CConstaterende datRaalte
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 8 Uitspraak raad van State

Raadsvergadering 14 maart 2024, gemeente RaalteBij agendapunt: Vaststellen Correctieve herziening bestemmingsplan Buitengebied Raalte, Schanebroeksweg 11 en 13 (bespreekstuk)25.985 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

De functies zijn toegelaten binnen het gehele bestemmingsvlak. Anders dan de Werkgroep betoogt, valt uit voornoemde uitspraak van de Afdeling niet af te leiden dat de zoombeplanting op het perceel uit een oogpunt van rechtszekerheid als zodanig bestemd dient te worden. Hoewel door de wijze van bestemmen in het voorliggende plan een eventuele uitbreiding van het museum ten koste kan gaan van de zoombeplanting, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college de planregeling voor het perceel niet aanvaardbaar heeft kunnen achten. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het perceel blijkens het deskundigenbericht grotendeels onbebouwd is, zodat een uitbreiding niet noodzakelijkerwijs ten koste behoeft te gaan van de zoombeplanting, en dat het college van burgmeester en wethouders van Boxtel ingevolge de planvoorschriften nadere eisen kan stellen aan de situering van bebouwing. 2.42.1. De conclusie is dat hetgeen Het groene hart in zoverre heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van Het groene hart is ongegrond.

Het beroep van de Werkgroep en andere

2.43. Het college heeft goedkeuring onthouden aan artikel 3.6.2, aanhef, leden a, tot en met e, en aan het gelijkluidende artikel 5.7.3, aanhef en leden a tot en met e, van de planvoorschriften. Voorts heeft het college goedkeuring onthouden aan de in beide bepalingen voorkomen zinsnede 'vastgesteld door Gedeputeerde Staten op 2 december 2003'. Voornoemde bepalingen geven een nadere invulling van het begrip duurzame locatie, alwaar na toepassing van een wijzigingsbevoegdheid de nieuwvestiging van intensieve veehouderijen mogelijk is. 2.43.1. De Werkgroep en andere stellen dat het college de onthouding van goedkeuring niet toereikend heeft gemotiveerd. 2.43.2. In artikel 3.6.2. van de planvoorschriften is het volgende bepaald: "Bij de toepassing van 3.6.1. onder h wordt ten aanzien van de onder sub 2 genoemde voorwaarde in aanmerking genomen dat geen sprake is van een duurzame locatie als de locatie is gelegen in het nationaal landschap het Groene Woud, en tevens is gelegen a. in de op de ontwikkelingenkaart (plankaart 9) aangegeven extensiveringsgebieden; b. in de op plankaart 10 aangegeven Regionale Natuur- en Landschapseenheden; c. op een afstand van minder dan 500 meter van een Vogel- en/of Habitatrichtlijngebied (zie bijlage 1 van de toelichting); d.

grenzend aan de bestemming agrarisch gebied met landschappelijke waarde en/of de agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurwetenschappelijke waarde; e. in een gebied dat op de ecologische waardenkaart (plankaart 7) is aangegeven als gebieden met waardevolle vegetaties, leefgebied vogels halfopen cultuurlandschap of leefgebied struweelvogels. De toetsing of sprake is van een duurzame locatie dient voorts plaats te vinden aan de hand van de Handleiding duurzame locaties en duurzame projectlocaties voor de intensieve veehouderij, vastgesteld door Gedeputeerde Staten op 2 december 2003 en integraal onderdeel uitmakend van het reconstructieplan.". 2.43.3. Anders dan de Werkgroep en andere hebben betoogd, vormt reeds het feit dat het nationaal landschap het Groene Woud op de plankaart niet is aangeduid, voldoende motivering voor de onthouding van goedkeuring. Door het ontbreken van die aanduiding, kan niet worden vastgesteld welke locaties als duurzame locatie in de zin van het bestemmingplan zijn aangemerkt. Het college heeft dit terecht in strijd met de rechtszekerheid geacht. Voorts heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gestelde voorwaarden, als aanvulling op het streekplanbeleid, van een deugdelijke onderbouwing dienen te worden voorzien.

De enkele stelling in de plantoelichting dat de aanvullende criteria bedoeld zijn om te voorkomen dat duurzame locaties op kwetsbare gronden liggen, heeft het college in redelijkheid onvoldoende kunnen achten. Voorts heeft het college in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat het bepaalde in artikel 6.2.1., lid d, te ruim is. Niet alle gronden die op welke wijze dan ook aan de bedoelde plandelen grenzen, kunnen op voorhand worden uitgesloten als duurzame locatie. Nu het kennelijk de bedoeling van de raad is geweest de "Handleiding duurzame locaties en duurzame projectlocaties voor de intensieve veehouderij", zoals die onderdeel uitmaakt van het reconstructieplan, bij de toetsing te betrekken, heeft verweerder terecht goedkeuring onthouden aan de zinsnede 'vastgesteld door Gedeputeerde Staten op 2 december 2003'. Immers, de Handleiding maakt eerst deel uit van het reconstructieplan door de vaststelling daarvoor door Provinciale Staten. 2.43.4. De conclusie is dat hetgeen de Werkgroep en andere hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen

dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van de Werkgroep is in zoverre ongegrond. 2.44. De Werkgroep en andere stellen dat water- en bodemwaarden in de beekdalen van de Kleine Aa en de Essche Stroom, ten onrechte niet zijn beschermd voor middel van een aanlegvergunning. Daardoor kunnen onomkeerbare ontwikkelingen plaatsvinden in deze natuurontwikkelingsgebieden. Voorts betoogt de Werkgroep dat voor het zuidelijke deel van het beekdal van de Blauwhoefse Loop, mede gelet op de cultuurhistorische waarden, een GHS-bestemming noodzakelijk is. 2.44.1. Het college heeft in aanmerkingen genomen dat de beekdalen van de Kleine Aa en de Essche Stroom zijn gelegen in de GHS-landbouw van het streekplan, en daarin tevens nader zijn aangeduid als "natuurontwikkelingsgebied". Met de aan de desbetreffende gronden toegekende bestemming "Agrarisch doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)", in combinatie met de in het plan opgenomen bevoegdheid de bestemming van deze gronden te wijzigen in "Natuur (N)", acht het college het streekplanbeleid voor deze gronden voldoende veilig gesteld.

Ten aanzien van het zuidelijke deel van het beekdal van de Blauwhoefse Loop heeft het college verwezen naar het standpunt van de raad, inhoudende dat deze gronden niet in de GHS liggen, en dat de aanwezige waarden afdoende zijn beschermd. 2.44.2. Natuurontwikkelingsgebieden bestaan blijkens het streekplan uit landbouwgronden (vooral in beekdalen en uiterwaarden), die bijzonder geschikt zijn voor het ontwikkelen van nieuwe natuur. In de natuurontwikkelingsgebieden gaat het er volgens het streekplan om dat ruimtelijke ingrepen achterwege blijven, die natuurontwikkeling in de nabije of verdere toekomst kunnen frustreren. De enkele stelling van de Werkgroep en andere, dat er door een gebrek in het aanlegvergunningstel werken en werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden die de natuurontwikkeling kunnen frustreren, acht de Afdeling onvoldoende concreet om daaraan het door hen gewenste gewicht toe te kennen. Ten aanzien van hetgeen is betoogd over het beekdal van de Blauwhoefse Loop, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het college ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat de GHS in het voorliggende plan onjuist is begrensd. 2.44.3.

De conclusie is dat hetgeen de Werkgroep en andere in zoverre hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van de Werkgroep en andere is in zoverre ongegrond. 2.45. De Werkgroep en andere stellen dat twee bestaande glastuinbouwbedrijven hun glasopstanden in strijd met het streekplan tot drie hectare kunnen uitbreiden. 2.45.1. Het college heeft zich in navolging van de raad, op het standpunt gesteld dat ten aanzien van beide glastuinbouwbedrijven maatwerk is geleverd. 2.45.2. Het bouwvlak van het glastuinbouwbedrijf [locatie 19] heeft blijkens het deskundigenbericht een oppervlakte van 1,75 hectare. Dit bouwvlak kan ingevolge de wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6.7.1., lid c, van de planvoorschriften worden uitgebreid tot maximaal drie hectare. Glastuinbouwbedrijven buiten de doorgroeigebieden in de GHS mogen blijkens het streekplan hun bouwblok niet uitbreiden. Glastuinbouwbedrijven buiten doorgroeigebieden in de AHS-landschap dan wel de AHS-landbouw mogen volgens het streekplan hun glasopstand uitbreiden tot drie hectare.

De Afdeling stelt vast dat het college bij zijn standpunt niet het antwoord op de vraag heeft betrokken, in welk van vorenbedoelde gebieden het glastuinbouwbedrijf [locatie 19] is gelegen.

2.45.3. De conclusie is dat hetgeen De Werkgroep en andere in zoverre hebben aangevoerd, aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van de Werkgroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan artikel 6.7.1, lid c, van de planvoorschriften, voor zover dat betrekking heeft op het glastuinbouwbedrijf [locatie 19]. Nu de Afdeling in overweging 2.8.4. reeds zelfvoorziend goedkeuring heeft onthouden aan alle plandelen met de bestemming "Agrarische doeleinden met landschappelijke waarden (AL)" en derhalve ook aan voornoemd planonderdeel, is het college niet bevoegd een nieuw besluit voor dit planonderdeel te nemen. De raad dient bij het vaststellen van een nieuw plan het bovenstaande in acht te nemen. 2.45.4. Anders dan de Werkgroep en andere hebben betoogd, kan de glasopstand op het perceel [locatie 20] op grond van het bestemmingsplan niet worden uitgebreid. Het bouwvlak wordt deels omringd door gronden met de bestemming "Agrarisch doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)".

Deze bestemming kan ingevolge het voorliggende plan niet worden gewijzigd ten gunste van de uitbreiding van een glastuinbouwbedrijf. De glasopstand kan evenmin worden uitgebreid op gronden met de bestemming "Agrarische doeleinden (AD)", nu deze gronden blijkens de plankaart door middel van een weg gescheiden worden van het bestemmingsvlak van het glastuinbouwbedrijf. Daardoor wordt niet voldaan aan het in het artikel 5.7.1, lid g, onder 1, van de planvoorschriften genoemde vereiste dat de gronden met de bestemming "Agrarische doeleinden (AD)" moeten grenzen aan het bestemmingsvlak van het glastuinbouwbedrijf. Het betoog van de Werkgroep ten aanzien van het plandeel [locatie 20] faalt derhalve. 2.46. De Werkgroep en andere betogen dat boomteelt en diverse tuinbouwvoorzieningen zonder aanlegvergunning zijn toegestaan in de gebieden met de bestemming "Agrarische doeleinden met landschappelijke waarde (AL)" of de bestemming "Agrarische doeleinden (AD)", die tevens zijn aangeduid als 'gebieden met waardevolle vegetaties', of als 'leefgebied struweelvogels', of als 'leefgebied dassen' of als 'leefgebied vlinders'. Volgens de Werkgroep is dit in strijd met het streekplan. Voorts wijzen zij erop dat de criteria voor de vergunningverlening geen deel uitmaken van de planvoorschriften.

Bovendien ontbreken belangrijke criteria, zoals de status van het gebied in het rijks- en provinciaal beleid, de cumulatieve effecten van kleine ingrepen, en de gevolgen van de ingreep voor de schaal van het landschap. Voorts betogen de Werkgroep en andere dat de aanduiding 'overig bos' blijkens de tabel "aanlegvergunningen' ook voorkomt in de AHS. Dit is in strijd met het streekplan. 2.46.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de provinciale GHS in het bestemmingsplan toereikend is beschermd. De gebieden die in het bestemmingsplan de bestemming "Agrarische doeleinden (AD)" of "Agrarische doeleinden met landschappelijke waarde (AL)" hebben gekregen vertegenwoordigen volgens het college geen waarden die van belang zijn voor het provinciale schaalniveau. Vanwege het feitelijke agrarische gebruik acht het college het redelijk dat op deze gronden een lichter aanlegvergunningregime van toepassing is dan voor de bescherming van de dezelfde waarden die voorkomen in de GHS. 2.46.2. In hetgeen de Werkgroep en andere hebben betoogd, kan geen aanknopingspunt worden gevonden voor het oordeel dat het bestemmingsplan een verdergaande bescherming dient te bieden dan in het streekplan is vermeld.

Bij dit oordeel betrekt de Afdeling tevens dat de Werkgroep haar stelling niet heeft onderbouwd, bijvoorbeeld door het concreet specificeren van plandelen waar grondgebruik is toegelaten dat in redelijkheid, gelet op de betrokken natuurbelangen, niet kan worden aanvaard. 2.46.3. De conclusie is dat hetgeen de Werkgroep en andere in zoverre hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft

kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van de Werkgroep en andere is in zoverre ongegrond. 2.47. De Werkgroep en andere voeren aan dat niet alle gronden die op de ecologische waardenkaart zijn aangeduid als 'overig bos' een bestemming hebben gekregen die in overeenstemming is met het streekplan. Daardoor is op het deze gronden van toepassing zijnde aanlegvergunningstelsel niet toereikend. 2.47.1. Het college heeft verwezen naar paragraaf 3.4.5 van het streekplan, waaruit blijkt dat in de AHS-landbouw geen natuurwaarden en daarmee samenhangende landschapswaarden aanwezig zijn die van belang zijn voor het provinciale schaalniveau. Gebieden in de AHS-landbouw met de hoofdfunctie "bos en natuur", moeten volgens het streekplan op dezelfde wijze worden beschermd als de GHS en de AHS-landschap. Volgens het college is deze bescherming door het toekennen van de bestemmingen "Natuur (N)", "Bos/beplantingsstrook (BO)"en "Agrarisch doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" toereikend.

Gelet op het feitelijke gebruik van de overige gebieden met natuur- en landschapswaarden in de AHS-landbouw acht verweerder de bestemming "Agrarische doeleinden met landschappelijke waarde (AL)" en "Agrarische doeleinden (AD)" en het daaraan gekoppelde aanlegvergunningstelsel toereikend. 2.47.2. De Afdeling stelt vast dat het college uitvoerig op deze bedenking is ingegaan. Nu de Werkgroep en andere in beroep hun algemene stelling handhaven, maar niet concreet hebben aangeduid in welke gebieden die zijn aangeduid als 'overig bos', werken en werkzaamheden zijn toegelaten die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moeten worden geacht, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college dit standpunt in redelijkheid niet kon innemen. 2.47.3. De conclusie is dat hetgeen de Werkgroep en andere in zoverre hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van de Werkgroep en andere is in zoverre ongegrond. 2.48.

De Werkgroep en andere stellen dat het plan na vrijstelling al dan niet permanente hoge tuinbouwvoorzieningen mogelijk maakt in gebieden die als 'leefgebied das' en 'leefgebied struweelvogels' zijn aangeduid. Zij achten dit in strijd met het streekplan. 2.48.1. Het college heeft het bestemmingsplan, voor zover daarbij de hiervoor genoemde teeltondersteunende voorzieningen na vrijstelling kunnen worden opgericht, niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht. 2.48.2. In hetgeen de Werkgroep en andere hebben betoogd, kan geen grond gevonden worden voor het oordeel dat de vrijstellingsbevoegdheden in het algemeen onaanvaardbaar moet worden geacht. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat niet dan na afweging van alle belangen, waaronder de belangen die zijn gediend met het behoud van desbetreffende leefgebieden, vrijstelling kan worden verleend. 2.48.3. De conclusie is dat hetgeen de Werkgroep en andere in zoverre hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit

anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van de Werkgroep en andere is in zoverre ongegrond. 2.49. De Werkgroep en andere stellen dat het plan ten onrechte voorziet in de nieuwvestiging van een agrarische bedrijf op een locatie aan de De Donders. De kwaliteiten van het gebied, waaronder een waardevol akkercomplex, worden daardoor ernstig aangetast. 2.49.1. Ingevolge het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1994" van de gemeente Boxtel, was ter plaatse een agrarisch bouwblok toegekend. Het streekplan definieert nieuwvestiging als de projectie van een agrarisch bouwblok op een locatie die volgens het ter plaatse geldende bestemmingsplan niet is voorzien van een agrarisch bouwblok. Anders dan de Werkgroep heeft betoogd, is er derhalve geen sprake van nieuwvestiging van een agrarische bedrijf op deze locatie. 2.49.2. De conclusie is dat hetgeen de Werkgroep en andere hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van de Werkgroep en andere is in zoverre ongegrond. 2.50.

De Werkgroep en andere betogen dat de ecologische verbindingszone Sparrenrijk-Kampina, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 6 oktober 1998, E01.95.0521, in het voorliggende bestemmingsplan onjuist is begrensd. 2.50.1. De Afdeling heeft in voornoemde uitspraak slechts geoordeeld dat het college niet adequaat is ingegaan op het bezwaar tegen de bestemming van desbetreffende gronden. Anders dan de Werkgroep betoogt, bevat voornoemde uitspraak van de Afdeling geen oordeel over de begrenzing van de strook. De conclusie is dat hetgeen de Werkgroep en andere hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van de Werkgroep en andere is in zoverre ongegrond. Het beroep van [appellant sub 24] 2.51. [appellant sub 24] voert aan dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming "Natuurgebied (N)" die is toegekend aan bossen en lanen op het landgoed "De Eikenhorst".

Hij voert daartoe aan dat sprake is van een productiebos, en dat dit bestaande gebruik, ook mede gelet op het geen in de plantoelichting is vermeld, binnen de bestemming niet is toegelaten. Dat voor het rooien van houtgewas een aanlegvergunning verleend kan worden acht hij onevenredig belemmerend voor de exploitatie van het productiebos. 2.51.1. Het college acht de bestemming "Natuurgebied (N)" gerechtvaardigd, gelet op de ligging van de gronden in de GHS-natuur. Het rooien van houtgewas is mogelijk na een verleende aanlegvergunning en voor werken en werkzaamheden die de normale exploitatie betreffen geldt geen aanlegvergunningplicht, aldus het college. 2.51.2. Uit het deskundigenbericht kan worden afgeleid dat het landgoed een omvang heeft van 60 hectare, waarvan 35 hectare in gebruik is als productiebos. De overige gronden zijn in gebruik als maïs- en grasland. Met de opbrengsten van het productiebos en de landbouwgronden wordt het landgoed in stand gehouden.

Het landgoed is blijkens de streekplankaart gelegen in de hoofdzone GHS-natuur en in de subzone "Overig bos en natuurgebied". Uit bladzijde 99 van het streekplan blijkt dat deze subzone grotendeels betrekking heeft op (productie)bossen op droge gronden en graslanden. Ingevolge artikel 8.1, lid a en lid b, zijn de tot "Natuurgebied (N)" bestemde gronden bestemd voor het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de natuurlijke, natuurwetenschappelijke en de landschappelijke waarden, en voor het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de waarden zoals die blijkens de ecologische waardenkaart op die gronden voorkomen. Het landgoed is voor zover hier van belang, op de ecologische waardenkaart aangeduid als 'overig bos'. Ingevolge artikel 8.4.1, onder a, van de planvoorschriften, gelezen in samenhang met de "Tabel aanlegvergunnningen", is het rooien van houtgewas op gronden met de bestemming "Natuurgebied (N)" en de aanduiding 'overig bos' aanlegvergunningplichtig. 2.51.3. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de bestemming "Natuurgebied (N)" niet in de weg staat aan het bedrijven van productiebosbouw op het landgoed. Noch de planvoorschriften, noch de plantoelichting, bieden aanknopingspunten voor dit standpunt.

Daarbij neemt de Afdeling tevens in aanmerking dat het bestemmingsplan de bestemming "Bos/beplantingsstrook" kent, die blijkens de plantoelichting expliciet mede is gericht op het gebruik van de als zodanig bestemde gronden als productiebos. Gelet hierop heeft verweerder zich voorts ten onrechte op het standpunt gesteld dat het rooien van houtgewas is toegestaan na een verleende aanlegvergunning. Nu de bestemming het gebruik van de gronden als productiebos niet toelaat, kan dit gebruik niet alsnog na een verleende aanlegvergunning toelaatbaar worden geacht. 2.51.4. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 24] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met de rechtzekerheid, nu de bestemming het bestaande feitelijke gebruik niet toelaat, en overigens niet is gebleken dat is beoogd dit gebruik niet als zodanig te bestemmen. Door het plan in zoverre niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep van [appellant sub 24] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover daar goedkeuring is verleend aan de bestemming "Natuurgebied (N)" van het landgoed "De Eikenhorst".

Uit het voorgaande volgt tevens dat rechtens slechts één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan het genoemde plandeel. 2.52. [appellant sub 24] betoogt voorts dat de gronden op het landgoed die als gras- en maisland in gebruik zijn ten onrechte zijn bestemd als "Agrarisch doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)". [appellant sub 24] voert aan dat de desbetreffende landbouwgronden intensief als gras- en maisland worden gebruikt en zwaar worden bemest. Tevens zijn deze gronden op de ecologische waardenkaart ten onrechte aangeduid als 'leefgebied das' en als 'gebieden met waardevolle vegetaties'. De feitelijke situatie, noch het streekplan rechtvaardigen deze aanduidingen. Bovendien is het aan deze aanduidingen gekoppelde aanlegvergunningvereiste onnodig belemmerend voor de agrarische bedrijfsvoering. 2.52.1. Het college heeft verwezen naar het standpunt van de raad. Deze heeft erop gewezen dat de landbouwpercelen in de hoofdzone GHS-landbouw van het streekplan liggen en dat derhalve de bestemming "Agrarisch doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" gerechtvaardigd is. De aanduiding 'leefgebied das' is in overeenstemming met het streekplan omdat het op de detailkaarten is aangemerkt als 'leefgebied das'.

De aanduiding 'gebieden met waardevolle vegetaties' is toegekend vanwege het voorkomen van struikheide langs de perceelsranden. 2.52.2. Uit de streekplankaart blijkt dat het landgoed, inclusief de landbouwgronden, in de hoofdzone GHS-natuur en in de subzone "Overig bos- en natuurgebied" ligt. Het standpunt van de raad, dat de landbouwgronden in de hoofdzone AHS-landbouw liggen is derhalve onjuist. Nu deze onjuiste veronderstelling aan het toekennen van de bestemming ten grondslag is gelegd, en overigens niet is

gebleken dat het feitelijk gebruik van de gronden betrokken is bij het toekennen van de bestemming, moet worden geoordeeld dat het bestemmingsplan in zoverre niet zorgvuldig is voorbereid. Op de streekplankaart blijkt dat het landgoed niet ligt in de subzone "leefgebied dassen". Dat niettemin detailplankaarten van de GHS in omloop zijn, waarop het landgoed is aangeduid als 'leefgebied dieren en planten in GHS en AHS (Dassen)' is op zich zelf onvoldoende rechtvaardiging voor het toekennen van deze aanduiding. Dit klemt te meer nu bij het deskundigenbericht een inventarisatiekaart afkomstig van de gemeente Boxtel is overgelegd. Deze kaart is gebaseerd op veldonderzoek dat in 2004 door de Stichting Das & Boom in opdracht van de provincie Noord-Brabant is verricht. Uit deze kaart blijkt dat er op het landgoed geen dassenburchten voorkomen. Daargelaten de vraag of langs de perceelsranden daadwerkelijk struikheide voorkomt en daargelaten de vraag of deze struikheide als zodanig planologisch dient te worden beschermd, is de Afdeling van oordeel dat niet toereikend is gemotiveerd waarom deze planologische bescherming grote delen van de agrarische gronden dient te omvatten, en niet uitsluitend de perceelsranden. 2.52.3.

De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 24] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellant sub 24] is ook in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd, voor zover daar bij goedkeuring is verleend aan de plandelen met de bestemming "Agrarisch doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" en de aanduidingen 'leefgebied das' en de aanduiding 'gebieden met waardevolle vegetaties', die het landgoed "De Eikenhorst" betreffen. Nu de Afdeling in overweging 2.8.4. reeds zelfvoorziend goedkeuring heeft onthouden aan alle plandelen met de bestemming "Agrarisch doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" is het college niet bevoegd een nieuw besluit voor dit planonderdeel te nemen. De raad dient bij het vaststellen van een nieuw plan het bovenstaande in acht te nemen. Het beroep van het college van burgemeester en wethouders van Boxtel 2.53. Het college heeft goedkeuring onthouden aan de aanduiding 'ruimte voor ruimte kavel' op plankaart 9, "Ontwikkelingenkaart" van een perceel aan de Esschebaan.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het perceel niet in een bebouwingscluster of kernrandzone ligt, zodat de aanduiding in strijd is met de regeling 'ruimte-voor-ruimte" van het streekplan. De aanduiding van de desbetreffende gronden in het "Uitwerkingsplan landelijke regio Boxtel, Haaren en Sint-Michielsgestel" als "transformatie afweegbaar" zet het streekplanbeleid voor de gronden niet opzij. Daartoe is een concrete invulling van het verstedelijkingsprogramma van het uitwerkingsplan vereist. 2.53.1. Het college van burgmeester en wethouders van Boxtel stelt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan voornoemde aanduiding. Daartoe wordt aangevoerd dat het "Ontwikkelingsplan Esschebaan" als een voldoende concrete invulling van het verstedelijkingsprogramma moet worden gezien, dat de gronden zijn gelegen in een bebouwingscluster en dat van de zijde van de provincie Noord-Brabant toezeggingen zijn gedaan over de aanvaardbaarheid van de locatie vanwege de regeling 'ruimte-voor-ruimte". 2.53.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eerst met de ontwikkeling van bestemmingsplannen sprake is van een voldoende concrete invulling van de verstedelijkingsopgave van het "Uitwerkingsplan landelijke regio Boxtel, Haaren en Sint-Michielsgestel".

Daarvan was ten tijde van het nemen van het goedkeuringsbesluit nog geen sprake. Het college behoefde derhalve aan het "Ontwikkelingsplan Esschebaan" niet de betekenis toe te kennen die het college van burgemeester en wethouders van Boxtel daaraan toegekend wenst te zien. Hieruit volgt dat verweerder het streekplan op goede gronden bij zijn goedkeuringsbesluit heeft betrokken.

In het streekplan is een bebouwingcluster gedefinieerd als een vlakvormige verzameling van gebouwen bij een kruispunt van wegen in het buitengebied. Gelet op het verhandelde ter zitting en het bij het deskundigenbericht gevoegde beeldmateriaal, voldoet de locatie in geen enkel opzicht aan deze definitie. Dat aan de westzijde van de Esschebaan, waar de locatie is gelegen, mogelijk een sportcomplex zal worden gerealiseerd, leidt niet tot het oordeel dat de locatie binnen de planperiode zal zijn gelegen in een bebouwingscluster. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de gronden niet in een bebouwingscluster liggen, zodat de aanduiding in strijd is met de regeling 'ruimte-voor-ruimte" van het streekplan. Over het betoog van het college van burgemeester en wethouders dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, wordt overwogen dat in het algemeen geen rechten kunnen worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet ter zake beslissingsbevoegden. De bevoegdheid tot goedkeuring van bestemmingsplan berust niet bij ambtenaren van de provincie Noord-Brabant, maar bij het college. Het college heeft bij het ontbreken van een aan hem toe te rekenen toezegging, dan ook niet in strijd met het vertrouwensbeginsel besloten omtrent de goedkeuring van het plan in zoverre. 2.53.3.

De conclusie is dat hetgeen het college van burgemeester en wethouders van Boxtel heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van het college van burgemeester en wethouders van Boxtel is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 27] 2.54. [appellant sub 27] heeft bezwaren tegen de bestemming "Agrarisch doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" die aan een deel van zijn gronden is toegekend. Volgens [appellant sub 27] zijn op deze gronden feitelijk geen natuurwaarden aanwezig die de toegekende bestemming rechtvaardigen. 2.54.1. Het college heeft erop gewezen dat de gronden op de indicatieve detailkaarten van de GHS zijn aangeduid als 'leefgebied kwetsbare soorten' en als 'struweelvogelgebied', en tevens dat de gronden zijn gelegen aan een waterloop met een natuurlijk karakter. Naar het oordeel van de Afdeling kan de verwijzing naar de kaarten en de ligging aan de waterloop niet dienen als een toereikende motivering van het goedkeuringsbesluit in zoverre.

Daarbij acht de Afdeling van belang dat niet is gebleken dat recent onderzoek is verricht naar de natuurwaarden van het perceel. Dit klemt te meer, nu de desbetreffende gronden een relatief geringe oppervlakte hebben, op de plankaart aan drie zijden worden omringd door delen van agrarische bouwvlakken voor intensieve veehouderijen en aan één kant door burgerwoningen. 2.54.2. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 27] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de bestemming "Agrarisch doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" van de gronden van [appellant sub 27], voor zover op de plankaart gelegen tussen de Hezelaarsetraat, Wessendijk en het plandeel met de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)". Nu de Afdeling in overweging 2.8.4. reeds zelfvoorziend goedkeuring heeft onthouden aan alle plandelen met de bestemming "Agrarisch doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" is het college niet bevoegd een nieuw besluit voor dit plandeel te nemen. De raad dient bij het vaststellen van een nieuw plan het bovenstaande in acht te nemen.

Proceskostenveroordeling

2.55. Ten aanzien van [appellant sub 4], [appellant sub 9], [appellante sub 13], [appellante sub 14], [appellant sub 16], [appellanten sub 20], de ZLTO, Afdeling Boxtel-Liempde, [appellant sub 7], [appellant sub 10], [appellanten sub 21], [appellant sub 24], [appellant sub 26 A] en [appellant sub 1], [appellante sub 6], de Werkgroep Natuur- en Landschapsbeheer Boxtel en andere, [appellant sub 12], [appellanten sub 2], [appellante sub 5], [appellanten sub 17], [appellant sub 19] en [appellant sub 27] dient het college op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

2.56. In verband met de proceskosten van de ZLTO-Afdeling Boxtel-Liempde, overweegt de Afdeling als volgt. De ZLTO, Afdeling Boxtel- Liempde, heeft de Afdeling via het "Formulier proceskosten" verzocht het college te veroordelen in de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, de kosten van twee naar de zitting meegebrachte deskundigen, de kosten van drie in opdracht van haar opgestelde deskundigenrapporten, en de reiskosten voor het verschijnen ter zitting van een van haar bestuursleden. 2.56.1. De ZLTO, Afdeling Boxtel-Liempde, heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. D. Kik, werkzaam bij de ZLTO. Diens werkzaamheden kunnen niet worden aangemerkt als kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, omdat de afdeling Boxtel-Liempde deel uitmaakt van de ZLTO. Deze kosten komen dan ook niet voor vergoeding in aanmerking. Ten aanzien van het verzoek van de ZLTO-Afdeling Boxtel-Liempde om het college te veroordelen in de kosten van twee door haar ter zitting meegebrachte deskundigen en drie in haar opdracht opgestelde deskundigenrapporten, overweegt de Afdeling als volgt. Het verzoek van de ZLTO-Afdeling Boxtel-Liempde heeft betrekking op drie rapporten, uitgebracht door respectievelijk drs. J. Roymans, ing. P.H. Schalk en Alterra B.V. De Afdeling stelt vast dat het deskundigenrapport van Alterra B.V. niet door de Afdeling is ontvangen.

Reeds hierom kan voor dit rapport geen vergoeding worden toegekend. De kosten van een deskundige komen op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking als het inroepen van die deskundige redelijk was en de deskundigenkosten zelf redelijk zijn. Ter bepaling of het inroepen van een deskundige redelijk was, kan in het algemeen als maatstaf worden gehanteerd of degene die deze deskundigen heeft ingeroepen, gezien de feiten en omstandigheden zoals die bestonden ten tijde van inroeping, ervan uit mocht gaan dat de deskundige een relevante bijdrage zou leveren aan een voor hem gunstige beantwoording door de rechter van een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag. Ten aanzien van het door appellant ter zitting meebrengen van deskundigen is de Afdeling van oordeel dat, mede in aanmerking genomen de inhoud van het deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening, aan deze maatstaf niet wordt voldaan, zodat geen aanleiding bestaat het college te veroordelen in de door de ZLTO-Afdeling BoxtelLiempde, hiervoor gemaakte kosten.

Ten aanzien van de twee door de ZLTO-Afdeling Boxtel-Liempde ingebrachte deskundigenrapporten ziet de Afdeling, gelet op de inhoud en omvang hiervan, aanleiding om in de berekening van de vergoeding van de kosten voor de desbetreffende deskundigenrapporten, in zoverre in afwijking van het door de ZLTO-Afdeling Boxtel-Liempde ingevulde proceskostenformulier, uit te gaan van een aantal uren van zestien. De reiskosten van het verschijnen ter zitting van een bestuurslid van de ZLTO-Afdeling BoxtelLiempde, komen wel voor vergoeding in aanmerking. 2.57. De Werkgroep en andere hebben de Afdeling via het "Formulier proceskosten" verzocht het

college te veroordelen in de reiskosten van een ter zitting meegebrachte getuige. De kosten verbonden aan het meebrengen van een getuige komen slechts voor vergoeding in aanmerking, indien overeenkomstig artikel 8:60, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, daarvan mededeling is gedaan. Reeds omdat deze mededeling niet is gedaan, dient een proceskostenveroordeling in zoverre achterwege te blijven. 2.58. Ten aanzien van [appellant sub 28] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. 2.59. Ten aanzien van [appellant sub 3], [appellant sub 8], [appellanten sub 15], [appellant sub 18], Vereniging voor Natuurbehoud & Milieubeheer in Midden- en Noordoost-Brabant Het groene hart, het college van burgemeester en wethouders van Boxtel en [appellanten sub 11] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I.

verklaart het beroep van [appellante sub 6] wat betreft de aanduiding 'leefgebied das' toegekend aan het voormalige perceel van [appellante sub 6] aan de overzijde van de Schijndelsedijk, het beroep van [appellanten sub 11] wat betreft de zandpaden in de omgeving van hun bedrijven, het beroep van [appellant sub 26 B] en [vennoot A], wat betreft de plandelen met de bestemmingen "Agrarische doeleinden (AD)", "Agrarische doeleinden met landschappelijke waarde (AL)" en"Agrarische doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" , het beroep van de Werkgroep Natuur- en Landschapsbeheer Boxtel en andere, wat betreft het bolle/open akkercomplex Blauwhoefse Loop en Kalksheuvel, het beroep van [vennoot A], [appellant sub 26 A] en [appellant sub 26 B] wat betreft het plandeel met de bestemming "Sportdoeleinden (S)", nietontvankelijk; II.

verklaart de beroepen van [appellant sub 4], [appellant sub 9], [appellante sub 13], [appellante sub 14], [appellant sub 16], [appellanten sub 20], de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie, Afdeling Boxtel-Liempde, [appellant sub 7], [appellant sub 10], [appellanten sub 21], [appellant sub 28], [appellant sub 24] en [appellant sub 27] geheel, en de beroepen van [appellante sub 6] en de Werkgroep Natuur- en Landschapsbeheer Boxtel en andere, voor zover ontvankelijk, gedeeltelijk, en de beroepen van [appellant sub 12], [appellanten sub 2 A], [appellante sub 5], [appellanten sub 17], [appellant sub 19], [appellanten sub 1] gedeeltelijk gegrond; III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 19 juni 2007, kenmerk 1242756, voor zover het betreft a. de goedkeuring aan de plandelen met de bestemming "Agrarische doeleinden (AD)", "Agrarische doeleinden met landschappelijke waarde (AL)", "Agrarische doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)"; b. de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)" aan [locatie 1]; c.

de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Bedrijfdoeleinden (B)" met de aanduiding 'huidige bedrijfsactiviteiten toegestaan', wat betreft de gronden aan de [locatie 11], aan de zinsnede "[locatie 11]: handel in tractoren" in artikel 12.1 en aan de 17e regel '[locatie 11]' in de tabel van artikel 12.2.1. van de planvoorschriften; d. de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Bos/beplantingsstrook (BO)" wat betreft de

gronden in de nabijheid van de gronden van [appellant sub 10] aan de [locatie 15] te Boxtel; e. de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Glastuinbouwbedrijf (GT)" wat betreft de gronden van [appellanten sub 17] aan [locatie 2]; f. de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Sportdoeleinden (S)" aan de Renbaan; g. de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Natuurgebied (N)" van het landgoed "De Eikenhorst"; IV. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven, voor zover het betreft de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)" aan [locatie 1]; V. onthoudt goedkeuring aan de onder IIIa, IIId, IIIe, IIIf, IIIg genoemde planonderdelen; VI. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 19 juni 2007; VII.

verklaart de beroepen van [appellant sub 3], [appellant sub 8], [appellanten sub 15], [appellant sub 18], Vereniging voor Natuurbehoud & Milieubeheer in Midden- en Noordoost-Brabant Het groene hart en het college van burgemeester en wethouders van Boxtel, geheel, het beroep van [appellanten sub 11], voor zover ontvankelijk, geheel en de beroepen van [appellanten sub 1], [appellanten sub 2], [appellante sub 5], [appellante sub 6], [appellant sub 12], [appellanten sub 17], [appellant sub 19], Werkgroep Natuur- en Landschapsbeheer Boxtel en andere voor het overige ongegrond; VIII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij: • [appellant sub 4] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; • [appellant sub 9] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; • [appellante sub 13] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 691,24 (zegge: zeshonderdeenennegentig euro en vierentwintig cent), waarvan een deel groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde

beroepsmatig verleende rechtsbijstand; • [appellante sub 14] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; • [appellant sub 16] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 691,24 (zegge: zeshonderdeenennegentig euro en vierentwintig cent), waarvan een deel groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; • [appellanten sub 20] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 691,24 (zegge: zeshonderdeenennegentig euro en vierentwintig cent), waarvan een deel groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; • de Zuidelijke Land- en Tuinbouw Organisatie, Afdeling Boxtel- Liempde in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 847,24 (zegge:

achthonderd zevenenveertig euro en vierentwintig cent); • [appellant sub 7] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 852,24 (zegge: achthonderdtweeënvijftig euro en vierentwintig cent), waarvan een deel groot € 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; • [appellant sub 10] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; • [appellanten sub 21] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 852,24 (zegge: achthonderdtweeënvijftig euro en vierentwintig cent), waarvan een deel groot € 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; • [appellant sub 24] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 852,24 (zegge: achthonderdtweeënvijftig euro en vierentwintig cent), waarvan een deel groot € 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; • [appellanten sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 852,24 (zegge: achthonderdtweeënvijftig euro en vierentwintig cent), waarvan een deel groot € 805,00 is toe te rekenen aan door een

derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; • [appellante sub 6] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; • de Werkgroep Natuur- en landschapsbeheer Boxtel en andere, in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 43,94 (zegge: drieënveertig euro vierennegentig cent), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere • [appellant sub 12] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; • [appellanten sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdenvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; • [appellante sub 5] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 852,24 (zegge: achthonderdtweeënvijftig euro en vierentwintig cent), waarvan een deel groot € 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; • [appellanten sub 17] in verband met de behandeling van het

beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 852,24 (zegge: achthonderdtweeënvijftig euro en vierentwintig cent), waarvan een deel groot € 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; • [appellant sub 19] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 852,24 (zegge: achthonderdtweeënvijftig euro en vierentwintig cent), waarvan een deel groot € 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; • [appellant sub 27] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 837,88 (zegge: achthonderdzevenendertig euro en achtentachtig cent), waarvan een deel groot € 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

Deze bedragen dienen door de provincie Noord-Brabant te worden betaald aan de genoemde (rechts)personen. IX. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan de onder II. bedoelde appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht vergoedt op de volgende wijze: • aan [appellant sub 4, [appellante sub 13], [appellante sub 14], [appellante sub 20 A] en [appellant sub 20 B], gezamenlijk, de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie, Afdeling Boxtel-Liempde, [appellante sub 6], de Werkgroep Natuur- en Landschapsbeheer Boxtel en andere, [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] gezamenlijk, en [appellanten sub 17], een bedrag van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro); • aan [appellant sub 9], [appellant sub 16], [appellant sub 7], [appellant sub 10], [appellanten sub 21] gezamenlijk, [appellant sub 24], [appellanten sub 1] gezamenlijk, [appellant sub 12], [appellante sub 5], [appellant sub 28], [appellant sub 19] en [appellant sub 27] een bedrag van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro). Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.H. Nienhuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Nienhuis voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2009

381/466.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Raalte&id=b039e3a0-3ff7-40de-9cc7-faf914efcf54