Bijlage 57 Reactienota zienswijzen
Tekst van het document
AbRS 14 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2770)
16
Mitsdien is - anders dan reclamanten stellen – onderhavige zonnepark geen m.e.r.-beoordelingsplichtig project.
Conclusie: De zienswijze leidt niet tot een andere overweging in het besluit. Zienswijze 8 met kenmerk BZ 03 - Geluid (16 september 2025) 8. Er is blijkens de ruimtelijke onderbouwing ten onrechte geen dan wel een gebrekkig onderzoek gedaan naar het geluid van het zonnepark
Reactie Zie onze reactie onder zienswijze 6b. Hieraan wordt toegevoegd dat de afstand tussen de woning op het perceel van Hondemotsweg nummer 24 en de dichtstbij de woning gelegen locatie 2 van het zonnepark ongeveer 82 meter bedraagt. De afstand tussen de woning op het perceel van Hondemotsweg nummer 28 en de dichtstbij de woning gelegen locatie 2 van het zonnepark bedraagt ongeveer 165 meter. Mitsdien wordt voldaan aan de adviesafstanden uit de VNG-brochure bedrijven en milieuzonering en is in zoverre sprake van een goede ruimtelijke ordening.
Conclusie: De zienswijze leidt niet tot een andere overweging in het besluit. Zienswijze 9 met kenmerk BZ 05 - Strijd met gemeentelijk ruimtelijke beleid voor zonneparken (16 september 2025) 9. Het Zonnepark is in strijd met de volgende onderdelen van het ruimtelijke beleid in de “Richtlijnen zonneparken in de gemeente Raalte 2.0”: -
zonneladder; bestemming verhouding zonnepanelen - groen/water; minimale afstand tussen zonneparken; dialoog; maatschappelijke meerwaarde; randvoorwaarden; proces om te komen tot besluitvorming toetsing volledigheid anterieure overeenkomst
Reactie Deze zienswijze is voor een deel een herhaling van zienswijze 7 van 16 september 2025, aangevuld bij brief van 1 oktober 2025, zoals beoordeeld onder 7a. Voor dat deel wordt volstaan met de verwijzing naar onze reactie onder 7a over de onderdelen zonneladder, bestemming, verhouding zonnepanelen – groen/water en minimale afstand tussen zonneparken) en onze reactie 4e over de dialoog. De overige onderdelen worden van een standpunt voorzien. Maatschappelijke meerwaarde Reclamant voert in het kader van het vereiste van de maatschappelijke meerwaarde van een zonnepark aan dat dit niet kan worden beoordeeld, omdat het participatieproces niet goed is doorlopen en de negatieve adviezen van Het Oversticht zijn genegeerd. In paragraaf 3.5 ‘Maatschappelijke meerwaarde’ en paragraaf 3.5.3 ‘Toetsing maatschappelijke meerwaarde’ van de “Richtlijnen zonneparken in de gemeente Raalte 2.0” wordt het volgende over de bij de aanvraag te sluiten stukken over de ‘maatschappelijke meerwaarde’ - voor zover hier van belang - vermeld (citaat):
17
“3.5
Maatschappelijke meerwaarde
Een zonnepark in het buitengebied heeft impact op de omgeving. Om mee te werken aan een zonnepark in het buitengebied is daarom maatschappelijke meerwaarde vereist. (…) 5.3.5
Toetsing maatschappelijke meerwaarde
Bij de uiteindelijke vergunningaanvraag moet in ieder geval aangegeven worden: • • •
Welke punten zijn onderzocht en besproken met de omgeving; Waar bij het betreffende zonnepark de maatschappelijke meerwaarde wordt gecreëerd; Waarom dit in balans is met impact en schaal van het zonnepark.”
Op 21 december 2023 heeft de initiatiefnemer een omgevingsvergunning aangevraagd voor het zonnepark. Uit het via het Omgevingsloket ingediende aanvraagformulier blijkt - voor zover hier van belang - dat daarbij de o.a. volgende documenten zijn gesloten: -
Overzicht uitgevoerd communicatie en participatieproces van 26 november 2023 (bijlage 10) Overzicht van reacties en acties op vragen van omwonenden van 26 november 2023 (bijlage 1 en 10); Communicatie- en Participatie-plan van 8 mei 2022 (bijlage 11) Maatschappelijke Meerwaarde (bijlage 12) Paragrafen 3.4 en 5.2 van de Ruimtelijke Onderbouwing (bijlage 1)
Uit deze documenten blijkt dat - anders dan reclamant stelt - bij de aanvraag voldoende informatie is overgelegd over de wijze waarop de initiatiefnemer wil voldoen aan de voorwaarde over de maatschappelijke meerwaarde van het zonnepark. De aanvraag was op dit onderdeel ontvankelijk en in zoverre in overeenstemming met de in paragraaf 5.3.5 gestelde voorwaarde over de motivering van de aanvraag. Randvoorwaarden (instandhoudingstermijn) Reclamant voert aan, althans zo wordt begrepen, dat de volgende onderwerpen ontbreken in de aanvraag: -
Waarborg tijdelijke instandhouding zonnepark Waarborg financiële middelen verwijdering zonnepark Beoordeling uitvoerbaarheid project vanwege geluid en lichtreflectie
In paragraaf 3.6.1 ‘Randvoorwaarden’ en paragraaf 3.6.2 ‘Haalbaar (technisch en financieel) en voldoen aan wet- en regelgeving’ van de “Richtlijnen zonneparken in de gemeente Raalte 2.0” wordt over de waarborging van de tijdelijke instandhouding van het zonnepark en de uitvoerbaarheid van het zonnepark - voor zover hier van belang - het volgende vermeld (citaat):
“De tijdelijkheid wordt geborgd door in de omgevingsvergunning een termijn van instandhouding op te nemen van 25 jaar. In de anterieure overeenkomst worden tevens afspraken vastgelegd over het verwijderen van de zonnepanelen na deze termijn. (…) Iedere initiatiefnemer van een zonnepark zal kijken naar de financieel technische haalbaarheid van het project. Daarbij komen zaken aan de orde zoals: (…) *
18
•
Kosten voor verwijdering van het zonnepark.
(…) In de goede ruimtelijke onderbouwing, die onderdeel is van de vergunningaanvraag van het project, moet aangetoond worden dat het project ook op basis van wet- en regelgeving haalbaar is.” Anders dan reclamant stelt, is de vergunning aangevraagd voor een tijdelijk zonnepark. Mitsdien is de tijdelijkheid dus reeds geborgd in de aanvraag. Hieraan wordt toegevoegd, zoals onder zienswijze 1c toegelicht, dat aan de omgevingsvergunning ook nog een voorschrift wordt verbonden die ertoe strekt dat het zonnepark en de daarbij behorende voorzieningen na ommekomst van de instandhoudingstermijn van 25 jaar moeten worden verwijderd. Indien dit voorschrift niet wordt nageleefd, kan naleving daarvan worden afgedwongen door toepassing van een bestuursrechtelijk handhavingsinstrument. Op deze wijze is de ontmanteling ‘technisch’ voldoende gewaarborgd. De ontmanteling is ook financieel voldoende geborgd vanwege de restwaarde van de zonnepanelen in het kader van de recycling na ommekomst van de instandhoudingstermijn. Dit is toegelicht in paragraaf 3.4.2 van de Ruimtelijke Onderbouwing. Het verwijderen van het zonnepark wordt overigens ook nog (extra) - overeenkomstig het gemeentelijk beleid gewaarborgd in de met de initiatiefnemer gesloten overeenkomst.
Tot slot wordt voor de uitvoerbaarheid in het kader van geluid en lichtschittering volstaan met een verwijzing naar de beoordeling van deze milieuhygiënische aspecten in de paragrafen 4.6 en 4.12 van de Ruimtelijke Onderbouwing. Anders dan reclamant stelt, zijn onderhavige onderwerpen voldoende in de aanvraag dan wel in de daarbij behorende stukken gewaarborgd dan wel beoordeeld. In zoverre is er geen sprake van strijdigheid met het gemeentelijk beleid. Proces om te komen tot besluitvorming Reclamant stelt dat het college niet bevoegd was om te besluiten op het principeverzoek omdat het verzoek niet voldeed aan de indieningsvereisten. In paragraaf 4.2 ‘Omvang bepaalt de besluitvorming’ en paragraaf 4.3 ‘Voortraject: locatiescan en dialoog met omgeving’ van de “Richtlijnen zonneparken in de gemeente Raalte 2.0” wordt - voor zover hier van belang - het volgende vermeld over de behandeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan door het bevoegd gezag (citaat):
“Voor het realiseren van een zonnepark is een omgevingsvergunning en een tijdelijke afwijking van het bestemmingsplan nodig. Bij zonneparken groter dan twee hectare loopt de besluitvorming over de omgevingsvergunning via de gemeenteraad. Zonneparken kleiner dan 2 hectare netto worden door het college afgehandeld. Dit omdat bij zonneparken van grotere omvang de impact op de omgeving groter is. (…) Als voortoets van een uitgewerkt plan kan een principe verzoek getoetst worden bij het college. (…) Op basis van de principe uitspraak en/of de intentieovereenkomst kan de definitieve vergunningaanvraag voor het tijdelijke zonnepark daarna verder uitgewerkt worden.” Anders dan reclamant stelt, worden in het gemeentelijke beleid geen inhoudseisen gesteld aan een principeverzoek. Evenmin worden hierin voorwaarden gesteld waaronder het college een positief besluit kan nemen op een principeverzoek. Voorts bestaat er ook geen wettelijke bepaling waarin voorwaarden zijn opgenomen voor het nemen van een besluit op een principeverzoek. In zoverre is er derhalve geen sprake van strijdigheid met het gemeentelijk beleid.
19
Toetsing volledigheid Reclamant voert aan dat de aanvraag om de omgevingsvergunning onvolledig was vanwege het ontbreken van het ‘participatie rapport’. In paragraaf 4.4.1 ‘Toetsing volledigheid’ van de “Richtlijnen zonneparken in de gemeente Raalte 2.0” wordt - voor zover hier van belang - het volgende vermeld over de beoordeling van de ontvankelijkheid van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan (citaat):
“De eerste stap zal zijn om te toetsen of de aanvraag volledig is. Daarbij moet goed zijn weergegeven hoe het participatie- en communicatieplan is uitgevoerd, wat de opbrengsten zijn van dit proces en wat er met de input vanuit de omgeving is gedaan. (…) Als een aanvraag niet volledig is, wordt om aanvulling verzocht. Wordt de aanvraag niet, of niet voldoende aangevuld dan kan deze buiten behandeling worden gelaten.” De aanvraag om de omgevingsvergunning van 21 december 2023 was op dit onderdeel - anders dan reclamant stelt - volledig en derhalve ontvankelijk. Zie paragraaf 5.2 van de bij de aanvraag gesloten Ruimtelijke Onderbouwing van 18 december 2023 en bijlage 6 (participatieverslag) bij die Ruimtelijke Onderbouwing. Anterieure overeenkomst Tot slot voert reclamant in het kader van de strijdigheid met de “Richtlijnen zonneparken in de gemeente Raalte 2.0” aan, althans zo wordt begrepen, dat in de anterieure overeenkomst geen verplichting voor de initiatiefnemer is opgenomen voor het reserveren van voldoende financiële middelen voor toegekende planschadeclaims. In paragraaf 4.4.3 ‘Anterieure overeenkomst’ van de “Richtlijnen zonneparken in de gemeente Raalte 2.0” wordt het volgende over de inhoud van de overeenkomst - voor zover hier van belang - vermeld (citaat):
“Parallel aan de vergunning wordt een anterieure overeenkomst gesloten waarin afspraken tussen initiatiefnemer/aanvrager en de gemeente worden vastgelegd. Bijvoorbeeld dat eventuele planschade die voortkomt uit het project voor rekening van de aanvrager/initiatiefnemer komt. Ook worden hierin afspraken vastgelegd over het verwijderen van het zonnepark en het herstellen van de situatie na afloop van de termijn van maximaal 25 jaar. Bijvoorbeeld door financiële middelen hiervoor te reserveren,” Anders dan reclamant stelt, blijkt hieruit niet dat in een de anterieure overeenkomst een verplichting voor de initiatiefnemer moet worden opgenomen voor het reserveren van voldoende financiële middelen om toekomstige toegekende planschadeclaims te compenseren. Ook in zoverre is er geen sprake van strijdigheid met het gemeentelijk beleid.
Conclusie: De zienswijze leidt niet tot een andere overweging in het besluit. Zienswijze 10 met kenmerk BZ 02 (16 september 2025) 10. Het zonnepark is op de volgende onderdelen in strijd met het gemeentelijk beleid in de “Richtlijnen zonneparken in de gemeente Raalte 2.0”: -
minimale afstand tussen zonneparken; dialoog omwonenden en omgeving.
Reactie Zie onze reactie onder zienswijze 7a voor het onderdeel ten aanzien van de minimale afstand tussen zonneparken en onze reactie onder zienswijze 4e voor het onderdeel over de dialoog.
Conclusie: De zienswijze leidt niet tot een andere overweging in het besluit.
20
Zienswijze 11 met kenmerk BZ 01 - Eén vergunning (16 september 2025) 11. Het is onjuist om voor drie solitair gelegen locaties van het zonnepark één omgevingsvergunning te verlenen.
Reactie Voorop wordt gesteld dat de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning plaatsvindt op grondslag van de aanvraag. De aanvraag is maatgevend. Dit betekent dat de initiatiefnemer in beginsel het projectgebied bepaald. Relevant is om hierbij te vermelden dat in en bij de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geen regels zijn opgenomen over een projectgebied en/of de eigendomssituatie. In zoverre komt een initiatiefnemer dan ook een grote mate van vrijheid toe bij het bepalen van de begrenzing van het projectgebied. De vrijheid van die begrenzing wordt bij de beoordeling van de aanvraag beperkt door het criterium van een goede ruimtelijke ordening en eventuele andere rechtsregels inclusief de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Indien het projectgebied hiermee in strijd is, kan de omgevingsvergunning niet worden verleend. Dit brengt voor onderhavige aanvraag met zich dat elke locatie van het zonnepark op zichzelf dient te voldoen aan een goede ruimtelijke ordening. In zoverre maakt het voor de beoordeling van de aanvraag geen verschil of er één of drie afzonderlijke aanvragen zijn ingediend voor onderhavige zonnepark dat bestaat uit drie locaties. De beoordeling van die aanvraag/aanvragen blijft hetzelfde; elke locatie wordt op haar eigen merites beoordeeld aan het vereiste van een goede ruimtelijke ordening.
Op basis van die beoordeling is de conclusie getrokken dat het projectgebied niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
Conclusie: De zienswijze leidt niet tot een andere overweging in het besluit. Zienswijze 12 (16 september 2025) 12. De ontwerpbesluiten zijn in strijd met een goede ruimtelijke ordening en er is ten onrechte geen meronderzoek verricht. Reclamante stelt zich op het standpunt dat het ontwerpbesluit en de ontwerp-vvgb in strijd zijn met het criterium van een goede ruimtelijke ordening. Zij onderbouwt dit standpunt met verwijzing naar de bijgesloten document ‘Leven naast Energielandgoed Raalte…’ opgesteld door Adviesbureau Haver Droeze van 25 augustus 2025. In dit document wordt aangevoerd dat het zonnepark op de volgende onderdelen niet voldoet aan een goede ruimtelijke ordening: -
-
-
geluidsoverlast van de omvormers; er ontbreekt een geluidsonderzoek. Voorts dient hierbij de geluidsreflectie op het recent aan de andere zijde van de provinciale weg (N35) geplaatste geluidscherm te worden betrokken; aantasting vrij uitzicht; lichtschittering als gevolg van de weerkaatsing (zon)licht op de zonnepanelen; warmte stress; uitbreiden/veranderen van de in het Landschappelijk Inpassingsplan voorziene strook kruidenrijk grasland met een breedte van acht meter tussen locatie 2 en spoorlijn ter hoogte van de woning van reclamante ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing van het zonnepark; en ontbreken participatie.
Daarnaast voert reclamante aan dat er ten onrechte geen ‘mer-onderzoek’ is verricht naar de milieugevolgen van het zonnepark.
Reactie 12a. Geluidhinder Het is volgens Haver Droeze zeer aannemelijk dat de omvormers van het zonnepark op locatie 2 geluidhinder veroorzaken voor reclamante. Het bronvermogen van de beoogde omvormer is op één meter afstand 76 dB(A). Naar verwachting zal dat geluidniveau ter hoogte van de spoorlijn 40 dB(A) bedragen en ter hoogte van het erf van de woning 36 dB(A). Hierbij moet worden betrokken dat er meer omvormers worden geplaatst (20 stuks) en dat er derhalve sprake zal zijn van cumulatie van geluid. Dit heeft tot gevolg dat het geluidniveau ter plaatse van de woning op zonnige winterdagen boven de 50 dB(A) zal zijn. 21
Reactie Zie onze reactie onder zienswijze 6b. Hieraan wordt toegevoegd dat de omvormers op locatie 2 in het midden van het terrein met de zonnepanelen worden geplaatst. De afstand tussen de dichtstbij de gevel van de woning Heinoseweg 5 te plaatsen omvormer en die gevel bedraagt ongeveer 128 meter. Er wordt derhalve ruim voldaan aan de in acht te nemen adviesafstand van 30 meter uit de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering tussen een omvormer en een geluidgevoelig object. Mitsdien is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Een aanvullend akoestisch onderzoek is derhalve niet nodig. Hieraan wordt voor de volledigheid toegevoegd dat de kortste afstand tussen locatie 2 en de woning van reclamante ongeveer 71 meter bedraagt. Dit betekent dat ook in het geval de omvormers aan de rand van locatie 2 zouden worden geplaatst er wordt voldaan aan de adviesafstand van 30 meter uit de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering.
Conclusie: De zienswijze leidt niet tot een andere overweging in het besluit. 12b. Aantasting vrij uitzicht De zonnepanelen zijn vanaf het erf op ooghoogte (storend) zichtbaar en vanaf de verdieping in de woning.
Reactie Zie onze reactie onder zienswijze 6a.
Conclusie: De zienswijze leidt niet tot een andere overweging in het besluit. 12c. Lichtschittering Er is ten onrechte geen onderzoek gedaan naar lichtschittering. Schittering van zonnepanelen treedt op bij een lage stand van de zon waarbij de weerkaatsing van de lichtstralen op grote afstand zichtbaar is. De geplande situatie zal bij die zonnestanden, met name in de winter, kunnen resulteren in schittering.
Reactie Zie onze reactie onder zienswijze 6b.
Conclusie: De zienswijze leidt niet tot een andere overweging in het besluit. 12d. Warmte stress Het zonnepark kan volgens Haver Droeze leiden tot een plaatselijk opwarming en derhalve van invloed zijn op de biodiversiteit en het microklimaat in de directe omgeving van het zonnepark. De invloed op de biodiversiteit wordt volgens Haver Droeze evenwel gecompenseerd door het Landschappelijke Inpassingsplan. Gelet daarop, wordt verzocht om de landschappelijke inpassing van locatie 2 ter hoogte van de woning van reclamante aan te passen en niet te volstaan, zoals in het Landschappelijk Inpassingsplan voorzien, met alleen maar de aanleg van kruidenrijk grasland.
Reactie Deze zienswijze heeft in feite betrekking op de landschappelijke inpassing. Kennelijk, zo begrijpen wij, heeft kruidenrijk grasland minder effect op de verlaging van de temperatuur dan de door reclamante gewenste landschappelijke inpassing (houtsingel). Zoals in de zienswijze al wordt vermeld, is ter hoogte van de woning van reclamante geen sprake van een verhoging van de temperatuur als gevolg van het zonnepark. In zoverre is ‘warmte stress’ geen reden om de landschappelijke inpassing ter hoogte van de woning van reclamante te moeten aanpassen.
22
Conclusie: De zienswijze leidt niet tot een andere overweging in het besluit. 12e. Landschappelijke inpassing locatie 2 nabij spoorlijn Uit het Landschappelijk Inpassingsplan blijkt dat de locatie 2 van het zonnepark ter hoogte van de woning van reclamante alleen wordt ingepast met een strook kruidenrijk grasland met een breedte van acht meter. Deze landschappelijk inpassing is onvoldoende. Verzocht wordt om een aanpassing van het Landschappelijke Inpassingsplan en te voorzien in een houtsingel van ten minste 3 meter hoog met een voldoende dichtheid.
Reactie Uit doorsnede M - M van locatie 2 in het Landschappelijk Inpassingsplan blijkt dat het zonnepark ter hoogte van de woning van reclamante landschappelijk wordt ingepast met een strook kruidenrijk grasland van vier meter breed, een hekwerk in een donkere kleurstelling (dennegroen of zwartgrijs) met een hoogte van 1,8 meter en aansluitend daarop nog een strook kruidenrijk grasland met een breedte van acht meter tot en met de sloot naast de spoordijk. Voorts wordt het zonnepark voor reclamante (deels) aan het zicht onttrokken door de spoorlijn, die op een dijklichaam met een hoogte van ongeveer 1,5 meter boven maaiveld is gelegen, alsmede door de op of nabij de perceelsgrens van de grond van reclamante gelegen bestaande groenstrook met in hoogte opgaande groen. Die groenstrook is over de volledige lengte van het perceel van reclamant aanwezig. Op deze wijze wordt het zonnepark voor reclamante reeds voldoende afgeschermd en in het landschap ingepast. Een aanpassing van het Landschappelijk Inpassingsplan sorteert in zoverre geen effect.
Conclusie: De zienswijze leidt niet tot een andere overweging in het besluit. 12f. Ontbreken participatie Haver Droeze voeren aan dat er in het kader van participatie niet het vereiste contact is geweest met de bewoners van de Heinoseweg 5, terwijl het zeer aannemelijk is dat zij directe gevolgen zullen ondervinden van een zonnepark op locatie 2. Dit is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.
Reactie Zie onze reactie onder zienswijze 4e. Hieraan wordt toegevoegd dat de kring van participanten in het Communicatie- en Participatieplan van 8 mei 2022 in beginsel is afgestemd op omwonenden die vanuit hun woning of vanaf hun zicht hebben op de rand van (één van) de drie locaties. Hierbij is de spoorlijn tussen Zwolle Almelo als een fysieke barrière aangemerkt, omdat die op een dijklichaam van 1,5 meter hoogte ten opzichte van het maaiveld is gelegen. In zoverre hebben omwonenden van het zonnepark aan de andere zijde van de spoorlijn niet een volledig uitzicht op het zonnepark en zijn zij niet persoonlijk door de initiatiefnemer uitgenodigd voor deelname aan de participatie. Dat laat onverlet dat ook zij welkom waren. Reclamante is in een later stadium van de participatie uit eigen beweging aangeschoven. Vanaf dat moment is zij door de initiatiefnemer ook rechtstreeks uitgenodigd voor volgende bijeenkomsten.
Conclusie: De zienswijze leidt niet tot een andere overweging in het besluit. 12g. M.e.r.-beoordeling Reclamante voert aan dat er ten onrechte geen mer-onderzoek is verricht naar de milieugevolgen.
Reactie Zie onze reactie over de m.e.r.-beoordeling onder zienswijze 7f.
Conclusie: De zienswijze leidt niet tot een andere overweging in het besluit.
23
Zienswijze 13 (17 september 2025) 13a. Het zonnepark doet afbreuk aan de landschappelijke en cultuurhistorische waarde van het gebied Reclamant onderbouwt deze zienswijze (globaal) met de volgende argumenten: -
Het Oversticht kwalificeert het gebied voor het zonnepark als ‘hoog cultuurhistorisch en landschappelijk gevoelig’; verwijzing naar een ingezonden brief van een hoogleraar Landschapsgeschiedenis van de RUG (de heer Spek) in De Stentor het zonnepark heeft een negatieve invloed op het omliggende gebied vanwege: a. belemmering vrij uitzicht in het open landschap b. lichtvervuiling c. geluidsoverlast
Reactie Voorop wordt gesteld dat reclamant zijn zienswijze zeer globaal onderbouwt en dat die niet concreet worden toegespitst op de drie locaties van het zonnepark. Het is dan ook lastig om hierop een meer gedetailleerd standpunt in te nemen. Volstaan wordt dan ook met een globaal standpunt. Het Oversticht Anders dan reclamant stelt, kwalificeert Het Oversticht locatie 1 van het zonnepark vanaf het eerste advies van 17 maart 2021 niet (meer) van grote landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Het gebied is opgeschaald voor landbouw. Hiervoor zijn bestaande houtopstanden verwijderd en is de biodiversiteit, mede door het intensieve agrarische gebruik, verloren gegaan. Voorts gaat reclamant eraan voorbij dat Het Oversticht positief heeft geadviseerd over de omvang en de inpassing in het landschap van alle drie de locaties van het zonnepark. Het Oversticht is dus - anders dan reclamant - van oordeel dat het zonnepark geen afbreuk doet aan de landschappelijke waarde van het gebied. Ingezonden brief hoogleraar Landschapsgeschiedenis van de RUG (de heer Spek) in De Stentor Zie onze reactie onder zienswijze 7a. Belemmering vrij uitzicht in open landschap Zie onze reactie onder zienswijze 6a. Lichtvervuiling Er is geen verlichting aangevraagd voor het zonnepark. Er kan dan ook geen sprake zijn van lichtvervuiling. Geluidsoverlast Zie onze reactie onder zienswijze 6b.
Conclusie: De zienswijze leidt niet tot een andere overweging in het besluit. 13b. Verlies van beleving, zichtkwaliteit en woongenot Reclamant onderbouwt deze zienswijze (globaal) met de volgende argumenten: -
aantasting open- en agrarisch landschap; aantasting vrij uitzicht waardedaling van de woningen aantasting beleving recreant
24
Reactie De eerste opgesomde redenen (aantasting open- en agrarisch landschap en vrij uitzicht) voor het doen van afbreuk zijn een herhaling van de zienswijze onder 13a. Volstaan wordt met een verwijzing naar de reactie onder 13a. Waardedaling woningen Er staat op voorhand niet vast dat er concreet sprake is van waardevermindering van woningen. Hierbij wordt erop gewezen dat voor zover sprake is van waardedaling van onroerend goed, reclamant een verzoek om nadeelcompensatie kan indienen bij het bevoegd gezag. Dit verzoek staat los van onderhavige procedure. Aantasting beleving recreant Herhaald wordt dat Het Oversticht positief heeft geadviseerd over de omvang en de landschappelijke inpassing van het zonnepark. Alle drie de locaties worden landschappelijk ingepast, waarbij het uitgangspunt is de bevordering van de ecologie en de biodiversiteit. Door het realiseren van o.a. inheemse gebiedseigen beplantingen, keverbanken en aanleg van sloten enerzijds en het behouden van bestaande landschapselementen anderzijds, wordt een waardevolle biotoop gecreëerd voor de lokale flora en fauna. De randen van het zonnepark worden waar noodzakelijk aangezet met een struweel en/of patrijzenhaag. Deze hagen dragen bij aan het visueel afschermen van het zonnepark.
Conclusie: De zienswijze leidt niet tot een andere overweging in het besluit. 13c. Onevenwichtige ruimtelijk ordening De situering van het zonnepark op ‘kostbare landbouwgronden’ is in strijd met een evenwichtige ruimtelijke ordening, omdat er nog onbenutte daken van woningen en bedrijven, en parkeerplaatsen in bebouwd gebied, beschikbaar zijn.
Reactie Zie onze reactie onder zienswijze 7a. Hieraan wordt voor de duidelijkheid toegevoegd dat er op grond van gemeentelijk ruimtelijk beleid in de “Richtlijnen zonneparken in de gemeente Raalte 2.0” geen voorkeursvolgorde wordt gehanteerd voor het verlenen van medewerking aan het opwekken van zonne-energie. Mitsdien is er ook geen sprake van een onevenwichtige ruimtelijke ordening door medewerking te verlenen aan onderhavig zonnepark.
Conclusie: De zienswijze leidt niet tot een andere overweging in het besluit. 13c. Onzekerheden rondom milieu, gezondheid en veiligheid Reclamant onderbouwt deze zienswijze (globaal) met de volgende argumenten: -
transformatorstations veroorzaken mogelijk gezonds- en veiligheidsrisico’s, zoals blootstelling aan elektromagnetische velden en brandgevaar.
Reactie Elektromagnetische velden en straling Zoals toegelicht in paragraaf 4.13 van de Ruimtelijke Onderbouwing, is er buiten het zonnepark geen sprake van elektromagnetische velden en/of straling als gevolg van het opwekken van zonne-energie. Het zonnepark veroorzaakt derhalve geen risico voor de gezondheid en het tast de gezondheid van omwonenden dan ook niet aan. Brandgevaar Zie onze reactie onder zienswijze 7c. Hieraan wordt toegevoegd dat er maatregelen worden getroffen om het brandgevaar klein te houden. De transformatorstations, het klantstation en de batterijopslag worden bijvoorbeeld op een betonnen ondergrond/kelder geplaatst. Daarnaast wordt het park 24 uur per dag en 7 dagen per week 25
door middel van camerabewaking bewaakt. De locaties worden voorzien van voldoende brede, vrij van boomkruinen en half verharde toegangswegen voor de brandweer, zodat de brandweer in geval van nood goede toegang heeft tot het zonnepark. Het project is - anders dan reclamant stelt - getoetst op milieutechnische en veiligheid-technische aspecten.
Conclusie: De zienswijze leidt niet tot een andere overweging in het besluit. 13e. Participatie, draagvlak en alternatieven. Uit de gehouden dialoog blijkt dat er geen draagvlak bestaat voor het zonnepark op onderhavige locaties. Ook is gebleken dat niet alle politieke partijen voorstander zijn van het zonnepark. Gelet hierop, zo wordt begrepen, zou de aangevraagde omgevingsvergunning kunnen worden geweigerd. Verder is het onduidelijk of alternatieve locaties voor het zonnepark zijn onderzocht.
Reactie Draagvlak Zie onze reactie onder zienswijze 4e. Hieraan wordt toegevoegd dat op grondslag van de aanvraag om de omgevingsvergunning moet worden beslist. Hierbij spelen politieke voorkeuren - los van het beoordelingskader van een aanvraag - in beginsel geen rol. Alternatieve locaties Zie onze reactie onder zienswijze 4a.
Conclusie: De zienswijze leidt niet tot een andere overweging in het besluit. Zienswijze 14 Endona (17 september 2025) 14. Een maaibeleid waarbij ook de kruidenrijke vegetatie tussen de zonnepanelen onder de 30 cm maaihoogte moet worden gehouden, is ecologisch en operationeel onwenselijk. Verzocht wordt om in het kader van een evenwichtige balans tussen de brandveiligheid enerzijds en de bevordering van de ecologie en biodiversiteit anderzijds een voorschrift aan de vergunning te verbinden die er toe strekt dat de hoogte van de begroeiing (kruidenrijk grasland) met een breedte van 1 m rond de voorzieningen zoals omvormers, transformatiestations en batterijomslag, door middel van maaien wordt beperkt tot 30 centimeter.
Reactie De brandweer is akkoord met een voorschrift, waarin de hoogte van het de begroeiing (kruidenrijke grasland) bij de voorzieningen van het zonnepark (omvormers, transformatorstations en batterijopslag) wordt beperkt tot 30 cm hoog over een strook van minimaal 2,5 meter breed rondom deze voorzieningen/installaties. Zo wordt een maatregel getroffen om het brandgevaar in verhouding tot de begroeiing klein te houden. Deze onderhoudsmaatregel is niet ter plaatse van het kruidenrijke grasland tussen de zonnepanelen.
Conclusie: De zienswijze geeft aanleiding tot het verbinden van een voorschrift aan de omgevingsvergunning, waarin wordt bepaald dat de begroeiing van het kruidenrijk grasland met een breedte van 2,5 m rond de voorzieningen zoals omvormers, transformatorstations, en de batterijopslag, niet hoger mag worden dan 30 cm. Voor het overige leidt de zienswijze niet tot een andere overweging in het besluit. Zienswijze 15 (16 september 2025) 15a. Landschappelijke inpassing Reclamant voert aan dat het zonnepark op locatie 2 landschappelijk niet goed wordt ingepast en dat zonnepanelen op deze locatie derhalve niet passend zijn. De aanvaardbaarheid van de landschappelijk inpassing 26
kan niet worden gebaseerd op het positieve advies van Het Oversticht van 8 april 2025, omdat de daaraan voorafgaande adviezen van Het Oversticht van 17 maart 2021 en 15 mei 2024 negatief waren. Voorts voert reclamant aan dat van gemeentewege een onafhankelijk advies over de landschappelijke inpassing moet worden ingewonnen. Hierbij geeft reclamant aan te overwegen om nog een deskundig tegenadvies te overleggen.
Reactie Voor wat betreft de het deel van de zienswijze over de adviezen van Het Oversticht wordt verwezen naar onze reactie onder zienswijze 7a. Voorts biedt de zienswijze geen aanleiding om van gemeentewege (nogmaals) een onafhankelijk advies over de landschappelijke inpassing in te winnen bij een andere deskundige. Het advies van Het Oversticht van 8 april 2025 is door ons beoordeeld. Het advies is uitgevoerd conform de “Richtlijnen zonneparken in de gemeente Raalte 2.0” en is akkoord bevonden. Gelet hierop behoeft er niet te worden getwijfeld aan de zorgvuldigheid van het door Het Oversticht verstrekte advies van 8 april 2025. De zienswijze van reclamant werpt hierop geen ander licht.
Conclusie: De zienswijze leidt niet tot een andere overweging in het besluit. 15b. Waardevermindering woning Reclamant voert aan dat hij vreest voor een waardedaling van zijn woning als gevolg van het zonnepark op locatie 2. Het zonnepark is op een afstand van 82 m van de gevel van zijn woning geprojecteerd en op een afstand van 47 m vanaf de gezamenlijke perceelsgrens.
Reactie Het zonnepark op locatie 2 houdt een verandering voor reclamant in, maar het leidt ons inziens niet tot een onaanvaardbare aantasting van zijn woon- en leefklimaat. Wat de eventuele nadelige invloed van het zonnepark op de waarde van zijn woning, wordt overwogen dat geen aanleiding bestaat voor de verwachting dat die waardevermindering zo groot zal zijn dat bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moet worden toegekend dan aan de nationale, provinciale en gemeentelijke belangen bij een duurzame energievoorziening. Voorts wordt erop gewezen dat indien sprake is van waardedaling van de woning, reclamant om nadeelcompensatie kan verzoeken.
Conclusie: De zienswijze leidt niet tot een andere overweging in het besluit. 15c. Privacy Reclamant vreest voor de aantasting van zijn privacy als gevolg van de plaatsing van drie camera’s op locatie 2 van het zonnepark.
Reactie Uit de technische inrichtingstekening van locatie 2 blijkt dat er in totaal drie camera’s met een hoogte van 4 - 7 meter op het terrein voor de zonnepanelen binnen de landschappelijke inpassingsstroken worden geplaatst. De camera’s zijn vanaf de randen/hoeken van dit terrein gericht op de zonnepanelen. Gelet op de hoogte van de camera’s en de positionering op het terrein is het aannemelijk dat er geen onnodig zicht zal bestaan op aangrenzende gronden en gebouwen. Cameratoezicht dient bovendien te voldoen aan de AVG en zal in zoverre geen onevenredige aantasting van privacy van derden met zich brengen. Zie voor nadere info pagina 4 van de ‘Flexibiliteitsnotitie’. Dit document heeft als document B8 ter inzage gelegen bij het ontwerpbesluit. Gelet hierop behoeft reclamant niet te vrezen voor de aantasting van zijn privacy.
Conclusie: De zienswijze leidt niet tot een andere overweging in het besluit.
27
15d. Jachtrecht Locatie 2 is gelegen op o.a. de kadastrale percelen, gemeente Raalte, sectie M, nrs. 3211 en 3375. Reclamant stelt dat hij een jachtrecht heeft op deze percelen. Dat recht wordt belemmerd door de plaatsing van een hekwerk rond locatie 2.
Reactie Het plaatsen van hekwerken rond locatie 2 is een voorwaarde op grond van de verzekering van initiatiefnemer vanwege het risico op diefstal. Voorts wordt het hek ook geplaatst vanuit het oogpunt van de veiligheid. Hoewel het jachtrecht hierdoor beperking kan ondervinden, betreft dit geen ruimtelijk belang dat bij de belangenafweging voor het verlenen van de omgevingsvergunning dient te worden betrokken. Het betreft vooral een privaatrechtelijke aangelegenheid (toestemming grondeigenaar en/of gebruiker van de grond).
Conclusie: De zienswijze leidt niet tot een andere overweging in het besluit. 15e. Lichtreflectie, geluidbelasting zonnetracker-systeem en geluidsreflectie spoorweg Reclamant voert aan dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar de lichtreflectie op de zonnepanelen, de geluidbelasting van het zonnetracker-systeem en de geluidsreflectie van het gebruik van de spoorlijn op de zonnepanelen.
Reactie Zie voor de onderdelen lichtreflectie en geluidsbelasting van het zonnetracker-systeem van de zienswijze onze reacties onder zienswijze 6b. Voor wat betreft de opgeworpen reflectie van geluid van het gebruik van de spoorlijn op de zonnepanelen wordt verwezen naar hetgeen hierover wordt vermeld in paragraaf 4.6 van de Ruimtelijke Onderbouwing. Daaruit blijkt dat er geen sprake is van de reflectie van het geluid van de treinen via de zonnepanelen op de gevel van de woning van reclamant.
Conclusie: De zienswijze gaf aanleiding tot het vragen van nadere informatie aan de initiatiefnemer. Naar aanleiding hiervan is paragraaf 4.6 van de Ruimtelijke Onderbouwing aangevuld. Deze nadere informatie leidt niet tot een andere overweging in het besluit. 15f. Provinciaal beleid Reclamant voert aan, dat gelet op het feit dat op grond van de gewijzigde provinciale Omgevingsverordening geen zonneparken (meer) op landbouwgrond mogen worden aangelegd, onderhavige zonnepark in feite ook niet meer op basis van het overgangsrecht zou moeten worden toegestaan.
Reactie Zie onze reactie onder zienswijze 7b.
Conclusie: De zienswijze leidt niet tot een andere overweging in het besluit. Zienswijze 16 met kenmerk BZ 04 - Lichtreflectie (17 september 2025) 16a. Lichtreflectie Er is ten onrechte geen dan wel gebrekkig onderzoek gedaan naar de lichtreflectie op de roterende zonnepanelen. Over de effecten hiervan moet volgens reclamant bij een onafhankelijke deskundige een advies te worden ingewonnen.
Reactie: Zie onze reactie onder zienswijze 6b. Hieraan wordt toegevoegd dat het gemeentelijk ambtelijk apparaat paragraaf 4.12 van de Ruimtelijke Onderbouwing en het document “Follow the sun” heeft beoordeeld en akkoord heeft bevonden. Gelet hierop behoeft er niet te worden getwijfeld aan de juistheid van hetgeen in die informatie over de afwezigheid van lichtreflectie wordt vermeld. Het geeft geen blijk van onzorgvuldige of ondeskundige 28
informatie. Gelet hierop behoeft er niet te worden getwijfeld aan de zorgvuldigheid waarmee paragraaf 4.12 van de Ruimtelijke Onderbouwing en het document “Follow the sun” tot stand zijn gekomen en bestaat er geen aanleiding om een onafhankelijk deskundig advies in te winnen.
Conclusie: De zienswijze leidt niet tot een andere overweging in het besluit. Zienswijze 17 met kenmerk BZ 06 (17 september 2025) 17a. Omvang en inpassing, herhaling van zetten door opnieuw advies te vragen Reclamant voert aan dat er geen sprake is van een goede landschappelijke inpassing in de omgeving van de locaties 2 en 3 van het zonnepark. De aanvaardbaarheid van de landschappelijk inpassing kan niet worden gebaseerd op het positieve advies van Het Oversticht van 8 april 2025. De daaraan voorafgaande adviezen van Het Oversticht uit de periode van 17 maart 2021 en 5 december 2024 waren immers negatief.
Reactie: Zie onze reactie onder zienswijze 7a.
Conclusie: De zienswijze leidt niet tot een andere overweging in het besluit. 17b. Draagvlak en participatie Er bestaat geen draagvlak onder de omwonenden voor het zonnepark. Dit blijkt ook uit de plaatsgevonden dialoog. Gelet hierop, zo begrijpen wij, zou de aangevraagde omgevingsvergunning dienen te worden geweigerd.
Reactie: Zie onze reactie onder zienswijze 4e.
Conclusie: De zienswijze leidt niet tot een andere overweging in het besluit. Zienswijze 18 met kenmerk BZ 09 (17 september 2025) 18a. Participatie Bewoners hebben het participatieproces over het zonnepark op de Velner als ondeugdelijk, onvolledig en misleidend ervaren. Dit blijkt uit het volgende: - ontbreken draagvlak voor grootschalige zonnepark; bewoners waren bereid om in te stemmen met 1 à 2 kleinschalige locaties voor een zonnepark (2-3 ha); - participatieprocedure was onvolledig en een farce. Het participatieplan is opgesteld door de initiatiefnemer en bood geen ruimte voor standpunten van omwonenden; - er is slechts van enkele participatiebijeenkomsten een verslag gemaakt en de daarin door omwonenden geconstateerde tekortkomingen zijn niet aangepast; en - Het Oversticht beschikte voor het uitbrengen van advies niet over de “door omwonenden uitgesproken informatie” en kon in zoverre niet goed adviseren.
Reactie Zie voor ons standpunt over het participatieproces onze reactie onder zienswijze 4e en voor ons standpunt over het advies van Het Oversticht onze reactie onder zienswijze 7a.
Conclusie: De zienswijze leidt niet tot een andere overweging in het besluit. Zienswijze 19 met kenmerk BZ 06 B (17 september 2025) 19a. Wisseling beoordelingskader adviesvraag aan Het Oversticht Reclamant voert aan dat het in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel om de aan Het Oversticht voorgelegde adviesvraag te wijzigen, nadat eerdere door Het Oversticht verstrekte adviezen van 17 maart 2021 en 15 mei 2024 29
negatief waren. Dit klemt temeer, omdat Het Oversticht na de gewijzigde adviesvraag op 8 april 2025 en 14 mei 2025 positief heeft geadviseerd.
Reactie Zie onze reactie onder zienswijze 7a.
Conclusie: De zienswijze leidt niet tot een andere overweging in het besluit. 19b. Schending fair play-beginsel Het wijzigen van de door de gemeente aan Het Oversticht voorgelegde adviesvraag is in strijd met het beginsel van fair play (art. 2:4 Awb), omdat de initiatiefnemer daardoor is bevoordeeld. Het Oversticht heeft immers na de wijziging van de adviesvraag een positief advies verstrekt.
Reactie: Zoals in onze reactie onder zienswijze 7a toegelicht, is de aan Het Oversticht voorgelegde adviesvraag ten behoeve van het advies van 5 december 2024 expliciet beperkt tot de omvang en de landschappelijke inpassing overeenkomstig de “Richtlijnen zonneparken in de gemeente Raalte 2.0”. De eerder adviezen van Het Oversticht waren onbedoeld breder dan nodig op grondslag van het gemeentelijk beleid. Dit heeft ertoe geleid dat de eerdere adviezen ook gingen over andere aspecten dan de landschappelijke inpassing en omvang van het zonnepark. Het herformuleren van de adviesvraag was noodzakelijk om tot een vraag te komen die niet verder gaat dan de beoordelingskaders. Het beginsel van fair play speelt hierbij geen enkele rol en is derhalve niet geschonden. Hieraan wordt voor de volledigheid toegevoegd dat een bestuursorgaan doorgaans gemotiveerd van een advies van een externe deskundige kan afwijken.
Conclusie: De zienswijze leidt niet tot een andere overweging in het besluit. 19c. Draagvlak en participatie Reclamant voert aan dat er geen draagvlak bestaat voor het zonnepark onder de omwonenden en dat het participatieproces niet zorgvuldig is uitgevoerd.
Reactie: Zie onze reactie onder zienswijze 4e.
Conclusie: De zienswijze leidt niet tot een andere overweging in het besluit. 19d. Strijd met gemeentelijk beleid Volgens reclamant wordt het zonnepark in strijd met het gemeentelijk beleid “Richtlijnen zonneparken in de gemeente Raalte 2.0” landschappelijk niet goed ingepast. Hij baseert dit op eerdere negatieve adviezen van Het Oversticht. Bovendien wordt een zonnepark op goede landbouwgrond volgens reclamant in het gemeentelijk beleid ontraden.
Reactie: Anders dan reclamant stelt, is het ontwerpbesluit gebaseerd op de positieve adviezen van Het Oversticht van 8 april 2025 en 14 mei 2025. Zie voor het overige onze reactie onder zienswijze 7a. Alleen een ‘monofunctioneel zonnepark’ wordt - anders dan reclamant stelt - op grond van het gemeentelijk beleid op ‘goede landbouwgronden’ ontraden. Dit is de in paragraaf 3.3.1 van de “Richtlijnen zonneparken in de gemeente Raalte 2.0” onder 3 beschreven trede van de zonneladder. Hiervan is in onderhavige situatie geen sprake. Hierbij is sprake van trede 2 van de zonnelader als beschreven in paragraaf 3.3.1. Ook in zoverre is het zonnepark niet in strijd met de “Richtlijnen zonneparken in de gemeente Raalte 2.0”.
30
Conclusie: De zienswijze leidt niet tot een andere overweging in het besluit. Zienswijze 20 (18 september 2025) 20a. Onderhavig deel van het buitengebied wordt thans al gebruikt voor diverse bestaande functies zoals: - Landbouw en voedselvoorziening; - Wonen op het platteland; - Recreatieve buitenruimte voor dorp en stadsbewoners; - In toenemende mate waterbeheer bovengronds en ondergronds; - Natuur en het laten bestaan van ecologische draagkracht; en - Groen en bebossing voor CO2 opslag- en kringloop. Het toevoegen van een industriële functie voor het duurzaam opwekken van zonne-energie gaat volgens reclamant ten koste van de ecologische draagkracht van het gebied en het woon- en leefklimaat van mens, plant en dier.
Reactie Het wordt onderkend dat onderhavig deel van het buitengebied al voor meerdere functies wordt gebruikt en dat de komst van het zonnepark invloed heeft op de beleving en het gebruik van het gebied. Bij de beoordeling van onderhavige aanvraag staat echter alleen de vraag centraal of het project, gelet op alle betrokken belangen, in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Zoals in de reactie onder zienswijze 1b toegelicht wordt het zonnepark zo goed mogelijk met inheemse en gebiedseigen beplanting in de landschappelijke omgeving ingepast. Naar aanleiding van adviezen van Het Oversticht is de landschappelijke inpassing geoptimaliseerd. Bij adviezen van 8 april 2025 en 14 mei 2025 heeft Het Overzicht hiermee ingestemd. Gelet op deze adviezen, alsmede gelet op het nationaal, provinciaal en lokaal belang bij de duurzame opwekking van zonne-energie, hechten wij meer belang aan de tijdelijke exploitatie van een zonnepark in onderhavig gebied dan aan het belang bij het behoud van de huidige functies in het gebied.
Conclusie: De zienswijze leidt niet tot een andere overweging in het besluit. 20b. Reservering financiële middelen voor ontmanteling zonnepark Reclamant verzoekt om financiële middelen te reserveren voor de verwijdering van het zonnepark na het verstrijken van de instandhoudingstermijn, zodat het gebied kan worden teruggebracht in de oorspronkelijke staat.
Reactie Zie onze reactie onder zienswijze 1c.
Conclusie: De zienswijze leidt niet tot een andere overweging in het besluit. 20c. Zonnepanelen eerst plaatsen op daken van woningen en bedrijven of naast (nieuwe) woonwijken
Reactie Zie onze reacties over voorgestelde alternatieve locaties onder zienswijze 4a en over het gemeentelijke beleid in de “Richtlijnen zonneparken in de gemeente Raalte 2.0” over de zogenoemde zonneladder onder zienswijze 7a.
Conclusie: De zienswijze leidt niet tot een andere overweging in het besluit. 20d. Participatie Reclamant werpt de vraag op of hij als grondeigenaar van aangrenzende gronden van twee van de drie locaties van het zonnepark niet had moeten worden betrokken bij het plaatsgevonden participatieproces dan wel daarover had moeten worden geïnformeerd. 31
Reactie: Zie onze reacties onder zienswijze 4e en 12f. Hieraan wordt toegevoegd dat de gronden van reclamant niet direct grenzen aan de locaties 2 en 3 van het zonnepark. Zijn gronden worden daarvan fysiek afgeschermd door (agrarische) gronden van anderen en de spoorlijn Zwolle - Almelo. Rengers voldeed dus niet aan het gekozen uitgangspunt voor uitnodiging voor de participatie uit het Communicatie- en Participatieplan van 8 mei 2022. Temeer niet omdat er op de gronden van reclamant geen woningen en/of erven aanwezig zijn die zicht hebben op de locaties. Hierbij wordt benadrukt dat eenieder die niet persoonlijk was uitgenodigd door de initiatiefnemer voor de participatie overigens welkom was en kon participeren. Zoals hiervoor toegelicht is reclamante van zienswijze nr. 12 ook hangende het participatieproces aangeschoven.
Conclusie: De zienswijze leidt niet tot een andere overweging in het besluit. Zienswijze 21 Das & Boom (1 september 2025) 21a. Beoordeling ecologische waarde in QuickScan onvoldoende Reclamante voert aan, zoals wij begrijpen, dat in de door adviesbureau Eelerwoude opgestelde ‘Quikscan Wet natuurbescherming realisatie zonnepark Raalte’ van 21 april 2023 (hierna: QuickScan) onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat er geen ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) nodig is, omdat het project geen afbreuk zou doen aan het streven de das in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. De ecologische informatie, waarop de QuickScan is gebaseerd, is volgens reclamante onvolledig.
Reactie Naar aanleiding van deze zienswijze heeft Eelerwoude de QuickScan aangevuld dan wel geactualiseerd in de ‘Aanvullingsnotitie quickscan flora en fauna’ (hierna: Aanvullingsnotitie) van 10 februari 2026. Met inachtneming van de zienswijze van reclamante trekt Eelerwoude in de Aanvullingsnotitie de conclusie dat – voor zover hier van belang - het zonnepark geen effect heeft op de gunstige staat van instandhouding van de das, indien de volgende mitigerende maatregelen worden getroffen: -
werkzaamheden in en aan het zonnepark alleen toestaan tussen zonsopgang en zonsondergang; en de te plaatsen hekwerken rond de locaties van het zonnepark voorzien van ten minste 10 poorten per locatie voor de toegang van grondgebonden zoogdieren zoals de das. Op advies van reclamante zullen hiervoor buizen worden gebruikt met één bocht van 90° of met twee bochten van elk 45°. De locaties van de poorten worden in overleg met een ecoloog bepaald.
De conclusie van Eelerwoude luidt (citaat):
“Conclusie In oppervlakte blijft evenveel foerageergebied behouden als nu het geval is, omdat er passeerbare afrastering wordt gebruikt voor de das. (…) Hoewel er dus overlap is tussen foerageergebied en de projectlocaties is geen sprake van (onttrekking van) essentieel foerageergebied, omdat voldoende bereikbare alternatieven (binnen en buiten de afrastering) beschikbaar zijn. De beschermde status van de das wordt hiermee gewaarborgd en een ontheffing van de WnB (tegenwoordig Omgevingsvergunning in het kader van flora- en fauna activiteiten) is daardoor niet aan de orde.” Hieruit blijkt dat het project uitvoerbaar is en dat er geen Wnb-ontheffing is vereist.
Conclusie: De zienswijze gaf aanleiding tot het vragen van nadere informatie. Gelet op de naar aanleiding daarvan overgelegde Aanvullingsnotitie van Eelerwoude leidt de zienswijze niet tot een andere overweging in het besluit. 21b. De das 32
Het zonnepark leidt volgens reclamante tot verlies van (mogelijk essentieel) foerageergebied voor de das met een oppervlakte van circa 18 hectare. De aanname in de QuickScan dat het extensief beheerde zonnepark als foerageergebied voor de das kan blijven functioneren, indien wordt voorzien in de toegankelijkheid door middel van poorten in de hekken rond de locaties van het zonnepark, wordt betwist. Reclamante voert daartegen aan dat de voornaamste voedselbron van de das regenwormen zijn en dat die vooral voorkomen op bemeste maisakkers en graslanden en niet in een extensief beheert zonnepark.
Reactie In de Aanvullingsnotitie benadrukt Eelerwoude dat dassen niet alleen regenwormen eten, maar ook noten, bessen, granen, paddenstoelen, knaagdieren, egels, slakken, insecten, en larven. Dit voedsel kan de das in het extensief beheerde zonnepark vinden. Daarbij wijst Eelerwoude erop dat uit onderzoek (Onrust, 2017) blijkt dat rode regenwormen juist goed gedijen in extensief beheerde gebieden. Dat betekent dat de das ook ter plaatse van de locaties van het zonnepark kan voorzien in zijn voornaamste voedselbron. Daarnaast blijft het gebied rondom het zonnepark in gebruik voor agrarische doeleinden. Ook op die locaties zijn voor de das voldoende regenwormen beschikbaar. Gelet hierop, gaat er volgens Eelerwoude geen (mogelijk essentieel) foerageergebied voor de das verloren, maar wordt het voedselaanbod daarentegen voor de das alleen maar groter en gevarieerder. Hieraan voegt Eelerwoude toe dat de rond het zonnepark voorziene hagen, bomenrijen, struweel etc. bijdragen aan een groter aantal veilige migratieroutes voor de das.
Conclusie: De zienswijze gaf aanleiding tot het vragen van nadere informatie. Gelet op de naar aanleiding daarvan overgelegde Aanvullingsnotitie van Eelerwoude leidt de zienswijze niet tot een andere overweging in het besluit. 21c. Burchten in het plangebied In de QuickScan wordt vermeld dat er geen dassenburchten in het projectgebied aanwezig zijn, maar dat hierin wel sporen van dassen zijn aangetroffen. Uit de database van reclamante blijkt dat er in de omgeving van het projectgebied drie actieve, drie inactieve en twee onbekende burchten zouden zijn. Mitsdien dient er volgens reclamante een aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd in een straal van 1.000 meter rond die burchten.
Reactie De QuickScan is uitgevoerd conform de gebruikelijke ecologische onderzoeksmethodiek (bureau- en veldonderzoek). Daarbij is vastgesteld dat in het projectgebied geen dassenburchten aanwezig zijn. In het projectgebied zijn wel sporen van de das aangetroffen. In de Aanvullingsnotitie zijn de door reclamante genoemde burchten betrokken in relatie tot de gestelde aantasting van het foerageergebied. Deze aanvullende informatie doet niet af aan de door Eelerwoude getrokken conclusie; de gunstige staat van instandhouding van de das wordt niet aangetast door het zonnepark, er is geen Wnb-ontheffing vereist, en het project is uitvoerbaar. Aanvullend onderzoek acht zij niet nodig. Kanttekening verdient hierbij dat Eelerwoude signaleert dat reclamante de datum van de informatie over de burchten en de typen burchten onvermeld laat. Ook merkt Eelerwoude op dat zij tijdens het veldonderzoek de onbekende burcht nabij locatie 3 van het zonnepark niet heeft aangetroffen. De oorsprong van de waarneming van die onbekende burcht heeft Eelerwoude in overleg met reclamante ook niet kunnen achterhalen.
Conclusie: De zienswijze gaf aanleiding tot het vragen van nadere informatie. Gelet op de naar aanleiding daarvan overgelegde Aanvullingsnotitie van Eelerwoude leidt de zienswijze niet tot een andere overweging in het besluit. 21d. Compensatie voor de das Reclamante stelt zich op het standpunt dat het verlies van 18 ha foerageergebied moet worden gecompenseerd. Zij baseert dat op het Kennisdocument Das van Bij12.
Reactie
33
Zoals hiervoor in de reactie onder zienswijze 21a gesteld gaat er geen foerageergebied voor de das verloren als gevolg van het zonnepark. In zoverre is een compensatieplicht dan ook niet aan de orde. Bovendien speelt die verplichting in onderhavige procedure geen rol. In onderhavige procedure kan worden volstaan met de beoordeling of het wettelijk soortenbeschermingsregime aan de uitvoerbaarheid van het zonnepark in de weg staat. Op grond van de QuickScan en de Aanvullingsnotitie stellen wij ons op het standpunt dat het soortenbeschermingsregime voor de das niet aan de uitvoerbaarheid van het zonnepark in de weg staat.
Conclusie: De zienswijze gaf aanleiding tot het vragen van nadere informatie. Gelet op de naar aanleiding daarvan overgelegde Aanvullingsnotitie leidt de zienswijze niet tot een andere overweging in het besluit. 21e. Tijdelijke verstoring Reclamante voert aan dat in de QuickScan wordt gesteld dat de verstoring van de das ‘tijdelijk’ is. Hoewel het zonnepark na 25 jaar wordt verwijderd, betekent dit een verstoring van vier tot acht dassengeneraties. Mitsdien vindt reclamante de stelling dat het om een tijdelijke verstoring gaat misleidend en feitelijk onjuist. Reactie In de QuickScan wordt - anders dan reclamante stelt - niet gesteld dat de das tijdelijk wordt verstoord als gevolg van het zonnepark. Het woord ‘tijdelijk’ wordt in de QuickScan alleen gebruikt voor zoogdiersoorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt. Voor de das geldt geen provinciale vrijstelling. Deze zienswijze betreft een onjuiste lezing/interpretatie van de QuickScan.
Conclusie: De zienswijze leidt niet tot een andere overweging in het besluit. 21f. Landschap Het zonnepark vormt een ernstige aantasting van het landschap. Extensief beheer van het zonnepark leidt tot bodemverschraling, afname van bodemleven en verminderde stikstofopslag en waterretentie.
Reactie Zie onze reactie over de landschappelijke inpassing van het zonnepark in de omgeving onder zienswijze 1b. Ten aanzien van bodemkwaliteit is gekozen voor beheer met kruidenrijk grasland en extensieve begrazing/maaibeheer. In de Aanvullingsnotitie is nader ingegaan op de positieve effecten hiervan op het bodemleven. Gelet op de opstelling van de rijen zonnepanelen, de breedte van een zonnepaneel en het trackersysteem van de zonnepanelen, is het aannemelijk dat de biodiversiteit en de bodemkwaliteit versterkt ten opzichte van het huidige intensieve en eenzijdige agrarische gebruik van de gronden.
Conclusie: De zienswijze gaf aanleiding tot het vragen van nadere informatie. Gelet op de naar aanleiding daarvan overgelegde Aanvullingsnotitie leidt de zienswijze leidt niet tot een andere overweging in het besluit. 21g. Verzoek om heroverweging locatiekeuze Reclamante verzoekt om geen omgevingsvergunning te verlenen voor het zonnepark op onderhavige locaties en de locatiekeuze te heroverwegen, waarbij ecologische draagkracht, landschappelijke integriteit en cultuurhistorische waarden als randvoorwaarde gelden.
Reactie Zie onze reactie onder zienswijze 4a.
Conclusie: De zienswijze leidt niet tot een andere overweging in het besluit.
34
Zienswijze 22 (18 september 2025) 22a. Aantasting landschap en cultuurhistorie waarden Reclamant voert aan dat het zonnepark in strijd is met het advies van Het Oversticht van 15 mei 2024. Het zonnepark tast de openheid van het landschap en de cultuurhistorische waarde aan.
Reactie Zie onze reactie onder zienswijze 7a. Hieraan wordt uitdrukkelijk toegevoegd dat het advies van Het Oversticht van 15 mei 2024 niet ten grondslag ligt aan onderhavig ontwerpbesluit.
Conclusie: De zienswijze leidt niet tot een andere overweging in het besluit. 22b. Alternatieven Volgens reclamant zijn er onvoldoende alternatieve locaties voor een zonnepark onderzocht en derhalve is het project in strijd met het gemeentelijk beleid dat ertoe strekt om bij een grootschalig zonnepark zoals onderhavig project in te zetten op meervoudig ruimtegebruik.
Reactie Zie onze reacties onder zienswijze 4a (alternatieve locaties) en 7a (gemeentelijk beleid). Voor wat betreft hetgeen is aangevoerde over de inzet op meervoudig ruimtegebruik bij een grootschalig zonnepark, wordt vermeld dat onderhavig zonnepark hieraan voldoet (par. 3.3.1 aanhef en onder 2 van de “Richtlijnen zonneparken in de gemeente Raalte 2.0”. Het zonnepark voorziet in: (1) het duurzaam opwekken van zonne-energie en (2) het uitbreiden en versterken van de ecologie en de biodiversiteit door de landschappelijke inpassing van het zonnepark en het kruidenrijk grasland tussen de zonnepanelen.
Conclusie: De zienswijze leidt niet tot een andere overweging in het besluit. 22c. Aantasting zonnepanelen landschap De zonvolgende panelen zijn hoger dan de standaard zonnepanelen en tasten hierdoor het open landschap en de zichtlijnen aan.
Reactie Zie onze reactie onder zienswijze 1b.
Conclusie: De zienswijze leidt niet tot een andere overweging in het besluit. 22d. Voorschrift instandhouding beplanting onuitvoerbaar Reclamant voert aan dat de in het ontwerpbesluit opgenomen voorschrift over de instandhoudingsverplichting van onderdelen van de landschappelijke inpassing na ommekomst van de instandhoudingstermijn van 25 jaar voor het zonnepark onuitvoerbaar is en dat het derhalve een “schijnzekerheid” schept.
Reactie Aan de omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die ertoe strekken dat de beplanting rond het zonnepark na het verstrijken van de instandhoudingstermijn van 25 jaar voor het zonnepark in stand moet worden gehouden. Hoewel hierbij is bepaald dat die verplichting ook geldt voor een rechtsopvolger, vloeit dit reeds voort uit het zaaksgebonden karakter van de omgevingsvergunning als bepaald in artikel 5.37 van de Omgevingswet (was art. 2.25 Wabo). Dat houdt in dat de omgevingsvergunning niet is gebonden aan de persoon van de houder, maar het project volgt zolang de vergunning rechtskracht heeft. Dit houdt in dat de instandhouding van de beplanting is gewaarborgd door middel van de aan de vergunning te verbinden voorschriften en ook geldt voor de grondeigenaren. Voorts wordt de omgevingsvergunning ook verleend voor die betreffende beplanting.
35
Hieraan wordt toegevoegd dat de landschappelijke inpassing zonder meer is gewaarborgd voor de duur van de instandhoudingstermijn van het zonnepark. Het blijvend behoud van de beplanting is een wenselijke situatie, maar de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het zonnepark is daarvan niet afhankelijk.
Conclusie: De zienswijze leidt niet tot een andere overweging in het besluit. 22e. Tegenstrijdige adviezen Het Oversticht Reclamant twijfelt aan de zorgvuldigheid van de besluitvorming, omdat Het Oversticht in mei 2024 negatief heeft geadviseerd over het zonnepark en vervolgens in april 2025 positief.
Reactie Zie onze reactie onder zienswijze 7a.
Conclusie: De zienswijze leidt niet tot een andere overweging in het besluit. 22f. Juridische onderbouwing Het zonnepark voldoet volgens reclamant niet aan een goede ruimtelijke ordening. Het is in strijd met de adviezen van Het Oversticht, de Omgevingsverordening Overijssel en het gemeentelijk beleid “Richtlijnen zonneparken in de gemeente Raalte 2.0”. Mitsdien kan de vvgb niet worden verstrekt.
Reactie Zie onze reacties onder zienswijze 7a (adviezen van Het Oversticht), 7b (Omgevingsverordening Overijssel) en 7a (Richtlijnen zonneparken in de gemeente Raalte 2.0).