CConstaterende datRaalte
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 8 Uitspraak raad van State

Raadsvergadering 14 maart 2024, gemeente RaalteBij agendapunt: Vaststellen Correctieve herziening bestemmingsplan Buitengebied Raalte, Schanebroeksweg 11 en 13 (bespreekstuk)25.985 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

ECLI:NL:RVS:2009:BH4668 Instantie

Raad van State

Datum uitspraak

04-03-2009

Datum publicatie

04-03-2009

Zaaknummer

200705084/1

Rechtsgebieden

Bestuursrecht

Bijzondere kenmerken Eerste aanleg - meervoudig Inhoudsindicatie Bij besluit van 19 juni 2007, no. 1242756, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Boxtel (hierna: de raad) bij besluit van 26 oktober 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Boxtel 2006". Wetsverwijzingen

Wet ruimtelijke ordening

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JOM 2009/286 JBO 2009/9

Uitspraak 200705084/1. Datum uitspraak: 4 maart 2009

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats], 2. [appellante sub 2 A], gevestigd te [plaats], en [appellante sub 2 B], wonend te [woonplaats], 3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats], 4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats], 5. [appellante sub 5], wonend te [woonplaats], 6. [appellante sub 6]], gevestigd te [plaats], 7. [appellant sub 7], wonend te [woonplaats], 8. [appellant sub 8], wonend te [woonplaats], 9. [appellant sub 9], wonend te [woonplaats], 10. [appellant sub 10], wonend te [woonplaats], 11. [appellanten sub 11], wonend te [woonplaats],

12. [appellant sub 12], wonend te [woonplaats], 13. [appellante sub 13], gevestigd te [plaats], waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], wonend te [woonplaats], 14. [appellante sub 14], gevestigd te [plaats], waarvan de maten zijn [maat A], [maat B] en [maat C], allen wonend te [woonplaats], 15. [appellanten sub 15], beiden wonend te [woonplaats], 16. [appellant sub 16], wonend te [woonplaats], 17. [appellanten sub 17], gevestigd te [plaats], 18. [appellant sub 18], wonend te [woonplaats], 19. [appellant sub 19], wonend te [woonplaats], 20. [appellante sub 20 A], gevestigd te [plaats], en [appellant sub 20 B], wonend te [woonplaats], 21. [appellanten sub 21], beiden wonend te [woonplaats], 22. de vereniging Vereniging voor Natuurbehoud & Milieubeheer in Midden- en Noordoost-Brabant Het groene hart, gevestigd te Den Dungen, gemeente Sint-Michielsgestel, 23. Werkgroep Natuur- en Landschapsbeheer Boxtel en andere, gevestigd te Boxtel, 24. [appellant sub 24], wonend te [woonplaats], 25. het college van burgemeester en wethouders van Boxtel, 26. de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie, Afdeling Boxtel-Liempde, gevestigd te Boxtel, [vennoot A], wonend te [woonplaats], en [appellant sub 26 A] en [appellant sub 26 B], wonend beiden te [woonplaats], 27. [appellant sub 27], wonend te [woonplaats], 28. [appellant sub 28], wonend te [woonplaats], appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, verweerder.

1. Procesverloop Bij besluit van 19 juni 2007, no. 1242756, heeft het college van gedeputeerde staten van NoordBrabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Boxtel (hierna: de raad) bij besluit van 26 oktober 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Boxtel 2006".

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 20 juli 2007, [appellante sub 2 A], gevestigd te [plaats], en [appellante sub 2 B] (hierna: [appellanten sub 2]) bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 20 juli 2007, [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 juli 2007, [appellant sub 4] bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 1 augustus 2007, [appellante sub 5] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 augustus 2007, [appellante sub 6] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 augustus 2007, [appellant sub 7] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 augustus 2007, [appellant sub 8] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 augustus 2007, [appellant sub 9] bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 24 augustus 2007, [appellant sub 10] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 augustus 2007, [appellanten sub 11] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 augustus 2007, [appellant sub 12] bij brief, bij de

Raad van State ingekomen op 28 augustus 2007, [appellante sub 13] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 augustus 2007, [appellante sub 14] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 augustus 2007, [appellanten sub 15] bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 29 augustus 2007, [appellant sub 16] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 augustus 2007, [appellanten sub 17] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 augustus 2007, [appellant sub 18] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 augustus 2007, [appellant sub 19] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 augustus 2007, [appellante sub 20 A] en [appellant sub 20 B] bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 30 augustus 2007, [appellanten sub 21] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 augustus 2007, de vereniging Vereniging voor Natuurbehoud & Milieubeheer in Midden- en Noord-Oost-Brabant Het groene hart (hierna: Het groene hart) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 augustus 2007, Werkgroep Natuur- en Landschapsbeheer Boxtel en andere (hierna: de werkgroep en andere) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 augustus 2007, [appellant sub 24] bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 30 augustus 2007, het college van burgemeester en wethouders van Boxtel (hierna: het college van burgemeester en

wethouders) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 augustus 2007, de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie, Afdeling Boxtel-Liempde, [appellant sub 26 A], [appellant sub 26 B] en [vennoot A] bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 30 augustus 2007, [appellant sub 27] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 september 2007 en [appellant sub 28] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 september 2007, beroep ingesteld. [appellanten sub 1] hebben hun beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 augustus 2007. [appellante sub 2] hebben hun beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 augustus 2007. [appellant sub 4] heeft haar beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 september 2007. [appellante sub 5] heeft haar beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 september 2007. [appellant sub 12] heeft zijn beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 augustus 2007. [appellant sub 18] heeft haar beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 september 2007. [appellanten sub 20] hebben hun beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 27 september 2007 en Hexspoor-Van der Griend hebben hun beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 september 2007.

[appellant sub 24] heeft zijn beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 september 2007.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. [appellanten sub 1], [appellanten sub 2], [appellante sub 5], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellanten sub 15], [appellanten sub 17], [appellant sub 19], [appellanten sub 21], [appellant sub 24], [appellant sub 27], het college, en de raad van de gemeente Boxtel hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellante sub 5], [appellant sub 9], [appellanten sub 11], [appellante sub 13], [appellante sub 14], de ZLTO, Afdeling Boxtel-Liempde, [appellant sub 26 A], [appellant sub 26 B] en [vennoot A] en Het groene hart hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 en 30 september 2008, waar [appellanten sub 1], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, [appellanten sub 2], bij monde van [appellant sub 2] en bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, [appellant sub 3], bijgestaan door H. Ras, [appellant sub 4], vertegenwoordigd door drs. S.A.N. Geerling, [appellante sub 5], bijgestaan door mr. M.J. Smaling, [appellant sub 7], bijgestaan door mr. A.A.M. van der Aa, [appellant sub 8], bijgestaan door mr. A.A.M. van der Aa, [appellant sub 9], bijgestaan door ing. W. Hilbink, [appellant sub 10], vertegenwoordigd door drs. H.P.W. Havens, [appellanten sub 11], in persoon, [appellant sub 12], vertegenwoordigd door J.A.J.M. van Houtum, [appellante sub 13],

vertegenwoordigd door drs. H.P.W. Havens, [appellante sub 14], vertegenwoordigd door mr. J.A.J.M. van Houtum, [appellanten sub 15], vertegenwoordigd door mr. J.A. Wols, [appellant sub 16], bijgestaan door drs. H.P.W. Havens, [appellanten sub 17], vertegenwoordigd door mr. A.A.M. van der Aa, [appellant sub 18], in persoon, [appellant sub 19], bijgestaan door mr. A.A.M. van der Aa, [appellanten sub 20], vertegenwoordigd door mr. O.W. Wagenaar, [appellanten sub 21], bijgestaan door mr. K.W.H. Albert, advocaat te Boxtel, Het groene hart, vertegenwoordigd door B.H.P.A. van Dinther, werkzaam bij de Brabantse Milieufederatie, de werkgroep en andere, vertegenwoordigd door B.H.P.A. van Dinther, werkzaam bij de Brabantse Milieufederatie, [appellant sub 24], vertegenwoordigd door L.J.M. Faase, rentmeester, en mr. R.E. Izeboud, advocaat te Breda, het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door H. Hoppenbrouwers, ambtenaar in dienst van de gemeente, de ZLTO, Afdeling Boxtel-Liempde, [appellant sub 26 A], [appellant sub 26 B] en [vennoot A], vertegenwoordigd door mr. D. Kik, werkzaam bij de ZLTO, en bijgestaan door P. Schalk, boomteeltdeskundige en J. Roymans, archeoloog, [appellant sub 27], bijgestaan door ir. L.J. Vollebregt, [appellant sub 28], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door P.M.C. van Driel-Faasen en A.J.

Vos, ambtenaren in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting de raad, vertegenwoordigd door ing. H. Hoppenbrouwers, ing. M. van Oostveen, M. van Geel, M.W.C Heesbeen, ing. E.J. van Mil en drs. P.H.C.M. van der Velden, ambtenaren in dienst van de gemeente, G.H.C. van den Oetelaar, wethouder, en drs. F.P. Kortlang, werkzaam bij ArchAeO, Archeologische Advisering en Ondersteuning, en R.K. Voetbalvereniging ODC, vertegenwoordigd door K. Bekers, vice-voorzitter, als partij gehoord.

2. Overwegingen Ontvankelijkheid 2.1. [appellante sub 6] heeft in beroep onder meer aangevoerd dat ten onrechte aan haar perceel gelegen aan de overzijde van de Schijndelsedijk op de ecologische waardenkaart de aanduiding 'leefgebied das' is toegekend. Zij betoogt dat de feitelijke situatie noch het streekplan Noord-Brabant 2002 "Brabant in balans", zoals dat luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit (hierna: het streekplan) deze aanduiding rechtvaardigt. Bovendien is het aan deze aanduidingen gekoppelde aanlegvergunningvereiste onnodig belemmerend voor de agrarische bedrijfsvoering, aldus [appellante sub 6]. 2.1.1. In het deskundigenbericht is gesteld dat het desbetreffende perceel in het kader van de ruilverkaveling inmiddels aan een ander bedrijf is toegewezen. [appellante sub 6] heeft nu de beschikking gekregen over een perceel dat elders ligt, waaraan niet de aanduiding 'leefgebied das' is toegekend. [appellante sub 6] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij gezien het voorgaande nog procesbelang heeft bij een uitspraak op dit punt. Het beroep van [appellante sub 6] is in zoverre nietontvankelijk. 2.2. [appellanten sub 11] hebben in beroep aangevoerd dat ten onrechte de zandpaden in de omgeving van hun bedrijven niet op de plankaart zijn ingetekend. Ter zitting hebben zij te kennen gegeven geen belang meer te hebben bij de beoordeling van deze beroepsgrond.

Het beroep van [appellanten sub 11] is op dit punt niet-ontvankelijk. 2.3. Het beroep van [appellant sub 26 B] en [vennoot A] voor zover gericht tegen de goedkeuring van de plandelen met de bestemmingen "Agrarische doeleinden (AD)", "Agrarische doeleinden met landschappelijke waarde (AL)" en "Agrarische doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze noch op bij het college ingebrachte bedenkingen. Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 27 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld

tegen het besluit tot goedkeuring van het college, voor zover dit beroep de goedkeuring van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan bij de raad naar voren gebrachte zienswijze en bij het college ingebrachte bedenkingen heeft bestreden. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht en geen bedenkingen heeft ingebracht. Deze omstandigheid doet zich niet voor. Het beroep van [appellant sub 26 B] en [vennoot A] voor zover gericht tegen de goedkeuring van de plandelen met de bestemmingen "Agrarische doeleinden (AD)", "Agrarische doeleinden met landschappelijke waarde (AL)" en"Agrarische doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" is in zoverre niet-ontvankelijk. 2.4. Het beroep van de Werkgroep en andere voor zover dat betrekking heeft op het bolle/open akkercomplex Blauwhoefse Loop en Kalksheuvel steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze over deze bolle akkers. Het beroep van [vennoot A], [appellant sub 26 A] en [appellant sub 26 B], voor zover gericht tegen het plandeel met de bestemming "Sportdoeleinden (S)", berust niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze over dit plandeel. 2.4.1.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 27 van de WRO en artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van het college, voor zover dit beroep de goedkeuring van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan bij de raad naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden. Dit is slechts anders voor zover de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, dan wel indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Geen van deze omstandigheden doet zich voor. Het beroep van de Werkgroep en andere is in zoverre niet ontvankelijk. Het beroep van [vennoot A], [appellant sub 26 A] en [appellant sub 26 B] is in zoverrre niet ontvankelijk. Intrekking 2.5. Ter zitting heeft [appellant sub 16] zijn beroepgrond betreffende kuilvoerplaten en sleufsilo's, ingetrokken. Formeel bezwaar 2.6. [appellanten sub 11] hebben als procedureel punt aangevoerd dat zij ten onrechte niet door het college zijn uitgenodigd om hun ingediende bedenkingen mondeling toe te lichten. 2.6.1.

De Afdeling overweegt dat per 1 juli 2005 de hoorplicht ingevolge artikel 27, derde lid, van de WRO is komen te vervallen. Gelet op het feit dat het ontwerpplan niet vóór 1 juli 2005 ter inzage was gelegd, was het college niet wettelijk verplicht om [appellanten sub 11] te horen in het kader van deze bestemmingsplanprocedure. Voorts is gesteld noch gebleken van bijzondere omstandigheden die tot een dergelijke hoorplicht zouden nopen. Het betoog van [appellanten sub 11] op dit punt faalt. Toetsingskader

2.7. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht. De beroepen met betrekking tot de plandelen met de bestemming "Agrarische doeleinden (AD)", "Agrarische doeleinden met landschappelijke waarde (AL)" en "Agrarische doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" 2.8.

[appellanten sub 1], [appellanten sub 2], [appellant sub 4], [appellante sub 6], [appellant sub 9], [appellant sub 12], [appellante sub 13], [appellante sub 14], [appellant sub 16], [appellanten sub 20] en de ZLTO, Afdeling Boxtel-Liempde betogen dat ten onrechte gronden die voor boomteelt zijn bestemd, in het plan mede zijn bestemd voor het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de waarden zoals die blijkens de ecologische waardenkaart (plankaart 7) en/of de cultuurhistorische en archeologische waardenkaart (plankaart 8) op die gronden voorkomen. Dit klemt volgens hen te meer nu het merendeel van de gronden die voor boomteelt in gebruik mogen worden genomen op plankaart 7 en 8 zijn aangewezen voor een ecologisch, cultuurhistorische en/of archeologische waarde en in het plan ter bescherming van die waarden een aanlegvergunningstelsel is opgenomen. [appellanten sub 1], [appellanten sub 2], [appellant sub 4], [appellante sub 6], [appellant sub 9], [appellant sub 12], [appellante sub 13], [appellante sub 14], [appellant sub 16], [appellanten sub 20] en de ZLTO, Afdeling Boxtel-Liempde voeren aan dat naar het voorkomen van de voornoemde waarden, met name de archeologische waarden, op gronden die volgens het plan voor agrarische doeleinden zijn bestemd onvoldoende onderzoek is verricht.

Zij stellen dat de agrarische gronden in het plangebied al generaties lang door boomkwekers zijn bewerkt, zodat eventuele archeologische waarden tot een diepte van 50 centimeter al aangetast zijn. Zij betogen voorts dat door de veelal onduidelijke begripsomschrijving van aanlegvergunningplichtige werken en werkzaamheden onduidelijk is voor welke werken en/of werkzaamheden een aanlegvergunning vereist is. Indien een aanlegvergunningplicht zou bestaan, betekent dit een ernstige belemmering van de bedrijfsvoering, aldus [appellanten sub 1], [appellanten sub 2], [appellant sub 4], [appellante sub 6], [appellant sub 9], [appellant sub 12], [appellante sub 13], [appellante sub 14], [appellant sub 16], [appellanten sub 20] en de ZLTO, Afdeling Boxtel-Liempde. 2.8.1. [appellanten sub 1], [appellanten sub 2], [appellant sub 4], [appellante sub 6], [appellant sub 9], [appellant sub 12], [appellante sub 13], [appellante sub 14], [appellant sub 16], [appellanten sub 20] exploiteren allen een agrarisch bedrijf in het plangebied. Het merendeel van hen heeft een boomkwekerij in het plangebied. Een aantal heeft concrete plannen om een boomkwekerij op te richten in het plangebied.

In de boomkwekerijsector brengt een normale bedrijfsvoering mee dat percelen worden geruild met andere agrariërs, zodat voor een beoordeling van de bezwaren van de boomkwekers niet alleen relevant zijn de gronden die op dit moment bij de boomkwekers in beheer waren, maar alle gronden waar boomteelt mogelijk is. De Afdeling stelt vast dat het plan boomteelt toelaat op de gronden met de bestemmingen "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)", "Agrarische doeleinden (AD)", "Agrarische doeleinden met landschappelijke waarde (AL)", "Agrarische doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)". De gronden met de bestemmingen "Agrarische doeleinden (AD)", "Agrarische doeleinden met landschappelijke waarde (AL)", "Agrarische doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" zijn tevens bestemd voor het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de waarden zoals die blijkens de ecologische waardenkaart (plankaart 7) en/of cultuurhistorische en archeologische waardenkaart (plankaart 8) op die gronden voorkomen. In de voorschriften behorende bij de voornoemde bestemmingen is

opgenomen dat het verboden is zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en wethouders de in de tabel aanlegvergunningen genoemde werken of werkzaamheden uit te voeren, indien en voor zover de gronden blijkens de ecologische waardenkaart (plankaart 7) en/of de cultuurhistorische en archeologische waardenkaart (plankaart 8) een waarde hebben en in de tabel bij de betreffende waarde en de betreffende werken en werkzaamheden een 'a' is vermeld. Vrijwel alle gronden met de bestemming "Agrarische doeleinden (AD)", "Agrarische doeleinden met landschappelijke waarde (AL)" dan wel "Agrarische doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" vertegenwoordigen gezien de plankaarten 7 en 8 één of meerdere ecologische, cultuurhistorische en/of archeologische waarden. Het voornoemde verbod is volgens de voorschriften bij deze bestemmingen niet van toepassing op werken en werkzaamheden die het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen. De vergunning wordt blijkens de planvoorschriften bij de voornoemde bestemmingen slechts verleend indien door de werken en/of werkzaamheden dan wel de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de waarden van deze gronden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig (kunnen) worden verkleind.

2.8.2. De raad heeft zich wat betreft de begrenzing van de ecologische waarden zoals opgenomen op plankaart 7 gebaseerd op broedvogelgegevens van de provincie Noord-Brabant, literatuuronderzoek en de streekplankaart. De aanduidingen 'hoge ensemblewaardering historische geografie' en 'bolle akker/open akker' zijn gebaseerd op de rapporten "217-Inventarisatie en Waardering Cultuurhistorie Buitengebied gemeente Boxtel eindrapport" uit 2005 van Past2Present-Archeologic b.v en Oranjewoud b.v. en "Gemeente Boxtel, Een cultuurhistorische en archeologische waardestelling van Bolle Akkers en Open Akkers in het buitengebied van Boxtel en Liempde" van ArchAeO, Archeologische Advisering en Ondersteuning. Wat betreft de begrenzing van de aanduiding 'indicatieve archeologische verwachtingswaarde hoog of middelhoog' is de raad uitgegaan van de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden, die is opgesteld door de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (hierna: de RACM) en die is opgenomen in de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart. De 'archeologische monumenten' zijn overgenomen van de Archeologische Monumentenkaart die is opgesteld door de RACM en die is geïntegreerd in de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart. 2.8.3.

Ter zitting heeft de raad te kennen gegeven dat het niet de bedoeling van de planwetgever is geweest om het normale, bestaande gebruik van gronden ten behoeve van boomteelt aan een aanlegvergunningstelsel te onderwerpen. Wel geldt volgens de raad een aanlegvergunningplicht voor gronden die binnen de planperiode voor boomteelt in gebruik worden genomen. De vraag of een aanlegvergunning kan worden verleend, zal dan worden beoordeeld aan de hand van de uitkomsten van een door de gebruiker van de grond te overleggen onderzoek naar de archeologische waarden van die gronden, aldus de raad. Naar het oordeel van de Afdeling volgt dit onderscheid niet eenduidig uit de planvoorschriften. Voorts heeft het college, noch de raad er blijk van gegeven dat rekening is gehouden met de noodzaak van wisselteelt voor een gezonde boomteeltsector en is bij het leggen van de dubbelbestemming op de agrarische gronden niet bezien of een verbod van de opgesomde werken en/of werkzaamheden, gekoppeld aan een aanlegvergunningenstelsel, voor de bestaande boomkwekers, die voor een normale bedrijfsvoering van de wisselteelt afhankelijk zijn, niet leidt tot een onevenredige belemmering van hun bedrijfsvoering. Van een zorgvuldige afweging van de belangen die (mogelijk) zijn betrokken bij de bescherming van de archeologische waarden en de bedrijfsbelangen van de boomkwekers is niet gebleken.

Dit klemt te meer nu een nader inventariserend onderzoek ontbreekt naar de aanwezigheid van die waarden op de gronden, waaraan de dubbelbestemming is toegekend, terwijl in het streekplan is bepaald dat in geval van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen in gebieden met een hoge of een middelhoge verwachtingswaarde voor archeologisch erfgoed, de archeologische waarden door middel van een vooronderzoek in kaart worden gebracht. De Afdeling stelt verder vast dat de definities van de aanlegvergunnningsplichtige werken/werkzaamheden 'afgraven', 'ophogen', 'vergraven' en 'rooien van houtgewas' zoals opgenomen in bijlage 3 van de planvoorschriften waarnaar in de voorschriften behorende bij de voornoemde bestemmingen wordt verwezen, onduidelijk zijn en dat de definitie van

'diepploegen' in diezelfde bijlage een andere is dan de definitie van 'diepploegen' zoals opgenomen in de begripsbepaling in artikel 1 van de planvoorschriften. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat op dit punt een onduidelijke situatie in het leven is geroepen. 2.8.4. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 1], [appellanten sub 2], [appellant sub 4], [appellante sub 6], [appellant sub 9], [appellant sub 12], [appellante sub 13], [appellante sub 14], [appellant sub 16], [appellanten sub 20] en de ZLTO, Afdeling Boxtel-Liempde hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat de plandelen met de bestemming "Agrarische doeleinden (AD)", "Agrarische doeleinden met landschappelijke waarde (AL)" en "Agrarische doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" zijn vastgesteld in strijd met het zorgvuldigheids- en het rechtszekerheidsbeginsel. Door deze plandelen niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht en het rechtszekerheidsbeginsel in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht.

De beroepen van [appellant sub 4], van [appellant sub 9], [appellante sub 13], [appellante sub 14], [appellant sub 16], [appellanten sub 20], zijn in het geheel, en de beroepen van [appellanten sub 1], [appellanten sub 2], [appellante sub 6], [appellant sub 12], en de ZLTO, Afdeling Boxtel-Liempde zijn in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de plandelen met de bestemming "Agrarische doeleinden", "Agrarische doeleinden met landschappelijke waarde" en "Agrarische doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde". Uit het vorenstaande volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan de voornoemde plandelen. Het beroep van [appellanten sub 1] voor het overige 2.9. [appellanten sub 1] betogen dat het college ten onrechte hun bedenking inhoudende dat een deel van de bestaande bebouwing buiten het bouwvlak aan [locatie 1] valt buiten behandeling heeft gelaten. Zij voeren aan dat het toegekende bouwvlak te klein is. [appellanten sub 1] wensen dat alle bestaande bebouwing binnen het bouwvlak wordt opgenomen en dat er de nodige uitbreidingsruimte wordt toegekend. Ten onrechte is volgens [appellanten sub 1] geen rekening gehouden met het feit dat er sprake is van een gemengd bedrijf. 2.9.1.

Het college betoogt dat de bedenking van [appellanten sub 1] dat een deel van de bestaande bebouwing buiten het bouwvlak valt niet steunt op een bij de raad ingediende zienswijze, zodat deze bedenking buiten beschouwing dient te worden gelaten. Ambtshalve heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de mestsilo's en varkensstallen geheel binnen het toegekende bouwvlak vallen. Verder heeft het college ambtshalve geconstateerd dat een deel van de bestaande sleufsilo's buiten het in het plan opgenomen bouwvlak wat betreft de gronden aan de [locatie 1] valt. Gelet hierop heeft het college goedkeuring onthouden aan het plandeel met de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)" wat betreft [locatie 1]. Het college heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de raad in redelijkheid in de door [appellanten sub 1] gestelde omstandigheid dat het om een gemengd bedrijf gaat, geen reden behoefde te zien om extra uitbreidingsruimte aan het bedrijf toe te kennen. 2.9.2. [appellanten sub 1] exploiteren een rundvee- en varkenshouderij aan [locatie 1]. In het plan zijn de gronden aan [locatie 1] ten dele aangewezen voor "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)". Ingevolge artikel 3.2 van de planvoorschriften mogen op de tot "Agrarische bedrijfsdoeleinden" bestemde gronden uitsluitend worden gebouwd bouwwerken ten dienste van de bestemming.

De totale omvang van de gronden met deze bestemming bedraagt ruim 2,5 hectare. Voor het overige hebben de gronden de bestemming "Agrarische doeleinden (AD)" gekregen. In artikel 5.2 van de planvoorschriften is bepaald dat op de tot "Agrarische doeleinden (AD)" bestemde gronden uitsluitend mogen worden gebouwd bouwwerken ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat:

a. uitsluitend andere-bouwwerken zijn toegestaan. (…) d. kuilvoerplaten en sleufsilo's niet zijn toegestaan. (…). De gronden zijn in het reconstructieplan aangewezen als verwevingsgebied. 2.9.3. In de zienswijze hebben [appellanten sub 1] aangevoerd de omvang van het toegekende bouwvlak aan [locatie 1] te klein te vinden. Hiermee richten zij zich tegen het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden (AD)" wat betreft de gronden aan [locatie 1]. Het in hun bedenking aangevoerde bezwaar dat ten onrechte bebouwing buiten het bouwblok aan [locatie 1] is gelaten, kan als nadere onderbouwing hiervan worden beschouwd. Dit bezwaar vindt derhalve zijn grondslag in de door [appellanten sub 1] bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze. Gelet op het voorgaande had het college de bedenking op dit punt niet buiten beschouwing mogen laten. De Afdeling stelt echter vast dat het college bij het bestreden besluit ambtshalve is ingegaan op hetgeen [appellanten sub 1] op dit punt in hun bedenkingen hebben aangevoerd. Dit betekent dat zij niet in hun belangen zijn geschaad door het feit dat het college bij het bestreden besluit de hierbedoelde bedenking als zodanig buiten beschouwing heeft gelaten. Volgens het deskundigenbericht valt alleen een deel van de sleufsilo's buiten het bouwblok. Niet gebleken is dat dit onjuist is.

Gelet op de overwegingen van het bestreden besluit heef het college erkend dat een deel van de sleufsilo's buiten het bouwvlak valt en heeft het college beoogd in zoverre goedkeuring te onthouden aan het plan. In het dictum van het bestreden besluit heeft het college evenwel goedkeuring onthouden aan het bouwvlak behorend bij het plandeel met de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)", aan [locatie 1]. Door de onthouding van goedkeuring aan het bouwvlak wordt het betrekken van gronden buiten het bouwvlak bij het bouwvlak nog niet mogelijk. Het college heeft in zoverre iets anders gedaan dan het college heeft beoogd en het bestreden besluit is in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. 2.9.3.1. Het beroep van [appellanten sub 1] is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient, voor zover het betreft de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)" alsmede voor zover het betreft de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden (AD)" ter hoogte van de bestaande sleufsilo's aan [locatie 1] wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd. Nu de Afdeling in overweging 2.8.4.

reeds zelfvoorziend goedkeuring heeft onthouden aan alle plandelen met de bestemming "Agrarische doeleinden (AD)" is het college niet bevoegd een nieuw besluit voor dit plandeel te nemen. De raad dient bij het vaststellen van een nieuw plan het bovenstaande in acht te nemen. In dit geval ziet de Afdeling aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit, voor zover het betreft de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)" in stand te laten. 2.9.4. Voor zover [appellanten sub 1] betogen dat afgezien van de vergroting van het bouwvlak benodigd om de bestaande bebouwing als zodanig te bestemmen, nog meer gronden aan [locatie 1] zouden moeten worden bestemd tot "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)", overweegt de Afdeling als volgt. Blijkens pagina 48 van de plantoelichting heeft de raad wat betreft de toekenning van bouwvlakken aan intensieve veehouderijen en gemengde bedrijven met een intensieve veehouderijtak in een verwevingsgebied het volgende beleid toegepast. Aan deze bedrijven wordt de bestemming

"Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)" met de aanduiding 'intensieve veehouderij toegestaan' toegekend, waarbij de bouwrechten uit het vorige plan worden gerespecteerd. Enkel op een 'duurzame locatie intensieve veehouderij' is uitbreiding mogelijk tot maximaal 2,5 hectare. Indien er al sprake is van een groter bouwblok dan 2,5 hectare zal maatwerk worden geleverd waarbij zuinig ruimtegebruik uitgangspunt is. Het plan is op dit punt in overeenstemming met het voornoemde beleid. Voor zover [appellanten sub 1] hebben aangevoerd dat zij op grond van het reconstructieplan recht hebben op een bouwvlak van maximaal 2,5 hectare voor een intensieve veehouderij en dat daarnaast nog een bepaald oppervlak aan bouwvlak voor de melkveehouderijtak dient te worden toegekend, overweegt de Afdeling als volgt. In het reconstructieplan - voor zover hier van belang - is de toekenning/ uitbreiding van bouwblokken voor intensieve veehouderijen in verwevingsgebied in beginsel gemaximeerd tot 2,5 ha. Voor het overige is het aan de raad om per individueel geval op basis van argumenten van ruimtelijke ordening bouwblokken toe te staan. De plansystematiek is in het onderhavige geval zodanig dat niet is uitgesloten dat het gehele bouwvlak van ruim 2,5 hectare wordt aangewend voor de intensieve veehouderij. De keuze voor de invulling van het bouwvlak is aan de desbetreffende ondernemer.

Gelet op het voorgaande alsmede op het feit dat het bouwvlak voldoende groot is voor het exploiteren van de inrichting zoals is vergund krachtens de Wet milieubeheer bij besluit van 19 juni 2007 en dat [appellanten sub 1] geen concrete plannen tot uitbreiding kenbaar hebben gemaakt aan de raad, behoefde het college in hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd geen aanleiding te zien om in het onderhavige geval niet vast te houden aan het gemeentelijke beleid. 2.9.4.1. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 1] is in zoverre ongegrond. 2.10. [appellanten sub 1] voeren aan dat het toegekende bouwvlak aan [locatie 2] slechts voor de helft hun eigendom is. Ten behoeve van de ontwikkeling van de veehouderij zou echter een bouwvlak van voldoende omvang moeten worden gegeven, aldus [appellanten sub 1].

[appellanten sub 1] betogen dat de rechtbank 's Hertogenbosch op 16 juni 2008 heeft uitgesproken dat van rechtswege een bouwvergunning is verleend op gronden aan de westzijde van het bouwvlak. Ook dit maakt het volgens hen noodzakelijk dat het bouwvlak aan de westzijde wordt verruimd. [appellanten sub 1] voeren tot slot aan dat het college hun bedenking inzake de op de ontwikkelingenkaart opgenomen zonering als extensiveringsgebied van de gronden ten westen van het nu toegekende bouwvlak aan [locatie 2] ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten. 2.10.1. De gronden aan [locatie 2] waren oorspronkelijk in eigendom bij [vorige eigenaar]. In het vorige plan "Buitengebied 1994" was aan de gronden aan [locatie 2] de bestemming "Agrarische bedrijfscentra II" met als aanduiding onder meer een uitbreidingsrichting naar de westzijde met de gebiedsbestemming "Ano" toegekend.

Ten aanzien van deze uitbreidingsmogelijkheid is in artikel II.15., lid B, onder I, van de voorschriften van dat plan bepaald dat gebouwen dienen te worden opgericht binnen of aansluitend op het op de kaart aangegeven bedrijfscentrum II, waarbij voor zover de gebouwen niet passen binnen het op de kaart aangegeven bedrijfscentrum, een situering dient te worden aangehouden, welke aansluit op de op de kaart aangegeven 'uitbreidingsrichting' en de gezamenlijke grondoppervlakte van de gebouwen ten hoogste 6000 m² bedraagt. In 1997 heeft [vorige eigenaar] het oostelijke gedeelte van de gronden aan [locatie 2] verkocht aan [appellanten sub 17]. Omstreeks 2003 is het andere gedeelte van het perceel verkocht aan [appellanten sub 1].

[appellanten sub 1] exploiteert op dit deel van de gronden sindsdien een varkensmesterij. 2.10.2. In het voorliggende plan heeft de raad aan de gronden aan [locatie 2] de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)" met de aanduiding 'intensieve veehouderij toegestaan' toegekend. De gronden aan de westzijde van dit perceel zijn in het plan bestemd als "Agrarische doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (AL)". Het bouwen van gebouwen op gronden met de bestemming "Agrarische doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (AL)" is niet toegestaan. 2.10.3. Niet in geding is dat in het plan de bestaande bedrijfsgebouwen van [appellanten sub 1] aan [locatie 2] als zodanig zijn bestemd en dat het oostelijke gedeelte van het bouwvlak nog uitbreidingsmogelijkheden biedt. Ten aanzien van het bezwaar van [appellanten sub 1] dat het oostelijke deel van de gronden aan [locatie 2] niet hun eigendom betreft, zodat hun bedrijf ter plaatse feitelijk geen uitbreidingsmogelijkheden heeft, overweegt de Afdeling dat voor de planologische aanvaardbaarheid van het planonderdeel het in beginsel niet relevant is wie de eigendom bezit van de in het plan opgenomen gronden.

Dit is slechts anders indien op voorhand duidelijk is dat de gewijzigde eigendomsverhoudingen aan de verwezenlijking van het planonderdeel binnen de planperiode van tien jaar in de weg staan en tevens vaststaat dat niet binnen de planperiode tot onteigening zal worden overgegaan. Deze uitzonderingssituatie doet zich niet voor. Uit de uitspraak van de rechtbank 's Hertogenbosch van 16 juni 2008, zaaknummer AWB 07/856 blijkt dat [appellanten sub 1] een aanvraag voor een bouwvergunning voor het bouwen van drie sleufsilo's hebben ingediend, welke aanvraag het college van burgemeester en wethouders van Boxtel op 1 augustus 2005 heeft ontvangen. De sleufsilo's zijn geprojecteerd ten westen van de in het destijds geldende plan "Buitengebied 1994 als "Agrarisch bedrijfscentrum II' aangewezen gronden. In de uitspraak is het volgende overwogen: "Verweerder heeft op de aanvraag beslist op 9 februari 2006. Derhalve is niet beslist binnen de in artikel 46 van de Woningwet gestelde wettelijke termijn van 12 weken na ontvangst van de aanvraag. Uit de stukken is niet gebleken dat verweerder de beslistermijn heeft verdaagd.

Nu de rechtbank reeds heeft geoordeeld dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan moet ingevolge artikel 46, vierde lid, van de Woningwet de bouwvergunning van rechtswege geacht worden te zijn verleend." Ter zitting is gebleken dat het college van burgemeester en wethouders hoger beroep tegen deze uitspraak heeft ingesteld. Er is derhalve nog geen onherroepelijke bouwvergunning ontstaan. Gelet hierop behoefde het college hier bij het nemen van het bestreden besluit dan ook geen rekening mee te houden. Mocht in de toekomst alsnog een onherroepelijke bouwvergunning ontstaan, dan kan het college van burgemeester en wethouders gebruik maken van de bevoegdheid toegekend in artikel 6.7.1. van de planvoorschriften om de bestemming "Agrarische doeleinden met landschappelijke waarde (AL)" te wijzigen in de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)" voor de uitbreiding van het bedrijfscentrum. Voor zover [appellanten sub 1] hebben aangevoerd dat het college hun bedenking inzake de op de ontwikkelingenkaart opgenomen zonering als extensiveringsgebied van de gronden ten westen van het nu toegekende bouwvlak aan [locatie 2] ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten overweegt de Afdeling als volgt. Niet in geding is dat deze zonering is overgenomen uit het reconstructieplan. Uit de uitspraak van de Afdeling van 30 mei 2007, nr.

200506285/1, volgt dat ten aanzien van het reconstructieplan beroep heeft open gestaan tegen de daarin neergelegde zonering intensieve veehouderij. De onderdelen van bestemmingsplannen die voortvloeien uit onderdelen van het reconstructieplan waartegen beroep heeft open gestaan, vallen onder de reikwijdte van artikel 29, derde lid, van de Reconstructiewet concentratiegebieden (hierna: Rwc). Ingevolge artikel 29, derde lid, van de Rwc, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, kan het inbrengen van bedenkingen als bedoeld in artikel 27 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening geen betrekking hebben op die onderdelen van een bestemmingsplan die voortvloeien uit een bekendgemaakt reconstructieplan. Het college heeft de voornoemde bedenking van [appellanten sub 1] dan ook terecht buiten beschouwing gelaten.

2.10.3.1. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 1] is in zoverre ongegrond. Het beroep van [appellanten sub 2] voor het overige 2.11. [appellanten sub 2] richten zich tegen de begrenzing van het aan hun gronden aan [locatie 3 en 4] toegekende bouwvlak. Volgens hen heeft de begrenzing een grillig verloop, waardoor bruikbare delen wegvallen en bouwwerken daardoor niet of minder goed geplaatst kunnen worden. Verder betogen [appellanten sub 2] dat de omvang van het toegekende bouwvlak te klein is. Ten onrechte is de oppervlakte van het bouwvlak gemaximeerd tot een oppervlakte die een intensieve veehouderij op grond van provinciaal beleid maximaal mag hebben, terwijl het in deze om een gemengd bedrijf gaat, aldus [appellanten sub 2]. Een verdere ontwikkeling van het bedrijf is op deze manier volgens hen niet meer mogelijk. 2.11.1. [appellant sub 2 A] exploiteert een varkens- en rundveehouderij aan [locatie 3 en 4].

Het perceel beslaat een oppervlakte van 3,5 hectare. Aan het overgrote deel van de gronden aan [locatie 3 en 4] is in het plan de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)" met de aanduiding 'intensieve veehouderij toegestaan' toegekend. Ingevolge artikel 3.2 van de planvoorschriften mogen op de tot "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)" bestemde gronden uitsluitend worden gebouwd bouwwerken ten dienste van de bestemming. Een klein gedeelte aan de noordzijde van het perceel is in het plan aangewezen voor "Agrarische doeleinden (AD)". In artikel 5.2 is van de planvoorschriften is bepaald dat op de tot "Agrarische doeleinden" bestemde gronden uitsluitend mogen worden gebouwd bouwwerken ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat: a. uitsluitend andere-bouwwerken zijn toegestaan. (…) d. kuilvoerplaten en sleufsilo's niet zijn toegestaan. (…). De gronden zijn in het reconstructieplan aangewezen als verwevingsgebied. 2.11.1.1. Blijkens pagina 48 van de plantoelichting heeft de raad wat betreft de toekenning van bouwvlakken aan intensieve veehouderijen en gemengde bedrijven met een intensieve veehouderijtak in een verwevingsgebied het volgende beleid toegepast. Aan deze bedrijven wordt de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)" met de aanduiding 'intensieve veehouderij toegestaan' toegekend, waarbij de bouwrechten uit het vorige plan worden gerespecteerd.

Enkel op een 'duurzame locatie intensieve veehouderij' is uitbreiding mogelijk tot maximaal 2,5 hectare. Indien er al sprake is van een groter bouwblok dan 2,5 hectare zal maatwerk worden geleverd waarbij zuinig ruimtegebruik uitgangspunt is. Het plan is op dit punt in overeenstemming met het voornoemde beleid. Voor zover [appellanten sub 2] hebben aangevoerd dat zij op grond van het reconstructieplan recht hebben op een bouwvlak van maximaal 2,5 hectare voor een intensieve veehouderij en dat daarnaast

nog een bepaald oppervlak aan bouwvlak voor de melkveehouderijtak dient te worden toegekend, overweegt de Afdeling als volgt. In het reconstructieplan - voor zover hier van belang - is de toekenning/ uitbreiding van bouwblokken voor intensieve veehouderijen in verwevingsgebied in beginsel gemaximeerd tot 2,5 ha. Voor het overige is het aan de raad om per individueel geval op basis van argumenten van ruimtelijke ordening bouwblokken toe te staan. De plansystematiek is in het onderhavige geval zodanig dat niet is uitgesloten dat het gehele bouwvlak van ruim 2,5 hectare wordt aangewend voor intensieve veehouderij. De keuze voor de invulling van het bouwvlak is aan de desbetreffende ondernemer. Gelet op het voorgaande alsmede op het feit dat het bouwvlak voldoende groot is voor het exploiteren van de inrichting zoals is vergund krachtens de Wet milieubeheer bij besluit van 21 augustus 2007 en dat het bouwvlak zelfs nog enige uitbreidingsruimte biedt, behoefde het college in hetgeen [appellanten sub 2] hebben aangevoerd geen aanleiding te zien om in het onderhavige geval niet vast te houden aan het gemeentelijke beleid. 2.12. [appellanten sub 2] voeren verder aan dat het in het vorige plan als agrarische bedrijfswoning aangemerkte pand aan [locatie 5] in het voorliggende plan ten onrechte is bestemd als "Woondoeleinden (W)".

Volgens hen heeft de raad in dit geval het feitelijk gebruik doorslaggevend geacht, terwijl de raad in een vergelijkbaar geval juist geweigerd heeft het feitelijke gebruik als uitgangspunt te nemen bij het toekennen van een woonbestemming. Ten onrechte is volgens hen op de andere belangen, waaronder de bestaande gebruiken in de nabijheid van het perceel, geen acht geslagen. 2.12.1. Ingevolge artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: de Wgv) wordt onder een geurgevoelig object verstaan een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of [op] een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wgv, voor zover thans van belang, bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Wgv, voor zover thans van belang, wordt een vergunning, in afwijking van het tweede lid, niet geweigerd, indien de geurbelasting niet toeneemt en het aantal dieren van één of meer diercategorieën niet toeneemt en de afstand, bedoeld in het tweede lid, kleiner is dan aangegeven in dat lid. 2.12.2. In het vorige plan waren de gronden aan [locatie 5] bestemd als "Agrarische bedrijfscentra 1". In het plan is aan de gronden aan [locatie 5] de bestemming "Woondoeleinden (W)" toegekend. Ingevolge artikel 11, tweede lid, onder 1, sub c, mogen op de tot woondoeleinden bestemde gronden uitsluitend worden gebouwd bouwwerken ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat een woonhuis uitsluitend mag worden gebouwd ter plaatse van de op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan aanwezige woning. 2.12.3. Het college heeft in het bestreden besluit op zichzelf terecht de feitelijke situatie als uitgangspunt genomen. Voor zover [appellanten sub 2] hebben betoogd dat het college in een ander geval niet de feitelijke situatie als uitgangspunt heeft genomen, wordt overwogen dat het college zich op het standpunt heeft gesteld dat die situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie, omdat het in dat geval om een tweede bedrijfswoning gaat.

In hetgeen [appellanten sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellanten sub 2] genoemde situatie niet overeenkomt met de door hen aan de orde gestelde situatie. Wat betreft het betoog van het college ter zitting dat de toegekende woonbestemming aan het

perceel [locatie 5] betrokkenen niet verder zal beperken in de ontwikkeling van hun agrarisch bedrijf, overweegt de Afdeling als volgt. Niet in geding is dat het pand aan [locatie 5] dient te worden aangemerkt als geurgevoelig object dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij. De voor een dergelijke woning ingevolge de Wgv geldende normen zijn gelijk aan de normen voor de aan te houden afstand tot geurgevoelige objecten die onderdeel uitmaken van een andere veehouderij. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat ten opzichte van de situatie waarin het pand aan [locatie 5] dienst doet als bedrijfswoning bij een veehouderij het toekennen van de bestemming "Woondoeleinden (W)" aan het perceel [locatie 5] geen verdere beperking voor de bedrijfsvoering van [appellanten sub 2] tot gevolg heeft. De afstand tussen de gronden waarop het bouwvlak van [appellanten sub 2] betrekking heeft en de voormalige bedrijfswoning aan [locatie 5] bedraagt ongeveer 40 meter. Gelet hierop en gelet op de ligging van de woning in het buitengebied, geeft hetgeen [appellanten sub 2] hebben aangevoerd met betrekking tot het woon- en leefklimaat op het perceel [locatie 5] geen aanleiding voor het oordeel dat het college het woon- en leefklimaat ter plaatse niet aanvaardbaar heeft kunnen achten. 2.12.4.

De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 2] voor het overige hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 2] is in zoverre ongegrond. Het beroep van [appellant sub 3] 2.13. [appellant sub 3] kan zich niet verenigen met het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden (AD)" wat betreft zijn gronden aan [locatie 6]. Hij betoogt dat deze bestemming in de weg staat aan de door hem gewenste herbouw van de voormalige keuterboerderij, waarvan thans op zijn gronden nog restanten aanwezig zijn, teneinde als woning voor zijn zoon te kunnen dienen. [appellant sub 3] voert, onder verwijzing naar een brief van de boerderijcommissie Brabants Heem, aan dat het in deze om een uniek erfgoed gaat, waarvan het voortbestaan alleen kan worden gewaarborgd door aan de boerderij een nieuwe functie te geven. 2.13.1. Op de gronden aan [locatie 6] bevinden zich restanten van een voormalige boerderij, die in 1956 onbewoonbaar is verklaard. In het plan is aan de gronden de bestemming "Agrarische doeleinden (AD)" toegekend.

In artikel 5.2 van de planvoorschriften is bepaald dat op de tot "Agrarische doeleinden (AD)" bestemde gronden uitsluitend mogen worden gebouwd bouwwerken ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat - voor zover hier van belang - uitsluitend anderebouwwerken zijn toegestaan. De bouw van een woonboerderij is derhalve niet mogelijk. 2.13.2. Vaststaat dat van de voormalige keuterboerderij aan [locatie 6] nog ongeveer vijf procent aan restanten aanwezig is. Gelet hierop alsmede op het feit dat het vorige plan ter plaatse niet voorzag in een burgerwoning, moet de wens van [appellant sub 3] worden beschouwd als een verzoek de nieuwvestiging van een burgerwoning in het buitengebied mogelijk te maken. In het streekplan is in paragraaf 3.4.13 bepaald dat toevoeging van burgerwoningen in het buitengebied door nieuwbouw niet is toegestaan. Weliswaar is in de provinciale beleidsnota Buitengebied in ontwikkeling bepaald dat in bebouwingsconcentraties onder voorwaarden (beperkte) toevoeging van nieuw bouwvolume mogelijk is, maar het college heeft in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat in deze van een bebouwingsconcentratie geen sprake is. De wens van [appellant sub 3] is derhalve in strijd met het streekplan.

Volgens hoofdstuk 5 van het streekplan is het college bevoegd om af te wijken van een beleidslijn uit hoofdstuk 3 van het streekplan in die gevallen waarin de handhaving van de beleidslijn gevolgen zou hebben, die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidslijn te dienen doelen. [appellant sub 3] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat handhaving van de beleidslijn geen gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidslijn te dienen doelen. In dit verband overweegt de Afdeling dat [appellant sub 3] ter ondersteuning van zijn betoog omtrent de cultuurhistorische waarde een brief heeft overgelegd van de boerderijcommissie Brabants Heem van 5 augustus 2005. In deze brief wordt gesteld dat de restanten op de gronden aan [locatie 6] afkomstig zijn van een keuterboerderijtje uit omstreeks 1750 en dat door zijn zeer hoge cultuurhistorische waarde het behoud ervan voorop staat. Niet aannemelijk is echter gemaakt dat voor het behoud van het erfgoed uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening het toekennen van de bestemming "Woondoeleinden (W)" noodzakelijk is. 2.13.3. In overweging 2.8.4. is reeds zelfvoorziend goedkeuring onthouden aan alle plandelen met de bestemming "Agrarische doeleinden (AD)".

De conclusie is echter dat hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 3] is ongegrond. Het beroep van [appellante sub 5] 2.14. [appellante sub 5] betoogt dat het in het plan aan haar gronden aan de [locatie 7] toegekende bouwvlak te klein is. Zij wenst een bouwvlak van 0,6 hectare, zoals dat volgens haar in het vorige plan aan haar gronden was toegekend. [appellante sub 5] wijst er op dat in het kader van de Provinciale subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Noord-Brabant ook wordt uitgegaan van een bouwvlak van 0,66 hectare voor haar perceel. Zij voert aan dat ten onrechte in het onderhavige geval één van de schuilstallen, de kuilvoeropslag en een deel van de erfverharding buiten het bouwvlak is gelaten. [appellante sub 5] betwist dat er sprake is van een excentrische ligging van de schuilstal. Zij betoogt dat bij twee andere agrarische bedrijven aan de [locatie 8] te [plaats] en [locatie 9] te [plaats] wel de bestaande situatie volledig is gerespecteerd. 2.14.1.

[appellante sub 5] exploiteert aan de [locatie 7] te [plaats] een schapenhouderij. Het bedrijf heeft een omvang van 16,8 Nederlandse grootte-eenheden (hierna: Nge). Aan de gronden met een oppervlakte van 0,1 hectare met daarop de woning met garage en drie schuilstallen is in het plan de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)" toegekend. De overige gronden hebben in het plan de bestemming "Agrarische doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" gekregen. Op deze gronden bevindt zich een vierde schuilstal en een onverharde kuilvoeropslag. 2.14.2. Blijkens de zienswijze op het deskundigenbericht zijn de raad en het college bij nadere beschouwing van mening dat voor de buiten het bouwvlak gelegen schuilstal een eng begrensd

bouwvlak dient te worden opgenomen. Zij hebben meegedeeld het gewenst te vinden dat het bestreden besluit, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" wat betreft de gronden aan de [locatie 7] te [plaats] ter plaatse van de schuilstal door de Afdeling wordt vernietigd. Tevens wordt de Afdeling verzocht zelf voorziend goedkeuring aan dit gedeelte van het plan te onthouden. De Afdeling is van oordeel dat uit het vorenstaande volgt dat plan in zoverre is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Door het plan in zoverre niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is op dit punt gegrond, zodat het bestreden besluit tevens dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" wat betreft de gronden aan de [locatie 7] te[plaats] ter plaatse van de schuilstal. Hiervoor is reeds zelfvoorziend goedkeuring onthouden aan alle plandelen met de bestemming "Agrarische doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)".

In het bovenstaande ziet de Afdeling aanleiding om eveneens om deze reden goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" wat betreft de gronden aan [locatie 7] te [plaats] ter plaatse van de schuilstal. 2.14.3. Voor zover [appellante sub 5] betoogt dat afgezien van de gronden ter plaatse van de schuilstal nog meer gronden voor een bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)" in aanmerking zouden moeten komen, overweegt de Afdeling als volgt. Volgens het gemeentelijke beleid worden bedrijven met een omvang tussen 10 en 30 Nge niet aangemerkt als volwaardige bedrijven maar als nevenberoepsbedrijven en worden deze aan de hand van de grenzen van de huidige bebouwing voorzien van een eng begrensd agrarisch bouwvlak. In hetgeen [appellante sub 5] heeft gesteld ziet de Afdeling geen aanleiding dit beleid onredelijk te achten. De Afdeling stelt vast dat met het in het plan opgenomen bouwvlak gekoppeld aan een bouwvlak ter plaatse van de schuilstal zoals dat de raad en het college inmiddels voor ogen staat voor het bedrijf van [appellante sub 5] aan het voornoemde beleid wordt voldaan. Het beroep van [appellante sub 5] geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college in dit geval niet aan het voornoemde beleid heeft kunnen vasthouden.

Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat ter zitting is gebleken dat [appellante sub 5] thans geen concrete uitbreidingsplannen heeft. Wat betreft het betoog van [appellante sub 5] dat ten onrechte de kuilvoeropslag en verhardingen buiten het bouwvlak zijn gelaten, overweegt de Afdeling als volgt. Ingevolge artikel 7.1, aanhef en onder g, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor "Agrarische doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" aangewezen gronden, bestemd voor infrastructurele voorzieningen zoals deze bestonden op het tijdstip van terinzagelegging van het plan. Erfverhardingen die bestonden op het tijdstip van terinzagelegging van het plan zijn derhalve als zodanig bestemd. De bestemming "Agrarische doeleinden met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde (ALN)" verzet zich evenmin tegen de onverharde kuilvoeropslag. Ten aanzien van de door [appellante sub 5] gemaakte vergelijking met de agrarische bedrijven aan De [locatie 8] te Liempde en [locatie 9] te Boxtel, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat deze bedrijven in het plan eveneens een eng begrensd bouwvlak hebben gekregen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Raalte&id=b039e3a0-3ff7-40de-9cc7-faf914efcf54