij aan het gemeentelijk beleid geen recht ontlenen voor opname van twee bouwvlakken. 2.20.3. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 8] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 8] is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 10] 2.21. [appellant sub 10] richt zich ten eerste tegen het plandeel met de bestemming "Bos/beplantingsstrook (BO)" wat betreft de gronden in de nabijheid van zijn gronden aan de [locatie 15] te [plaats]. Hij voert aan dat deze bestemming niet in overeenstemming is met het standpunt van de raad verwoord in het overzicht zienswijzen bestemmingsplan Buitengebied Boxtel 2006 dat aan de gronden de passende bestemming "Agrarische doeleinden (AD)" zal worden gegeven. [appellant sub 10] voert aan dat ter plaatse geen sprake is van een bosgebied. 2.21.1. De raad heeft ter zitting te kennen gegeven dat de reactie van de raad op de zienswijze van [appellant sub 10] met betrekking tot het voornoemde plandeel was dat aan de zienswijze wordt tegemoetgekomen door aan de desbetreffende gronden de bestemming "Agrarische doeleinden (AD)" toe te kennen, maar dat dit vervolgens niet als zodanig op de plankaart is verwerkt. Hetgeen [appellant sub 10] heeft aangevoerd geeft aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

Door het plan niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Bos/beplantingsstrook (BO)" wat betreft de gronden in de nabijheid van zijn gronden aan de [locatie 15] te [plaats]. Uit het vorenstaande volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan het voornoemde plandeel. 2.21.2. [appellant sub 10] betoogt voorts dat een deel van zijn gronden grenzend aan de Blauwehoefseloop ten onrechte de bestemming "Agrarische doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" is toegekend. Hij bestrijdt dat de gronden in de GHS liggen. 2.21.3. In de zienswijze op het deskundigenbericht heeft de raad te kennen gegeven dat met betrekking tot de gronden met de bestemming "Agrarische doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" langs de Blauwhoefseloop de raad kan instemmen dat aan deze gronden de bestemming "Agrarische doeleinden" moet worden toegekend. De raad heeft hierbij aangegeven dat dit destijds niet conform het raadsbesluit is gewijzigd.

Hetgeen [appellant sub 10] heeft aangevoerd geeft aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Door het plan niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is op dit punt gegrond, zodat het bestreden besluit tevens dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde" wat betreft de gronden van [appellant sub 10] grenzend aan de Blauwehoefseloop. Hiervoor is reeds zelfvoorziend goedkeuring onthouden aan alle plandelen met de bestemming "Agrarische doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)". In het bovenstaande ziet de Afdeling aanleiding om eveneens om deze reden goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" wat betreft de gronden van [appellant sub 10] grenzend aan de Blauwehoefseloop. Het beroep van [appellanten sub 11] voor het overige

2.22. [appellanten sub 11] betogen ten eerste dat de wijze waarop de raad de naar voren gebrachte zienswijze en het college de ingebrachte bedenkingen heeft behandeld in strijd is met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht verzet zich er niet tegen dat de raad en het college de zienswijzen onderscheidenlijk de bedenkingen samengevat weergeven. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze of de bedenkingen afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit van de raad en het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken. 2.23. [appellanten sub 11] betogen dat de landbouwkundige drooglegging op de gronden die in gebruik zijn bij [appellant sub 11 B] onvoldoende is voor het gebruik dat van die gronden wordt gemaakt. In samenhang hiermee betogen zij dat de overstromingsfrequentie op deze gronden te hoog is. [appellanten sub 11] wijten dit aan het te hoge peil van het grond- en oppervlaktewater ter plaatse. In dit verband voeren zij aan dat een en ander moeilijk te doorgronden is omdat niet alle waterlopen worden aangegeven op de plankaarten. 2.23.1. In paragraaf 3.9.8. van de plantoelichting is een waterparagraaf opgenomen.

Uit deze paragraaf blijkt dat ten behoeve van de watertoets op 26 mei 2005 overleg heeft plaatsgevonden tussen de gemeente Boxtel en het Waterschap De Dommel. Van dit gesprek is een verslag opgenomen dat als bijlage 5 bij de plantoelichting is opgenomen. Als bijlage 7 bij de plantoelichting is de reactie van het Waterschap in het kader van het overleg als bedoeld in artikel 10 van de WRO opgenomen. Gelet op de voornoemde stukken is de Afdeling van oordeel dat is voldaan aan het gestelde in artikel 12, tweede lid, onder c, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin is neergelegd een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Niet gebleken is dat het plan ten opzichte van het vorige plan zodanige wijzigingen in de omgeving van de bedrijven van [appellanten sub 11] met zich brengt, dat sprake zal zijn van relevante gevolgen voor de waterhuishouding in dit gebied. De raad heeft er voor gekozen de hoofdwaterlopen in het plan te bestemmen als "Water (W)" en de overige waterlopen als zodanig te bestemmen middels opname in de omschrijving van de desbetreffende bestemming. In hetgeen [appellanten sub 11] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen reden deze wijze van bestemmen onaanvaardbaar te achten.

De Afdeling overweegt verder dat het waterbeheer in deze procedure niet ter beoordeling staat. Ook de bezwaren tegen het reconstructieplan, de Milieuverordening, het Waterhuishoudkundigplan en het Waterbergingsplan kunnen hier niet aan de orde komen. 2.24. [appellanten sub 11] betogen dat het plan ten onrechte niet voorziet in de mogelijkheid tot het oprichten van een drietal windmolens op het perceel [locatie 16] van [appellant sub 11 A]. 2.24.1. In paragraaf 3.6.4. van het streekplan is bepaald dat solitaire windturbines niet zijn toegestaan in een regionale natuur- en landschapseenheid (RNLE) en in de groene hoofdstructuur daarbuiten. Ten opzichte van de oprichting van solitaire windturbines in de agrarische hoofdstructuur buiten de RNLE is de provincie terughoudend. Dit geldt met name in open gebieden. De gronden van [appellant sub 11 A] liggen binnen de op de streekplankaart aangeduide RNLE. De wens van [appellanten sub 11] is derhalve in strijd met het provinciaal beleid. Volgens hoofdstuk 5 is het college bevoegd om af te wijken van een beleidslijn uit hoofdstuk 3 van het streekplan in die gevallen waarin de handhaving van de beleidslijn gevolgen zou hebben, die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidslijn te dienen doelen.

[appellanten sub 11] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat handhaving van de beleidslijn geen gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidslijn te dienen

doelen. In dit verband is van belang dat de Milieudienst Regio Eindhoven in opdracht van de gemeente Boxtel het rapport "Duurzame Energiescan (D.E-scan)" van 1 juni 2005 heeft uitgebracht. Uit paragraaf 3.4. van dit rapport blijkt dat onderzoek naar de mogelijkheden van windenergie in de gemeente Boxtel heeft uitgewezen dat er vijf locaties geschikt zijn voor de plaatsing van windturbines. Het perceel van [appellant sub 11 A] en de omgeving daarvan worden daarbij niet genoemd. 2.25. [appellanten sub 11] hebben verder aangevoerd dat het plan ten onrechte wat betreft hun gronden niet voorziet in nevenactiviteiten. 2.25.1. In het plan is aan de gronden van [appellant sub 11 A] aan de [locatie 16] de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)" met de aanduiding 'intensieve veehouderij toegestaan' en 'nevenactiviteiten toegestaan' toegekend. Ingevolge artikel 3.1, lid f, van de planvoorschriften zijn op de volgende adressen, indien en voor zover de bijbehorende gronden zijn aangeduid met 'nevenactiviteit toegestaan' tevens de volgende nevenacitiviteiten toegestaan: - [locatie 16]: kleinschalige verblijfsrecreatieve voorzieningen. (…) Het beroep op dit punt mist wat betreft de gronden van [appellant sub 11 A] derhalve feitelijke grondslag. 2.25.2.

Aan de gronden van [appellant sub 11 B] aan de [locatie 17] is in het plan de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AD)" met de aanduiding 'intensieve veehouderij toegestaan' toegekend. De gronden van [appellant sub 11 B] zijn daarmee niet bestemd voor nevenactiviteiten. Gelet op het feit dat [appellant sub 11 B] geen concrete plannen voor nevenactiviteiten heeft overgelegd aan het gemeentebestuur, in artikel 3.5.1. van de planvoorschriften aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid is toegekend om vrijstelling te verlenen van het bepaalde in artikel 3.1 ten behoeve van nevenactiviteiten en het college van burgemeester en wethouders ter zitting te kennen heeft gegeven dat bij het overleggen van concrete plannen voor nevenactiviteiten in de toekomst het toepassen van deze bevoegdheid zal worden overwogen, heeft het college in redelijkheid met het plan op dit punt kunnen instemmen. 2.26. [appellanten sub 11] voeren aan dat het plan ten onrechte geen twee bedrijfswoningen op het perceel [locatie 17] toestaat. 2.26.1. In paragraaf 3.4.13 van het streekplan is bepaald dat nieuwbouw van bedrijfswoningen slechts is toegestaan voor aan het buitengebied gebonden bedrijven, als dat noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering.

[appellanten sub 11] hebben niet aannemelijk gemaakt dat een tweede bedrijfswoning op het perceel [locatie 17] noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering. De wens van [appellanten sub 11] is derhalve in strijd met het provinciaal beleid. Volgens hoofdstuk 5 is het college bevoegd om af te wijken van een beleidslijn uit hoofdstuk 3 van het streekplan in die gevallen waarin de handhaving van de beleidslijn gevolgen zou hebben, die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidslijn te dienen doelen. [appellanten sub 11] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat handhaving van de beleidslijn geen gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidslijn te dienen doelen. 2.27. [appellanten sub 11] betogen dat hun gronden ten onrechte niet zijn aangewezen als bebouwingscluster. 2.27.1. De raad heeft betoogd dat het uitgangspunt bij het opstellen voor het plan is geweest om uitsluitend oude gehuchten aan te wijzen voor een bebouwingscluster. In hetgeen [appellanten sub

11] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen reden dit uitgangspunt onredelijk te achten. Vast staat dat de gronden van [appellanten sub 11] niet behoren tot een oud gehucht. Het college heeft derhalve in redelijkheid kunnen instemmen met de wijze van bestemmen op dit punt. 2.28. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 11] voor het overige hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 11] is op deze punten ongegrond. Het beroep van [appellant sub 12] voor het overige 2.29. [appellant sub 12] kan zich niet verenigen met de begrenzing van het aan zijn gronden aan Donders te Boxtel toegekende bouwvlak. Hij voert aan dat de te bouwen kas waarvoor hij een bouwvergunning heeft aangevraagd, buiten het bouwblok valt. 2.29.1. In het plan is aan een groot deel van het perceel van [appellant sub 12] de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)" toegekend. Het overige deel van het perceel is bestemd als "Agrarische doeleinden met landschappelijke waarde (AL)".

De ligging van het in het plan aan de gronden toegekende bouwvlak middels de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)" komt overeen met die onder het vorige plan. Op de gronden is thans geen bebouwing aanwezig. [appellant sub 12] is voornemens op dit perceel een sierteeltboomkwekerij uit te gaan oefenen. In het deskundigenbericht is gesteld dat het bouwvlak voldoende groot is voor het oprichten van een bedrijf zoals [appellant sub 12] voor ogen staat. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 12] gesteld heeft geen reden dit standpunt niet te volgen. Voor zover [appellant sub 12] heeft aangevoerd dat door de huidige begrenzing de kas waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd, buiten het bouwvlak valt, overweegt de Afdeling dat de bouwvergunning is geweigerd en ten tijde van het bestreden besluit de procedure hieromtrent nog gaande was. Mede gelet hierop behoefde het college geen overwegende betekenis toe te kennen aan het belang van [appellant sub 12] om op de plaats waarop de aanvraag voor een bouwvergunning ziet een kas te bouwen. Overigens heeft de raad ter zitting te kennen gegeven dat, mocht de uitkomst van de voornoemde procedure daartoe aanleiding geven, de raad bereid is om het plan te herzien voor het aanpassen van de vorm van het bouwvlak aan het bouwplan van [appellant sub 12], mits dit niet tot een vergroting van het bouwvlak leidt. 2.29.2.

De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 12] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 12] is in zoverre ongegrond. Het beroep van [appellanten sub 15] 2.30. [appellanten sub 15] voeren aan dat de bouwmogelijkheid voor twee aaneengesloten woningen op hun perceel aan de Oirschotseweg in het voorliggende plan ten onrechte is vervallen. Voorts stellen zij dat een perceel aan de overzijde van hun woning, waaraan de bestemming "Agrarische doeleinden (AD)" is toegekend, ten onrechte niet is aangeduid als 'landschappelijke - en natuurwetenschappelijk waarde'. Dit belemmert het herstel van de gronden als natuurgebied, nadat de ter plaatse gevestigde boomkwekerij zijn activiteiten heeft beëindigd, aldus [appellanten sub 15].

Tevens bestrijden zij de bestemming "Agrarisch doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)", die aan een deel van hun gronden is toegekend. Daartoe voeren zij aan dat de toegekende bestemming niet is gemotiveerd, dat van de zijde van de gemeente het vertrouwen is gewekt dat op het perceel geen natuurwaarden aanwezig zijn, en dat niet valt in te zien waarom de bestemming "Agrarisch doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" op dit perceel gehandhaafd dient te blijven, terwijl deze bestemming niet is toegekend aan het perceel aan de overzijde van hun woning. 2.30.1. Het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Boxtel 1994" liet blijkens de uitspraak van de Afdeling van 19 maart 2003, no. 200203635/1 op het perceel, uitsluitend ter plaatse van een inmiddels gesloopt dubbel woonhuis, de bouw van één blok van twee aaneengesloten woningen toe. Op het perceel is met vrijstelling een bouwvergunning verleend voor de bouw van een vrijstaande woning op een locatie iets ten noorden van de locatie van het gesloopte dubbele woonhuis. De Afdeling stelt vast dat de verleende bouwvergunning en vrijstelling niet met zich brengen dat de bestemming van de gronden waarop het dubbele woonhuis stond is gewijzigd.

Zowel de locatie van het voormalige dubbele woonhuis, als de locatie van nieuwe woning, zijn op de plankaart begrepen in het bestemmingsvlak "Woondoeleinden (W)". Blijkens de planvoorschriften, gelezen in samenhang met de plankaart, is binnen het desbetreffende bestemmingsvlak één woning toegestaan. Uit het voorgaande volgt dat de bouwmogelijkheid op de locatie van het voormalige dubbele woonhuis in het voorliggende plan is vervallen. De Afdeling is van oordeel dat het college de bestemming "Woondoeleinden (W)" in dit geval in redelijkheid heeft kunnen goedkeuren. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het college een doorslaggevend gewicht heeft kunnen toekennen aan het feit dat aan de belangen van [appellanten sub 15] die voortvloeien uit de voorgaande bestemming reeds in voldoende mate tegemoet is gekomen. Bij dit oordeel betrekt de Afdeling dat de nieuwe woning op verzoek van [appellanten sub 15] op een andere locatie is gebouwd dan waar het voormalige dubbele woonhuis stond en dat het dubbele woonhuis op grond van een aan de bouwvergunning verbonden voorwaarde diende te worden gesloopt en ook daadwerkelijk is gesloopt. 2.30.2.

De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 15] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich in zoverre niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 15] is in zoverre ongegrond. 2.31. Aan een perceel aan de overzijde van de woning van [appellanten sub 15] is de bestemming "Agrarische doeleinden (AD)" toegekend. Uit de stukken blijkt dat ter plaatse in strijd met de voorheen geldende bestemming een boomkwekerij is gevestigd. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Boxtel heeft handhavend opgetreden tegen dit gebruik. De rechtbank 'sHertogenbosch heeft bij uitspraak van 20 augustus 2004, AWB 04/1833 VV/AWB 041213, (www.rechtspraak.nl) geoordeeld dat het gebruik op grond van het overgangsrecht kon worden voortgezet en dat derhalve geen bevoegdheid bestond handhavend op te treden. Naar aanleiding daarvan heeft de raad van de gemeente Boxtel besloten dit feitelijke gebruik als zodanig te bestemmen. Er bestaat geen aanleiding te veronderstellen dat het feitelijk gebruik binnen de planperiode wordt beëindigd.

Een bestemmingsregeling die herstel van natuurwaarden mogelijk maakt, heeft het college derhalve in redelijkheid niet aan de orde kunnen achten. 2.31.1. Hiervoor is reeds zelfvoorziend goedkeuring onthouden aan alle plandelen met de bestemming "Agrarische doeleinden (AD)". De conclusie is echter dat hetgeen [appellanten sub 15] in zoverre hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 15] is in zoverre ongegrond. 2.32. Ten aanzien van de bestemming "Agrarisch doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" van de aan hun woonperceel grenzende gronden heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de gronden grenzen aan een natuurgebied en aan een waterloop die is aangeduid voor beekherstel. Anders dan [appellanten sub 15] hebben betoogd, is de Afdeling van oordeel dat het college de ligging van het perceel als een toereikende motivering voor de toegekende bestemming heeft kunnen beschouwen. Het college van burgemeester en wethouders van Boxtel heeft in een brief van 4 juli 1997 aan het architectenbureau van [appellanten sub 15] meegedeeld dat er voor zover bekend op de locatie van de nieuw te bouwen woning geen bijzondere natuurlijke waarden in het geding zijn. Anders dan [appellanten sub 15] betogen, behoefde het college aan de inhoud van de brief geen doorslaggevend gewicht toe te kennen, reeds omdat deze in zoverre betrekking heeft op de locatie van de nieuwe woning en niet op perceel met de bestemming "Agrarisch doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)".

Dat het in overweging 2.3 van deze uitspraak bedoelde perceel, anders dan het perceel van [appellanten sub 15], is bestemd voor "Agrarische doeleinden (AD)", behoefde voor het college geen aanleiding te zijn goedkeuring te onthouden aan de bestemming van het perceel van [appellanten sub 15]. Van gelijke gevallen is geen sprake, reeds omdat op het in overweging 2.3 bedoelde perceel een boomteeltbedrijf wordt uitgeoefend. 2.32.1. Hiervoor is reeds goedkeuring onthouden aan alle plandelen met de bestemming "Agrarisch doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)". De conclusie is echter dat hetgeen [appellanten sub 15] in zoverre hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 15] is in zoverre ongegrond. Het beroep van [appellanten sub 17] 2.33. [appellanten sub 17] betoogt dat het college ten onrechte geen medewerking wil verlenen aan de planologische splitsing van het agrarisch bouwvlak [locatie 2].

Anders dan het college, stelt zij zich op het standpunt dat splitsing niet in strijd is met het streekplan. Subsidiair betoogt zij dat het college had moeten bezien of afwijking van het streekplan is gerechtvaardigd. Voorts acht zij de bestemming "Glastuinbouwbedrijf (GT)" en de bestemming "Agrarisch doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" voor haar gronden niet in overeenstemming met de feitelijke situatie. Zij acht het tevens onjuist dat haar gronden zijn aangeduid als 'gebieden met waardevolle vegetaties', 'foerageergebied taigarietgans' en 'bolle akker'. Zij wijst erop dat de desbetreffende gronden zijn geëgaliseerd en in gebruik zijn voor containerteelt en dat het aanlegvergunningvereiste bij afwezigheid van te beschermen waarden, niet noodzakelijk en onnodig bezwarend is voor de bedrijfsvoering. 2.33.1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat splitsing van het bouwvlak in strijd is met het streekplan omdat sprake is van nieuwvestiging. Het streekplan definieert nieuwvestiging als de projectie van een agrarisch bouwblok op een locatie die volgens het ter plaatse geldende bestemmingsplan niet is voorzien van een agrarisch bouwblok.

Nu het voorheen geldende bestemmingsplan niet voorzag in twee afzonderlijke bouwblokken op het perceel [locatie 2], leidt inwilliging van het verzoek van [appellanten sub 17] tot nieuwvestiging als bedoeld in het streekplan en derhalve tot strijd met het streekplan. In hetgeen [appellanten sub 17]

ter zake heeft betoogd, ziet de Afdeling geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het college in dit geval aanleiding had moeten zien af te wijken van het streekplan. Bij dit oordeel betrekt de Afdeling dat het college in redelijkheid heeft kunnen instemmen met het standpunt van de raad van de gemeente Boxtel, inhoudende dat niet valt in te zien welk reconstructiedoel wordt gediend met de nieuwvestiging van een agrarisch bouwblok in een extensiveringsgebied, zelfs als door de splitsing het bestaande bouwblok, waarop een intensieve veehouderij mag worden uitgeoefend, wordt gehalveerd. Het enkele feit dat [appellanten sub 17] aan de gemeente Boxtel, in verband met de gewenste afsplitsing, een aanbod heeft gedaan een deel van haar gronden af te staan ten gunste van natuurontwikkeling, behoefde voor het college evenmin aanleiding te zijn van het streekplan af te wijken. 2.33.2. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 17] in zoverre heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 17] is in zoverre ongegrond. 2.34.

Uit het deskundigenbericht kan worden afgeleid dat [appellanten sub 17] ter plaatse een boomteeltbedrijf exploiteert. In het bestemmingsplan is een boomteeltbedrijf gedefinieerd als een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van beplantingsgewassen (…), een en ander in de vorm van vollegrondsteelt of containerteelt. Een glastuinbouwbedrijf is in het bestemmingplan, voor zover hier van belang, gedefinieerd als een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf waarin de productie geheel of in overwegende mate plaatsvindt in kassen. Een agrarisch bedrijf is in het bestemmingsplan, voor zover hier van belang, gedefinieerd als een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen (houtteelt en boomkwekerijen daaronder begrepen), niet zijnde een glastuinbouwbedrijf. De Afdeling stelt vast dat voornoemde begripsbepalingen er aan in de weg staan dat op gronden met de bestemming "Glastuinbouwbedrijf (GT)" een boomteeltbedrijf wordt uitgeoefend, nu een glastuinbouwbedrijf geen agrarisch bedrijf is als bedoeld in het bestemmingsplan. Niet gebleken is dat is beoogd de activiteiten van [appellanten sub 17] in de glasopstand niet als zodanig te bestemmen. 2.34.1.

De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 17] in zoverre heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Door het plan op dit punt niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Glastuinbouwbedrijf (GT)", wat betreft de gronden van [appellanten sub 17]. Uit het vorenstaande volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan het voornoemde plandeel. 2.35. De overige gronden van [appellanten sub 17] zijn bestemd voor "Agrarisch doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)". Ingevolge artikel 7.1, onder a, zijn de gronden onder meer bestemd voor de instandhouding van de agrarische exploitatiemogelijkheden voor reële agrarische bedrijven. De Afdeling stelt vast dat de uitoefening van het boomteeltbedrijf van [appellanten sub 17] op de als zodanig bestemde gronden, is toegelaten.

De gronden van [appellanten sub 17] met de bestemming "Agrarisch doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" zijn op de ecologische waardenkaart aangeduid als 'gebieden met waardevolle vegetaties' en deels als 'foerageergebied taigarietgans'. De bestemming "Agrarisch doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" in combinatie met voornoemde aanduidingen brengt blijkens de tabel "Aanlegvergunningen" met zich dat bepaalde werken en werkzaamheden eerst zijn toegelaten na een aanlegvergunning, of zijn aangemerkt als

strijdig gebruik. 2.36. Blijkens het deskundigenbericht beslaan de teelt in de volle grond en de containerteelt een oppervlakte van 18.000 m² respectievelijk 37.000 m² . Blijkens het deskundigenbericht zijn de gronden die in gebruik zijn als containerveld geëgaliseerd en bedekt met waterdichte folie, filtratiemateriaal en waterdoorlatende folie. Hierop worden planten en struiken in plastic potten (containers) geplaatst. De containervelden worden in langgerekte stroken aangelegd en gescheiden door betonnen paden. Gelet op de inrichting en het intensieve gebruik van de percelen met de bestemming "Agrarisch doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" acht de Afdeling niet toereikend gemotiveerd welke waarden voornoemde aanduidingen rechtvaardigen. Bij dit oordeel betrekt de Afdeling tevens dat blijkens de plantoelichting een geschikt foerageergebied voor de taigarietgans wordt gekenmerkt door openheid, rust en vochtig grasland. De gronden van [appellanten sub 17] hebben deze kenmerken niet. Voor zover [appellanten sub 17] heeft betoogd dat haar gronden op plankaart 8 ten onrechte zijn aangeduid als 'bolle akker/open akker', overweegt de Afdeling dat de gronden op plankaart 8 niet als zodanig zijn aangeduid. Dit onderdeel van het beroep mist derhalve feitelijke grondslag. 2.36.1.

De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 17] in zoverre heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellanten sub 17] is ook in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de aanduiding 'gebieden met waardevolle vegetaties' en 'foerageergebied taigarietgans' van de gronden van [appellanten sub 17] op plankaart 7 'ecologische waardenkaart'. Nu de Afdeling in overweging 2.8.4. reeds zelfvoorziend goedkeuring heeft onthouden aan alle plandelen met de bestemming "Agrarisch doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)", waarvan deze aanduidingen deel uitmaken, is het college niet bevoegd een nieuw besluit voor dit planonderdeel te nemen. De raad dient bij het vaststellen van een nieuw plan het bovenstaande in acht te nemen. Het beroep van [appellant sub 18] 2.37. [appellant sub 18] stelt dat het bestemmingsplan op haar perceel aan de [locatie 18], ten onrechte niet voorziet in de bouw van een woning. Zij betoogt dat er voor het college voldoende aanleiding bestond af te wijken van het streekplan. 2.37.1.

Anders dan [appellant sub 18] heeft betoogd, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college er in redelijkheid niet van mocht uitgaan dat het perceel in het buitengebied ligt. Bij dit oordeel betrekt de Afdeling dat het perceel blijkens bij het deskundigenbericht gevoegde foto's ten oosten van de Heuvelstraat ligt, die door het college in redelijkheid beschouwd kan worden als de begrenzing van de ten westen daarvan gelegen kern Liempde. De hoofdfunctie van de gronden ten oosten van de Heuvelstraat is agrarisch. Dat het perceel is gelegen tussen twee burgerwoningen, leidt niet tot een ander oordeel, nu deze burgerwoningen aan het gebied ten oosten van de Heuvelstraat niet het agrarisch karakter ontnemen. Blijkens paragraaf 3.4.13 van het streekplan is het beleid erop gericht het wonen zoveel mogelijk te concentreren in kernen, en op het tegengaan van spreiding van woonbebouwing om verdere verstening van het buitengebied te voorkomen. Het college heeft dit beleid, gelet op de ligging van het perceel, op goede gronden toegepast. Het college is bevoegd af te wijken van een beleidslijn uit hoofdstuk 3 van het streekplan in die gevallen waarin de handhaving van de beleidslijn gevolgen zou hebben, die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidslijn te dienen doelen. In hetgeen [appellant sub 18] heeft betoogd

kan geen aanknopingspunt gevonden worden voor het oordeel dat handhaving van de beleidslijn die is gericht op het voorkomen van verstening van het buitengebied, voor [appellant sub 18] gevolgen heeft die onevenredig zijn tot de met de beleidslijn te dienen doelen. 2.37.2. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 18] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 18] is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 19] 2.38. [appellant sub 19] heeft bezwaren tegen de bestemming "Bos/beplantingsstrook (BO)" die aan een deel van zijn gronden is toegekend. Hij voert daartoe aan dat met de gemeente Boxtel is afgesproken de agrarische bestemming van een groot gedeelte van zijn gronden te handhaven. 2.38.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de toegekende bestemming in overeenstemming is met de afspraken die zijn gemaakt tussen [appellant sub 19] en het gemeentebestuur van Boxtel. De door [appellant sub 19] gewenste bestemming laat volgens het college ook gebruik toe dat niet in overeenstemming is met voornoemde afspraken.

Het college acht dit niet gewenst. 2.38.2. [appellant sub 19] exploiteert ter plaatse een handel in volumineuze ijzerwaren op het perceel van een voormalige boomkwekerij. Onder de voorwaarde dat [appellant sub 19] een adequaat landschapsplan overlegt, zijn hem in het voorliggende plan uitbreidingsmogelijkheden geboden. Het college van burgemeester en wethouders van Boxtel heeft [appellant sub 19] bij brief van 8 september 2005 gewezen op de met hem gemaakte afspraken, waarbij onder punt 6 tevens is vermeld: "(…) handhaving van de agrarische bestemming voor een aanzienlijk gedeelte van het perceel (…)". Anders dan [appellant sub 19], leest de Afdeling hier niet in dat het college heeft toegezegd aan de overige gronden van [appellant sub 19] de door hem gewenste agrarische bestemming toe te kennen. Daarbij betrekt de Afdeling dat ter zitting van de zijde van de gemeente Boxtel is toegelicht dat met deze passage is beoogd uitdrukkelijk aan te geven dat de bedrijfsactiviteiten van [appellant sub 19] beperkt dienen te blijven tot zijn gronden die in het voorliggende plan als zodanig zijn bestemd. Uit een door het Brabants Landschap opgesteld beplantingsplan blijkt dat een deel van de gronden zal worden ingericht als bloemrijk grasland. Aan de desbetreffende gronden is de bestemming "Bos/beplantingsstrook (BO)" toegekend.

Ingevolge het bepaalde in artikel 9.1, onder a, zijn deze gronden onder meer bestemd voor groenvoorzieningen. De bestemming laat derhalve het gebruik zoals neergelegd in het beplantingsplan toe. [appellant sub 19] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het toekennen van deze bestemming belemmeringen oplevert voor zijn handel in volumineuze ijzerwaren. 2.39. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 19] in zoverre heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 19] is in zoverre ongegrond.

Sportpark de Renbaan 2.40. [appellanten sub 21], de ZLTO, Afdeling Boxtel-Liempde, [appellant sub 19], en [appellant sub 28], hebben een groot aantal beroepsgronden aangevoerd tegen het plandeel met de bestemming "Sportdoeleinden (S)". Onder meer hebben zij betoogd dat niet alle stukken die betrekking hebben op het ontwerp-plan, ter inzage hebben gelegen. 2.40.1. Aan gronden aan de Renbaan is de bestemming "Sportdoeleinden (S)" toegekend. Ingevolge artikel 16, eerste lid, zijn deze gronden, voor zover hier van belang, bestemd voor sportvoorzieningen, met uitzondering van voorzieningen ten behoeve van gemotoriseerde en gemechaniseerde sporten; daarbij behorende voorzieningen, zoals een sportkantine, kleedaccommodatie, tribune, en landschappelijke inpassing. 2.40.2. Het ontwerp-bestemmingsplan heeft blijkens de publicaties ter inzage gelegen van 17 maart 2006 tot en met 27 april 2006. In het kader van het voornemen van het college van burgemeester en wethouders van Boxtel vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO, te verlenen voor de oprichting van een sportcomplex aan de Renbaan, zijn ten behoeve van de ruimtelijke onderbouwing aanvullende onderzoeken verricht. [appellant sub 19] heeft in dit verband gewezen op aanvullende onderzoeken van Arcadis van 27 januari 2006 en van 20 maart 2006.

Deze hebben ondermeer betrekking op luchtkwaliteit, geluidhinder, verkeersaantrekkende werking, flora en fauna, en archeologie. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van de gemeente Boxtel desgevraagd verklaard dat de aanvullende onderzoeken zijn verzonden aan degenen die vanwege de procedure ex artikel 19, lid 1, van de WRO, een zienswijze kenbaar hebben gemaakt. Gelet op het onderzoek ter zitting moet ervan worden uitgegaan dat de aanvullende onderzoeken van Arcadis van 27 januari 2006 en 20 maart 2006, niet tezamen met het ontwerp-bestemmingsplan ter inzage hebben gelegen. Deze stukken dienen te worden aangemerkt als stukken die betrekking hebben op het ontwerpbestemmingsplan, die redelijkerwijs nodig waren voor de beoordeling van het ontwerp. Deze hadden derhalve gelet op artikel 3:11, eerste lid, van de Awb met het ontwerpplan ter inzage moeten worden gelegd. Dat deze stukken, naar ter zitting door de vertegenwoordiger van de gemeente Boxtel is verklaard, zijn toegezonden aan degenen die vanwege de procedure ex artikel 19, lid 1, van de WRO, een zienswijze kenbaar hebben gemaakt, kan niet afdoen aan de verplichting de stukken tezamen met het ontwerp-bestemmingsplan voor een ieder ter inzage te leggen. 2.40.3.

De beroepsgronden van [appellanten sub 21], de ZLTO, Afdeling Boxtel-Liempde, [appellant sub 19], en [appellant sub 28], houden verband met het beoogde gebruik van de van de thans nog agrarische gronden. Daarbij hebben [appellanten sub 21] er tevens op gewezen te vrezen voor muziekevenementen die op het sportcomplex plaats zullen vinden. 2.40.4. De Afdeling is van oordeel dat artikel 16, eerste lid, van de planvoorschriften, onvoldoende aanknopingspunten biedt voor een deugdelijke beoordeling van de beroepen, nu daaruit niet kan worden afgeleid welk gebruik van de gronden in overeenstemming met het bestemmingsplan kan worden geacht. Bij dit oordeel betrekt de Afdeling dat in de voorschriften uitsluitend is vastgelegd voor welke voorzieningen de gronden zijn bestemd zonder nadere regulering. De Afdeling acht een dergelijke bestemmingsregeling uit een oogpunt van rechtszekerheid niet aanvaardbaar. Het college heeft dit ten onrechte niet onderkend. 2.40.5. Gelet op het vorenstaande is het plan, voor zover dat betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Sportdoeleinden (S)", vastgesteld in strijd met artikel 3:11, eerste lid, van de Awb in samenhang met artikel 23, eerste lid, van de WRO. Door het plan niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met deze artikelen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

De conclusie is voorts dat voornoemd plandeel is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid. Door het plan in zoverre goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

De beroepen van [appellanten sub 21], en [appellant sub 28] zijn gegrond. De beroepen van [appellant sub 19] en de ZLTO, Afdeling Boxtel-Liempde zijn in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Sportdoeleinden (S)". Uit het voorgaande volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemming "Sportdoeleinden (S)". Het beroep van Het groene hart 2.41. Het groene hart stelt dat het college de bestemming voor het geologische museum de "Groene Poort" ten onrechte heeft goedgekeurd, omdat de desbetreffende bestemming is toegekend in strijd met een eerdere uitspraak van de Afdeling. Voorts voert Het groene hart aan dat het college een deel van haar bedenkingen ten onrechte buiten behandeling heeft gelaten. 2.41.1. Het groene hart heeft bij brief van 31 januari 2007 bedenkingen naar voren gebracht. In haar bedenkingen geeft Het groene hart - zakelijk weergegeven - aan, bezwaren te hebben tegen de gewijzigde planvaststelling. Tevens wordt aangekondigd dat het college een nadere reactie tegemoet kan zien. In het bestreden besluit stelt het college op pagina 125, punt 3.48.2, dat geen nadere reactie van Het groene hart is ontvangen.

Bij haar beroepschrift heeft Het groene hart een brief van 12 februari 2007 gevoegd, die is gericht aan het college. In haar reactie op het deskundigenbericht stelt het college dat de brief van 12 februari 2007 niet bekend is bij het college en daar ook nimmer is ontvangen. De Afdeling is van oordeel dat het college voldoende geloofwaardig heeft ontkend dat de brief van 12 februari 2007 is ontvangen. Onder deze omstandigheden ligt het op de weg van Het groene hart aan te tonen dat de brief van 12 februari 2007 daadwerkelijk is verzonden. Het groene hart is daarin niet geslaagd. De Afdeling ziet derhalve geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college niet op alle bedenkingen Van het groende hart is ingegaan. Dit onderdeel van het beroep slaagt niet. 2.42. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 9 november 2005, nr. 200500006/1 over het uitwerkingsplan "De Groene Poort" overwogen dat het uitwerkingsplan rechtsonzeker is omdat de bestemmingen "Hoofdgebouw -G-" en "Zoombeplanting" elkaar overlappen, zodat aan een deel van de gronden gelijktijdig twee verschillende bestemmingen zijn toegekend. In het voorliggende plan is aan het perceel van het museum de bestemming "Dagrecreatieve doeleinden (RD)" toegekend. Ingevolge artikel 14.1, lid 1, van de planvoorschriften zijn de gronden ondermeer voor een museum, en parkeer- en groenvoorzieningen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Raalte&id=b039e3a0-3ff7-40de-9cc7-faf914efcf54